DRUPPELS

Een massa tranen is nog geen verdriet1

De veronderstelling dat een fenomeen kan worden gereduceerd tot alleen maar zijn kleinste bestanddelen is onjuist want er gaat veel meer verloren dan alleen massa. Dat wordt duidelijk als de omgekeerde weg wordt bewandeld: zodra een toename van die bestanddelen een bepaalde grens overschrijdt, doemt er een emergente eigenschap op. Als uit het niets.

   

 Gebrek aan biologische specialisatie en een min of meer grenzeloos aanpassingsvermogen hebben de verspreiding van Homo sapiens over de aardbol tot een succes gemaakt. Typerend voor generalisten is dat ze veel uiteenlopende kenmerken hebben en bij ons kunnen dat zelfs antipoden zijn binnen een enkel individu. Dat leidt soms tot geestelijke gespletenheid maar ook wel tot geniale creativiteit (en in het zeldzame geval van Erik/Bolt tot beide).

     Een combinatie van diepe devotie (het irrationele geloof in een bovennatuurlijk, goddelijk wezen) en rationele logica (de onweerlegbare empirische cyclus) is als een splijtzwam in de geest van grote denkers. Hoe die twee te verenigen? Daarover spraken Kurt Gödel en Albert Einstein tijdens hun dagelijkse omzwervingen over de campus van Princeton. In de hoop op een antwoord. Niet over wiskundige onvolledigheid of algemene relativiteit, maar over hoe die te verenigen met God.

     De katholieke priester en wiskundige Georges Lemaître moest het raadsel in zijn eentje oplossen. Maar hij had wel het voordeel dat hij zowel alfa als beta was. Hij bedacht dat de gigantische oceaan van ruimtetijd ooit was begonnen als een minuscuul goddelijk druppeltje. Door zijn idee wiskundig te onderbouwen schonk hij zijn geestverwanten hoop: God als een reusachtige ontploffing.

   

 

 

Het strijklicht van de zonsondergang accentueerde de bloeddoorlopen poelen die getuigden van een desastreuze neerslag, in elke betekenis van het woord. De gruwzame schoonheid van opspattende modderkluiten en metaalscherven vormden het resultaat en het decor van universele angst, woede en verscheurdheid. De late zonnestralen waren de eerste sinds weken die deze contreien nog een beetje kleur gaven  maar een vreugdevol gezicht werd het niet. Geen sprankje hoop maar een flikkerend zwaard was het dat de hemel openbrak. Het kapmes van de massamoordenaar.

    Jankend struikelde een laatste overlevende over de lijken en lichaamsdelen, liet zich omlaag glijden langs de glibberige helling en dook in de duistere schaduwen van een opengesperde krater ineen. Huiverend speurde hij naar beschutting. Om hem heen lagen jongens – of wat daarvan over was – zoals hijzelf maar niemand bewoog meer. Het enige leven in de weide omtrek was het onophoudelijke kanongebulder. Slijmerig water sijpelde langs de wand van de kuil des doods.

    Dat hij vrijwillig aan deze waanzin was begonnen, speet hem nog steeds niet. Maar het bevel om met zijn maten over deze heuvelrug te marcheren had hem verbijsterd. Scherp omlijnde  silhouetten waren ze geweest. Tegen een heldere achtergrond. Betere schietschijven had de vijand zich niet kunnen wensen. Die namiddag. Hij was de laatste geweest, juist toen een wolk het zonlicht dempte. Ze hadden hem gemist. Hij was de enige die nog ademde. 

 

 Het begon allemaal met zo’n harde knal dat niemand precies wist wat er aan de hand was, de klap was voldoende dichtbij en luid geweest dat het oorverdovende lawaai van de exploderende granaten daarna niet meer te horen was,  de opspattende modder en rondvliegende armen en benen lieten geen twijfel bestaan over de vernietiging die gaande was. Van de weeromstuit kreeg hij een lachstuip die onmiddellijk werd afgebroken door een snik alsof hij geen adem meer kreeg. Hij viel met zijn gezicht in een plas en proefde een metalige smaak. Het geluid rondom werd weer hoorbaar, geschreeuw en gejammer en doffe dreunen die zich leken te verwijderen, ineens weer zo’n allesoverheersende slag, hij besefte dat het nog niet over was. Hij wilde voor dood blijven liggen maar kon de drang niet weerstaan zijn hoofd op te richten en te kijken, te zien. Hij keek tegen de onderkant van een paar laarzen die anderhalve meter voor hem over de rand staken van de ondiepe kuil waarin hij lag. Het slik op de bodem was vuilgrijs met bruine vlekken. Een bleke wortel stak omhoog uit de grond. Net op het moment dat hij zich wat verder wilde opheffen om over de rand meer van de omgeving te kunnen zien, ontplofte er weer een kraker vlakbij en nog voor hij zijn hoofd kon terugtrekken, sloegen onbestemde kluiten over de rand, een druppel liep over zijn wang en drong tussen zijn lippen, het smaakte als de loop van een pistool in zijn mond.

    Ineens moest hij aan zijn moeder denken. De aandacht die ze hem gaf, met een hoofdknik, een vage glimlach, een berisping zelfs, had hem onkwetsbaar gemaakt. De deken die ze over hem heentrok als hij slapen ging, benadrukte zijn geborgenheid, ook al was hij zich dat toen niet bewust. Hij vleide zich neer in de warme modder en heel even voelde hij iets van behagelijkheid.

    De gedachte was maar kort want als vanzelf moest hij aan zijn broertje denken en hij verstijfde. Jacques! Hij had hem al een tijd niet meer gezien! Hoe zou hij er aan toe zijn? Met een mengeling van schuld en spijt drong het tot hem door dat hij niets voor hem had kunnen doen.

    Sinds hun aanmelding had hij Jacques in de smiezen gehouden maar in de heksenketel van het laatste verzamelkamp was hij hem kwijtgeraakt toen zijn broer op zoek was gegaan naar minder opvallende kledij dan de Franse uniformen waarmee ze hen opgezadeld hadden. Broertje had zich de moeite kunnen besparen bedacht hij grimmig met een blik op wat hij ooit zijn ‘pantalon rouge’ had genoemd. Bij het schijnsel van een neerdalende lichtgranaat zag hij nu ook dat uit één van de laarzen boven zijn hoofd gestaag een stroompje bloed neerdaalde waardoor zijn broek alsnog weer rood kleurde.

 

   Met een schok kwam hij tot zichzelf. Waar kwam die lichtgranaat vandaan? Waren de moffen op zoek naar schietschijven? Of zocht één van onze compagnies naar overlevenden?

 Met verstijfde vingers controleerde hij zijn uitrusting. Een pistool had hij nog. En patronen, al waren die doordrenkt. Modder of bloed? Zijn gasmasker was weg. Niets te eten. Geen veldfles. Gelukkig was het weer gaan regenen. Hij likte de druppels van zijn lippen.   

 

 In de grauwe ochtendschemering schrok hij uitgeput op uit een soort koortsige sluimer. Het was de stilte die hem gewekt had. Geen kanongebulder. Geen mitrailleurgerammel. Maar nu hoorde hij wel een vreemd geritsel. Zochten ze hem? Wie oh wie?!

    Nadat hij zijn angst had overwonnen en een blik over de rand van de krater wierp, zag hij dat het erger was. Overal stonden poelen water vol lijken van soldaten en allerlei soorten dieren. Opgeblazen paarden, varkens, koeien, losgerukte ledematen en rompstukken. Het geritsel, zag hij nu, werd veroorzaakt door talloze ratten – die vieren feest – en de waterloopjes die naderbij stroomden. Nog even en ze zouden de krater bereiken.

    Nu pas drong het tot hem door dat het onophoudelijk had geregend, dat hij doornat was en dat zijn kuil al aardig volliep. Hij kon hier niet blijven.

    Op hetzelfde moment begon het schieten weer, dichterbij maar minder luid. Het weerhield hem ervan om over de rand te klauteren zoals hij van plan geweest was. In plaats daarvan drukte hij zich ruggelings tegen de wand van de krater en staarde naar de neervallende druppels. Het was net of ze uit één punt kwamen.

    Toen rook hij het. De prikkelende geur vulde zijn neusgaten en ontlokte nog even een nostalgisch beeld van de huiselijke schoonmaak toen de schrik hem om het hart sloeg. Gas! Ze hadden hem gewaarschuwd. Hij moest als de wiedeweerga een gasmasker veroveren. Op het kapotgeschoten lichaam dat uit de laarzen stak die boven zijn hoofd hingen had hij zojuist een masker gezien. Maar dan moest hij wel zijn kuil uit. Hier blijven en stikken of daarboven aan flarden? Zijn dreigende ademnood dwong hem ruggelings omhoog te kruipen. Hij had zijn verkleumde botten nog niet naast het lijk gewerkt of hij hoorde het mitrailleurgeratel en voelde de inslagen in het lichaam naast hem. Amai, hazard! In een handomdraai had hij het gasmasker geplaatst en bleef voor dood op zijn rug liggen.

 

   Hoe lang hij daar naar de neervallende druppels had liggen staren kon hij zich later niet herinneren. Geregeld was hij buiten kennis geweest. Ook had hij gedroomd, dat hij nog geen masker op had, dat hij het van een losse kop moest afscheuren, alsof het masker ermee vergroeid was. Als hij wakker lag luisterde hij naar het schieten dat zich leek te verwijderen. Het geritsel daarentegen kwam dichterbij. Hij vroeg zich af wie erger waren, de moffen of de ratten, en kiest voor de ratten, die eten tenslotte ook Duitse lijken. Maar als ze hem ook voor een lijk aanzagen zag het er niet goed voor hem uit. Als hij opstond werd hij door de moffen neergemaaid, bleef hij liggen door de ratten aangevreten.

    Tijdens een wakend ogenblik hoorde hij vreemde plofjes. Heel voorzichtig draaide hij zijn hoofd en zag nog net hoe een verkrampt lijfje vanaf het opgezwollen koeienlijk in het water rolde. Onmiddellijk daarop hoorde hij de mitrailleurkogels rakelings langs zijn hoofd suizen en in de modder ploffen. Voor dood blijven liggen was de beste optie, de ratten hadden geen gasmaskertjes, voor hen hoefde hij niet meer te vrezen. Zolang het licht was bleef hij, ondanks de stank, bewegingloos naast het opengescheurde lijk liggen. Als hij geluk had zou hier helemaal niets meer bewegen zodat zelfs de mof er na verloop van tijd genoeg van kreeg en geen aandacht meer voor hem zou hebben.

 

 Het liep anders. Na uren roerloos staren naar de spetters op het glas van zijn masker zag hij in die waterdroppels een schaduw voorbijglijden. Klaarblijkelijk was de wasem van zijn levensadem, die hij tot een minimum probeerde te beperken, onopgemerkt gebleven.

  Toch durfde hij minuten later pas zijn hoofd licht te verheffen. In de verte zag hij de gebogen silhouetten van twee Duitse soldaten in de richting sluipen waar hij zijn compagnie – of wat ervan over was - vermoedde. Ik lig hier goddomme achter … Maar zijn gedachte werd onderbroken door driftig mitrailleurvuur. Dit keer verschafte het hem enig genoegen: de sluipende gestalten werden overtuigend kapotgeschoten. Schaamte en opwinding streden om voorrang. De Verlossing is nabij. Mijn God, vergeef mij. Heel voorzichtig schoof hij langs het levenloze soldatenlijf dat hem beschermd had en glibberde langs de kadavers door het water dat bezaaid was met rattenlijkjes. Half poedelend half sluipend bewoog hij zich in de richting die de Duitsers gegaan waren. Angstvallig hield hij zijn mond boven water en drukte zich tegelijkertijd zo plat mogelijk in de blubber.

    Het was ondertussen steeds donkerder geworden en windstoten sloegen de regen tegen omlaag zodat de opspattende druppels zijn geploeter overstemden en camoufleerden. De gedachte bekroop hem dat hij als een pantoffeldier door de oersoep pulseerde. In den beginne, in den beginne … Tranen vulden zijn ogen toen hij de dode moffen passeerde, jongens van zijn leeftijd, terwijl in de verte iemand in zijn eigen taal riep: “Hou vol!” Hij beet op zijn lip en proefde opnieuw de pistoolloop in zijn mond. Een druppel bloed loste op in zijn kwijl en verdween in het slijk. Hij wilde iets roepen maar een weeë walm ontnam hem de adem.

 Vlak voor hem puilde een enorme bult op uit de modder. Wat hij voor een tamelijk luwe schuilplek had gehouden bleek het opgeblazen lichaam van een mens. Een vrouw, zag hij, nu de gescheurde jurk niet langer het door verteringsgassen opgezwollen lijf bedekte. Ze moest al enige tijd dood zijn. Haar bleke borsten wekten een morbide aandrang op in de ingewanden van de adolescente maagd. Schaamte en opwinding streden om voorrang. Opnieuw. De Verlossing is nabij. Mijn God, vergeef mij.

    In hoeverre zijn smeekbede werd verhoord, kon alleen hijzelf weten. Vergisting van haar werkloze darmen had precies op dat moment een gasspanning bereikt die niet langer door het verstijfde weefsel kon worden weerstaan. Met een enorme knal spatte het lijk uiteen.

    Beduusd staarde hij naar de smurrie. Erger zou het nooit kunnen worden. Hij wendde zijn hoofd naar de hemel. Druppels spoelden zijn gelaat schoon. Tranen van God? In de hel bestond geen regen. Hij haalde diep adem in weerwil van de afgrijselijke stank. Niets kon hem meer deren. Hij rolde zich op zijn zij, trok zijn benen op en sloot zijn ogen. Onmiddellijk viel hij in een diepe, droomloze slaap. In de schoot van de TIJD.

   

 

 

  

George Lemaître publiceerde zijn idee over de oerknal in 1931, 13 jaar na WO1. Lang heeft hij geaarzeld om zijn hypothese te openbaren, vanwege de te verwachten scepsis, niet zozeer vanuit religieuze hoek zoals bij Darwins evolutietheorie, maar binnen de wetenschappelijke wereld waar men hem verweet dat hij als wis- en natuurkundig opgeleide priester de wetenschap wilde gebruiken om het christelijk scheppingsverhaal te ondersteunen. Pas nadat Edwin Hubble zijn theorie over het uitdijende heelal in 1929 had gepubliceerd, durfde Lemaître het aan. Overigens heeft hij steeds met klem volgehouden dat geloof en wetenschap twee verschillende spirituele activiteiten zijn die zich elk op een eigen domein afspelen. Zolang deze maar niet vermengd worden, zijn geloof en wetenschap twee verschillende wegen naar dezelfde bestemming: de waarheid (wat dat dan ook mogen zijn).

 

 

 


Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

Hans Andriessen. WOI. De eerste wereldoorlog in foto’s. Rebo Productions, 2013

Louis Barthas (vertaald door Dirk Lambrechts). De oorlogsdagboeken ‘14-‘18. Bas Lubberhuizen,  2012

Alexander van Biezen. Tussen geloof en wetenschap. Georges Lemaître, paus Pius XII en de oerknaltheorie. Dissertatie KU Leuven, 2014.

Dominique Lambert. Lemaître. Veen Magazines, 2012

Govert Schilling. Evoluerend heelal. Fontaine Uitgevers B.V., 2009

Simon Singh. De oerknal. Arbeiderspers, 2005

 

 

 

   Maar, wat is een oceaan anders dan een massa druppels?

                                                                                                                                                                  David Mitchell, 2004