HET LEZEN VAN MAG3 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Terres des Hommes:     NL10 INGB 0000 2525 25       www.terredeshommes.nl

De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 

 

 

Middeleeuwse kruisvaarders gebruikten een sterrenklok (nocturlabium) om hun doel te bereiken. Duister was de weg naar het beloofde land.

 

 

 

 

ONZICHTBAAR LICHT

Evolutionair belang van straling, voor beginners en gevorderden

 

 

 

De dingen zijn niet altijd wat ze lijken, net zomin als ze lijken wat ze zijn. Zonder dat we er iets van merken beweegt de aarde met grote snelheid door de ruimte. Hedendaagse ballonvaarders zullen je verzekeren dat in de straalstroom minsten windkracht 11 heerst. De lucht rondom lijkt volkomen leeg maar bevat toch miljarden micro-organismen. Te klein om te zien, groot genoeg om zichtbaar te maken. Dat laatste geldt niet voor licht. Tenzij ze precies je oog binnendringen, zijn lichtstralen zelf onzichtbaar.

  

 

Wel eens gedacht aan een kleur die je nog nooit hebt gezien? Rood! Je ziet het onmiddellijk voor je. Droek! Je hebt geen idee wat voor kleur dat is.

   Joachim Bolt ziet de wereld in grijstinten, hij is zo kleurenblind als een tijgerhaai. Hij ziet zijn omgeving alsof deze verlicht wordt door natriumlampen in plaats van zonlicht.1

   Iedereen heeft op school geleerd dat zonlicht is samengesteld uit verschillende kleuren doordat de afzonderlijke lichtstralen verschillende golflengtes hebben. Gezamenlijk zijn ze zo talrijk dat we ze als wit licht zien, maar de (kleurgevoelige) gezichtscellen zijn voldoende klein om door afzonderlijke lichtstralen te worden geraakt. Daardoor komt er toch informatie binnen over verschillen in kleur. Omdat onze gezichtscellen niet allemaal hetzelfde zijn – staafjes en drie verschillende typen kegeltjes – kunnen we de verschillende kleuren van elkaar onderscheiden.

   Minder bekend is welke kleuren precies door die verschillende kegeltjes worden ‘gezien’. Dat zijn namelijk blauw, groen en geel2. Er zijn helemaal geen roodgevoelige kegeltjes. Hoe het komt dat we toch rood kunnen zien, kan niemand met zekerheid zeggen. Wel is het een argument om aan te nemen dat trichromatische vertebraten, en dat zijn er heel wat, ook rood kunnen zien.

   In de Rio Negro leven vissen die heel goed kunnen kijken op een diepte waar een duiker geen hand voor ogen ziet. De Rio Negro is een zogenaamde zwartwaterrivier, dat wil zeggen dat het enige licht dat daar nog een beetje doordringt rood van kleur is. En de vissen hebben echt roodgevoelige kegeltjes. In het pikkedonker (voor ons) zijn smakelijke insectenlarven door deze vissen nog uitstekend te zien (in het nabije infrarood).

   De afwezigheid van (zichtbaar) licht betekent kennelijk nog geen duisternis.

   Dat geldt ook voor menig dier aan de andere kant van het spectrum. Veel insecten hebben meer dan drie typen gezichtscellen en zijn zelfs gevoelig voor ultraviolet licht. Met een UV-gevoelige camera kun je tekeningen op bloemkronen en vlindervleugels zichtbaar maken die wij gewoonlijk niet zien. Die insecten zien dingen die voor ons verborgen zijn en bovendien zien ze kleuren waarvan wij zelfs niet kunnen dromen. Weliswaar kunnen ze dat niet in het duister, maar toch3.

   Wat wel weer in duisternis is gehuld, is de leegte.

   Met de kennis van zijn tijd beargumenteerde Aristoteles op zijn karakteristiek logische wijze dat een leegte absurd is en dus niet kan bestaan (Horror Vacuüm). Demonstraties met de Maagdenburger halve bollen toonden zijn ongelijk aan: een vacuüm is niet alleen bestaanbaar, het is nog bijzonder krachtig ook. Het luchtledige bevat weliswaar geen materie, het vormt evenmin een belemmering voor de doorgang van licht en verwante elektromagnetische golfbewegingen. Of van gravitatie- en andere krachtvelden. Louter de constatering was voor de meeste mensen afdoende, alleen pure theoretici vroegen zich af hoe dat kon.

   Aanvankelijk bleek uit berekeningen dat het vacuüm gevuld is met energie, zelfs bij het absolute nulpunt (- 273o C), hetgeen spoedig door proefnemingen werd bevestigd. De dichtheid van die nulpuntsenergie wordt op basis van de kwantum elektrodynamica (QED) nagenoeg oneindig hoog geschat (10114ergs/cm3 aan de hand van de Plancklengte). Omdat energie en massa uitwisselbaar zijn (E = mc2) heeft het vacuüm, vreemd genoeg, een ongelooflijk hoge dichtheid (3,6 x 1098 g/cm3). Die hoge dichtheid komt tot uiting door het voortdurend opduiken van virtuele deeltjes uit het ‘borrelende’ vacuüm om er vrijwel onmiddellijk weer in te verdwijnen5. Door de golf/deeltje dualiteit van materie kan het vacuüm op kwantum niveau worden opgevat als een zee van willekeurig fluctuerende elektromagnetische golven die een zogenaamd nulpuntveld vormen dat zich in alle richtingen door de kosmos uitstrekt. De magnetische en elektrische eigenschappen van dit veld geven het vacuüm haar respectievelijke doordringbaarheid en geleidbaarheid waardoor licht en gravitatie zich door het medium kunnen voortplanten (het is nou eenmaal niet mogelijk om zoiets vanzelfsprekends als de voortplanting van licht door het heelal op een simpeler manier uit te leggen).

   De ongelooflijke dichtheid van het vacuüm gaat lijnrecht in tegen onze voorstelling van een lege ruimte. Net zoals het passeren van licht door massief glas als we dat niet met eigen ogen zouden hebben gezien. De beschreven korrelstructuur van het vacuüm is het resultaat van abstract rekenwerk. Ruimtewandelaars hebben laten zien dat we ons vooralsnog geen zorgen hoeven te maken over onverwachte bewegingsvrijheid in deze ‘leegte´.

 

Regelmatig worden radioflitsen uit de ruimte opgevangen. Van ver buiten onze Melkweg. Astronomen interpreteren die als botsingen tussen neutronensterren waarbij een zwart gat wordt gevormd. Af en toe komen de flitsen uit dezelfde regio en vormen ze een onbekend, zich herhalend patroon. Voor die signalen hebben de astronomen nog geen verklaring. Sommigen suggereren dat ze verstuurd zijn door overleden popsterren die proberen contact met ons te leggen.

 

Lastig genoeg om uit te leggen hoe licht door een muur van leegte glipt, maar tot wat voor kunsten is dat licht nog meer in staat? Interferentie, luminescentie, polarisatie en zelfs coherentie zijn enkele van de capriolen waarmee licht ons kan verbazen.

   Zonder (onzichtbaar) licht zou het leven zoals wij dat kennen niet bestaan. In de oersoep ontstonden complexe verbindingen uit de overvloed van ammoniak, koolzuur en water in het licht van bliksemschichten en onbelemmerde kosmische straling. De gevormde eiwitten konden nagenoeg elke structuur hebben en zodoende soms licht absorberen en energie opslaan. Bij het ontstaan van de eerste microben speelden deze eiwitten een rol bij de energiehuishouding. Vooral de directe opname van zonlicht door chlorofyl en rodopsine is van blijvende betekenis geweest voor respectievelijk de fotosynthese en de visuele waarneming. Rodopsine zit niet alleen in ónze ogen (staafjes) maar ook in de primitieve oogvlek van het pantoffeldiertje en de meeste fotosynthese (in termen van biomassa) wordt nog steeds verricht door cyanobacteriën (blauwalgen) die de watermassa’s op aarde bevolken..

   De fotosynthese van kernloze oer-organismen veroorzaakte een revolutionaire verandering van de atmosfeer: de hoeveelheid koolzuur nam sterk af en daar kwam vrije zuurstof voor in de plaats. Voor de toenmalige levensvormen was dit een bijzonder giftig gas en het aardoppervlak werd rigoureus ontdaan van organismen die niet voldoende door water werden beschermd. Anderzijds kon dit zuurstof door kosmische straling worden omgezet in een laag ozon die nieuw leven juist bescherming bood tegen diezelfde straling. Na verloop van tijd (eerder miljarden dan miljoenen jaren!) ontstonden toen structuren die de chemische kracht van zuurstof wisten te benutten voor hun energiehuishouding. Was dat onontkoombaar of een toevalstreffer?

   Uiteindelijk bleek dat het toch voordeliger was om de energie uit zuurstof en zonlicht te combineren. Micro-organismen van velerlei kunne gingen samenwerken en vormden kolonies (endosymbiose) hetgeen de eerste eencelligen opleverde. En ten slotte ons.

   Andere pigmenten weerkaatsen een deel van het zonlicht waardoor oppervlaktes een kleur krijgen en daarmee de natuur, voor hen die er gevoelig voor zijn, een aantrekkelijk aanzien geven. Toch is het onwaarschijnlijk dat alleen de zichtbare fractie van zonlicht geëxploiteerd werd/wordt door de grote verscheidenheid aan levensvormen. Een arsenaal van onzichtbaar licht is gebruikt door de techniek (radio, röntgen, radar) en dat zou in de natuur nooit zijn benut?

   De echolocatie van vleermuizen en walvissen is gebaseerd op geluidstrillingen, maar zouden er ook dieren zijn die gebruik maken van radargolven (elektromagnetische trillingen)? Wellicht bestaan er dieren die radiogolven kunnen waarnemen. Op duistere plekken in grotten of diep onder water biedt dat ecologisch voordeel. Die dieren zouden dan wel zelf radiogolven moeten opwekken want waar zonlicht niet doordringt, wordt ook onzichtbaar licht gesmoord. Met de radiosignalen zouden soortgenoten elkaar kunnen vinden (voortplanting). Ook zou de omgeving kunnen worden gescand op eenzelfde wijze als dolfijnen en vleermuizen dat doen met geluid (sonar). Het bestaan van zulke waarnemingsstrategieën is niet onwaarschijnlijk, maar er is geen geld voor onderzoek. Medisch is het niet interessant (mensen zijn ongevoelig voor radiogolven) en technisch beschikken we al over superieure radarsystemen.

   Sommige vissen vinden prooidiertjes in de modder doordat ze het elektromagnetisch veld waarnemen dat met die radiogolven samenhangt. De radiogolven zijn het gevolg van processen binnen de celorganellen waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd. Hun intensiteit is echter gering zodat ze alleen van heel dichtbij kunnen worden opgemerkt. Door de uiteenlopende frequenties te bundelen, kan detectie van de prooidiertjes worden verbeterd. Een hongerige vis hoeft geen afzonderlijke radiogolven te kunnen onderscheiden, als de bron ervan maar kan worden gelokaliseerd.

   Met bioluminescentie kan een organisme zijn eigen omgeving verlichten. Het duidelijk zichtbare licht kan op twee manieren ontstaan: door oxidatie van een pigment (luciferine) of door absorptie van onzichtbaar licht dat vervolgens wordt omgezet in zichtbaar licht (fluorescentie). De kleur van het licht (golflengte) wordt bepaald door de betrokken enzymen (bij oxidatie) of eiwitten (bij fluorescentie). Op dezelfde wijze zouden radiogolven kunnen worden geproduceerd. Mits organismen beschikken over orgaantjes die kunnen resoneren met radiogolven, kan onzichtbaar licht een biologische rol spelen die nog niet eerder is opgemerkt. 

   Voor hele kleine organismen zoals eencelligen en bacteriën bieden de zwakke radiogolven wellicht een middel tot communicatie en informatie uitwisseling. Hun onderlinge afstand kan immers klein genoeg zijn om de zwakke straling effectief te benutten. Dit is analoog aan de uitwisseling van coherent licht op de nog kleinere schaal van macromoleculen. Wellicht zijn door de wisselwerking emergente innovaties tot stand gekomen zoals de bacteriële kolonievorming (endosymbiose) en de intensieve samenhang van cellen (meercellige organismen).

 

De zwart-wit tekening van zebra’s is in onze ogen zeer opvallend. Voor bloeddorstige roofdieren, die overwegend kleurenblind zijn en bij voorkeur in de schemer jagen, zijn slapende zebra’s  nagenoeg onzichtbaar. Geleedpotige vampiers zoals tropische steekvliegen kunnen ook heel lastig zijn. Deze insecten worden aangetrokken door gepolariseerd licht dat door zwarte paardenharen (en dus ook de zwarte banen van de zebravacht) wordt gereflecteerd. De witte haren doen dat echter niet. Daardoor ziet een zebra er voor steekvliegen heel verwarrend uit en laten zij die liever met rust.

 

Genoemde macromoleculen zijn met een gewone lichtmicroscoop niet te zien. Om ze zichtbaar te maken, zijn elektronenbundels nodig. Als je wat uitzoomt kun je zien dat het molecuul een van de bouwstenen is van een pigmentkorrel, een kristallijne structuur die (een deel van het zichtbare) licht absorbeert. De dichtheid van de korrels (aantal per oppervlak) bepaalt de intensiteit van de absorptie. Via bepaalde elektronische componenten (CCD of CMOS) kan elektromagnetische straling worden omgezet in elektrische lading waarmee een (digitaal) beeld tot stand komt.7 Het beeld kan geprint worden met een printer die pigmentkorrels op het papier aanbrengt (bv. dispersie met koolstof). Als je verder uitzoomt kun je een tekening van donkere en lichtere vlakken onderscheiden, een schakering die wordt bepaald door de plaatselijke hoeveelheid elektrische lading die op zijn beurt weer afhankelijk is van de gedetecteerde elektromagnetische straling (bv. licht).

   Verder uitzoomen maken de afzonderlijke pigmentkorrels onzichtbaar. Wat je ziet zijn donkere en lichte vlekken, eventueel gekleurd maar dat is minder relevant. Het gaat er om dat je het waargenomen beeld (bv. een haar) pas herkent nadat je voldoende hebt uitgezoomd. En als je daarmee doorgaat (met uitzoomen) zie je een al of niet gevlekte vacht. En daarna een koeienkop, een Hollands weidelandschap, Nederland van boven, enz.

   In de dagelijkse praktijk (TV; fotografie) gaat het om zichtbaar licht, de wereld zoals we die met onze blote ogen zien. Met de moderne elektronica kun je evenwel ook het onzichtbare licht detecteren. Veel eenvoudiger dan in de vorige eeuw kun je beelden maken met straling aan weerszijde van het zichtbare spectrum. Natuurfilmers maken nachtopnames met infrarood-gevoelige camera’s en eerder werden de UV-patronen op vlindervleugels genoemd.

   Tenzij je rechtstreeks in een lichtbron kijkt – niet doen, daar kunnen je ogen niet tegen! – is gewoon licht ook onzichtbaar. We zien het alleen als het wordt verstrooid en teruggekaatst. Je kunt een lichtstraal van opzij alleen zien door verstrooiing van het licht door stofdeeltjes in de lucht. In de ‘lege’ ruimte is die lichtstraal niet te zien. De ‘lege’ ruimte is pikzwart.

   De ruimte zit evenwel vol echt onzichtbaar licht, waarvan een aanzienlijk deel door onze dampring wordt geabsorbeerd of teruggekaatst. Vanaf grote hoogte of, nog beter, vanuit satellieten kunnen allerlei soorten straling worden aangetroffen en opgevangen. Infrarode straling dringt door kosmische stofwolken en met behulp van de moderne CCD-chips kunnen we delen van de ruimte zichtbaar maken die met een lichttelescoop niet te zien zijn. Met de detectie van onzichtbaar licht zijn de talloze bronnen van röntgen- en gammastraling in het heelal veel nauwkeuriger in beeld gebracht dan voorheen mogelijk was. Bovendien is ermee aangetoond dat een zwart gat niet alleen aantrekt maar ook uitstraalt, namelijk onzichtbaar licht!8

   En dan zijn er de microgolven die vanuit elke richting van het universum met ongeveer (maar niet precies) dezelfde frequentie kunnen worden opgevangen. Deze microgolven zijn radiogolven met een frequentie van dezelfde orde van grootte als bij televisie gebruikt wordt. De ‘sneeuw’ na de uitzending (voor zover dat tegenwoordig nog voorkomt) wordt veroorzaakt door de microgolven uit het heelal. De COsmic Background Explorer heeft in het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw de geringe frequentieschommelingen nauwkeurig in kaart gebracht. De afbeelding die met verschillende detectiemiddelen tot stand is gebracht, laat een grillig patroon zien van lichte en donkere vlakjes.9 De inmiddels wereldberoemde afbeelding van de kosmische achtergrondstraling, de echo van de oerknal, is gemaakt met onzichtbaar licht.

 

Je kunt je huisapotheek uitrusten met apparaten die onzichtbaar licht produceren. De hoogtezon levert een voldoende dosis UV-A op om het vitamine D gehalte in je huid op peil te houden (voor sterke botten en een goed immuunsysteem). De infraroodlamp produceert veel warmtestraling waarmee doorbloeding van weefsels wordt verhoogd en spierpijn kan worden bestreden.

   De uitvinding van de radio aan het eind van de 19e eeuw heeft in de kwakzalverij voor veel inspiratie gezorgd en een stortvloed aan apparaten en therapieën opgeleverd (bv. de resonantietherapie met orgonstralers; de radionica, niet te verwarren met de radiotherapie in moderne ziekenhuizen). Ook wordt nog altijd gebruik gemaakt van hoogfrequentie apparaten waarmee de huid gereinigd wordt en onvolkomenheden (wratten) kunnen worden verwijderd. Zie ook: http://www.kwakzalverij.nl/encyclopedie/kanker-zwarte-lijst/encyclopedie-kwakzalverij-met-apparaten-tegen-kanker/

  

Licht kan worden opgevat als een bundel trillingen met een golflengte van ongeveer 5.10-4 mm of als een bundel deeltjes (fotonen) die alleen in energie zijn uit te drukken: de energie van een lichtdeeltje is ongeveer 13.10-26 J. In beide gevallen veel te klein om te kunnen onderscheiden (hoewel onze staafjes gevoelig genoeg zijn om in volledig duister afzonderlijke fotonen te kunnen opmerken).
Het gaat hier niet om de bekende rood-groen-kleurenblindheid die vooral onder mannen vrij veel voorkomt, maar om de afwezigheid van het vermogen om elke kleur te kunnen zien. Deze zeldzame kwaal wordt gewoonlijk veroorzaakt het ontbreken van verschillende typen gezichtscellen in het netvlies (http://www.oogartsen.nl/oogartsen/glasvocht_netvlies/kleurenblindheid/).

Over monochromasie bij haaien zie:http://link.springer.com/article/10.1007/s00114-010-0758-8.

Bij Bolt is de oorzaak van psychologische aard. Hij ziet de wereld zoals een automobilist de verlichte snelweg ziet: door het monochromatische natriumlicht ziet hij geen verschil tussen blauwe en rode auto’s.

 

De kleugevoeligheid van de kegeltjes wordt bepaald door de absorptiespectra van de visuele pigmenten die ze bevatten: 426 nm (blauw), 530nm (groen) en 557 nm (geel) [Nature 356, 433 - 435 (02 April 1992)].

Ultraviolett straling is afkomstig van de zon. Er zijn geen natuurlijke omstandigheden waar UV kan doordringen en het zichtbare licht wordt tegengehouden.
De Plancklengte is de kleinst mogelijke lengte in het universum (gebaseerd op een aantal universele constanten) en bedraagt 1,616 x 10-33 cm (ter vergelijking: een elektron is ongeveer 10-13 cm groot).
Virtuele deeltjes zijn emergente paren van deeltjes en antideeltjes die hooguit 10-23 seconde bestaan.
Interferentie is het verschijnsel dat verschillende golflengtes elkaar versterken dan wel uitdoven. Bij levend materiaal is het vooral van betekenis bij het ontstaan van kleurpatronen (seksuele aantrekking) en mimicry (camouflage; afschrikking).

Coherentie is een speciale vorm van interferentie waarbij golflengtes in fase elkaar alleen maar versterken; het principe van de laser. In levend materiaal speelt het een rol op celniveau in de vorm van fotonen-overdracht tussen eiwitten.

Luminescentie ontstaat doordat (onzichtbaar) licht (of een chemisch proces) energie overdraagt op elektronen in de materie, waarna die elektronen de energie in de vorm van zichtbaar licht (andere golflengte) uitstraalt. In levend materiaal speelt het o.a. een rol bij het verlichten van een omgeving waar nauwelijks zichtbaar licht aanwezig is.

Gepolariseerd licht bevat alleen trillingen in hetzelfde vlak. In levend materiaal wordt het regelmatig waargenomen ten behoeve van o.a. oriëntatie en lokaliseren van voedsel.

De hoeveelheid elektrische lading (elektronen) is afhankelijk van de hoeveelheid straling dat wordt opgevangen door minuscule condensatoren die vervolgens de beeldpunten (pixels) vormen. De toegepaste fotodiodes kunnen, afhankelijk van de gebruikte materialen en constructie, een brede spectrale gevoeligheid hebben. Met behulp van filters kan dit worden beperkt tot een bepaald golflengtegebied (bv. kleur).
Zie ook: Röntgendiagnostiek in de ruimte: lijnen in het heelal (https://personal.sron.nl/~kaastra/oratie/oratie.pdf).
De lichte en donkere vlakjes zijn feitelijk gekleurde vlakjes met slechts 5 kleuren (blauw, cyaan, groen, geel en rood) die elk een golflengtegebiedje vertegenwoordigen

 

 

 

  L & B MODEL                    VARIABELE CONSTANTE

 

Sinds halverwege de vorige eeuw zijn astrofysici het erover eens dat in de lege ruimte (vacuüm) een zogenaamde nulpuntsenergie heerst. De dichtheid van deze vacuümenergie kan worden afgeleid uit de mate van roodverschuiving van verre objecten, een waarneming die geldt als de bevestiging van een uitdijend heelal.

   De dichtheid kan ook theoretisch worden afgeleid aan de hand van bestaande kosmologische modellen. Dat leidt tot een raadselachtige discrepantie: de uitkomsten zijn ongeveer elkaars tegendeel. Aanleiding voor een nieuw model: er is geen sprake van uitdijing, de roodverschuiving heeft een andere oorzaak!

   De expansie kort na de oerknal (inflatie) is voor te stellen als het opblazen van een reusachtige ballon. De potentiële energie (elasticiteit) van de opgewekte spanning is in de loop der tijd omgezet in kinetische vacuümenergie. Door  waardoor de energiedichtheid van het vacuüm steeds groter werd. De omzetting van elasticiteit in straling nam geleidelijk af terwijl de energiedichtheid van het vacuüm steeds groter werd.

   De lichtsnelheid in vacuüm wordt beschouwd als de absolute snelheid en een natuurlijke constante. Hij wordt bepaald door de energiedichtheid en net zoals licht door glas en water trager gaat dan door lucht neemt de snelheid af als de energiedichtheid van vacuüm toeneemt. Metingen vanaf halverwege de 18e eeuw bevestigen dat de lichtsnelheid afneemt.

   In het nieuwe kosmologische model wordt de waargenomen roodverschuiving beschouwd als het gevolg van de veranderde lichtsnelheid. Uit de mate van roodverschuiving kan worden berekend dat het licht ooit een veel grotere snelheid moet hebben gehad. Uit extrapolatie van de gegevens blijkt zelfs dat de oerknal veel recenter heeft plaatsgevonden.

   Maar dat is natuurlijk speculatie. Toch? 

 

 

Bron: http://www.ldolphin.org/setterfield/report.html 

 

Met de scheepsbel wordt het aantal glazen geluid. Elk glas (zandloper) duurt een half uur. Behalve als de stuurman van de wacht heeft zitten slapen. Of anderszins met de tijd is gesjoemeld.

 

El Instituto 5           SCHAPENWOLFJES

 

 

Er valt voldoende regen op het tropische eiland San Lorenzo om in de behoefte aan zoetwater te voorzien. Mits het wordt opgevangen. Een natuurlijk bassin is niet aanwezig.  

 

Halverwege de Atlantische Oceaan koerste de Conceptión in noordwestelijke richting naar de Azoren. Op de voorplecht prutste Theodoor met een aantal touweinden in een poging om een kabel te vlechten. Tegen Harko had hij gezegd dat hij behalve houtbewerking ook wel andere klusjes wilde doen. Een echte zeeman zou hij worden.

   Door het onstuimige weer van de afgelopen dagen stond er nog een stevige deining. De lucht was helder en aan de horizon waren de vage omtrekken van de archipel zichtbaar. De indianen die hem in Lissabon aan boord hadden gehesen, scharrelden tussen de trossen touw die op het dek lagen. Ze hadden hem verteld hoe ze heetten maar Theodoor had hun exotische namen niet kunnen onthouden. Alleen Pablo, de naam van de enige platneus die zich verstaanbaar kon maken, was hij niet vergeten. Deze ochtend had Pablo hem uitgelegd hoe hij touw moest vlechten. Theodoor hoorde hem mummelen in zijn troebele mengsel van Vlaams en Spaans:

   “Zij Islas Azores zij vol wanen zijn in de midden van de mare,” waarmee hij maar wilde zeggen dat de eilanden van vulkanische oorsprong waren en dan kon er van alles gebeuren.

   Maar Theodoor was in gedachten ergens anders.

 

Hij dwaalde door zijn herinneringen aan de voorbije weken. In Lissabon, waar ze nog geruime tijd waren gebleven, had hij een lange brief aan zijn moeder geschreven. Om haar gerust te stellen, had hij gefantaseerd over een luxe leventje met toegewijde bediendes en hoffelijke varensgezellen. Terwijl de meeste van zijn scheepsgenoten zich in de haven te buiten gingen aan drank en hoeren werd hij gekweld door wankelmoed. Tijdens lange wandelingen had hij zijn liefde voor Rosita in gedichten willen vangen. Maar hij kon de juiste woorden niet vinden. Hij schreef een brief aan Adalbert om hem deelgenoot te maken van zijn recente belevenissen maar hij verviel voortdurend in angstige vooruitzichten van avonturen die hem nog te wachtten stonden. Nadat ze de haven van Lissabon waren uitgevaren had hij de verzen voor Rosita verscheurd en de snippers aan de elementen toevertrouwd. Het werd tijd om het verleden los te laten.

   Weemoedig keek hij toe hoe de laatste fragmenten van zijn gebroken hart in de golven verdwenen.

   Op datzelfde moment schrok hij zich rot door een schreeuw uit de hemel. De uitkijk in het kraaiennest had een schip aan de horizon gespot. De alerte schipper stormde het dek op en zette de kijker aan zijn oog.

   “Stront aan de knikker.”

   Geschokt keek Theodoor naar de gezagvoerder. Hij had al heel wat obsceniteiten aan boord vernomen. Maar Stront aan de knikker? Daar was iets mee, een oneindige ver verwijderde echo van iets …

   Grimmig gaf Pieter het instrument aan Theodoor, terwijl hij commando’s brulde.

   Door de kijker zag Theodoor – weliswaar ondersteboven – de masttop met de gevreesde vlag die een gewelddadige dood voorspelde. Doordat de Conceptión van koers veranderde, raakte de mast uit beeld. Maar daardoor zag hij wel een tweede schip. En een derde. Nerveus waarschuwde hij de kapitein want, ondanks zijn trillende handen, viel hem op dat het laatste schip veel groter was dan de andere twee. Alle drie de schepen hadden een verhoogde voorplecht, veel hoger dan gebruikelijk. Het waren echte kraken! Die zag je niet veel meer.

   Pieter nam de kijker van hem over en beklemd hield Theodoor zijn adem in. Hij zag het  grote lichaam ontspannen.

   “Dat is de Santa Maria, en die kleinere zijn de Pinto en de Niña. Het is maar een illusie, dat heeft deze kijker wel meer. De lenzenslijper leed aan godsdienstwaanzin en wilde het ongelijk van Galilei bewijzen. Onzin natuurlijk, maar dit is hem toch aardig gelukt.”*

   Hij liet het instrument zakken en tuurde in de verte.

   “Ja, ze zijn verdwenen … en daar zie ik de piraten, drie karvelen en een kraak ”

   Opnieuw zette hij de kijker aan zijn oog en zocht geruime tijd de horizon af.

   “Ze zitten achter een ander schip aan. De Conceptión is in hun ogen een mager spierinkje. Als we wat westelijker aanhouden, zullen we geen last van ze hebben”.

   Maar toen betrok hij weer.

   “Godverdomme. Die ene lefgozer komt toch onze kant uit!” Hij schreeuwde dat het geschut in gereedheid moest worden gebracht en liet de steven wenden. Het piratenschip kwam snel naderbij en de aanval leek Pieter de beste verdediging.

   Het eerste salvo van de nieuwe boordkanonnen klonk zo daverend dat Theodoor bang was dat hij door het dek zou zakken. Maar het leek de tegenstander eveneens te verrassen. Sterker nog, het piratenschip veranderde van koers zonder het salvo te beantwoorden. Blijkbaar had de piratenkapitein niet verwacht dat het geschut zo krachtig en vérdragend zou zijn. De opportunistische piraten verwijderden zich in dezelfde richting als hun maten, achter het grote koopvaardijschip aan. Kennelijk verwachtten ze dat ze dat makkelijker konden veroveren en er bovendien een rijkere buit me zouden vergaren. Ze waren zeker vergeten dat vele varkens de spoeling dun maken.

   Meer was er van de beruchte zeeroverij in die contreien niets te merken geweest. Het was niet zo dat de slachtingen en verliezen door de reders werden overdreven, maar ze hadden gewoon geluk gehad. Daarvan was Theodoor overtuigd.

   Later, ter hoogte van Mauritanië, hadden ze een tijdje langszij een Hollandse brik gelegen die in tegenovergestelde richting koerste. Zulke ontmoetingen waren een bron van vermaak en zorgde voor uitwisseling van nieuwtjes. Ze vernamen dat in Saint-Louis een nieuwe gouverneur zetelde die alleen maar belangstelling leek te hebben voor Europese wijnen. En zuidelijker werden verscheidene handelsposten bedreigd door schepen onder ‘zwart’ gezag. Het was niet duidelijk of het ging om piraten of bevrijde slaven. Natuurlijk hadden die bosapen van zout water geen kaas gegeten, maar het bleven bloeddorstige rakkers, ha, ha.

   Hij, Theodoor, had het onthullend gevonden dat zwarten in het oerwoud werden gevangen en voor veel geld aan rijke planters in de Caraïben werden verkocht. Dat was pas handelsgeest! Alleen zouden de reders van die schepen wat zorgvuldiger met hun lading moeten omspringen. Afgezien van de medemenselijkheid zou het hen veel meer kunnen opleveren. Hij besefte waarom hij eigenlijk aan boord van de Conceptión was en hij verwachte dat de schipper binnenkort wel weer gebruik zou willen maken van zijn zakelijk vernuft. Toen ze in de buurt van Gorée voor de Afrikaanse kust menig slavenschip moesten ontwijken, had Pieter er geen geheim van gemaakt hoe hij over die mensenhandel dacht, dus als hij een goed plannetje in die richting bedacht…

 

Het gekrijs van een meeuw bracht Theodoor terug tot de werkelijkheid van dat moment. Hij vestigde zijn aandacht op de omgeving. De Conceptión was de kust van één der vulkanen al dicht genaderd. Het schip ging voor anker. Zijn kornuiten hingen over de reling om niets te hoeven missen van het neerlaten van de sloepen. En om vooral niets te hoeven missen van die zwarte mannen aan de riemen.

   Theodoor zag dat de ‘dokter’ zich intussen ook aan dek had gewaagd. Dagenlang had ‘het skelet’ zich niet vertoond, ook niet bij de maaltijden. Het scheen dat hij leed aan een kwaal die alleen hijzelf, als arts, kon genezen. Nou, dat was hem dan kennelijk gelukt. Hij zag er niet schraler uit dan anders en hij bewoog zich met de voorzichtige zelfbewustheid die Theodoor al had opgemerkt toen de man net aan boord was.

   Johannes van den Berghe stapte naar de reling en wierp een blik op de zichtbaar weelderige plantengroei waarmee de naar hen toegekeerde zijde van het eiland grotendeels bedekt was. Op het tussendek zag hij de manschappen in de weer met het monteren van de sloepen waarmee ze vers water en proviand aan boord zouden brengen. Wijn was er nog genoeg, al was het grootste deel verkocht in het West Afrikaanse Saint-Louis. Daar hadden ze verdomme ook die vermaledijde nieuwe ‘lading’ aan boord genomen. Gewoon een goedkope uitbreiding van de bemanning!

   Hij staarde naar de vegetatie op de hellingen van de Pico. Hij was ervan overtuigd dat daar interessante soorten tussen stonden. Maar hij weigerde van boord te gaan. Niet met zo’n aap aan het roer.

   Ze stinken.

   Nadat de sloepen te water waren gelaten, werden ze bemand door de vrijwel naakte lijven van pikzwarte mannen die bezweet aan de riemen trokken. Hij zag hoe verschillende blanke zeelui zich als prinsen naar de kust lieten brengen. In één van de bootjes stond die dikke schipper rechtop met zijn kijker in de aanslag terwijl die nikkers hun best deden het scheepje in bedwang te houden.

   Hij had het onverstandig gevonden om de zwartjes zoveel vrijheid te geven en hij betwijfelde het of de ‘lading’ compleet zou zijn als ze hun reis weer vervolgden. Maar dat was zijn probleem niet. Hij wist nu tenminste zeker dat ze naar de Caraïben gingen.

   Tenzij de héle lading verdween!

   Hij probeerde het aantal zwarte roeiers te tellen, maar de boten waren al te ver weg en door het deinende schip werd zijn aandacht weer gevestigd op zijn darmen, die werden gehinderd in het verwerken van het Engelse ontbijt van die ochtend.

   De nieuwe kok was gelukkig een noorderling, die kon je tenminste vertrouwen.

   Hij zou hem vragen wat van de gedroogde extracten van de klimlelie, die hij in zijn potten bewaarde, door zijn eten te mengen. Dat zou zeker helpen tegen dat opgeblazen gevoel waar hij de laatste tijd weer zoveel last van had.

 

Pieter Jacobz deed zijn best om zijn evenwicht te bewaren in de schommelende sloep. Angstvallig hield hij de mannen in de gaten, terwijl ze in de branding sprongen om de eerste bootjes op het strand te slepen. De negers waren een gok geweest. Hij had ze aan boord kunnen houden, aanvankelijk zelfs in ketenen laten slaan, zoals dat op slavenschepen gebruikelijk was. Maar hij had verlangd dat er sprake zou zijn van een wederzijds vertrouwen. Vanaf het moment dat ze in Saint-Louis aan boord werden gebracht, had hij geëist dat de 'slaven' met respect behandeld werden, dat ze genoeg te eten hadden en dat ze in hun eigen taal met elkaar konden praten.

   De meeste bemanningsleden voelden zich niet op hun gemak maar deden wat hen werd opgedragen al bleven ze zoveel mogelijk uit de buurt van het ‘slavenruim’. Het ruim dat vrij was gekomen nadat de vaten Portugese wijn van boord waren gebracht, was ingericht om onderdak te bieden aan de nieuwe ‘lading’. De mannen en vrouwen die aanvankelijk nog geketend waren, had de schipper persoonlijk, onder begeleiding van twee gewapende lijfwachten, van hun boeien ontdaan. Wel had hij hen via hun cipier, een zogenaamd vrije neger die behalve Swahili en Frans ook Spaans sprak, laten beloven dat ze zich niet schuldig zouden maken aan enige vorm van verzet. Op een schip werd georganiseerde ongehoorzaamheid beschouwd als muiterij en als zodanig gestraft. De doodstraf dus. Hij maakte met een paar voorbeelden duidelijk wanneer daar sprake van zou zijn, maar liet dat direct volgen door de mededeling dat ze hun eigen eten konden klaarmaken, dat er volop voedsel en schoon water in Saint-Louis aan boord was gebracht en dat iedereen verplicht werd zich dagelijks te wassen. Tevreden had hij de verbouwereerde opluchting op hun gezichten gezien toen zijn boodschap vertaald werd. Hij was er tamelijk zeker van geweest dat hij juist gehandeld had.

   Hoe verstandig zijn beslissing was geweest, bleek spoedig.

   Ze waren net afgevaren in de richting van Kaapverdië toen het weer omsloeg. Dagen achtereen was de Conceptión speelbal geweest van hevige rukwinden, woeste slagregens en onberekenbare stormzeeën. Een orkaan joeg de golven huizenhoog op n sloeg angstaanjagende stortzeeën over de reling. Het schip werd onbestuurbaar, niemand had nog enig idee wat de juiste koers was en de kreet “uitkijk aan lij!!” klonk nauwelijks boven het geweld uit.

   Een rukwind had het dekzeil boven één van de sloepen weggerukt waardoor deze was volgelopen. In plaats van een toevluchtsoord in noodsituaties dreigde het nu een ravage te veroorzaken en moest het vaartuig onmiddellijk worden losgesneden. De klap was heviger dan de donderslagen rondom en deed de Conceptión in zijn voegen sidderen. Het schip luisterde enige tijd niet meer naar het roer maar gelukkig kwam het weer overeind en loefde het weer op.

   Zeker twee mannen waren al overboord geslagen (van één had men dat zien gebeuren; de ander werd later, in rustiger vaarwater, eenvoudig vermist) en nog eens vier waren tijdens de grillige kapriolen van de Conceptión zodanig verwond geraakt dat ze niet langer hadden kunnen helpen om het op hol geslagen schip in toom te houden. Alleen door hulp uit onverwachte hoek, aanvankelijk aarzelend maar al spoedig vastberaden en onbevreesd, hadden die ‘roetmoppen’ hen van een zekere ondergang gered. En daarmee de ‘lading’, zichzelf dus, ook. De toegestoken zwarte handen waren niet van ervaren zeelui, ze waren niettemin bijzonder welkom en maakten uiteindelijk het verschil tussen de trotsering van het natuurgeweld en een ondergang in de golven.

 

Pieter Jacobz was inmiddels bij de voorraadschuren aangekomen waar vers fruit en groente konden worden ingeslagen. Hij had al gezien dat de zwarte roeiers geen enkele neiging vertoonden om te deserteren en hij prees zichzelf gelukkig met de fortuinlijke ontwikkelingen van de afgelopen weken. Zijn inschatting dat Haase over een slimme handelsgeest beschikte, was een juiste gebleken en de toezegging van de scheepseigenaar om – zonder dat hij er zelfs maar om had hoeven vragen – het schip opnieuw te bewapenen, was regelrecht profetisch geweest. Het vooruitzicht dat ze misschien door piraten zouden worden belaagd, had hem wel wat benauwd, maar het besef van een modern uitgerust schip had hem genoeg vertrouwen gegeven om zijn voornemen uit te voeren. Hij had al gespeeld met de gedachte om naar het zuiden te varen, langs de West Afrikaanse kust, in de richting van het eilandje Gorée. Nu stond zijn besluit vast.

   Misschien dat ze al eerder één van de handelsnederzettingen in het noorden, Saint-Louis, konden aandoen. De aanleiding voor deze bestemming was weer zo’n ingenieuze ingeving van Theodoor geweest, die, tijdens het filosofische natafelen na een wederom copieuze maaltijd, een nogal overmoedige schimpscheut had gemaakt. Haas had de beslotenheid binnen de scheepsgemeenschap, waar de hardwerkende bemanning geen kant uit kon onder het soms willekeurige gezag van de hoogste officieren – hij doelde hierbij natuurlijk niet op de Conceptión – vergeleken met de suikerplantages waar slaven zich uit de naad werkten en de eigenaren de winst opstreken. Dit had hem op de gedachte gebracht dat arbeidskracht de beste koopwaar zou zijn, als ze toch in de richting van de Caraïben zouden varen. Geniaal, die jongen!

   Daarnaast prees Pieter zich fortuinlijk dat hij was ingegaan op een aanbod van de gezant in Lissabon. In ruil voor de afname van een flink aantal vaten wijn uit de voorraad van de Don kon hij, Pieter, zich een hoop gedoe besparen met het zoeken naar een geschikte kok. De gezant had voldoende invloed om Reinaldo Bolt, de keukenmeester van Don Alfonso, te gelasten om aan te monsteren op de Conceptión.

   Bolt kwam oorspronkelijk uit Saksen maar woonde en werkte al jaren in Portugal. Tijdens een recente receptie van de Don had Bolt zich nogal beledigend uitgelaten over één van de gasten. Toen Don Alfonso dit onbedoeld ter ore was gekomen, had hij Bolt onmiddellijk de wacht aangezegd. En dat hield voor een gewoon iemand als een kok niet veel goeds in. De gezant verwachtte grimlachend dat Bolt het aanbod dankbaar zou aanvaarden.

   Dat Reinaldo Bolt een goede kok was, stond voor Pieter ondertussen wel vast. Het moest wel een hele schunnige belediging zijn geweest dat hij de zak had gekregen. Wat de man mogelijk ook achter zijn rug om liep te schelden, liet hem koud, aangezien hij zijn werk voortreffelijk deed. Maar een beetje nieuwsgierig was hij er wel naar.

 

De laatste sloep met vers water en fruit was teruggekeerd naar de Conceptión en Van den Berghe had enigszins teleurgesteld moeten constateren dat alle zwarten weer aan boord waren. Er was er niet één in de bossen op het eiland achter gebleven!

   Nadat het anker was gelicht en de zeilen gehesen, voer de Conceptión de ondergaande zon tegemoet. Theodoor zag de vulkaan Pica in de verte kleiner worden terwijl de meevliegende zeevogels erop duidden dat er nog andere eilanden in de buurt moesten zijn. Weldra zouden ze die allemaal achter zich laten. Dan zou er lange tijd alleen maar water en lucht te zien zijn.

   Pieter had hem uitgelegd dat hij met behulp van zijn kompas een zuidwestelijke koers zou aanhouden. Dan kwamen ze vanzelf in de Caraïben. Het was alleen de vraag wáár precies. Maar dan zouden ze gelukkig weer kustlijnen zien waarop ze zich konden oriënteren.

   Hangend over de reling zag Theodoor een stuk of tien rossige dolfijnen voor het schip uit zwemmen. Ogenschijnlijk zonder enige inspanning doorkliefden ze het paarse water voor de boeggolf, zigzaggend, opspringend en weer onderduikend, soms nagenoeg bewegingloos met onverwachte snelheid vooruit schietend.

   Die fabeldieren wijzen de weg naar het beloofde land.

   Hij was er nog steeds van overtuigd dat ergens op aarde het paradijs moest zijn. En hij twijfelde er niet aan dat hij het zou vinden.

   Pablo, die verderop tegen de reling stond, wees in de verte.

   “Schapenwolfjes,” bromde hij.

   Theodoor zag de cirrocumuli boven de horizon en had van de schipper begrepen dat zulke wolkjes voorbodes waren van zwaar weer. Maar het kon zijn euforische stemming van dat moment niet bederven. Voor het eerst had hij echt het gevoel dat het verleden definitief achter hem lag en dat alleen de toekomst er toe deed.

   Dat was ook precies wat Pablo bedoelde.

 

 

 


 

 

Peru, 2e helft 19e eeuw

 

De hanen werden losgelaten en stoven op elkaar in, de vlijmscherpe visgraten met kleurige bandjes aan de poten gebonden, de trotse kronen afgesneden om ze tot de gewenste razernij te brengen.

   In de ogen van de buitenstaanders, veelal van Europese herkomst, was het een opwindend maar onbetekenend tijdverdrijf. Voor de lokale boeren en vissers ging het om eer en aanzien. En geld natuurlijk.

   Margareta wandelde over de markt in Callao, waar haar aandacht werd getrokken door een opstootje. Kleine jongens holden haar voorbij met versnaperingen en dichterbij gekomen onderscheidde ze in het gedrang mannen met dikke geldbuidels. Uit het groepje steeg plotseling een dierlijk gebrul op: het eerste bloed!

   Ze verstijfde, aangetrokken door een soort oerdrift, tegelijkertijd overmand door walging en spijt. In een flits drong het wereldleed tot haar door, ze zag het in de blik van de inheemse vrouw die haar op datzelfde moment recht in de ogen keek, ze hoorde het in de verhitte uitroepen van de gokkende mannen, ze voelde het in haar bonkende hart: bloed!

   Bloed verbond mensen met elkaar door bloedverwantschap en in het eeuwige vervallen tot de erfzonde van het bloedvergieten. Margarita had nog geen ander bloed vergoten dan dat van haar zelf tijdens haar periodes en van de beesten die ze had geslacht voor het bereiden van de maaltijd. Dat mensen elkaar ook afslachtten wist ze uit de verhalen over lokale moordpartijen en uit de historische boekwerken van haar vader, die ze met verontrustende gretigheid had gelezen.

   Haar katholieke opvoeding had haar geleerd dat mensen hun naasten behoorden lief te hebben als zichzelf en de dienaren van God gaven uiteraard het goede voorbeeld. Maar de priesters die zij kende waren allerminst vrijgevig met hun rijkdom en genegenheid. Het waren geile bokken die hun slaven mishandelden, een onmatige eetlust vertoonden en – waar het hun medemens betrof – zich uitsluitend bekommerden om de nazaten van rijke kolonisten. Zoals zijzelf, althans zo vond ze, als petekind van Don Enrique de yankee keizer van Peru. Ze wilde graag geloven dat er ook rechtschapen missionarissen bestonden, maar de huichelaars die haar hadden onderwezen, waren dat in elk geval niet geweest.

   Ze maakte zich los uit haar geestelijke beklemming en uit het verhitte gedrang rond de vechtende vogels. Ze wandelde langs de kramen in de richting van de kade. De meeste schepen lagen op de rede en de baai was gevuld met sloepjes die af en aan voeren. Voor even verzette het beeld haar zinnen. Maar dat duurde niet lang.

   Uitkijkend over de zee – haar verminkte handen aan het oog onttrokken in een modieuze mof – werd haar blik getrokken naar het eiland in de verte waar de grote Inca heersers in anonimiteit aan hun laatste reis waren begonnen. Automatisch moest ze denken aan de gruwelijke wreedheden waarvan ze, na zoveel eeuwen, van beschuldigd werden. Was hun bloeddorst een grotere zonde geweest dan de schijnheiligheid van de kerk die ze nog steeds bezocht? Waren de met goud omhangen zonnegoden van weleer net zulke moordenaars en verkrachters als hun bekeerde nazaten in deze vissershaven?

   God was goed en Jezus was een visser. Als klein meisje was dat er bij haar ingehamerd. God was goed. Toen Chamiku, het kindermeisje, door de vissers op het strand werd verkracht. Het waren altijd mannen, die vissers, met hun eeltige handen en visserslatijn. De tranen stonden in haar ogen.

   God was goed, ook toen haar kleine zusje in de vlammen werd gesmoord. De kerkvaders hadden haar vergeefs proberen uit te leggen dat een mens zoiets niet kon begrijpen. Het was voorbestemd. Er was geen ontkomen aan.

   Dat had haar nog de meeste angst, en woede, ingeboezemd: die bestemming. Wat voor plannen had God nog meer met haar? Zou zij zich kunnen onttrekken aan de bemoeienissen van Onze Lieve Heer?

   Haar moeder kon ze zich niet meer herinneren. Die was verdwenen toen haar zusje werd geboren. Volgens haar vader was ze overleden in het kraambed maar Margarita kon zich geen zwangere moeder herinneren. Het kindermeisje daarentegen… oh, God was goed. Tegenover háár had haar vader zich van zijn beste kant getoond. Hij was geen visser. Hij was de playboy van Peru!

 

 

 


 

 

 

Voordat Erik Hazepad naar Lima zou afreizen, heeft hij een onderhoud met twee collega’s van de universiteit. Nou ja, het is meer een gezellig samenzijn, maar ze hebben het wel ergens over.

   Huby  Moontrap, fysisch geograaf met politieke ambities, heeft hem twee foto’s laten zien van een beeldje en gevraagd of hij een verschil ziet. Onderwijl neemt hij een slok uit de fles die hij altijd bij zich draagt.

   “Kun you see of het hetzelfde beeldje is op both foto’s? Or zijn ze verschillend?”

   Erik ziet wel dat het verschillende foto’s zijn, maar de beeldjes lijken erg veel op elkaar. Het zijn glanzende poppetjes, overduidelijk van het vrouwelijke geslacht en zonderhanden en voeten. Hij vindt ze niet mooi.

   “Wat doet dat ertoe? Ik zou ze niet willen hebben.”

   Nu mengt René Baars zich in het gesprek. René, archeoloog en ervaren paddogebruiker, wuift zijn lange grijze haar naar achteren en briest:

   “Weet je wel dat één van die beeldjes duizenden jaren oud is?! Huby heeft een ouderdomsbepaling gedaan in het geo-lab. Het andere beeldje is nep.”

   “Oh? Nou, ik zie geen verschil.”

   René en Huby kijken elkaar veelbetekenend aan. René hervat:

   “Dat is precies waar het om gaat. Het is niet te zien wat authentiek is en wat vals. Totdat je er de juiste technieken op loslaat. Voor musea niet onbelangrijk, er is een hoop geld mee gemoeid.”

   Huby schijnt van onderwerp te veranderen als hij zich tot René richt.

   “Net als met drugs. Er wordt rommel verkocht om a lot of money, geld, te verdienen. En de gebruiker is slachtoffer. You can die as well. Dat is alleen maar so omdat het illegaal is. Het moet worden vrijgegeven. Free drugs!”

   René kijkt hem geamuseerd aan. Hij is het eens met de naïeve zuipschuit maar blaast zelf niet zo hoog van de toren. Huby’s voorstel in de raad om het paddoverbod op te heffen heeft hij destijds toegejuicht ook al verwachtte hij niet dat het resultaat zou hebben. De reacties hebben hem verrast.

   Huby heeft zich ondertussen tot Erik gewend.

   “Een museum tast diep in de buidel om niet voor aap te staan when appears dat ze een prul exposeren. En you vindt het niets?”

   Erik begrijpt dat schoonheid aan echtheid kon worden gekoppeld. Of aan geloofwaardigheid. Maar die beeldjes doen hem nog steeds niets. Trouwens, een Hollandse meester van de hand van Van Meegeren vond hij even mooi als het origineel (en beslist knapper om te maken). Waarom zou die dan minder waard zijn?

   “Heeft een museum er niet juist baat bij om imitaties te showen in plaats van het originele werk? Dat zou enorm schelen in verzekeringspremies. En eventuele dieven lelijk op hun neus laten kijken.”

   “Het zou mooi zijn als je altijd verzekerd kon zijn van de gewenste ontroering,” grinnikt René. “Als je een pil krijgt die je om wat voor reden dan ook ‘mooi’ vindt, zou je hem dan eerder slikken dan eentje die je tegenstaat?”

   Ik slik liever een magische knikker door dan een aspirientje. Erik zit met zijn mond vol tanden.

   Huby en René kijken hem vragend aan.

   “Het is allemaal een kwestie van vertrouwen,” mompelt hij. “Je kunt van te voren niet weten dat schoonheid soms een bittere pil is. Zelfs al bestaat ze niet. De waarheid, bedoel ik, of de, eh schoonheid, maakt niet uit, allemaal onzin…”

   Bruusk staat hij op en vertrekt.

 

 


 

 

Op een hele andere plaats op aarde en in een hele andere tijd stond Hasan Pacha nogal onverwacht tegenover een dreigende bende. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Overal in de stad krioelde het voortdurend van de mensen maar nu leek er, buiten deze groep die hem de weg versperde, geen levende ziel in velden of wegen te bekennen. De kleinste van de kerels was nog een kop groter dan Hasan. Hun starende tronies kwamen steeds dichterbij. Ze sloten hem in zodat er geen weg terug was. De eerste duw bracht hem uit evenwicht maar hij bleef overeind. Een stomp en nog een duw was genoeg om hem tegen de grond te kwakken. Daarna was het onophoudelijke trappen, vooral tegen zijn hoofd, het enige wat hij nog merkte en waartegen hij zich met zijn armen voor zijn gezicht en met opgetrokken knieën zoveel mogelijk probeerde te beschermen.

   Totdat alles zwart werd.  

 

Toen hij weer tot zijn positieven kwam, keek hij in het bezorgde gelaat van een onbekende man die zich kennelijk over hem ontfermd had. Hij merkte dat hij zijn kaken niet kon bewegen zonder een stekende pijn en hij produceerde een hakkelig gejank om te laten merken dat hij bij kennis was en verre van blij. De man was in de weer met lauwwarme lappen die gedrenkt waren in een aftreksel van kruiden. Hij gebaarde de jongen stil te zijn en liet hem betijen. Terwijl hij voorzichtig het gehavende gezicht met de natte lappen behandelde, gaf de man op gedempte toon uiting aan zijn ongenoegen over die vermaledijde moslim-bendes die zo overtuigd waren van hun eigen gelijk, hun voortreffelijke mannelijkheid, hun religieuze superioriteit. Zelfs al zou die jongen een goddeloze homo zijn, dan kon hij toch zeker wel op een wat menslievender wijze worden terecht gewezen?!

   Hasan had het gemopper van de man zonder veel aandacht over zich heen laten gaan, de fysieke pijn had hem te zeer in zijn greep gehad. Maar nu kwam hij met een schok tot zichzelf. Was hij een flikker? Hij was verbijsterd. Hij wist wel dat bepaalde seksuele voorkeuren door de islam werden afgekeurd maar het had hem niet gnteresseerd. Hij begreep het ook niet goed: vrouwen waren surrogaat-mannen die je behoorde te beminnen en liefde tussen echte mannen was taboe? Liep zijn weldoener ook gevaar nu hij zich over hem ontfermde, een man die zorgt voor een andere man? Of ging het alleen maar om seks? En wat was dat dan, seks?

   Hij had afscheid genomen van Ilya. Ilya’s vader was overgeplaatst naar Rotterdam in Nederland waar hij niet alleen meer verantwoordelijkheid zou krijgen maar waar de maatschappelijke omstandigheden ook veel gunstiger waren dan in Visakhapatnam. Hij had zijn vriend omarmd. Hij had hem gekust, op zijn mond. Hij hield van Ilya. Hij zou hem missen. Was het verkeerd om dat te tonen? 

   Langzaam begon het hem te dagen. Ware liefde bestond echt, ook al was het zeldzaam. Sommige mannen waren echter niet in staat tot liefde, alleen tot haat. Eigenlijk waren het er zelfs nogal veel, mannen met baarden en eelt op hun knokkels. Geen lieverdjes, maar toch tamelijk onschuldig, die mannen, zolang ze niet door dominante intellectuelen werden misbruikt voor de verspreiding van hun idealen of het ware geloof. Of zoiets.

   De zwachtels op zijn gezicht verzachtten de pijn. Ze ontnamen hem ook zicht op de omgeving al had hij het idee dat hij in veilige handen was. Voorlopig. Hij zakte weg in een droomloze slaap.

 

Jaren later zou hij nog wel eens terugdenken aan die uren waarin hij, meer dood dan levend, zich bewust werd van zichzelf. Waarin hij begon te beseffen hoe afhankelijk hij was van de willekeur van anderen, zowel in kwade als in goede zin.

   Zijn weldoener had hem dagen achtereen verzorgd. Onbaatzuchtig. Per slot van rekening viel er van dat in elkaar geslagen knulletje geen tegenprestatie te verwachten.

   Maar daarin had de goede man zich vergist. Althans, zo zou hij gemerkt hebben als hij ooit werd opgespoord.

   Nadat Hasan zich weer redelijk kon bewegen, had het nog maanden geduurd voordat hij een echte arts bereid gevonden had om zijn verscheurde uiterlijk op te lappen. Kosteloos. Hij zou nooit meer behoorlijk kunnen praten maar in elk geval toonbaar zijn. En dat hij nog bestond, had hij te danken aan de onbekende die zich destijds over hem ontfermd had. Het minste wat hij kon doen, was die man opzoeken om hem te bedanken en hem zijn diensten aan te bieden. Maar het was te laat. De man was niet meer te vinden. Zijn huis was verdwenen. Er ging een gerucht dat hij was bedreigd en daarom gevlucht. Of misschien zelfs vermoord. Hasan dacht er het zijne van.

   Op de afdeling plastische chirurgie van het ziekenhuis dat hij maandenlang bezocht had, maakte hij kennis met een anesthesiste die in Hasan een surrogaatzoon had gevonden. Ze had hem onder haar hoede genomen en zelfs een kamertje bij haar thuis geregeld. Hij had veel belangstelling getoond voor de ziekenhuisapparatuur en zelfs laten zien hoe een defect metertje op een van haar instrumenten kon worden gerepareerd. Maar meer nog ging zijn belangstelling uit naar de daadwerkelijke narcose, waarbij iemands besef van tijd leek te zijn uitgeschakeld. Al hield hij een dergelijke dwaze gedachte wijselijk voor zich.

   De narcosearts had gemerkt hoe geïnteresseerd de jongen in techniek was en ze vond dat hij een technische opleiding moest volgen. In diezelfde periode werd er op de afdeling gezichtscorrecties een cliënt behandeld die als ingenieur lesgaf op een Technische School. Met een veelbetekenende blik had ze de man kort voor zijn operatie verzocht om een goed woordje te doen voor Hasan. De ingenieur, die zijn flaporen liet behandelen in de hoop zo van zijn stotter af te komen, introduceerde de jongen met jubelende, zij het hakkelende, aanbevelingen bij de directeur van het IIT in Chennai (Madras) die zich lankmoedig toonde en zorgde voor een plekje op de campus.

   Zo had de banale uitbarsting van zinloos geweld voor Hasan toch een positief staartje. Eindelijk zag zijn toekomst er weer veelbelovend uit. Hij nam zich voor dat hij elk stukje kennis, hoe onbeduidend ook, zou opnemen en dat hij elk stukje techniek zou gaan beheersen. Vooral als die techniek iets met de tijd van doen had.

   Want tijdreizen zou er komen!

 

Maar zover was het nog lang niet. Bij zijn ontwaken voelde hij zich geradbraakt. Overal staken helse pijnen door zijn lijf en in zijn gezicht. Hij vermoedde dat de verdovende kruiden waren uitgewerkt. Hopelijk duurde hun genezende kracht voort.

   In gedachten zag hij de sadistische grijns van de roverhoofdman weer voor zich. Hij had het niet begrepen, had geen gevaar gezien. Daarom was hij ook niet weggehold. Hij kende de omgeving, er waren genoeg plekken geweest waar hij had kunnen schuilen. Door de bliksem getroffen terwijl het onweer nog moest komen. Dat zou hem nooit meer gebeuren, zoveel was zeker.

  

 

De Santa Maria, de Pinto en de Niña voeren aan het eind van de 15e eeuw onder bevel van Christoffel Columbus vanuit Palos in Spanje naar de Canarische eilanden. Welke dimensie in een ruimte-tijdcontinuüm wordt overbrugt, hangt niet zozeer af van het gebruikte instrument als wel van het betrokken zintuig. In de ogen van de Rooms Katholieke kerk waren optische hulpmiddelen het werk van Satan.

 

 

NAVIGATORIA

Godsdienstig fanatisme en de zucht naar geldelijk gewin

   

Halverwege de 15e  eeuw hadden Ottomaanse troepen het voormalige Byzantium veroverd en de Christelijke heersers in Europa werden steeds huiveriger voor de oprukkende islam. De gebruikelijke handelsroutes naar het Oosten werden geblokkeerd.

   Een fijnmazig netwerk van bloedbanden en politieke allianties omsloot grote delen van Europa. Zwervers en handelaren die het zo nauw niet namen met het bezit van anderen, werden gedwongen om zich te onderwerpen aan de lokale heersers of om zich aan te sluiten bij de talrijke roversbendes in de ruigere kontrijen.

   De situatie op zee was van een geheel andere aard.

   Koopvaardijschepen met ruimen vol waardevolle lading waren een gemakkelijke prooi voor hen die het navigeren meester waren. Jonge mannen die opgroeiden langs de kusten van de Middellandse Zee kozen niet zelden voor het ruime sop en sommigen van hen leerden daadwerkelijk een schip hoe ze een schip moesten besturen. Als zo iemand ook nog in staat was een juiste koers te varen en de bemanning onder de duim te houden, dan was zijn macht wellicht groter dan die van de aristocratie en landadel.

   

 

 

De drie karvelen hadden hun steven gewend naar Gelibolu, hun thuishaven aan de monding van de Zee van Marmara, aan het einde van de Hellespont.

   Voor de bemanning bestond er geen twijfel over de richting waarin zij hun nederigheid moesten betuigen. De Ka’ba in Mekka lag ruim tweeduizend kilometer in het zuidoosten en de jonge Muhiddin had, met behulp van het astrolabium – het juweel dat kapitein Ahmed koesterde als de meest waardevolle schat aan boord van zijn schip en dat hij aan zijn neefje had toevertrouwd – hen de juiste richting gewezen. Het neefje van de kapitein, als HIJ hem vertrouwde, konden zij dat ook.

   Schouder aan schouder hadden de mannen hun slaapkleedjes op het dek gedrapeerd en nu lagen ze geknield met hun hoofd in de richting van het stuurboord. Het gemurmel van de prevelende lippen overstemde het rammelen van het want en het zachte klapperen van de zeilen. Er was weinig wind en het vrijwel gladde oppervlak van de Mediterrane Zee weerspiegelde de schaars bewolkte hemel. Grenzeloos blauw.

   Het grootste van de drie schepen was vernoemd naar de Ottomaanse sultan Orhan en uitgerust met negen kanonnen achter afsluitbare geschutpoorten. De andere twee karvelen waren ouder en kleiner maar niet minder gevaarlijk. Ze waren de schrik van de volgeladen koopvaardijschepen die af en aan voeren langs de christelijke havens aan de noordelijke kusten van de Middellandse Zee.

   Vooral de Venetiaanse vloot had te lijden onder de berovingen door de Ottomaanse kapers. Het soevereine Venetië was de culturele en culinaire toegangspoort van West Europa, waarlangs de Helleense, Perzische en zelfs Indiase ingrediënten het continent binnenkwamen. De bestanddelen die zouden uitgroeien tot de smaakmakers van de christelijke renaissance (men moet er ernstig rekening mee houden dat Rafaels beschilderingen van de Sixtijnse kapel niet zouden hebben plaatsgevonden als Alexander de Grote nooit was doorgedrongen tot Arbil).

De meeste jongens die in de havenstad Gelibolu opgroeiden, voeren voor kortere of langere tijd het zeegat uit en werden ingewijd in de routines aan boord van een schip. Al naar gelang hun kwaliteiten en belangstelling konden ze in de leer bij de timmerman of helpen met het repareren van een zeil maar veel vaker werden ze ingezet voor gore klusjes om de ongewassen zeelui te gerieven. Voor de slimmeriken was het soms mogelijk om te leren navigeren. Zij konden zich bekwamen in vaardigheden die alleen ervaren zeelieden beheersten.

   Na het gebed repte Muhiddin zich naar de hut van zijn oom.

   Kapitein Ahmed, die schik had in de geestdrift van zijn neefje voor het zeemansleven, was beslist ervaren. Hij was nog jong van jaren maar hij had zijn sporen op zee volop verdiend. Aanvankelijk had hij op de Venetiaanse handelsschepen gevaren, die in vredestijd Gelibolu aandeden. Later, toen de relatie met Venetië minder vriendelijk was geworden, werd hij officier op de Ottomaanse kaperschepen. Hij had zich geregeld onderscheiden en geleidelijk aan een steeds groter gezag doen gelden. Nu was hij kapitein van een modern karveel met drie masten dat goed was uitgerust om een stevig gevecht aan te gaan. Als amir al-bahr (admiraal), voerde hij het bevel over honderden manschappen, verdeeld over drie schepen.

   Sinds het begin van de oorlog met Venetië in 1463 was het een ongeschreven wet dat hij de rijk beladen schepen van zijn vroegere werkgevers mocht veroveren. Persoonlijk zou hij er niet voor terugdeinzen om elk heidens schip van die christenhonden onmiddellijk de grond in te boren. Maar hij wist ook wel dat zoiets niet erg slim zou zijn. Eerst de lading veroveren en daarna pas het schip laten zinken. Dat voldeed beter aan de verwachtingen van zowel zijn bemanning als het thuisfront. Naar eervol islamitisch gebruik werd dán pas de onderworpen vijand met voldoende drijfhout overboord gezet.

 

De kajuit van zijn oom maakte elke keer weer grote indruk op Muhiddin die, net als de rest van de bemanning, geen eigen hut had. Hij was gewend om zowel tijdens zijn werk als bij het slapen te worden omringd door scheepsvolk. De cabine van zijn oom werd gevormd door waterdichte schotten die waren behangen met tapijten. De inrichting bestond voornamelijk uit dikke kussens en in de ogen van de jongen straalde het geheel een paradijselijke sfeer uit.

   Zijn oom zat, weggezakt tussen de met rode en blauwe motieven beschilderde geitenleren kussens, gebogen over de lage tafel voor hem. Het blad was bedekt met paperassen, schrijfgerei en enkele navigatie instrumenten. Hij was verdiept in het werk van de populaire dichter Ahmed Bican en dacht na over de metafoor van het schip dat, gedragen door het water, omlaag getrokken werd door datzelfde water, al werkten de mannen aan de pompen nog zo hard. Hij wees Muhiddin op de kussens tegenover hem en gebaarde dat hij moest gaan zitten. Met lichte tegenzin liet hij zijn filosofische overpeinzingen rusten om zich bezig te houden met zijn neefjes praktijkonderwijs.

   De afgelopen maanden had Muhiddin de maritieme lessen op het dek en in het want elke vijf dagen mogen afwisselen met een sessie in de kapiteinshut. De spirituele lessen van zijn oom moesten hem vertrouwd maken met het gebruik van het astrolabium en de diepzinnigheden uit de Koran. En al ontging hem meestal de diepere betekenis, hij genoot zichtbaar van de aandacht die zijn oom aan hem wijdde en de bevoorrechte positie die hij had. De meeste bemanningsleden kwamen nooit in dit vertrek. Zij moesten het doen met de bevelen van lager geplaatsten om een idee te krijgen van de verlangens en verwensingen van hun kapitein. Mogelijk droeg die ongenaakbaarheid juist bij aan hun respect voor zijn gezag.

   Die ochtend nam Ahmed Kemaleddin zijn neefje mee naar het dek om met hem de werking van het kompas door te nemen. Tussen de kussens en kleden had Muhiddin al kennis gemaakt met het instrument dat in het licht van de olielampen zo verrukkelijk glom, maar buiten in het zonlicht werd het pas echt een juweel. Hij had al geleerd hoe het instrument werd afgelezen en merkte dat de schepen nog steeds met de boeg naar zijn geboorteplaats gekeerd lagen.

   “Ik laat dadelijk de steven wenden om koers te maken naar Djerba. Daar kunnen we vers water en proviand inslaan. Als jij naast de stuurman gaat staan dan kun je met dit kompas de juiste richting aangeven. Zuidwest.”

   Ahmed leidde zijn neefje met een hand in zijn nek in de richting van het roer, ondertussen bevelen roepend.

   “Op het eiland weet ik een goede plek om de sterren te bekijken. Dan zal ik je laten zien hoe je met behulp van de hemelbol van al-Biruni het zenit van Mekka kunt vinden.”

   Oom Ahmed had grote bewondering voor het wetenschappelijk werk van Abu Raihan Biruni en hij was regelmatig verdiept in de Kitab Tahdid nihayat al-makin li-tashih masafat al-masakin, waarin een wiskundige uiteenzetting stond over het vaststellen van de geografische coördinaten om de richting van Mekka te kunnen bepalen.

 

 

Op de markt van Djerba was al grote bedrijvigheid zodat Muhiddin werd gewekt door het geschreeuw van de kooplui. Hij stond op van zijn strozak en verliet de kale ruimte die hij gedeeld had met bekende gezichten van het schip en mannen die hij nooit eerder gezien had. Het logement waar hij met zijn oom en enkele bemanningsleden de vorige avond weer eens vers vlees had gegeten, lag te midden van andere gebouwen en tenten aan een groot plein waar het zinderde van de activiteiten. Oom Ahmed was in geen velden of wegen te bekennen en Muhiddin vermoedde dat hij zich bij het strand bezig hield met het laden en lossen.

   Overal om hem heen hoorde Muhiddin vreemde talen spreken en zag hij mannen en vrouwen met heel andere lichaamskenmerken en klederdrachten dan hij gewend was. Hij herkende de donkere huid van de Noord Afrikaanse volken en de torenvormige hoeden van de Joden. Maar de beestachtige reuzen in kleurrijke gewaden en lange zwarte pierlala ’s met hun korte lendendoek had hij nooit eerder gezien. Hun verschijning benadrukte het uitheemse karakter van deze plek.

   Er liepen dromedarissen en ezeltjes, met handelswaar overladen, driftig geleid door kooplui op zoek naar de juiste kraam. Overal stonden geiten en hoenders samengepakt achter schotten, kennelijk bedoeld voor de verkoop. Kleden lagen uitgespreid op de grond en waren bedekt met knollen en peulvruchten en suikerbrood en manden met durumtarwe en allerlei soorten kruiden en zoetigheid. Meestal waren de verkopers in de weer met het verjagen van de onverschrokken makaken die grote kans liepen gedood en gevild te worden. Ze werden zelfs als smakelijk hapje te koop aangeboden.

   Bij een soort driesprong dromden nogal wat mannen bijeen rondom een verhoogd podium waarop een aantal naakte en aaneengeketende mannen stonden. Tot zijn verbazing zag Muhiddin zijn oom tussen de omstanders. Hij was in gesprek met de man naast hem die eenzelfde lange kapiteinstuniek en tulband droeg en ook in andere opzichten Muhiddin aan zijn oom deed denken.

   “Aha! Daar is mijn neefje,” riep oom Ahmed toen hij de jongen zag naderen.

   Hij stelde de man naast hem voor.

   “Dit is Yakup Aga, hij was vroeger ruiter maar nu is hij kaperkapitein van het schip dat naast de Orhan voor anker ligt. Ze hebben in het westen een op drift geraakte Portugees te pakken genomen en die christenslaven worden hier verkocht.”

   Hij sloeg zijn buurman glimlachend op de schouder. Omdat hij zag dat zijn neefje er nog steeds niets van begreep, vervolgde hij:

   “Ik heb er één gekocht. Niet omdat ik om manschappen verlegen zit, maar ik ken die man. We hebben ooit samen op hetzelfde schip gevaren. Kijk, daar komt hij.”

   Oom Ahmed wees naar de stevig gebouwde blanke man die geketend tussen twee jonge slavenhandelaren in hun richting werd geduwd. Wat Muhiddin onmiddellijk opviel waren zijn lange blonde haren en blauwe ogen en het zelfverzekerde charisma dat hij uitstraalde. Het gezicht van de man vertoonde een verbouwereerde grijns toen hij Ahmed Kemaleddin herkende.

   “Camali! God zij genadig.”

   “Laat God erbuiten, ongelovige.” Ahmed keek somber neer op zijn neefje.

   ”Net een heiden uit het Noorden, vind je niet? Zo’n Viking, als je de verhalen mag geloven”.

   En zich tot zijn nieuwe aankoop wendend:

   “Je mag me wel dankbaar zijn, Corombo, want je bent nu van mij. Ik neem je mee naar mijn schip.”

   Ze namen afscheid van Yakup en liepen naar het strand.

   “Allah is ons goed gezind dat Hij mijn oog geleid heeft naar een bekend gezicht. Hij mag dan een verkeerde God aanbidden, die christenslaaf heeft wel verstand van de zee. Hij is sterk, hij is slim en God weet wat hij waard is. Allahu akbar.

 

 

De heldere nacht bood onbelemmerd zicht op de sterrenhemel boven hun hoofd. Midscheeps probeerde Muhiddin met behulp van een graadstok te bepalen hoe hoog de poolster boven de horizon stond. Dat was lastig werk. Afgezien van de deining kon bij een onverwachte golfslag de stok zijn oog beschadigen en bovendien was er geen scherpe overgang tussen de zeespiegel en de hemelkoepel. Corombo stond naast hem en gaf hem instructies.

   “Je moet minsten tien metingen doen en die op je lei noteren. En dan neem je de waarde die precies tussen het hoogste en laagste getal staat. Je oom heeft je waarschijnlijk al uitgelegd dat je alle getallen moet optellen en delen door hun aantal, het zogenaamde gemiddelde. Maar dat is veel meer werk”.

   Ahmed had zijn slaaf, die hij aan boord als een vrij man behandelde, opdracht gegeven om zijn neefje te bekwamen in de plaatsbepaling op zee. Hij wist dat zijn vroegere varensgezel daar verstand van had en hij vermoedde dat Corombo’s vaardigheden de daarop volgende jaren op zee alleen maar waren toegenomen en verbeterd.

   “Voor de navigatie is nauwkeurig waarnemen is het allerbelangrijkste. Goed kijken en zorgvuldig noteren. Maak van alles wat je ziet gedetailleerde aantekeningen.”

   De sikkel van de wassende maan en de Avondster stonden inmiddels enkele uren na zonsondergang laag boven de westerse horizon. Muhiddin keek geboeid omhoog naar het overweldigende uitspansel.

   “Ik vraag mij af hoeveel werelden Allah daar gemaakt heeft voordat Hij de Aarde schiep.”

   “Wat klets je nou?” fronste Corombo, “iedereen weet toch dat God eerst de Aarde heeft geschapen en daarna pas de hemelen? Lees maar in de Bijbel!” Een beetje kribbig vervolgde hij:

   “Het zijn trouwens geen werelden maar bakens om de weg te wijzen aan dolende reizigers in de woestijn en zwervende zeelieden als wijzelf. Kijk dáár, in het westen staat mijn Leidster, Stella Maria. De moeder van Jezus wenkt en leidt ons naar de beloofde thuishaven.”

   Gemelijk antwoorde Muhiddin: “Mijn thuishaven ligt in het oosten.”

   Maar hij boog zich verward over zijn lei. Hoe kwam het toch dat de islamitische maan altijd op reis was in de richting van het onbekende in het westen en nooit eens terugkeerde naar Gelibolu?

   “Wat is het dat er lonkt in het westen, dat wij ons moeten laten leiden daarheen te reizen?”

   Hij vroeg het zonder Corombo aan te kijken. Er klonk twijfel door in zijn vraag. Corombo antwoorde geestdriftig:

   “In het westen liggen de schatten voor het opgraven! Goud en diamanten. Een gewiekste handelaar kan er een fortuin verdienen. Roem en rijkdom, dat is waar het in dit leven om gaat!”

   Dat moest de jongen even verwerken. Maar toen klaarde zijn gezicht op.

   “Dat is het! Allah wijst de richting waar liefdadigheid het meeste oplevert,” riep Muhiddin vol bewondering uit.

   “Liefdadigheid? M’n zolen,” mompelde Corombo. Glimlachend sprak hij tot Muhiddin:

   “Wie rijkdom heeft vergaard kan veel goeds doen. Een onnozele geeft het zomaar weg. Er is wijsheid nodig om goed te investeren en zuinigheid is een plicht.”

   Muhiddins gezicht betrok, de twijfel sloeg weer toe.

   Oplettendheid, was dat niet waar Corombo op gehamerd had? Goed kijken en de dingen nauwkeurig in je opnemen. Liefdadigheid was toch een plicht?

   Iets zei hem dat hij deze gedachtegang beter niet aan Corombo kon openbaren en hij besloot om de kwestie aan zijn oom voor te leggen.

 

 

Ahmed Kemaleddin was geschokt. In weerwil van zijn wijsgerige toewijding was de geestelijke ontwikkeling van zijn jonge bloedverwant ontaard in een heus geloofsconflict. Hij hoopte dat er slechts sprake was van gezonde twijfel die wel weer over zou gaan, maar zijn vermoeden dat Corombo’s drammerige zendingsdrang de aanleiding was geweest, maakte hem hels. Voor het geestelijk welzijn van zijn beschermeling – een rechtschapen en standvastig geloof in de enige ware God – stelde hij zichzelf verantwoordelijk. Hij moest zich bezinnen op een leerzame boetedoening. Hij meende dat de Hadith over straf en beloning hem de juiste koers zou wijzen:

 

Ware dankbaarheid wordt geput uit het besef welk vreselijk noodlot je bespaard blijft en de diepste spijt wordt ervaren in de wetenschap welke beloning je misloopt.

 

Hij ontbood de jongen in zijn indrukwekkende vertrek en sprak hem plechtig toe.

   “Je vader heeft je in vertrouwen aan mijn toezicht overgeleverd en hij zal het mij ernstig aanrekenen als bij terugkomst blijkt dat mijn maritieme leerschool je met heidense sympathieën heeft vervuld. Je hebt getwijfeld aan de zakat, een van de vijf zuilen van de islam. Als die twijfel is opgewekt door mijn christenslaaf dan toont dat aan dat ik niet streng genoeg geweest ben. De islam is de waarheid en het delen van je rijkdom met anderen een onverbiddelijke plicht.

   Zolang je ontkent dat je geloofstwijfel is opgewekt door de heidense opvattingen van Corombo, varen we terug naar Gelibolu. Natuurlijk zal ik die christenhond ook aan de tand voelen, maar als hij toegeeft, laat ik hem vrij en trek ik mijn handen van je af. Dan ga je terug naar huis.

   Maar als hij eveneens ontkent, zit er voor mij niets anders op om jullie allebei te laten tuchtigen. En je weet dat je zoiets aan boord van mijn schepen niet moet onderschatten.

   Zodra je echter toegeeft dat het weldegelijk Corombo’s ideeën waren die je deden twijfelen aan de islamitische waarden, dan zal ik mijn slaaf eigenhandig een kopje kleiner moeten maken als hij blijft ontkennen. Ik zal mij dan bovendien genoodzaakt zien meer aandacht te besteden aan je geestelijke opvoeding, maar daar zal je geen bezwaar tegen hebben, neem ik aan.”*

   Als je weet dat zowel Corombo als Muhiddin pas in de volgende eeuw overleden (resp. in 1506 en 1554) dan laat het zich raden welke beslissing Oom Ahmed uiteindelijk nam.

 

 

  

Ahmed Kemaleddin volgde een indrukwekkende loopbaan bij de Ottomaanse marine onder Sultan Bayezid II. In het begin van de jaren negentig in de vijftiende eeuw zette hij zich in voor de evacuatie van moslims en joden uit het Emiraat van Granada, het laatste Moorse koninkrijk op het Iberisch schiereiland. Door de reconquista ging de controle van dit gebied volledig over in handen van Ferdinand II en Isabella I, het katholieke koningspaar.

   Muhiddin Piri heeft vele jaren op de schepen van zijn oom gevaren en vervolgde daarna een carrière op zee als kapitein en admiraal. Hij schreef een van de beroemdste boeken over navigatie uit die tijd, de Kitab-i Bahriye, waarin tientallen nauwkeurige zeekaarten met belangwekkende aantekeningen waren opgenomen. In de twintigste eeuw werd hij wereldberoemd door de herontdekking van zijn wereldkaart, de kaart van Piri Re’is.

   Corombo herkreeg zijn vrijheid en monsterde aan bij verschillende handelsschepen die in westelijke richting koersten. Zijn charisma en bluf leverden hem spoedig weer een invloedrijke positie op in de handel tussen Portugal en de West Afrikaanse kust. Onder zijn Latijnse naam Christophorus Columbus zou hij blijvend naam maken als de ontdekker van Amerika.

 

 

Karvelen zijn snelle handelsschepen met een grote laadruimte. De hoofdmast is geplaatst waar het dek op zijn breedst is. In de middeleeuwen kwamen ze algemeen voor in het Middellandsezeegebied.

 

De havenstad Gelibolu (Gallipoli) ligt in het Europese deel van het  huidige Turkije aan het oostelijke uiteinde van de Dardanellen.

Volgens Islamitisch gebruik knielt men tijdens het gebed met het hoofd in de richting van de kubusvormige Kaäba in de Grote Moskee in Mekka. Muhiddins oom is Ahmed Kemaleddin, beter bekend als de Turkse piraat en Osmaanse admiraal Kemal Reis.

De Ottomaanse sultan Orhan Gazi regeerde van 1326 tot 1359 en legde de basis voor het latere Osmaanse Rijk dat de landen rondom de Zwarte Zee, de Rode Zee en het grootste deel van de Middellandse Zee zou omvatten.

Arbil is een van de grootste steden in het huidige Irak. Arba-Ilo was het religieuze centrum van het Perzische Rijk en vormt van oudsher een culturele schakel tussen Oost en West.

Ahmed Bican Yazıcıoğlu was een islamitisch geestelijke uit Gelibolu. Zijn bekendste werk heet Envârü’l-‘âşıkîn en bevat onder andere wijsgerige gedichten en historische gebeurtenissen.
Djerba is een eiland voor de kust van het huidige Tunesië. Het was in die tijd een belangrijk marktplaats, onder andere voor de handel van Christelijke slaven.
Abu Raihan Biruni was een Perzisch geleerde en tijdgenoot/collega van Avicenna (Ibn Sina) rond het jaar 1000.  Kitab Tahdid nihayat al-amakin li-tashih masafat al-masakin betekent letterlijk ‘Bepaling van de coördinaten van posities voor de correctie van de afstanden tussen steden’.
In de middeleeuwen was het voorgeschreven dat de Asjkenazim (Joden) een torenvormige hoed droegen.
Waarschijnlijk waren dit vertegenwoordigers van verschillende Afrikaanse volken zoals Hamieten en Masaï.
Yakup Aga was de vader van de16e eeuwse ‘Barbarossa’ kapers Oruç en Hızır. De laatste kreeg de bijnaam Roodbaard (Barbarossa)
Allahu akbar betekent ‘God is de grootste’.
Graadstok of Jacobsstaf is een meetinstrument dat bestaat uit een stok met schaalverdeling waarlangs een haaks geplaatste tweede stok kan schuiven. De hoofdstok wordt tegen het gezicht geplaatst om de elevatie van een ster te bepalen. De elevatie van de Poolster (Polaris, Stella Maria, Navigatoria) is tevens de breedtegraad.
Met de Avondster wordt de planeet Venus bedoeld.
De Hadith kan worden opgevat als een verzameling van uitspraken van de profeet Mohammed waarop het islamitisch recht (Sharia) is gebaseerd.
Volgens de zakat zijn moslims verplicht een rechtvaardige verdeling van goederen na te streven.
Wat Ahmed Kemaleddin hier doet, is zijn neefje, en later zijn slaaf, confronteren met het gevangendilemma, een begrip uit de speltheorie. De vragensteller gaat het niet zozeer om de absolute waarheid boven tafel te krijgen, maar om een optimale strategie uit te lokken. De ondervraagde wordt gedwongen zich te bezinnen op zijn bestaan.

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Klaus Brinkbäumer, e.a. De laatste reis van Columbus. Manteau, 2005

Hans Hooijmaijers. Tussen hemel en horizon. Hollandia 2011

Sjoerd de Meer. Het zeekaartenboek. Walburg Pers, 2007

Joos Vermeulen. Sultans, slaven en renegaten. Acco, 2001

 

 

BOERTIGE BALLONNEN VOL GEBLAZEN LUCHT

VROLIJKE MEMBRANEN TUSSEN DROOM EN WERKELIJKHEID

IS DE WAARHEID BINNEN? IS DE WAARHEID BUITEN?

 WAT IS VERZONNEN? WAT IS FEIT?

 

 

 

 

 

 

 

DE ONDERSTEBOVEN BERG*

Geloof in wetenschap of wetenschappelijk geloof

 

Kleine oorzaken hebben soms grote gevolgen (chaostheorie) en grote zaken kunnen zonder het kleine helemaal niet ontstaan (emergentietheorie). Volgens die laatste opvatting is onze wereld ooit begonnen in een primordiaal beginpunt en heeft zich laag voor laag verder ontwikkeld. De eerste lagen zijn bekend als de hypothetische ontwikkelingsfasen van het uitdijende heelal (inflatie, afkoeling en samenklontering in een fractie van een seconde), het ontstaan van de lichte atomen na een paar honderdduizend jaar, stervorming en hun vernietiging waardoor het ontstaan grote moleculen, planeetvorming, ontstaan van leven, eerst fragmentarisch en microbieel, later meercellig inclusief afweer, daarna staten- en netwerkvorming. Al die lagen zijn emergente verschijningen, bestaan bij gratie van de onderliggende éenvoudiger’ lage waaruit ze zijn opgebouwd. Het geheel vormt een kleine 14 miljard jaar oud bouwwerk dat langs een verticale tijd-as als een ondersteboven berg kan worden voorgesteld.
                                                                                                   
 

  

 

Mijn academisch gevormde collegae begrijpen niets van mijn geloof. Ware ik agnost of atheïst dan zouden ze het nog wel snappen (al zijn de meesten het daarmee oneens). Maar mijn afwijzing van God en van elke religieuze boodschap gaat zelfs de meeste evolutionisten te ver. Want in de grond zijn ook zij gelovigen, vaak zelfs in deïstische zin. Mijn geloof heeft echter betrekking op het bestaan zelf. Ik geloof in het emergente bestaan. De ondersteboven berg.

 

 

Kenmerkend voor de denkende mens is het verlangen om de wereld te kennen. De wereld rondom en de wereld vanbinnen. De wereld van het grote en van het kleine. De wereld van vroeger en in het verschiet. De waarneembare en onzichtbare wereld.

   In die laatste, wellicht grootste wereld, zijn we volledig op ons verstand aangewezen. Het is de wereld van de ratio en die schiet soms tekort. Gelukkig biedt onze fantasie dan uitkomst met mooie, niet verifieerbare maar beloftevolle verhalen. De onzichtbare wereld omvat namelijk niet alleen de oorsprong maar ook het einddoel.

   Het scheppingsverhaal voorziet in een behoefte om de oorsprong te kennen. De resterende religieuze boodschap (het leeuwendeel) gaat over de vraag waarom we er eigenlijk zijn, de zin van het bestaan (het doel dus). Om te scoren moet je in een god geloven.

   Met overweldigende suprematie heeft de mensheid haar lot toevertrouwd in handen van een imaginair wezen dat buiten de werkelijkheid staat maar er ‘echt wel’ is. De Waarheid.

    In het voorlijke Europa begonnen sommige ‘verlichte’ denkers in de 19e eeuw aan die waarheid te twijfelen en hun gedachtegoed heeft zich over een vrij groot deel van de mensheid verspreid. Toch is nog zeker 90% van de wereldbevolking geneigd om te vertrouwen op een ‘hoger’ wezen en het bestaan van een hiernamaals onder het mom ‘wat heeft het anders allemaal voor zin?’ Dat die zin ook inherent aan het bestaan zelf kan zijn, bestaat alleen in de gedachten van hen die er verder geen woord aan vuil willen maken. De zin van het bestaan is het bestaan. Over en uit.

 

We hebben de neiging om de bron van onbekende natuurverschijnselen toe te kennen aan wezens die iets van ons willen. De gewekte argwaan heeft zich als overlevingsstrategie evolutionair ontwikkeld van aanvankelijke schuilplaats tot onderzoekslaboratorium. Het uitwisselen van informatie heeft onze nieuwsgierigheid enorm geprikkeld. De hardgrondige motivatie om de wereld te kennen, richt zich ook op het innerlijk, het IK. Dat kan leiden tot mystieke visioenen van een alomtegenwoordig wezen dat wordt gezien als de bron van alles, als de almachtige Schepper. Door het uitdragen van de particuliere beleving verspreidt het religieuze vuur zich weldadig over de sociale groep.

 

Evolutionisten wordt niet zelden verweten dat ze God overbodig hebben gemaakt. In tegenstelling tot de Joodse en Islamitische religies staat het Christendom vrij tolerant tegenover evolutie, zowel van het leven op aarde als in de kosmos. Het Vaticaan acht de oerknaltheorie wetenschappelijk aanvaardbaar en de langdurige ontstaansgeschiedenis van hedendaagse organismen uit een oersoep wordt alleen nog door Bijbelvaste Creationisten bestreden.

   Evolutietheorieën worden in kerkelijke kring beschouwd als wetenschappelijke interpretaties van de werkelijkheid en die behoren tot een andere (denk)categorie dan de godsdienstige interpretaties. Evolutie en Schepping kunnen best naast elkaar bestaan als we beseffen dat ze tot verschillende denkdivisies behoren.1

   Niet iedereen is het met deze polderopvatting eens (ooit bedacht door katholieke jezuïeten met een hang naar wiskunde en filosofisch naturalisme). Wiskunde, tegenwoordig onderdeel van de exacte wetenschappen, heeft lange tijd de status gehad van een filosofisch systeem dat, net als de kabbala, inzicht zou verschaffen in de aard van God. Alles wat men nodig heeft is toewijding en verstand. Als na de renaissance het empirische experiment steeds meer veld wint, blijkt de wiskundige formulering onontbeerlijk voor het voorspellende karakter dat experimenteren tot wetenschap verheft. De wiskundige ‘taal’ is universeel, objectief en nauwkeurig zodat uiteenlopende disciplines zonder mankeren informatie kunnen uitwisselen. Theoretisch tot stand gekomen voorspellingen kunnen via die wiskundige ‘taal’ door waarneming of experiment op juistheid gecontroleerd worden. Bijbelse profeten en goddelijke boodschappers moet je, daarentegen, op hun woord geloven.

   Onder wiskundig ingestelde geesten is vóór de Verlichting nauwelijks sprake van atheïsme. In de vorige eeuw neemt het aantal seculiere humanisten onder hen sterk toe maar velen volharden in hun geloof in God. De wiskundige Gödel meent zelfs met zijn onvolledigheidsstellingen het bestaan van God te hebben aangetoond.

   Nog steeds houdt menig exacte wetenschapper halsstarrig vast aan zijn of haar geloof in God. Met concepten als ‘God van de gaten’ en ‘Intelligent ontwerp’ wordt de moderne wetenschap verbonden met het klassieke godsgeloof. Dat komt niet doordat wetenschappelijke verklaringen tekortschieten of atheïsme wordt geassocieerd met immoraliteit, maar door een gebrek aan fantasie. Deïsten kunnen geen voorstelling maken van iets waarvan zij zich geen voorstelling kunnen maken en noemen het dan maar God. Hun God is een beetje (maar niet precies) als de kristallen bol waarin de waarzegger een toekomstig tafereel waarneemt. Het blijft een persoonlijke projectie van nieuwe kennis, vroege herinneringen en immaterieel erfgoed. Probeer daar maar eens een niet-goddelijke boodschap van te maken.

 

Uit het tweespleten experiment, waarbij elektronen zich als deeltje of als golf presenteren, kan men concluderen dat ze hun omgeving ‘kennen’ en weten wanneer ze zich als golf dan wel als deeltje moeten gedragen. Volgens de wiskunde van de kwantumfysica beperkt de golffunctie van een deeltje – dus zijn ‘kennis’ van de werkelijkheid – zich niet tot zijn directe omgeving maar is ‘non-lokaal’, d.w.z. betrokken op de werkelijkheid als geheel. Het betreft hier ‘verstrengelde’ kwantumdeeltjes die op ver uit elkaar gelegen plaatsen elkaar toch beïnvloeden. Deze ‘spookachtige werking op afstand’ is voer voor go(e)dgelovigen.2

 

De vraag valt niet te beantwoorden of de wereld (mens, leven, universum) is geschapen dan wel het resultaat van evolutie is. Zij die in Schepping geloven verwijzen naar de Heilige Schrift en evolutionisten beroepen zich op de talrijke naturalistische aanwijzingen. Toegegeven, de laatsten bestaan ‘slechts’ uit waarnemingen, experimenteel bewijs is niet voorhanden. Dat is voor veel kritische geesten aanleiding geweest om zich als agnost te presenteren: het valt eenvoudig niet te bewijzen of God wel of niet bestaat.

   Typisch de houding van iemand die geen keus kan maken tussen, wat mij betreft, twee gelijkwaardige visies. Alsof het om een politieke coalitie gaat waarbij men rekening moet houden met de gehele samenleving. Alsof het geloof in God géén particuliere aangelegenheid is, alsof wat jij gelooft een ander wat aangaat. Dat academisch onderlegde evolutionisten toegeven dat er misschien toch een God is, vind ik een lafhartig standpunt dat zichzelf ondergraaft: waarom zou je in evolutie geloven als er toch een God is?

   God is vaak een excuus. Niet zozeer als lapmiddel om zaken die niet te begrijpen zijn toch een plaats te kunnen geven, maar als strohalm om uiting te geven aan het verlangen naar een soort sluitende begroting, met behulp van een transcendente kracht die aan alles ten grondslag zou liggen. Dit is gewoon een kwestie van semantiek; of je het God of Iets noemt, komt op hetzelfde neer.

 

Het verlangen naar God is het gevolg van een diepe behoefte om deel uit te maken van een groep en tegelijkertijd het eigen IK (de ziel?) te ontdekken. In esoterisch opzicht wil men ergens bij horen (ingewijd worden) en in exoterische zin blijft men individueel investeren in de eigen identiteit. Als dat zelfonderzoek tot een logisch stappenplan leidt, kunnen anderen daar zelfs inspiratie uit putten. In de kern is het verschil tussen geloof en wetenschap niets anders dan het verschil tussen de groep en de enkeling en louter het gevolg van onze neiging tot conformisme.

 

Bij herhaling ontstaan er zaken die voordien volslagen onbekend waren. Ter verduidelijking een recent voorbeeld uit onze culturele geschiedenis: de impact van de sociale media. Een halve eeuw geleden niet alleen onbestaanbaar maar ook onvoorstelbaar. In de toekomst zal het lijken of dat verschijnsel ooit uit het niets tevoorschijn kwam, een zogenaamd emergent verschijnsel. Een beter voorbeeld is wellicht het schrift. Nu vanzelfsprekend en onmisbaar maar ooit een verborgen potentie.

   Nu terugkijkend in een ver verleden kunnen we verschillende van dergelijke momenten noemen: het ontstaan van de mens (uit dieren); het ontstaan van meercellige organismen (uit ééncelligen); het ontstaan van replicatie (uit abiotische moleculen). Dat laatste is essentieel voor het ontstaan van leven en hoeft maar één keer te zijn gebeurd (met één bepaalde combinatie van factoren op één plaats op aarde), waarna het zich als een kettingreactie over onze planeet verspreid kan hebben.

   Emergente verschijnselen lijken uit het niets op te duiken om zich vervolgens als een olievlek te verspreiden. Na hun ‘pop-up’ vindt een zichzelf versterkende expansie plaats. Een grafische weergave van die verspreiding in de tijd zou eruitzien als een bergwortel (een verdikking van de aardkorst onder een berg om het wegzakken in de viskeuze mantel te voorkomen): de afgeplatte vorm van een omgekeerde berg.

   Overeenkomst met de oerknal en inflatietheorie is niet toevallig. De ruimte zelf is een emergent verschijnsel, een opwelling uit de alomtegenwoordige en eindeloze oceaan van qubits (minuscule eenheden van kwantuminformatie) waaruit ons universum is voortgekomen. Natuurlijk valt dat (nog) niet te falsificeren (net zo min als het geloof in God), maar schraging van een theorie door wiskundige afleiding wekt meer vertrouwen dan haar bevestiging in oude geschriften.

   Helaas, de esoterische zweepslagen van Pythagorische numerologen en Euclidische taoïsten zijn nog levendig te horen. Anderzijds is het ook niet zo dat een wiskundige onderbouwing automatisch betekent dat de propositie van een theorie juist is. Wiskunde levert slechts een verificatie op van de metingen. Met de notaties F(t) = F0 + wt en r’= r – Vt had Galilei kunnen aantonen dat de aarde om de zon draait maar evengoed had hij het toenmalige geocentrische wereldbeeld van de kerk ermee kunnen bevestigen. Dank zij het literaire ontzag voor bèta is de rotatieformule voor de meeste mensen echter even onleesbaar als bladmuziek.

 

Wereldreligies als Christendom en Islam zijn onveranderlijk en onaantastbaar. Twee kenmerken die voor de wetenschap dodelijk zijn. Aan elke bewering moet worden getwijfeld en iedere stelling moet door iedereen telkens opnieuw kunnen worden getoetst en eventueel worden verworpen. Het wetenschappelijk bouwwerk is voortdurend aan verandering onderhevig. Onder gelovigen roept deze verandering een collectieve doodsangst op. Aan de beginselen van het geloof valt niet te tornen, die zijn, oh ironie, al eeuwen geleden vastgelegd. Het wereldbeeld van de onveranderlijkheid biedt een schuilplaats, benauwend maar beschermend tegelijkertijd. Verandering  daarentegen weerspiegelt een soort vrijheid maar maakt ook kwetsbaar en onzeker. Deze overdrachtelijke claustrofobie versus agorafobie ligt wellicht ten grondslag aan de scheiding der geesten.

 

De ethiek of moraliteitsleer is een afdeling van de wijsbegeerte waarin wordt nagedacht over ons handelen (gedrag). Daarin staat de vraag centraal wat de ‘norm’ is, de zedelijke toetssteen van dat handelen. Gaat het om het doel (utilitarisme) of om de middelen (deontologie)? Wie bepaalt de norm? 

   Van oudsher veronderstelt men dat het bestaan van God o.i.d. een vereiste is om het verschil tussen goed en kwaad te kunnen onderscheiden. Dat er zo’n verschil bestaat wordt zwijgend aangenomen. Wat de één goed noemt ervaren anderen als nadelig. Goed en kwaad zijn uitwisselbaar. Ze ontberen een objectief bestaansrecht. Met andere woorden, het verschil tussen goed en kwaad wordt bepaald door ideologie.

   De zedelijke toetssteen is uiteindelijk de dood, waarbij men in het midden laat om wiens dood het dan gaat. Van het individu of van de groep? Of van een andere groep? De mensheid? Het leven? Het heelal?

   Het emergente universum borrelt op als een fontein waarvan uit elke druppel opnieuw een fontein opborrelt, level na level. Een gyroscopisch acrobatenbouwwerk waar geen gravitatie vat op heeft. Een ijsfontein, spottend met evenwicht. Steeds hoger, steeds breder.

   De ondersteboven berg.

   De ontologie of zijnsleer is een afdeling van de wijsbegeerte waarin wordt nagedacht over het bestaan (het zijnde). Een ontologisch argument is een logische redenatie voor het bestaan van God. Volgens het ontologisch argument van Alvin Plantinga, een van de meest vooraanstaande verdedigers van het Christendom, is God een oneindig groot wezen dat in elk denkbare wereld maximale uitmuntendheid bezit.3 Aan een dergelijk allesomvattend begrip kun je evenwel elk (on)denkbaar attribuut toekennen, waardoor het geen enkele betekenis meer heeft. Bovendien zou een oneindig groot wezen in elk denkbare wereld tegelijkertijd ook oneindig klein moeten zijn. Is dat in logische zin nog wel samenhangend?

   Mijn ontologisch argument is dat ‘het bestaan’ zowel een ‘zijnde’ is als een eigenschap van dat ‘zijnde’, namelijk ‘zin’. Het emergente bestaan is dus eigenlijk een pleonasme. Niettemin noem ik het zo om de zingeving ervan te benadrukken: de zin van het bestaan is het bestaan. Zin is een emergente eigenschap van Zijn.

   De vraag ´wat is de zin van het bestaan´ is een zinloze vraag. Toch heeft iedereen zijn of haar eigen zedelijke toetssteen, ongeacht of men in een hiernamaals gelooft of in niets. Dat geloof is echter net zo intiem als het sterven zelf. Net zo min als je de dood met anderen wenst te delen, behoor je je geloof te delen. Je geloof behoort uitsluitend jou toe.

   Voor Christenen en Moslims, Joden en Hindoestanen, Humanisten, Boeddhisten of welke levensbeschouwing ook, is dit de omgekeerde wereld: je belijdt je geloof toch met gelijkgezinden? Wie het onderscheid tussen goed en kwaad ontkent, zoals bijvoorbeeld Joel Marks in Ethics without Morals (2014; helaas alleen Engelstalig), wordt door collectieve gelovigen het liefst ondersteboven opgehangen.

 

Wat is de zin van het bestaan? Wie ben IK en waarom? Hoe dichterbij, hoe ongrijpbaarder: de eigen Zelf, het IK. Een minuscuul partje van het universum en tegelijkertijd allesomvattend. Ondoorgrondelijk en universeel, zichzelf herhalend tot in het oneindige. De religieuze ervaring die deze afdaling naar de ziel bij velen opwekt, is een persoonlijke beleving die per definitie niet met anderen gedeeld kan worden. In tegenstelling tot de wetenschappelijke (naturalistische) waarneming, die juist door anderen op dezelfde objectieve wijze moet plaatsvinden om aanvaard te kunnen worden.

 

Ik heb geprobeerd duidelijk te maken waarin ik geloof, namelijk dat transcendentie en immanentie van een zodanige particuliere spiritualiteit getuigen dat je ze met niemand hoort te delen. Dat is duidelijk in strijd met elkaar. Als ik werkelijk geloof wat ik zeg, zou ik het niet zeggen of wat ik zeg is niet wat ik geloof. Hoe zit dat?

   Het delen van een gedachte is niet hetzelfde als iemand overtuigen van de waarheid. Het eerste behoort tot het domein van geloofsvrijheid, het tweede is een aspect van werving (en wat dies meer zij). Iemand opzadelen met jouw (onbewezen) ideeën ontneemt de ander weer een sprankje twijfel. Voor de meeste mensen klinkt dat juist positief maar twijfel is het voorportaal van geestelijke groei en inzicht en dat kan maar beter voldoende ruimte hebben om andere gedachten toe te laten*.

   Kunst en wetenschap zouden zonder twijfel geen ontwikkeling kennen. Impressionisten, symbolisten en abstracten zouden nooit bestaan hebben. Het wetenschappelijk denken zou zijn blijven steken in het bijgeloof en vooroordeel van vóór het empirisme in de renaissance. Een bedenkelijk lichtpuntje: er zou niemand meer zijn om zich zorgen te maken over klimaatsveranderingen. Twijfel is het hoogste goed van de intellectuele mens. Dubito, ergo cogito.

 

 

Het beeld van ‘de ondersteboven berg’ is gebaseerd op het model van de hiërarchische complexiteit: de werkelijkheid als ontwikkelingsproces begint met een singulariteit en dijt uit via immateriële, materiële, biotische en spirituele ‘lagen’ met een toenemende uitgebreidheid omdat ze eenvoudig onbestaanbaar zijn zonder de onderliggende niveaus. Het is een feitelijke uitbreiding van de oude fylogenetische stambomen van het leven, met dien verstande dat overal in het universum biotische ontwikkeling plaatsvindt.

   Voor meer informatie:

   Hubert van Belle. Modellen van de gelaagde werkelijkheid: http://www.vub.ac.be/CLEA/dissemination/groups-archive/vzw_worldviews/publications/vanbelle-werkelijkheid.html

   Jan van der Veken. Nieuwheid denken. Uitgeverij Acco, 2008

   André de Vries. De emergentie en evolutie van drie werelden. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen, 2009: http://www.rug.nl/research/portal/files/14636643/10_thesis.pdf

 

 

Voor uitgebreide Nederlandstalige informatie over de historische relatie tussen geloof en wetenschap, zie:

www.kuleuven.be/thomas/page/geloof-en-wetenschap/

  Anselm en Michael Grün, God en kwantumfysica: Twee kanten van dezelfde medaille, Altiora Averbode 2016.

Alvin Plantinga. Het echte conflict. Wetenschap, religie en naturalisme. Buijten en Schipperheijn, 2014.

In relatie tot/met anderen kan de twijfel over het eigen libido, het gebrek aan zelfvertrouwen en ongelijkwaardigheidsgevoel er toe leiden dat men zich ongelukkig voelt. Zie over deze relationele twijfel bijvoorbeeld:

http://www.psychologisch.nu/content/wanneer-twijfel-de-liefde-bedreigt

 

 

 

 

  L & B PLAT                    LEUGEN EN BEDROG

 

 

Elk weldenkend mens zal het beamen, we worden belazerd waar we bij staan. 

 

Altijd gedacht dat de aarde rond was en nu blijken we massaal te zijn voorgelogen. Onze planeet is namelijk zo plat als een dubbeltje, precies zoals God het gewild heeft. Rondom wordt de pannenkoek omgeven door een muur van ijs en daarachter rijst de hemelkoepel op, waarvan we soms een spiegeling bespeuren middels een zonnehalo of een regenboog.

   Geen vliegroutes over de zuidpool, geen landing op de maan, geen kolonisatie van mars. Hand in hand met Hollywood hebben ruimtevaartinstanties als NASA en ESA ons decennialang bedrogen en bedonderd.

   Soms vindt men scherven van de hemelkoepel, hard als diamant. Ze zijn hooguit een paar duizend jaar oud, net als de fossielen. Overblijfselen van de zondvloed. Evolutie is een zionistisch verzinsel om het ware geloof in diskrediet te brengen.

   Ook zwaartekracht is zo’n zeepbel, die nota bene door wetenschappers zélf wordt stuk geschoten. De zogenaamde fundamentele kracht is een illusie, een thermodynamisch neveneffect van krachten op kwantumniveau. Wij vallen niet naar beneden maar worden door de aardschijf omhooggeduwd. Door donkere energie van onderen.

   Door openbaring van de waarheid te bestempelen als een argwanende complottheorie pleegt de wetenschappelijke elite precies het soort fraude waarvan ze de weldenkende mensen beschuldigt. Maar jij weet wel beter. Je opent je ogen en kijkt om je heen. De wereld is precies zoals je hem ziet: plat!

 

 

Bron: https://www.youtube.com/watch?v=i0KB4xQ7Yec

 

 

El Instituto 6           ADDERWINDE

 

 

 

Margaret (Margarita) Meiggs behoorde tot een van de rijkste families van Peru in de tweede helft van de 19e eeuw. Er bestond een duistere verwantschap tussen haar familie en het imperium van de gebroeders Grace, diplomatieke zakenlui, door de Ierse hongersnood verdreven uit hun vaderland en op zoek gegaan naar een beter bestaan in Zuid Amerika. In Lima hadden ze uiteindelijk hun bestemming gevonden.

   Opgegroeid in de beschermde omgeving van haar vaders uitgestrekte haciënda was ze niets tekort gekomen en had ze het vanzelfsprekend gevonden dat iedereen voor haar klaar stond. Ze was verwend maar dat kon ze goed maskeren. Rokkenjagers zaten achter haar aan omdat ze, ondanks haar gehavende handen, een mooi meisje was. En dat wist ze. Ze wist ook dat eerbare echtgenoten op haar gesteld waren omdat ze voorkomend, meelevend en lieftallig was. Jongelui liepen met haar weg vanwege haar tomeloze energie en oude mannetjes genoten van haar opgewekte charme. Ze joeg velen het hoofd op hol, sommigen meer dan anderen, af en toe met fatale gevolgen.

   Wat echter niemand bevroedde, wat ze aan niemand liet merken, was haar heimelijke angst voor de toekomst. Een soort innerlijk smeulen. Ze was bang dat het vuur vanbinnen ooit zou oplaaien en of het zuiverend dan wel verzengend zou zijn, zou nog moeten blijken. Ze was er niet gerust op.

   Andere meisjes van haar leeftijd en maatschappelijke positie zouden in die geestestoestand waarschijnlijk toetreden tot een kloostergemeenschap, in de hoop door meditatie en gebed hun eigen lot in goede banen te leiden. Zo niet Margarita. Ze vond dat een zielig soort vluchtgedrag dat ze veroordeelde. Ze beschouwde het als een poging om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen en de status quo te gedogen. Bidden kon altijd nog. Zij was meer gebaad met iets concreets, zo meende ze, pedant als ze was.

 

Terwijl ze in de brandende zon de zilte zeelucht opsnoof, voelde ze opnieuw de greep van een onontkoombare drift. De vissersbootjes in de baai van Callao vervulden haar met een vreemd mengsel van verlangen en zwaarmoedigheid.

   Ze had haar blik van het eiland afgewend en keek naar de bedrijvigheid op het water. Het enthousiasme waarmee een visvrouw met een wuivend gebaar haar waar aanprees, vestigde een ogenblik Margarita’s aandacht op de kramen langs de kade. Ze was slim genoeg om te beseffen, dat, ondanks alle vriendelijke woorden en goede bedoelingen, er voor de oorspronkelijke bevolking, voor de mensen bij wie de kolonisten zogezegd te gast waren, weinig hoop in het verschiet lag. Het was haar niet ontgaan dat de lokale bevolking het steeds moeilijker kreeg onder het juk van haar eigen familie.

   Terwijl het henzelf juist steeds meer voor de wind ging.

   Ze wende haar gezicht weer naar de zee. Haar blik zocht en vond, voorbij de vele schepen die in de haven en voor de kust lagen, opnieuw het eiland San Lorenzo, waar ze jaren geleden met haar familie had gepicknickt. Ze had genoten, die dag. Het ongerepte eiland herinnerde haar aan een puurheid die in haar beleving op het vaste land voortdurend werd bezwangerd met koloniale schuldgevoelens en hedonisme. Het eiland was haar graal.

   Het bevreemde haar dat ze er nooit meer was geweest. Dat zou ze toch weer eens moeten doen. Gelijk vroeg ze zich af hoe het mogelijk was dat ze zich zojuist nog het lot van de Indianen had aangetrokken en nu alweer bezig was met plannetjes voor haar eigen genoegens.

   Plotseling klonk achter haar rug een bekende stem die haar licht deed huiveren.

   “Señorita Miguez, wat een geweldig genoegen u hier te treffen.” De jongeman had zich met gebogen knieën en uitgespreide armen als een baltsende hoendervogel achterovergebogen en terwijl Margarita zich met een quasi verbaasde glimlach omdraaide, keek hij hoopvol naar haar op. Alfredo Mussganz maakte haar al jaren het hof en al was hij niet bijster snugger, volharding kon hem niet worden ontzegd. Het lag ook niet in de lijn der verwachting dat Margarita ineens onaardig zou zijn. Alfredo’s rare gewoonte om haar naam te verspaansen ergerde haar, maar dat was nog geen aanleiding om hem te negeren. Tenslotte noemde ook niemand haar Margaret. Was Miguez trouwens niet de achternaam van Estra, haar liefdevolle kinderjuffrouw?

   “Alfredo! Ik had jou hier op de markt niet verwacht. Zullen we samen verder lopen?”

    Ze had het niet kunnen laten om licht spottend te verwijzen naar zijn minachting voor het plebs maar het leek haar verstandig om dat onmiddellijk te laten volgen door een uitnodiging. De bloedrode bloem in Alfredo’s revers was veel te groot, bescheidenheid behoorde niet tot zijn deugden. In deze omgeving die gedomineerd werd door visafslag, havenvertier en zeestrijdkrachten, wilde hij duidelijk kenbaar maken dat hij als gefortuneerde landjonker met de juiste egards bejegend wenste te worden. Margarita stak haar arm door de zijne en trok hem zachtjes mee in de richting van een vishal.

   “Ik heb ontzettende zin in sardines. Zullen we daar wat halen?”

   Alfredo’s ontzetting was voelbaar en ze begreep dat ze ver genoeg was gegaan met haar plagerij.

   "Of wil je mij liever thuisbrengen?" Haar vraag werd opgevat als een verzoek en opgelucht verklaarde Alfredo zijn aanwezigheid.

   "Ik heb zojuist een bespreking gehad op het hoofdkwartier van de marine. Ik zag U hier staan. Het is mij een eer om U thuis te brengen. Mijn sjees staat verderop."

   Hij leidde haar in de richting waar ze zijn vervoermiddel vermoedde. Margarita liet zich gewillig meevoeren, met haar gedachten ondertussen bij heel andere zaken. Het kostte haar geen moeite om zich geestelijk bezig te houden met zaken die haar echt interesseerden en tegelijkertijd de onderhoudend bedoelde woorden van haar aanbidder met onderdanige glimlachjes te beantwoorden. De voorstelling in haar hoofd werd steeds duidelijker nu ze besloten had dat het eiland waarnaar ze zojuist nog had staan uitkijken een hoofdrol zou gaan spelen. Ze moest het er maar eens met haar vader over hebben.

   Haar vader. Levensgenieter, scharrelaar. Deed iets met bielzen en rails. Hij wekte in haar een spagaat aan gevoelens op. Ze was trots op zijn geestdriftige ondernemingszin en benijdde hem om het gemak waarmee hij anderen kon overtuigen van zijn gelijk. Zijn gedachteloze investeringen in landroof en uitbuiting ergerden haar. Ze verfoeide het gemak waarmee hij ‘zinloze’ emoties negeerde, zoals verdriet, schaamte en spijt. Ze bewonderde zijn hardheid en haatte zijn onverschilligheid. Hij gaf haar de kriebels.

   Maar ze dankte aan hem wel haar luxe leventje.

   Met een half oor luisterde ze naar het onbeduidende gebabbel van haar chaperon. Hij had het over de tijdrovende organisatie die het brandmerken van het vee met zich meebracht. Ze vroeg zich af of hij haar handen, of wat er van over was, wel eens had gezien. Haar linkerhand was zodanig aangetast dat hij gedeeltelijk geamputeerd had moeten worden, de brandwonden aan haar rechterhand waren minder ernstig geweest, maar toch…

   Haar gedachten gingen onwillekeurig terug naar de nachtmerrie … haar graaiende handen om haar zusje te redden uit de vlammenzee … Het ogenblik, in haar geheugen gegrift, als het eindelijk lukt. De angstdromen die haar ’s nachts folteren met het beeld van een half gesmolten gezichtje, als van een gebruikte sierkaars, met een begin van verkoling… Haar handen voelt ze niet. Zelfs haar gevoel voelt ze niet. Alleen afschuw.

   “Daar staat-ie.” Alfredo gebaarde naar zijn rijtuigje en Margarita besefte dat ze een fractie van een seconde zijn aanwezigheid was vergeten. Ze gunde Alfredo een dankbare glimlach en liet zich door hem helpen plaats te nemen. Daarbij moest ze haar handen gebruiken maar haar hoffelijke begeleider liet niets merken. Ze vermoedde dat Alfredo haar handen niet eens gezien had, zo was hij opgegaan in zijn galanterie.

 

De misvormingen waren menig vrijer een doorn in het oog geweest. Of de streling van die vogelpootjes hen tegenstond of dat een liefdevol huishouden met zulke klauwtjes ondenkbaar was, wat er ook in hen omging, zij hadden haar daarna gemeden.

   Dat de meeste jongelui haar links lieten liggen, vond ze niet echt leuk. Wat ze erger vond, was dat haar verminking werd gebagatelliseerd. Zo als die knappe Amerikaan (op wie zij echt verliefd was geweest) zich had uitgesloofd om te doen alsof ze niets mankeerde. Hij was een man van de wereld, hij zou wel zorgen voor een paar nieuwe (handen), hij kende een specialist in de States…

   Omdat hij echt om haar leek te geven, had ze zich aan hem gegeven. Hij op zijn beurt werd gekweld door het idee dat ze hem nooit zou vergeven als hij haar ontrouw was. De inspanning die het hem kostte om zijn hartstocht te beheersen, greep hem echter sterker aan dan hij had voorzien: op verschillende plaatsen van zijn lichaam ontstond een jeukerige uitslag. Vooral op zijn voorhoofd en handen verscheen een bloederig eczeem en zijn biechtvader had het al over stigmata.

   Margarita, die het katholicisme niet meer serieus nam, vond dat onzin. Zij had de handen van haar geliefde in de hare genomen en het bloed van de wonden gelikt.

   Die symbolische handeling had bij de adolescente jongedame een hemelse sensatie opgewekt. Haar liefde was diep! Maar de Amerikaan had schielijk zijn handen teruggetrokken en haar geschokt aangestaard, zo diep ging zijn liefde niet.

   Na zijn vertrek naar San Francisco, waar zijn thuis was en waar genezing wachtte, werd Margarita verscheurd door onverenigbare gevoelens. Enerzijds werd ze door verdriet verteerd en at ze nauwelijks, anderzijds was ze vervuld van hoop dat haar liefde genezing zou vinden en gedroeg ze zich dagen achtereen tomeloos opgewekt.

   Het had een jaar geduurd voor ze haar evenwicht hervond.

 

Haar Amerikaanse avontuurtje behoorde (voorlopig) tot het verleden. Andere herinneringen bleven haar echter plagen. Telkens als ze, zoals nu, in volle vaart over de weg vloog – het paardje voor de sjees had een stevige draf ingezet – flitsten de beelden van het ongeval aan haar voorbij.

   In weerwil van de vele chagras en huachos op zijn haciënda had Margarita’s vader een hekel aan paarden. Hij kon ze wel bewonderen, zolang ze maar niet te dicht bij hem in de buurt kwamen. Dat was best een handicap want daardoor had hij nooit leren paardrijden en was hij voor zijn talrijke uitstapjes afhankelijk van een rijtuig met menner. Zijn weerzin tegen strontbeesten in het algemeen had ongetwijfeld bijgedragen aan zijn ontzag voor stoomlocomotieven en andere wonderen der techniek. De Europese uitvinding van een gemotoriseerde koets trok dan ook onmiddellijk zijn aandacht en spoedig liet hij zo’n ‘automobile’ naar Lima verschepen.

   Eindelijk zou hij op pad kunnen gaan zonder dat eeuwige gedoe om eerst een voerman te vinden en een stalknecht om de  paarden in te spannen en een paard dat de kar wilde trekken, enzovoort. De automobile reed op benzine, hij hoefde alleen voor voldoende brandstof te zorgen. En hard ging het ook, vooral vanaf een hellinkje. Margarita’s vader was bijzonder in zijn nopjes.

   Op de dag van het ongeval was hij met beide dochters uit rijden gegaan. De oudste naast hem op de bok, de kleine achterin de laadbak. Naast het extra vat benzine had hij een zitje gemaakt waarin het meisje stevig werd vastgesnoerd. Met de wind in de haren stoven ze door het arcadische landschap.

   Margarita rilt bij de gedachte aan de rit. Zij, ineengedoken naast haar kolossale vader, de knokkels van haar nog gave handjes wit van de kracht waarmee ze de zitting stevig vast houdt, haar kleine zusje diep in de achterbak met een uitdrukking op haar gezicht dat ze het geweldig spannend en ook een beetje eng vindt. En dan de schok, zelf ligt ze naast het voertuig in de berm, haar vader rolt nog over de weg, er is kabaal, razend geloei, ze ziet vlammen. Geen zusje. Ze werpt zichzelf naar de achterkant van de berg schroot, in de bak zit haar zusje, stevig vastgebonden zodat ze er niet uit zal vallen, ze krijgt haar niet los, ze rukt en trekt, het vuur verschroeit haar haar, haar wenkbrauwen, haar handen. Na een eeuwigheid heeft ze haar zusje los. Maar het hoeft niet meer. Zij hoeft niet meer. Ze hoeft het nooit meer te zien.

   Maar toch gebeurt het telkens weer.

   Haar vader was buiten bewustzijn geweest. Hij had niet kunnen helpen. Hij had haar handen (wat er van over was) pas veel later gezien. Net als zijzelf, trouwens. Het helingsproces had maanden in beslag genomen en elke keer als de bandages, kompressen of windsels werden vervangen, had ze geweigerd te kijken. Het waren haar handen niet meer. Ze hadden gefaald.

   Margarita herinnerde zich nog de bladeren die kort na het ongeval om de stompen waren gewikkeld. Ze waren van het kruipkruid uit de tuin met geneeskrachtige planten. Chamiku, het kindermeisje – ze werd een meisje genoemd, ook al was ze een volwassen vrouw – gebruikte het kruid voor haar vaginale stoombaden in de hoop dat ze dan na een verkrachting nooit meer zwanger zou worden. De kinderen noemden het adderwinde, vanwege de zigzag tekening op de kronkelende stengel. Als het verband eraf was, zouden haar vingertoppen veranderd zijn in slangenkoppen.

   Haar vader had haar gerustgesteld. Afgezien van een gevoel van dankbaarheid voor het verlies van maar één dochter, had hij niets anders aan het ongeluk overgehouden dan een grondige hekel aan gemotoriseerde koetsjes en slecht onderhouden karresporen. Hij was weer bekeerd tot paard en wagen. 

 

 

 

 


 

 

 

 Terug aan boord van de Conceptión

 

 

De mannen en vrouwen die in het ‘slavenruim’ van de Conceptión woonden, hadden hun betrekkelijke vrijheid aan boord benut om hun eigen levensstijl zoveel mogelijk voort te zetten. Dat betekende onder meer dat de vrouwen het eten zelf klaar maakten. De nieuwe scheepskok had opdracht gekregen om ze regelmatig van de nodige ingrediënten te voorzien en zodoende beschikten ze over voldoende etenswaar om de inhoud van hun pannen en kooktoestellen genoeglijk te laten pruttelen.

   Sinds het vertrek uit Saint-Louis was Theodoor af en toe uit nieuwsgierigheid in het ruim afgedaald. Soms had hij, zo onopvallend mogelijk, een tijdje in hun midden vertoefd. Hij merkte dat ze aanvankelijk bang voor hem waren. Na enige tijd leken ze zijn aanwezigheid te negeren en had hij geboeid hun bezigheden bestudeerd.

   Het zijn net gewone mensen en tegelijkertijd ook weer niet.

   Broeken en hemden, zoals de overwegend Europese bemanning droeg, kenden ze niet. Ze waren vrijwel naakt, ook de vrouwen, met alleen een rok rondom hun onderlichaam. Sommigen droegen een soort sjerp en een hoofdtooi van iets dat hem aan rafelig scheepstouw deed denken. De meesten hadden opzettelijk aangebrachte littekens op hun bovenlichaam, zelfs in hun gezicht. Theodoor huiverde bij de gedachte aan het snijden in het zachte vlees. Vaak waren het evenwijdige kerven maar bij een aantal mannen zag hij spiralen op hun wangen. Het viel Theodoor op dat juist deze mannen voortdurend in de weer waren terwijl de anderen op hun strozakken lagen of tamelijk luidruchtig met elkaar zaten te praten. Hij kon hun taal niet verstaan en vroeg zich af of de klanken die ze uitstootten wel een echte taal was.

   De zogenaamde ‘vrije slaaf’ had hem verzekerd dat ze weldegelijk met elkaar spraken. Nadat ze Afrika achter zich hadden gelaten, had de schipper langzaam maar zeker het vertrouwen van de tolk gewonnen. Aanvankelijk had de zwarte man aangezeten aan de maaltijd in de kajuit maar na een tijdje maakte hij duidelijk dat hij de voorkeur gaf aan het eten van de zwarte vrouwen. Als het de kapitein om het even was, at hij liever in het ruim.

   Na hun vertrek uit Saint-Louis werd Van den Berghe dagenlang geplaagd door zijn kwaal, waardoor hij de maaltijd aan zich voorbij liet gaan. Juist vanaf het moment dat de tolk had laten weten liever in het ruim te willen eten, was de dokter weer beter. In zijn naïviteit had Theodoor daar nog niets achter gezocht.

   De tolk had uitgelegd dat hij niet iedereen even goed kon verstaan. Net zoals Theodoor nauwelijks Spaans sprak, beheersten niet alle negers het Swahili. Elke stam had een eigen taal. Evenals kenmerkende tatoeages, trouwens. Zo kwam Theodoor erachter dat de ‘spiralen’ tot een andere stam behoorden en ooit gevangen waren genomen door de ‘strepen’. Het waren slaven in het kwadraat.

 

Tijdens een officiersvergadering waarbij zowel de ‘vrije slaaf’ als de dokter aanwezig waren, had de slaventolk zijn bezorgdheid uitgesproken over het lot dat hen te wachten stond. Had de kapitein er wel aan gedacht dat deze mannen en vrouwen zoveel vrijheid genoten dat hij ze straks niet meer als slaaf zou kunnen verkopen?

   Daar had Pieter zeker aan gedacht. De afgelopen dagen had hij aan niets anders kunnen denken. Hij had ‘de lading’ in zijn waarde gelaten om het verlies tijdens de reis te minimaliseren. Nu moest er iets worden verzonnen om zijn menslievendheid te compenseren. Er moesten per slot van rekening pegels komen. Voor proviand en voor soldij. Het was niet de bedoeling dat hij erop zou toeleggen. Terwijl hij zijn glas leegdronk, stelde hij vast:

   “Ik denk dat ik enige moeite zal moeten doen om een geschikte koper te vinden.”

   Vragend keek hij in de richting van Theodoor en deze begreep meteen dat er weer een lumineus idee van hem verwacht werd. Hij had dit zien aankomen en over het probleem nagedacht. In de haven van Saint-Louis had hij zijn ogen en oren goed de kost gegeven. Verbijsterd was hij getuige geweest van het laden van de slavenschepen. Alsof de gewaarwording zijn morele besef aantastte, werd hij tijdens zijn gang door het havenkwartier vervuld met een soort boosaardigheid die hij van zichzelf niet kende. Hier werd de kiem gelegd voor een plan. Maar dit keer was het wel een heel doortrapt plan.

   “De hebzucht van de slavenhandelaren is ongekend. Elk plekje in de ruimen van hun schepen wordt gereserveerd voor hun lading. Zelfs het meeste boordgeschut is verwijderd om plaats te maken voor meer handel. Ik denk dat er ook voor henzelf nauwelijks nog plek is.”

   Veelbetekenend keek hij rond. Van den Berghe trok een grimas die Theodoor abusievelijk opvatte als een blijk van minachting voor zulke inhaligheid. In plaats van de weerzin die het beeld van zoveel nikkers op één schip bij de dokter opriep. Hij snoof verongelijkt:

   “Als de slavenhandelaren hun lading hebben verkocht, hebben ze tenminste geld. Ons schip zit tjokvol. Die zwarten weten ook wel dat het in hun eigen belang is om te helpen, als we weer zo’n storm krijgen als vorige week. We hebben puur geluk gehad dat we niet zijn verzopen.”

   Grommend stond Van den Berghe op van tafel en verliet onder afwijzend gemompel de kajuit terwijl de schipper een nieuwe fles open maakte. Een beetje verbouwereerd nam Theodoor weer het woord:

   “De Afrikanen zullen beseffen waar hun belangen liggen. Dat hebben ze tijdens de orkaan ook bewezen. En als de handel is verkocht zitten de slavenschepen inderdaad goed bij kas.”

   Hij keek de schipper aan en vroeg zich af of zijn idee wel in goede aarde zou vallen.

   “Die nieuwe kanonnen hebben een grotere vuurkracht dan we dachten. Met andere woorden, het zal een makkie zijn om ze van hun rijkdom te verlossen.”

   Pieter Jacobz, ondertussen licht beneveld, had met toenemende verwondering geluisterd. Maar nu maakte zijn verbluftheid plaats voor geestdrift.

   “Beroving!” Onmiddellijk gevolgd door een onthutst “Je bedoelt dat we ze gaan beroven?”

   “Ik noem het liever verlossen,” verbeterde Theodoor.

   “Verlossing! Dat is een goeie! We zullen ze verlossen van hun bloedgeld.”

   De schipper was Theodoor zo langzamerhand als zijn protegé gaan beschouwen en zijn waardering was in de loop van de reis zo groot geworden dat hij zich liet meeslepen door jongensachtige overmoed. Hij vond het een opwindend vooruitzicht dat zijn tandeloze windjammer zich zou ontpoppen als een vlijmscherp zwaard van Damocles. In een slappe tweestrijd werd de goedmoedige schipper overmand door een merkwaardig soort fatalistische levenslust. Hij zag het wel zitten.

 

Nadat ze de Azoren achter zich hadden gelaten, was Theodoor afgedaald in het slavenruim. Terwijl er net een maaltijd werd rondgebracht, had hij de aandacht van één van de vrouwen getrokken. Ze reikte hem met neergeslagen ogen een kom warme gries aan die zo lekker rook dat het water hem in de mond liep. Zulke gastvrijheid was hem in het slavenruim nog niet eerder ten deel gevallen. Hij nam gretig een hap van het gerecht dat hij herkende als de smakelijke stoofschotel die hij geregeld in Saint-Louis had gegeten. Het overtrof zelfs zijn verwachting. Hij had niet geweten dat al die tijd de zinnenprikkelende Afrikaanse keuken zo dichtbij was geweest. Vlak onder zijn voeten in dit broeierige scheepsruim!

   Hoe wijs de schipper was, drong diep tot hem door en hij prees zichzelf gelukkig dat hij hem niet had teleurgesteld. Nooit kon hij hebben bevroed dat het door hemzelf voorgestelde profijtbeginsel tot dit culinaire genoegen zou leiden.

   Misschien kon hij ook een kom gries voor de kapitein krijgen? Hij grinnikte bij de gedachte dat de goddeloze Jacobz dezelfde levensstijl had als de door hem verachte paapse Brabanders. Onhandig gebaarde hij dat hij een extra kom mee naar boven wilde nemen waarbij hij wat van het verrukkelijke voedsel morste. De vrouw met de neergeslagen ogen wilde zich bukken om zijn geknoei op te ruimen maar ze stokte. Met een vertrokken gezicht hield ze haar handen tegen haar buik en knakte lichtelijk voorover. Het was duidelijk dat ze buikpijn had. Aan het voedsel kon het niet liggen, niemand anders leek ergens last van te hebben. Ze glimlachte verontschuldigend terwijl ze een extra kom overhandigde. Kennelijk was de kramp van korte duur. Toch leek het Theodoor raadzaam om de dokter te informeren.

   Van den Berghe had echter meer aandacht voor zijn eigen ingewanden.

 

 

De kookkunst van Reinaldo Bolt was misschien nooit tot bloei gekomen als hij niet als kind – toen hij nog luisterde naar de naam Rimme – noodgedwongen voor zijn jongere broertjes en zusjes had moeten zorgen.

   Zijn vader werkte als bakker in de porseleinfabriek van Meissen totdat hij bij een bedrijfsongeval om het leven kwam. Sindsdien ging zijn moeder nogal eens de hort op en vertrouwde haar oudste zoon de zorg voor het huishouden toe. In weerwil van zijn jonge leeftijd deed hij dat boven verwachting en lukte het hem om dagelijks een smakelijke en gevarieerde hap te brouwen.

   Totdat zijn moeder met syfilis werd besmet en haar seksuele escapades definitief tot het verleden behoorden. Nu ze de deur niet meer uitging, kon zij zo goed en zo kwaad als het ging het huishouden weer overnemen terwijl hij, Rimme, allerlei baantjes buitenshuis had om voor de broodnodige centjes te zorgen. De barbiers en chirurgijns kostten hem handen vol geld maar de behandelingen hadden een averechtse uitwerking op de gezondheid van zijn moeder. Het aderlaten en purgeren, de kwikhoudende zalven en rooksessies met cinnaber, ze maakten haar alleen maar zieker. Het huishouden zou zeker geheel verslonst zijn als de oudste kinderen niet allemaal hun steentje hadden bijgedragen. Maar hoe iedereen ook zijn best deed, moeder werd er niet beter op.

   Tenslotte was ze gestorven.

   Na haar verscheiden had Rimme het ouderlijk huis verlaten (de zorg was overgegaan in de handen van zijn één jaar jongere broer). Ondanks de inspanningen van de apostolische vicaris om jongelui binnen de prefectuur te houden, had hij kans gezien de douanebarrières bij de stadspoort te omzeilen. Hij had zich aangesloten bij een reizend theatergezelschap. Niet omdat er in hem een toneelspeler sluimerde maar vanwege zijn kookkunst en het komische talentje waar hij smoorverliefd op was geworden. Ze zou hem korte tijd later een zoon schenken.

   Ironisch genoeg vertoonde het meisje op zeker moment dezelfde ziekteverschijnselen als zijn moeder had gehad. Dat vervulde de jonge vader met een razernij waar hij geen raad mee wist. Gelukkig trad er bij háár na behandeling wel verbetering op. De heelmeester vertrouwde hem toe dat hij zich verdiept had in het werk van Theophrastus von Hohenheim (Paracelsus) en dat Rimme’s moeder waarschijnlijk vergiftigd was. Kwikzouten waren hartstikke gevaarlijk! Alleen in heel geringe hoeveelheden konden ze geneeskrachtig zijn!

   “Als de kwaal niet afneemt dan intensiveren die allopaten juist hun doseringen,” snoof deze vroege pionier van de homeopathie minachtend. “Sneu voor uw moeder. En voor u, natuurlijk. Maar zo gaat het meestal.”*

   Ondanks die troostende woorden kon Rimme zijn verbolgenheid niet onderdrukken en hij verliet het theatergezelschap en zijn trouweloze vrouw (en kindje). Hij zwierf in zuidelijke richting, werkte afwisselend in keukens, hospitalen en wijnkelders om uiteindelijk in bij Don Alfonso als koksmaat te beginnen.

   Hij liet zich Reinaldo noemen en maakte gestadig carrière binnen de keukenhiërarchie, niet in de laatste plaats vanwege zijn beminnelijke maar manipulatieve omgang met de vele Afrikaanse slaven die daar werkten.

   De fatale tirade, die volgens zijn werkgever zo beledigend was geweest dat het hem zijn baan kostte, had betrekking gehad op één van de hofartsen van de godsdienstwaanzinnige koningin Maria I, bijgenaamd de Vrome. De zelfingenomen geneesheer was één van de genodigden van de Don en hij had het nodig gevonden om de keukens te inspecteren. Bij die controle had Reinaldo hem herkend als één van de chirurgijns die zijn moeder vermoord hadden en in een vlaag van razernij had hij hem verrot gescholden. Klaarblijkelijk had de man, net als hijzelf, een carrière opgebouwd in Portugal. De heelmeester had een betere startpositie gehad en het dienovereenkomstig verder geschopt. De kok was er nog goed vanaf gekomen dat hij slechts de laan werd uitgestuurd.

 

Reinaldo Bolt had dankbaar gebruik gemaakt van het aanbod om als scheepskok op de Conceptión zijn onafwendbare noodlot op het vasteland te ontlopen. Met die opgeblazen likkepot van een kapitein kon hij zijn voordeel doen, zo meende hij. Tijdens zijn culinaire loopbaan had hij geleerd om met eenvoudige middelen een voedzame en vooral smakelijke maaltijd te bereiden. Het was niet de bedoeling om in de eerstvolgende haven aan de kant te worden gezet. Het schip zou naar de Caraïben varen. Nou, daar was voor een kok van zijn kaliber vast een mooie toekomst weggelegd. Hij had gehoord dat daar door rijke planters gastronomische evenementen werden georganiseerd waarvoor ze uitsluitend Europese cuisiniers aantrokken. Vermoedelijk werd die voorstelling van zaken sterk overdreven, maar waar rook was, was vuur.

   Die mooie jongen waar de kapitein zo op gesteld was, die Theodoor, leek hem een arrogante kwal maar met die knul had hij verder niets te maken. Wat-ie precies aan boord deed was niet duidelijk. Soms zat-ie hout te hakken, dan weer te smoezen met die Maya’s of wat het waren. Liefje van de schipper? Het zou hem worst wezen. Hij had hem vroeger wel eens uitgenodigd in de kombuis, maar die jongen had iets … hij gaf hem een onbehagelijk gevoel.

   En dan was er de pillendraaier. Wat at die man weinig! Hij had hem al een paar keer een maaltijd in zijn hut gebracht maar als de vaat werd opgehaald, bleek hij zijn eten nauwelijks te hebben aangeraakt. Aan het voedsel lag het niet, daarover was geen twijfel mogelijk. Die Van den Berghe leek hem trouwens wel een moderne dokter, met al zijn instrumenten en potten vol gedroogde kruiden. In elk geval niet zo’n koninklijke hofbarbier vanwege wie hij had gevreesd voor zijn eigen hachje.

   Toen hij bij gelegenheid Van den Berghe had verteld over zijn zere kies, had deze in zijn mond gekeken en hem gevraagd wat hij wilde, snijden of zuigen? Wat een vraag! Maar vooruit, dat zo’n moderne wetenschapper nog gebruik maakte van de barbierse methode van het mes was hem vergeven; hij had hem tenslotte de gedroogde bloemetjes gegeven die hij in zijn mond moest houden. Ging zijn adem nog lekker ruiken ook. Bij de Don had hij de dure kruiden vaak in stoofschotels gebruikt maar hier aan boord moest hij er heel zuinig mee omspringen. En nu kreeg hij ze zomaar voor niets! Wat een beetje kiespijn al niet kon opleveren.

 

Johannes van den Berghe had de kok ook wat gedroogde klimlelie meegegeven, met het verzoek om die regelmatig te vermalen en door zijn eten te mengen. Dat was goed tegen de buikklachten waar hij last van had. Nee nee, aan de kok lag het niet, het was iets in de lucht, sinds die wilden aan boord waren. Al moest hij toegeven dat hij er als kind al last van had gehad en dat het in zijn familie vaker voorkwam. Herfsttijloos had altijd goed geholpen.

   Maar met een verdubbeling van het scheepsvolk was de atmosfeer inderdaad wat bedompt. Bovendien had menig bemanningslid zich al sinds hun vertrek uit Lissabon bij hem gemeld met venusziektes. De zwerende pisbuizen behandelde hij met een dunne staaf waarmee hij inwendig een flinke hoeveelheid kwikzalf aanbracht. Ook de spaense pokken smeerde hij in met zalf. Dat ging gemakkelijker al bleef het een smerig werkje. Of ze genazen wist hij niet, hij zag ze zelden terug.

   Maar die zwarten mankeerden nooit wat. En als dat wel zo was, wat dan nog?

   Theodoor had hem verteld dat één van de vrouwtjes aan buikklachten leed en de jonge man had hem gevraagd om haar te onderzoeken. In plaats daarvan, had hij Theodoor naar de kombuis verwezen met de boodschap dat de kok van hem een prima medicijn tegen buikklachten had gekregen. Hij gebruikte het zelf ook.

   Nooit zou hij zich te midden van die wilden begeven.

   De kok leek hem trouwens een wispelturig figuur. Zo dankbaar als hij was geweest voor het medicijn tegen de kiespijn, zo vijandig gedroeg hij zich de laatste keer toen hij hem zijn eten had gebracht. Zouden de kruidnagels niet hebben gewerkt?

 

Heel zorgvuldig had Reinaldo Bolt de gedroogde klimlelie vermalen zoals de heelmeester hem gevraagd had. ‘Regelmatig’ had hij opgevat als ‘even kleine stukjes’ in plaats van ‘verdeeld over een langere periode’ zoals Van den Berghe had bedoeld. Een misverstand dat voor de esculaap gunstig zou uitpakken.

   Nadat hem was opgedragen dat een deel van het medicijn moest worden gereserveerd voor Theodoor (ten behoeven van het negerinnetje) had hij de helft van het vermalen kruid met kokend water overgoten en er een aftreksel van gemaakt.

   De dampen hadden hem koppijn bezorgd zodat hij om een remedie had gevraagd. Van den Berghe had uit het verhitte gezicht van de kok afgeleid dat een aderlating op zijn plaats was. Bij het ontwaren van de scalpel was Reinaldo echter woedend opgestapt, onder het uitroepen van verwensingen.

   Dat Van den Berghe dezelfde barbierse methoden hanteerde als die verachtelijke chirurgijns, drukte loodzwaar op zijn gemoed. Hij was geheel vervuld van wraakgevoelens. Het restant van de klimlelie had hij versnipperd in de grote ketel. Dezelfde waarin hij het eten voor de gehele bemanning bereidde. Daarvan kreeg iedereen zijn portie maar de hoeveelheid vermalen kruid was zo gering dat niemand er iets van zou merken, zo meende hij. Ook de dokter niet. Zijn buikklachten zouden niet verminderen, zijn pijn zou niet overgaan. Ook al had hij, de kok, precies gedaan wat hem gevraagd was. Rot op, zeg.

 

Theodoor bracht het medicinale aftreksel naar het ruim waar hij het overhandigde aan de vrouw met de buikklachten.

   “Dit is een medicijn van onze scheepsarts. De kok heeft het gemaakt. Drink het als thee, dan word je weer beter.”

   De genezende werking viel echter tegen. Sterker nog, de krampen werden juist heviger.

   In de veronderstelling dat dit bij het genezingsproces hoorde – sommige middelen maakten je eerst gewoonweg nog zieker dan je al was voordat er verbetering optrad – had hij de zieke slavin geadviseerd om meer ‘thee’ te drinken.

   ’s Nachts had de vrouw een miskraam. Ze bleek vier maanden zwanger. Haar toestand verslechterde snel. Ondanks de toegewijde zorg van haar ‘familie’ overleed ze een paar uur later.

   Als Johannes van den Berghe haar persoonlijk had onderzocht, zou hij geweten hebben dat ze in verwachting was geweest. Een blanke patiënte zou hij in dat geval nooit klimlelie hebben voorgeschreven.

   Maar de dokter was van het drama in het ruim niet op de hoogte gesteld, het voorval had zich te snel voltrokken. Bovendien had hij last van indigestie gehad.

 

Het moet voor de kok nogal een schok geweest zijn dat Johannes van den Berghe hem persoonlijk opzocht in de kombuis, om hem te bedanken. Het middel had uitstekend geholpen, zijn klachten ware geheel verdwenen.

   Een aantal bemanningsleden dat leed aan reumatische pijnen en artritis bemerkte in diezelfde tijd dat de pijn in botten en gewrichten plotseling was verdwenen. Een geringe hoeveelheid van de giftige klimlelie had – onbedoeld, maar geheel in overeenstemming met het door Bolts gehuldigde principe van Paracelsus – juist een helende werking.

  

 

 


 

 

 De eerste dagen dat hij door zijn onbaatzuchtige weldoener werd verzorgd, kwam Hasan Pacha af en toe ijlend bij bewustzijn. Op diverse plaatsen hadden de blessures ontstekingen veroorzaakt, zijn koortsige lichaam worstelde zich door een moeizaam genezingsproces. Zijn verhitte geest baarde flarden van gedachten, voordat hij weer wegzonk in een roezige schemering.

   Later werd hij zich meer bewust van zijn omgeving en van zijn eigen erbarmelijke toestand. Vooral van de honger. Eten kon hij nauwelijks, alleen heel dun voedsel door een rietje. Dat aanvankelijk zowel zijn ontlasting als urine nog rood van het bloed was, zag alleen zijn verzorger. Die man moest een heilige zijn, hij was dag en nacht aan zijn zijde, sprak hem bemoedigend toe, hield de wacht.

   Nog later kregen zijn gedachten meer samenhang, ze werden coherenter. Langzaam maar zeker werd hij bevangen door koortsachtige ideeën. Over hoe de wereld in elkaar stak en wat hij daaraan ging doen. De voornaamste oorzaak van zijn geestverruiming was trouwens een medicijn dat hem werd toegediend

  

Het besef dat stigmatiseren misschien wel het krachtigste instrument was om sociale groepen tegen elkaar op te zetten, fascineerde Hasan mateloos. Hij realiseerde zich dat, in tegenstelling tot de machiavellistische adviezen aan een alleenheerser, het meest effectieve brandmerken een democratisch proces was. Alle leden van een maatschappelijke groepering voelden een onderhuids onbehagen tegenover ‘de ander’ en wie in staat was de haat te mobiliseren, zat gebeiteld. Na legalisering van het kwaad was het de vraag om welk kwaad het eigenlijk ging. Kon de heersende morele opvatting niet het gevolg zijn van iets dergelijks in het verleden? Wie bepaalde eigenlijk dat baby’s dezelfde rechten moesten hebben als bejaarden, dat bezit diefstal zou zijn of dat onder het plaveisel de woestijn lag?

   De maatschappelijke bewustwording van dergelijke ethische kwesties werkte trouwens in twee richtingen. Hasan herinnerde zich hoe Ilya, die een nazaat was van de Asjkenazim,  in woede was ontstoken toen hij tijdens een onbeduidend ruzietje werd uitgescholden voor Jood. Hasan wist niet dat ‘Jood’ een scheldwoord was totdat hij Ilya’s reactie zag.

   Tal van denkbeelden hoopten zich op in zijn benevelde brein, grepen ineen tot een spectaculaire voorstelling, alles werd hem plotseling duidelijk: zijn vermoeden dat de beschaving voortschrijdt met een morele schaatsbeweging – links, rechts, links, rechts, enzoverder – die, kaatsend tussen persoonlijke vrijheid en collectief bedrog, tussen caleidoscopisch vuurwerk en conservatief drijfzand, tussen een hallucinerend visioen en slaafse zakelijkheid, steeds sneller en heftiger wordt, terwijl de voorgang juist tot stilstand lijkt te komen; het stuiteren neemt ten slotte zo sterk toe dat het wereldwijde netwerk van genie en causerie plaatselijk lijkt te condenseren tot een emergente entiteit.

   Af en toe namen zijn ijlgedachten een nog krankzinniger vorm aan en was hij ervan overtuigd de oplossing voor tijdreizen te hebben gevonden. Het was zo simpel dat alleen een koortsdroom hem op zo’n idee had kunnen brengen. Een fractie later werd die notie weer verdrongen door nieuwe ingevingen. 

   Vlak voordat hij weer in katzwijm viel, had Hasan nog een vreemde gedachte. Met die gaffeltong van mij kan ik misschien wel wichelen. De rossige nevel vulde tenslotte zijn hersenpan volledig. Maar zijn geheugen bleef intact.

 

Naarmate Hasan meer instaat was om zich vrijer te bewegen, rond te lopen, stukjes te wandelen in de omgeving, liep hij geregeld in de richting van het havengebied. In die vertrouwde omgeving van pakhuizen en loodsen zocht en vond hij zijn oude plekje en na een aantal van zulke escapades besloot hij in een opwelling daar te blijven.

   Net als vroeger vond hij in het nijvere havengebied genoeg van zijn gading om overeind te blijven. Veel had hij niet nodig. Door zijn karige dieet had hij altijd honger maar was daar ook aan gewend geraakt. De koele opslagplaatsen boden voldoende leeftocht en beschutting aan de talrijke daklozen. Daar voelde hij zich thuis.

   Het was bij hem opgekomen om terug te gaan naar zijn ouderlijk huis. Als overtuigd moslim zou zijn vader de verloren zoon met open armen ontvangen. Om hem vervolgens elke vorm van vrijheid te ontzeggen. Nee, toch maar niet, die weg was heilloos. Nog afgezien van de lange zwerftocht die hij voor de boeg zou hebben.

   Alleen had hij wel medische hulp nodig. Hij was niet van plan hier te creperen zoals de op sterven na doden die hij doorlopend in duistere hoekjes gewaarwerd. Door verschillende lotgenoten getipt, had hij zich naar een kraam begeven waar gemene aandoeningen werden behandeld. Daar had hij kruiden en zalfjes gekregen maar ook het advies om naar het nabije hospitaal te gaan, waar een afdeling speciaal voor arme sloebers als hij was ingericht. Die raad had hij na enige aarzeling opgevolgd en daarmee een nog ongekend nieuw toekomstperspectief geopend.

 

Op het moment dat Hasan definitief uit het ziekenhuis werd ontslagen zakte de doemsdagklok met vijf minuten van zeven naar twaalf voor middernacht (ondergang van de mensheid). Het tijdstip dat het symbolische uurwerk aangaf, had natuurlijk niets te maken met Hasans genezing, daarvoor was hij nog te onbeduidend. Als men werkelijk in de toekomst had kunnen kijken – wat Hasan van plan was tot reële mogelijkheid te promoveren – zou de klok, elke klok, wellicht zijn afgeschaft.

   De adolescent Hasan fantaseerde graag over symbolen. In de esculaap die hij zo vaak in het hospitaal gezien had, wond de slang die zich langs de pijl van de tijd en wierp geregeld zijn huid af om eeuwig jong te blijven. Of de drie-eenheid die al in prehistorische culturen werd afgebeeld: in het vredesvaandel van Roerich – een rode cirkel in een wit veld met drie rode bollen – zag hij verleden, heden en toekomst, omgeven door een ring van eeuwigheid. Het moderne ‘ban-de-bom’ teken was in zijn ogen een uitgebluste swastika (als een opgebrand vuurwerk-molentje) en de tekens van de dierenriem deden hem stuk voor stuk denken aan de dood.

   Zijn preoccupatie met tijd dwong hem voortdurend na te denken over een tijdonafhankelijke beweging langs de tijd-as. Niet bepaald een onderwerp voor aan de borreltafel. Op het IIT waren maar een paar zonderlingen met wie hij zijn obsessie durfde te delen. Maar de kern van de zaak moest toch uit hemzelf komen.

   Terwijl de meeste studenten opgewonden debatteerden over de politieke schermutselingen met Pakistan of hun agressie uitleefden op het hockeyveld bracht Hasan zijn tijd door met lezen. Nog altijd genoot hij van science fiction maar science fact was nu verplichte kost geworden en serieuze romans versmaadde hij evenmin. Tijdens het lezen van Hesse’s Siddhartha besefte hij plotseling dat het niet de buitenkant was die hij moest veranderen, maar de binnenkant. Met andere woorden, niet de tijd aflezen van een of ander uurwerk, maar zijn eigen innerlijke klok was het die hij moest omzetten. Maar hoe?

   Op het IIT kwam hij geregeld op een onderzoeksafdeling waar een paar gasten experimenteerden met coatings van holle moleculen. Als zulke deklagen zich hechtten aan een kern, bijvoorbeeld aan een zandkorrel, dan kwam er na verloop van tijd een kleurig bolletje tevoorschijn. Hoe groot zo’n bolletje kon worden en wat het nut ervan kon zijn, was niet aan de orde. De aanblik van die schitterende knikkertjes had op Hasan echter grote indruk gemaakt.

   Cirkels en bolvormen werden al eeuwenlang opgevat als tekens van goddelijke perfectie en hadden daarmee het beeld van de werkelijke loop der dingen danig vertroebeld. Toch was ook hij niet ongevoelig voor het archetypische karakter van deze symbolen. Lag daarin wellicht een antwoord besloten? Wat was de vraag ook weer?

 

Dit soort monologisch gepieker leverden hem uiteindelijk de bakens waarlangs zijn zoektocht naar het tijdreizen zou verlopen. Met de voortschrijdende innovaties in de nanotechnologie en het scherpere inzicht in de hersenwerking  ontwikkelden zich allengs een vaag plan, een ruwe schets, een volle prullenbak, een grof ontwerp, grove verwensingen, slapeloosheid, eczeem, een nieuw idee, een propositie, bijval. Bewonderende bijval. Gejuich…  Als je ergens zo intens naar gezocht hebt… en dan vind je het… !

 

 

Het is zover.

   Heel veel inspanning heeft het hem niet eens gekost. Het was meer een kwestie van het juiste perspectief. Toen hij dat eenmaal had gevonden, ging de rest als vanzelf. Nou ja, hij had natuurlijk ongekend koppig moeten zijn, zijn poot stijf houden en volharden in zijn afwijkende visie.

   Het was niet de zogenaamde ‘buitentijd’, de tijd van de omgeving, die hij naar zijn hand moest zetten, maar de innerlijke tijd, de tijd van de beleving! Het resultaat was zodoende geen technologisch wonder geworden, maar een chemisch proces. Geen tijdmachine maar een pilletje. Nou ja, een dikke pil, ongeveer zo groot als een knikker. Een toverbal.

 

 

Deze volgeling van Paracelsus en voorloper van Hahnemann gebruikte guaiacum (pokhout) bij de behandeling van syfilis. De hars van de Zuid Amerikaanse Guajacum officinale bevat een scala aan werkzame stoffen met ontsteking werende en bloedzuiverende capaciteiten.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

EEN GODDELIJK EGO

De perverse tredmolen van de vooruitgang

 

 

In de 17e en 18e eeuw nam de expansiedrift van menig Europees land sterk toe om de zucht naar rijkdom te bevredigen. Door de uitbreiding van hun overzeese gebiedsdelen ontstond vooral bij Nederland en Groot Brittannië een toenemende behoefte aan een accurate navigatie. Buiten het zicht van kustlijnen was men op open zee voor de plaatsbepaling aangewezen op de stand van hemellichamen en een goede tijdsbepaling. Beide mogendheden hadden een beroep gedaan op wetenschappers en klokkenmakers om een nauwkeurig uurwerk te construeren dat geschikt was op zee.

   In Nederland had Christiaan Huygens het uurwerk al aanmerkelijk nauwkeuriger gemaakt door de toepassing van de slinger en de uitvinding van de onrust, een balans met spiraalveer. Hij was echter niet genegen de accuratesse van zijn uurwerken op de proef te stellen door zelf scheep te gaan, maar liet dit over aan, wat hijzelf noemde, onvakkundige zeelieden zonder oprechte belangstelling voor de wetenschap. Bovendien bleven zijn uurwerken te gevoelig voor temperatuursverandering, een probleem dat uiteindelijk werd verholpen door de Schotse klokkenmaker John Harrison. Zijn zeeklokken zouden uiteindelijk aan het gewenste doel beantwoorden, na overvloedig op de proef te zijn gesteld door zijn zoon William.

 

 

 

Ik zal het mijn vader nooit vergeven. Ik haat hem. God vergeef me.

   Zolang ik mij kan herinneren heb ik hem gevolgd in zijn strijd tegen de windbuilen die zijn vakmanschap afkammen. De snoevers die denken dat een timmerman geen verstand heeft van sterren omdat hij van eenvoudige komaf is. Naast hem heb ik gestaan om die zelfingenomen zakken van repliek te dienen. Ik was zijn stem als de zijne het begaf, verstikt door woede. In zijn plaats heb ik storm en weder getrotseerd om zijn scheppingen op waarde te schatten.

   En voor wat?

   Misschien had ik mij minder moeten onderwerpen aan zijn zorgen. Misschien had ik mijn eigen weg moeten gaan, voor Elizabeth en kleine Horrins moeten zorgen, mijn eigen instrumenten moeten maken. Maar de weg van de minste weerstand verliep plezierig en mijn vader is tenslotte niet de eerste de beste. Hij is het genie. En sta ik hier, in dit Godverlaten paradijs.

 

Vanaf het hoge duin langs de Zuidoost kust van Barbados keek William Harrison met een gevoel van weemoed uit over de Atlantische Oceaan. Hij genoot van zijn verblijf op het tropische eiland ook al had hij af en toe wat last van de warmte. Als Brits staatsburger werd hij in ‘Bolts Anker’ behandeld als een vorst, de slavinnetjes fladderden om hem heen om te zorgen dat hij niets te kort kwam, de drank vloeide welig. Maar hij besefte dat hij zo snel mogelijk terug moest naar het druilerige Engeland.

   In de verte ontwaarde hij de masten van een schip, waarschijnlijk vol met slaven afkomstig uit West Afrika. Eén keer had hij een aantal van hen van dichtbij gezien nadat ze net aan land waren gebracht. Het waren stuk voor uitgemergelde vrouwen en kinderen geweest, met lichamen vol zweren, nauwelijks in staat om op eigen benen te staan. Slechte koopwaar, hen zou geen lang leven beschoren zijn. Zijn vriend Thomas die hem vergezelde, had zich tot zijn verbazing walgend afgewend, zachtjes vloekend de geparfumeerde zakdoek tegen de neus gedrukt. 

 

Gisteravond in ‘Bolts Anker’ had ik het benauwd. Dat is de tweede keer. Al die kleurige jurken en stralende ogen, ze zijn veel te aardig tegen mij, ik versta niet wat ze zeggen maar hun gelach is uitbundig en oprecht.

   Althans…

   Die gans waarmee Thomas kwam aanzetten, dacht dat ik voor Maskelyne werk. Het idee! Zouden ze soms denken dat ik zogenaamd geleerd en voornaam ben zoals die verwaande zot? Captain Lindsay denkt het wel. Maar die heeft oprecht een hoge pet van mij op. Ik heb echt indruk op hem gemaakt. Hij wist niet hoe hij het had toen hij zag hoe makkelijk ik de octant hanteer. Natuurlijk is hij zelf verantwoordelijk voor de navigatie, maar hij vond het vast prettig om te weten dat hij er niet helemaal alleen voor staat als de nood aan de man komt. Mr. Roberts, de kaartenmaker, stond trouwens ook perplex. Hij begreep direct de waarde van het horloge voor het in kaart brengen van de kustlijnen.

   Mijn vader kon nooit zo goed met die officieren overweg. Volgens hem waren ze arrogant en vonden ze hem een ordinaire gelukszoeker. Ze geloofden niets van zijn medeleven met het lot van de gewone scheepsjongens. In zijn zeeziekte zagen zij eerder de bevestiging van hun vooroordeel dan van zijn christelijke barmhartigheid. Mijn vader had een hekel aan varen. Dat liet hij liever aan mij over.

 

Een paar sternen scheerden langs een wat lager deel van het duin en verdwenen niet zo ver bij hem vandaan achter de hoge cactussen. Eén zag hij daarna als een pijl omhoog schieten tot het silhouetje oploste in het blauw. William droomde wel eens dat hij kon vliegen. Drie bruine pelikanen doken in slagorde door het kalme zeeoppervlak achter de branding. Verderop zag hij er nog een paar ronddobberen. De talrijke krabbetjes op het strand kon hij hiervandaan niet zien, maar hij wist dat ze er waren.      

  

Hij had mij nooit moeten laten gaan, die ouwe heer van me. God vergeef me, maar het maakt me ziedend als ik er aan denk. Hij ziet mij nog steeds als zijn kind, zijn toegewijde knechtje.  Hij weet dat ik hem niet in de steek zal laten maar hij weet ook dat ik mijn eigen bestaan wil opbouwen, voor mijn eigen gezin wil zorgen. Ik ben een volwassen man. Begrijpt hij dan niet wat het met me doet? God vergeef me…

 

Ineens staat ze daar weer voor me, met van die grote exotische ogen en die gulzige, halfgeopende mond. De grens tussen galanterie en geilheid vervaagt in deze hitte. Ik had haar moeten zeggen dat van mij niets valt te verwachten. Maar de rum vloeit tierig. Ik drink te veel…, de warmte..., de waanzin... Ik herinner mij deze dingen steeds in omgekeerde volgorde. Ram! Korte schreeuw. Verbaasde blikken van de anderen. Ram!

   De strandkrabben met hun opgeheven scharen als dreigende vuisten gaan elkaar ook al te lijf alsof hun leven ervan afhangt. En misschien is dat ook wel zo.

   Mijn gedachten vliegen alle kanten op. Ik ben hier al veel te lang. Het wordt tijd om naar huis te gaan.

 

Hij keek naar de lucht. Afgezien van het nevelig wit boven de zee was het uitspansel egaal blauw. De afnemende maan stond als een bleke schijf tegenover hem. Het halsstarrige gelaat van een dreigend demon waartegen zijn vader en hij al een leven lang vochten.

   Het schip was ondertussen zo ver genaderd dat hij bij vlagen kon ruiken dat het inderdaad om een slavenschip ging. William moest onwillekeurig denken aan zijn eigen ervaringen tijdens de verschillende zeereizen. Het bedorven water, het karige voedsel, de strenge tucht. En de noodzakelijke zelfdiscipline onder zulke moeilijke omstandigheden. Daar was natuurlijk niet iedereen voor in de wieg gelegd. Zijn vader had niet voor niets een beroep op hem gedaan.

 

Natuurlijk heeft mijn vader gelijk, ik kan helemaal niet op eigen benen staan! Zonder hem ben ik een stuurloos wrak, ga ik mijn ondergang tegemoet, sla op de klippen te pletter. De autoriteiten hier maken zich niet zo druk om een inheemse meer of minder, de Engelsman is heer en meester. Maar Thomas keurt het af. Ik mag Thomas graag maar ik vraag me af of hij eigenlijk wel in God gelooft. Hij vindt het onzin dat je moet hebben geleden om het hemelse paradijs te mogen betreden. Hij heeft natuurlijk wel een punt als je kijkt naar dit aardse paradijs; dan zouden de zwartjes wel in de hemel worden toegelaten en die Engelse grootgrondbezitters niet! En wat te denken van Bolt? De uitbater heeft een oord van verderf en losbandigheid geschapen. Maar zijn maaltijden zijn uitmuntend.  

 

William neeg het hoofd en keek naar zijn voeten. Hij moest een jaar of tien geweest zijn dat hij voor het laatst blootsvoets had buiten gelopen. Langs de zeereep had hij er alleen maar op hoeven letten dat hij niet op een zee-egel stapte. Op het strand had hij onder zijn voetzolen de krabbetjes uit hun pantsertjes voelen spatten maar hier op het duin moest hij echt uitkijken om niet op een cactus of een of ander doornig struikje te trappen. Zelfs de tientallen schielijk rondscharrelende hagedissen hadden in zijn ogen iets stekeligs.

 

Ik ben blij met Thomas’ gezelschap. Ik moet er niet aan denken dat ik weer alleen op reis had gemoeten. Zoals die manische Maskelyne, altijd verdiept in zijn tabellen en berekeningen, nooit eens gezellig op stap. Geen wonder dat hij ongesteld is geworden. Eerst die gemiste venusgang op St. Helena en dan die beschimping door de alom geachte Lindsay ten overstaan van de hele goegemeente!

   Maar hij blijft overtuigd van zijn eigen  gelijk, wat dat betreft is hij net mijn vader. Alleen gelooft de eerwaarde Maskelyne in het verleden, in de onvergankelijke hemelklok. Mijn vader is zelfs niet tevreden met het heden, hij moet voortdurend iets nieuws verzinnen.

   Dat is altijd zo geweest. Toen ik klein was moest ik leren zingen en hij was pas tevreden als ik net zo zong als zijn viool en hij speelde het elke keer weer anders. Als ik er aan terugdenk, krijg ik tranen in mijn ogen. Het was moeilijk maar uiteindelijk oh zo zoet. Ik zal het mijn vader nooit vergeven dat hij voor die heerlijke muziekavondjes geen tijd meer had.

 

Ik geloof dat ik daar Thomas op het strand zie lopen, met Magdalena en haar vriendin. Hij zwaait. Ik zou er niet aan moeten toegeven maar ‘Bolts Anker’ lokt. Dat kan nog gezellig worden.

 

 

William Harrison keerde in 1764 terug in London met meer dan overtuigend bewijs van het perfect functioneren van het horloge dat John Harrison had geconstrueerd om de lengtegraad op zee praktisch en nauwkeurig te kunnen bepalen. Toch zou het nog tien jaar duren voordat de Britse regering daarin meeging en John de erkenning verleende die hij verdiende.

   Tegen het einde van de 18e eeuw bedroeg het aantal mensen in de Nieuwe Wereld met recente wortels in Afrika ongeveer 30% van de oorspronkelijke bevolking van het Donkere Continent. De handel in en exploiteren van deze mensen was een economische factor van ongekende betekenis voor Europa en Amerika.

   Vanuit Barbados voer in 1764 een Engels slavenschip met een lading suiker en verse slaven naar Amerika. Eén van de slaven werd het eigendom van de Amerikaanse groothandelaar Ezechiël Davids. Als dat niet gebeurd was, zou men in de twintigste eeuw nooit gehoord hebben van Angela Davis, die als activiste en woordvoerster van de Black Panters vanaf 1970 opkwam voor tal van onderdrukte bevolkingsgroepen en die het Amerikaanse gevangeniswezen aan de schandpaal nagelde.

   In 1814 werd de slavenhandel officieel verboden. Twintig jaar later nam het Engelse parlement een wet aan die slavernij in de Britse kolonies verbood. Kort nadat in 1863 in de Nederlandse overzeese gebiedsdelen de slavernij werd afgeschaft, moest na de Amerikaanse burgeroorlog ook het Zuiden van de Verenigde Staten in 1865 het einde van de slavernij accepteren.

   Het zou nog heel lang duren voordat Afro-Amerikanen overal als gelijkwaardig werden beschouwd.

 

Nadat de Conceptión naar de haven van Cayenne was gesleept, had Reinaldo Bolt kans gezien aan de Fransen te ontsnappen. Hij werkte op verscheidene vissersschepen alvorens hij zich uiteindelijk vestigde op Barbados. Zijn herberg ‘Bolts Anker’ groeide uit tot één van de drukst bezochte verblijfsplaatsen van Europese zeelieden, slavenhandelaren en wetenschappers. De waard had verscheidene echte en onechte zonen verwekt zodat het logement gedurende meerdere generaties onder dezelfde naam geëxploiteerd zou worden.  

 

 

 

Barbados was één van de Britse koloniën in het Caraïbisch gebied en bovendien één van de belangrijkste centra van de slavenhandel. De meerderheid van de huidige bevolking stamt af van de Afrikaanse slaven. De slaven werden vanuit Barbados vooral verscheept naar andere eilanden, de Guyana’s en het zuiden van de VS. Op Barbados zelf werden ze voornamelijk te werk gesteld in de suiker -industrie en -plantages.

Thomas Whyatt was een vriend van William die hem vergezelde op de reis naar Barbados.
Nevil Maskelyne was een Engels astronoom die er als priester van overtuigd was dat de juiste manier van tijdbepaling op zee alleen kon worden vastgesteld aan de hand de posities van hemellichamen.
John Lindsay was kapitein van de Tartar, het schip dat William naar Barbados bracht. Het schip vertrok op 28 maart 1764 uit Engeland, maakte een tussenstop in Madeira en arriveerde op 13 mei in Barbados. Toen William met een koopvaardijschip op 18 juli terugkeerde in Engeland bleek zijn scheepsklok slechts 15 seconden achter te lopen.
Sterns zijn meeuwachtige vogels met lange vleugels en staart. Het zijn viseters (duiken) en behendige vliegers.  

Een Venusgang stelt de aardse waarnemer in staat de planeet Venus als een zwart stipje voorlangs de zon te zien bewegen. Nauwkeurige metingen dragen bij aan bij aan een precieze berekening van de afstand tussen de aarde en de zon. Toen Nevil Maskelyne in 1661 de metingen in St Helena wilde verrichten, was het bewolkt.
De Britse regering loofde in 1714 een prijs uit van 20.000 pond voor een praktische en bruikbare methode om lengteposities vast te stellen met een precisie van een halve graad. Met behulp van de scheepsklokken van John Harrison werd dat doel halverwege de eeuw ruimschoots bereikt. Na vele verwikkelingen ontving de ‘eenvoudige’ timmerman pas in 1773 het resterende prijzengeld. Hij werd in 1775 eervol vermeld in het logboek van de Resolution onder bevel van kapitein James Cook.
Angela Davis was tot haar pensionering in 2008 als filosofe verbonden aan de Universiteit van Californië.


Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Babette de Rozières. De Creoolse keuken. Van Dishoeck, 2008.

Dava Sobel. Lengtegraad. Ambo, 1996.

Lawrence Hill. Het Negerboek. Ailantus, 2010.

Angela Davis. Een Autobiografie. Klondyke, 1975.

  

 

 

 

 

SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

  

Oh…

Gelukkig. Je bent er nog. Had half om half verwacht dat je al was vertrokken. Was al bijna naar bed gegaan.

   Mag ik naast je komen zitten?

Sorry dat ik zolang weg ben geweest. Nadat ik met die psychologe heb gesproken - waarover later meer - ben ik bij mijn partner geweest. Ik heb tenslotte ook nog mijn privé bestaan. Daarover ga ik dan ook niets vertellen, behalve dat ik toen de tijd een beetje uit het oog verloren ben. Helemaal vergeten dat jij hier al die stukken uit mijn magistratie zat te lezen. Je zult je wel afvragen of zo'n knettergekke verzameling nog iets te betekenen heeft.

   Eerlijk gezegd weet ik dat zelf ook niet zeker. Misschien kan ik dat mettertijd eens aan die psychologe vragen. Ik herinner me alleen wat me aanvankelijk bewogen heeft. Namelijk, de menselijke neiging om de boel op te lichten. Ik bedoel, hoe kom je er achter wat waar is en wat niet?

   Iedereen beweert te weten hoe het zit. Paters en imaans en ondernemers, geldschieters, regenten en politici, allemaal vertellen ze een ander verhaal als hen gevraagd wordt wat de essentie is van ons bestaan. De één zegt zus, de ander zo. De sociale media lopen over van elkaar bestrijdende meningen, het enige wat je ervan zeggen kan is dat het meningen zijn. Maar wat zijn de feiten? Zelfs geleerden zijn vaak niet in staat om te overtuigen, zonder enige vorm van vooringenomenheid te hanteren. Al was het maar het uitgangspunt dat alles te verklaren is. Zoals bijvoorbeeld het bestaan van TIJD.

   Waarom doet iemand beroep op een speurneus? Om de eenvoudige reden dat men wil weten hoe het werkelijk zit. Wie, wat waar, waarom? Of het nu gaat om alledaagse gebeurtenissen, verdwijningen, moordzaken, of om de grote vragen zoals wie ben ik? waar kom ik vandaan? en wat is de zin van mijn bestaan? Daarmee houd ik mij bezig en dat is de reden van mijn magistraties.

   Ik verzamel stukken die mogelijk een antwoord geven op mijn vragen over oorsprong, toekomst, waarneming en verstand. In die meltkroes van tegenspraak, perspectief, beleving en oordeel komt misschien iets bovendrijven dat, hoppeta, mijn inzicht in één flits verlicht en alles duidelijk maakt. Daarom noem ik mij een emergente speurder, maar de wens is helaas nog steeds de vader van de gedachte. 

   Vergeef me mijn kinderlijke optimisme maar volgens mij maakt het niet uit welke kant het op zal gaan met de wereld. Alle doemscenario's en dystopieën ten spijt, het menselijk vernuft is onuitroeibaar. Je kunt alle klokken stilzetten, de tijd gaat gewoon door. Toch?

 

Genoeg gekletst. Wat wilde je me laten zien?

 

De voortzetting van Sarimanoks emergente detective bureau staat in verband met achterstallig onderhoud en dubieuze beschuldigingen nog onder embargo. 

 

 

 

ANTROPOLOGICA

Wij zijn niet wat wij doen, wij zijn wat wij willen

 

 

 Een deel van de mensheid is besmet met het verlichtingsvirus. Zij beleven de Tijd als een onafhankelijk fenomeen dat altijd en overal bestaat. Het heden wordt voorafgegaan door het verleden en gevolgd door een toekomst. Ook buiten alles om tikt de tijd door.

   Voor anderen, de grote meerderheid, is het juist andersom.  Zij geloven dat Tijd gerelateerd is aan bewustzijn, geest, de ziel der dingen. Zij belijden een sluimerend animisme. Alleen wat nu gebeurt is werkelijk waar, verleden en toekomst kunnen eenvoudig vanuit het heden worden aangepast. Tijd is een illusie. Al wat bestaat is Geest. Wil je de wereld kennen, zoek dan de ziel der dingen.

  

 

 

Het was smerig in de bus. In het gangpad lag een zwerver in iets dat op zijn eigen braaksel leek en bijtijds had Mandy de klodder kauwgom op de bank gespot. Gelaten had ze plaatsgenomen op het gescheurde nappa ertegenover.

   Dan maar achteruit rijden.

   Ze zag graag waar ze heen ging maar het vooruitzicht om in aanraking te komen met dat kleverige plakkaat woog zwaarder.

   Gek eigenlijk. Gisteravond had ze nog met haar tong de kauwgom uit iemands mond gewurmd omdat ze er zin in had. Het had haar opgewonden. Hoe vaak had ze niet gezoend met mannen die hun tanden nooit poetsten? Of erger nog. Bekken met iemand die voortdurend maagzuur oprispte. Geil.

   Ik wil daar nu niet aan denken.

   Door de bevuilde ruit keek ze naar de opstallen die ze passeerden. Sommigen waren omheind en wekten een welvarende indruk, andere leken meer op bouwvallen of pakhuizen vol armoedzaaiers. In de druilerige miezer zagen trouwens zelfs de bloeiende bougainville struiken er troosteloos uit. Maar de voorbijtrekkende omgeving leidde haar gedachten af van haar seksuele obsessies.

   Ze was geen nymfomane. Ze wilde wel met iedereen naar bed, maar ze was geen nymfomane. Ze had ook andere interesses. Ze verlangde wel naar seks, maar ze wilde niet dat het haar bestaan volledig beheerste, dat het haar onmogelijk maakte om zich ergens op te concentreren als ze niet genoeg aan haar trekken was gekomen.

   De bus vertraagde voor een overstekende hond. Het beest had zich kennelijk losgerukt, zijn riem sleepte achter hem aan. Een knappe gozer maakte van de consternatie gebruik om aan te geven dat hij mee wilde. De automatische deuren werden geopend en hij ging achterin zitten. Mandy kon het niet laten om achterom te kijken, maar de jongen had alleen maar belangstelling voor zijn smartphone. Ze onderdrukte haar natuurlijke aandrang om naast hem te gaan zitten. In plaats daarvan keek ze naar buiten.

   Ik wil die kleuternaam niet meer. Ik heet Amanda.

   Ze reden inmiddels langs een open terrein met veel groen. Op de achtergrond staken tegen de grauwe lucht de contouren van grote bouwwerken af, sommige uitbundig, andere zakelijk functioneel. In de verte zag ze hoge schoorstenen, tekenen van industriële activiteit. Als opgestoken vingers om aan te geven, "hier wordt gewerkt". Sommige stootten donkere wolken uit.

   Hoe mannen en vrouwen de welvaart in leven houden,  mannen en vrouwen in welzijn leven, mannen en vrouwen een gat in de rondte neuken …

   Ze schudde haar hoofd. Hier moest een eind aan komen, dit kon zo niet langer. Uit haar tas haalde ze het tijdschrift dat ze van Annelies had gekregen. Nog altijd haar beste vriendin. Ze bladerde wat totdat ze bij het stuk kwam dat de aanleiding was geweest tot deze busreis. Annelies had haar verzekerd dat het de moeite waard was, en 'baat het niet dan schaadt het niet' was haar opgewekte mening. Een spirituele schoonmaakbeurt door een gediplomeerde sjamaan.

 

  

 

Het sjamanisme is een magisch-religieus fenomeen dat mensen in contact brengt met de omringende geestenwereld  teneinde een harmonieuze relatie op te bouwen via genezing en het herstel van de kosmologische balans. De lichamelijke metamorfoses die voortdurend terug te vinden zijn in de kosmologie en mythologie van de indianen kunnen beschouwd worden als de tegenhanger van de westerse spirituele conversies. Wanneer een sjamaan tijdens een ritueel een masker opzet of de huid van een dier om zich heen legt, wordt hij ook echt dat dier, neemt hij de essentie van dat dier over.

 

 

Michael Harner is de grondlegger van het neosjamanisme

Vrijwel iedereen heeft een onderbewust vermoeden van een soort zonering van onze leefwereld: het tranendal dat we aarde noemen, de bovenwereld (hemel) en de onderwereld (schimmenrijk). Velen geven nauwelijks ruchtbaarheid aan dit sluimerende besef. Slechts een enkeling probeert deze kennis zodanig te beheersen dat het hem/haar in staat stelt de verschillende zones niet alleen te betreden maar er daadwerkelijk interactief mee om te gaan. Anders gezegd: wisselen van gedachte met de geesten in boven- en onderwereld. Bij ons doet men daar wat besmuikt over maar in grote delen van de wereld is het schering en inslag.

   De klassieke kosmologische opvatting dat de macrokosmos wordt weerspiegeld in de microkosmos en dat alles op holistische wijze met elkaar samenhangt, wordt door deze gedachtewisseling bevestigd. Zij die de techniek beheersen kunnen zichzelf en anderen genezen en zijn tot op zekere hoogte in staat om de dood te trotseren. Zij garanderen het voortbestaan van de mens. Mits wij hun centrale rol erkennen als hoeders van de moraliteit, genezers van lichamelijke en geestelijke kwalen en bewaarders van schoonheid en harmonie.

   Professor Michael Harner, voormalig hoogleraar antropologie aan de New School for Research in New York, heeft jarenlang antropologisch veldwerk verricht, waarbij hij zich heeft verdiept in de vele technieken en praktijken die verband houden met de contacten tussen genoemde enkelingen en de geesten rondom. Een en ander heeft geleid tot de oprichting van de Foundation for Shamanic Studies (FSS) waarmee hij zijn kennis en vaardigheden heeft overgedragen aan een groot aantal medewerkers en enthousiaste cursisten onder de naam kernsjamanisme.

   Dr. Harner is in 1963 gepromoveerd aan de Berkeley University over zijn onderzoek bij de Jivaro indianen in Noord Peru. Na het gebruik van hallucinerende plantenextracten schreef hij verscheidene wetenschappelijk omstreden boeken die hem een hoge New Age status verleenden. Hij heeft op diverse universiteiten lesgegeven, waaronder Columbia en Yale. Eind jaren 70 richtte hij het centrum voor sjamanistische studies op, voorloper van de FFS, waar cursussen en trainingen gevolgd konden worden. In 2003 werd hij als eredoctor benoemd aan de California Institute of Integral Studies en in 2009 ontving hij de Integrative Medicine Award. Uiteindelijk verleende de American Anthropological Association in Philadelphia hem de verdiende wetenschappelijke erkenning voor zijn jarenlange inspanningen ter bevordering van antropologisch onderzoek naar het belang en de betekenis van sjamanisme.

  

 

Mandy, sorry, Amanda is ergens altijd een pubermeisje gebleven, voortgedreven door een seksuele drift die in de kern zelfzuchtig is en ertoe leidt dat ze afgesloten en ongelukkig wordt. In de puberteit vindt men dat nog normaal maar van adolescenten wordt wel wat meer stabiliteit verwacht, laat staan van een jong volwassene. Seksueel gesproken is Amanda blijven steken in de ontdekkingsfase, waardoor haar seksualiteit een destructieve macht is geworden die haar volledige aandacht opeist. Alleen met de grootst mogelijke concentratie en wilskracht kan ze zich er aan onttrekken. Zoals nu.

   Ik ben Amanda en ik ben op weg naar Miranda. Zij is homeopathisch sjamanka, dat wil zeggen dat ze de harmonie herstelt door mijn hyperseksualiteit te stimuleren. Een soort spiritueel vaccin. Spannend!

   Ze is verdiept in haar esoterische lectuur…

 

 

 

De wereld van de sjamaan (vrouwelijk shamanka) wordt geïnterpreteerd vanuit een 'lichamelijk gezichtspunt': er bestaat slechts één geest en één cultuur, maar vele lichamen en vele naturen. Deze zienswijze staat lijnrecht tegenover het westerse idee van een eenheid van lichamen en een veelheid aan culturen. De 'multinaturalistische' ideeën gaan verder dan het kosmologische gedachtegoed en zetten zich ook om in de dagelijkse sociale praktijk. Zo kan een verandering in eetgewoonten een nieuwe kijk op het leven teweegbrengen. De lichamen van geesten, mensen en dieren zijn dus aan verandering onderhevig en die veranderingen veroorzaken nieuwe inzichten. Gevolg hiervan is dat sociale systemen enorme transformaties kunnen meemaken.

 

 

Interview met Michael Harner door Bonnie Horrigan van Alternative Therapies

 

Wat is sjamanisme?

Het woord 'Sjamaan' vindt zijn oorsprong bij het Siberische Tungus volk en verwijst naar iemand die in een geestestoestand kan geraken waarmee een andere werkelijkheid kan worden betreden. Het was handig om die naam over te nemen omdat niemand wist wat het inhield. Woorden als tovenaar, heks en medicijnman hebben hun eigen, op meerdere wijze uitlegbare betekenis en bijklank. Hoewel de naam uit Siberië stamt, komt sjamanisme over de hele wereld voor.

   Na jarenlang onderzoek heeft Mircea Eliade, antropoloog en autoriteit op het gebied van sjamanisme, halverwege de vorige eeuw vastgesteld dat sjamanisme aan de basis ligt van alle spiritualiteit op aarde met als meest opvallende kenmerk het betreden van een andere wereld in een gewijzigde staat van bewustzijn.

   Sjamanen worden in hun eigen volkstaal vaak 'zieners' genoemd, of 'mensen die weten', omdat ze in  direct contact kunnen treden met andere kennissystemen. Sjamanisme is niet zomaar een geloof. Het is een individuele beproeving teneinde genezing te vinden of kennis te verkrijgen of iets dergelijks. Als de sjamaan zijn werk niet goed doet, wordt hij niet langer door zijn volk geraadpleegd. Als je me vraagt, "Hoe weet je nou of iemand een sjamaan is?" antwoord ik , "Eenvoudig. Betreden ze andere werelden? En verrichten ze wonderen?"   

 

Is sjamanisme een religie?

De uitvoering van sjamanisme is een techniek, geen religie. In veel culturen bestaat het onder de paraplu van gevestigde religies. In Siberië en Japan gaat sjamanisme samen met boeddhisme. In animistische culturen zijn inderdaad vaak sjamanen te vinden. Animisme betekent dat men in geesten gelooft. Geen wonder dus dat in sjamanistische culturen, doordat de sjamaan communiceert met geesten om bijvoorbeeld iemand te genezen, dat men gelooft in het bestaan van geesten. Maar de sjamaan heeft geen religieus geloof in geesten. De sjamaan praat met hen, wisselt met hen van gedachten. Hij gelooft in geesten zoals hij gelooft in het huis waar hij woont of het gezin dat hij heeft. Dit is essentieel: sjamanisme heeft niets te maken met geloven in religieuze zin..

   Sjamanisme sluit ook geen andere ideeën uit. Je zal ze niet horen zeggen dat hun geneeswijze de enige juiste is. Aan een holistische geneeswijze levert de sjamaan de spirituele middelen  terwijl degenen in de gemeenschap die beschikken over andere technieken zoals kruidentherapie , massage en chirurgie, hún steentje bijdragen. De rol van de sjamaan is om te helpen iemand beter te maken, niet om aan te tonen dat zijn geneeswijze de enige is die werkt.

   In veel culturen krijgt de sjamaan geschenken voor zijn werkzaamheden, maar als de patiënt overlijdt, geeft hij die terug. Dat zou wat mij betreft ook een aardige besparing kunnen zijn van ónze gezondheidskosten vandaag de dag.

 

Als ik het goed begrepen heb, zijn er twee kanten aan de sjamanistische geneeswijze: een medische en een spirituele.

Sjamanen praten met planten en dieren, met de hele natuur. Dit is niet bij wijze van spreken. Ze doen dat in een gewijzigde staat van bewustzijn. Door met planten te praten, ontdekken onze eigen studenten  razendsnel dat ze erachter kunnen komen hoe ze met die planten een geneesmiddel kunnen bereiden. Sjamanen doen dit al sinds mensenheugenis. Ze weten van nature veel van planten, maar dat is niet waar het om gaat. Bij de Eskimo´s bijvoorbeeld beschikken de sjamanen nauwelijks over planten, dus gebruiken ze andere dingen. Maar in het Amazonegebied kennen de sjamanen juist veel planten en het bijbehorende gezang, dat ze gewoonlijk van de planten zelf leren.

   Een van mijn vroegere studenten in de VS ontwikkelde een manier om geneeskrachtige planten te ontdekken en te gebruiken met behulp van kennis die hij direct aan de plant ontleende. Hij ontdekte dat de door hem ontwikkelde medicinale bereiding erg veel weg had van de oude, klassiek Chinese farmacologische kennis over de verwerking en toepassing van deze planten bij verschillende kwalen. Een andere student in Duitsland werkte met stenen en kwam erachter hoe ze die kon gebruiken in het genezingsproces. Haar ontdekkingen bleken grote overeenkomst te vertonen met wat in India al eeuwenlang wordt toegepast.

   Hetgeen ons bij een belangrijk punt doen aanlanden: alles wat men ooit te weten is gekomen, alle zaken die überhaupt gekend kunnen worden, heeft de sjamaan in de Droomtijd tot zijn beschikking. Op die manier is het sjamanen gegeven om voorspellingen te doen; op die manier kunnen ze ook terug in de tijd gaan. Door overgave, training en steun van de geesten kunnen ze

 

 

 

 

… totdat ze opnieuw opschrikt van een schokkend remmen. Buiten bewegen auto's , scooters, vrachtauto's en voetgangers volgens een ordelijk plan. Alleen een enkeling lapt elke regel aan zijn laars en zo'n sporadische sociopaat had even het verkeer ontregeld.

   Waarom krijgen die toch zoveel aandacht? Van mij trekt toch ook niemand zich wat aan, nou ja, behalve Annelies. Ingehouden drift, dat is wat men wil. Maar wat ík wil …

   Het zwenkende voertuig drukt haar tegen de vettige armleuning en het kost haar moeite om haar evenwicht te bewaren. De comazuiper rolt in het gangpad maar verroert zich verder niet. Gefascineerd staart ze naar het roerloze lichaam.

   Wij zijn niet wat we doen maar wat we willen. Er is vast wel ergens iets of iemand waar hij echt om geeft. Maar toch …

   Haar aandacht is danig verstoord maar ze dwingt zichzelf verder te lezen.

 

 

 

Wat gebeurt er als een patiënt zich door een sjamaan laat behandelen?

Een sjamaan zou bijvoorbeeld eerst in een diagnostisch trance kunnen raken, om zichzelf op de hoogte te stellen van de spirituele problemen van de persoon in kwestie. Dat hoeft niet hetzelfde op te leveren als een gewone diagnose. Er is geen eenvoudige een-op-een overlap tussen spirituele aandoeningen en gewone kwalen. Het is de taak van de sjamaan om iemands spirituele balans in evenwicht te brengen. De spirituele balans is te beschouwen als een soort geestelijk afweersysteem dat net zo functioneert als ons immuunsysteem. Een sjamaan kan de harmonie herstellen door de balans extra te laten doorslaan, het zwaartepunt zal dan zodanig roteren dat het evenwicht wordt hersteld. Een gezond iemand kan die spirituele omslag bij zichzelf misschien wel alleen bewerkstelligen, maar het is de taak van de sjamaan om mensen te helpen die daar níet toe in staat zijn.

   In onze samenleving wordt het progressief gevonden om het te hebben over de relatie tussen lichaam en geest, maar er is niets schokkends aan het gegeven dat de geest in verbinding staat met de rest van het lichaam. Dat is al eeuwen bekend. Waar het naar mijn mening werkelijk om gaat bij sjamanisme is dat de sjamaan weet dat we niet alleen zijn. Ik bedoel, wanneer iemand zich vol overgave wijdt aan verlossing van zijn medemens, raken de geesten begiftigd en reiken zij een helpende hand. Wanneer een emotioneel onbevangen persoon iemand uit mededogen en barmhartigheid van zijn kwalen kan genezen, gebeurt er echt een wonder – en met twee of meer sjamanen gaat het nog beter. Het bijzondere van sjamanisme is dus niet zozeer dat je geest je lichaam kan genezen, maar dat we niet alleen zijn.

 

Wat verstaat u onder zielsherstel?

Wie met een trauma rondloopt, is in sjamanistische zin een stuk van zijn ziel kwijt. Met 'ziel' bedoel ik de spirituele brandstof die iemand zijn leven lang nodig heeft, waarbij men in onze samenleving vindt dat het leven reikt vanaf de conceptie of geboorte tot het moment van overlijden. Ziel-herstel technieken zijn middelen om het zielsverlies te genezen en het is één van de klassieke sjamanistische werkwijzen om op zoek te gaan naar verloren delen van de ziel en deze te herstellen. Ongeveer zoals je op een computer oude bestanden kunt herstellen.

   Als je tegenwoordig mensen vraagt, "Wie van jullie heeft het gevoel dat er een stuk van je ziel ontbreekt?" krijgt steevast van iedereen een bevestigend antwoord. Wie er goed over nadenkt, beseft het maar al te goed. Trouwens, zielsverlies is altijd te behandelen, ook als het door een tamelijk onbeduidend traumaatje worden veroorzaakt.

   Een andere sjamanistische techniek is uitdrijving. Daarmee kun je een spirituele indringer verwijderen. Spirituele indringers veroorzaken een soort infectie, maar dan van de ziel. Het gaat niet zozeer om 'kwade geesten' of demonen. Je kunt ze beter vergelijken met muizen op zolder. Die zal je ook niet direct vereenzelvigen met het 'grote kwaad', maar je gaat ze wel wegjagen. Op vergelijkbare wijze verjaagt de sjamaan dingen die je gezondheid aantasten, zoals spirituele indringers, en drijft ze uit. Daarvoor hoeven ze niet in een andere wereld te treden. Een speciale bewustzijnstoestand volstaat om dat te bewerkstelligen.

 

Hoe brengt de sjamaan zichzelf in zo'n bijzondere staat van bewustzijn?

Van de bewustzijns-veranderende technieken wordt in 9 van de 10 gevallen gebruik gemaakt van monotoon ritmische geluiden, meestal uitgevoerd met trommels, maar ook wel met stokken, ratels en andere instrumenten. In hooguit 10% van de gevallen gebruikt de sjamaan psychedelische drugs om zijn bewustzijnstoestand te veranderen.

   In 1961 maakte ik kennis met de Conibo indianen in Peru en was daar getui…

 

 

 

 Het roerloze lichaam komt plotseling tot leven. Met een verwilderde oogopslag staat de slordige busreiziger overeind en schuift gejaagd langs Amanda naar de uitgang.  Hij ruikt anders dan ze had verwacht, maar een onaangename lucht is het wel. De bestuurder heeft de wederopstanding gesignaleerd en dirigeert zijn voertuig naar de kant om de verfomfaaide verschijning uit te laten stappen. Nog even draait hij zijn hoofd in haar richting en kijkt ze recht in zijn ogen. Zijn blik is zowel vol als leeg. Een gedrogeerde spookverschijning. Maar er gaat wel een mysterieuze aantrekkingskracht van hem uit. Een ogenblik overweegt ze om hem achterna te gaan maar bijtijds bedenkt ze dat haar bestemming vandaag elders ligt. Vandaag gaat ze naar de homeopathische sjamaan Miranda. En dat is bij het eindpunt.

 

 

Sommige sjamanen helpen zowel de doden als de levenden. Zo iemand noemen we een psychopompos of zielsgids. Bedenk wel dat je voor een sjamaan ook dood bent als je in coma ligt. Iemand die bewusteloos is kan door een sjamaan geweigerd worden. Het is niet de bedoeling van het sjamanisme om mensen tegen hun wil hier te houden. De sjamaan weet immers dat dit niet persé de beste wereld hoeft te zijn. Als je stervende bent of overleden, is het de taak van de sjamaan om ze naar de plek van hun keuze te geleiden en niet om ze hier te houden als een soort zombies.

   Spirituele onteigening is nauw verwant aan uitdrijving, maar absoluut niet hetzelfde. In de meeste gevallen worden dit soort onteigeningen, waarbij de slachtoffers al zijn overleden, uitgevoerd door levende doden, mensen die onder ons zijn en niet weten dat ze dood zijn. Als de ziel wordt onteigend, komt men in een soort vacuüm terecht, net als bij zielsverlies.

 

 

 

Wat een macaber verhaal is dit. Ik heb zoiets wel eens in een horrorfilm gezien. Heeft die professor dit allemaal zelf bedacht? Wat een freak. Die man is knetter stoned of knettergek. 

   Het idee van levende doden (of dode levenden) gaf Amanda de kriebels. Wantrouwig keek ze naar haar medereizigers. Dat waren er niet veel meer. Voorin zat nog een ouder stel maar die waren te ver weg (zowel in de bus als in leeftijd) om lang bij stil te blijven staan. Op de bank voor haar zat iemand die zo klein was dat ze die niet zien kon. Eigenlijk wist ze niet eens zeker of die plaats nog wel bezet was. De gedrogeerde vagebond (?) had de bus verlaten, zat er alleen nog die jongeman achterin. Uit een ooghoek zag ze dat hij nog steeds verdiept was in zijn game. Of was het facebook? Hij zag er trouwens wel lekker uit, echte een 'stuk'.

 

 

Zielsonteigening gaat niet in elke cultuur op precies dezelfde manier, maar de grondbeginselen zijn gelijk. Ik hoop dat ook bij ons ooit zal worden ingezien hoe groot de behoefte is aan een goede samenwerking tussen sjamanen en de reguliere geestelijke gezondheidszorg.

 

Waarom gebeurt dat niet al, volgens u?

Enigszins als reactie op de grote invloed van de kerk in Europa, verordineerde de wetenschap helaas dat een ziel en andere spirituele entiteiten niet echt bestaan en daarom geen deel uitmaken van een natuurwetenschappelijke theorie. Dat is nou wat je noemt een vooringenomen mening; anders gezegd, ironisch genoeg een geloofsverkondiging uit de 18e eeuw. In feite heeft de wetenschap nooit kunnen bewijzen dat geesten niet bestaan. Ik stel voor dat in de 21e eeuw het hoog tijd wordt om af te rekenen met een wetenschap die is gebaseerd op geloof

 

 

Op dat moment stopte de bus. Het eindpunt was bereikt. Van hieraf moest ze lopen. Via de app had ze al gezien welke kant ze uit moest. Het was niet ver en ze vond het wel leuk om door de stoffige straatjes te slenteren. Het ouder echtpaar was nog bezig uit te stappen terwijl 'het stuk' zich al haastig uit de voeten maakte. 

   Er waren weinig mensen op straat. De enige auto's waren van lokale bewoners en stonden wat rommelig geparkeerd langs de weg.  Overal hing een sfeer van ingedutte onverstoorbaarheid.

   Alsof de tijd hier stil is blijven staan.

   Na een korte wandeling bereikte ze het pleintje waar Miranda haar praktijk had. Het bordje aan de gevel van haar hoekhuisje liet er geen twijfel over bestaan: Praktijk voor Sjamanisme en Homeopathie. De deur stond open.

   Een moment brak Mandy als een manestraal door de nevelen maar Amanda sloot haar wolkendek en stapte vastberaden naar binnen. Daar kwam Miranda haar al met gespreide armen tegemoet.

   "Aarzel maar niet, lieve meid. Kom binnen, kom binnen, ik had je al verwacht. Wil je thee? Natuurlijk wil je een kopje thee. Ik ben gek op thee. Dan valt alles zo lekker van je af".

   Amanda vermoedde dat het niet om Pickwick ging en bovendien had ze dorst. De grote kamer die ze binnengingen zou zelfs op een koude winterdag nog een warm gevoel geven. Zowel de vloer als de muren waren bedekt met hoogpolig tapijt. Het hele interieur oogde zacht en pluizig. Alleen het plafond en de ramen waren glad.

   Niet gek, maar ze zal hier heel wat moeten stofzuigen.

   "Niet gek, hè. Maar het vereist wel wat onderhoud."

   Miranda gebaarde naar een bijzonder uitnodigende massagetafel.

  "Ga daar maar liggen. Ontspan je lekker. Ik ga de thee inschenken."

   Amanda strekte zich uit op de comfortabele bank die haar inderdaad een weldadig gevoel gaf. Ze voelde Mandy schurken tegen haar binnenkant. Alleen al de geur van de thee maakte haar soezig.

   Miranda reikte het glas aan met de aromatisch dampende essence. Ze had op verschillende plaatsen in de kamer wierook en kaarsen ontstoken en liep naar het venster om de gordijnen te sluiten.

   "Het is je eerste keer, hier. Ik weet van je probleempje, je hebt me dat al laten weten. Je hebt vast wel eens gehoord dat sjamanen wonderen kunnen verrichten als ze samenwerken. Dat is met gewone artsen wel eens anders, ha ha. Wij zijn straks met z'n viertjes."

   Ze lachte innemend over de rand van haar theeglas. Op hetzelfde moment kwamen de sjamanen binnen. Eén van hen was de jongeman uit de bus. Hij droeg nu een soort jurk, net als Miranda.

   "Het homeopathisch principe luidt similia similibus curentur, het gelijke wordt door het gelijke genezen."  

   Geboeid zag Amanda hoe ze zich van hun kleding ontdeden. Er liep een rilling over haar rug.

 

  

 

 

 

De zoektocht naar de ziel strandt meestal in een strijd tussen lichamelijk en geestelijk verlangen. Een soort holistische aandrang naar totale eenheid. De vereenzelviging van de ziel met die innerlijke kracht is niet voorbehouden aan mensen, maar aanwezig in alles wat bestaat. Alles streeft naar een doel, het teleologisch principe.

   De rationele geest verwijst dit soort zweverige spiritualiteit naar de prullenbak als esoterisch gezwets: ziel en geesten zijn geen meetbare fenomenen en dus onbestaanbaar. Het bestaan van hun eigen geest, de verstandelijke logica, valt echter moeilijk te weerleggen.

 

 

Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

Georges Bataille. De erotiek. Arena, 1993

Valeer Neckebroeck. Antropologie van de godsdienst. Leuven University Press, 2008

Jacob van Slavenburg. Vrijen met God. Walburg Pers, 2015

Piers Vitebski. De sjamaan. Librero, 2003

 

 

 

 

 

L&B: GRAFSEKS                   SACRALE EROTIEK

 

 

Archeologische opgravingen hebben in het noorden van Sumatra oeroude overblijfselen van sjamanistische rituelen blootgelegd. De vondst vertoont grote overeenkomst met vergelijkbare opgravingen in de Sudan en Japan: grote aantallen varkensbotjes en schildpadresten, geflankeerd door zinnelijk vormgegeven stenen beeldjes in een patroon dat overeenkomt met de contouren het menselijk lichaam. Het tafereel wordt geheel bedekt door een paar speciaal bewerkte kraanvogelvleugels en ademt de geest van sacrale erotiek: de door de vogelveren aan het zicht onttrokken beeldjes suggereren expliciete seksuele handelingen. 

 

Ook in Zuid Amerika getuigen meerdere archeologische begraafplaatsen van erotische rituelen, al zijn deze minder gedateerd en zijn de vleugels afkomstig van grote roofvogels zoals condors. Voorts zijn er prehistorische rotstekeningen in de Andes gevonden, die niet alleen jachttaferelen tonen, maar ook zinnenprikkelende afbeeldingen die de rouwende toeschouwer tot een andere gemoedstoestand lijken te willen bewegen.

 

Volgens emeritus hoogleraar David Lewis-Williams van de Universiteit van Johannesburg kunnen dergelijke rotstekeningen, die ook op verschillende plaatsen in Europa zijn aangetroffen, eveneens als resultaat van sjamanistische activiteiten worden beschouwd. Het geheel suggereert dat het afscheid van de dode gepaard ging met het verwekken van nieuw leven.

 

Wereldwijd zijn er inmiddels voldoende aanwijzingen om ervan uit te gaan dat sjamanisme een universele uitdrukking is van de menselijke spiritualiteit. Vermoed wordt dat de spirituele mystiek ten grondslag ligt aan de vroege ontwikkeling van alle religies. Alleen de sacrale erotiek is verbannen uit de meeste hedendaagse godsdiensten.