HOMO DOMITOR, MENSENTEMMER

Onderwerping van de wereld

 

 

 

Over de geschiedenis van de mens is veel gespeculeerd, gefilosofeerd, ondersteboven gehaald en afgestraft. Wie het wéét mag het zeggen. Wat we wéten is dat we er zijn, en wat ís, heeft een geschiedenis. Toch?

   Sommigen menen dat alles altijd bij het oude blijft, dat elke verandering bedrieglijk is. Als een dolle schroef: hij draait wel maar klikt telkens terug. Een mens wordt geboren en gaat dood. Telkens weer opnieuw. Er verandert niets. De geschiedenis als een voortdurende herhaling van dezelfde zetten. Deze mensen treden in het voetspoor van Parmenides die al meer dan vijfhonderd jaar vóór onze jaartelling beweerde dat de zintuiglijke waarneming ons een loer draait.

   Anderen vermoeden dat er weldegelijk vooruitgang is, zelfs als we die niet waarnemen. Zoals het verdampen van water: dat zie je ook niet direct gebeuren. Ons leven duurt te kort om op de geologische tijdschaal enige verandering te kunnen onderscheiden. Maar de rivier die stroomt door de tijd is volgens Heraclitus nooit dezelfde.

   Het ontstaan van de Homo sapiens trekt veel aandacht, evenals het uitzwermen van de mens over de wereldbol. Maar hoe komt het eigenlijk dat slechts een betrekkelijk kleine groep vanuit Europa de rest van de mensheid heeft onderworpen? Ongetwijfeld is hier sprake van een evolutionaire tussenstand, in de toekomst ziet de wereld er wellicht heel anders uit. Toch is ook de toekomst schatplichtig aan de Homo domitor van onze tijd. En die woont in het westen.

 

 

In de ontwikkelingsgeschiedenis van de aarde zijn de apen van alle zoogdieren het laatst verschenen. Uit versteeningen kan worden afgeleid, dat breedneuzen nooit ergens anders leefden dan in Zuid-Amerika. De smalneuzen hadden vroeger een veel uitgestrekter woongebied dan tegenwoordig.  Zij moeten zelfs geleefd hebben in Frankrijk, in Zwitserland en in Zuid-Duitschland.

   Veel opzien maakte eenige jaren geleden de vondst op Java van de overblijfselen van een wezen, dat nog voor den een voor een mensch, door den ander voor een aap wordt gehouden. Uit den vorm van het dijbeen blijkt dat het rechtop liep. Ook de andere deelen, die bewaard zijn gebleven, eenige kiezen en het schedeldak, doen zien, dat het wezen, waarvan zij afkomstig zijn, veel meer op een mensch leek, dan de hoogste nu levende apen. De ontdekker noemde het Pithecanthrópus eréctus, d.i. rechtop lopende aapmensch.*

  

Citaat uit Beknopt Leerboek der Dierkunde door Dr O. Schmeil, Thieme, Zutphen, 1909. Voor Nederland bewerkt door Dr P.G. Buekers. Dit dierkundeboek was in de eerste helft van de 20e eeuw een karakteristiek biologisch leerboek in het voortgezet onderwijs. Pithecanthropus erectus was de Java-mens die Eugène Dubois ruim een decennium eerder had gevonden. Buekers schreef in zijn Voorrede: ‘Darwins (…) dogma “alles is aanpassing” dwingt ons dan ook niet langer om van alles een, vaak gewrongen, verklaring te geven.’ Uit het citaat blijkt dat Buekers tot de velen behoorde die Darwins evolutieleer niet hadden begrepen. In het leerboek wordt verder nergens iets over de evolutietheorie vermeld.

Meer over de evolutie van de mensachtigen, zie https://nl.wikibooks.org/wiki/Evolutie/De_menselijke_evolutie

   Voor wie geïnteresseerd is in de evolutie van de mens, is Sapiens van Yuval Noah Harari (De Bezige Bij, 2017) een zeer lezenswaardig boek

 

Er bestaat weinig twijfel over dat Afrika de bakermat is van Homo sapiens. De oudste fossielen zijn gevonden op dat continent en worden op meerdere honderdduizenden jaren gedateerd. Vermoedelijk migreerden de moderne mensachtigen vanuit Afrika naar het noorden en verspreidden zich langs de kustlijnen en rivieren in oostelijke en westelijke richtingen. Deze migraties verliepen over een zeer lange periode van duizenden eeuwen. Mensachtigen van dezelfde soort raakten door de enorme onderlinge afstanden van elkaar gescheiden en daarmee biologisch geïsoleerd. Niet lang genoeg om verschillende soorten te worden, maar wel om verschillende raskenmerken te ontwikkelen. Het is denkbaar dat ondernemingslust en onverschrokkenheid een genetische component hebben. Wellicht waren dergelijke factoren sterker vertegenwoordigd bij mensen die wegtrokken. Aannemelijker is dat deze mensen in de strijd om het bestaan het onderspit dolven en moesten vluchten.

   Verschillen in sociaal-culturele ontwikkeling tussen de bevolkingsgroepen correleerden met hun woonplaats en de soorten levende wezens die daar voorkwamen (voedingsgewassen, huisdieren, ziekteverwekkers). Of men zich  ergens vestigde of bleef rondzwerven, hing van de geografische omstandigheden af. Aanwijzingen die duiden op bodembewerking en langdurige vestiging zijn tussen dertienduizend en vijftienduizend jaar oud. De snelheid van de bevolkingsaanwas werd in hoge mate beïnvloed door de uitgestrektheid en vruchtbaarheid van het land en door de strijd die werd geleverd om zich daar te kunnen handhaven.

   De voordelen van een thuisbasis hadden een onderwerpend en dominerend effect op andere mensen in de regio. Nomadische groepen sloten zich vrijwillig aan of werden overmeesterd. Binnen de thuisbasis ontwikkelden zich machtsstructuren, culminerend in een despoot die aanbeden werd als een God. Binnen deze theocratische samenlevingen, die overal ontstonden, waren allen onderworpen aan en eigendom van de hoogste leider.

 

 

In alle gewesten waar den Mensch zich konde bevinden, vondt hij boomooft en kruiden, zoó dat, op welk een plek gronds van den bewoonbaren Aardbol een Mensch gebooren of geplaatst werd, daar vond hij , of hem natuurlijk eigen spijze van ooft en veldgewas, of zijn vernuft bereidde zich zelven ook voedsel uit allerlei dierlijke wezens, die de plaats daar hij zich bevondt, opleverde. Het is immers nog heden in onze dagen alzoo, dat de onderscheiden volkeren, die den Aardbodem bewonen, hun voedsel zoeken in die voortbrengsels van het land en van die Dieren, die in dat Gewest gevonden worden: en die in andere Gewesten door geen Mensch, dan in nood, zouden gebruikt worden.*

 

Citaat uit Natuurlyke historie van Holland. Deel 4 door J. le Francq van Berkhey, Yntema en Tieboel, Amster-dam, 1769. In dit leerboek wordt uitgebreid ingegaan op herkauwend vee, met name runderen. Nederland is wereldvermaard geworden met superieure melkkoeien. In het klassieke Chinese rijk was rundvee, en daarmee ook zuivel, onbekend.

De relatie tussen de mens en andere organismen zoals planten en dieren is van buitengewone betekenis geweest op zijn verdere culturele ontwikkeling ter plaatse.

 

De dominante mens, de mens die uiteindelijk alle andere mensen in de wereld zou onderwerpen, Homo domitor, ontstond op het continent dat men later de naam Europa zou geven. Historici hebben geprobeerd dat te verklaren maar dreigen gemakkelijk correlaties met causaliteit te verwarren, te meer daar gebeurtenissen in het verleden nu eenmaal niet experimenteel toetsbaar zijn.

   Maar sommige gebeurtenissen waren uniek.

   Zowel biologische als culturele factoren hebben een rol gespeeld, al kan men van de biologische niet aantonen dat ze elders nooit hebben plaatsgevonden (het gaat o.a. om de relatie tussen mens en dier). De bevolking van Europa werd allengs sterker door selectie en door vermenging met andere populaties na langdurige periodes van isolatie.

   Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld na de grote volksverhuizingen in het eerste millennium. Selectie van de sterkste individuen vond plaats door voedselschaarste, oorlog en ziekte. Zwangere vrouwen kwamen om van de honger (die moesten tenslotte voor twee eten) en mannen verloren het leven in de strijd met andere mannen. Babysterfte en ziekte kwam onder beide seksen in gelijke mate voor. Europeanen werden aanvankelijk vooral getroffen door pokken en dysenterie, later in hoge mate door de pest. Van de (levend) geboren kinderen werd hooguit een kwart volwassen en in staat zichzelf voort te planten.1

Moderne berekeningen op grond van demografische modellen laten zien dat in de Romeinse wereld gemiddeld één op de drie levend geboren kinderen stierf voor de eerste verjaardag. Voordat een kind tien jaar oud was, was de helft van zijn leeftijdgenoten al overleden. Antieke literaire bronnen bevestigen dit gruwelijke beeld. Zo had Cornelia, de moeder van de beroemde hervormers Tiberius en Gaius Gracchus (2e eeuw bc), twaalf kinderen van wie er slechts drie volwassen werden. Een leraar van keizer Marcus Aurelius (2e eeuw ad) werd nog zwaarder getroffen. Van zijn vijf levend geboren kinderen bleef alleen zijn dochter Gratia in leven. Zijn andere kinderen stierven zo jong dat geen van hen een broertje of zusje gekend heeft: nog voor het volgende kind geboren werd, was het eerdere al gestorven. Daarentegen lezen wij niets over de dood van kinderen in het gezin van de redenaar Cicero: zijn dochter Tullia en zijn zoon Marcus bereikten beiden de volwassenheid. Het demografische ‘regime’ was dus niet alleen hard, maar ook bijzonder grillig. In de steden was de sterfte waarschijnlijk hoger dan op het platteland, maar er lijkt geen onderscheid te hebben bestaan tussen de elite en het volk. De dood trof kinderen uit alle geledingen van de samenleving met – zeker in een tijd van geringe kennis van ziekten en epi-demieën – een hoge mate van willekeur. (http://www.isgeschiedenis.nl)

 

Ten noorden van de Middellandse Zee werden feodale despoten van hun goddelijkheid ontdaan en ontstond er een scheiding tussen kerk (God) en staat (despoot). Deze gebeurtenis aan het begin van het 2e millennium staat bekend als het Concordaat van Worms (1122). Het was wellicht de voornaamste culturele aanzet tot de vorming van Homo domitor. De Joods-Christelijke traditie had in het eerste millennium al bij brede lagen van de bevolking geleid tot het besef en de aanvaarding van persoonlijk eigendom, hetgeen gepaard ging met de ontwikkeling van een burgerlijk bestuur in de vorm van ‘gemeenten’ en de kiem van een ‘onafhankelijke’ rechtspraak.2

Het Concordaat van Worms bepaalde dat de leider van de Christelijke wereld (de Paus) niet langer kon worden aangesteld daar een wereldlijke leider (destijds de keizer van Rooms Duitse rijk), maar door kerkelijke functionarissen (bisschoppen) moest worden benoemd. Die politieke keuze leek aanvankelijk niet zoveel te betekenen (het was allemaal familie) maar leidde wel tot een steeds grotere onafhankelijkheid tussen spirituele en economische beslissingen.

In Arm en rijk, waarom sommige landen erg rijk zijn en andere erg arm (Spectrum,1998) schetst David Landes de economische wereldgeschiedenis en probeert hij duidelijk te maken waarom juist het Westen rijk werd terwijl andere landen arm bleven.

   De tijd was rijp voor de grootste revolutie sinds de ‘ontdekking’ van de landbouw, namelijk het internationale handelsverkeer en de uitwisseling van kennis. Ondanks de dominante rol die het kerkelijk gezag behield op het spirituele vlak, deden in toenemende mate tegendraadse, onafhankelijke geesten van zich horen, die zich van dat gezag weinig aantrokken.3 De overwegend agrarische bevolking was weliswaar arm maar kon in vrijheid handelen en ze bestond over het algemeen niet – zoals vaak onterecht gedacht wordt – uit geknechte slachtoffers van een feodaal systeem. De persoonlijke inbreng van ‘gewone mensen’ werd een factor van betekenis in een samenleving met een meer gelaagde bestuursvorm waardoor deze een steeds complexere structuur kreeg. Veel ingewikkelder dan de simpele top-bottom bestuursvorm die werd toegepast in streken waar nog altijd de gehele bevolking het onderworpen eigendom was van de hoogste leider. Bovendien was het feodalisme erfelijk bepaald waardoor deze situatie generaties lang kon standhouden.

Voor wie meer wil weten over de niet zo duistere middeleeuwen is De ontdekking van de Middeleeuwen: Geschiedenis van een illusie door Peter Readts (Wereldbibliotheek, 2011) een aanrader.

   Op de lagere bestuurs- en organisatieniveaus zoals die in Europa ontstonden, kon iedereen met voldoende capaciteiten en ambitie een leidende positie veroveren. Daardoor werden die gemeenschappen steeds emergenter.4

Niet elke gelaagdheid leidt vanzelf tot emergentie. Een kastensysteem dat potentiële zelfontwikkeling vrijwel tenietdoet door vanzelfsprekende delegatie en blokkering van individuele ontplooiing (wie als een dubbeltje geboren is …) is de onderliggende laag volledig schatplichtig (zelfs door geboorte) aan de bovenliggende. Daarmee wordt elke motivatie die kan leiden tot de ontwikkeling van emergente structuren in de kiem gesmoord. In een samenleving waarin de afzonderlijke bevolkingsgroepen zichzelf verder kunnen helpen, is binnen elke laag wel sprake van mogelijke positieve terugkoppeling, kenmerkend voor de complexe structuur van een emergente samenleving.

   Veel omvangrijker en ingrijpender dan met karavanen van trek- en lastdieren over land mogelijk was geweest, werd de wereld ontsloten met steeds snellere en grotere zeeschepen die voortbewogen op de wind en vele tonnen lading konden dragen. Waarom andere zeevarende rijken (zoals China) minder succesvol waren dan de Europeanen wordt wel geweten aan de zelfingenomenheid van de heersende elite en hun gebrek aan belangstelling voor de rest van de wereld. Dank zij de goudzucht en zendingsdrang van de gezagsgetrouwe katholieken en de arbeidzaamheid en het tijdsbesef van de schraperige calvinisten, penetreerden Europese handelaren menig wereldrijk om het leeg te zuigen en te infuseren met de christelijke moraal.

   Daarin zijn ze redelijk geslaagd, vooral toen vanuit het protestantse noorden van Europa de eerste technologische revolutie haar invloed deed gelden.5 Op dit moment is er geen volk op aarde dat zich aan die dominantie kan onttrekken, al was het maar om als ‘educatief' amusement te fungeren, in musea of op tv.

De eerste technologische revolutie is vooral bekend geworden als ‘de industriële revolutie’ en is vooral te danken aan de combinatie van een aantal innovatieve ontwikkelingen op het gebied van mechanische aandrijving, fossiele brandstof, metaalbewerking en transport. De tweede technologische revolutie vond in de tweede helft van de 20e eeuw plaats op het gebied van de elektronica en communicatie. In de 20e eeuw vonden eveneens twee ‘groene revoluties’ plaats: de ontwikkeling van kunstmest en insecticiden en tegen het einde van de eeuw de biotechnologie.

 

 

Alsoo voor desen, beminde Leser, gheen vreemde landen door onse Nederlandtsche Natie op ghesocht hebben gheweest, om aldaer haren coophandel te dryven, haer altoos ghenoeghende met de ghemeyne profyten die zy in Spaengien deden, niet teghenstaende de ghedurighe arresten van hare schepen, confiscatie van goederen, vanckenissen der Coopluyden ende Schipperen, onder ’t decxel datse quamen van vyanden landen, datse vande Inquisitie gheexamineert moesten werden, oft datse de Coningh in zynen dienst van doene hadde, welcke dienst haer opgheleyt worde, sonder daer van eenichsins gheloont te worden, tot haeren grooten achterdeel, nochtans hopende altoos sulcks eens ophouden soude, hebben haer tot den Iare 1594. in die selue eenvoudigheyt onderhouden, ende siende sulcks niet ende verminderde: maer daghelijcks vermeerderende was, om zyne Armade te onderhouden ende stercken: Soo ist dat eenige Coopluyden, haer moeyende hare voorleden schade, ende de toecomende voorsiende, hebben een compaengie  ghesloten om vier Schepen nae Oost-Indien toe te rusten, van waer jaerlijcks in Portugael grooten rijckdom inghebracht worde, om te sien oft zy aldaer eenighen vasten handel met de Indianen ende Eylanders, daer de Portugesen geen gebiet hadden, souden connen becomen, hopende door den seluen de continuele overlasten van de Spaengiaerden te ontvlieden, ende de Speceryen, Droogheryen, Coopmanschappen, daer van den Stapel in Spaengien is, alhier te brenghen, tot groot voordeel vande gheunieerde Nederlanden, ende tot profyt vanden ghemeynen  Coopman.* 

 

Inleidende woorden uit de Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië van Cornelis Houtman in 1598. Het betreft de eerste Nederlandse expeditie naar Indië voor het (voordelig) inkopen van specerijen.

 

Het mag duidelijk zijn dat de voornaamste drijfveer van de zeevarende Europeanen op het materiele vlak lag. Rijkdom, daar ging het om. Dat doet niets af aan hun oprechte overtuiging dat de goddeloze inboorlingen nooit naar de hemel zouden gaan, tenzij ze zich bekeerden. Het is bijna aandoenlijk hoe dit naïeve superioriteitsgevoel geleid heeft tot het hand in hand gaan van zendingsdrang en koopmansgeest. Het materiële werd gekoppeld aan het spirituele om zo het leegroven en uitbuiten moreel aanvaardbaar te maken voor het thuisfront.

   De katholieke kolonisten hechtten wat meer waarde aan het spirituele, voor de calvinisten lag de nadruk op de handel, maar alle Christenen geloofden in de morele plicht van de Grote Zendingsopdracht. Natuurlijk waren er ook Christenen die geloofden in een tolerante God. Die vraagtekens plaatsten bij die mondiale expansiedrang (voor zover ze daarvan kennis hadden) en die in eigen land de kommer en kwel van onmondige bedienden onder het juk van een steeds rijker wordende koopmansadel betreurden. Maar ook zij geloofden in het motto: de mens wikt, God beschikt.

   Het katholicisme werd buiten Europa vooral uitgedragen door de Portugezen. Met de vernietigende aardbeving van Lissabon in 1755 kwam daaraan abrupt een einde. Voor protestante landen als Nederland en Engeland werd de zending weliswaar opgedragen door de overheid (niet door de Paus) maar die was natuurlijk meer geïnteresseerd in economisch voordeel dan in het redden van zieltjes. Het scheepspersoneel, van ketelbink tot adelborst, voer wel bij de kapitale opbrengsten van de buit en neigden waarschijnlijk meer naar ‘ieder voor zich en God voor ons allen’ dan dat ze de behoefte voelden om hun persoonlijke God op te dringen aan de inwoners van hun koloniale bestemmingen. Elkaar probeerden de Hollanders en de Engelsen zoveel mogelijk te dwarsbomen, waardoor uiteindelijk alleen de laatsten overbleven. Hun bemoeienissen in Noord Amerika leidde misschien wel tot de belangrijkste voedingsbodem van het liberale denken  dat de rest van de wereld op de knieën dwong.

 

  

Maar de mensen, wier leven op aarde kort is, zijn niet in staat met hun zinnen de toestanden van vroegere eeuwen en bij andere volken, waarvan ze geen ervaring hebben, in overeenstemming te brengen met de toestanden van thans, waarvan ze wel ervaring hebben, maar bij één lichaam of op één dag of in één huis kunnen ze gemakkelijk zien, wat voor ieder lichaamsdeel, of ieder ogenblik, iedere plaats of iedere persoon past, en daarom nemen ze aan genen aanstoot, maar hier schikken ze zich.*

 

Uit Confessiones van Augustinus, vertaald door A. Sizoo, 1948.

 

Wetenschap en techniek bereikten in de 20e eeuw hun hoogtepunt in de Verenigde Staten van Amerika. Maar daar is heel wat aan vooraf gegaan. Zoals tal van innovaties: de ontwikkeling van taal en muziek, het uitbouwen van een thuishonk als macht-centrum, de invoering van geld, het ontwikkelen van afbeeldingen, symboliek en geschreven taal, de ontdekking van wiskunde en logisch redeneren. Eerst moesten we leren praten, lezen, schrijven en rekenen voordat we ook maar iets konden begrijpen van de wereld om ons heen. Het begin van die technologie: een stok rechtop in de grond plaatsen en de lengte van de schaduw zien veranderen, een zonnewijzer, dat moest wel een vingerwijzing zijn van God. Maar van welke? Het Christendom bestond in elk geval nog niet.

   Is het mogelijk om visies die elkaar lijken uit te sluiten, te verenigen?  Zoals fysici de materie kunnen beschrijven als deeltjes of als golven, net wat hen het beste uitkomt, en zonder dat de één meer gelijk heeft dan de ander.

   Kan het zijn dat God er tegelijkertijd wel en niet is? God kan immers alles. Maar godvrezende gelovigen ontkennen dat God er niet is. Misschien is God niet nu, maar in de toekomst. Anderen weten juist zeker dat God er toen was en er dus nog steeds moet zijn. En hoeveel goden zijn er dan eigenlijk?

 

  

Een internationale archeologische expeditie naar het meer Issyk Kul, hoog in de bergen van Kyrgyz (Rusland) heeft het bestaan bewezen van een beschaving van 25 eeuwen geleden. De expeditie resulteerde in sensationele vondsten, waaronder gouden munten en sierraden, bronzen strijdbijlen en een prachtig versierde ketel. In de omgeving van de verdronken stad doorkruisten Indo-Arische nomadenvolkeren het land. De Grote Zijderoute liep langs de kust van Issyk Kul en in de buurt zijn overblijfselen gevonden van menige wereldreligie – Boeddhisme, Jodendom, Christendom en Islam.*

 

Vrij naar een artikel uit de Russische krant RIA Novosti, 27 december 2007. De expeditie stond onder leiding van de historicus Vladimir Ploskikh, vicepresident van het Nationaal Wetenschappelijk Instituut van Kyrkyz.

 

Gedurende het eerste millennium vond er een culturele kruisbestuiving plaats tussen de verschillende rijken in Azië, Europa en Noord Afrika, waardoor opvattingen en uitvindingen uit hun betrekkelijke isolement werden getild om elders te worden ingebed. Byzantijnse geleerden maakten via de Perzen kennis met wiskundige begrippen als het getal 0 en p. Euraziatische steppenomaden introduceerden de beheersing van het paardrijden. Romeinen en Christenen leerden van de Ottomanen nieuwe middelen kennen om ziektes te genezen en genot te ervaren. Kruidenmengsels ten behoeve van vuurwapens bereiken Europa vanuit het Oosten. Door gedwongen arbeid bij Romeinen en Arabieren werd de slavenhandel in toenemende mate getolereerd (al vonden sommige Christenen het ongepast om die zielige schepselen voor hun karretje te spannen, al was dat tot ver in de 19e eeuw wettelijk toegestaan).

   De eeuwenlange handelsbetrekkingen rondom de Middellandse Zee hebben beslist bijgedragen aan het uitwisselen van kennis en ideeën. Feniciërs en Corinthiërs maakten al vóór onze jaartelling gebruik van ingewikkelde instrumenten om hun positie op zee te bepalen aan de hand van hemellichamen.6 Hun schepen werden voortgedreven met behulp van roeikracht en vierkante razeilen. Later werden ze verdrongen door de numerieke overmacht en agressie van de Romeinse galeien. Navigatiemiddelen als het astrolabium en het kompas werden vanuit de Arabische wereld verspreid en waren aan het begin van het tweede millennium de voornaamste instrumenten voor een redelijke plaatsbepaling. Zowel de Moren als de Italiaanse maritieme republieken maakten er gebruik van.7 Dwarse tuigages werden vervangen door langsgetuigde latijnzeilen8 om scherper voor de wind te kunnen varen. Uiteindelijk waren Christelijke kruisvaarders in het voordeel omdat die ook nog gebruik maakten van nocturlabia waarmee ze ’s nachts konden navigeren.9

De Moren beheersten vooral het westelijk deel van de Middellandse Zee; met de Italiaanse maritieme republieken worden onder andere stadstaten bedoeld als Venetië, Genua en Pisa.
Dit is een voorbeeld van technologische innovatie. Met sterker wisselende winden is het nodig om ‘scherper aan de wind te zeilen’. Met langsgetuigde latijnzeilen werkt(e) dat beter dan met dwarse tuigages.
Alweer zo'n technologische innovatie: een nocturlabium is een verbeterde versie van het astrolabium. Het stelde de kruisvaarders in staat op zee uit handen te blijven van de Moren. Dr John Pryer, deskundige op het gebied van de kruistochten en historicus aan de Universiteit van Sydney, citeert hierover uit Arabische bron in Logistics of Warfare in the Age of the Crusades, Ashgate Publishing (2006).
Een innovatieve transformatie van een gebogen oppervlak naar een plat vlak werd ontwikkeld in de 16e eeuw door Gerard de Cremer, ook wel Gerardus Mercator, met zijn zogenaamde mercatorprojectie. Een kaartprojectie waarbij de meridianen steeds loodrecht op de parallellen staan. De projectie wordt nog steeds toegepast en is zeer nuttig voor de scheepvaart maar veroorzaakt wel oppervlaktevervormingen waardoor gebieden nabij de polen veel groter lijken dan gebieden nabij de evenaar.

   Met de combinatie van steeds betere navigatie instrumenten, meer geavanceerde kaartprojecties10 en schepen voorzien van een wandrust11, werden in een betrekkelijk kort tijdsbestek halverwege het tweede millennium alle wereldzeeën van onze aardbol doorkruist.

Waarschijnlijk beschikten ze over metalen apparaten die waren uitgerust met een tandwielconstructie waarmee astronomische tijdsberekeningen konden worden uitgevoerd om redelijk nauwkeurig hun positie op zee te bepalen. Een dergelijk mechanisme werd in 1901 gevonden in een scheepswrak nabij het Griekse eiland Antikythera. Het apparaat stamt vermoedelijk uit de 2e eeuw voor Chr.
Het wandrust is een zware dwarsbalk die aan weerszijden buitenboord steekt en waaraan het wand is bevestigd. Door toepassing ervan kan de tuigage hoger worden.

 

  

Vertwijfelde papen, die God niet en roecken, maer ghemac en alle wellusticheit soecken* 

  

Uit Refereinen van Anna Bijns tussen 1526 en 1567. De streng katholieke woordkunstenares was fel gekant tegen de reformatie en was het oneens met de protestante opvatting dat men zich ook zonder tussenkomst van een kerkdienaar tot God kon wenden.

 

Roekeloosheid heeft een negatieve klank maar wie geen risico wil lopen, moet maar in zijn hol blijven. Natuurlijk blijf je niet achter als het onbekende lokt. Voorwaarts of bij de pakken neer, sterven doen we allemaal, onherroepelijk, maar liever laat dan vroeg. 

  Geborgen in de kneuterige schoot van een geïsoleerde samenleving ben je niet van plan om je te onderwerpen aan het gespuis dat zomaar komt binnenvallen. Ze doen net of ze thuis zijn. Maar dit is jouw huis. Toch? 

   De vreemdeling die bezit neemt, is van alle tijden. Zo zit de onderwerping van de wereld in elkaar.

Zelfs de wisselwerking tussen zogenaamd gelijkwaardige groepen wordt gereguleerd door overheersen en overheerst worden. We noemen dat ‘beheersing’.

   Ons sociale karakter komt niet alleen voort uit onze behoefte aan gezelschap maar ook uit ons vermogen tot onderwerping. Het maakt ons oppermachtig.

 

 

Niemandt, dan de gene, die onkundigh en onervaren in saken is, kan loghenen dat Asia het edelste van alle lantschappen, die dese onse aerdtsche Globe oft bol begrijpt, noch is, en eertijdts van ’t begin der dingen geweest heeft; vermits dit deel de vermakelijcke lusthoven, van Godts handt geplant, die men gemenelijck het Paradijs noemt, en ’t eerste van alle andere landen d’eerste menschen, en onse ouders in haer schoot ontfangen en gequeeckt heeft; en ’t welck, door de voortplanting van ’t menschelijck geslacht haer voortplanting deur d’overige deelen van de weerelt wijdt en breet verspreyt heeft. Dit heeft de eerste de seden, Godtsdienst en plichtelijckheden, de rechte middel van te leven, de letteren, en d’andere wetenschappen geleert en ingestelt. Eindelijck, dit heeft Godts zoon self, de voorspraeck en Salighmaker van ’t menschelijck geslacht in een menschelijcke gedaente gedraghen.* 

 

Eerste regels van het voorwoord bij de atlas van ’t Sinesche Ryck in het Seste deel van de Nieuwe Atlas oft Toonneel des Aerdrijcx, uitgegeven door Joan Blaeu in 1648.

 

Het is een misverstand dat mensen vroeger geloofden in een platte aarde. Dat fabeltje is in de eerste helft van de 19e eeuw in het leven geroepen door Washington Irving met zijn populaire verhandeling over de ontdekking van Amerika: A History of the Life and Voyages of Christopher Columbus. Feitelijk was men in de oudheid al bekend met een gekromd aardoppervlak, terwijl sommigen zelfs een complete bolvorm veronderstelden.12 

De hoofdbibliothecaris van Alexandrië, Eratostenes, had zelfs een manier ontdekt om de omtrek van de bolvormige aarde te berekenen. Door om 12 uur ’s middags de schaduwlengte te meten van een hoge toren in Alexandrië en te bepalen hoe die zich verhoudt tot de afstand naar de zuidelijk gelegen stad Syene, waar op dat tijdstip de zon loodrecht aan de hemel staat, kon hij met wat eenvoudige wiskunde berekenen hoe groot die omtrek zou zijn. Zie: http://www.betavak.nl/aarde.htm

   Wereldkaarten die gemaakt werden aan het begin van onze jaartelling gingen uit van een gekromd aardoppervlak. De kaarten van Claudius Ptolemaeus uit de 2e eeuw geven een redelijk nauwkeurige weergave van grote delen van Europa, Afrika en Azië rond de kreeftkeerkring. Verder naar het noorden en zuiden wijken zijn kaarten steeds meer af van de moderne exemplaren. De plattegronden zijn overspannen met een netwerk van meridianen en paralellen waaruit de projectie van een gekromd naar een plat vlak kan worden afgeleid. Ptolemaeus beschrijft in de Geographia welk wiskundig model hij daarbij hanteerde. Hij paste een coördinatensysteem toe van 0o bij de evenaar naar 90o bij de noordpool en zijn 0-meridiaan loopt door de Canarische eilanden (het meest westelijke deel van de bekende wereld in zijn tijd) met ertegenover de 180o-meridiaan aan de uiterste rand van het Chinese rijk, zonder dat hij daar een duidelijke kustlijn aangaf. Waarschijnlijk waren zijn kaarten gebaseerd op een samenstelling van gegevens van uiteenlopende herkomst, waaronder reisverslagen vol misvattingen en overgetekende oude kaarten, inclusief hun fouten.

   Globaal mag de kaart herkenbare contouren van de destijds bekende wereld laten zien, toch is er sprake van een aanzienlijke vertekening. Dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat voor een nauwkeurige weergave van de verschillende coördinaten een perfect werkend uurwerk nodig is (een fout van een paar minuten in oost-west richting betekende een fout van tientallen kilometers). Bovendien was men afhankelijk van het weer om zich deugdelijk op de zon en sterren te kunnen oriënteren en mocht je de tel niet kwijtraken bij het aantal afgelegde passen.13 

Als afstandsmaat werd de mijl gehanteerd: 1000 passen (milia passuum).

  Toch blijken de latere portolaankaarten dermate nauwkeurig te zijn dat het waarschijnlijk is dat ze op de oorspronkelijke Byzantijnse kaarten en projectiemodellen van Ptolemeaus zijn gebaseerd.14

Uit onderzoek van Shell blijkt dat de middeleeuwse zeekaarten de perfectie van wiskundige modellen herbergen: Roel Nicolai. A critical review of the hypothesis of medieval origin for portolan cards. Diss. Utrecht University, 2014.

 

 

Den 8 Martij 1600. waren sy op de drie Schepen noch sterck in alles 147 Man, ende verloren den 12 dito uyt haer ghesichte ende Compagnie den Vice-Admirael Pieter de Lint. De 21 dito des morghens saghen sy Landt, daer sy seer dicht op liepen, tot ontrent een half mijle, ende vernamen dat het was ’t vaste Landt van Chili: ’t was een schoon ende pleysant Landt om aen te sien, synde op veel plaetsen bebouwt, ende sy saghender veel volcks vergaren op het punt, al te Peerde rijdende. Dit was de hoeck van La Imperiael, een Stadt die te landewaert in geleghen is. Dan daer afwendende, werden sy ten Westen van haer een Eylandt siende, ontrent 5. of 6 mijlen in Zee, daer sy nae toe liepen, ende hebbenter tegen den avondt aen de Oost-zijde op 14 vadem goede anckergrondt gheset. Dit was ‘t Eylandt La Mocha, dat soo tamelijck groot is, ende in’t midden een hoogh gheberghte heeft, met een keep midden door ghaende, daer een versch Rivierken af-loopt: maer van de voet van desen Bergh, tot aen’t Water toe, ist al vlak ende effen Landt.

De Generael heeft de Sloep aen landt gesonden, om te sien of sy met vrientschap konden handelen; daer toe gebruyckende een Man, genaemt Jan Claessz. die verwesen was aen een vreemt Landt geset te worden. Dese ging alleen op’t Eylandt met eenige schenckagien van Messen, Yser, ende Paternosters, welcke de Inwoonders seer vriendelijck ontfingen, maer wesen dat het nu te laet was, ende dat hy op morghen  soude weder komen. Sy vermoeden dat hier wel Dictualie soude te bekomen zijn, want sagender veel Schapen ende ander Vee gaen weyden, ende ’t was een schoon ende wel ghebauwt Landt.* 

 

Uit het reisverslag van Olivier van Noort: Wonderlijcke Voyagie, by de Hollanders gedaen, door de Strate Magalanes, ende voorts den gantschen kloot des Aertbodems om, met vier Shepen: onder den Admirael Olivier van Noort, uytghevaren Anno 1598.

 

Exploratiegedrag is een duur woord voor alle activiteiten van mens en dier die verbetering van het eigen welzijn beogen. Zelfzuchtige behoeftebevrediging, dus. Bij de meeste dieren blijven de inspanningen beperkt tot het zoeken naar eten, beschutting en een partner om mee te paren. Als aan deze wensen voldaan is, verlangen mensen ook nog wel naar aanzien en zelfverwerkelijking, maar de aandrang blijft zelfzuchtig, op het eigen ‘ik’ gericht.15

Mensen zijn sociale wezens. Dat wil zeggen dat ze niet alleen naar partners verlangen om te paren, maar ook om hen te kunnen domineren of om door hen geleid te worden of om er een kaartje mee te leggen of om … vul maar in. Onbaatzuchtige mensen kunnen net zo min zonder anderen. Welke zin heeft anders hun onbaatzuchtigheid? Altruïsme is, net als egoïsme, iets dat in je eigen wezen zit en waaraan je moet voldoen. Aanhangers van determinisme zien daarin misschien een godsbewijs, anderen plaatsen het liever in het rijtje aangeboren eigenschappen en opgelopen infecties: het kan iedereen overkomen, kwestie van lot.

   Eerder een genoegen dan een behoefte (voor wie de smaak te pakken heeft een verslavend drug) is de trots om bij een groep te horen, om deel te zijn van een natie: de nationale trots. Gemeenschappen die persoonlijke initiatieven aanmoedigen, kweken saamhorigheid en collectieve synergie: de geboorte van de emergente samenleving, een maatschappij waarin het materiële en het spirituele elkaar versterken.16

Zowel binnen de afzonderlijke bevolkingslagen als binnen de samenleving als geheel is sprake van een zelfversterkend effect met betrekking tot vooruitgang. In het produceren-distribueren-consumeren, maar ook binnen die processen afzonderlijk: voortdurende innovatie in het productieproces waarbinnen allen ook consument zijn; distribueren om zowel het produceren als het consumeren te bevorderen; consumeren om weer beter te kunnen produceren en distribueren; enz. In een (democratische) consumentenmaatschappij wordt elk nieuw gedachtengoed gebruikt om die spiraal te op te stuwen. Zo kan het gebeuren dat niemand meer naakt rondloopt of dat iedereen stimulerende middelen gebruikt.

   Nationalisme staat in een kwade reuk (vgl. separatisme en patriotisme) vanwege de vaak superieure afkeer van het vreemde. Toch is die angst voor de ander een noodzakelijke voorwaarde om de identiteit van de eigen plek te bevorderen en benadrukken. Het lijkt wel of nationalisme een stimulans is voor progressie. Wie wordt verzwolgen door schuldgevoel en zelfverwijt komt geen stap verder. Pas als de angst omhelst wordt, emergeert een samenleving waarop je trots mag zijn. We hebben nog een lange weg te gaan maar dat is nooit anders geweest.

 

 

Nog geen twintig jaar geleden werd ontdekt dat de wereld door een brillenglas duidelijker zichtbaar wordt. Voor wie nagenoeg blind en hulpeloos zijn weg zocht, is er nu weer hoop … Zo kort geleden nog, dat zoiets heilzaams werd uitgedacht … Lang niet alles wat wij ons bedenken is al uitgedacht. Elke dag valt er wel een nieuwe gedachte te bedenken, iets nieuws te vinden dat nog niet eerder zichtbaar was.* 

 

Vrij naar Giordano van Pisa tijdens een preek in de Santa Maria Novella in Florence in 1306 waarin hij zijn lof betuigde over het uitvinden van uitvinden. In: Lynn White. Medieval Reiligion and Technology. University of California Press, 1978.

 

Tegenstellingen in Europa tussen het versnipperde maar nog alom aanwezige feodale stelsel, stimuleerden de ontwikkeling van het bankwezen en kapitaalmobiliteit ten behoeve van de vooruitgang (vernieuwingen).2 Waarschijnlijk was dit verweven met de moderniseringen binnen landbouw, verkeer en nijverheid. Vooral met de Europese plundering en uitbuiting van overzeese gebieden werden enorme rijkdommen gegenereerd (slavenhandel en slavernij). Investeringen in innovatieve technologieën leidden al spoedig tot industriële beleggingen en binnen de kortste keren verliepen de ontwikkelingen zo snel dat van een revolutie kon worden gesproken. En niet van één. Het opkomende tij van de industriële technologie spoelde in golven over de wereld. Eerst met ijzer en steenkool, dan met pigment en pillen en kunstmest en bestrijdingsmiddelen, en daarna met transistors en chips en transgene organismen en wat niet al…

   Ondertussen correleerde deze ontwikkelingen met een gigantische bevolkingsgroei zodat in het begin van het derde millennium de teller op 7 miljard stond.17 De exponentiële groei van de wereldbevolking zou tot een Malthusiaanse catastrofe kunnen leiden, hetgeen Dan Brown gretig annexeerde als plot in zijn bestseller Inferno. Hij hield daarbij geen rekening met het (gelukkige) vermogen van mensen om hun eigen gedrag te sturen.18

Ter vergelijking: er zijn nog ongeveer 300 000 walvissen op aarde, 1 miljoen primaten (zonder mens), 52 miljard kippen, 400 miljard bomen, 10 biljard mieren en 5 quintiljoen bacteriën.
Groeicurves hebben de vorm van een S: de aanvankelijk geleidelijke groei gaat over in een steeds sterkere toename om daarna weer geleidelijk af te nemen. Als die afname het gevolg is van voedseltekort en ernstige milieuverontreiniging treedt er massale sterfte op. De verwachting is dat Homo sapiens een overlevingsstrategie zal volgen waardoor de bevolkingsaanwas stabiliseert op ca. 10 miljard in 2050. (http://pduinker.home.xs4all.nl/Problemen/Wereldbevolking/)

   In de oudheid zal de lokale bevolkingsaanwas ongetwijfeld geleid hebben tot schaarste van de eerste levensbehoeften maar, afgezien van de gevolgen van misoogsten en oprukkende woestijnen, zijn er geen aanwijzingen voor migraties als gevolg van voedseltekorten in een minder ver verleden. Overal ter wereld waren kennelijk steeds voldoende gedomesticeerde planten en dieren beschikbaar al waren dat niet overal dezelfde.19 Wel werden er vanaf het tweede millennium nogal wat organismen, al of niet opzettelijk, verspreid. Amerikaanse gewassen als mais en aardappel werden als voedselbron naar Europa gehaald. Paarden werden over de Atlantische Oceaan verscheept om in Amerika de dominantie van de kolonisten te waarborgen. Dat laatste werd bespoedigd door de microben die ze meedroegen en waar ze zelf voldoende afweer tegen hadden. Maar de Amerikaanse inlanders hadden nooit eerder kennis gemaakt met de Europese ziekteverwekkers. Zij stierven bij bosjes aan mazelen, tyfus en tbc. Wel zadelden zij hun overheersers op hun beurt weer op met nare geslachtziekten, waarvan de hypocriete zeevaarders vooral elkaar de schuld gaven. Noord-Afrikaans suikerriet gedijde beter in de Cariben en rubberbomen verhuisden van Amerika naar Azië. Kortom, Homo domitor deed zijn naam eer aan. Alleen het Australische continent bleef aanvankelijk20 van vreemde smetten vrij. De Aboriginals deden dan ook niet aan landbouw, ze leefden als jagende nomaden.   

Met uitzondering van Australië (Aboriginals waren jagers/verzamelaars) werden op alle continenten grasachtige gewassen gecultiveerd voor de behoefte aan zetmeel en plantaardig eiwit (graan in Europa, rijst in Azië, mais in Amerika, gierst in Afrika en Azië, teff in Afrika) en werd er vee gehouden ten behoeve van vet en dierlijk eiwit (altijd hoefdieren). Vrijwel overal ter wereld werd bovendien gevist; dat correleert met het feit dat mensen zich meestal vestigden aan de oevers van rivieren of meren of langs de kusten.
Sinds de 19e eeuw wordt Australië keer op keer getroffen door ecologische rampen (introductie van nieuwe organismen, zoals konijnen, cactussen, kevers, padden) die door nieuwe bewoners (kolonisten) werden veroorzaakt.

   De Westerse expansiedrift in de vorm van kolonialisme en interventie in ontwikkelingslanden werd in de vorige eeuw geleidelijk steeds meer gezien als een uiting van de morele invloed van het Darwinisme. Het recht van de sterkste vond men in toenemende mate ethisch verwerpelijk.

 

 

En de antithese tusschen de Christelijke religie en de Evolutie-leer ligt volstrekt niet alleen in de beweerde opkomst van de mensch uit den Chimpansee, maar veel pricipiëeler in de beide heel het leven beheerschende vragen: Vooreerst of de sterkere zich over het zwakkere te ontfermen heeft, of wel het zwakkere niet mag maar moet verpletteren. En voorts in die andere vraag naar soort of individu, die in de korte tegenstelling van Selectie der Evolutie met de Electie der Schrift haar scherpste uitdrukking vindt. Selectie doelt op soortbehoud, Electie is verkiezing van personen.*

 

Citaat uit de redevoering van Abraham Kuyper tijdens de overdracht van het rectoraat aan de VU in 1899. (http://www.neocalvinisme.nl/ak/broch/akevol.html). De Calvinist Kuyper stond niet onwelwillend tegenover de evolutieleer zolang deze de mens maar onbesproken liet (als de Schepping Gods}

 

De opvatting van Abraham Kuyper, de calvinistische klokkenist der kleine luyden, dat darwinistische evolutie en goddelijke voorzienigheid elkaar uitsluiten, wordt tegenwoordig niet meer gedeeld. Niettemin is de huidige Homo domitor door de bank genomen een zwakkeling. De meesten van ons hebben een gevaarlijke voorliefde voor de middelmaat. Grote delen van het ‘vrije westen’ hebben al twee generaties lang geen andere ontberingen gekend dan de autoloze zondag, (tijdelijke) stroomstoringen en liefdesverdriet. Waarschijnlijk zullen wij wonderwel bestand blijken te zijn tegen schaarste, doodslag en vervuiling. Maar de meesten van ons zullen altijd naar de pijpen blijven dansen van slechts een handjevol soortgenoten. En misschien is dat wel een teken van grote beschaving.

 

 

In Tierra del Fuego lijkt het nauwelijks mogelijk om de politieke toestand van het land te verbeteren zolang er geen stamhoofd verschijnt met genoeg macht om zich te verzekeren van een nuttige aanwinst, zoals gedomesticeerde dieren. Nu is het zo dat als iemand een lapje stof krijgt, dit onmiddellijk aan stukken gescheurd en verdeeld wordt. Niemand wordt rijker dan een ander. Aan de andere kant valt het moeilijk voor te stellen hoe een leider aan de macht kan komen zolang hij geen bezit heeft waarmee hij zijn superioriteit duidelijk kan maken en zijn macht kan uitbreiden.* 

 * 

 

Waar groepen heersen worden andere groepen onderdrukt. Analoog aan zeestromen – hun onderlinge wisselwerking houdt hen in stand en hun invloed op het klimaat is cruciaal* – vormen spirituele stromingen wellicht de ‘motor’ voor het ontstaan van Homo domitor.

   Duizenden jaren werd de verspreiding van menselijke nederzettingen vooral gestuurd door natuurlijke factoren, zoals geologische of klimatologische veranderingen en voedselschaarste. Bevolkingstoename in vruchtbare gebieden leidde eeuwenlang tot overmeestering van gemeenschappen en samensmelting onder invloed van fysieke (oorlog) en psychologische (migratie) factoren. De ontstane rijken werden zonder uitzondering despotisch geregeerd.

   De traditie van fysieke tirannie veranderde in Europa tijdens het tweede millennium geleidelijk in een meer spirituele overheersing. In het voorzien van de behoefte aan sociale erkenning speelden ruwweg een drietal beproevingen een rol, namelijk het geloof, de inwijding en de logische redenatie.

   Allereerst was er de onmiskenbare invloedsfeer van de Bijbel, met name het Oude Testament. Om aan de zucht naar zingeving te voldoen reikte de machtige arm van de Rooms Katholieke Kerk tot in de kleinste hoekjes op aarde. Je zou kunnen zeggen dat de mensen dat aan hun eigen go(e)dgelovigheid hadden te wijten maar de Kerk kende geen enkele terughoudendheid. Dat leidde tot tal van - al dan niet vruchtdragende - zijscheuten aan de Roomse stam, waarvan sommige het zaad van verzet droegen. Daaruit ontwikkelde zich halverwege het millennium het Protestantisme, dat vooral goed bleek te gedijen in de gematigde streken terwijl het Katholicisme in overwegend Mediterrane richting werd teruggedrongen, waar het ooit (in de subtropen) was ontstaan.

   Naast hermetische genootschappen wier kennis wortelde in het oude Egypte wemelde het van talloze esoterische groeperingen binnen de Roomse kloostermuren, de centra waar kennis werd bewaard en doorgegeven. Natuurlijk wantrouwde de Kerk die subversievelingen zodat zij een geheim en ondergedoken bestaan leidden. Dit in tegenstelling tot de geleerde alchimisten en astrologen, die zich in dienst stelden van de geneeskunde en oorlogvoering. Hun (vak)kennis amalgameerde met die van de ingewijden in de Pythagorische numerologie en werd aangewend bij uiteenlopende nijverheden (glasblazen, pottenbakken, verven, smeden, e.d.).

   De numerologie lag aan de basis van de wiskunde en de ingewijden geloofden in de magische betekenis van getallen die werden beschouwd als versleutelde symbolen van verborgen kennis. Net zoals de ingewijden in de Kabbala geloofden dat de grote waarheid van de wereld geopenbaard kon worden via de geheime betekenis van letters en woorden in oude (heilige) geschriften.

   Het Jodendom (en in geringere mate de Islam) verspreidde al tijdens het 1e millennium de boodschap van het Oude Testament (via Talmoed en Koran). Dat had onbedoeld (?) vooral invloed op de verspreiding van de Kabbala onder niet-Joodse intelligentsia. Ingewijden zouden onbegrensde kennis kunnen verwerven en daarmee macht over de wereld krijgen. Wat natuurlijk niet door de katholieke kerk werd toegejuicht. Daarom gaven ingewijden slechts gematigd ruchtbaarheid aan hun kennis en hielden zich over het algemeen gedeisd.

   Veel esoterische genootschappen ontwikkelden zich uit zijscheuten aan de Roomse stam waarvan de ingewijden de macht van de Roomse kerk ooit hoopten te overtreffen en dus door diezelfde kerk verboden of zelfs vervolgd werden. Andere werden wellicht doodgezwegen maar door logische redenatie kon uit de kabbalistische, numerologische en alchimistische kennis een soort wetenschappelijke methodologie worden geabstraheerd (bv Jezuïeten).*

   Door onder andere de bevolkingstoename raakte in de renaissance genoemde kennis verder verspreid onder de bevolking zodat steeds meer getalenteerde individuen buiten de kloosters hun belezenheid en kundigheid uitdroegen. Vooral op het gebied van gezondheid, omdat dat iedereen aanging. Maar ook op gebieden die te maken hadden met een beter begrip van de werkelijkheid. Die naturalistische kijk op de wereld verdrong weliswaar de esoterie naar de achtergrond maar liet de go(e)dgelovigheid nagenoeg ongemoeid, zodat het zich zonder veel tegenstand van de katholieke kerk uiteindelijk kon ontwikkelen tot moderne wetenschap. Wat daar zeker ook toe bijgedragen heeft is de stroom aan technologische hulpmiddelen die sinds de renaissance op gang kwam en in de 20e tot een explosieve uitbarsting kwam.

 

 

Menig Westers geleerde heeft elementen uit de Aziatische cultuur willen adapteren ter verbetering van de eigen beschaving. Voorheen waren de ideële en de dagelijkse praktijk in de Westerse cultuur sterk gescheiden. Nu worden zakelijkheid en innovatie gestimuleerd teneinde ideeën te realiseren en het stoffelijke en onstoffelijke in harmonie te brengen. Dat is volgens mij precies de ontwikkelingslijn van ons oude gedachtengoed. Het Confucianisme en Chinese meditatie boeddhisme (zen) proberen eveneens het ideële en praktische te verenigen.*

 

 

Men heeft herhaaldelijk geprobeerd wetenschap, geloof en politiek te verenigen door ze te rekenen tot verschillende denkcategorieën of gedachtenniveaus. Zo zou men op wetenschappelijke gronden de evolutietheorie kunnen aanvaarden en tegelijkertijd – op een ander denkniveau – kunnen geloven in de schepping. De stoffelijke praktijk van de technologie (gebaseerd op de wetenschap) dankt zijn ontwikkeling aan het causaliteitsbeginsel (de logische redenatie over oorzaak en gevolg) en de macht van het ideële geloof is gebaseerd op doelgerichtheid (zin van het bestaan; leven na de dood). Kennelijk is het in onze christelijke samenleving mogelijk dat binnen één individu de pijl van de tijd verschillende richtingen kan hebben.

   Aan het begin van de 20e eeuw was de verwachting dat door de technologische ontwikkelingen het secularisme in Europa een grote vlucht zou maken. Dat viel echter tegen. Het Christendom mocht dan misschien aan faam inboeten, de nieuwe ‘atheïsten’ zochten hun religieuze heil bij tal van esoterische genootschappen (van vrijmetselarij tot new age). Veel wetenschappers bleven onverminderd in God geloven terwijl met name in Amerika aan het eind van de 20e eeuw de Bijbelse boodschap leek te zegenvieren ten koste van het ‘verlichte’ denken. Zonder daarbij overigens de technologische vruchten van de natuurwetenschap te versmaden.

   Het Westerse denken beruste aan het begin van het 3e millennium op een ernstige paradox: veel inwoners van Europese en Amerikaanse landen zouden er niet raar van opkijken als Google binnenkort een mobiele telefoon op de markt brengt waarmee een rechtstreekse verbinding met God gemaakt kan worden. Op school wordt men vanaf de vroegste instroom in oorzakelijkheid onderwezen maar dat weerhoudt de meesten er niet van om te geloven in de Voorbestemming en de Hemel.

   Het is niet zo dat verdere wetenschappelijke ontplooiing en technologische groei niet kunnen samengaan met religie, maar als het spirituele denken een teleologisch (doelgericht) karakter heeft, kunnen wetenschappelijke en technische ontwikkelingen wel daardoor worden afgeremd. Het logische concept van oorzaak en gevolg (causaliteitsbeginsel) sluit veel beter aan bij natuurgodsdiensten zoals Sjamanisme en Voorouderverering. Door machtige wereldreligies als Christendom, Jodendom en Islam hebben ze echter het predicaat primitief opgehangen gekregen.

   Desondanks is met name Voorouderverering wijd verspreid over de wereld, o.a. in Azië en Afrika. Het geloof dat men verantwoording moet afleggen aan de (geest van) de voorouders in plaats van aan een heer van de eindtijd sluit veel beter aan bij de naturalistische denkwijze dan het evangelie van de monotheïstische godsdiensten dat doen. Waar men het dagelijkse bestaan allereerst opvat als het resultaat van de vorige dag in plaats van een voorbereiding op de laatste dag (dag des oordeels) hebben wetenschappelijke en technologische innovaties de toekomst. Ook met het oog op de economische verschuivingen lijkt het daarom aannemelijk dat Homo domitor in de 22e eeuw een Aziaat zal zijn.

 

 

Door de steeds beter wordende economische prestaties en de toename van de welvaart ondergaat China nu dezelfde sensatie als het Westen in de Renaissance doormaakte: de herontdekking van zijn rijke verleden en de ontwikkeling van nieuwe culturele perspectieven.*

 

 

In de 21e eeuw plukken we zowel de zoete als de bittere vruchten van de exponentiële bevolkingsgroei. Was de aanwas sinds de renaissance ogenschijnlijk constant, vanaf het begin van de 20e eeuw nam deze spectaculair toe. Halverwege de vorige eeuw was de wereldbevolking 2x zo groot als aan het begin diezelfde eeuw en momenteel, op nog geen kwart van de 21e eeuw, is het totale aantal mensen ruim 4x zo groot.

   De exponentiële bevolkingsgroei wordt door velen beschouwd als de voornaamste oorzaak van alle ellende in de wereld. Niemand zal ontkennen dat de dominante positie die de mens op aarde inneemt in toenemende mate heeft geleid tot ecologische veranderingen. Het is een illusie om te verwachten dat het ecologisch evenwicht kan worden hersteld zonder de oorzaak van de storing weg te nemen. De belasting van de totale biosfeer ten behoeve van de voortdurend uitbreidende menselijke soort is onvermijdelijk en lijkt onstuitbaar. Het zal ten koste gaan van wat er was, zoals de toekomst ten koste gaat van het verleden.

   Doordat mensen dichter opeen wonen is wereldwijd de netto empathie toegenomen. Mensen (groepen) die elkaar nooit in levende lijve ontmoeten, hebben nu veel vaker gemeenschappelijke kennissen, waardoor ze minder vreemd zijn voor elkaar en elkaar minder snel vijandig zullen bejegenen. Tegelijkertijd krijgen we veel vaker de kans om samen te werken zodat coöperatief gedrag toeneemt. Dit alles heeft een positieve invloed op zowel de technologische ontwikkelingen als op de economische groei die op hun beurt zowel elkaar als de samenwerking positief beïnvloeden. Er is dus een soort verstrengelde positieve feedback die verantwoordelijk is voor de spectaculaire toename van informatie-uitwisseling en het vestigen van de macht bij het mondiale marktmechanisme. De toekomstige Homo domitor mag van Aziatische origine zijn, hij/zij beheerst de wereld vooral dank zij een zakelijke abstractie.

   Ooit was de leeuwentemmer in het circus één van de hoofdattracties. Het vermogen om de koning der dieren op de knieën te dwingen werd alom als een prestatie van formaat beschouwd. Thans staat de mensentemmer voor het voetlicht. Door de eeuwen heen is hij van uiterlijk veranderd van een fysieke overheerser in een commercieel en technofiel genie. Uiteindelijk is Homo domitor elke mens die zijn ego ondergeschikt maakt aan de technologie die hij zelf voortbrengt.

 

 

De verschuiving van autoriteit van mensen naar algoritmen gebeurt overal om ons heen, niet als gevolg van een of andere zwaarwegende overheidsbeslissing, maar door een vloedgolf van alledaagse persoonlijke keuzes.*

 

Landen in Europa, West Azië en Noord Afrika werden in het 1e millennium met harde hand geregeerd in naam van God of Allah. Overal sijpelt Joodse wijsheid* doorheen doordat het Jiddische erfgoed diffuus aanwezig is als enige cultuur zonder duidelijke thuisbasis.

   Daarvoor, ten tijde van het Romeinse rijk, stond de mens zelf veel meer centraal en was er feitelijk sprake van een humanistischer samenleving.

   Voor de ontwikkeling van Homo domitor kunnen we in het 2e millennium de volgende cruciale gebeurtenissen onderscheiden:

 

  1. Scheiding tussen Kerk en Staat (Concordaat van Worms, 1122); geleidelijk afschaffing theocratie
  2. Protestantse Reformatie (Luther, Calvijn, 16e eeuw); vervolging niet-katholieken (Joden en protestanten)
  3. Collectieve burgerinitiatieven (vanaf middeleeuwen, gilden en landbouwcoöperaties)
  4. Expansie uit zendingsdrang (vanaf kruistochten 11e-13e eeuw) en economisch gewin (Europese kolonisatie vanaf 15e eeuw)
  5. Liberalisme (emancipatie burger sinds 18e eeuw); Franse – en industriële revolutie; verlichting en geloof in maakbaarheid van de wereld (regulering van ongebreideld liberalisme)

 

Het regime van Homo domitor cultiveert de tweeslachtigheid: hoogmoed en onderwerping, geloof en wetenschap, eigenbelang en naastenliefde, ambitie en apathie, stuurmanskunst en nabootsing, eigenheid en mimicri, navigatoria en navolging, ondernemingszin en slavernij, vrijheid en verantwoordelijkheid, waarheid en bedrog.

   Na vele generaties zal het schisma de mensheid verdelen in 'de Kluit' en 'de Vrije Buitelingen'. De eerste groep vormt een zeer hecht netwerk van individuen voor wie zelfverwerkelijking ondergeschikt is aan de verwerkelijking van de groep, de Kluit dus. Voor de Vrije Buitelingen blijft zelfverwerkelijking een individuele aangelegenheid (aldus Dr Hasan Pacha in het Kaleidoscopisch Archief).

   Na verloop van (geologische) tijd zullen de leden van de Kluit volledig opgaan in het 'superorganisme' dat zich intergalactisch in verbinding zal stellen met overeenkomstige 'Kluiten'. De ons meer vertrouwde Vrije Buitelingen blijven onverstoorbaar aan de weg timmeren.

   Baajes kennen we allemaal maar Homo domitor is een groep, een gemeenschap. Homo domitor is bovengemiddeld bekwaam in het uitwisselen van informatie teneinde sociale netwerken te bouwen en onderhouden. Men zal hem eerder aantreffen in de Kluit dan onder de Vrije Buitelingen.

 

Uit het reisverslag van Charles Darwin: Journal of Researches (Voyage of the Beagle). Colburn, London, 1839. Volgens de jonge Darwin hadden de 'Vuurlanders' de hoogst mogelijke graad van beschaving bereikt door elke vorm van superioriteit af te wijzen.
Golfstromen worden in eerste instantie veroorzaakt door mondiale temperatuurverschillen. Zo beweegt de zeestroom langs West Europa bijvoorbeeld vanuit het warme zuiden naar het koude noorden en loopt de zeestroom langs het oosten van Noord Amerika in tegenovergestelde richting. Een deel van onze warme golfstroom wordt door Caribische windsystemen aangezet en steekt aan het oppervlak van de Atlantische oceaan over naar het noordoosten. Ter hoogte van Groenland is de golfstroom zodanig afgekoeld dat het water naar omlaag zakt (koud water is zwaarder dan warm water) en over de oceaanbodem terugstroomt in zuidelijke richting waar het water weer geleidelijk opwarmt en omhoog komt. Het polaire smeltwater neemt de plaats in van de onderduikende golfstroom en vormt zo het begin van de koude golfstroom langs de oostkust van Amerika. Deze warmte-gestuurde stromingsketen wordt ook op gang gehouden door het zoutgehalte van het zeewater. Zout water is zwaarder dan water zonder zout en zakt daarom naar de bodem terwijl het zoete water aan het oppervlak blijft (in warme gebieden met veel verdamping wordt het oppervlaktewater zouter). Als het smeltwater nabij Groenland toeneemt, kan het de aandrijving van de golfstromen nadelig beïnvloeden. Zie onder andere:

https://www.natuurkunde.nl/artikelen/1143/de-oceaan-als-lopende-band

https://big.nl/zo-werken-zeestromen-als-de-aarde-opwarmt-krijgen-wij-het-kouder/

https://www.vwkweb.nl/userfiles/ws_vrij_klimaat/371_klimaat_in_het_brandpunt_agulhaslek.pdf

https://www.scientias.nl/kans-warme-golfstroom-stilvalt-is-groter-dan-gedacht/

Om vervolging van esoterische genootschappen door de Katholieke kerk kracht bij te zetten werden ze beschuldigd van satanisme en hekserij. Vrijmetselaars en Jezuïeten werden in een zodanig kwaad daglicht geplaatst dat het volk niets met hen te maken wilde hebben, hen de schuld gaf van hun misère en blij was van hen verlost te worden. De vrijmetselarij wordt anno 2000 nog door velen beschouwd als een elitaire mannenclub met geheimzinnige gebaren en rituelen.
De Chinese filosoof Liang Qichao sprak in het begin van de vorige eeuw zijn enthousiasme uit over de herontdekking van het boeddhisme in China. In: William Theodore Bary et al., eds. Sources of Chinese Tradition. New York, Columbia University Press, 1960.
Kishore Mahbubani. De eeuw van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2008
Yuval Noah Harari. Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst. Thomas Rap, 2017.
Onder Joodse wijsheid versta ik de door rabbi’s opgetekende, bediscussieerde en doorgegeven combinatie van Bijbelkennis, (natuur)wetenschappelijke kennis en sociaaleconomische kennis die door elke Joodse deelgemeenschap al dan niet bewust werd uitgedragen.