PANORAMAVIEW MET BLINDE VLEK?1

Kastomega's eigenzinnige emergentie theorie 

 

 

 

 

Hier begint het. In de navel van Europa. Op het dorpsplein dat inmiddels is verdwenen werden in 1810 nog Napolitaanse volksliedjes gezongen. Ooit heeft een jonge geitenhoeder hier afscheid genomen van zijn moeder, om later op de slavenmarkt van Djerba te worden verkocht aan Barbarijse zeerovers. In 1707 werden de katholieke bewoners onthaald op de occulte profetieën van rondtrekkende Camisards. Tevergeefs, de vonk sloeg niet over. De profetieën van vóór het Christendom hadden de gemeenschap meer bekoord.

   De omgeving is bezaaid met rotsblokken vol persoonlijke inscripties uit vroeger tijden, als een lithografisch equivalent van Facebook. Het duidt erop dat dit een druk bezochte plek geweest is. Als je om je heen kijkt, zie je niets van de imposante bouwwerken van weleer maar met behulp van drones en remote sensing kun je de uitgestrekte  fundamenten zichtbaar maken. Hier lag ooit een welvarende stad.

   Uit alle hoeken van de wereld stroomden mensen hier naartoe. Toen, net als nu. Het sjamanistisch heiligdom van deze ‘bedevaartplaats’ wordt nog gemarkeerd door de onthoofde slangenzuil, de opgerichte navelstreng. Vanaf haar zetel op de driepoot die gevormd werd door de drie reptielenkoppen maande het enige ware orakel ooit tot zelfbezinning en relativiteit. Haar uitspraken staan in de rotswanden gegrift. In Delphi.

 

 

Telkens opnieuw, vanaf het eerste begin, vanaf de vorming van sterren, vanaf het ontstaan van het leven, zijn evolutionaire transities het gevolg van emergentie. Door de toenemende complexiteit duiken spontaan nieuwe, tot dan toe onbekende verschijnselen op die een faseverandering inluiden. Zoals zo’n 1.7 miljard jaar geleden bacteriële microben zich samenvoegden tot de vorming van de eerste echte eencellige organismen. Of zoals 600 miljoen jaar geleden de eencelligen samenklonterden tot de eerste meercellige planten, dieren en schimmels. Op grond van het voorgaande verwacht ik dat de volgende grote evolutionaire transitie zal resulteren in een collectief planetair bewustzijn met een eigen identiteit (naast vrije individuen die daar geen deel van willen uitmaken). Deze planetaire identiteit (pi) is slechts één van de talloze pi’s in ons universum.

   De periodes tussen de bekende evolutionaire transities op aarde vertonen, sinds het ontstaan van het leven tot het ontstaan van de menselijke taal, nogal wat schommelingen. De langste (ca. 2 miljard jaar) was zonder twijfel de periode waarin eencelligen ontstonden, door een hechte samenwerking van bacteriële microben (endo-symbiose theorie). De kortste was waarschijnlijk de periode tussen het ontstaan van replicerende moleculen en replicerende systemen die werden omhuld door een membraan (in die tijd was de aarde een stuk warmer waardoor moleculaire processen sneller verliepen en na de eerste replicatie gaat het van een leien dakje). Maar het gaat wel steeds om miljoenen jaren. Het is dus niet waarschijnlijk dat onze pi binnen luttele eeuwen voltooid zal zijn (alle esoterische en quasireligieuze verwachtingen ten spijt).

   De mechanismen die ten grondslag liggen aan de grote evolutionaire transities zijn nog lang niet duidelijk. Wat er in veel gevallen duidelijk aan ten grondslag ligt is de samenwerking van kleine eenheden waardoor er een groter en vooral complexer geheel ontstaat dat meer overlevingskans heeft dan de oorspronkelijke delen. Het probleem zit er vooral in waarom die oorspronkelijke eenheden hun eigen identiteit ondergeschikt maken aan het samenwerkingsverband. Dat laatste lijkt namelijk in strijd te zijn met de drang van individuele organismen om zelfstandig te overleven.

   Mensen zijn daarop geen uitzondering. Hoewel saamhorigheidsgevoelens gebaseerd op religie, nationaliteit of de voetbalclub een belangrijke rol kunnen spelen, kiest men uiteindelijk toch voor het eigen hachje. Dichtbij (gezin, familie) verdient de voorkeur boven veraf. En hoe dichterbij, hoe liever. 

   Sommige dingen zijn zo dichtbij dat ik ze over het hoofd zie. Zelfs als ik ze in het vizier heb blijven ze ongrijpbaar. Zoals mijn IK, de kern van mijn ZELF.2 Ondanks de persoonsgegevens uit het bevolkingsregister en een gedegen zelfanalyse blijft het onduidelijk wie of wat mijn IK werkelijk is. Ik krijg er mijn vinger niet achter, alleen een vaag vermoeden dat het er is. Ongeveer zoals het vermoeden van de honingbij dat er een kolonie is waarvan ze deel uit maakt, de anticipatie van H2O op de natheid van water, de preoccupatie van neonatomen met de kleur rood. Met andere woorden, het ZELF is een emergente eigenschap van het bewustzijn. Het komt alleen tot uiting in het collectieve, in het wij-gevoel.

   Wie zijn wij eigenlijk? Gezamenlijk vormen we een gemeenschap van miljarden zielen, onderling verbonden door handel, strijd, liefdadigheid en het wereldwijde communicatie netwerk. Afzonderlijk zijn we allemaal unieke individuen en heeft iedereen wel eens een beleving die zo persoonlijk is dat je je afvraagt of er nog wel iets anders is dan je eigen IK3. Gemeenschappelijkheid komt tot uitdrukking in religie maar sommige religies propageren de persoonlijke beleving.4 In kunst en wetenschap wordt de individuele creativiteit hoog gewaardeerd terwijl sociale democratie en nationalisme drijven op sentimenten van saamhorigheid.

   Van alle tijd (verleden, heden, toekomst) staat de nu-tijd mij het meeste na. De nu-tijd of aandacht voor mijn directe omgeving duurt ruwweg niet langer dan de tijd tussen twee slaapperiodes, zeg maar een dag.

   Mijn directe omgeving is de ruimte waarin ik mij dagelijks beweeg, zijn de mensen met wie ik dagelijks omga, is de wereld die ik dagelijks beleef. In die omgeving lijkt alles uitvergroot in vergelijking met de rest van de wereld (die mij wel bekend is). De dagelijkse herhaling van de nu-tijd versterkt die uitvergroting waardoor de detaillering van de nu-tijd toeneemt. Daarin schuilt het gevaar dat de details alle belangstelling opeisen en de grovere patronen aan de aandacht ontsnappen.

   Recente gebeurtenissen zijn, zoals bekend, veel uitgebreider en nauwkeuriger beschreven dan voorvallen uit het verleden. Daardoor trekken recente gebeurtenissen meer aandacht en worden niet zelden belangwekkender gevonden dan de grovere patronen, zelfs als die al eerder zijn waargenomen.

   Tijdens de geschiedenis van de mens zijn – in analogie met het ontstaan van leven: opslag en replicatie van informatie en het genereren van energie – de meest cruciale gebeurtenissen voor verdere culturele ontwikkelingen het ontwerpen van schrift en de manipulatie van natuurkrachten. Enkele andere emergente voortbrengselen van de mens zijn wiskunde, handel, symfonische muziek, het trans-galactisch liftershandboek (Douglas Adams) en Instagram. Niet gek, als je bedenkt dat deze emergente ontwikkelingen in minder dan 10.000 jaar konden plaatsvinden. Culturele emergenties hebben beduidend minder tijd nodig om te ontstaan dan organische.

   Aan de organische evolutie – het ontstaan van levende wezens op aarde (en hoogst waarschijnlijk ook elders in het heelal) – ging een niet-organische ontwikkeling vooraf die geleid heeft tot de vorming van planeten. Deze kosmische evolutie wordt voorgesteld als een aantal faseovergangen in de eerste seconde na de oerknal die hebben geleid tot de vorming talloze hemellichamen.

   Een nadere beschouwing van de modellen wekt de indruk dat er afwisselend sprake was van macro- en micro-emergenties (respectievelijk g  en k). Allereerst moet de tijd zijn begonnen, een dimensie zonder einde, waarna alle soorten van beweging, en dus veranderingen, konden plaatsgrijpen (g). Het is niet duidelijk wat voor soort faseovergangen zich in die eerste miljoenste seconde hebben voltrokken, alleen dat er een oneindig hoge energiedichtheid moet hebben geheerst. Aangenomen wordt dat tijdens die eerste faseovergangen de fundamentele krachten zijn ontstaan en dat de gravitatiekracht een omgekeerde (afstotende) waarde had die aanleiding gaf tot de kosmische inflatie: het ontstaan van de uitdijing, de emergente ruimte (g) . Deze was waarschijnlijk volledig gevuld met elementaire deeltjes (o.a. quarks en elektronen) (k). Het uitdijen van de ruimte ging gepaard met een afname van de energiedichtheid (oorzaak en gevolg zijn in dit vroege stadium onduidelijk). Onder invloed van krachtvoerende deeltjes (o.a. gluonen en fotonen) werden na een miljoenste de eerste protonen en neutronen gevormd, in de vorm van trio’s van quarks die door gluonen, die verantwoordelijk zijn voor de sterke kernkracht, stevig aaneen werden gekit (k).

   Tijdens die eerste overgangsfasen botsten allerlei deeltjes en antideeltjes op elkaar waarbij ze elkaar neutraliseerden en verdwenen (annihilatie). Na verdere daling van de energiedichtheid ontstonden er geen nieuwe deeltjes en antideeltjes meer en vond er alleen nog annihilatie plaats. Doordat antimateriedeeltjes in de minderheid waren (kwantumeffect?) bleven er uiteindelijk alleen materiedeeltjes zoals protonen, neutronen en elektronen bestaan.   

   Na een paar honderdduizend jaar was de energiedichtheid zover gedaald dat de elektromagnetische kracht (fotonen) tussen elektronen en protonen zorgde voor het ontstaan van de eerste (lichte) atomen, vnl. waterstofgas (k). Ondertussen was er alleen maar sprake van verdere uitdijing en afkoeling (g?).

   Door het kwantumeffect was de dichtheid van het waterstofgas niet overal gelijk en vormen zich gaswolken. Onder invloed van de gravitatiekracht nam de dichtheid en temperatuur in die wolken toe en ontwikkelden ze zich na een paar honderd miljoen jaar tot de eerste sterren (g). Deze bestonden vrijwel uitsluitend uit waterstof en helium en na een paar miljoen jaar van fusie tussen de lichte atomen werden er ook zwaardere elementen gevormd, die de ruimte werden ingeblazen. De stofwolken die vervolgens ontstonden bevatten naast waterstof en helium ook grotere atomen (k). Nadat de cyclus van stervorming en het ontstaan van interstellair stof en gas zich herhaaldelijk heeft voorgedaan, bevatten de stofwolken voldoende zware elementen om ook planeten te doen ontstaan (g). Tijdens de vorming en afkoeling van die hemellichamen vonden chemische reacties plaats tussen de verschillende elementen waardoor diverse verbindingen, opgebouwd uit moleculen (k), werden gevormd. Afhankelijk van de samenstelling van de planeet (welke moleculen er voorkwamen; k) en invloeden van buitenaf (bv. kosmische straling; g) konden grotere moleculen en polymeren worden gevormd en misschien zelfs leven ontstaan.

   De vermoedelijk wisselwerking tussen macro-emergenties met een afnemende uitgestrektheid en micro-emergenties met een toenemende complexiteit vormt de essentie van de ‘pulserende emergentie theorie’, namelijk de idee dat de evolutionaire ontwikkeling is samengesteld uit verschillende typen emergenties, structurele en conditionele.

 

 

Nawoord van de auteur

In ieders leven spelen zich oneindig veel onbeduidende gebeurtenissen af. En enkele die  onvergetelijk zijn. Dat geldt ook voor de geschiedenis van de mensheid, die zelf weer een flinterdun segmentje vormt van de geschiedenis van het gehele leven op aarde, dat pas een aanvang nam nadat ons zonnestelsel, het melkwegstelsel, dit hele universum, lang, lang geleden was ontstaan. In die welhaast eindeloze tijdspanne hebben de talloze onbeduidendheden telkens opnieuw tot onvergetelijke of, vanuit een hedendaags perspectief gezien, vanzelfsprekende gebeurtenissen geleid. Er ontstond iets nieuws dat nooit tevoren had bestaan. In een mensenleven is dat de geboorte van een kind, in een waterdruppel de weerspiegeling van de waarnemer, in de hemel het ontstaan van sterrenstelsels.

   Daaraan zijn mijn magazines gewijd: muizenissen, anekdotes, al dan niet quasi diepzinnigheden en proclamaties; ze worden op het podium van de immer voortschrijdende tijd aan het geachte publiek gepresenteerd, waarna de herauten en clowns weer tussen de coulissen verdwijnen.

   De hoofdrolspeler in deze voorstelling, de steracteur Homo sapiens, waar wij zoveel van opgeven, staat pas aan het begin van zijn carrière. En voor alle duidelijkheid: alle spelers van dezelfde soort zijn niets anders dan alter ego’s.

 

                                                                                                                                                                  Kanishk Kastomega

 

Een totaal beeld kan een overzicht geven van de grote lijn maar verliest daarbij de details die inzicht geven in het oorzakelijk verband. Het zegt iets over het HOE maar het zegt niets over het WAAROM, vandaar die 'blinde vlek'. De blinde vlek is trouwens ook heel concreet.1 Op de plek waar de oogzenuw het oog verlaat, ontbreken de zintuigcellen waarmee we iets kunnen zien. Zo blijft er altijd een stukje van de wereld onzichtbaar, alsof het zich razendsnel verplaatst. In iedereen schuilt een Don Quichotte. De waarheid is een persoonlijke aangelegenheid.

De essentie van het ego is nog altijd onderhevig aan veel speculaties. Voor velen is het ego identiek aan eigenbelang, maar hier wordt iets anders bedoeld. Het gaat mij er niet om hoe het zich kan manifesteren, maar wat het IS.

Het ego wordt wel opgevat als de persoonsidentiteit en dan is de vraag of deze onveranderlijk is en zo ja, hoe dat dan mogelijk is. De vraag werd al gesteld in de Griekse oudheid en draait erom of iets nog hetzelfde blijft, ook als alle onderdelen zijn vervangen (de paradox van Theseus).

In de renaissance werd het ego losgemaakt van het lichaam en vereenzelvigd met de ziel (wat dat dan ook wezen mag). Aantrekkelijker was het om het ego gelijk te stellen aan (zelf)bewustzijn maar daarmee was men eigenlijk terug bij af. Wat is (zelf)bewustzijn? Of hoe kun je bewust zijn van je ego?

In esoterische kringen wordt het ego wel opgevat als een illusie, omdat het ego gebonden is aan het NU en ook TIJD een illusie is. Deze therapeutische opvatting is gebaseerd op een andere interpretatie van ego en dus in dit verband niet interessant (wat niet weg neemt dat sommige mensen veel baat hebben bij dit niet-denken).

Je kunt je ego beteugelen, ontzien of zelfs compleet negeren, maar dat is allemaal niet waar het mij om gaat. Ook als ik mij voordoe als iemand anders, met andere verlangens, een ander karakter, andere angsten en andere oordelen, dan nog blijft dat oorspronkelijke ego bestaan. Bij mij, bij iedereen. Wat IS het? Je kunt jezelf wel identificeren met je ZELF maar dat geeft geen antwoord op de vraag wat je ZELF precies is.

Omdat taal vaak tekort schiet worden ego, ik en zelf verschillend gedefinieerd, maar ook het ZELF als centrum van de psyche (Jung) is niets anders dan het verschuiven van de vraag. Wat is het centrum van de psyche? Het ZELF wordt wel opgevat als een bundeling van diverse hersenactiviteiten (dus géén centrum). Als de samenhang van die bundel gedeeltelijk (zelftranscendentie) of geheel (slaap) verdwijnt, verliezen we ons ZELF. Omdat het ZELF waarschijnlijk gereduceerd kan worden tot de psychische elementen hebzucht, angst en kuddegeest beleven de meeste mensen dat verlies als prettig.

Moderne filosofen hebben het over de narratieve identiteit, waarmee ze bedoelen dat iemands persoonlijke identiteit wordt geconstrueerd aan de hand van (levens)verhalen. Dat geeft al aan dat het ZELF niet in een paar woorden is te vangen. Maar bovendien dat er zoveel ZELFS zijn als er verhalen zijn. Het Zelf zelf is kennelijk een tabula rasa, een ongeschreven blad. Zonder duidelijk te maken wat dat blad dan precies is (en dan bedoel ik niet het brein, maar wat het brein voortbrengt. En de bewering dat ons IK achter ons brein aanholt geeft evenmin antwoord op de vraag wat het IK is).

Dan is er natuurlijk ook het idee dat het IK en het ZELF helemaal niet bestaan, in die zin dat ze voor ons nooit kenbaar kunnen zijn. Met andere woorden, ze bestaan eigenlijk wel maar dan in een andere dimensie. Ongeveer zoals platlanders geen idee hebben van een bol (die nemen ze hooguit waar als een cirkel met variabele straal).

Het zal duidelijk zijn dat het IK veel te dichtbij is om er een rationeel (afstandelijk) beeld van te geven. Stof genoeg dus om er duchtig op los te fantaseren. Het IK wordt wel beschouwd als een illusie. Net als de TIJD. Maar illusies hebben hun eigen werkelijkheid. Ze bestaan toch?

Dieren hebben een brein en niemand zal ontkennen dat bij sommige dieren dat orgaan beter is ontwikkeld dan bij andere. Bovendien zijn bij alle dieren de bouwstenen (neuronen) en processen (neurotransmissie) dezelfde. We beschouwen ons bewustzijn als een product van ons brein. Vanaf welk niveau van organisatie dat het geval is valt niet te zeggen maar dat dit bij sommige dieren nog niet is bereikt en bij de mens wel, daar is men het wel over eens. Wie ervan overtuigd is dat alle organismen, inclusief de mens, ooit zijn geschapen en dus onveranderlijk zijn, zal zich moeilijk kunnen voorstellen hoe ons brein ooit in een hogere staat van bewustzijn kan geraken, behalve door een nieuwe schepping (is dat geen blasfemie?). Voor een evolutionist is het eenvoudiger: onze gebrekkige staat van bewustzijn staat nog in de evolutionaire kinderschoenen. Ooit zal het brein zich ontwikkeld hebben tot een orgaan dat in staat is het ZELF beter te definiëren dan wij tot nu toe kunnen. Alleen kan dat nog wel even duren (ook al is TIJD volgens sommigen een illusie). De organische evolutie verloopt met stapje van miljoenen jaren. Wellicht kan de door ons op gang gezette technologische evolutie die ontwikkeling versnellen en moeten we dat geëvolueerde brein ook in die zin opvatten: als een technologisch super-brein dat in staat zal zijn zichzelf te kennen. Alleen, wat hebben wij daaraan? En bovendien, ook dat gaat nog eeuwen duren. Dus nogmaals, wat hebben wij daaraan? 

 

 

Zulke egocentrische gevoelens zijn kenmerkend voor de puberteit en geven vaak aanleiding tot conflicten tussen het individu en de sociale omgeving. In de wijsbegeerte wordt de onzekerheid over het bestaan van alles buiten het eigen ego solipsisme genoemd. Zoals de agnost denkt over God, zo denkt de solipsist over zijn medemens. Alleen van zichzelf kan men zeker zijn: cogito ergo sum. Een stapje verder gaat de nihilist; die trekt niet alleen het bestaan in twijfel, maar ook de waarden en daarmee elke moraliteit.
Het protestantisme propageert de persoonlijke God, of men nu tot een kerkgenootschap behoort of niet, dat doet er helemaal niet toe. Iedereen is, onafhankelijk van ieder ander mens, in staat om te geloven. Zie ook: Ger Groot. De geest uit de fles. Lemniscaat, 2017