HET LEZEN VAN MAG2 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Amnesty International:    NL45 TRIO 0198 1000 00     www.www.amnesty.nl

De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 

 

 

De gelovige raadpleegt kaarten of gaat te rade bij een hex

Tig ezels torsen een schilderstukje met de pretentie van eeuwigheid

Iedereen gaat dood en niemand weet wat er dan gebeurt

We vormen een vlechtwerk langs de pijl des tijds

Apocalyptische profetieën die wortelen in een vermeende zonde

Bieden slechts een misvormd inzicht in de zin van ons bestaan

 

 

 

  

 

 

 

 

 

HOROSCOOP

De coherente loop der gebeurtenissen

 

  

Als je er niet speciaal op let, gaat de Tijd ongemerkt aan je voorbij. Vanuit een ander perspectief lijkt de Tijd op een trein die geen enkel station aandoet. De vraag is of je in die trein nog wat bewegingsvrijheid hebt; of is de gijzeling zo streng dat je de coupé niet verlaten kan?

De Tijd heeft ritme, als eb en vloed, warm en koud, als licht en donker, maar wat is haar lied?

   Om de schijn te wekken dat je de Tijd kunt beheersen, heb je haar in stukken gehakt. Jaren, uren, seconden. Bestaat er ook een ondeelbaar stukje Tijd? Een Tijd-atoom? Of misschien wel een supersnaar van de Tijd? Volgens de kwantummechanica komen natuurlijke fenomenen alleen in brokjes (kwanta) voor, dus waarom zou dat niet ook voor de Tijd gelden?

   We reizen allemaal naar de toekomst, maar die blijft ongewis. Of heeft iedereen een kaartje naar het eindstation. Zonder het te weten?

 

 Op 14 april 1963 was het op de dag af duizend jaar geleden dat de vader van Gerbert van Orlhac werd doodgeslagen. De bijgelovige goegemeente zag in zijn vakkundig gesmede kroonrad de hand van de duivel in plaats van een technologische innovatie. Samen met het echappement zou het kroonrad het hart vormen van alle mechanische uurwerken die we kennen.

   In het eerste millennium was het niet ongebruikelijk dat men vroegtijdig aan zijn einde kwam. Het gevolg van deze gebeurtenis was evenwel dat Gerbert een rol van betekenis zou gaan spelen op het wereldtoneel (lees: Europa). Als Paus Sylvester II zou hij in uiteenlopende kringen worden herinnerd als tovenaarsleerling en duivelsgezant.

    Op 14 april 1505 zat de slotenmaker Peter Henlein wat schetsjes te maken in een bedompt vertrek binnen de muren van het Franciscaner klooster in Neurenberg. Hij had zich daar teruggetrokken om aan rechts-vervolging te ontkomen omdat hij bij een straatgevecht zijn collega Georg Glaser had doodgeslagen. Om de tijd te doden maakte hij wat schetsjes en zo kwam het eerste ontwerp voor een draagbaar klokje tot stand.

    Op 14 april 1629 noteerde Constantijn Huygens dat zijn gemalin, Suzanna van Baerle, probleemloos was bevallen van een gezonde jongen. Suzanna was bang geweest dat haar baby niet in orde zou zijn omdat ze tijdens haar zwangerschap een jongen had aangestaard die een misvormd gezicht had; een nog veel voorkomend bijgeloof in die tijd. De jonge Christiaan was prima gezond van lijf en leden, maar al op jonge leeftijd – mogelijk gedurende zijn uithuizige waarnemingen aan de hemel of tijdens de ploetertochten langs het biesbos op weg naar Antwerpen en Parijs – werd hij besmet met moeraskoorts (malaria). De aanvallen hinderden hem zo ernstig in zijn rusteloze zucht naar kennis dat hij regelmatig zijn levenslust verloor en deze pas herwon als hij enige tijd in het ouderlijk huis in Voorburg had doorgebracht.

   Toen de uitvinder van het slingeruurwerk overleed aan zijn kwaal, was dat precies 276 jaar, 8 maanden en 24 dagen voordat op 14 april 1972 Louis Essen gedwongen werd zijn baan bij het NPL in Teddington op te zeggen wegens zijn niet aflatende kritiek op het idee dat licht een absolute snelheid zou hebben. Essen had de eerste atoomklok gebouwd in 1955 en wordt tegenwoordig beschouwd als de grondlegger van de standaard seconde als moderne tijdeenheid. Communicatie via satellieten zou onmogelijk zijn zonder toepassing van de relativiteitstheorie maar ook zonder de exacte vaststelling van de lichtsnelheid door Essen.

   De geschiedenis van de tijdmeting gaat niet over rozen. In het voorjaar van 1773 kreeg de timmerman John Harrison – nadat hij het grootste deel van zijn leven intimidatie en vernederingen had getrotseerd – zijn verdiende beloning voor het bouwen van een zeewaardige chronometer. In de zomer van 1775 sprak de legendarisch ontdekkingsreiziger James Cook vol lof over het Horloge.

   Zonder een dergelijke uitvinding waren zeevarende ontdekkers overgeleverd aan giswerk.

   Op 12 oktober 1492 zette Christoffel Columbus voet aan land van Guanahani (San Salvador) in de veronderstelling dat hij de oostkust van India had bereikt. Hij verbaasde zich erover dat de primitieve cultuur die hij er aantrof niet overeenstemde met de rijke beschavingen die Marco Polo had beschreven maar hij stelde zichzelf tevreden met de constatering dat deze ‘Indianen’ zonder veel inspanning onderworpen en gekerstend konden worden.

   Maar ook ondanks een deugdelijke uitvinding werden ontdekkers slechts schoorvoetend geloofd.

   In de zomer van 1674 ontdekte Anthoni van Leeuwenhoek een krioelende wereld van klein grut in een waterdruppel. Klokvormige wezentjes met zwiepende staarten. Wormpjes die afwisselend langgerekt en samengetrokken zich voedden met behulp van trillende haartjes rondom een soort inkeping. Draadvormige algen met groene stippen. Zelfs bacteriën nam hij waar al noemde hij ze kleijne diertgens. Niemand die hem geloofde. Geen wonder, want hij zag ze met behulp van zijn eigen uitvinding. Hij werd pas serieus genomen toen anderen met hun eigen ogen de microwereld mochten aanschouwen.

   Sommige ontdekkingen hebben genoeg aan wat huisvlijt.

   In het najaar van 1859 bereidde Anna Heinz een verse tomatensaus die niet alleen heerlijk smaakte maar, ondanks het late jaargetijde, ook nog mooi rood was. Niemand die dat begreep. Zij vertrouwde haar familie toe dat ze de tomaten grondig had gewassen voordat ze in de kelder werden opgeslagen. Ze had ontdekt dat zorgvuldige hygiëne het rottingsproces beduidend terugdrong. In de winter van 1876 gingen haar zonen Henri en John de tomatenketchup met succes aan de man brengen.

   Andere ontdekkingen vereisen strenge waarnemingen.

   In het voorjaar van 1849 ontdekte Henry Bates waarom er zoveel verschillende bont gekleurde vlinders rondvliegen in de bossen van Brazilië. De opvallende insecten werden door vogels met rust gelaten en hij had een jonge vogel zo’n kleurig hapje zien uitspugen. Toen hij zijn verwondering wilde delen met zijn reis-genoot Alfred Wallace, merkte deze op dat veel giftige planten waren aangevreten. Waren dat misschien de rupsen van de bonte vlinders geweest? Nader onderzoek wees uit dat dat inderdaad het geval was. Maar niet altijd. Wallace’ suggestie was onjuist geweest. Het meningsverschil droeg er aan bij dat later dat jaar de jongemannen elk hun eigen weg gingen.

   Uitvinders lagen geregeld met elkaar overhoop. Meestal over octrooien, soms over diefstal.

   Op 26 november 1840 presenteerde de schuchtere geleerde Charles Wheatstone de eerste elektrische klok aan het Koninklijk Genootschap in Londen. Enkele maanden later bleek dat het ontwerp toebehoorde aan de berooide uitvinder Alexander Bain. Niemand weet of Wheatstone, die meer van dit soort akkefietjes had, het slachtoffer was van zijn eigen verstrooidheid of dat Bain, die een bedenkelijke reputatie had, het bijna-slachtoffer was van de 19e eeuwse klassenstrijd. Niettemin verwierf hij op 14 april 1841 het octrooi op de eerste elektromagnetische telegraaf.

   Op 14 april 1786 presenteerde Emile Depéri in Parijs een appelvormige klok waarin hij een speeldoos had gemonteerd. Het ontwerp intrigeerde de jonge Napoleon Bonaparte. In 1804 liet hij het muziekmechaniek vervangen door een explosief en rustte er een speciaal grenadiers onderdeel mee uit. De elitetroepen hadden tot taak om de granaatappels tussen de vijandelijke linies te werpen. In de latere wereldoorlogen werden handgranaten veelvuldig gebruikt waardoor nog geregeld onontplofte exemplaren worden gevonden.

 

 

 

 

 

Op 14 april 20.. staat Erik Hazepad voor het raam van zijn kamer op de 7e etage van het universiteitsgebouw. Hij kijkt uit over het parkeerterrein, de toegangswegen, met verderop de landerijen en daarachter het silhouet van de grote stad. De zon is over zijn hoogste punt.

    Hoe lang nog?

  De vraag heeft geen betrekking op een apocalyptisch doemscenario of angstvallige verwachting van zijn eigen dementie. Hij is jong en kerngezond, geniet van zijn eerste (geheime) opdracht voor Het Instituut en heeft een broertje dood aan onheilsprofeten. Hij is een ras-optimist, leedwezen en berusting zijn (nog) geen opties.

   Nee, de vraag gaat over een geheimzinnige toezegging van enkele jaren geleden.

   In het begin van het derde millennium werd Erik benaderd door een hem onbekende medewerker of bezoeker – welke van de twee was niet duidelijk – van onbepaalde leeftijd. De man (of jongen) had een Aziatisch voorkomen, een glimmende schedel en hij droeg witte gympen onder een sjiek kostuum. Hij stond plotseling naast Eriks bureau en had, met een nauwelijks verstaanbare stem, zijn naam genoemd of voor zichzelf vastgesteld dat hij de juiste persoon voor zich had – welke van de twee kon Erik niet met zekerheid zeggen.

   De man (of jongen) had hem een bolletje overhandigd ter grootte van een stuiter – het herinnerde Erik aan de knikkers uit zijn kindertijd, een glasachtig lichaampje met daarin een fonkelend kroontje. Volgens de bijgaande brochure in het Gurmukhi ging het om een futuristische informatiedrager: dit bolletje zou alle wetenswaardigheden over de mensheid gedurende de komende halve eeuw bevatten.

   Maar Erik was die taal niet meester. Enigszins geïrriteerd, maar ook geboeid, had hij gevraagd wat er van hem werd verwacht. De man had hem verzekerd dat “everything would be revealed in due time” en “all you have to do … is swallow.”

    Dat heeft hij tot nu toe niet gedaan, hij slikt niet zomaar alles. Maar zijn nieuwsgierigheid wordt danig op de proef gesteld. Vandaar.

 

 

 

 

 

ਗਨੋ . ਗਨੋਮ . ਤਿਆਰ ਲੇ ਗਨੋਮ ਰੀਲਿਜ਼ ਵਮਹੀਨਿਰਜਨ .੩੨ ਠੀ ਛੇ ਤੋਂ ਪਿਛਲੇ ਤਿੰ ਠੀਕ ਆਂ ਆਇਆ ਹੈ, ਜੋ ਪਿੱਛੋਂ ਪਹਿਲਾਂ ਕਿ ਹੈ ਤਾਬਕ ਇਸ ਵਿੱਚ ਛੇ ਮਹੀਨਿ ਰਣਨੀਨਗਨੋਮ . ਪਿਗ ਛੋਂ ਨੋ ਹੀ ਤੀ ਮੁ ਪਿੱ ਛਲੇ ਜ਼ ਵਰਜਨ .੩੨ ਤੋਂ ਰੀਲਿ ਆਂ

   Wat hier staat is onleesbaar. In het Gurmukhi staat er ook onzin.

   Ieder mens wordt geboren met talenten, om een taal te leren spreken, om symbolen te leren begrijpen, om de wereld te doorgronden. Aangeboren nieuwsgierigheid is grensverleggend in ruimte en tijd. Niet alleen de wereld, de microkosmos en het heelal worden steeds verder van hun sluier ontdaan, ook historici, archeologen en paleontologen leggen in toenemende mate het verleden bloot. Toch levert die kennis-verrijking geen wezenlijke verandering op. Ontdekkingen onthullen slechts wat er al was.

   Het zijn de emergente innovaties die een kwaliteit vereisen die niet iedereen gegeven is, namelijk scheppingskracht. Creatieve genieën hoeven niet super begaafd te zijn, zelfs tegenslag biedt geen garantie. Doorslaggevender is hun motivatie, doorzettingsvermogen, concentratievermogen en doelbewustheid, allemaal kenmerken van kunstenaars en uitvinders. En een flinke dosis mazzel is ook nooit weg.

   Mocht iemand ooit een (tele)tijdmachine uitvinden, dan zijn er twee opties: reizen naar de toekomst of reizen naar het verleden. Op reis naar morgen is niets bijzonders, dat doen we ook zonder machine. Wat de uitvinding interessant zou maken, is, dat je er sneller mee vooruit (met de tijd mee) kunt reizen dan je omgeving. Het probleem is dat de toekomst niet bestaat. Er zijn ontelbare scenario’s en naarmate je verder in de tijd vooruit gaat neemt het aantal toe. Bovendien is er in de tele-toekomst alleen dát wat zich sneller dan normaal door de tijd heeft verplaatst. De rest bestaat nog niet en is dus leegte, duisternis, is als vóór de oerknal.

   Een reis naar de vorige dag moet kunnen, in gedachten, daar hebben we ons geheugen voor. Wat verder terug in de tijd wordt het lastiger maar met wat technische hulpmiddelen komen we een heel eind. Tenslotte ligt het verleden vast, het is gestolde toekomst. Alles wat is, is door het voorgaande gedetermineerd. Dat is tevens het voornaamste probleem: alles wat is, kan alleen vooruit in de tijd. De pijl van de tijd heeft één richting. Alleen in gedachten kun je reizen door de tijd.

   Het idee om naar de toekomst te kunnen reizen hangt samen met de opvatting dat de toekomst gedetermineerd is, zoals in de religieuze en astrologische lotsbestemming. De betrouwbaarheid van een voorspelling hangt af van de mate van determinatie. Er is ook een wiskundige interpretatie die de pijl van de tijd omkeert (syntropie in plaats van entropie; zie hieronder). De oorzaak van gebeurtenissen ligt dan in de toekomst. Dat zou een theoretisch bezwaar tegen tijdreizen kunnen wegnemen.

 

 

 

 

 

Hasan Pacha werd op 16 juli 1945 in de namiddag verwekt. Zijn vader had gediend in het Brits-Indische leger en was als krijgsgevangene in een Duits oorlogskamp geïnterneerd was geweest. Na zijn terugkeer in India had hij Hasans aanstaande moeder op het veldje in zijn armen genomen en haar achter hun huis in Visakhapatnam nagenoeg verkracht.

   Op het moment van de conceptie werd in New Mexico de Drie-eenheid (Trinity), ’s werelds eerste atoombom, tot ontploffing gebracht.

 

Vlak voor de conceptie wordt de eicel omringd door duizenden spermatozoïden. Op het moment dat er één binnengaat, sluit de eicel de deur voor alle anderen. Af en toe gebeurt het dat meerdere zaadcellen de eicel binnendringen waarna de zygote afsterft. Een hele enkele keer ontwikkelt zich een polyploïd organisme, dat wil zeggen dat het aantal chromosomen in de celkern beduidend groter is dan de gebruikelijke paren die tijdens de bevruchting ontstaan. In de zeldzame gevallen dat zo’n wezen blijft leven is er meestal sprake van een mozaïsch organisme waarvan sommige cellen normale genparen bevatten terwijl in andere cellen sprake is van polyploïdie. Aan de buitenkant hoeft men er niets van te zien maar van binnen kan er iets heel bijzonders aan de hand zijn. Het zijn de afwijkende dingen die de loop der gebeurtenissen een unieke wending kunnen geven.

   Was Hasan Pacha zo’n bijzonder wezen?

 

De voorspoedige bevalling kreeg een domper toen bleek dat het baby’tje niet wilde lachen. Bovendien begon het pas voorzichtig woordjes te hakkelen toen het al een peuter was. Het kind leek in een eigen wereld te leven. Speelgoed werd gesloopt, stoeien deed hij niet, alleen boekjes konden hem vermaken.

   Toch bleek Hasan een pienter ventje. Hij had naast het Telugu (dat ze thuis spraken) weinig moeite met de overige dialecten die in Andhra Pradesh werden gesproken en hij verslond de populaire Amerikaanse stripboeken over fantastische ruimteavonturen en tijdreizen. De meeste families in het India van de jaren vijftig hadden geen geld om hun kinderen naar school te sturen, maar Hasans familie behoorde tot de klasse die het zich kon veroorloven om voor onderwijs te betalen. Een nadeel was dat het nogal ver reizen was naar de school die zijn vader goed genoeg vond, zodat Hasan werd ondergebracht bij zijn tante, de zuster van zijn moeder. Alleen tijdens de schoolvakanties was hij thuis, de overige tijd bracht hij door op school en, buiten de school stond hij onder het ‘strenge’ toezicht van tante Das.

   Eigenlijk heette zijn tante Dastiaar maar iedereen noemde haar Das. Als er iets moest gebeuren in de familie – en familie was een ruim begrip in Andhra Pradesh –was zij altijd de klos. Per slot van rekening gaf ze altijd toe, of het nu ging om op een van de kinderen te passen of om een vergeten boodschap te halen. Niemand maakte bezwaar tegen haar vanzelfsprekende mantelzorg. Net zomin iemand rekening hield met haar bekommering om het kind dat haar was toevertrouwd. Daardoor kon ze hem niet de aandacht geven die ze misschien wel wilde.

   Hasan vond het wel prettig dat hij zijn gangetje kon gaan zonder dat zijn vrijheid werd beperkt door een betuttelende tante. Hij fantaseerde over ontdekkingsreizen op zoek naar een verborgen schat. Doolde hij rond in de pakhuizen en schuren die meestal niet goed waren afgesloten. Zwierf hij over zanderige landjes die dienst deden als vuilstortplaats en voldoende beschutting gaven om er je behoefte te doen. Scharrelde hij tussen de haveloze krotten en schrale moestuintjes verderop.

   Soms vond hij een schat: het skelet van een vogel dat nog leek te bewegen, een fles met geheimzinnige inhoud, de vruchten en knollen die hij plukte of opgroef en die hij zich goed liet smaken. Zijn tante had hem gewaarschuwd om niet alles in zijn mond te stoppen maar tijdens zijn omzwervingen was zijn tante ver weg.

In een smetteloos uniform – tante Das kweet zich gewetensvol van haar taak als wasvrouw - liep Hasan dagelijks naar zijn school. Langs de kramen met koopwaar, ongevoelig voor de afgunstige hoon die zijn apenpakje soms uitlokte, vaak in gedachten bij de wonderlijke wereld van zijn stripboeken en broedend op een vraag over een van de vele ongerijmdheden die hem zo boeiden. Een enkele keer nam de meester er de tijd voor om niet alleen hem maar de hele klas te wijzen op de malligheid van die fantasiewereld. Dan vertelde de meester soms dingen die nog veel fantastischer waren. Zoals die keer dat Hasan gevraagd had waarom ‘de man met de g-ogen’ soms dingen zag (in een hogere dimensie) die niemand anders kon zien. Nadat de meester had gehamerd op de onzinnigheid van ‘de man met de g-ogen’ had hij het verhaal verteld over “Platland, de tweedimensionale wereld waar men alleen punten, lijnen en vlakken kent. Als op zekere dag Platland wordt doorkruist door een bol, ziet iedereen eerst een uitdijende cirkel verschijnen die een tijdje later weer kleiner wordt, om tenslotte te verdwijnen in een punt. Niemand heeft ooit zoiets gezien in Platland en men moet toch een bijzonder soort fantasie hebben om het te begrijpen.”

   De kinderen in de klas vonden het veel leuker om naar die rare verhalen van de meester te luisteren dan saaie sommen te maken en ze vroegen Hasan altijd of hij nog zo’n gekke vraag had. Hij had zich wel eens afgevraagd waarom de helden uit zijn strips nooit baden maar hij wist niet of hij dat kon vragen. Op school zag hij ook nooit iemand bidden. Dat zijn helden ook nooit aten, poepten of hun handen wasten, kwam volgens hem omdat de tekenaars je niet wilden vervelen met de alledaagse sleur. Maar bidden was bijzonder.

   Na zijn krijgsgevangenschap in Duitsland had Hasans vader veel tijd gestoken in het lezen van de Koran. Hij hield zich trouw aan de verplichte salat en bezocht elke vrijdag de masdjit al-djami. De afgelopen schoolvakantie had hij Hasan ingewijd in de rituelen van het gebed. De jongen vond het prachtig. Allah was een echte superheld en hij kon zich niet voorstellen dat de helden uit zijn stripboeken nooit van hem gehoord zouden hebben. Allah was de baas van alle helden!

   Op school liepen kinderen rond van hindoestaanse en, zoals hijzelf, islamitische huize en de meester las geregeld voor uit zowel de Koran als de Mahabharata. Sinds een paar kinderen van Europese ouders bij hen in de klas zaten, las hij ook voor uit de Bijbel. Godsdienstonderwijs beperkte zich op de liberale school tot het voorlezen van spannende verhalen, religieuze interpretaties en gebed ware uit den boze.

   De meester en zijn leerlingen vonden de verhalen uit de Mahabharata trouwens het meest meeslepend. Het waren echte heldenverhalen, zonder de moralistische ondertoon die de meeste verhalen uit de Bijbel en Koran kenmerkten.

   Met één van de nieuwe kinderen, Ilya heette hij, had Hasan al snel vriendschap gesloten. Ilya bleek net als hij te dwepen met fantastische vertellingen, of ze nu van de meester kwamen of uit een van de stripboeken bij hem thuis. Ilya’s vader werkte bij een grote handelsfirma en was zelf een groot liefhebber van fantasieboeken. Science fiction noemde hij die. Het gezin zou voorlopig in Visakhapatnam blijven en Ilya had een enorme verzameling stripverhalen.

   Hasan kwam dikwijls bij Ilya thuis.


Op zijn 11e verjaardag, inderdaad, op 14 april 1957, kreeg Hasan een boekje cadeau over de pijl van de tijd van Arthur C. Clarke. Hij las het in één adem uit. Natuurlijk had hij genoten van het spannende avontuur maar voor het eerst begon hij zich af te vragen wat die pijl van de tijd precies betekende. En natuurlijk was het de meester die een stukje van het onbekende wist te onthullen. Bovendien nam hij Hasan apart om hem iets te vertellen over “de entropie, die alleen maar kan toenemen naarmate de tijd voortschrijdt en die een reis naar het verleden, zoals in het verhaal van Clarke, tot een absolute onmogelijkheid maakt.”

   Diep onder de indruk van wat de meester verteld had, stortte Hasan zijn hart uit bij Ilya. Reizen naar het verleden kon helemaal niet, de schrijvers waren leugenaars, de verhalen waren onzin.

   Ilya merkte dat de desillusie van Hasan heel diep zat en hij wilde hem troosten: “Maar het zijn wel spannende verhalen. En waarom zouden we niet naar de toekomst kunnen reizen? Daar heeft de meester niets over gezegd”.

 

Entropie is de wanorde van een systeem en volgens de 2e hoofdwet van de thermodynamica neemt de entropie in het heelal altijd toe. Als we bijvoorbeeld na een spelletje scrabble alle letters in de doos gooien, liggen ze allemaal door elkaar. Dat vinden we heel vanzelfsprekend. Zelfs als we het heel voorzichtig doen. De kans dat alle stenen met de letters omhoog liggen, is al klein; laat staan dat de letters in een volgorde liggen die een leesbare zin oplevert. We kunnen natuurlijk wat sjoemelen en een paar woorden maken. Er is dan een beetje orde maar ook wanorde. Het kost moeite – lees: energie – om enige orde in de volgorde van de letters aan te brengen. Het kost geen enkele moeite om ze door elkaar te husselen. Er is een astronomisch aantal mogelijkheden waarop de letters dan kunnen liggen en de kans dat er een herkenbare mededeling verschijnt, is minuscuul. Als dat niet zo was zou scrabble maar een stom spelletje zijn; dan had je altijd goede woorden op je plankje staan.

   Om de samenhang tussen de entropie en de pijl van de tijd te illustreren, kun je de filmbeelden bekijken van een glas dat op de betegelde keukenvloer valt: het breekt in duizend stukjes. Als je de film terug zou draaien, zie je dat duizend stukjes zich tot een glas verenigen; iets dat in strijd is met onze dagelijkse ervaring. Orde kan spontaan veranderen in wanorde, maar nooit omgekeerd. De tijd zoals wij die ervaren verloopt altijd in de richting van een toenemende wanorde of entropie. Als we, met veel inspanning en energie, uit de chaos iets ordelijks weten te scheppen, komt daar zoveel verloren energie, meestal warmte, bij vrij dat de totale entropie in het heelal is toegenomen. Dit geldt anno nu, maar ook gedurende de miljarden jaren van stoffelijke evolutie waarbij structuren en levensvormen ontstonden. De daarvoor benodigde energie, voornamelijk afkomstig van de zon, was slechts een fractie van de totale hoeveelheid energie die door de zon, ongebruikt, het heelal werd in geslingerd.

   Zou Hasan Pacha die wet ooit naar zijn hand kunnen zetten?

 

Enkele jaren later staarde Hasan dromerig door het raam van het scheikundelokaal naar de keurig onderhouden tuin van het lyceum. De amanuensis was bezig een demonstratie van de Belousov-Zhabotinsky reactie voor te bereiden en onwillekeurig dacht Hasan terug aan vroeger.

   Ilya’s vader, meneer Pozner, had zich over hem ontfermd toen tante Das tamelijk onverwacht was overleden. Niemand van haar familie zag het zitten om de zorg voor de jongen over te nemen en meneer Pozner had voorgesteld dat de jonge Hasan bij hen zou intrekken, hij was er toch al kind aan huis. Daarna verloor Hasan ook nog eens zijn moeder wat hem net zo aangreep als het verlies van tante Das. Beide vrouwen hadden hem altijd heel erg vrij gelaten – sommigen vonden dat ze weinig interesse in de jongen toonden – maar ze hadden altijd voor hem klaar gestaan als het nodig was. Hij miste ze en was verbijsterd dat de twee zussen hem zo kort na elkaar waren ontnomen.

   De dood was onvermijdelijk, dat wist hij ook wel. Maar verdriet berustte op herinnering. Kon je verdriet maar wegnemen zonder je geheugen aan te tasten, zonder vergetelheid maar met een soort wedergeboorte. In een ander universum. Meneer Pozner had hem een verhalenbundel gegeven over Al-Mu’tasim en andere fantastische vertellingen. Dat had hem inderdaad troost gegeven. Wat was er eigenlijk mis met luchtkastelen? Wat was er zo fantastisch aan een geloof in een ander universum? Wat mankeerde er eigenlijk aan een geloof …?

 

Het multiversum is de verzameling van oneindig veel parallelle universums (waar het onze één van is) die elk het resultaat vertegenwoordigen van elke (maar steeds andere) ooit gemaakte keuze.

   Reductionisten geloven dat die keuzes al bepaald zijn vanaf de positie en beweging van de subatomaire deeltjes bij het begin van de oerknal. De kwantummechanica trekt dat is twijfel op grond van Heisenbergs onzekerheidsprincipe. Snaartheoreten beroepen zich op het anthropisch principe en een kleine kosmologische constante om een duizelingwekkend aantal heelallen te realiseren.

   Godgeleerden hanteren het concept van een multiversum ter rechtvaardiging van een almachtige en goede God: ook al is onze wereld verre van volmaakt, ergens bestaat perfectie.

 

Hasans vader had zich na het verlies van zijn vrouw nog heftiger overgegeven aan de islamitische geloofsbelijdenis. Hij betreurde de toenemende onverschilligheid van zijn zoon als het ging om de salat en vermoedde zelfs dat er bij de familie Pozner geen rekening werd gehouden met de eetregels die werden voorgeschreven door de Islam. Toen hij tijdens de Ramadan op bezoek was geweest, had Hasan midden op de dag lopen eten alsof de puber wilde tonen dat hij geen enkele zelfbeheersing had. Met lede ogen had hij ingezien dat zijn zoon vergiftigd werd met Westerse verlangens en heidense ideeën. Het conflict dat daarna tussen zijn vader en meneer Pozner was ontstaan, had ertoe geleid dat de jongen het huis was ontvlucht.

   Hij had zich ontzettend opgelaten gevoeld. Kon zijn vader moeilijk afvallen terwijl de familie Pozner zich zo liefdevol over hem ontfermd had. Hij wist zichzelf geen raad, het liefst  had hij alles ongedaan gemaakt.

   Kon hij de klok maar terugdraaien, dan zou hij zijn vader in de waan laten door een schijnheilig toneelstukje op te voeren. Volgens zijn vader viel hij toch niet meer te redden. Hij geloofde voor geen meter in de wereld van zijn vader, hij moest zijn eigen weg gaan. Maar het kriebelde wel.

 

Syntropie of negentropie is het tegenovergestelde van entropie en keert de pijl van de tijd om waardoor de oorzaak van gebeurtenissen naar de toekomst verschuift. De wiskundige afleiding die leidt tot de vergelijking E = mc2 bevat een vierkantswortel uit een negatieve variabele. In plaats van dit imaginaire getal te aanvaarden hebben  theoretische fysici besloten om het te negeren. Negatieve tijd is tenslotte een absurditeit.

   Zou Hasan Pacha die absurditeit ooit aanvaardbaar kunnen maken?

 

Afwisselend opstandig en gelaten peinsde hij over die domme volwassenen terwijl hij in rusteloze verbetenheid urenlang rondzwierf. Hij vroeg zich af wat hem te doen stond. Hij overwoog zelfs om naar zijn oude school te lopen om zijn vroegere meester om raad te vragen. Maar daar zag hij van af, hij wist nu al dat de goede raad (ga toch naar huis, jongen) niet aan hem besteed zou zijn. Zijn trots weerhield hem om weer bij de familie Pozner aan te kloppen al verlangde hij naar Ilya.

   De vele pakhuizen en loodsen in het havengebied gaven hem een vertrouwd gevoel en hij besloot  daar een plekje te zoeken. Al was het maar voor één nacht, morgen zag hij wel verder. Er was altijd wel ergens wat eten en drinken te vinden. Op school zou hij met Ilya de toekomst bespreken. Zijn vriend had soms opbeurende ideeën.

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Martin Amis. De pijl van de tijd. Olympus, 2013

Anton Blok. De venieuwers. Prometeus-Bert Bakker, 2013

Jorge Louis Borges. De geschiedenis van de eeuwigheid. Bezige Bij, 1985

Arthur Charles Clarke. De weerbarstige orchidee. Bruna Science Fiction, 1973

Michio Kaku. Reis naar de toekomst. Nieuw Amsterdam, 2011

Ben Pirard. Het grijpbare Niets. Brave New Books, 2005

Rüdiger Safranski. Goethe en Schiller. Atlas-Contact, 2010

John Vermeulen. Het genie in de rattenval. Kramat Litura, 2009

Gerbert van Aurillac (Saint-Simon, Auvergne, 946 – Rome, 1003) vond het (nog primitieve) echappement uit. Daarmee kan hij worden beschouwd als de grondlegger van het mechanische uurwerk.
Peter Henlein (Neurenberg, 1479 – Neurenberg, 1542) ontwierp het eerste horloge met veeraandrijving. Dat was tevens het eerste draagbare uurwerk.
Christiaan Huygens (Den Haag, 1629 – Den Haag, 1695) vond het slingeruurwerk uit. Hoewel de betekenis van de slingerbeweging voor een zuivere tijdmeting al door Galileï was geconstateerd, ontwierp Huygens de klok en gaf de Haagse klokkenmaker Salomon Coster opdracht voor de productie.
Louis Essen (Nottingham, 1908 – Great Bookham, Surrey, 1997) was de uitvinder van de caesium klok. Hij raakte in diskrediet door zijn verwerping van Einsteins relativiteitstheorie.
John Harrison (Foulby, Yorkshire, 1693 – Londen, 1776) heeft de (scheeps)chronometer uitgevonden. Ondanks de deining en verandering van de temperatuur bleef het uurwerk gelijkmatig lopen en kon men ermee de exacte lengtegraad bepalen.
Er zijn veel beroemde ontdekkingsreizigers maar Marco Polo, Christoffel Columbus, en James Cook zijn waarschijnlijk de bekendste. De Venetiaan Polo ontdekte het Chinese keizerrijk, de Genuees Columbus toonde aan dat de Atlantische oceaan kon worden overgestoken en de Brit Cook heeft grote delen van het zuidelijk halfrond en de Stille Oceaan in kaart gebracht.
Anthoni van Leeuwenhoek ontdekte de wereld der microben. Hij heette eigenlijk Thonis Philipszoon maar noemde zichzelf Van Leeuwenhoek naar de Leeuwenpoort naast zijn geboortehuis in Delft. Van Leeuwenhoek had geen academische opleiding, maar hij was heilig overtuigd van een verborgen wereld. Hij wordt wel een zeventiende eeuwse Ziggy Stardust genoemd (David Robert Jones) of de Bellenblazer van de Microkosmos.  
Anna Heinz was de moeder van Henri Heinz die fortuin zou maken met de verkoop van voedingswaren. Haar recept van mierikswortelpasta leverde Heinz' eerste product op. Tomatenketchup was was al een populaire smaakmaker maar werd alleen thuis gemaakt. Heinz' introductie was meteen een succes: smakelijker, zachter, mooie kleur en geen gedoe meer in de keuken. De typische achthoekige glazen fles werd in eigen beheer gemaakt.
Henry Bates en Alfred Wallace waren in het voorjaar van 1848 in Belém aan de monding van de Amazone aangekomen, van waaruit ze het tropisch regenwoud introkken. Bates publiceerde in 1862 zijn idee over nabootsing (mimicry) en Wallace publiceerde samen met Darwin over het ontstaan van soorten (natuurlijke selectie).
Charles Wheatstone (Barnwood, Gloucestershire, 1802 – Parijs, 1875) vond onder meer de concertina (trekharmonica) en kaleidophone (apparaat om geluidstrillingen zichtbaar te maken) uit.
Alexander Bain (Watten, Schotland, 1811 – Glasgow, 1877) staat bekend als de uitvinder van de elektrische klok.

 

 

De toekomst voorspellen is een reële optie als het gaat om tijdreizen. Wie een blik wil werpen op de toekomst kan dat doen via de ’navelstreng’ van de tijd die een toekomstige gebeurtenis verbindt met alle er aan voorafgaande oorzaken. Die navelstreng is als een gevlochten kabel (ons verleden) die vanaf ons heden in talloze draden uitwaaiert (alle mogelijke parallelle universums als basis van alle mogelijke scenario’s). Eén of enkele toekomstscenario’s op basis van keuzes ter voorkoming van bijvoorbeeld een pandemie kunnen worden vergeleken met één of enkele toekomstscenario’s waarin zo’n pandemie wel plaatsvindt. Een supercomputer-programma maken dat voldoende overtuigingskracht heeft om dit te bewerkstelligen wordt serieus overwogen. Het verzamelen van voldoende relevante data is echter alleen te realiseren als elke bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt afgeschaft.

 

SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

  

Ik weet wat je vragen wil. Hoe is het mogelijk dat Pacha en ik dezelfde ongebruikelijke naam dragen, terwijl mijn ouders uit de Filipijnen komen en de zijne uit India? Zo gangbaar is die naam niet. Alleen onze Aziatische trekken hebben we gemeen. Dat mijn naam genoemd wordt op het geboortekaartje van Hasan Pacha zegt wellicht iets over de Islamitische achtergrond van zijn vader (sarimanok staat voor ‘geluk’ bij de oorspronkelijk islamitische bevolking van het Filipijnse Mindanao), of over de hindoestaanse voorouders van zijn moeder (Sarimanok zou een avatar zijn van de hindoestaanse harpij Garuda, het vliegtuig van Vishnu en de verslinder van het kwaad).

   Onze bedenker vond mijn naam vast mooier dan de zijne. 

Waarschijnlijk is het gewoon toeval, hoeveel mensen hebben niet dezelfde naam zonder aanwijsbaar oorzakelijk verband? Al gelooft niet iedereen dat toeval werkelijk bestaat. Sommigen denken dat alles al van te voren door God is vastgelegd (predestinatie) en anderen vermoeden dat we gewoon onvoldoende details kennen om het oorzakelijke verband te zien (reductionisme). Met de onvolledigheidstellingen van Gödel en de onzekerheidsrelatie van Heisenberg in gedachte lijkt het reductionisme inmiddels aan populariteit te hebben ingeboet.=Ten bate van de emergentie. Om te begrijpen hoe alles is ontstaan. En nog steeds ontstaat. Ons gedrag, om maar wat te noemen, is nauwelijks te volgen zonder de hele context erbij te halen. Net zoals dat rare gewiebel van bijen in hun korf, dat Karl von Frisch de kwispeldans noemde=, alleen begrepen kan worden vanuit de hele kolonie. De meeste onderzoekers en detectives houden er nog ouderwetse ideeën op na. Ze leiden iemands beweegredenen overwegend af uit zijn of haar innerlijke drang. Ze zien een aberratie in de samenleving die moet worden weggewerkt terwijl die samenleving dat gedrag juist oproept. Moraliteit lijkt niets anders dan een middel om de massa in toom te houden. Als ikzelf iemand moet opsporen ga ik uit van de verandering. Iemand is verdwenen, dus er is iets veranderd. De oorspronkelijke motivatie is er niet meer. Alles is vergankelijk. Soms vraag ik me af …

   Sorry, ik laat me weer eens gaan. Ik heb soms van die ingewikkelde gedachten, die moeten er dan uit. En als dat gebeurt, wordt het ook voor mijzelf een stuk duidelijker. Het is allemaal geklets maar toch zit er wat in.

   Ik lees graag, dat had je zeker al begrepen. Maar wat een onzin wordt er geschreven. Je moet vaak je best doen om te snappen wat er wordt bedoeld. Zoals de opwarming van de aarde, dat is zo’n vaag verhaal dat niemand kan bewijzen. De hele aarde? Of alleen een stukje? Misschien wordt het ergens wel stervenskoud. Is dat waar het om gaat?

   Maar goed, laat me je eerst vertellen wat dat gesprek zojuist heeft opgeleverd. Je wil het niet geloven, maar ik ben in staat van beschuldiging gesteld! Ze beweren dat ze overtuigend bewijs hebben dat ik informatie zou hebben gestolen. Ha! Het enige bewijs bevindt zich in de kamer hiernaast en daar kunnen ze geen weet van hebben. Toch? Voor zover ik weet in zo’n kooi van Faraday nog altijd ondoordringbaar, een digitale superkluis. Ze zijn er echt op uit om mij monddood te maken, maar dan hebben ze buiten de waard gerekend. Ze zullen nog raar opkijken.

   Ik heb een link gevonden naar de ware rol van de democratie. Daaruit blijkt ontegenzeggelijk dat het hele systeem in stand wordt gehouden door de agenten van dat systeem zelf: de mensen waaruit het systeem is opgebouwd. En als iemand daar tegenaan schopt, schopt-ie tegen de mensen. Daarom zal de democratie niet makkelijk omver geschopt worden. Maar je kunt natuurlijk proberen om iets te veranderen. Door een boek te schrijven bijvoorbeeld.=

   Ik heb ook iets gevonden over moraliteit. Daarvoor geldt hetzelfde. Iedereen denkt het verschil te kennen tussen goed en kwaad, maar dat ethiek bestaat om de status quo te handhaven …?=

Nee, ik ben niet voor één gat te vangen.

   Wacht, wat hoor ik toch? Oh ja, dat mobieltje dat ik van je gekregen heb! Ik moet nog wennen aan dit muziekje. Vind je het wat? Eigenlijk werkt het op mijn zenuwen, dat uitgemolken gejengelbel=.

“Hallo, Sarimanoks emergente recherche eenheid?

Wat zegt u?

Ja, dat klopt.

… ... ...

Ogenblik, dan maak ik een paar aantekeningen.

… ... ...

Kan ik u daar over terugbellen?

… ... ...

Oh? Ja, dat wil ik wel doen..

...

Eh … nee …. maar dat maakt niet uit. Ik ga daar wel achteraan.

Ja, dat is goed. Bedankt voor uw telefoontje.”

 

   Dat was die politiepsychologe naar wie ik bij BZ op zoek was. Hoe ze aan mijn telefoonnummer is gekomen is mij een raadsel. Maar ja, ze werkt tenslotte bij de politie, daar zijn het niet allemaal minkukels.

   Ze vertelde me dat haar vriendin zoek is. Een zeker Amanda. Het is geen politiezaak, er is geen aangifte gedaan. Alleen zij weet ervan. En wij nu.

   Ik heb met haar afgesproken. Over een paar uurtjes al. En voor die tijd moet ik nog het een en ander opzoeken. Dus als je me nu wilt excuseren. Er ligt hier voorlopig nog genoeg voor je. Ik neem tenminste aan dat je nog niet mijn hele magistratie hebt doorgewerkt. 

Naarmate detaillistische kennis verfijnder wordt, heeft de kwantummechanische onzekerheidsrelatie meer invloed. In tegenstelling tot Heisenbergs bijdrage aan Hitlers atoomprogramma ondervond zijn bijdrage aan de interpretatie van de kwantummechanica (1927) we-reldwijde waardering. Het leverde hem in 1932 de Nobelprijs op. Kurt Gödel toonde in 1931 overtuigend aan dat elk wiskundig systeem is gebaseerd op ten minste één onbewezen stelling (axioma). Volgens hem was dat het ultieme godsbewijs, volgens anderen het einde van de micro-reductionistische ‘Theory of Everything’ (ToE). Zoals veel genieën leed Gödel aan vervolgingswaanzin en geloofde hij in complottheorieën. Uit angst voor vergiftiging overleed hij in 1978 door zichzelf uitte hongeren. Uit de stelling van Gödel kan worden afgeleid dat het onmogelijk is alle stellingen tot een beperkt aantal axioma’s te herleiden. En op het universele kwantumniveau van de werkelijkheid hebben de elementaire wetten door onzekerheidsrelaties hun deterministische (= reduc-tionistische) betekenis verloren. De ontwikkelingen in de vorige eeuw hebben bijgedragen aan een nieuwe visie op de werkelijkheid en op het ontstaan van onze wereld (het heelal, het leven, ons bewustzijn). Het hedendaagse beeld is gelaagd en wordt emergent genoemd. De emergentie komt tot uitdrukking in de meerwaarde van de hogere lagen ten opzichte van de onderliggende lagen van de werkelijkheid. Op een hoger niveau van werkelijkheid zijn eigenschappen te vinden die op de lagere niveaus niet voorkomen. Het geheel is niet alleen som van de delen maar ook van de interacties tussen die delen (synergie). Emergente eigenschappen zijn niet reductionistisch verklaarbaar. Emergentie is waarschijnlijk het gevolg van de complexiteit van de problematiek die een herleiding tot elementaire wetten praktisch onmogelijk maakt. Zie ook: http://www.vub.ac.be/CLEA/dissemination/groups-archive/vzw_worldviews/publications/vanbelle-emerg.html

Jarenlang heb ik bijen gehouden maar van de studie waarvoor Von Frisch in 1973 de Nobelprijs kreeg, had ik nog nooit gehoord. In een laboratorium van de Universiteit van Sussex zag ik voor het eerst de kwispeldans, één van de meest verbazingwekkende fenomenen uit het dierenrijk. Francis Ratnieks, hoogleraar in de apicultuur, had mij voor een waarnemingskorf laten plaatsnemen waar ik door een glazen venster de bezigheden van de bijenkolonie kon bekijken. Daar was ik getuige van wat wel wordt omschreven als de meest geavanceerde manier van communiceren buiten die van onszelf: de kwispeldans. Een bij die net terug was nadat ze een maaltje nectar had gevonden, bewoog zich herhaaldelijk langs een denkbeeldige 8 terwijl ze met haar achterlijf trilde. Zo liet ze haar zusters weten waar ze de nectar had gevonden, niet alleen de richting maar ook de afstand. Deze dans was al bekend in de tijd van Aristoteles, maar pas na de nauwgezette waarnemingen van Von Frisch werd het kwispelen begrepen. Al tijdens zijn jeugd in Oostenrijk ontwikkelde Von Frisch een passie voor dieren. Karl beschikte over een beestenspul van 123 dieren waaronder slechts negen zoogdieren. De parkiet Tschocki hield hem voortdurend gezelschap, gezeten op zijn schouder en knabbelend aan de bladzijden van zijn boeken. De jongen had vooral belangstelling voor de kweekvijvers en als zoöloog specialiseerde hij zich in onderwaterproeven wat leidde tot een verrassend fel debat over de vraag of vissen kleuren konden zien. Dat bijen in het onderzoek werden betrokken leek wel toeval, maar ze hadden een praktisch voordeel: in tegenstelling tot vissen waren ze beter bestand tegen het reizen naar wetenschappelijke conferenties. Von Frisch richtte zijn onderzoek op de vraag waarom bijen door bepaalde bloemen worden aangetrokken. Voorheen was men ervan uitgegaan dat het eenvoudig een kwestie van geur was. Met behulp van een verzameling gele en grijze kaarten die hij in suikerwater had gedoopt, liet Von Frisch zien dat bijen de kleur geel konden onderscheiden. Uit ervaring weet ik dat bijen worden aangetrokken door gele bloemen, hetgeen de reden is waarom we ze zo vaak aantreffen in koolzaadvelden (natuurlijk zijn ook andere kleuren aanlokkelijk). In 1917 deed Von Frisch de volgens hemzelf belangrijkste ontdekking van zijn leven: het geheim van de mysterieuze bijendans. Hij had een waarnemingskorf geleend en bijen van een rode stip voorzien als ze een schoteltje honing bezochten dat hij in de buurt had neergezet. Nadat de honing op was vulde hij het schoteltje met suikerwater en volgde de bij die erop af kwam. Von Frisch herinnert zich wat hij zag toen ze terugkeerde naar de korf: “Ik kon mijn ogen niet geloven.” De bij voerde een dans op terwijl de anderen met hun antennes haar achterlijf betastten. Sommige van de bijen die het schoteltje al eerder hadden bezocht keerden er weer naar terug. Maar nog opvallender was dat, nadat ze de dans hadden bijgewoond, ook nieuwe exemplaren zonder begeleiding bij het schoteltje aankwamen. Daaruit trok Von Frisch de conclusie dat het dansen een vorm van bijentaal was. In 1925 kreeg Von Frisch een prestigieuze aanstelling aan de Universiteit van München met uitgebreide mogelijkheden om zijn onderzoek voort te zetten, maar vanaf dat moment pakken donkere wolken zich samen. Een aantal van zijn studenten en collega’s werden aangetrokken door de fascistische ideologie; tegen de tijd dat Hitler in 1933 de macht veroverde, werden zuiveringen toegestaan en menig Joods staflid werd ontslagen. Von Frisch werd geconfronteerd met de beschuldiging dat hij te veel Joden in dienst nam en in een propagandistisch pamflet werd een niet bij name genoemde professor ervan beschuldigd meer aandacht te schenken aan insecten dan aan zijn eigen Volk. Veel gevaarlijker was de beschuldiging dat Von Frisch zelf joods was. Het is nauwelijks te geloven maar terwijl de Nazi’s zich voorbereidden op oorlog was men vol toewijding bezig om iedereen met een joodse achtergrond uit overheidsdienst te verwijderen. Deze fanatieke amb-tenaren hadden ontdekt dat Von Frisch’s overgrootouders van moeders kant tot het katholicisme bekeerde Joden waren. In een beklemmend bureaucratische brief werd zijn ontslag geëist omdat hij een ‘tweedegraads bastaard’ was. Om Von Frisch te behouden hebben verscheiden academici tevergeefs geprobeerd tussenbeide te komen. Hulp kwam echter uit onverwachte hoek: een plaag genaamd Nosema roeide de Duitse bijen uit op eenzelfde wijze als de moderne populaties door de varroamijt worden vernietigd. De voorzitter van de Zuid-Beierse Bijenhouders stuurde een smeekbede naar het hoofdkwartier van de Nazi’s om ‘de meest succesvolle bijenonderzoeker ter wereld’ te ontzien om hulp te kunnen bieden in ‘de rampzalige noodsituatie’. Hij deed zelfs een beroep op de Führers kennis van apicultuur, die Hitler had meegekregen van zijn vader, van wie bekend was dat hij bijen had gehouden. De strekking van deze interventie stemde overeen met de Nazi ideologie Blut und Boden, hetgeen betekende dat landbouwwetenschappen voorrang werd verleend. In 1942 opende Himmler een instituut voor de uitroeiing van insectenplagen. Na verder druk op het Ministerie van Voedsel en Landbouw door te wijzen op de 800 000 gestorven bijenvolken, werd uiteindelijk besloten dat, in de strijd tegen de nosema plaag, Von Frisch zijn werk mocht voortzetten. Hoewel Von Frisch’s leven nu niet langer in gevaar was, toont deze geschiedenis aan hoe zelfs schijnbaar onafhankelijke centra van wetenschappelijk onderzoek ten prooi kunnen vallen aan een duivelse ideologie. In zijn naoorlogse autobiografie heeft Von Frisch zich afgevraagd of het mogelijk zou zijn geweest om de opkomst van het Nazidom te voorkomen en hij beoordeelde dat er zoveel professoren waren die de veranderingen welkom heetten dat ‘het spoedig duidelijk werd dat elke vorm van protest zou leiden tot iemands persoonlijke ondergang’. Maar dat wil niet zeggen dat Von Frisch zich nergens mee bemoeide. Via een voormalige student spande hij zich in voor de vrijlating van een Poolse wetenschapper uit Dachau in 1940. Zowel tijdens deze traumatische periode als na de oorlog deed Von Frisch onderzoek aan de communicatie tussen bijen. Volgens het Scheermes van Ocham – de eenvoudigste verklaring verdient de voorkeur - zouden bijen met hun scherp reukvermogen verafgelegen planten eenvoudig kunnen vinden door hun geur. Maar was dat ook zo? Zelfs al plakte Von Frisch hun reukklieren af met schellak, ze bleven onverminderd dansen. Nader onderzoek wees uit dat de snelheid van de dans toenam als het voedsel dichter bij de korf werd geplaatst. De bijen konden afstand schatten. Nauwkeurige bestudering van het dansen onthulde iets dat nog opmerkelijker was. De bijen voerden hun dans uit in een bepaalde richting, met de zonnestand als uitgangspunt. Als de dans omhooggericht is naar de bovenkant van de korf wil dat zeggen dat de beste bloemen in de richting van de zon staan. Een neerwaartse dans betekent de tegenovergestelde richting. Tijdgenoten van Von Frisch waren verbijsterd. William Force uit Cambridge schreef: ‘Hoe is het mogelijk dat er buiten de mens ergens in het dierenrijk zoiets kan bestaan?’ Meer (Engelstalige) informatie: Tania Munz. The dancing bees. The University of Chicago Press, 2016.

 

  

Een paar Nederlandstalige suggesties:

David van Reybrouck. Tegen verkiezingen. De Bezige Bij, 2016

Sjaak Koenis. De januskop van de democratie. Van Gennip, 2016

Moraliteit is een middel om de massa te manipuleren. Door mensen voor te houden wat goed en wat slecht is, krijgen mensen automatisch een voorkeur om volgens deze richtlijn te handelen. De idee dat mensen over een aangeboren moraliteit beschikken, is verzonnen door degenen die de touwtjes in handen hebben, het establishment. Deze complottheorie is een aantrekkelijke gedachte maar evengoed niet te bewijzen. Net als de opwarming van de aarde, het verbeteren van de gezondheid door inenting en de landingen op de maan. Wat voor de één staat als een paal boven water is voor de ander een pertinente leugen. Je kunt beweringen toetsen op hun waarheidsgehalte maar zonder universele moraliteit heeft de brulboei het laatste woord. Ik zeg maar wat. Zie maar wat je ermee doet.

   Doei!

 

 

 

EERST VALLEN ER WAT LOSSE NOTEN, ALS DWARRELENDE HERFSTBLA’REN

DAN KOMT HET ONDERSCHEID; BRUIN EN BOL EN SCHRIL EN PUNTIG

LANGS SPINRAG RIJGEN DRUPPELTJES AANEEN TOT KLATERENDE STRALEN

VAN ALLE EMERGENTIES VERVULT MUZIEK DE MEESTE WENSEN

 

 

HEMELSE SYMFONIE

De troosteloze tredmolen van de vergankelijkheid

 

 

Mijn cultuur-minnende vrienden reageren vaak verbaasd, soms zelfs kribbig, als ik ze vertel dat de fresco’s in de Sixtijnse kapel mij koud laten, dat de Taj Mahal mij aan een protserige doodskist doet denken en dat ik de 11e sonate van Mozart slaapverwekkend vind. Ze verwijten mij onvoldoende gevoel voor schoonheid en daarin hebben ze, met betrekking tot deze voorbeelden, natuurlijk gelijk. Wat ik mooi of lelijk vind, ligt helemaal aan mijzelf. Schoonheid is geen eigenschap van het object in kwestie. ‘Mooi’ bestaat slechts in betoverde zinnen (‘beauty is in the eye of the beholder’).

 

Dank zij moderne opnametechnieken en ether uitzendingen weet iedereen die na de 2e wereldoorlog is geboren, dat er een wereld van verschil bestaat tussen bluesmuziek, rock & roll, jazz en opera of een oratorium. Smaken verschillen, maar het zal niemand moeite kosten om onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld Stairway to heaven in de uitvoering van Frank Zappa (Page & Plant, 1971)*, N’Nafanta van The Ousmane Kouyate Band (Kouyate, 1990)** en de Matthäus-Passion door de Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Peter Dijkstra (Bach, 1728)***. In de oren van de Karolingische troubadours zouden al deze uitvoeringen echter als één en dezelfde kakofonische geluidsbrij klinken. Een troubadour was dan ook meer een verhalenverteller dan een muzikant.

   In de tijd van Karel de Grote was muziek in de eerste plaats het domein van de geestelijken, ter meerdere glorie van God en waarschijnlijk ook als geheugensteun bij het instuderen van de talrijke gebeden. Moderne Gregoriaanse gezangen, bijvoorbeeld van Quis Deus door de Chant Group Psallentes****,  geven een indruk hoe deze muziek in het eerste millennium kan hebben geklonken. Al moet ik erbij zeggen dat de originele uitvoeringen in bedompte kloosterzaaltjes waarschijnlijk minder imposant klonken dan de hedendaagse opnames. Als er sprake was van een koor zong iedereen met dezelfde stem, hoewel er soms een verschil in octaven kon optreden door de hoge stemmen van knapen en castraten naast die van de rest van het (mannen)koor.

 

Emergente eigenschappen van muziek zoals opeenvolgende tonen in de tijd, de melodie genoemd, of de gelijktijdig klinkende tonen die de harmonie vormen, waren in het eerste millennium zeer beperkt. Pas na de invoering van de muzieknotatie, een uitvinding van Guido van Arezzo in de 11e eeuw,  ontwikkelde de muziek zich met een duizelingwekkend tempo. De symfonie, die altijd al enige spirituele macht was toegekend, werd in de loop van het tweede millennium zo indrukwekkend dat men vreesde dat het aanhoren ervan voor sommige mensen te veel zou zijn. Menige liturgie werd dan ook achter slot en grendel bewaard en alleen bij speciale gelegenheden voor een select publiek ten gehore gebracht.

   In de 17e eeuw besloot paus Urbanus VIII dat het werk van zijn kapelmeester Gregorio Allegri slechts eenmaal per jaar mocht worden gezongen, en dan alleen nog maar door het Sixtijnse koor. In onze tijd kan Allegri’s Miserer § door iedereen worden beluisterd en wie er door wordt overmand, moet de oorzaak daarvan bij zichzelf zoeken en niet bij het muziekstuk. Schoonheid is géén emergente eigenschap, het is een persoonlijke beleving die bovendien cultureel gebonden is. Schoonheid, zo men wil, is een attribuut van het ideale onstoffelijke domein der goden en heeft alleen bestaansrecht in de menselijke geest.

   Desondanks gelooft men sinds mensenheugenis in het werkelijke bestaan van een universele natuurlijke schoonheid der dingen, de hemelse symfonie.

 

Door de eeuwen heen heeft men gemeend dat de oorsprong van alle muziek een afspiegeling is van de natuurlijke harmonie in het universum en dat deze zelfs bepalend is voor de bewegingen in ons zonnestelsel. Schoonheid in kunst en natuur zou worden geopenbaard door de abstracte wetenschap bij uitstek, de wiskunde. Vooral eenvoudige verhoudingen tussen getallen of lijnstukken werden een goddelijke waarde toegekend (goddelijk staat daarbij voor schoonheid; schoonheid is God). Een zodanige verdeling van een lijnstuk dat de verhouding tussen het grootste en kleinste deel gelijk is aan de verhouding tussen het grootste deel en het geheel (de gulden snede) werd gezien als de hand van God  in kunst en natuur.

   Het was de Griekse filosoof en mysticus Pythagoras, die ontdekte dat alle voorwerpen een eigen geluid hebben en dat door bepaalde bewerkingen, bijvoorbeeld het spannen van een snaar, het geluid als een duidelijke toon kon worden gehoord. Het viel hem verder op dat er ook andere tonen in de snaar verborgen zaten. Die kon hij laten horen door bijvoorbeeld de snaar korter te maken. Bovendien bleek dat die tonen harmonieus samen klonken als de verkorting volgens eenvoudige getalsverhoudingen verliep. Zoals halveren, of in de verhouding 2:3 of 1:4. Uiteraard heeft dit zijn volgelingen ervan overtuigd dat er een samenhang bestaat tussen schoonheid, getalsverhoudingen en de kosmos.

 

De schoonheid die wij toekennen aan muziek uit het tweede millennium hangt echter samen met heel andere getallen. Getallen die Pythagoras vanwege hun onmeetbaarheid zou hebben afgewezen. Getallen die nodig waren om met uiteenlopende instrumenten de symfonische muziek van het afgelopen paar eeuwen te kunnen maken. Een toonladder kon uit praktische overweging niet oneindig lang zijn en sommige instrumenten hadden bovendien hun eigen specifieke toonsoort. Om toch met verschillende instrumenten samen te musiceren, moest er een standaard komen. Daarvoor werd het octaaf van twaalf noten kunstmatig in twaalf precies gelijke delen verdeeld. Omdat voor elke toon geldt dat de harmonische samenklank die precies een octaaf hoger is, een verdubbeling van de frequentie-waarde heeft, moeten de frequenties van de twaalf tonen van de toonladder in het octaaf steeds met een factor 1,059463094… (twaalfde wortel van 2) worden vermenigvuldigd. Dit getal kon pas worden bepaald na de invoering van het decimale stelsel door Simon Stevin en de berekening was mogelijk door de acceptatie van het getal 0. Het horror vacuüm van de lege leegte die dit getal voorstelt, was voor de school van Pythagoras echter aanleiding om het getal 0 in de ban te doen en in de middeleeuwen werd het getal 0 door de katholieke kerk als de negatie van God beschouwd. Mede daarom heeft het zo lang geduurd voordat een stuk als Das wohltemperierte Klavier §§ (J.S. Bach, 1722) gepubliceerd werd om ons aangenaam te verrassen met zijn preludes en fuga’s. Bach was er in geslaagd een klavecimbel zodanig te stemmen dat zijn composities in alle toonladders in één keer (dus zonder tussenstemming) konden worden gespeeld. De introductie van de kunstmatige stemming betekende een doorbraak met spectaculaire symfonische mogelijkheden waarvan componisten nog steeds de vruchten plukken.

 

De hemelse symfonie werd ondertussen ook bezongen in de beeldende kunst en natuurwetenschappen. De verdeling in uiterste en middelste reden, later ook wel gulden snede genoemd, veroverde de schilderkunst en architectuur nadat de wiskundige Pacioli er rond 1500 over publiceerde. De ‘goddelijke verhouding’ bleek aangenaam verwant te zijn aan de rij van Fibonacci. Deze getallenrij is al voor onze jaartelling in het Sanskriet beschreven en is later vernoemd naar Fibonacci, de bijnaam van Leonardo van Pisa, die hem rond 1200 in Europa publiceerde.  De rij begint met 0 en 1 waarna elke volgende term de som is van de twee voorgaande. De verhouding tussen twee opeenvolgende termen benadert, naarmate de getallen groter worden, het zogenaamde gulden getal, namelijk 1,618033989… ( ½ + ½√5 ). Ook niet bepaald een getal waar Pythagoras blij van zou zijn geworden.

   Fibonacci gebruikte zijn rij om de voortplantingssnelheid van konijnen te beschrijven. In de 19e eeuw deed Henri Dudeney hetzelfde voor runderen en later publiceerde de Amerikaanse fysicus S.L. Basin over de rol van de fibonacci-reeks in de beschrijving van elektrische netwerken en licht reflectie.

   Johann Titius had in de achttiende eeuw een eenvoudige relatie ontdekt waarmee de verhoudingen binnen het destijds bekende zonnestelsel konden worden beschreven. De formule werd gepubliceerd door Johann Bode maar uitbreiding van de astronomische kennis over ons zonnestelsel  reduceerde het verband tussen het rangnummer van de planeten en hun afstand tot de zon tot een wiskundige curiositeit.

   Nog altijd geloven veel mensen dat de ‘goddelijke verhouding’ aan de basis ligt van de universele schoonheid. Niet alleen de betovering die uitgaat van beroemde schilderijen (Mona Lisa) en bouwwerken (Parthenon) wordt ermee ‘verklaard’. Ook de verhoudingen in het menselijk lichaam, spiraalvormige schelpen en bloemkronen zouden met het ‘gulden getal’ kunnen worden begrepen. Let wel, hier wordt begrip niet gebruikt in de zin van oorzaak en gevolg. Er is sprake van een analoog soort verklaring, een beschrijving van een fenomeen zonder erbij te zeggen waarom die voldoet. Een dergelijke beschrijving kan best nuttig zijn, om bijvoorbeeld een nieuwe planeet te ontdekken: je weet waar je moet zoeken. Maar het vertelt je niets over de reden waarom.

 

Goddelijke proporties als esthetisch ideaal. Het komt waarschijnlijk voort uit een verlangen om onze natuurlijke omgeving te voegen naar onze spirituele beleving. De voortdurende polarisatie tussen verstand en gevoel, tussen hypothese en evangelie, heeft ons blind gemaakt voor het feit dat wij zelf deel zijn van die natuurlijke omgeving. Ons gehoor is het resultaat van dezelfde materie als elke willekeurig andere waarop Pythagoras zijn muziektheorie baseerde. Onze ogen zijn zodanig geplaatst dat we horizontale objecten aangenamer vinden om naar te kijken dan verticale. De visuele aantrekkelijkheid van regelmaat zoals bijvoorbeeld in spiralen, vertoont overeenkomst met illusoire waarnemingen en is geheel terug te voeren op onze perceptie die bepaald wordt door de werking van onze zintuigen en hersenen.

   Het enige natuurverschijnsel dat door de rij van Fibonacci vrij precies kan worden beschreven, is de fyllotaxis. Maar deze regelmatige inplanting van bladeren onder een hoek van 137.5o, een hoek die kan worden beschreven met de Fibonacci reeks, heeft alles te maken met effectieve lichtopname ten behoeve van de fotosynthese en is het product van evolutie.

   Wij maken deel uit van deze wereld en beleven de schoonheid ervan als een soort spiritueel instemmen (resoneren) met de realiteit van onze omgeving. Soms gebeurt dat onverwacht en hebben we de nijging om de hemelse symfonie buiten onszelf te zoeken. Maar of iets mooi of lelijk is, wordt geheel en al bepaald door de schoonheidscommissie. Dat zijn wij dus zelf.

 

 


Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Umberto Eco. De geschiedenis van de schoonheid. Bert Bakker, 2010

Howard Goodall. Magische Momenten. Keerpunten in de Muziek. Tirion/Teleacc NOT, 2001

Priya Hemenway. De geheime code. Librero, 2011

Albert van der Schoot. De ontstelling van Pythagoras. Kok Agora, 1998

 

De sixtijnse kapel maakt deel uit van het Pauselijk Paleis in het Vaticaan en is van binnen beschilderd met fresco’s van Michelangelo.

De Taj Mahal is een 17e eeuws mausoleum in Agra (India) waar de lichamelijke resten van de toenmalige islamitische heerser van het Mogolrijk en zijn echtgenote worden bewaard.

De 11e sonate van Mozart is een 18e eeuws is een driedelige pianocompositie in A majeur waarvan het laatste deel verwijst naar Turkse marsmuziek (Alla Turca).
Oorspronkelijk betekent ‘beauty is in the eye of the beholder’ dat schoonheid subjectief is. De zin wordt vaak in verband gebracht met William Shakespeare’s Love’s, Labour’s, Lost, maar is feitelijk afkomstig uit het boek Molly Bawn (1878) van Margaret Hungerford .

Castraten waren mannelijke zangers van wie op vroege leeftijd de testikels werden verwijderd om de hoge kinderstem te handhaven. (www.classicstogo.nl/features/crastraten/)

Uitvoering van 'Stairway to heaven' tijdens life-concert van Frank Zappa: https://www.youtube.com/watch?v=uKgK91zCq44

Ousmane Kouyate met Universal Groove (life): https://www.youtube.com/watch?v=cCnpaycx29U

Gregoriaanse muziek door zanggroep Psallentes: http://www.dailymotion.com/video/x2wcd5f

Uitvoering van Allegri's Miserere: https://www.youtube.com/watch?v=IA88AS6Wy_4

Uitvoering van Das wohltemperierte Klavier van J.S.Bach: https://www.youtube.com/watch?v=HlXDJhLeShg

 

 

 

 

L & B: NARCIS                  DE SCHONE KANT

 

 

 

 

Goed, we zijn het erover eens. Narcisme, in het bijzonder NPS, maakt het dagelijkse leven niet gemakkelijk. Mijn egocentrisch isolement belemmert mijn sociale contacten en leidt vaak tot onbegrip. Maar hoe moeilijk het ook is om met deze handicap om te gaan, het hoeft niet alleen maar kommer en kwel te zijn. Laten we nou ook eens de schone kant van narcisme bekijken.

   Een aantal jaren geleden had ik een oude vriendin aan de telefoon. Helaas leeft ze nu niet meer. Ik geloof dat het gesprek het laatste contact is geweest met haar.

Op een gegeven moment hoorde ik haar zeggen: “Weet je, eigenlijk vind ik narcisme iets prachtigs. Het klinkt misschien gek, maar ik vind het een uniek verschijnsel. Je stelt je jezelf voor zoals je eigenlijk zou moeten zijn. Charmant, vlammend en vol zelfvertrouwen, met een rijkdom aan verbeelding. Alleen het beste is goed genoeg. Je koestert schoonheid. Je geniet van kunst en muziek. Je gevoel voor harmonie en perfectie, de wijze waarop je hiervan gebruik maakt, het is wonderbaarlijk. Als ik de niet-narcistische wereld zou mogen omschrijven, dan merk ik dat er zoveel mensen zijn die in deze moderne tijd een chaotisch en middelmatig leven leiden. Vol gebrek aan zekerheid en zelfvertrouwen. Wij doen vaak zo opgewonden dat we de kern niet meer kunnen vinden. Jij, met jouw eigen belevingswereld, weet hoe je van het leven iets moois kan maken.”

Ik werd even stil. Ik was tot de tranen geroerd. Geleidelijk begon ik te beseffen dat deze bijzondere vrouw wellicht een grote wijsheid had gesproken.

   Ze bleek gelijk te hebben. Mijn isolement stelt mij in staat om te zijn wie ik ben. Op de wereld zoals ik die beleef, moet ik inderdaad zuinig zijn. Mijn omgeving is mijn gereedschap. Het belangrijkste, kostbaarste en meest onmisbare dat er is binnen mijn handbereik. Als het er niet was, zou ik nooit zoveel plezier beleven aan mijn manipulaties.

Ook op uren van ontspanning zwijmel ik weg in mijn eigen wereld. Wanneer ik klassieke muziek afspeel, geef ik mijn oren de kost. Er gaan mooie gedachten door mijn hoofd. Met een tikkeltje melancholie en sentimentaliteit, die zich vermengen met enige innerlijke schalksheid. Het genot bereikt zijn hoogtepunt. Een van de verrukkelijkste momenten. Ik voel dat er een brede glimlach ontstaat. Wat ben ik toch heerlijk.

 

 

Vrij naar Kees Momma, NRC 22 juli 2014 

 

De beiaard ontstond in de 16e eeuw en bestond uit bronzen klokken met verschillende toonhoogte die via een raderwerk verbonden waren met een klavier; het klokkenspel diende ter aankondiging van het slaan van de grote klok voor de bekendmaking van het juiste uur.

El Instituto 3           BIERKLOKKEN  

      

 

Via een treintunnel is Isla San Lorenzo verbonden met Lima en daarmee met het gehele Peruaanse achterland tot aan de Atlantische Oceaan. Dank zij Nazca International Airport en de Capesize overslaghaven is  het eiland het belangrijkste knooppunt geworden tussen Zuid Amerika en de rest van de wereld. Het voormalige natuurreservaat heeft plaats moeten maken voor ’s werelds modernste financiële centrum met het imposante standbeeld van Jacques l’Hermite (Jacob Clerk)aan het hoofd van de boulevard. Op het nabijgelegen Isla Callao leeft nog één populatie zeeleeuwen.*

 

 

De eerste keer dat Erik Hazepad van het Instituut hoort, studeert hij archeologie en aardwetenschappen. Zijn (boeken)kennis van de fysische geografie acht hij voldoende groot om de slaapverwekkende voordrachten van ongemotiveerde docenten te vervangen door in­spirerende bijeenkomsten over onderwerpen waar hij niet zoveel van afweet. Bovendien gebruikt hij zijn vrije tijd om te studeren, in tegenstelling tot de meeste vrijgestelden waartoe hij zichzelf rekent. Hij volgt colleges levenswetenchappen en neemt deel aan workshops bij de centrale interfaculteit, een tamelijk cryptisch onder-deel van de universiteit dat voortdurend met opheffing wordt bedreigd. De workshops worden georganiseerd door medewerkers of studenten, die de wijsgerige ideeën van hun voorkeur met anderen willen delen. Studenten uit alle geledingen doen er aan mee en tijdens één van deze sessies vertelt iemand over de queeste naar de totale wereldvrede. Hij hoort dat er organisaties zouden bestaan die zich daadwerkelijk bezig houden met zo’n zoektocht. Zonder geldelijk gewin. En één van die organisaties heet El Instituto.

   Natuurlijk wil hij er als geboren scepticus het fijne van weten. Navraag levert aanvankelijk niets op. Sommigen prijzen het Instituut de hemel in, anderen trekken misprijzend hun neus op, niemand kan hem daadwerkelijk verder helpen. Het is uiteindelijk de decaan die hem vertelt dat het Instituut contacten onderhoudt met universiteiten van over de hele wereld en dat veelbe­lovende studenten de mogelijkheid wordt geboden om er stage te lopen.

   Had hij soms be­langstelling? Met die cijfers van hem maakte hij een goede kans.

   Na enig aandringen wil ze ook nog wel toelichten dat de financiële bronnen van het Instituut in de welvarende elektronica-industrie lagen en dat er inkomsten werden gewonnen uit octrooien op zelf-ontwikkelde ideeën. De onafhankelijkheid van het Instituut zou door de ondersteunende bedrijven worden gegarandeerd maar de decaan moest toegeven dat ze niet zeker wist hoe strikt men zich daar aan hield. Voor iemand in opleiding was zo'n denktank in elk ge­val de ideale omgeving. Je werkte er immers samen met de crème de la crème van de internationale intellectuele elite.

   De trut vertoont geen spatje ironie. Erik voelt een lichte wrevel, hij ziet zichzelf wel zitten in die denktank maar dat decaantje hoefde daar niets van te weten. Hij zou het Instituut zelf wel we­ten te vinden.

   Vanaf dat moment neemt hij vaker deel aan de workshops. Hij verbaast zich over de harts­tocht waarmee deelnemers getuigen van concepties waarvan hij nog nooit gehoord heeft. De leidraad wordt gevormd door opvattingen die tijdens het reguliere wetenschappelijk curricu­lum niet of nauwelijks aan de orde komen. Sommige onderwerpen maken een zinnenbeel­dige indruk op zijn intellect, andere vindt hij ondoorgrondelijk of zelfs beledigend. Door de bank genomen verrijken de bijeenkomsten zijn kijk op de wereld, maar soms bekruipt hem het gevoel dat hij zijn tijd zit te ver-doen.

 

Het moet in die tijd geweest zijn dat hij Joachim Bolt leert kennen. Joachim – geplaagd door acne – wordt zelden uitgenodigd op studentenfeestjes maar is veelvuldig in de kroeg te vinden waar hij gnif-felend ‘kikker’ wordt genoemd. Niemand weet precies waar die bijnaam op slaat. Sommigen hebben gehoord dat een opzichtig geklede medestudent uit Scheveningen bij het zien van Joachims ouderwetse hoofddeksel ‘kikkâh’ had geroepen. Anderen zijn ervan overtuigd dat het een verwijzing is naar Joachims gekwaak tijdens zijn zeldzame maar heftige uitbarstingen. Hoe het ook zij, hun eerste ontmoeting staat in Eriks geheugen gegrift als de onvergankelijke inscriptie in een gebakken kleitablet:

   Tijdens de workshop 'orakelen' heeft hij bij een demonstratie tasseografie veel te veel thee gedronken. Midden in een verhandeling over de tarot kan hij het niet meer ophouden en verlaat hij het lo-kaal om te plassen. Op de gang staat een nogal excentriek ogend persoon wezen­loos naar de deur te staren. De jongen is van Eriks leeftijd maar draagt de kleren van een oude man. Een slobberig zwart pak en een grijs overhemd met groene stropdas. Hij heeft zelfs een vilten hoed op!

   Eriks nood is te hoog om er lang bij stil te staan. Hij rept zich naar het gerief.

   Universiteiten worden op alle mogelijke manieren beknot, maar van bezuiniging op sanitaire voorzieningen is nooit sprake geweest. De toiletten lijken op een eigentijdse versie van de Russische metro: uiterlijke grandeur ter compensatie van spirituele armoede, in dit geval van het hoger onderwijs.

   Nadat hij zijn blaas geleegd heeft en zich uit gewoonte tevergeefs heeft afgetrokken, wast Erik zijn handen onder één van de tientallen kranen en verlaat de plaszaal. Terug bij het lokaal treft hij de vreemdeling onveranderd voor de deur aan. Erik, onbevangen als altijd, vraagt hem wat er mankeert.

   “Ik zoek de tijd.”

   Erik begrijpt hem verkeerd en zegt hoe laat het is. Joachim Bolt, want die is het, haalt minachtend z’n schouders op.

   “Dat kun je nou wel zeggen, maar wat betekent het?”

   Deze gozer is echt maf.

   Hij vermoedt dat Joachim wel voor wat leven in de brouwerij kan zorgen.

   “De workshop is al een tijdje bezig maar ik weet zeker dat niemand het erg vindt dat je te laat bent.”

   Hij gebaart uitnodigend naar de deur, troont Joachim mee naar binnen en duwt hem op een stoel. De jongen laat zich zonder tegenstribbelen neerzetten en Erik vraagt zich af of hij enig idee heeft waar hij is, of dat hij zich in een eigen wereldje verschanst.

   “Ik ben wel/niet bij de tijd”, hoort Erik hem mompelen.

   Die gast is écht gek!

   Ondertussen geeft één van de aanwezigen inzage in haar favoriete methode voor het voorspellen van de toekomst.

   “Met onze paranormale gaven kunnen we energetische energie waarnemen die we met de lagere velden van ons bewustzijn niet zien, net zoals ons aura. Door de fijnstoffelijke energie die de verbinding heeft met een voorwerp kun je zien wie dat voorwerp heeft aangeraakt. Dat noem je psychometrie.”

   De stoel valt kletterend om als Joachim nogal bruusk overeind komt.

   “Psychometrie is de analyse van geestelijke vermogens! Het gemiddelde IQ in deze ruimte is op z’n zachtst gezegd teleurstellend!!”

   Onder verschrikte en ook wel geamuseerde blikken dendert hij het lokaal, dat hij nog maar zo kort geleden had betreden, weer uit.

 

Tegen elke verwachting in verschijnt Joachim na die esoterische bijeenkomst telkens opnieuw op de workshops. Daar en buiten de reguliere studietijd om wisselt Erik regelmatig met hem van gedachten. Hij is onder de indruk van Joachims scherpe verstand en zijn oorspronkelijke gedachtegang. De jon­gen woont nog maar kort in de stad en hij studeert sociale psychologie. Omdat de sociale faculteit in een ander gebouw is gevestigd, begrijpt Erik nu ook waarom hij hem nooit eer­der heeft gezien.

   Ze ontmoeten elkaar steeds vaker in één van de tapperijen die veelvuldig door studen­ten worden bezocht. Hier wordt het bier van hun voorkeur geschonken tegen een prijs die hen bevalt. Hier mengen ze zich in oeverloze discussies over de zin van het bestaan – ze zijn het al snel eens dat de zin het bestaan het bestaan zelf is, proost –, over het verschil tussen uitvinders en ontdekkers, over God.  

   Ze verbazen zich er allebei over dat zoveel mensen God in hun hart hebben gesloten terwijl die gedachte tegelijkertijd een onlesbare dorst opwekt, alsof er iets wezenlijks in hun redenerin­gen ontbreekt. Het is dus niet verwonderlijk dat dit onderwerp gepaard gaat met overmatig drankgebruik waardoor ze onveranderlijk het etablissement diepgelovig verlaten.

  Over het belang van uitvinders en ontdekkers voor de loop van de wereldgeschiedenis lijken ze over en weer minder eensge­zind te zijn:

   “Uitvinders zijn net alchemisten, ze roeren in een pot en vinden toevallig iets waardevols, zoals mauveïne, die beroemde paarse kleurstof. Noemen ze dat niet serendipiteit?”

   “Er zijn ook toevallige ontdekkingen gedaan, bijvoorbeeld dat ongepelde rijst beter is voor de gezondheid omdat er onmisbare vitamine in het vlies zit.”

   “Ontdekkers zijn misschien wel goede waarnemers, maar als ze wat vinden is dat niets nieuws, het was er altijd al. Neem de infusoria. Je wilt toch niet zeggen dat die vóór Van Leeuwenhoek niet bestonden?”

   “Uitvinders werken niet systematisch. Als ze al iets praktisch maken is dat wel leuk maar voor anderen nauwelijks navolgbaar. De zee-klokken van Harrison werkten, maar niemand begreep waarom.”

   “Uitvinders kunnen bestaande dingen combineren waardoor er ineens iets nieuws, iets heel anders ontstaat. Dat heet emergentie.”

   “Ontdekkingen kunnen evengoed emergent zijn. Als kind ontdekte ik dat ik een hard klak­kend geluid kon maken met mijn tong. Mijn persoonlijke code. Of noem je dat een uitvin­ding?”

   De krachteloze creativiteit van hun tweespraak wordt onderbroken door een elektronisch muziekje vanachter het gordijn naast hun tafeltje. Joachim haalt het trillende mobieltje uit de vensterbank tevoorschijn en drukt de kiestoets in:

   “Dizzes joer kepten spieking,” grapt hij terwijl hij het schuim van zijn bier hapt.

   “Pa,… ben jij dat?”

   Daarna is het stil. Het scherm is blank. Waarschijnlijk een lege batterij.

   “Je kunt een apparaat uitvinden waarmee je over de hele wereld met iedereen de grootste onbenulligheden kunt uitwisselen.”

   “Om te ontdekken dat alles alles alles stroom kost. Voor niets gaat zon op.”

   “Uitvinders zijn’ tiesten, ‘t zijn genieën; ‘ntdekkers kaartlezers, soort bloedzuigers”.

   “Ontdekkers zijn avontriers, zebben lef. ‘tvinders knutslaars, boekwurmen.”

   Het einde van het liedje is steevast onsamenhangend. Hun verschil van mening vertroebelt naarmate de oneliners meer verward raken en het geroezemoes van de overige aanwezigen luidruchtiger wordt. Ze bemoeien zich weinig met an­dere studenten en weten niet dat ze door sommigen schamper ‘kikker en pad’ worden genoem­d. Als ze daar samen zitten door te zakken.

   Bij hun studiegenoten staan ze bekend als echte bollebozen. Als na de tentamens de uitslagen in de gangen hangen, prijken de hoogste cijfers zonder mankeren achter hun naam.

   Met Joachim heeft niemand veel op, ze vinden hem een rare snijboon, bovendien doet hij tegen-over iedereen nogal uit de hoogte. Erik kon er wel mee door, maar die wilde nooit ergens aan mee-doen, is altijd op zich zelf, een echte leesbril.

   Waar­om hij zoveel met Joachim optrekt weet Erik zelf eigenlijk ook niet. Om onduidelijke redenen wordt hij door die zonderlinge jongen geobsedeerd. Verder weet hij niets van hem.

   Over hun familie hebben ze het nooit.

 

   “Hé Haas, die pa van jou, die speelt toch fluit?” Joachim kijkt hem vragend aan.

   Erik kan zich niet herinneren dat hij ooit over zijn vader heeft gesproken en is onmiddellijk op zijn hoede. Hij vermoedt dat hij in een benevelde stemming iets over zijn jeugd heeft verteld en dat hij het gewoon is vergeten. Hij weet zeker dat Joachim hem nooit iets over zijn familie gevraagd heeft en hij heeft dat omgekeerd ook nooit gedaan.  

   “Ja,… maar hoe weet jij dat?!”

   “Dat heb je me zelf verteld, man. Ik zag jouw naam, op een poster. Hij treedt op in de stad. Ga je er heen?”

   Eriks verwarring is hem niet ontgaan.

   “Ok, het gaat mij niets aan. Je hoeft niets te zeggen. Kijk maar wat je doet.”

   Erik wil inderdaad niets zeggen. Zijn vader is een privé aangelegenheid. Hij heeft de poster ook gezien, hij heeft zijn vaders afbeelding direct herkend al was diens gezicht sterker doorgroefd dan hij zich kan herinneren. Hij heeft zijn vader al jaren niet meer ontmoet en dat wil hij ook zo houden. Hij bedenkt dat het wel weer eens tijd wordt om zijn moeder op te zoeken. Met haar heeft hij nog wel contact, al is het sporadisch.

   Ondertussen blijft het hem dwarszitten dat hij zich meer heeft blootgegeven dan hij zou willen.

   Zijn vader bestond alleen voor hemzelf, althans, de herinnering aan zijn vader. Toen hij een kind was, had zijn vader alles voor hem betekend. Hij was zijn held, zijn idool, zijn gezagvoer­der. Hij hield van zijn moeder, zijn moeder was gek op zijn vader, dus hij was gek op zijn va­der. Zijn moeder was zijn paraplu, zij gaf hem geborgenheid. Zijn vader gaf iets anders, zijn vader gaf hem het gevoel dat hijzelf ook ooit zo zou zijn, een man met eigenwaarde. Zijn moeder gaf hem beschutting, en warmte. Zijn vader was zijn beschermer, zijn dirigent. Sa­men zorgden zijn ouders ervoor dat hem niets kon over-komen terwijl hij vanaf zijn behaaglij­ke wolk de hele woeste wereld kon overzien.

   Dát was het gevoel dat hij boven alles koesterde, zelfs toen zijn vader steeds langer weg­bleef en tenslotte helemaal niet meer thuis kwam. Krampachtig wilde hij de illusie vasthouden. Hij was bang dat als hij nu zijn vader zou opzoeken, tegen­over hem zou staan, met hem zou praten, dat dan dat ge-voel zou verdwijnen als lucht uit een leeglopende ballon. Zij zouden als gelijken zijn, sterker nog, hij zou zijn vader zien als de schlemiel die hij was, die zijn vrouw en kind in de steek had gelaten om een onbezorgd leven­tje te leiden.

   Tegen beter weten in wil Erik vasthouden aan de voorstelling uit zijn kinderja­ren, zijn lieveheer, zijn papa.

 

Joachim is zich bewust van Eriks schroom als het om zijn vader gaat. Hij vraagt zich af wat daarvan de reden kan zijn. In zijn ogen is Erik niet iemand die zich door de eerste de beste flierefluiter uit het veld laat slaan. Die vader van hem moest wel een bijzonder iemand zijn.

   Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem een kaartje te kopen voor een van de optredens van Eriks vader. Om te ontdekken dat hij voor het eerst muziek hoort. Echte muziek.

   Joachim is, net zomin als Erik, een fanatiek muziekliefhebber. Hij luistert geregeld naar van alles en nog wat, maar hij heeft geen idee hoe een stuk of een nummer heet of wie het uitvoert. Sommige vindt hij wel lekkerder klinken dan andere maar kippenvel heeft het hem nooit gegeven.

   Dat gebeurt nu wel.

   Nooit eerder is hij in deze zaal geweest. Hij weet van het bestaan, het is vaak in het nieuws als er zich weer eens iets ongeregelds heeft voorgedaan. Hij heeft zich daar altijd van afzijdig gehouden. En nu staat hij er middenin. Het is er druk, maar zo dat hij niet opvalt. Er wordt gerookt, maar geen tabak. Het is donker, maar hij is niet gekomen om een boek te lezen.

   Op het podium spelen de muzikanten. Het geluid verdooft. Dan valt het licht van een spot op de fluitist in zuurstokkostuum. De overige bandleden worden door rokerige schaduwen aan het zicht onttrokken. Zodra de zuurstok de fluit bespeelt, wordt Joachim als een Hamelense rat naar hem toegezogen. Dit is pure magie. Sprookjesmuziek. Dit is … …

   Hij heeft er geen woorden voor.

   Maar sprakeloosheid beschouwd hij als de grootste vernedering die hem kan worden aangedaan. Dat iets of iemand hem het zwijgen op kan leggen, zint hem helemaal niet. Die vader van Erik mocht dan de sterren van de hemel spelen, hij, Joachim, was niet van plan zich daardoor de mond te laten snoeren.

   Die studie van hem, sociale psychologie, daar is hij eigenlijk op uitgekeken. Welke invloed mensen op elkaar uitoefenen, zie je dagelijks om je heen. Als je een beetje oplet. Hij bevindt zich op een maatschappelijke rangeerschijf en twijfelt over de juiste richting. Maar één ding weet hij zeker.

   Zo niet in ‘Science’ dan wel op ‘You tube’, gehoord zal hij worden! 

 

 

Tijdens het rituele bierklokken – in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk glazen achterover slaan – vertelt Erik over zijn voornemen om bij het Instituut te gaan solliciteren.

   Joachim is maar matig geïnteresseerd, hij heeft meer belangstelling voor de drank waar hij zich gulzig aan te buiten gaat. Een luidruchtig groepje studenten bij de bar trekt zijn aandacht.

   Erik probeer­t hem duidelijk te maken dat hij zo hoogmoedig is geweest om af te zien van bemiddeling door de universiteit en dus eigenlijk niet weet aan wie hij zijn sollicitatie moet richten.

   Joachim staart naar een jongen die verderop zit en die in toenemende mate zijn belangstelling wekt.

   Plotseling springt hij op en stormt met opgeheven bierflesje op de jongen af die ternau­wernood een doodsklap kan ontwijken. Daarbij verliest het geschrokken slachtoffer zijn evenwicht en valt op de grond. Ontdaan houden een paar stamgasten Joachim tegen voordat hij zich op hem kan werpen. Briesend hangt hij in hun armen. De jongen is weer overeind gekrabbeld en fat­soeneert zijn carnavaleske kledij.

   Erik is ondertussen ter plaatse en ontfermt zich verbijsterd over zijn vriend.

   “Wat heb jij ineens, man?!”

   Hij trekt hem mee in de richting van de uitgang voordat anderen hen tegenhouden en even later zijn ze buiten.

 

Later denkt Erik geregeld terug aan het voorval van die avond en aan zijn belevenissen van de dagen erna. Aan hun belang voor het verloop van de rest van zijn leven. Aan de coherente loop der gebeurtenissen.

   Eenmaal op straat bleek Joachim nog altijd buiten zinnen.

    “Heb je gezien wat die kalfskop aan had? Een roze pandjesjas, hij leek wel een zuurstok. De nitwit!  Z’n benen breken, onder de tram!”

   Hij had een kwade dronk maar was gelukkig wel in staat om Erik uit te leggen waar hij woonde, zodat deze hem thuis kon brengen.

   Het sombere huis waar Joachim een hele etage voor zich alleen had, stond in een afbraakwijk, was slecht onderhouden en op Joachim na onbewoond. Hij weigerde te vertellen hoe hij aan die plek was geko­men en de eufemistische stemming waarin Erik na het biergelag verkeerde, ontnam hem, Erik dus, elke aandrang om erachter te willen komen.

   Het was Erik niet ontgaan dat de etage was volgestouwd met tikkende klokken maar daarover hield hij zijn mond. Wel nam hij gretig de flesjes bier in ontvangst die Joachim hem aan­reikte. Hij was neer-geploft in een doorgezakte oorfauteuil en voelde zich volmaakt tevreden. Vaag hoorde hij Joachim scharrelen in een schemerige hoek van de kamer.

   “Ik weet wel iemand die iets met het Instituut te maken heeft. Ik zal je een filmpje laten zien.”

   Erik schrok op uit een lichte doezel. Hij had niet verwacht dat het verslag van zijn decaangesprek  was overgekomen.

   Onvast bewoog Joachim zich tussen zijn apparaten en startte een dvd. Op het scherm zag Erik een rijzige heer zelfverzekerd over een podium wandelen terwijl hij een volle zaal jonge mensen toesprak. Eriks eerste indruk was die van een oecumenische bijeenkomst van gelovi­ge jongeren en vroeg zich al af wat Joachim nu weer voor hem in petto had. Maar het bleek anders te zijn dan hij verwachtte. In plaats van de zaal een hart onder de riem te steken ter ondersteuning van hun eigen superieure ge­lijk, stelde de man de aanwezigen zowaar voor een dilemma:

   “Niet iedereen kan dagelijks over het lot van zijn medemens beschikken … maar in het weg­verkeer zijn we allemaal potentiële moordenaars. Stel jezelf voor … achter het stuurwiel van een auto … op een drukke provinciale weg. Je hebt een flinke snelheid … en dan kom je tot de ontdekking dat je remmen niet werken. Er is een kromming in de weg en je ziet ineens een groot aantal mensen op straat, kennelijk een demonstratie. Aan weerszijde van de weg rijden nogal wat fietsers. Wat doe je? Als je doorrijdt weet je dat er heel veel slachtoffers zullen val­len, als je een slinger aan het stuur geeft zal je een aantal fietsers vermorzelen … maar dat zullen er wellicht minder zijn. Wie?”**

   De reacties vanuit de zaal lieten er geen twijfel over bestaan dat het verwachte aantal slachtoffers bepalend was voor de morele beslissing. De meerderheid vond het opofferen van een enkele fietser minder erg dan het maken van een groter aantal slachtoffers onder de demonstranten. Daar had de spreker kennelijk op gerekend want hij vervolgde:

   “Nu zit je niet achter het stuur maar je staat langs de weg en je ziet de auto aankomen. Je weet dat de remmen niet werken, bijvoorbeeld door de heftige gebaren die de bestuurder maakt. Je hebt een pistool bij je … je bent een uitstekend schutter … je kunt de bestuurder met een gericht schot uitschakelen. Je staat vóór de kromming in de weg … waar geen fietsers zijn … al­leen jij en de automobilist. Schiet je hem dood en red je daarmee het leven van anderen?”**

   Nu was de zaal heel wat minder eensgezind. Het opofferen van één leven om daarmee een groter aantal levens te sparen gold misschien niet altijd als de minst verwerpelijke keuze.

   Erik dommelde weg. Het gedempte tikken van de klokken had een hypnotiserend effect en terwijl op het scherm de zaal discussieerde over morele kwesties, vroeg hij zich af waarom een auto­mobilist die merkt dat zijn remmen niet werken, niet zichzelf tegen de eerste de beste boom te pletter rijdt. Om erger te voorkomen. Kennelijk wil hij die eigen verantwoordelijkheid helemaal niet dragen. Kennelijk gelooft hij heimelijk in een won­der.

   Plotseling werd hij uit zijn wazige overpeinzing gewekt door een onverwacht tumult. Klaarblijkelijk had Joachim zijn klokken zodanig afgestemd dat ze op dit moment allemaal tegelijk in een kakafonie van bellen, carillonnetjes en gongs losbarstten. Met opengesperde ogen zag hij zijn gastheer triomfantelijk gebaren naar het venster waar het eerste ochtendlicht naar binnen sijpelde.

   “Voor alle zekerheid laat ik mij ’s ochtends wekken als het licht wordt. Mijn klokken lopen trouwens niet allemaal gelijk, zoals ze dat noemen.” Het was duidelijk dat Joachim iets op zijn lever had dus spande Erik zich in om een attente indruk te maken.

   “Sommige klokken lopen voor, andere achter. Niemand kan met zekerheid zeggen welke goed loopt. We nemen klakkeloos aan dat de tijd een constante snelheid heeft, maar hoe weten we dat eigenlijk? Misschien gaat de tijd soms veel sneller dan anders.”

   Erik moest toegeven dat hij de dagenraad nog niet verwacht had en omdat Joachim een doorwaakte nacht achter de rug had, trok hij de conclusie dat zijn vriend uit zijn nek kletste.

   “Je zei gisteren dat je iemand van het Instituut kende?”

   “Ik zei dat ik van iemand wist die aan dat Instituut verbonden was. Ik heb die man nog nooit ontmoet, maar het staat op de bijsluiter van de dvd. Ik zal je een emailadres geven.”

   Hij overhandigde Erik een briefje met het adres waar hij de spreker uit het filmpje kon bereiken.

   Het bleek het adres te zijn van een vermaarde universiteit in Noord Amerika.

 

Het Instituut is wel gecharmeerd van Eriks initiatief. Ze hebben hem ongetwijfeld nagetrokken om er zeker van te zijn dat hij een potentiële kandidaat is. Kortom, hij krijgt een uitnodiging voor een nader gesprek. Tot zijn verbazing hoeft hij niet ver te reizen: voor het gesprek dient hij zich te vervoegen bij de faculteitsdecaan. Verdomme!

   Maar hij kan de ironie wel waarderen en hij is niet van plan iets van zijn initiatief te laten merken.

   Laat dat decaantje maar denken dat hij hún was opgevallen.

   Het gesprek duurt maar even, de decaan is kort van stof, kennelijk heeft zij net zo weinig behoefte aan conversatie met Erik als omgekeerd. Het aanbod van het Instituut is vaag maar krachtig: hij moet een scriptie schrijven die, mits inhoudelijk voldoende interessant, door de universiteit gewaardeerd wordt als een stageplek. Wie de inhoud gaat beoordelen en wat onder interessant wordt verstaan, blijft onduidelijk. Het onderwerp van de scriptie is “de tijd”.

   Christus! De vaagste opdracht die hij ooit gehad heeft, ging over het lastigste onderwerp dat hij kende.

   Tegenover de decaan doet Erik alsof hij van te voren al wist wat er van hem verwacht werd. Hij graait alle formulieren bij elkaar en vertrekt.

 

In het schemerdonker van zijn studeervertrek is Joachim verdiept in ‘De Relatie tussen Religie en Drugs’ – dit moet Pad lezen; hij heeft daar wat mee – als een dreigend gebonk op de voordeur hem uit zijn wetenschappelijke lectuur doet opschrikken.

“Dit pand moet onmiddellijk worden ontruimd. Je hebt tot morgen.”

   De gemeenteambtenaar mist de academische uitstraling die uitnodigt tot discussie.

   Joachim weet wat hem te doen staat, al staat het hem tegen. Hij zal halsoverkop vertrekken, met de noorderzon, zogezegd.

   Studeren is één ding, overleven is uiteindelijk waar het in het leven echt om draait. Hij kan aardig schrijven, heeft al eens het voorrecht genoten dat een stukje van zijn hand werd gepubliceerd. Het levert niet veel op, maar als hij zich er meer op gaat toeleggen…

   Er is in dit godvergeten seculiere land grote behoefte aan spirituele leiding.

   Eigenlijk heeft hij al eerder een keus gemaakt, had alleen een zetje nodig. Hij glimlacht bij de gedachte dat het een woordvoerder van het sloperswezen was die hem zijn nieuwe toekomst heeft gewezen. Het sterkt zijn vertrouwen in een succesvolle revolutie.  

 

 

De tijd! Er zijn heel wat uitdrukkingen met de tijd, die hebben meestal betrekking op dagelijkse beslommeringen en boerenwijsheden. In de natuurkunde is de tijd een variabele waartegen je  van alles kunt afzetten. Theoretisch bestaat er positieve en negatieve tijd en astrofysici proberen al jaren te bewijzen dat de tijd maar één kant opgaat, de pijl van de tijd.

   Aan het tafeltje in de kroeg waar hij de vorige avond tevergeefs op Joachim heeft zitten wachten, krabbelt Erik wat ideetjes over het fenomeen ‘tijd’ die op dat moment bij hem opkomen.

   In de Joodse, Christelijke en Islamitische culturen wordt de tijd gezien als iets dat buiten onszelf ligt. Zoiets als die eindeloze spoorlijn door de Grote Zandwoestijn in Australië met onszelf in de wagon van het heden, ha, ha. Achter ons het verleden en vóór ons de toekomst. Of is een carrousel een betere metafoor, met die voortdurende herhaling van hetzelfde beeld. Was het niet Parmenides die zei dat elke verandering slechts schijn is? Déjà vu tot in de eeuwigheid?

   Hij had hier met Joachim afgesproken. Vervelend dat zijn maat niet was komen opdagen, diens pre-occupatie met tijd zou nu goed van pas komen. Tijdens een van de workshops over niet-Westerse filosofie hadden ze ook over ‘tijd’ gesproken. Ging het toen niet over yoga-oefeningen?

   Tijd is een deel van ons bewustzijn. Het bestaat alleen vanbinnen. Heden, verleden en toekomst vallen samen in jezelf. Door diepe concentratie worden ze één punt. Innerlijke rust.

   Die rare ideeën van Joachim waren misschien ook niet zo gek. Bedoelde het Instituut dat wellicht met ‘interessant’?

   Nu hij weet waar Joachim woont, zou hij kunnen gaan kijken wat er aan de hand is.

   Als je erbij stilstaat is ons tijdsbeeld nogal vastgebakken. Wat zou mijn autistische makker nog voor denkbeelden hebben over de tijd?

   Aangekomen bij het huis waar hij onlangs de nacht had doorgebracht, wordt hem de toegang ver-sperd door een bouwvakker.

   “Hier woont niemand meer. Dit huis wordt gesloopt.”

   Van Joachim is geen spoor.  

  

Ontdaan keert Erik terug naar zijn vertrouwde kroeg en klimt op een lege kruk aan de bar. De verdwijning van Joachim bevreemdt hem maar wat hem nog meer bezighoudt zijn, godbetert, Joachims ideeën over de tijd.

   Had hij met die verschillen in snelheid niet verwezen naar subjectieve tijd? Het is algemeen bekend dat bejaarden de tijd anders beleven dan kinderen. Dat zou ook wel eens zo kunnen zijn bij insecten die één seizoen meegaan en zeeslakken die honderden jaren oud worden. Psychologische tijd. Naast de natuurkundige en spirituele versies is dit wellicht ook een invalshoek voor mijn scriptie.

   “Jij bent toch pad? Ben je alleen?”

   “Hazepad”, corrigeert hij, “Erik”. Chagrijnig kijkt hij in de richting van haar stemgeluid. De vrouw komt hem vaag bekend voor, maar hier, in deze omgeving, bij dit licht, schijnt hij haar voor het eerst te zien. Hij ziet een glas water in haar hand, verwerpt de opwelling dat het ook iets anders kan zijn. Ze is echt een stoot (het etiket dat hij reserveert voor mooie meiden met wulpse vormen waar je meteen je tanden in zou willen zetten). Maar de weemoedige oogopslag waarmee ze zijn blik beantwoordt, is van een geheel andere aard en wat hij ziet doet al zijn besef van tijd voor een ogenblik verdampen.

   Zo kan het dus ook zijn!

   Zo verdiept was hij in het probleem van de tijd dat hij het nog niet onmiddellijk kan loslaten.

   De tijd als stootkussen.

   Hij prakkiseert over de tijd terwijl hij tegelijkertijd door een tijdloos verlangen wordt overmand.

   De eeuwigheid lijkt wel een soort beschermend schuim om te voorkomen dat breekbare momenten als deze worden verpulverd door de troosteloze tredmolen van de tijd.

   In zijn verwarring is hij geheel ten prooi aan quasi diepzinnigheden.

   Logistieke tijd, of zoiets.

   “Mandy”, zegt ze bij wijze van begroeting en steekt haar hand uit. De hand met het glas. Bij wijze van toost.

   “Ik geil op slimme jongens.”

   Hij weet niet of ze hem iets wil geven of juist iets van hem verlangt, maar in beide gevallen schiet hij tekort. Hij is volkomen in de war, kan haar alleen maar aanstaren, voelt zich gehypnotiseerd.

   “Weet je”, hoort hij zichzelf zeggen, “als ik met jou begin, zal het nooit meer ophouden”.

   Ze kijkt hem vorsend aan.

   “Ok. Dan zal ik je nu kussen, pad.”

   Ze bekt hem vol op de mond. Hoewel hij zeker weet dat ze hem in de maling neemt, zoent hij haar heftig terug. Toch vermoedt hij nog tijdens hun omhelzing dat er geen sprake is van een studentikoze grap maar van een serieus verlangen naar samenzijn. Vooral van haar kant.

   Met meisjes heeft hij zich nooit zo ingelaten omdat hij overtuigd is van zijn eigen saaiheid. Maar verlangens heeft hij altijd wel gehad. En de vrouw in zijn armen beweert wel degelijk voor 'saaie' studiebollen te vallen.

   Die avond in haar knusse meisjeskamer.

   Ze neuken tot de slaap hen overvalt.

   Hij droomt dat alles water is. De wereld is van water, hij ademt water, hij ís water.

   Warm en nat wordt hij wakker, verstrengeld in de armen van Mandy. Ze hebben elkaar niet losgelaten.

   Het kwikzilver van de euforie druipt tussen de kieren van zijn bewustzijn en sluit kort wat hij aanvankelijk onoverbrugbaar achtte. Nieuwe uitzichten ontluiken, hij kan het bespiegelen niet laten.

   Laat me je wat vragen. Is tijd net zoiets als muziek? Ik bedoel, als er niemand is om het te horen, kan er dan toch muziek bestaan? En als er niets meer is, is er dan toch nog tijd.? Oh, je bedoelt dat tijd niet zou bestaan vóór de oerknal. Dat is natuurlijk larie… Voor wie zich verplaatst met de snelheid van het licht staat de tijd stil. Dan is er dus geen tijd. Als er geen tijd is, ga je met de absolute snelheid…

Er was alleen sprake van een hele andere tijd… Het ziet er naar uit dat je er niet helemaal bij bent. Orden je gedachten. Bepaal je strategie. Zeg mij wat je wilt…

   Met een schok komt hij tot zichzelf. Hij ligt in een bed dat hij niet kent, in een onbekende kamer. Naast hem ligt een jonge vrouw, vredig opgerold in onbezorgde rust. Ze snurkt zachtjes.

   En alles valt op zijn plaats. Geluk. Tijdloos. Dat was het dus.

   Ooit zou hij ontdekken dat hij meer om haar geeft dan hij kon bevroeden.

 

Enkele gevolgen van het San Lorenzo Megaport Project.

 

Vrij een naar inleidend college over moraliteit en politieke filosofie door professor M.J. Sandel van Harvard University, Cambridge (Mass), USA.

 

 

 

Mechanische waterklokken gebruiken stromend water voor de aandrijving. De klassieke waterklok (clasydra) bestaat uit twee urnen waarbij het water vanuit de ene in de andere loopt (zoals het zand in een zandloper). Voor de werking van een moderne waterklok, zie www.cadrans-solaires.fr/gitton/animation-horloge-gitton.html

 

 

BRONNEN VAN BESCHAVING

Elke parel aan de culturele ketting werd geboren uit water

 

  

De wereld baart ons zorgen, vooral de wereld van het water. De moeder van zowel technologische innovaties als van de regenboog en het leven zelf, is veranderd in een modderpoel. Ironisch genoeg heeft ze dat aan zichzelf  te wijten, vooral aan haar oplossend vermogen, maar ook aan het breken van licht, stromen door zwaartekracht, uitzetten door verhitting en haar grote warmtecapaciteit. Allemaal eigenschappen die de mens van dienst zijn geweest in zijn nooit aflatende dorst naar macht over de natuur. Daarmee is onze eerbied voor natuurkrachten (al dan niet goddelijk) in de loop van de tijd niet veranderd. Ons vermogen om de wereld om ons heen naar onze hand te zetten, is daarentegen in toenemende mate gegroeid. Zwartgallige piskijkers hebben het einde al voorspeld. Anderen vertrouwen erop dat moeder weer beter wordt. 

 

Tijdens één van zijn wandelingen langs de Middellandse Zee knielde de jonge Thales van Milete neer om te zien hoe het land door aanslibbing uit de zee ontstond. Het besef dat hij getuige was van de geboorte van een stukje wereld ontroerde hem diep. Toen hij opkeek waren hemel en aarde verbonden door een bonte stralenkrans.

 

Heftige emoties kunnen een euforisch ogenblik van gezichtsverbetering teweegbrengen. Tranen van verdriet of vreugde openen soms nieuwe vergezichten. Door lensvorming van het oogwater wordt plotseling duidelijk wat voordien onzichtbaar bleef. En al werkt het maar sporadisch, het werkt wel met elk water. Dat was vroeger niet anders.

 

Rond de overgang van het eerste naar het tweede millennium ontdekte de Perzische natuurfilosoof Ibn al-Haitham, ook bekend onder de naam Alhazen, de kleurenpracht die een glazen bokaal gevuld met water tevoorschijn kan halen. En de waarneming van regendruppels op de wollen stoffen van de Noord Afrikaanse marktkooplui inspireerde hen tot het gebruik van een dradenteller, een soort loep die later, in de 17e eeuw, door een linnenkoopman in Delft revolutionair werd verbeterd.

 

Ontrent twee uren gaens van dese Stadt, leijt een binnelantse meer, de Berckelse meer genaemt, wiens gront op veele plaetsen seer moerich, off moerassich is, dit water is des swinters seer klaer, ende int begin, ofte int midden vande somer, wort het Witachtich, ende daer drijven groene wolckjens door, twelck volgens het seggen, vande Huijsluijden daer ontrent woonende, veroorsaect wert door de Douw, die alsdan comt te vallen, en die sij den honich douw noemen, dit water is seer Visrijck, ende de Vis is seer goet en smakelijck, ende nu laest inde voornoemde meer varende, op die tijt, als de wint redelijck hart waeijde, ende het water als boven verhaelt, siende, nam ick in een glase flesje, een weijnich water mede, dit des anderen daeghs observerende, bevonde ick daer in te drijven, verscheijde aertsche deeltgens, ende eenige groene ranckjens, in geschickte ordre slanghs gewijse omgekrult, op gelijcke manier, als de copere off tinne slangen sijn, die de distelatuers gebruijcken, omme haer over gehaelde wateren te verkoelen, ende de gantsche circumferentie, van jder van dese ranckjens, hadt ontrent de dickte van een haer van ons hooft; andere deeltgens hadden maer een begin, van het boven verhaelde ranckje, alle bestaende uijt seer kleijne groene same gevoeghde clootgens, als mede seer veel kleijne groene clootgens, ende daer beneffens, seer veel kleijne diertgens, daer van eenige waren rontachtich, die een weijnich grooter waren, bestonden uijt een eijront; aen dese laeste heb ick twee beentgens gesien, ontrent het hooft, ende aen het achterste van het lichaem, twee vinnetgens, andere waren wat langer als een eijront, en dese waren seer traegh int bewegen, en weijnich in getal; dese voor verhaelde diertgens bestonden uijt verscheijde couleuren, als eenige witachtich ende doorschijnende andere uijt groene seer glinsterende schibbetgens, andere weder int midden groen, en voor en achter wit, andere uijt asgraeuw; ende de bewegingh van meest dese diertgens, was soo snel int water, ende met soo veel verscheijde bewegingen, soo om hoogh, als na om laegh, ende inde ronte, dat het verwonderens waerdich was om sien, en ick oordele dat eenige van dese diertgens, meer als duijsent mael kleijnder waren, als de kleijnste diertgens, dat ick tot noch toe, op de korst vande kaes int tarwen meel, in Schimmel, ende etc. heb gesien.1

 

De microscopische waarnemingen van de religieus onverschillige Van Leeuwenhoek zijn het resultaat van pure nieuwsgierigheid. Door velen worden de vergezichten van zowel de micro- als macrokosmos echter gebruikt om hun geloof in de almacht van een goddelijke schepper bevestigd te zien. Een overtuiging die niet alleen in de christelijke wereld overheerst.

 

In opdracht van zijn beschermheer Nasir al-Din ibn Muhammad, leenheer van Diyar Bakr in Mesopotamië onder Koerdisch gezag, heeft Ismail ibn al-Razaz al-Jazari aan het begin van de 13e eeuw een gedetailleerde handleiding geschreven voor de bouw en het gebruik van de ingenieuze werktuigen die hij tijdens zijn leven had ontwikkeld. Zijn werkwijze (trial & error) leek wel wat op de aanpak van timmerman / klokkenmaker John Harrison in de 18e eeuw maar de nagelaten toelichtingen van de Engelsman blijven ver achter in taalgebruik en explicatie in vergelijking met de middeleeuwse Arabier. In de inleiding van zijn Boek van kennis van ingenieuze mechanische apparaten beschrijft al-Jazari zijn nederige beweegredenen.2

   De automaten van al-Jazari worden aangedreven door waterkracht, een nagenoeg onuitputtelijke vorm van krachtoverbrenging. Zijn uitvindingen kunnen worden beschouwd als uitvloeisels van islamitische technologie, openbaringen van de scheppende kracht van Allah. Sommigen menen zelfs dat de bestudering van het werk van al-Jazari nieuwe inzichten in de hedendaagse automatisering kunnen opleveren. Met ongekende mogelijkheden voor de moderne robotica. 


CATEGORIE I: Over de bouw van klokken die het verloop van de tijd aangeven door middel van water of kaarsen; 10 hoofdstukken

      Hoofdstuk 1: Een waterklok; 10 paragrafen

      Paragraaf 2: Het waterreservoir en toebehoren

Men neme een koperen reservoir, ongeveer 145 cm lang en 30 cm breed. Het wordt gevuld met water dat door een opening in de bodem naar een eronder bevestigd apparaat moet stromen. De duur is gelijk aan het aantal uren van de langste dag op de breedtegraad waarvoor het apparaat is ontworpen, in het onderhavige geval tussen de 30o en 40o waar de langste dag 14 ½ uur duurt. Bij het aanbreken van de dag moet uit een enkel gat een afgemeten hoeveelheid water stromen en dezelfde hoeveelheid tijdens het laatste uur van de dag. Als het water dan ’s nachts wordt teruggestort in de container zal het er die nacht in 9 ½ uur weer uitstromen, wederom het eerste uur weer evenveel als het laatste uur. 

   Eerst maak ik het reservoir, de vlotter, de tapkraan, de vlotterkamer en drijver.

   Voor het reservoir hebt ge vier platen koper nodig die u beklopt tot ze de vorm hebben van een ronde ketel, met rechtopstaande zijden en met een even grote boven- en onderkant; ze zijn ongeveer 40 cm hoog en 30 cm breed. Om de juiste vorm te krijgen, gebruikt u een ronde houten schijf die precies in de ketel past. Dan trekt ge tegenover elkaar vier rechtopstaande lijnen aan de binnenzijde van elke ton die ge elk in tien gelijke stukken verdeeld. Dan giet u water in de ton tot aan het eerste streepje van de vier lijnen en vervolgens een afgemeten hoeveelheid tot aan het tweede streepje. Daarna giet u weer eenzelfde hoeveelheid in de ton; als deze hoeveelheid tot het derde streepje komt, is alles in orde, maar als het wateroppervlak lager of hoger uitkomt, dan moet ge de wand met een hamertje verwijden of vernauwen totdat het klopt. Deze handelwijze wordt herhaald totdat ge het laatste streepje in elk van de compartimenten hebt bereikt. De extra ruimte aan de boven- en onderkant van elk compartiment bewerkt gij zodanig dat ze een hoepelvorm krijgen, met uitzondering van de onderkant van het laatste compartiment omdat dit de onderkant van de container is. U plaatst er een compartiment bovenop en bevestigt ze aan elkaar; waar ze in elkaar zijn geschoven, soldeert u zorgvuldig een koperen ring. Hetzelfde doet ge met het derde en vierde compartiment om zo een container met rechtopstaande zijkanten te verkrijgen waarin de hieronder beschreven tapkraan is bevestigd. De totale lengte bedraagt 150 cm waarvan 130 cm voor de benodigde hoeveelheid water en 20 cm  zoals hieronder beschreven: 10 cm voor de onbekende hoeveelheid water op de bodem die niet wordt geloosd en 10 cm aan de bovenzijde voor de vlotter.

   Om de vlotter te maken, klopt ge twee koperen plaatjes tot een ovale vorm, zodanig dat ze tegen elkaar passen als de helften van een uitgeholde knolraap. Daarna soldeert ge de randen vast. Ze moeten een zodanige afmeting hebben waardoor ze gemakkelijk in de container passen. In het midden van één van de ronde oppervlaktes maakt ge een hengsel met een ring en daar vlakbij boort ge een vingerdik gat. Vervolgens neemt ge een gietbronzen buis van 10 cm lang met een doorsnede waar uw wijsvinger in past; halverwege bevindt zich een goed gemaakte kraan die naar wens geopend en gesloten kan worden. Aan één kant buigt u de buis over een lengte van enkele centimeters onder een hoek van 90o,  ervoor zorgdragend dat het uiteinde van het gebogen stuk wat wijder wordt. De tapkraan wordt bevestigd aan de bodem van het reservoir. Voor het naar beneden gerichte uiteinde maakt ge een stop van gietbrons die u op gebruikelijke wijze op uw draaibank passend maakt en schuurt met polijstzand. Dit moet gij heel nauwkeurig doen want het is een van de belangrijkste en meest essentiële onderdelen van het toestel. Elke tapkraan en bodemklep wordt op deze wijze gemaakt. De stop ziet er kegelvormig uit, met een brede basis. Als het in het naar beneden gerichte uiteinde van de pijp wordt gedrukt zal het, als er niets in de weg zit, vrij kunnen worden bewogen, omdat de basis breder is dan de top.

   Voor de vlotterkamer klopt ge een plaat koper tot een cilinder, zoals het reservoir, van 30 cm hoog en 7 ½  cm breed. Aan één kant boort ge vlakbij de bodem een gat waarin een pijp ter grootte van een wijsvinger past en die u stevig vast soldeert. Voor de vlotter klopt ge daarna twee platen koper tot ze de ovale vorm hebben van de helften van een uitgeholde knolraap en soldeert u ze aan elkaar. De doorsnede moet zo zijn dat de vlotter makkelijk in de vlotterkamer past zonder de wanden te raken. De basis van de stop moet ge nu in het midden van één van de cirkelvormige kanten van de vlotter vastsolderen waarna ge het geheel in het water legt. Als hij overhelt naar een kant moet ge de andere kant verzwaren totdat hij recht ligt. 

 

Aldus beginnen de instructies voor het nederige handwerk dat aan de basis staat van het indrukwekkende toestel dat beroemd is geworden onder de naam ‘olifantsklok’ en waarvan je een 8 ½ m hoge reproductie kunt bewonderen in de Ibn Battuta Mall in Dubai.

   Afgezien van de veronderstelling dat metaalbewerking in de 13e eeuw onder handwerkslieden nauwelijks geheimen kende, bestaat er geen twijfel over de toegankelijkheid van de instructies. Iedereen kan de toestellen zelf maken.

   De schrijfstijl van al-Jazari lijkt zijn onderwerping aan de grootsheid van de Schepping te verkondigen; hij beschouwt zijn werk als de manifestatie van Gods almacht. In de vertaling heb ik een stijl gebruikt die moet appelleren aan de persoonlijke ontwikkeling van een scholier: om vertrouwen te krijgen in de eigen vaardigheden.

 

      Paragraaf 4: Het installeren van de instrumenten en hun samenhang

   Aan de zijkant van het reservoir, vlakbij de bodem, boort ge een gat waarin het pijpeinde van de tapkraan past zodat het gebogen stuk naar beneden wijst. Plaats de ton op een stevig onderstel op ongeveer een meter boven de vloer van de behuizing. Til de vlotterkamer, met de vlotter erin, omhoog tot de bovenkant van de vlotterkamer tegen het uiteinde van de tapkraan stoot en fixeer de vlotterkamer op een stevig voetstuk, zodanig dat het gebogen deel van de tapkraan precies boven het midden van de vlotterkamer zit.

   Schuif de pijp die ge aan de onderkant van de vlotterkamer hebt gesoldeerd in het uiteinde van de pijp in de wijzerplaat [beschreven in paragraaf 3] en vul de verbinding op met een beetje was. Het voetstuk van de stromingsregelaar [paragraaf 3] wijst naar beneden en de regulateur zelf staat rechtop; breng een stenen rand aan onder het voetstuk. Met een loodlijn controleert ge of het reservoir en de vlotterkamer waterpas staan en of de stromingsregulator rechtop staat. Dat laatste doet ge door de draad (van uw loodlijn) voor het eerste punt van de Kreeft en het eerste punt van de Steenbok [afbeeldingen op de wijzerplaat] te houden en vast te stellen dat deze over de hele lengte een gelijke afstand tot de wijzerplaat heeft en het voetstuk in gelijke helften verdeelt.

   Schenk nu water in het reservoir, terwijl tijdens het vullen de vlotter op het oppervlak drijft; de tapkraan onderaan de ton staat open en het water stroomt door het omlaag gebogen deel in de vlotterkamer, vervolgens in de opening aan de achterzijde van de schijf en dan in de halfronde goot. Het water kan niet weg zodat het niveau in de vlotterkamer stijgt en daarmee de vlotter, totdat de stop bovenop de vlotter in het omlaag gebogen deel van de tapkraan schuift en deze afsluit; daarna stopt de waterstroom totdat ge een gat boort in het midden van de schijf ter hoogte van de goot waarna het water door dit gat wegloopt. Zolang het water wegloopt, zakt de vlotter. Als de wijzer bij het eerste streepje van Kreeft staat en het gat in de schijf dus op zijn hoogste punt is, ongeacht waar dit is ten opzichte van het middelpunt van de schijf, zal de waterstroom het geringst zijn. En als de wijzer bij het eerste streepje van Steenbok staat, is het gat in de schijf op zijn laagste punt aangeland en zal, ongeacht waar dit is ten opzichte van het middelpunt van de schijf, de waterstroom het sterkst zijn. Met een doorboord stukje onyx [kwarts] sluit ge het gat af, zodanig dat het per uur een berekende hoeveelheid water doorlaat; verderop wordt beschreven hoe ge dat doet.

   Eerder werd al vermeld [paragraaf 3] dat de buitenring van de schijf is verdeeld in 12 gelijke delen (niet gegraveerd) met een fijne markering van totaal 360 streepjes (niet gegraveerd), waarbij de wijzer in het voorbijgaan een heel jaar kan duiden.

   Als de zon recht boven de Kreeftskeerkring staat [midzomerzonnewende] dan staat de wijzer overdag op het eerste punt in Kreeft en ’s nachts op het eerste punt in Steenbok, er recht tegenover. Vervolgens zakt de wijzer dagelijks met één graad ten opzichte van het eerste streepje in Kreeft en stijgt elke nacht één graad ten opzichte van het eerste streepje in Steenbok. Als de wijzer het eerste streepje van Ram bereikt, verandert de stand overdag en ’s nachts niet. De indeling is (nog) niet betrouwbaar en wordt (nog) niet gegraveerd; de reden daarvoor zal verderop duidelijk worden gemaakt.

 

Met de gedetailleerde beschrijvingen van zijn toestellen demonstreert al-Jazari vooral zijn toewijding als handwerksman. Zijn mechanische innovaties zijn niet het resultaat van abstracte berekening maar van ambachtelijkheid. Veel van zijn maaksels zijn uitwerkingen en technische verbeteringen van bestaande beschrijvingen. De uitvindingen die aan hem worden toegeschreven, zijn vooral het resultaat van zijn devote nijver en verknochtheid aan het ambacht.

 

[CATEGORIE IV: Over fonteinen die met vaste intervallen van vorm veranderen en het automatisch fluitspel; 10 hoofdstukken]

   Ik ben niet uitgegaan van het principe van de Banū Mūsā, moge God hen genadig zijn, die zich vroeger op dit gebied hebben onderscheiden. Zij maakten voor de wisseling van de fonteinen gebruik van wind- of watermolens waardoor ze bij elke rotatie veranderden. Maar dan is het interval te kort om het effect volledig tot zijn recht te laten komen. In twee van hun ontwerpen gebruikten ze evenwel een buis in de vorm van een soort balans. Hierdoor stroomde het water in een tank voordat het in de fontein kwam. Aan een stuk van de buis was een bakje bevestigd waarin een kleine hoeveelheid water druppelde zodat het na een bepaalde tijd vol was. Het uiteinde werd zwaar waardoor de buis kantelde en de gehele inhoud van het bakje werd geleegd in een tank. Hierin zat een pijp waardoor het water kon weglopen in dezelfde tijd die nodig was om het bakje te vullen. Waarschijnlijk kantelde de buis op het moment dat een bepaald gewicht werd bereikt, namelijk bij de laatste druppel die in het bakje viel; toen het gewicht weer afnam, steeg de buis weer naar zijn oorspronkelijke stand. De tijd dat hij gekanteld was, duurde niet lang genoeg om het water uit de tank te laten weglopen. Ik weet niet of dit een onvolkomenheid is in het ontwerp of een mankement van het model.

 

Hoofdstuk 7

   Ik stuitte op een bekend artikel van Apollonius, de Indiase timmerman: hij heeft een rad gemaakt dat langzaam draaiend na een halve omwenteling de waterafvoer opent. De tijdsduur is te kort voor mijn toestel [eindeloos fluitspel] tenzij het rad onvoorstelbaar langzaam zou draaien. Ik heb ook een ander oud toestel bestudeerd, waarvan ik geen beschrijving heb gevonden maar wel een tekening. Dit toestel heeft een blaasinstrument met acht gaten en bewegende staafjes als vingers. De tekening toont verder acht tanks, zeven afsluiters en vier tandwielen en de vermelding van een rad dat langzaam de waterafvoer opent. Maar ook al gingen door dat rad een aantal staafjes na elkaar omlaag, ik ben van mening dat het niet langzaam genoeg zou gaan om welke verandering dan ook ten toon te spreiden. Ook heb ik een artikel bestudeerd dat in 517 A.H. [1139] in Bagdad werd geschreven door de voortreffelijke uitvinder Hibat Allah ibn al-Husayn al-Asturlabi, waarin hij een echte innovatie beschrijft. Het ontwerp omvat een cilinder waarin een loden kogel zit, een soort van hefboom, twee kuipen die aan kettingen zijn opgehangen, drie tanks, zes afsluiters en twee hengselvormige pijpen die aan weerszijden buiten de tank steken. Het is een bekend werktuig.

 

Dat hij zich liet inspireren door tal van ideeën en ontwerpen van anderen was voor al-Jazari geenszins reden tot gêne. Het ging hem erom zijn meester zo goed mogelijk te dienen. Bovendien werden werktuigen vooral beschouwd als de onthullers van Gods almacht in plaats van uitingen van het genie van de ontwerpers.

   Het is vrijwel zeker dat al-Jazari de Arabische vertaling heeft gelezen van Herons Pneumatica waarin tientallen toestellen staan beschreven die door waterkracht worden aangedreven. Door de combinatie van water en vuur – twee van de vier klassieke oerelementen – maakte Heron gebruik van stoom voor de aandrijving van zijn werktuigen.3 Waarom deze krachtbron niet door al-Jazari werd gebruikt, roept vragen op. Wellicht bestond er in de islamitische wereld een afwijzende houding tegenover het manipuleren van de lucht op aarde of was de vier-elementen theorie van Empedocles in strijd met het holistisch islamitisch denken. Misschien had het te maken met brandstofschaarste in Noord Mesopotamië, dat niet zo bosrijk was (stoom werd daar overigens wel in badhuizen gebruikt: voor het verwarmen van de baden en ten behoeve van de gezondheid, voor wie het zich kon veroorloven). In het Hellenistische Eagyptos bestond er in elk geval geen bijgelovig bezwaar tegen het verhitten van water. 

 

Paragraaf 37. Tempeldeuren die worden geopend door een brandend vuur op een altaar.

   De constructie betreft een tempeltje waarvan de deuren, door het ontsteken van een vuur, uit zichzelf zullen openen en  zich automatisch sluiten als het vuur uitdooft. De tempel wordt gebouwd op een rechthoekig podium met terzijde een bescheiden altaar. Door het altaar loopt een buis waarvan één uiteinde in het altaar zelf en het andere in een bol onder podium steekt. Dit open uiteinde steekt tot halverwege de bol en de buis wordt aan de bol vast gesoldeerd. In de bol is bovendien een sifon gemonteerd, een pijp die van onderuit de bol omhoog gaat en daarna over eenzelfde afstand naar beneden is gebogen. De scharnierassen van de tempeldeuren zijn naar beneden toe verlengd in de vorm van ronde palen met aan het uiteinde draaibare stiften. Rondom de palen zijn twee kabels gewikkeld waarvan de andere uiteinden zijn samengevlochten en waaraan via een katrol een lege emmer hangt. Twee andere kabels zijn in tegengestelde richting rondom de palen gewikkeld alvorens ze bijeenkomen en via een katrol aan een loden gewicht zijn bevestigd. Bij het zakken van het gewicht draaien de palen, en dus de scharnieren, rondom hun as en worden de (tempel)deuren gesloten. Het naar beneden gebogen uiteinde van het sifon steekt in de opgehangen emmer. Via een opening aan de bovenzijde van de bol wordt deze voor de helft met water gevuld; daarna wordt de opening zorgvuldig afgesloten.

   Als er nu een vuur wordt ontstoken op het altaar zal de lucht erbinnen worden verhit en uitdijen over een grotere ruimte. Daarbij zal het door de buis in de bol terechtkomen en het aldaar aanwezige water door het sifon in de opgehangen emmer persen. Deze zal door het toegenomen gewicht naar beneden zakken, de kabels waaraan hij is opgehangen, aantrekken en zo de deuren openen. Omgekeerd zal, als het vuur wordt uitgedoofd, de verdunde lucht ontsnappen door de poriën van de bol; het sifon (waarvan het uiteinde zich onder het wateroppervlak in de emmer bevindt) zal de vloeistof in de emmer opzuigen om de leegte op te vullen die door de verwijderde deeltjes is ontstaan. Als de emmer lichter wordt, zal het opgehangen gewicht weer de overhand krijgen en de deuren sluiten.

  

Het is niet waarschijnlijk dat Heron zijn gedachtenexperimenten zelf getoetst heeft. Een technische uitvoering zou onvolkomenheden in het ontwerp hebben blootgelegd die hun succes zouden hebben verhinderd. Wellicht heeft dat bijgedragen aan het langdurig negeren van stoom als krachtbron. Zijn aeolipile, een luchtdichte bol die door verhitting gaat ronddraaien door ontsnappende stoom uit zijdelings geplaatste pijpjes, wordt wel beschouwd als de voorloper van de raketmotor. Zelf kon hij geen praktische toepassing bedenken en beschouwde het toestel als puur amusement.*

 

 

Enkele heel andere eigenschappen van water zijn haar vermogen om dingen te vervoeren (transport) en om stoffen op te lossen. Scheepsverkeer heeft de planeet volledig ontsloten en zoutwinning uit zeewater is wellicht de voornaamste bron van culturele uitwisselingen geweest.

   De gedachte aan watertransport in het verleden roept steevast het beeld op van gemetselde goten ten tijde van de Romeinse overheersing. Was het niet in de omgeving van Rome dat men met vulkanische as cement had uitgevonden? De relicten van imposante aquaducten vormen nog altijd een lucratieve toeristische attractie.

   Maar watertransport verliep van oudsher vooral via houten buizen. Voor de zoutwinning liet men het de grond in stromen. Dankzij de kwaliteiten van water kon het zout zo honderden kilometers landinwaarts worden gewonnen uit opgezogen pekel.

   Ten tijde van de Romeinse overheersing in Europa haalden Chinezen met behulp van bamboepijpen de pekel uit de grond. Aan het uiteinde van de pijp zat een leren klep. Het gewicht van de pekel drukte de klep dicht als de pijp werd opgetrokken. Vervolgens werd de pijp boven een reservoir getild en werd de klep met een staak opengeduwd zodat het pekelwater in het reservoir liep. Het reservoir was via bamboepijpleidingen verbonden met de ziederij. De bamboepijpen waren bestand tegen zout en de aanwezigheid van zout voorkwam rotting van het hout. De lassen werden dicht gesmeerd met modder of met een mengsel van kalk en plantaardige olie. Bamboepijpleidingen liepen kriskras door het Chinese landschap om met behulp van de zwaartekracht de pekel over een grotere afstand te transporteren.

   In Europa werd op analoge wijze gebruik gemaakt van pijnbomen. De stammen werden met een lange handboor uitgehold. Het puntvormig uiteinde van de ene stam paste in de uitholling van de volgende zodat de pekel over lange afstand kon worden getransporteerd.

   Al in de middeleeuwen profiteerde men van het oplossend vermogen van water, onder andere in het Oostenrijkse Hall. Daar liet men zoet water de schacht in lopen om het steenzout (het enige gesteente dat je kunt eten) op te lossen alvorens het via de houten buizen naar de ziederij te transporteren. Uiteindelijk was dit zout zuiverder en van betere kwaliteit te zijn dan het zout dat uit zeewater werd gewonnen.

   In Oost Frankrijk werd in de middeleeuwen ondergronds pekelwater met behulp schepvaten en een paardenmolen omhoog gebracht. In de 18e eeuw werd aldaar de pekel over een afstand van enkele tientallen kilometers via houten pijpleidingen getransporteerd volgens een ontwerp van de Franse architect Claude-Nicolas Ledoux. De feodale verhoudingen en ellendige werkomstandigheden in de zoutmijnen van Salines-les-Bains bewogen hem tijdens de Verlichting tot de ontwikkeling van de zoutziederijen van Arc-et-Senans. Met het argument dat het eenvoudiger was om het pekelwater via een ‘saumoduct’ te leiden naar de brandstof – het lagergelegen forêt de Chaux – in plaats van andersom de bomen omhoog te slepen, werden de ziederijen ruim twintig kilometer stroomafwaarts van de Loue gebouwd. Als het aan architect Ledoux had gelegen, zou hier de ideale samenleving worden gevestigd. Pijpen voor Utopia.4

 

Met de lang uitgestelde toepassing van stoom als krachtbron begon in Engeland de industriële revolutie. Aanvankelijk werd die krachtbron gebruikt om het transport (stoomlocomotief) van brandstof (steenkool) mogelijk te maken. Tegenwoordig wordt stoom gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, ook in kerncentrales.

 

Sinds de introductie van de verbrandingsmotor is iedereen zich er pijnlijk van bewust dat een machine moet worden gekoeld. Daartoe is wederom een beroep gedaan op een van de eigenschappen van water: haar grote warmtecapaciteit en daarmee haar vermogen om verkoeling te brengen. 

   Al eeuwenlang heeft men hitte bestreden door warme lucht over een wateroppervlak te leiden. Leonardo da Vinci experimenteerde met een door water aangedreven rad waar hij een luchtstroom doorheen voerde. Zijn ventilator blies de lucht door het druipende en spetterende water in het rad waardoor de luchtstroom werd gekoeld.

   Bevroren water, oftewel ijs, was nog geschikter om iets af te koelen. In 1851 ontwierp de arts John Gorrie een ijsmachine die was gebaseerd op het snelle uitzetten van gassen, een techniek die nog steeds wordt toegepast. Met elektrische pompen kon hij afwisselend lucht samenpersen of ijler maken. Door wat water toe te dienen, werd de samengeperste lucht in een spiraalvormige buis afgekoeld. Deze werd omgeven door een bak met stromend koelwater. Vervolgens liet hij het toegediende water weglopen in een vergaarbak en verminderde de druk van de samengeperste lucht door deze in een tank met pekelwater te voeren. Hierdoor daalde de temperatuur van de pekel tot ruim onder het vriespunt van water. Druppelsgewijs werden bakjes in de pekel gevuld met zoet water, dat spoedig veranderde in ijs.  

   In 1908 bouwde Oscar Palmer de eerste verdampingskoeler in Arizona. Het koelapparaat bestond uit een grote doos waarin een elektrische ventilator was geplaatst. Drie zijkanten van de doos waren bekleed met kippengaas; de vierde zijde was open. Achter het gaas zat materiaal dat gemakkelijk nat gehouden kon worden; houtwol voldeed uitstekend. De ventilator blies lucht over de nattigheid de kamer in. De zogenaamde swamp cooler heeft Arizona sindsdien nooit meer verlaten. 

 

Nadat water in de 20e eeuw veelvuldig is gebruikt voor de bestrijding van vrijkomende warmte bij tal van energetische omzettingen wordt het in de 21e eeuw zelf weer krachtbron.

   In de waterkringloop op aarde – van verdamping uit zee via wolken en neerslag tot rivieren die weer uitstromen in zee – kun je een ‘Blauwe Energiecentrale’ plaatsen. Deze transformeert de energie van zonlicht en zwaartekracht uit de natuurlijke kringloop in een andere energievorm. Dat gebeurt door middel van diffusieprocessen via nano-membranen.

   Met de PRO-methode (Pressure Retarded Osmosis) worden containers met zoet en zout water van elkaar gescheiden door membranen die alleen watermoleculen doorlaten. Door de osmose stijgt het water in de container met zeewater waardoor de druk daar toeneemt. Met die druk kan een turbine worden aangedreven om bijvoorbeeld elektriciteit op te wekken.

   Een andere methode is de reverse electrodialysis (RED, omgekeerde elektrolyse). Deze werkt met twee verschillende membranen: anionmembranen die alleen negatieve chloorionen uit het zeewater doorlaten en kationen die alleen de positief geladen natriumionen geleiden. Aan weerszijde van de om-en-om gemonteerde membranen stroomt zoet en zout water. Omdat het zoute water veel meer natrium- en chloordeeltjes bevat dan zoet water loopt er een netto stroom van geladen ionen vanuit het zoute water door beide membranen aan weerszijde ervan naar het zoete water dat ze afvoert. Het ontstane potentiaal verschil tussen de membranen levert de elektrische stroom.

   De entropiebatterij maakt gebruik van speciaal samengestelde elektrodes om zwakstroom te genereren. Door afwisselend zoet en zout water langs de elektrodes te laten stromen, wordt de batterij opgeladen. Feitelijk wordt er warmte omgezet in elektriciteit doordat tijdens het proces zoet en zout water worden gemengd waardoor de entropie toeneemt.

 

 

 

 

Thales van Milete doceerde in de 6e eeuw voor Christus dat er één oerstof bestaat: water. Het is niet duidelijk wat hij daarmee bedoelde. Was de wereld geboren uit water, en al het water te beschouwen als embryonaal vruchtwater, een noodzakelijke voedingsbodem, maar meer ook niet? Of bezat water alle eigenschappen die er in de wereld bestaan? Sommigen neigen naar het laatste vanwege zijn uitspraak “Alles is water.” Anderen beschouwen hem als een reductionist die meende dat alles tot water was te herleiden. Thales beweerde ook dat het goddelijke in alle dingen zit. Zou hij bedoeld hebben dat water een God is?

   Net als God heeft water veel gezichten. Wat te denken van spraakwater? Nu eens de verstikkende mist van ondoorzichtig gezever, dan weer de klotsende golven van oeverloos geouwehoer.

   Soms is water hard, weerbarstig. Ook die onvoorspelbare grilligheid van ijskristallen wordt toegeschreven aan de hand van God. Alweer een uiting van gemakzuchtige esthetica. Wat zou Thales dáárvan gevonden hebben?

   Alles wat wij weten van Thales van Milete is door anderen geschreven. Wellicht hebben zij hun eigen heimelijke vermoedens aan hém toegeschreven om daarmee een fluïde ideeënstroom te genereren. Gedachten die, net als water, elke vorm kunnen aannemen. In dát opzicht is water een element zónder eigenschappen en, net als het ‘apeiron’ van zijn leerling Anaximander, een oersubstantie waaruit de hele kosmos zou zijn ontstaan. De ideeënstroom, vals of waar, blijft een onuitputtelijke bron van beschaving.

   

 

 

 

 

In het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw knutselde Willem Malkus in de kelder van het MIT met een oud fietswiel en een stel lekkende plastic bekertjes een waterrad in elkaar dat hij licht gekanteld liet ronddraaien. Tijdens die beweging, werden de bekertjes aan één zijde (het hoogste punt) gevuld met water uit de kraan. Als er maar weinig water uit de kraan kwam, stopte de beweging door de wrijving van het wiel en liepen de bekertjes leeg. Als hij de kraan flink open zette, draaide het rad steevast in één bepaalde richting. Maar toen hij de kraan wat minder ver opendraaide, gebeurde er iets merkwaardigs. Nadat het rad een tijdje had rondgedraaid, stopte de beweging en begon het rad de andere kant op te draaien. Na een tijdje gebeurde hetzelfde. En nog eens. En opnieuw. Willem noteerde het aantal omwentelingen alvorens de draairichting omkeerde. Hij vond telkens een andere waarde. Hoe vaak hij het experiment ook herhaalde, er viel geen regelmatigheid te ontdekken. De beweging was, zogezegd, chaotisch.

   Tot zijn eigen verbazing had professor Willem Malkus met wat simpele huisvlijt en een straal water aangetoond dat de toekomst soms onvoorspelbaar is. Als wiskundige besefte hij dat het gedrag van zijn speeltje kon worden beschreven door drie differentiaalvergelijkingen met drie variabelen, een dynamisch systeem met een vreemde attractor. Het niet-lineaire systeem werd wel door exacte regels beheerst maar de ontwikkeling in de tijd viel niet te voorspellen: deterministische chaos.

  

   

Water is welbeschouwd de bron van alle leven. Als voorwaarde voor de aanwezigheid van leven op vreemde planeten wordt dan ook allereerst naar de aanwezigheid van water gezocht. Ik kan daar rustig aan toevoegen dat de aanwezigheid van water ook een voorwaarde is voor de technologische evolutie zoals wij die kennen. Daar evolutionaire processen geenszins eindig zijn, is de (irrationele) vrees voor het bestaan van technologisch hoogontwikkelde buitenaardse beschavingen niet geheel ongegrond.

   

 

Aanbevolen Nederlandstalige literatuur:

Hans Achterhuis & Nico Koning. De kunst van vreedzaam vechten. Lemniscaat, 2014

Maggie Black. Water, bron van leven. Fontaine Uitgevers, 2004

Rene ten Bos. Water. Een geofilosofische geschiedenis. Boom, 2014

Floris Cohen. De herschepping van de wereld. Bert Bakker, 2007

Ruth Eaton. De ideale stad. Utopia en de (niet) gebouwde omgeving. Mercatorfonds, 2001

James Gleick. Chaos. De derde wetenschappelijke revolutie. Contact, 1989

Marcel Grauls. Gewoon geniaal! Halewyck, 2009

Alex de Jong & Marc Schuilenburg. Mediapolis: populaire cultuur en de stad. Uitg. 010, 2006

Mark Kurlansky. Zout. Een wereldgeschiedenis. Anthos, 2002

Jaap Peters & Rob Wetzels. Niets nieuws onder de zon. Business Bibliotheek, 1997/2004 

 

 

In naam van de Meedogende en Barmhartige God

Oh God, zo bid ik U, ontferm U over onze vorst Muhammad, zegel der Apostelen, zegen hem en zijn familie en zijn voltallige Gezelschap. Geloofd zij den Heer, schepper van hemelse harmonieën, schenker van geheime wijsheid in de werelden die Hij gemaakt heeft als blijk van Zijn gezag en als een overtuigend teken van Zijn almacht.  Ik loof den Heer voor de aanwijzingen die Hij gegeven heeft en mijn aandacht gaat steeds uit naar Zijn immer grotere geschenken die een openbaring zijn van Zijn wijsheid, godlof, van Zijn liefde en Zijn grenzeloze weldadigheid. Moge Gods genade rusten bij onze vorst Muhammad, de edelste der mensenkinderen, bij zijn familie en zijn volgelingen, dat zij allen gezegend moge zijn.

   Ik heb mij verdiept in de boeken van vroegere geleerden en in het werk van latere handwerkslieden  – allen bedenkers van vernuftige toestellen die bewegen door luchtdruk, stromend water of door het verschuiven van gewichten, en dat zonder ophouden kunnen doen. Zowel in overleg met anderen als in eenzaamheid heb ik mij verdiept in het resultaat van alle proefnemingen. Nadat ik mij de inzichten van sommige oude meesters en hedendaagse geleerden eigen had gemaakt, ben ik verder gegaan door de toestellen helemaal zelf te maken, vanaf de schetsmatige beschrijvingen tot en met het uiteindelijke waarnemen van hun werking. Hartstochtelijk heb ik mij onderworpen aan deze slimme manier van werken en ik heb er alles aan gedaan om zo de Waarheid te vinden. Ik wist dat ik er ook steeds handiger in zou worden. De wonderbaarlijke wijze waarop die interessante mechanieken gestuurd konden worden, fascineerde mij.

   De heersers en grote denkers van onze tijd hebben mij gesteund en het vertrouwen gegeven om te zaaien en te oogsten. Dag en nacht heb ik mij ingespannen en tijdens mijn verlangen naar slaap is mijn sluimerend talent gewekt. Vol overgave heb ik mij – terend op mijn kracht en toewijding – aan mijn werk gewijd. Ik herontdekte de instrumenten die sommige wetenschappers en wijsgeren vroeger hadden bedacht en beschreven. Ze hadden deze nooit uitgeprobeerd en evenmin hadden ze hun bouwkundige kennis aan de praktijk getoetst, zodat hun denkbeelden ergens tussen waarheid en bedrog in zweefden. Ik combineerde hun ideeën, ging verder waar ze juist bleken te zijn en verzon dingen die goed werkten en overtuigend waren. Wanneer ik het benauwd kreeg als het werk niet wilde vlotten, was ik bang dat mijn werklust wellicht zou vervliegen en dat ik het spoor bijster zou raken in de duisternis van een eeuwigdurende nacht. Ik vond mijn zielenheil in de aanstelling van een rapporteur die ik zou instrueren hoe hij zijn perkamentrollen diende te vullen. Dan kon ik het probleem dat ik had opgelost van mij afzetten en aan hem overlaten. Dit in weerwil van mijn vrees voor de doordringende blik van de criticus die deze handelswijze zou afkeuren.

   Mijn meester is koning al-Salih Nasir al-Din Abi al-Fath Mahmud bin Muhammad bin Qara Arslan bin Dawud ibn Sukman bin Artuq, vorst van Diyar Bakr, moge God hem behoeden zoals alle anderen die Hij genegen is te behoeden. Dat wil zeggen, nadat ik in dienst was van zijn vader en zijn broeder – geheiligd zijn hun zielen – voordat het koningschap op hem overging – gedurende een totale tijdsduur van vijfentwintig jaar, vanaf het jaar 577 [1181 – 1182]. God, de Verhevene, heeft hem speciaal toegerust met aanzienlijke doses intelligentie, wellevendheid, rechtvaardigheid en oprechtheid, waarmee hij de hedendaagse koningen in rechtschapenheid en eerlijkheid naar de kroon steekt en waarmee hij vorsten uit zowel aangrenzende gebieden als ver weg overtreft in naastenliefde en genade. Hoe gering een bestuurlijk detail ook mag zijn, hij beheerst het met zijn scherpzinnig verstand en hoe onbegrijpelijk een raadsel ook mag zijn, hij vindt de oplossing in de verhevenheid van zijn geloofsijver. Nooit ben ik met de bouw van een van mijn toestellen begonnen zonder een beroep te doen op zijn belangstellende fijnzinnigheid. Hij is volmaakt in zijn spitsvondig oordeel en zijn wijsheid.

   Op een dag had ik hem iets gebracht dat hij me bevolen had om te maken. Hij keek mij aan en keek naar wat ik gemaakt had en dacht erover na, zonder dat ik het merkte. Hij raadde waarover ik had zitten denken, en onthulde feilloos wat ik had verhuld. Hij zei: “Ge hebt weergaloze apparaten gemaakt, en veel moeite gedaan om ze te vervolmaken; de vruchten van uw inspanning mogen niet verloren gaan. Ik wens dat ge een boek voor mij schrijft dat alles wat gij gemaakt hebt bijeen brengt, alsmede een selectie van de tekeningen van elk toestel dat u gebouwd hebt”.

   Ik heb zijn aanwijzingen gevolgd en zijn vonnis aanvaard, al had ik geen andere keus dan te gehoorzamen. Ik heb ter voorbereiding heel wat manuscripten geraadpleegd en toen heb ik dit boek samengesteld. Nadat ik te opzichtige scheuren in het perkament had gerepareerd, heb ik het boek verdeeld in een aantal hoofdstukken met de paragrafen en tekeningen die ik gemaakt heb. Ik geloof niet dat eenvoudige lieden zoals ikzelf zulk werk ooit eerder hebben gedaan en ik verlaat mij geheel op de onbaatzuchtige adviezen van deskundigen op dit gebied. Wie bekend is met de spreuken weet dat niemand ergens toe in staat is zonder het nodige talent [schoenmaker hou je bij je leest]. Hij kan slechts putten uit de beperkte voorraad die hem door God is geschonken en wee degene die nalaat er een ander mee van dienst te zijn. Maar geen mens wordt geacht boven zijn kunnen te grijpen.

   Mijn boek omvat een vijftigtal voorbeelden van mijn toestellen, verdeeld over zes categorieën. Ik heb grondig aandacht besteed aan een gedetailleerde beschrijving. De vreemde woorden in mijn tekst heb ik ontleend aan eerdere schrijvers mits hun betekenis niet is veranderd; daarnaast waren meer eigentijdse uitdrukkingen noodzakelijk. Want in elk tijdperk spreekt men een eigen taal en elke leerschool hanteert technische termen en gebruiken die alleen onder ingewijden bekend zijn. Tekeningen van de afgebeelde toestellen heb ik voorzien van verklarende letters waar ter verduidelijking in de legenda naar wordt verwezen. Hier volgt een overzicht van de zes categorieën:

Categorie I:           Over de bouw van klokken die het verloop van de uren aangeven; met een wereldlijke tijdsaanduiding [12] en met zonne-uren [24] – 10 toestellen.

Categorie II:         Over de bouw van vaartuigen en afbeeldingen geschikt voor drankgelagen – 10 toestellen.

Categorie III:       Over de bouw van kruiken en kommen voor aderlating en reinigingsrituelen – 10 toestellen.

Categorie IV:        Over de bouw van waterbronnen die van vorm veranderen, en over mechanismen voor een eindeloos fluitspel – 10 toestellen.

Categorie V:         Over de bouw om water omhoog te halen uit niet te grote dieptes en om het vanuit een stromende rivier te halen – 5 toestellen.

Categorie VI:        Over de bouw van uiteenlopende, niet verwante zaken – 5 toestellen.

 

 

 

 

EEN VERHANDELING OVER DE LEER VAN BEWEGING EN DRUK VAN LUCHTSOORTEN

[Inleidend betoog over het luchtledige door Heron van Alexandrië in zijn Pneumatca]  

Voordat we verder gaan met het eigenlijke onderwerp moeten we het over het vacuüm hebben. Sommigen beweren dat er absoluut geen vacuüm bestaat; anderen menen dat het luchtledige, hoewel het als zodanig in de natuur niet voorkomt, wel in hele kleine partjes kan worden aangetroffen in lucht, water, vuur en alle andere substanties en we omarmen deze laatste opvatting. We zullen hierbij met eenvoudig waarneembare verschijnselen aantonen dat hij juist is. Ogenschijnlijk lege vaten zijn dat feitelijk niet, ze zitten vol met lucht. Lucht is, daarover zijn zij die zich over de natuur hebben gebogen het eens, samengesteld uit hele kleine en lichte deeltjes en grotendeels onzichtbaar. Als we dan ook water in een schijnbaar leeg vat gieten, zal dezelfde hoeveelheid lucht het vat verlaten als er water instroomt. Dit kan met de volgende proef worden aangetoond. Keer het schijnbaar lege vat om en druk het, zorgvuldig rechtop houdend, in het water naar beneden, het water zal er niet instromen, zelfs niet als het vat geheel onder water is: daaruit blijkt dat lucht materie is dat de hele inhoud van het vat vult en het water tegenhoudt. Als we nu een gat boren in de bodem van het vat zal het water door de muil naar binnen gaan maar de lucht zal door het gat ontsnappen. Als we daarentegen vóór het doorboren van de bodem het vat rechtop aan het oppervlak brengen en omkeren, zullen we merken dat de binnenkant van het vat helemaal droog is, precies als vóór de onderdompeling. Daarom moet worden aangenomen dat de lucht een soort materie is. Als de lucht in beweging wordt gebracht, gaat het waaien (want wind is niets anders dan een luchtbeweging) en als we een hand boven het gat houden, nadat de bodem van het vat is doorboord en er water naar binnen gaat, dan zullen voelen dat de wind uit het vat ontsnapt; en dat is niets anders dan de lucht die door het water naar buiten wordt geperst. Dit leidt niet tot de veronderstelling dat er in de natuur een duidelijk uitgebreid vacuüm bestaat, maar dat het in kleine hoeveelheden is verspreid over lucht, vloeistof en alle andere substanties. Alleen diamant onttrekt zich wellicht aan deze eigenschap aangezien het niet kan worden gesmolten of gebroken; het verbergt zich in het aambeeld en de hamers waarmee men het tracht te verpulveren. Deze eigenaardigheid komt echter door de buitengewone dichtheid van diamant, waardoor de vuurdeeltjes, die grover zijn dan de lege ruimtes in de steen, er niet doorheen kunnen en alleen de buitenkant kunnen aanraken; omdat ze er niet in kunnen doordringen zoals in andere stoffen is het gevolg, dat de steen niet warm wordt. De luchtdeeltjes staan met elkaar in verbinding maar ze zitten niet overal dicht tegenelkaar aan. Tussen hen blijven lege ruimtes bestaan zoals bij het zand aan de kust: men moet zich de zandkorrels voorstellen als luchtdeeltjes en de lucht tussen de zandkorrels als de lege ruimtes tussen de luchtdeeltjes. Vandaar dat als door een willekeurige kracht de lucht wordt samengeperst, zullen de lege ruimtes worden opgevuld door de abnormale druk op de deeltjes: maar als de kracht wordt weggenomen, keert de lucht terug in haar natuurlijke toestand door de elasticiteit van de deeltjes, net zo gemakkelijk als bij een scheerkwast en spons, die, na te zijn samengedrukt en worden losgelaten, hun oorspronkelijke vorm en grootte weer innemen. Evenzo, als door het aanwenden van een kracht de luchtdeeltjes gescheiden worden en er een groter vacuüm wordt gevormd dan gebruikelijk is, zullen de deeltjes zich achteraf weer met elkaar verenigen; want deeltjes zullen snel bewegen in een vacuüm waar niets is dat ze tegenhoudt of afstoot, totdat ze verbinding hebben. Dus als men een vaatje met een kleine opening aan de lippen zet en de lucht eruit zuigt, zal het vaatje aan de lippen blijven hangen en wordt het vlees door het vacuüm naar binnen getrokken om de luchtledige ruimte te vullen. Hieruit blijkt duidelijk dat er een echt vacuüm in het vaatje was. Door middel van hun eivormige glazen bekers met nauwe mondopening demonstreren medici hetzelfde verschijnsel. Als ze deze met een vloeistof willen vullen, zuigen ze er eerst lucht uit, plaatsen een vinger op de mondopening en dompelen de beker in de vloeistof onder; als ze dan hun vinger wegnemen, stroomt het water in de luchtledige ruimte, hoewel die opwaartse beweging tegennatuurlijk is. Bekerglaasjes die op het lichaam worden aangebracht, werken op precies dezelfde manier; ondanks hun aanzienlijke gewicht laten ze niet los en bovendien zuigen ze door de lichaamsporiën naburige stoffen naar zich toe. De verklaring is dat het vuur [van de brandende kaars in de beker] de lucht erbinnen verteert en zuivert, zoals alle andere substanties, of het nou water, lucht of aarde is, verteerd worden en omgezet worden in ongrijpbare stoffen.

   Dat vuur iets verteert, wordt geopenbaard door sintels die met behoud van vrijwel dezelfde massa veel lichter zijn dan de oorspronkelijke steenkool. Van het verteerde gedeelte verdwijnt de fijnste stof met de rook of verandert in vuur of lucht op die plaatsen waar het vuur nog is; de grotere deeltjes verdwijnen in de lucht en nog grovere stoffen die zijn vrijgemaakt door de stroom van de andere deeltjes dalen neer naar een lagere plek en verenigen zich met vaste stoffen. Als water wordt verteerd door toedoen van vuur wordt het óók omgezet in lucht; de damp die opstijgt uit de ketels die boven het vuur hangen, is niets anders dan de verdamping van de vloeistof die verandert in lucht. Uit het bovenstaande volgt logischerwijs dat vuur alle deeltjes die grover zijn dan vuurdeeltjes ontbindt en transformeert. De dampen die worden uitgewasemd door de aarde tonen dus hoe grovere materie wordt omgezet in fijnere substanties; dauw wordt gevormd door verdamping van water dat door de aarde wordt uitgewasemd; deze uitwaseming wordt gegenereerd door de een of andere stof die gloeiend heet wordt als de zon zich onder de aarde bevindt en de grond van onderen verwarmt, des te meer als de bodem rijk is aan zwavel of teer. De warme bronnen op aarde worden op dezelfde manier veroorzaakt. Het lichtere deel van de dauw verdwijnt dus in de lucht; het grovere deel, nadat het door de kracht van de uitwaseming is omhoog gedrukt om een bepaalde ruimte te scheppen, valt neer op de grond als deze is afgekoeld bij zonsopgang.

   De wind wordt voortgebracht door extra uitwaseming waarbij de lucht wordt verstoord en verdund en aangrenzende luchtdeeltjes in beweging zet. Deze luchtbeweging heeft echter niet overal dezelfde snelheid; hij is heftiger in de buurt van de uitwaseming waar de beweging is begonnen en zwakker op een grotere afstand ervan: net zoals opstijgende zware deeltjes zich sneller bewegen in de lagere sfeer waar de voortstuwende kracht is en langzamer op grotere hoogte; als de kracht wegvalt die hen oorspronkelijk voortbewoog, keren ze terug naar hun oorspronkelijke plaats, namelijk het aardoppervlak. Als de voortstuwingskracht hen met dezelfde snelheid zou blijven voortdrijven, zouden ze nooit stoppen, maar nu neemt de kracht geleidelijk af, als ware het of hij raakt uitgeput, en de bewegingssnelheid neemt mede af.

   Water wordt, op overeenkomstige wijze, omgezet in aarde; als we water gieten in een kuil in de grond verdwijnt het laagje water na een tijdje omdat het wordt opgenomen door de aardse stoffen waarmee het zich verenigt en waardoor het feitelijk wordt omgezet in aarde. En mocht iemand beweren dat het niet is omgezet of opgenomen door aarde maar is uitgedreven door de zon of een andere warmtebron, dan kan hem getoond worden dat hij zich vergist: als dezelfde hoeveelheid water in een glazen of bronzen vat, of in een vat van welk vast materiaal ook, in de zon wordt geplaatst, zal het na een flinke tijd nauwelijks minder zijn geworden. Water wordt bijgevolg omgezet in een aardse stof: slijk en modder zijn inderdaad overgangsvormen van water naar aarde.

   De fijnere stof wordt bovendien omgezet in de grovere zoals de vlam in een lamp uitdooft bij gebrek aan olie; we zien het enige tijd omhoogstijgen, als het ware op weg naar een geschikte streek, wat wil zeggen zo hoog mogelijk boven de dampkring, totdat het wordt overweldigd door de hoeveelheid tussenliggende lucht en zich niet meer uitstrekt naar die verwante plek maar, alsof het vermengd en verstrengeld wordt met luchtdeeltjes, zelf lucht wordt. Hetzelfde kan wellicht met lucht worden waargenomen. Als namelijk een lekvrij vaatje, waarin zich dus lucht bevindt, met de opening omhoog onder water wordt gedompeld zodat het water naar binnen stroomt, ontsnapt de lucht uit het vat; maar overweldigd door de hoeveelheid water vermengt het zich er weer mee en wordt zo getransformeerd in water.

   Als bijgevolg de lucht in de eerdergenoemde bekerglaasjes, die evenzo door vuur verteerd en verdund is, door de poriën aan de zijkant van het glas naar buiten stroomt, raakt de ruimte erbinnen luchtledig en trekt willekeurige sappen aan die zich in de buurt bevinden. Maar zodra het bekerglas een klein stukje wordt opgetild, zal de lucht de lege ruimte instromen en zal er geen sap meer worden onttrokken.

   Diegenen die desondanks volhouden dat er absoluut geen vacuüm bestaat, kunnen wellicht  tal van argumenten bedenken die zeer aannemelijk klinken hoewel ze niet bewezen kunnen worden. Daar echter aan de hand van waarneembare verschijnselen is aangetoond dat een vacuüm kunstmatig tot stand kan komen en ook in de natuur bestaat, waar het weliswaar verstrooid is in de vorm van hele kleine ruimtes die onder druk kunnen worden ingenomen door deeltjes, zullen diegenen die dergelijke aannemelijke argumenten presenteren niet langer in staat zijn hun standpunt te verdedigen.

 

 

 

 

 

Uit L’ARCHITECTURE considérée sous le rapport de l’art des mœurs et de la législation ; par C.N. Ledoux.

   Een reusachtige arena opent zich voor mijn geestesoog, een nieuw vergezicht dat straalt in al haar pracht. De ontzagwekkende en onbeschaamde uitstraling dwingt de zwakke mens zijn ogen neer te slaan. Vreest niet, gij nijvere bedrijvigheid, om de vuurlinie te passeren. Moeder aller bronnen, zonder U blijft er niets over dan het lijden zelf: Gij verspreidt de invloed van het levenslied: Gij maakt de dorren woestenijen en droefgeestige wouden blij.

   Dit is een wereld op zich, dit is een bedrijvige stad waar elke aardse belofte in vervulling zal gaan.

   De muren rondom zijn op harmonieuze wijze versierd met beelden. De schoonheid van de onderlinge verhoudingen is onweerstaanbaar. De principes die worden uitgebeeld zullen door die schoonheid tot leven komen. Onze omgeving bepaalt, net als bij kiezels, of we ruw en bonkig zijn dan wel beschaafd en gepolijst; de harmonie bepaalt ons zedelijk gedrag. Omdat gezondheid en geluk voortkomen uit genoegens die men gemeenschappelijk geniet, zullen gemeenschapshuizen worden opgetrokken langs de zoom van het kalme bos. Geleerden zullen daar volgens de wetten der natuur in gemeenschap trachten de gewenste gelukzaligheid van de paradijselijke harmonie te herscheppen.

   Alles wordt geïnspireerd door harmonie. Als de samenleving gebaseerd is op wederzijdse behoeften die op hun beurt leiden tot uitwisseling van genegenheid, waarom dan niet die verschillen in smaak en gevoelens waarmee de mens is getooid onder een gemeenschappelijk dak gebracht?  Laat mijn stad huizen hebben waar velen zullen samenleven. Het karakter en de aard van gebouwen dient zeden en gebruiken te verspreiden en te zuiveren. Daarom heb ik hier theaters neergezet waar de mens bewust wordt van zijn gemeenschapsgevoel en daar triomfbogen om al het menselijke te eren en verderop begraafplaatsen waar het menselijke zal vergaan.

   De zedelijkheid wordt ondersteund door wetten. De verlichte tempel der rechtvaardigheid staat in heilzaam contrast met de duistere plekken waar de misdaad huist maar waar onschuld niet verborgen dient te blijven.

   De Tempel van de Deugd zal de immer vruchtbare en liefdevolle bron van openbare veiligheid zijn en in het Tribunaal zullen ruziënde gemeenschapsleden met elkaar verzoend worden en hun twisten worden voorkomen dan wel bijgelegd. Ook onzedelijk gedrag kan daar beteugeld worden evenals grootsteedse perversiteiten.

   Er zullen geschikte verblijfplaatsen zijn voor alle rangen en standen onder de bevolking en werkplaatsen met voorzieningen die de arbeiders in staat zal stellen de wereld beter te dragen dan Atlas.

   Ik beken dat ik blijk moest geven van mijn neiging tot vertoon om mijzelf ervan te overtuigen dat luchtkastelen weldegelijk gebouwd kunnen worden, ter meerdere glorie van de wereld. Het is waar dat de koele redelijkheid van mijn beoordelingsvermogen soms door ontroering wordt verdrongen. Ik besef dat ik zelfs bezeten kan zijn door een fantastisch denkbeeld of een heilige overtuiging. Maar als ik alle gegevens over de zoutwinning in Europa op een rijtje zet, vindt ik geen enkele rechtvaardiging tegen mijn plan.

 

 

Voor een animatie van een moderne waterklok, zie: http://www.cadrans-solaires.fr/gitton/animation-horloge-gitton.html (het is een klok, dus neem de tijd).
Uit een brief van 7 september 1674 geschreven door Anthoni van Leeuwenhoeken gericht aan H. Oldenburg, secretaris van de Royal Society.
Herons 'speelgoed' wordt nog steeds gemaakt: https://www.youtube.com/watch?v=Y8eb3ak1f9g
De term ‘deterministic chaos’ werd in1973 door de Amerikaanse natuurkundige James Yorke geïntroduceerd.

 

 

 

L & B: KLETS         HET GEHEUGEN VAN WATER

 

Water, zoals we geleerd hebben, bestaat uit eenvoudige moleculen H2O. Al in de jaren 70 van de vorige eeuw was bekend dat die moleculen een netwerk vormen waarvan de mazen van vorm veranderen naarmate het water warmer wordt. Nu, vele druppels later, leidt dat simpele water nog steeds tot kletsica.

 

Op nano-niveau is water ‘klonterig’: het aantal samenhangende moleculen varieert lokaal sterk en verandert gemakkelijk. Zo wordt de heterogene nano-structuur mede bepaald door zeer geringe concentraties opgeloste stof en magnetische- en elektrische velden. Door de extreme flexibiliteit van die structuur kan heftig schudden van een oplossing leiden tot een zeer fijne dispersie die ook na sterke verdunning aanwezig blijft. Dit potentiëren of ‘slaan’ van water verandert de structuur zodanig dat deze genezend kan werken. Hoe dat precies komt, moet onderzoek nog uitwijzen.

   Bestudering van het geheugen van water heeft opmerkelijke resultaten opgeleverd. Er werd aangetoond dat water de informatie van opgeloste stoffen nog steeds bevat, zelfs als er geen molecuul meer van aanwezig is. Het vermoeden bestaat dat die informatie in het lichaam, op celniveau, bepaalde trillingen of werkingen geeft, die uiteindelijk het lichaam kunnen genezen.

   Het stimuleren van een genezingsproces, door een kleine prikkel te geven die de kwaal juist opwekt, is niet nieuw. Om weerstand op te bouwen tegen ziektes krijgt men een vaccinatie met een kleine hoeveelheid ziekteverwekker. Allergieën worden behandeld met zeer kleine hoeveelheden van de stof waarvoor men gevoelig is (desensibilisatie).

   Het omgekeerde bestaat eveneens. Een aspirientje helpt tegen de koorts, maar grote hoeveelheden veroorzaken juist koorts. Kanker wordt bestreden met bestraling maar straling kan ook kanker veroorzaken. Ritalin helpt tegen ADHD maar wekt bij rustige mensen juist onrust op. 

   Volgens de maatstaven van goed wetenschappelijk onderzoek zijn er vele onderzoeken gepubliceerd die aantonen dat homeopathie werkt. Het is onbegrijpelijk dat we desondanks niet serieus worden genomen. Voor meer onderzoek kun je altijd op onze website www.vhan.nl terecht. Doen! 

 

El Instituto 4           WANKELMOED

 

 

De rood bebaarde Jacob Clerk was opperbevelhebber van de Nassause Vloot en in Peru berucht als de piratenkapitein Jacques l’Hermite. Bij zijn vertrek uit Holland in 1623 was hij al verzwakt door dysenterie en stierf het volgend voorjaar aan scheurbuik. Ook hij werd begraven op Isla San Lorenzo.

 

 

Terwijl de Conceptión in de richting van de Noordzee voer, werd in de kombuis gemeld dat de kapitein de maaltijd in zijn eigen hut wilde gebruiken. Samen met Theodoor. Dan konden ze onbekommerd Nederlands praten en hadden de Spaanssprekende officieren de kajuit geheel voor zichzelf. Voorlopig althans.

   Pieter Jacobz was een omvangrijk man. In zijn jonge jaren zou men hem rijzig hebben genoemd maar nu was hem aan te zien dat hij een goede keuken op prijs stelde. Zijn dominante verschijning dwong een vanzelfsprekende autoriteit af en zijn blik had iets vaderlijks.

   Het viel Theodoor op dat de schipper goed verzorgd aan tafel verscheen, het lange haar in een staart gebonden, de snor keurig opgekamd en zijn nagels gemanicuurd (waarmee zijn ‘privébediende’ Fedde belast leek te zijn; de knul had aangemonsterd als koksmaat maar bij zijn entree had Theodoor hem vooral bezig gezien met vijlen en schaartjes).

   Kort na hun vertrek uit Antwerpen had Pieter hem tijdens de maaltijd minzaam gevraagd of alles naar wens was. Het was hem niet ontgaan dat de jongeman zichzelf maar weinig opschepte uit de aangenaam geurende schalen die Fedde zorgzaam op tafel had neergezet.

   “Mijn waarde Haas, u heeft toch geen last van constipatie?”

   Theodoor had nauwelijks aandacht voor het wildbraad en de wijn, bedankte zijn tafelheer en mompelde iets over weinig trek. Dank zij de rood gestoofde peertjes hing hij in gedachten weer aan de lippen van Rosita en zelfverwijt had hem zijn eetlust ontnomen. Hij vroeg om de tafel te mogen verlaten, zogenaamd omdat hij zijn slaapplek nog niet op orde had en nog de nodige bagage moest uitpakken. Ontstemd liet de schipper hem gaan en de jongen trok zich terug in zijn eigen hut.

   Eenmaal op zijn kist gezeten, voelde hij zich echter zo onrustig worden dat hij toch weer het dek opzocht. De wind moest hij voelen. Het zout op zijn lippen proeven.

   Struikelend over manschappen die zaten te kaarten, of zomaar wat rondhingen en hem quasi meewarig najouwden omdat het leek of hij nu al zeeziek was, haastte hij zich naar de voorplecht en liet zich neervallen op een tros dikke meertouwen. Hij hoopte op sterren maar zag slechts een paars wolkendek en nu begon het ook nog een beetje te regenen. Hij hoorde de mannen vloekend beschutting zoeken. De miezer paste echter goed bij zijn stemming, al ontbrak de metallische tinteling op zijn tong en zag hij nergens rossige koppen.

   Uiteindelijk dreef de nattigheid hem toch benedendeks.

   Die eerste nacht aan boord van de Conceptión werd Theodoor om de haverklap wakker uit een droomloze slaap. Het kalme klotsen van de zee tegen de romp van het krakende schip stelde hem niet gerust nu de storm in zijn hoofd maar niet wilde gaan liggen. Hij wist dat het geen zin had om zichzelf iets wijs te maken, als hij terugging zou hij zich toch niet anders gedragen dan voorheen, beter was het om nu door te zetten, zijn eigen eenzame weg, richting paradijs. Maar zijn romantische fantasieën werden voortdurende overstemd door heimwee. Nu al.

 

De volgende morgen was hij al vroeg aan dek. Het was helder en droog weer. Uitkijkend over de kalme zee zag hij in het westen de witte krijtrotsen van Dover. De schipper had hem verteld dat ze de kustlijn zouden volgen in de richting van Portsmouth om een lading laken af te leveren. Daarna zouden ze verder naar het westen varen om in Torquay iemand op te pikken en vervolgens zuidwaarts naar Portugal te stevenen.

   Op het dek was het een drukte van belang. Overal om hem heen werd gewerkt. Schrobben, verven, zeilen herstellen, touwen vlechten, allerlei dagelijkse bezigheden waarvan hij de komende maanden getuige zou zijn.

   Ineens herkende hij een van de mannen die, halfnaakt tegen de reling leunend, bezig was een geselkat te maken door een stuk touw uiteen te rafelen en de uiteinden van knopen te voorzien. Het was de muzikant die Theodoor de weg naar het ‘paradijs’ had gewezen. De man had op hem een beschaafde indruk gemaakt die botste met het vernederende karakter van dit werk. Theodoor wist dat de indiaan Nederlands verstond.

   “Vind je het niet vreemd dat je iets maakt waar je zelf (of een van je maten) straks mee gegeseld kan worden?”

   Theodoor was hem onopvallend genaderd en de indiaan keek verbaasd op. Hij gaf echter geen antwoord en ging onverstoord verder met zijn werk. Theodoor liep schouderophalend verder. Maar de gedachte liet hem niet los. Was er in het paradijs op aarde plaats voor marteling?

   Mijmerend staarde hij naar de witte streep aan de horizon, er viel nog veel te leren, hij verlangde allerminst naar pijn, maar pijn kon misschien wel nuttig zijn. Dwaas. Met dit schip, de Conceptión, ontvlucht ik de ene droom, op zoek naar de andere. En wat zit er tussen die twee dromen? Precies! Hij besefte de oeverloosheid van zijn gepieker en dwong zichzelf tot luchtiger gedachten.

   Hij vroeg zich juist af hoe hij zijn tijd de komende maanden aan boord zou doorbrengen toen hij achter zich in helder Vlaams zijn naam hoorde noemen.

   “Theodoor Haase; Haas, naar ik vermoed?”

   Verrast draaide de jongen zich om. Voor hem stond een gedrongen man met een stuk hout in zijn handen die hem met samengeknepen pretoogjes opnam.

   “Haas? Dat ben ik, ja.”

   “Harco Jansen. Hoofdtimmerman. Als je je verveelt, heb ik wel wat voor je te doen.”

   “Eh…” Theodoor wist niet goed hoe hij zou reageren. Stelde die gedrongen zeebonk hem op de proef? Eigenlijk gaf hij antwoord op de vraag die hij zichzelf net had gesteld.

   Hij gaf Harco een hand.

   “Graag. Ik ben wel handig, al zeg ik het zelf. Ik leer graag wat nieuws.”

   “Doe maar gewoon, hoor. Op dit schip moet iedereen handig zijn. Kom maar mee, ik heb genoeg klussen liggen.” Harco draaide zich om en snelde weg. Theodoor moest zijn best doen om hem bij te houden.

   De werkplaats van de timmerlieden was grotendeels het dek zelf. Er werd aan blokkatrollen gewerkt, kisten getimmerd, iemand was bezig een oud paneel te herstellen, een ander legde net de laatste hand aan een drijver – waarschijnlijk bedoeld voor een van de netten, want verse vis was altijd welkom – en het dek zelf werd voortdurend geschuurd. Bij de grote mast bukte Harco en greep een paar spullen. Hij gaf Theodoor een harde borstel en een emmer met kwartszand en wees op een stapel ruwe dekdelen.

   “Die moeten straks zo zacht aanvoelen als de tieten van je lief. Let op dat je geen stijve krijgt of splinters in je vingers.”

   Met een rood hoofd toog Theodoor aan het werk. Hij was zich intens bewust dat hij nog nooit een vrouwenborst had aangeraakt (behalve van zijn moeder al kon hij zich dat niet herinneren). Hij realiseerde zich ook dat hij de komende tijd steeds meer moeite zou hebben om die heimelijke verlangens de baas te blijven. Elke afleiding was welkom.

   Het schuurwerk was een kolfje naar zijn hand. Op gevoelige wijze ondervond hij al snel hoe hij het ruwe hout het beste kon hanteren zonder zijn vingers open te halen. Het was eigenlijk wel raar dat je bij dit werk niet hoefde na te denken terwijl het toch al je aandacht opeiste. Al doende merkte hij dat het manipuleren van een dood stuk hout zijn gevoel van eigenwaarde versterkte. Het kwam als een enorme geruststelling dat ook zulke eenvoudige handelingen tot grote tevredenheid konden leiden.

 

Toch ondervond hij, in de duistere eenzaamheid van zijn kooi, dat eenvoudige handelingen niet beperkt hoefden te blijven tot het bewerken van een dood stuk hout. Om bevrediging te vinden. Tijdens de doorwaakte momenten tussen twee droomloze slaapuren ontdekte hij zijn lichaam. Vroeger, in Antwerpen was hem dat ook wel overkomen maar toen had hij er nooit aan toegegeven. Het was vals, zondig, smerig, gevaarlijk en wat men er al niet nog meer tegen inbracht. Telkens als hij zijn aandrang opbiechtte in hun Antwerpse parochie had de pastoor hem gemaand zich te beheersen, ondertussen de vreselijkste toespelingen lispelend. Bevend van schaamte had de kleine Theo tijdens het spervuur van de zedelijke geboden zijn kaken zo stevig opeengeklemd dat hij het bloed in zijn mond proefde. Het had wel hem bevreemd dat hij dat best lekker vond. Raar was ook dat de zielenhoeder hem soms tegen zich aandrukte, waarbij de donkere soutane weinig verhulde over de gemoedstoestand waarin de zwarte kip verkeerde. Als jongetje had hij nog gedacht dat de arme man een vreselijke aandoening had. Later hadden oudere misdienaren hem duidelijk gemaakt dat het om een vleselijk verlangen ging, wat op hetzelfde neerkwam.

   De dreigende verdoemenis had hem telkens de lust ontnomen om zich af te trekken. Totdat de jaren des onderscheids aanbraken en hij steeds vaker de seksuele symboliek herkende in de oh zo fatsoenlijke wereld waarin hij opgroeide. In weerwil van al die kerkelijke schijnheiligen was hij nog niet voor de hunkering van het vlees bezweken.

   Het scheen hem toe dat hij in de ingewanden van de Conceptión bescherming genoot tegen de toorn van de katholieke God. Een katholieke God die hem begon te verwarren. Er werd aan boord heel anders naar de wereld gekeken dan hij van huis uit gewend was geweest. Hij meende dat te kunnen opmaken uit de wijze waarop de zeelieden met elkaar omgingen. Aan de woordenwisselingen, aan de manier waarop ze elkaar soms aankeken, aan kleine gebaren die werden gemaakt.

   Pikanterieën van Harco en ander scheepsvolk mochten dan niets om het lijf hebben, ze bleven wel door zijn hoofd spoken, die vrouwenborsten. Bij gebrek aan een betere herinnering riep hij het beeld op van de gladde indianenborst en stelde zich voor dat deze sneeuwwit was. Hij beet op zijn wang en proefde opnieuw de metaalachtige tinteling uit zijn jongensjaren. Tegenover sodomie was men op de Conceptión heel verdraagzaam. Dat was opmerkelijk want Theodoor had thuis, in Antwerpen, gehoord dat er op de meeste schepen korte metten mee gemaakt werd: de plegers werden onverbiddelijk overboord gesmeten.

   Hij kon er niets aan doen dat ‘de kus’ nog steeds zijn bewustzijn afsloot voor nieuwe gedachten. Het beeld van Rosita zelf begon wel vager te worden, maar de herinnering aan haar mond en haar geur en haar aanraking werden allesoverheersend als hij daar in het donker op zijn eigen wanhoop werd teruggeworpen. Ergens diep vanbinnen was een vuur dat steeds heviger ging branden. Hoe beter hij zijn best deed om niet te denken aan zijn meest geliefde bidprentje, des te hoger reikten de vlammen, des te heter werd zijn ziel.

   Hij moest zichzelf helpen.

 

Tijdens de eerstvolgende copieuze maaltijd had schipper Jacobz opgemerkt dat het hem genoegen deed dat Theodoor weer een gezonde eetlust vertoonde. Daarbij verbeelde Theodoor zich dat er een overdreven nadruk viel op de eerste lettergreep. Geschrokken vroeg hij zich af hoe gehorig het eigenlijk was op dit schip. Van enige stilte op zee had hij nog niets gemerkt. De klotsende golven en een stevige noordwester zorgden ervoor dat elk gegrom of gesnurk van de bemanning werd overstemd door geknars en gekraak van de scheepsromp en geklepper en geraas van de tuigage.

   De kapitein vertelde hem dat de Conceptión eigendom was van een rijke grootgrondbezitter in Portugal die geen enkel verstand had van de koopvaardij. Het schip was de Don bij wijze van spreken in de schoot geworpen door een lucratieve transactie met een Spaanse redersfamilie die haar schulden niet kon betalen. Het galjoen (of grote kraak) was in goede staat geweest en het enige dat opviel was haar naam geweest. Tijdens het onderhoud had dekmatroos Everett de derde c in een t veranderd. Eenvoudige bemanningsleden waren over het algemeen analfabeet maar Everett ging prat op zijn kennis van de Engelse spelling. De Portugese herenboer maakte het niets uit. Hij had het volste vertrouwen in het gezag en de stuurmanskunst van Pieter Jacobz en had hem de vrije hand gegeven.

   Maar wel op voorwaarde dat er geld werd verdiend. Hij rekende erop dat Jacobz winstgevende deals zou sluiten.

   “En daarom ben jij hier”, had hij Theodoor triomfantelijk toegelachen terwijl hij met een doekje wat jus van zijn kin veegde. “Wat kan ik voordelig in Engeland kopen om in Portugal weer met een flinke winst snel van de hand te doen?”

   Theodoor begreep dat er voor zijn deelname aan de royale maaltijden een tegenprestatie werd verwacht en hij beloofde overmoedig dat hij met een subliem idee zou komen. In de grond van zijn hart was hij vrij zeker van het tegendeel maar het humeur van zijn gastheer wilde hij niet nog een keer bederven. Bovendien genoot hij tot zijn verrassing zelf ook met volle teugen. Vooral van het Vlaamse bier.

   Zijn ijdele belofte zorgde er in elk geval voor dat hij ’s avonds in bed iets zakelijks had om over na te denken. Dat nam niet weg dat zijn gedachten voortdurend afdwaalden naar zijn vroegere vriendenkring. De kameraden die elkaar eeuwig trouw zworen in hun niet aflatende strijd tegen het plempen en zuipen van de bourgeoisie (hadden ze hém eens moeten zien), Adalbert die wankelend met geheven pul zijn laatste vrijheidsgedicht declameerde, Emanuel die een lofzang hield op de Hollandse kaas…

   Maar dat was het! Portugese kaas was slappe hap, werd van geiten- en schapenmelk gemaakt en smaakte nogal tam. De Engelsen maakten net als Hollanders pittige kaas die je ook uit het vuistje kon eten. De Portugezen hoefden niet te weten dat daar sap in zat uit de dode buikjes van geslachte kalfjes. En schraapsel van afgedankt paardentuig voor de juiste smaak. Alsof die zuiderlingen zo onbezoedeld waren, die aten koeienmagen als lekkernij!

   Het zou wel lastig zijn om op korte termijn een flinke voorraad te bemachtigen, maar dat gold natuurlijk voor elk artikel dat hij op verzoek van de schipper moest bedenken. Dan moesten ze maar wat langer in de haven van Portsmouth blijven liggen. Dat kon hij niet helpen.

 

Met zowel tevredenheid als bewondering had Jacobz het voorstel van Theodoor aangehoord. Hij had niet verwacht dat de jongeman zo snel zijn commerciële talent zou tonen.

   “Een echte Kaas-Haas,” mompelde hij met volle mond.

   Hij was ervan overtuigd dat het weinig moeite zou kosten om aan goede waar te komen. Het was niet zijn eerste bezoek aan Portsmouth, hij wist dat er in de omgeving op meerdere plaatsen kaas werd gemaakt. Bovendien kende hij de havenmeester, die had heel wat contacten.

   Desnoods trokken ze wat meer tijd uit. Johannes van den Berghe – de passagier die ze in Torquay zouden oppikken – kon wachten. Hij kende de man van eerdere reizen als een wat laatdunkende en omstreden heelmeester maar hij genoot van ’s mans belezenheid en eigenzinnige kijk op de wereld. Van den Berghe was niet onbemiddeld. Hij verdiende zijn geld met de verkoop van exotische planten die hij verzamelde in warme streken, voornamelijk in West-Indië. De schipper wist zeker dat de kisten van de botanicus momenteel leeg waren, er was dus geen reden tot haast.

 

Waar kort geleden het ruim gevuld was geweest met balen laken stonden nu – twee weken later – stapels Engelse kazen. De honden en katten aan boord hadden de tijd van hun leven want de onweerstaanbare geur van de zuivel trok heel wat prooien aan. De afgelopen tijd hadden de knaagdieren zich moeten behelpen met de minder aantrekkelijke maar beter afgeschermde proviand voor de bemanning. De laatsten waren er dus ook bij gebaat geweest want hun voedsel werd nu alleen nog maar aangevreten door kakkerlakken en maden, het gewone spul. Iedereen blaakte van genoegen.

   Theodoor keek aandachtig toe hoe Harco Jansen een stuk hout tussen zijn benen met een guts bewerkte.

   “Met scherp gereedschap altijd van je af werken, Haas”, doceerde de timmerman. “Net als met die botte snikkel van je trouwens”, grijnsde hij terwijl hij even opkeek en zich daarna weer concentreerde op zijn houtbewerking. “Ik heb al heel wat gasten moeten verbinden. Mezelf trouwens ook. Gelukkig is er weer een dokter aan boord.”

   Hij doelde op Van den Berghe die beladen met instrumenten in Torquay de valreep was opgeklommen. De zelfbenoemde scheepsarts had zich onmiddellijk geïnstalleerd in de vertrekken die de kapitein hem had toegewezen. De grootste had hij als werkruimte ingericht waar hij alle mogelijke kwalen van bemanningsleden kon behandelen. Om toekomstige patiënten, maar vooral de kapitein, in de waan te laten dat hij zijn medische roeping serieus nam, had hij een aantal vlijmscherpe scalpels op een groene lap uitgestald en een aquarium met levende bloedzuigers op tafel gezet. In een vitrinekast stonden tal van kruidenextracten en ogenschijnlijk willekeurig rondslingerende folianten moesten benadrukken dat hier een geleerd man huisde.

   Theodoor had de nieuwe passagier tijdens de maaltijd ontmoet en had enkele persoonlijke gesprekken met hem gevoerd. Hij had hem verteld over de aftakeling van zijn vader en Johannes vermoedde dat het de tering was geweest die zijn vader fataal was geworden. Theodoor had mismoedig gemopperd dat Gods wegen ondoorgrondelijk waren en dat hij nu in de hemel … waarop Van den Berghe hem ruw in de rede was gevallen.

   “Hij is gestorven aan de tering!”

   De dokter – iedereen aan boord noemde hem ‘de dokter’, maar Theodoor had van de kapitein vernomen dat de man geen heelkunde gestudeerd had; hij kende slechts een paar invloedrijke lieden bij de universiteiten van Franeker en Amsterdam, zoals de botanicus Commelin aan wie hij herhaaldelijk exotische kruiden had verkocht – had hem uitgenodigd in zijn slaapvertrek waar hij een voorraad Engels bier bewaarde.

   Terwijl Theodoor zich tegoed deed aan het donkerbruine gerstenat vertelde de broodmagere Van den Berghe over zijn passie. Exotische planten. Knollen en stekken verzamelde hij, soms ook zaaddozen, die langdurig in leven konden worden gehouden. Voor het drogen van bloemen en bladeren had hij een speciale pers bij zich en verscheidene van zijn vondsten waren al eens aangekocht door het Museum van Natuurlijke Historie in Londen. Maar levende planten brachten natuurlijk veel meer geld op.

   Eén van zijn beste klanten was koning-stadhouder Willem III die in Hampton Court de botanische hobby van zijn onlangs overleden echtgenote wenste voort te zetten. De vorst had een aantal kassen laten bouwen om in weerwil van het armzalige Engelse klimaat ook tropische gewassen te kweken. Johannes zou in de Caraïben de kiem voor een vorstelijke verzameling leggen, daar kon de koning op rekenen.

   “We gaan toch naar de Antillen en Suriname?”

   De dokter mocht dan verstand hebben van exotische planten, over de bestemming van de Conceptión was hij minder goed geïnformeerd.

   “Ik ben er steeds van uitgegaan dat we naar Zuid Amerika gaan, maar ik heb de schipper niet naar de route gevraagd. Hij is zelf ooit door de Straat Magellaan gevaren, heeft hij mij verteld.”

   Theodoor liet het onverschillig dat de dokter misschien niet de gewenste bestemming zou bereiken. Stom, toch dacht hij bij zichzelf. Rare plantjes groeien trouwens overal.

   Het koppige bier had hem in een baldadige roes gedompeld. Hij kon beter gaan slapen. In zijn eigen hangmat. Hij probeerde overeind te komen. De dokter keek hem aan.

   “Jij hebt er ook last van, nietwaar? Geef het maar toe, jij hebt er ook last van.”

   Theodoor begreep hem niet. Hij was moe. Hij wilde weg. Hij kwam overeind.

   “Tja. Maar het gaat wel weer. Morgen is het over.”

   Meewarig bleef Johannes hem aankijken.

   “Nee, nooit. Memento’s gaan niet over…”, zuchtte hij gelaten. “Hier heb je wat moederkoorn. Helpt tegen elke pijn. Maar neem er niet teveel van. Dan spring je misschien wel overboord.”

   Theodoor strompelde naar zijn eigen hut, kroop in zijn kooi en viel onmiddellijk in slaap.

 

De volgende ochtend werd Theodoor verkwikt wakker en het eerste wat hij zich afvroeg, was wat Johannes eigenlijk had willen zeggen. De man had hem zwaarmoedig aangekeken… Alsof hij een verlangen koesterde naar iets dat hij vermoedelijk onbereikbaar achtte …

   Als vanzelf moest hij aan Rosita denken … Onbereikbaar… Hij schudde de gedachtenspinsels uit zijn hoofd en snelde naar het dek.

   Er stond een stevige bries. Rondom het stampende schip zag hij hoe zich overal op het uitgestrekte wateroppervlak grijze kegeltje vormden, soms met witte punten, soms vol rossige vlokken, die door de westenwind voortgestuwd werden, gelukkig in de zelfde richting als de koers van de Conceptión. De aanblik van het open water vervulde hem met een weemoedig verlangen naar vaste grond onder zijn voeten. Het was fijn dat de wind uit de goede richting kwam, de oversteek naar het Iberisch schiereiland zou niet lang duren.

   Een paar uur lang gaf hij zich over aan het schuren van ruw hout. Daarna voegde hij zich bij de schipper die langs de reling in de weer was met een Jacobsstaf. Ze gingen inmiddels vrij vertrouwelijk met elkaar om. Dank zij de maaltijden en het gemak van hun conversatie, meende Theodoor. Hij beschouwde hem zo’n beetje als een vaderfiguur en kameraad in één.

   Omdat de zon nauwelijks achter het wolkendek tevoorschijn kwam, gaf Pieter het ten slotte op.

   “Nou ja, ik denk dat ik wel weet waar we zitten. We hebben nog een stuk te gaan, maar morgen verwacht ik wel de kustlijn van het vaste land in zicht te krijgen.”

   Hij wees in de richting waar zich dat moest bevinden. Naar gewoonte had de jongen gemompeld dat hun lot in Gods handen lag maar de schipper had geantwoord dat het gewoon aan het weer lag.

   “Het weer wordt bepaald door de zon. Er zijn altijd plaatsen waar die schijnt en plaatsen waar het regent. En als het hier waait, komt dat omdat het ergens anders windstil is. Basta.”

   Het was duidelijk dat de kapitein niet iemand was die eenvoudig in zijn lot berustte. Hij was ervan overtuigd dat het loodsen van een schip werd bepaald door vakkundig stuurmanschap en weersomstandigheden en waar anderen spraken van de hand Gods, gaf hij de voorkeur aan toeval. Zoveel was duidelijk, Pieter was niet de Godvrezende scheepskapitein waarvoor Theodoor hem als vanzelfsprekend had gehouden, in Antwerpen.

   “Kom mee, Haas, dan zal ik je wat vertellen.” Hij ging Theodoor voor naar zijn cabine waar de tafel bedekt was met een bestekkaart, logboek, teken- en schrijfgerei en een instrument dat Theodoor niet kende. De schipper zag hem kijken en verklaarde:

   “Dat is een Daviskwadrant1. Heel handig als je niet verblind wil worden door die rot zon. Maar dan moet hij wel schijnen.”

   Hij gebaarde Theodoor te gaan zitten en viel meteen met de deur in huis:

   “Op mijn reis met de ‘Delft’, ik was echt nog een kind, toen ben ik mijn geloof in een almachtige God al kwijtgeraakt. Er zijn toen zoveel dingen gebeurd… Het begon al vóór we vertrokken.

   De afvaart werd steeds uitgesteld. De With zal er wel de pee in hebben gehad ... toen Sjon hem voor de voeten liep, gaf hij hem zooo’n rot schop…. Die jongen was er slecht aan toe.”

   Theodoor zag dat Pieter een vuist balde. “Sjonnie was mijn beste vriend. Hij wilde gelijk niet meer mee. Ik vond het vreselijk, ik heb het Dubbelwit nooit vergeven, het was zíjn schuld!”

   Hij keek Theodoor verontschuldigend aan. “Dubbelwit, zo noemden we de kapitein, Witte de With.

   Op de ‘Delft’ heb ik zeer godvrezende mannen leren kennen. Ze gingen er stuk voor stuk aan. Stijn was iets ouder dan ikzelf, hij prevelde voortdurend zijn gebedjes, niemand durfde te vloeken als hij in de buurt was want dan kreeg je geheid een preek. Hij kreeg een mes in zijn donder toen hij zich weer eens niet kon beheersen. Nou vraag ik je! En Martien, die werd verdacht van diefstal, van een crucifix nog wel. Hij werd gekielhaald en we hebben nooit meer wat van hem teruggezien. Wel het crucifix, althans wat er van over was. Hij bleek te zijn gestolen door een jonge matroos, ik weet zijn naam niet meer, die er alle kostbaarheden vanaf gepeuterd had. Hém hebben ze driemaal gekielhaald en hij had nog geen schrammetje. We hebben hem achtergelaten in Afrika. Die gast is zowaar de ellende van de overtocht bespaard gebleven.”

   Pieter schonk zichzelf en Theodoor een vers kop thee in. Hij staarde naar de olielamp die zachtjes heen en weer schommelde. Hij knikte met zijn hoofd naar de scheepsklok tegenover hem en vervolgde droefgeestig:

   “Die klok heb ik voor een prikkie op de kop getikt. Hij werkt namelijk niet. Tenminste niet goed genoeg om er blind op te varen. Hij is bedacht door ene Huygens, een klokkenmaker uit Den Haag die een scheepsuurwerk wilde maken. Hij heeft de slinger vervangen door een veer, wel zo handig voor als het stormt. Maar de klok is onbetrouwbaar. Net als de zee trouwens. Het kan prachtig weer zijn terwijl een schip toch kapseist, maar ik zeg het nog maar eens: alleen met een kluns aan het roer.

   Ik heb een kok meegemaakt die de heerlijkste maaltijden bereidde, en die verslikt zich bij het proeven: dood door verstikking. En een zeilmaker die nog geen vlieg doodsloeg, hij at geen vlees en wilde geen vis, alleen brood en zemelen en zo. En bier, en toen sloeg-ie overboord werd-ie gelijk gegrepen door een haai. Is God geheelonthouder of zo?!”

   Theodoor begon te lachen maar hield zich in toen hij zag dat Pieter echt aangedaan was. De dag was nog jong maar de schipper maakte een vermoeide indruk. Zijn nachtrust was kennelijk ernstig verstoord geweest.

   “Weet je wat voor mij de doorslag gaf om God voor eeuwig af te zweren? Dat was het liederlijke en hypocriete gedrag van de priester die we hadden meegenomen. De bedoeling was dat hij kerken zou stichten in die heidense oorden waar we voor anker gingen. Het katholieke geloof verspreiden, en zo. Maar die smulpaap ging er alleen op uit om te zuipen en te neuken, en betalen ho maar. Dat die man nooit door een alwetende God is neergesabeld ... dat heeft wat er over was van mijn geloof in Jezus Christus kapot gemaakt. Aan boord was hij ook niet erg populair, er zijn herhaaldelijk klachten tegen hem geweest. Maar hij werd beschermd door het hoogste kerkelijke gezag…”

   Voorovergebogen staarde Pieter naar de naden in de vloer. Zijn ingezakte houding verraadde zijn vermoeidheid.

   Nadat hij zijn kom met thee had leeggedronken leek het Theodoor beter om de gezagvoerder alleen te laten. Onder het mom dat de timmerman op hem wachtte, verliet hij de hut.

 

Met zijn kin op de borst dommelde Pieter Jacobs even weg maar schrok even later weer wakker in het besef dat hij zich niet kon veroorloven om in te dutten. Per slot van rekening was hij verantwoordelijk voor de goede orde aan boord en voor een voorspoedige reis naar Lissabon.

   Er was werk aan de winkel. Soms moest je snel handelen voor de boel uit de hand liep. Waar hij de afgelopen nacht getuige van was geweest vereiste zijn ingrijpen. Nooit eerder had hij meegemaakt dat er ’s nachts wel eens seances plaatsvonden.

   Zijn ontdekking kwam eigenlijk door zijn onverzadigbare honger. Ondanks de overvloedige maaltijd had hij later op de avond weer trek gekregen en daarom was hij naar de kombuis gegaan om wat worst te halen. Maar daar was niemand. Hij wist dat de kok er een hekel aan had als een onbevoegde in zijn kombuis rondscharrelde. Dat wilde hij respecteren, ook al was hij als kapitein bevoegd om op zijn eigen schip zoveel rond te scharrelen als hem goeddocht, toch?

   Plotseling kreeg hij de ingeving dat in het ruim een grote hoeveelheid kaas lag opgeslagen en de cheddar leek hem een prima alternatief. Op weg naar het hartige hapje waar hij steeds meer zin in begon te krijgen, stuitte hij op de spiritistische bijeenkomst. Een groepje mannen, een stuk of zeven, zat neergeknield rondom een altaartje waarop een door kaarsen verlicht Mariabeeld stond.

   Hier was duidelijk sprake van aanbidding van de Heilige Maagd. Vanuit de schaduw zag hij hoe één van de mannen zich tot het beeld wende en begon te declareren.

Gij, die niet veel gesproken hebt,

maar alles in Uw hart bewaard –

U groet en troost ik, lieve Moeder,

Gezegende.*

Dat was warempel de kok, de schepper van de voortreffelijkheden die dagelijks werden opgediend, de culinaire alchimist die een mengsel van armzalige ingrediënten wist om te toveren in een exquise maaltijd.

   Vertwijfeld vroeg Pieter zich af wat hem te doen stond. Afgezien van zijn afkeer van esoterisch gedoe kon hij geen heiligenverering op zijn schip toelaten. Hij wist dat een aantal schepelingen, waaronder zijn landgenoten, een hekel had aan dit soort katholieke afgoderij en als maar een paar heethoofden er lucht van kregen, had je de poppen al aan het dansen.

   Daar de kok kennelijk een leidende rol vervulde, zag hij zich gedwongen hem de wacht aan te zeggen. Maar de gedachte om zijn kookkunsten te moeten ontberen, viel hem zwaar. Het grootste deel van de nacht had hij liggen worstelen met dit dilemma zonder zichzelf de nodige rust te gunnen. Telkens opnieuw wenste hij te twijfelen aan zijn besluit dat vanaf het moment dat hij getuige was geweest van de Mariaverering als een paal boven water stond. De kok moest weg.

   Met deze wind schoten ze lekker op maar varen op open zee onder een bewolkte hemel was bloedlink. Je wist nooit waar precies je was en welke kust je zou aantreffen. Pieter dwong zichzelf de kom met de ondertussen afgekoelde thee leeg te drinken en kwam zachtjes kreunend overeind. Hij geeuwde hartstochtelijk en besloot dat het bestek wel even kon wachten. Hij moest nu eerst naar de kombuis.

 

In Lissabon namen ze niet alleen afscheid van de kok.

   Een tiental Portugezen had besloten terug te keren naar hun familie, maar de schipper maakte zich niet druk over hun vervanging. De haven van Lissabon was gigantisch en er waren genoeg bekwame zeelieden op zoek naar een schip. Het vinden van een betrouwbare keukenmeester baarde hem meer zorgen.

   Voordat hij zich daar mee bezig kon houden zou hij eerst een onderhoud hebben met een gezant van de reder. Bezorgd had hij zich afgevraagd of hij een tolk nodig had maar gelukkig sprak de man Spaans.

   “Don Alfonso doet mij gemachtigd om de Conceptión beter te equiperen. Die oude kanon aan boord is allemaal aardig verroest en naar mij te oren kwam is er geeneens kanonniers aan boord.”

   De gezant glimlachte naar Jacobz toen hij diens opluchting zag. Hij vermoedde dat de schipper zich wellicht zorgen had gemaakt over zijn eigen nonchalance in dit opzicht. Mocht hij van plan zijn naar het zuiden te koersen – wat hem met het oog op de handel waarschijnlijk leek – dan kon hij maar beter goed voorbereid zijn op een confrontatie met een piratenschip. Don Alfonso mocht het schip dan voor weinig hebben verkregen, dat wilde niet zeggen dat hij het zonder slag of stoot zou laten torpederen.

   De gezant had begrepen dat de lucratieve kaashandel ruim voldoende compensatie bood om het schip serieus te bewapenen. En de belangen van de reder waren de belangen van de gezant.

 

Er was ook post! De gezant had een stapeltje folianten aan de kapitein overhandigd en daar zat zowaar een brief bij voor ‘de jonge kunstminnaar uit Antwerpen’.

   Theodoor was ontroerd. De brief was verstuurd door Adalbert en iedereen had een stukje geschreven. Allereerst Rosita: ‘Lief Haasje…’

   Hij hield zijn adem in, verder lezen ging niet, niet hier, hij zou eerst een geschikt plekje zoeken.

   Nadat hij van boord was gegaan – de Conceptión zou wel enige tijd aangemeerd blijven – had hij vastgesteld dat hij inmiddels zeemansbenen had. De vaste grond onder zijn voeten gaven hem aanvankelijk het gevoel dat hij twintig kilo was aangekomen (wat misschien ook wel zo was). Zijn zoektocht naar romantiek in de gore stegen van het havenkwartier viel hem zo zwaar dat hij overwoog om terug naar het schip te gaan. Toen de muziek zijn aandacht trok. Een ogenblik meende hij Emanuel op het klavecimbel te horen spelen, maar onmiddellijk besefte hij dat de componist duizenden kilometers van hem verwijderd was. Het moest iemand anders zijn die dezelfde toonkunst ten gehore bracht.

   Plotseling werden zijn benen slap als gekookte spaghetti, hij was terug in Antwerpen: de nachtegaal was gaan zingen! Hetzelfde lied dat hij Rosita zo vaak had horen zingen. Maar haar stem klonk dieper.

   Zodra hij weer tot zichzelf kwam, liep hij naar de toegangspoort van de patio waar de muziek vandaan leek te komen. Deze plek was geknipt voor de brief.

   Drank en eten werden geserveerd en hij herkende verscheidene scheepsgenoten. De zangeres was beduidend ouder dan Rosita en, in zijn ogen, lang niet zo engelachtig. Haar stem was echter vol moederlijke warmte en dat ontroerde hem diep. Hij begon te lezen.

   Iemand duwde een glas in zijn hand en zonder acht te slaan op de gulle gever of de inhoud sloeg hij het achterover. Al zijn aandacht was gericht op een herinnering aan zijn kindertijd, dat hij als jongetje met zijn neus over de rand van de tobbe hing waarin zijn moeder het rossige zeepschuim klopte. Maar de kleur van haar schort kon hij zich niet meer voor de geest halen. Hij zakte neer op een bankje tegen de gevel.

   Even was ze stil. Maar daar zong ze weer. En daar was de kus weer, die bliksemse kus.

   Een overweldigend gevoel van twijfel overviel hem. Hoe had hij in Godsnaam zijn thuis kunnen verlaten? Had hij ooit aan de achterblijvers gedacht, wat zij eigenlijk van zijn vertrek vonden? Hij zag het bezorgde gezicht van Emanuel (en dacht aan de kus), Adalbert die een traantje wegpinkte (en dacht weer aan de kus). Zijn moeder toonde bij het afscheid die berustende blik die hij misschien verkeerd had geïnterpreteerd (hij dacht weer aan de kus), wellicht had ze het veel erger gevonden dan hij vermoed had (en hij dacht weer aan de kus). Hij moest hen schrijven. Hij moest onmiddellijk een brief schrijven…

   De Portugese wijn en de melancholieke fado's hadden inmiddels hun werk gedaan: hij was vastbesloten terug te gaan. Door een waas van tranen – waar kwamen die vandaan? – zag hij aan een tafeltje verderop de indianen zitten. Ze zwaaiden. Wat had hij ook alweer met hen? Ze stonden op en liepen naar hem toe, maar het leek wel of ze niet vooruit kwamen, of ze omhoog zweefden.

   Hij was het echter zelf die was opgestegen, en prompt op de grond gevallen. De indianen hadden hem vastgegrepen en opgetild.

   “Kom op Haas, wij zorgen voor jou.”

   Ze zouden hem onder hun hoede nemen, stelden ze de argwanende gerant gerust terwijl ze de jongen lieten delen in hun (meegebrachte) drankjes en rookgerei, die hen in een snoeperige stemming hadden gebracht.

 

Wie weet hoe het verloop van de geschiedenis zou zijn geweest als ze Haas er niet van hadden weten te overtuigen dat de Conceptión zijn beste thuis was. Ze brachten hem terug naar het schip, sleepten hem naar zijn hut en stopten hem in bed waar hij zijn roes kon uitslapen.

   Hij droomde dat hij knielde voor de blote lijven van Emanuel en zijn gade Rosita. Natuurlijk had hij haar nooit naakt gezien en in zijn droom veranderde zij in een bleek beeld van wit marmer dat samensmolt met haar echtgenoot. Hun gezamenlijk geslacht leek verbazend veel op dat van Eriks vader. Toen hij zijn wang tegen de (gemeenschappelijke) buik vleide, veranderde het beeld in een woeste schuimkop. Hij was een spartelende drenkeling totdat hij werd verzwolgen door het duister. Daarna leek hij uren in een eindeloze ruimte te zweven, herinnerde hij zich later toen hij eenmaal was ontwaakt.

   Voordat het echter zover was, werd zijn gezichtsveld geleidelijk gevuld met een draaikolk van kleuren. Even werd hij overweldigd door een paradijselijk geluksgevoel. Dan weer sloeg de verlatingsangst toe, terwijl de bonte kluwen samentrok en zich leek te verwijderen.

   Overal rondom zag hij nu de kleurige bolletjes, die steeds kleiner werden en ten slotte verdwenen…

   … als hij merkt dat hij naar de planken ligt te staren. Hij houdt iets in zijn hand.

 

John Davis bedacht in de 16e eeuw een navigatiemiddel waarmee de hemelhoek van de zon gemeten werd aan de hand van haar reflectie. Zie voor informatie over oude navigatie instrumenten:http://www.natuurkunde.nl/artikelen/1333/navigeren-zonder-gps

uit: Gerard Reve. Nader tot U; Aan de maagd, vierde persoon Gods

 

 

 

 

 

Haas staart naar de fonkelende stuiter in zijn hand. In zijn andere hand heeft hij de moederkoorn. Zijn hoofd bonkt. Heeft hij schele koppijn of een kater? Buiten gromt een naderend onweer.

   Hij weet niet wat hij doen zal. Hij haat medicijnen, zijn hoofd gaat zo ook wel over. Maar hele meutes slikken van alles zonder dat ze erin blijven. Kan hij niet evengoed die toverbal inslikken?

   Buiten roffelt het als om de spanning te verhogen.

   Wankelmoedig staart hij in de spiegel tegenover hem. Wat zal ik doen? Links? O of rechts?

   Of toch links, of rechts …?

 

 

 

 

 

In een droom wordt de meest troosteloze modderpoel nog een paradijselijke paleisvijver.

   Wandelend door het hof van Eden ontwaart Haas een witte gestalte die hem glimlachend tegemoet loopt. De man (of jongen) staat plotseling tegenover hem en kijkt hem met schuine blik aan (alsof ze samen een geheimpje hebben).

   Hij overhandigt hem een zak knikkers nadat hij er eentje heeft uitgenomen en in zijn mond gestoken.

   “Ben nen onvolwasn losbol. Maar Ik heb er nog veel meer.”

   Hij verstaat niets van dat gebrabbel en wil juist vragen wat er van hem verlangd wordt, als hij ontdekt dat de witte gestalte is verdwenen.

   Hij draait zich om en ziet verderop het bouwwerk waar hij naartoe op weg is.

  Er is geen portier bij de ingang dus loopt hij verder door de hal naar de gang richting auditorium. Per slot van rekening wordt hij verwacht. In de ruit van de glazen toegangsdeur ziet hij zijn reflectie. Hij is geheel in het wit gekleed. In zijn ene hand houdt hij een zak knikkers, in de andere zijn inhaler.

   De bewegingen achter de ruit vertroebelen zijn spiegelbeeld.

   “Kom op Haas!” Kent hij die indianen?

   Onopvallend gaat hij het auditorium binnen en neemt stilletjes plaats op de achterste rij. De spreker komt hem bekend voor, maar er spookt van alles door zijn hoofd zodat hij zich nauwelijks kan concentreren. De presentatie ontgaat hem volledig en grinnikend vraagt hij zich af of de rest van het publiek er iets van heeft opgestoken. Steels verlaat hij de zaal.

 

 

Op weg naar de uitgang komt Erik weer tot zichzelf. Er is iets dat hem dwarszit en dan weet hij het weer. De jongen (of man) had een naam gemummeld die op de zijne leek en in het stuk dat hij laatst had gelezen, was hem hetzelfde opgevallen: een naam die bekend klinkt maar het niet is.

   Onderweg naar huis probeert hij een lift te krijgen maar er stopt niemand.

   “Het lijkt wel ik onzichtbaar ben,” bromt Erik binnensmonds.

   Terug in zijn kamer opent hij een la van zijn bureau en rommelt wat tussen de paperassen en paperclips. Als hij de juiste USB-stick heeft gevonden, probeert hij zich de naam van het bestand voor de geest te halen. Scrollend over zijn scherm dringt het tot hem door dat hij niet weet waar hij naar zoekt. Hij laat vele bestandsnamen de revue passeren zonder dat hij er één ziet die een belletje doet rinkelen. Met een licht gevoel van wanhoop begint hij in zichzelf te praten. Mompelend opent hij een paar bestanden waarvan de naam hem bekend voorkomt zonder dat de inhoud tot hem doordringt. Hij leest stukken die hij eerder heeft gelezen maar ze geven hem niet de informatie die hij zoekt. Hij voelt zich steeds mistroostiger worden.

   Ik ben onzichtbaar en op zoek naar een fantoom.

   En dan ziet hij het. Plotseling. Onverwacht. De naam die lijkt op de zijne maar het niet is. De naam die zo bekend lijkt, als van een wereldberoemde popster die niemand meer kent. Een naam die iedereen vergeten is maar nog wel iets oproept dat bekend voorkomt. Als iets van vroeger.

   Of iets van morgen.

   “Pacha!”

 

 

 

 

 

 

 

 

In de 6e eeuw stond het armillarium symbool voor de verwezenlijking van het paradijs op aarde

 

 

VERBORGEN PARADIJS

Kunt U mij de weg naar Dromenland vertellen, meneer?1

 

 

 

Afgezien van een handjevol bofkonten dat door geboorte een zorgeloos bestaan (in materiële zin) kon leiden, waren nog niet zo lang  geleden de meeste mensen ternauwernood in staat om te overleven. Een gesloten rioolsysteem bestond niet zodat stank de norm was. Om je te wassen moest je eerst met emmers zeulen, voor een douche kon je naar een badhuis gaan maar dat was wel veel gedoe. Bij het licht van een kaars of een gaslamp werden kleren hersteld want een lichtschakelaar was er niet en een jas droeg je voor het leven.

   Zolang het niet pikdonker was, kon je proberen te overleven.

   De meesten gingen vroeg dood.2 De schrale levensomstandigheden en gebrekkige hygiëne stonden garant voor talrijke lichamelijke ongemakken. Dat leidde niet zelden tot kortaangebonden ouderschap en echtelijke kwelzucht. Je kon maar beter schuilen in je dromen en hopen op verbetering. De Nieuwe Wereld.  

 

In de droomtijd van de Aboriginals worden verhalen verteld die in het collectieve geheugen van de gehele mensheid nestelen. Een geheugen dat ooit ontstond met het menselijke bewustzijn, het besef van tijd: de tijd die achter ons ligt (herinnering) evenals voor ons (verwachting). Met het mentale vermogen dat in de dierenwereld al sluimerend aanwezig is, ontwikkelde Homo sapiens de archetypische verhalen die in alle culturen bekend zijn.

   In de Joods-Christelijke en Islamitische culturen zijn de archetypische beelden terug te vinden in de mondeling overgeleverde oerverhalen die werden opgetekend in het Oude Testament (Tenach). Daarin worden de paradijstuinen (Djanna; hof van ‘Adn) vooral gepresenteerd als een belofte, een aangenaam hiernamaals voor wie goed geleefd heeft. 

   Ook moderne dromen draaien in de kern van de zaak om het stillen van verlangens. Op het gebied van liefde, kameraadschap, roem of rijkdom. Andere thema’s als wraaklust en jaloezie hebben ook betrekking op verlangens, respectievelijk naar vergelding en waardering. Uit nachtmerries hoop je te ontwaken en natte dromen doen verlangen naar het echte werk.

   Voorgebakken dromen worden geserveerd in de vorm van een portie zelfbeschouwing of als een (innerlijke) ontdekkingsreis.

   Legendarische queesten naar de heilige graal, de man van goud (el dorado) en de steen der wijzen werden al voorafgegaan door de zoektocht naar onsterfelijkheid in het duizenden jaren oude Gilgamesj-epos. De nadruk ligt op de loutering van de personages tijdens hun zoektocht en/of hun verblijf in het paradijs op aarde, waarna zij steevast tot het inzicht komen dat zo’n paradijs niet bestaat.

   De diepzinnige strekking van die beroemde verhalen leidt vaak tot berusting in de eigen ellende. Er klinkt steevast een stem die zegt dat wij ons lot niet in eigen hand hebben. Onbewust consolideren verhalenvertellers de status quo. Alleen rebellen kunnen daarin verandering brengen.  Maar een succesvolle strijd tegen het establishment leidt zelden tot persoonlijke wijsheid.

   Paradoxaal genoeg is de bestrijding van maatschappelijke onrechtvaardigheid in betere handen bij de gevestigde orde zelf. Waarmee de verhalen worden gereduceerd tot wat ze werkelijk zijn: verstrooiend vermaak om slechts tijdelijk te ontsnappen aan de rauwe realiteit.

   Verhaaltjes vertellen voor het slapengaan dienen geen andere doel. Wie gaat dromen wordt eerst in slaap gesust. Pretentieloos genieten van de dingen die er al of niet toe doen is één van de meest slaapverwekkende bezigheden die we ondernemen. Waarmee niets negatiefs bedoeld wordt. Integendeel. Een goede nachtrust werkt buitengewoon verhelderend.

 

Het Paradijs is de mooiste plek ter wereld. Hier kun je alles krijgen wat je hartje begeert. Hier staat men voor je klaar om je op je wenken te bedienen. Er is een addertje onder het gras: je bent niet alleen. Helaas, sommige van je medegenieters van dit lustoord zijn ronduit onaangenaam.

 

 In dromen en verhalen wordt het paradijs gelijkgesteld aan de overwinning op het kwaad (wat dat dan ook wezen mag). Dromenland. Welke adolescent vraagt het zich nooit af: Wie ben ik? en Waarom? Iedereen zit soms heel stilletjes in het middelpunt van het heelal. In het paradijs draait alles om je eigen IK. Verlangen naar het paradijs is als verlangen naar God. Op zijn best is er sprake van een allegorie (ook taalkundig is God méér dan een zelfstandig naamwoord) maar toch geloof je. Het paradijs is niet zozeer een plek, het is veel meer een gemoedstoestand.

   Het paradijs uit de verhalen zit gegoten als een maatpak. Een verhaal in de ik-vorm waarin ieder ander een onderdanige en dienstverlenende rol vervult. Een persoonlijk droombeeld waar geen plaats is voor ‘de ander’. Want ‘de ander’ droomt  zo’n paradijs waarin jij de slaaf bent.

   In de ideale samenleving vallen al die paradijsjes samen. Maar dat is absoluut onmogelijk. Utopia! Het kan niet waar zijn. Toch blijf je zoeken.3

  

Toen Thomas More in het begin van de 16e eeuw aan zijn ironisch pamflet Utopia begon, kon hij niet bevroeden dat die emergente woordspeling  zo’n brede weerklank zou vinden dat zelfs 400 jaar later de versleutelde contra-dictio in terminis zou worden ‘geleend’ voor kinderlijk volksvermaak.4

 

 Door de eeuwen heen hebben wijsgerige geesten en wereldlijke leiders pogingen gedaan om een ideale samenleving te ontwikkelen maar telkens weer bleken de modellen tekort te schieten.5 Elke samenleving bestaat nu eenmaal uit mensen met uiteenlopende karakters, verschillende maatschappelijke posities en ambities en allerlei sociale interacties. Bovendien zijn de modellen te star om gelijke tred te houden met veranderingen in de samenstelling van een samenleving. Dat leidt vroeg of laat tot revolutie: sla er op, leef je uit, de wereld is een voetbalveld.

   De heilstaat als pretpark: je verlangt ernaar, je geniet ervan en je wilt er nooit meer weg. Luilekkerland, totdat je er kotsmisselijk van wordt. En dan blijkt dat je er niet meer uit kunt. De droom wordt een nachtmerrie, het lusthof een gevangenkamp. De ernst van die ommekeer hebben de bedenkers van een ideale samenleving altijd over het hoofd gezien. Een verblijf in het land van de honingkoeken krijgt een onaangenaam kantje als je weet dat je niet meer naar huis mag. Ook al is het er nog zo fijn, vrijheid moet er zijn.6

   Maar wat is vrijheid?

   Vrijheid is geen vrijbrief tot Hedonia, vrijheid is een droom. Alleen in dromen kan iemand onvoorwaardelijk vrij zijn, zonder rekening te hoeven houden met anderen. Dat geldt zowel voor de goed willende stumper die bereid is om zich aan de sociale spelregels te houden als voor de kwaadwillende die dat niet doet. De laatste categorie is vooral te vinden onder vreemdelingenhaters en zakkenvullers, de eerste veeleer onder het proletariaat. De droombeelden hebben genoeg inspiratie opgeleverd voor uiteenlopende Utopia’s, de noodzakelijk geachte maatschappelijke ingrepen en de miljoenen slachtoffers die dat met zich meebracht.7 Toch lijken veel mensen er geen moreel bezwaar tegen te hebben om anderen hun dromen te ontzeggen.

  

Voor een groot deel van de mensheid vervagen de grenzen tussen divertissement en dagelijkse beslommering. Het sponsachtige netwerk dat die mensen wereldwijd verbindt, zuigt zonder onderscheid allerlei levenservaringen op en lijkt zich te ontwikkelen tot een autonome structuur.8

 

Autonome mensen dragen als morele wezens verantwoordelijkheid voor de door henzelf genomen beslissingen.9 Als de keuzes worden ingegeven door de verhalen van anderen kan men die autonomie in twijfel trekken. Als men zich beroept op de verhalen dat gedrag gedetermineerd is door een hogere macht – God, de stand der sterren, DNA, sociaal-culturele omstandigheden – geeft men toe niet in staat te zijn die eigen verantwoordelijkheid volledig te dragen, niet genoeg zelfstandig een keuze te kunnen maken, over onvoldoende menselijke waardigheid te beschikken. Deze hardvochtige bewering wordt des te wreder als men bedenkt dat veel kommer en kwel wordt veroorzaakt door een natuurgebeuren waartegen geen remedie bestaat (dood, aardbeving).

   Alleen de autonome mens die ook dit soort tegenslag het hoofd weet te bieden, is in staat het verborgen paradijs te vinden.

   In het verborgen paradijs – dat niet voor iedereen hetzelfde hoeft te zijn – stelt niemand vragen die niet beantwoord kunnen worden, zoekt niemand naar redenen die geen oorzaak zijn, oordeelt niemand over andere beweegredenen dan de eigen afwegingen, staat iedereen er alleen voor en is niemand alleen. Het verborgen paradijs blijft grotendeels verhuld door geheimzinnigheid en vaag gebazel. Dat komt omdat het pas herkend wordt met de eigen persoonlijke bril op.

   Zomin ik je kan zeggen welke kleur de mooiste is (welke kleur jij het mooist moet vinden), net zomin kan ik je vertellen waar jouw paradijs verborgen ligt.

   Dromen zijn pas dromen als je ze herinnert, als je ze kunt navertellen. Probeer je die schitterende beelden, die veelbelovende vergezichten, die opwindende gevoelens in ordinaire spreektaal uit te dragen, dan overvalt je het schromelijke tekort dat je de ander doet.

   Dat zou toch een teken moeten zijn!

   Het paradijs ligt verborgen in de wereldwijde droom van het internet. Je kunt zelfs een steentje bijdragen aan dit schitterende bouwwerk zonder anderen iets op te dringen, zonder iemand tot last te zijn. Wellicht zijn er zelfs die het waarderen. Tijd voor een stukje mierzoete nostalgie voor pensionado’s.10

 

Dit zijn de dromen. Nu de werkelijkheid

 

Kun je mij vertellen, lieve kind, waar je lievelingsplekje is?

Wat kan het schelen waar die teringplek is, alsof je daar je handjes wél kunt thuishouden.

 

Papa kreeg een hartaanval. Nu ligt hij in het hospitaal. Ik wil wel dat hij beter wordt. Ik wil wel dat hij dood …

 

Mijn broertje jammert dag en nacht om eten, ik wil hem niet alleen laten.

 

Stilte. Overal dood. Familiejuwelen voor de veerman. Lampedusa. Sonora. Melilla.

 

Oude Wereld. Nieuwe Wereld. Voor de onaanraakbaren maakt het niets uit.

 

De oplichter gaat vrijuit want niemand geeft toe bij de neus te zijn genomen omdat de oplichter vrijuit gaat…

 

Er wonen nog zes gezinnen zonder kans op overleven. Wellicht kan ik ze helpen…

 

Dood! Dood! Maar alleen is maar alleen. Wat er ook gebeurt, je voorouders laat je niet in de steek. Toch?

 

“Mam, ik moet je iets vertellen. Ik ga naar Mars toe. Ik kom niet meer terug.” 11

 

Nergens staat hoe laat je terug moet zijn, nergens staat dat je terug moet komen.

 

En tenslotte een stukje Utopoëzie12 uit het Paradijs op aarde:

 

Weet je wat ik ook vind

Als Emil

Vooral Emil

Eh

Zonder dat we iets hebben

Een apparaat moet hebben voor z’n wrestling

Omdat dat komt

En die dan voorbereid moet zijn

Wat ik snap

Dus dat we dat er dan doorheen doen

Ook om die reden

En wij iedere keer moeten zingen

En Dat dat jammer is.

 

Kunt u mij de weg naar dromenland …?

Kom maar hier, lieve kind, dan …

 

Er is nog een optie, maar het is onduidelijk of deze als werkelijkheid of droom moet worden opgevat. Het gaat om meditatieve ervaringen die door fysieke concentratie (yoga) of met drugs (hallucinaties) tot stand komen. De mentale belevenis opent de poorten van het paradijs alleen voor diegene die het daadwerkelijk ondergaat.

   Daar kan geen vertelling tegenop.

 

   

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Christa Anbeek & Ada de Jong. De berg van de ziel. Ten Have, 2013

Immanuel Kant. Kritiek van de zuivere rede. Boom, 2004

Manas Na’ala. De Sleutel. http://www.manasnaala.net/desleutel/bestanden/welkombijdeboeken.htm

Henri Thoreau. Walden. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2005

Maarten Timmer. Van Anima tot Zeus. Lemniscaat, 2001

Esther Wit, e.a. De autonome mens. Sun, 2007

Fred Alan Wolf. De yoga van het reizen in de tijd. , 2006  

 

Vrij naar het televisieverhaal Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer? van Harrie Geelen, waarin een groep verdwaalde kinderen op zoek gaat naar de wortels van hun bestaan (https://www.youtube.com/watch?v=RP9K-Wqk4fw). Big Brother en Utopia vertellen elk op eigen wijze het tegenovergestelde verhaal: over kinderen die de deur niet uitgaan.

De geschetste situatie betreft gewone mensen in Nederland halverwege de 19e eeuw.

Hoe anders is het uitgangspunt van een ideale samenleving die bestaat uit individuen met elk een

eigen ideaal. Het lijkt of iemand met een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS; een psychische aandoening waarbij iemand meerdere persoonlijkheden kan hebben die die afwisselend het gedrag van de persoon bepalen) een puzzel legt met 15 ongelijk gevormde stukjes, ze aaneenpassend zonder zichtbare afbeelding (die kent alleen de schaterende toeschouwer). Een hopeloze opdracht. Big Brother meets Hamelen.

 

Utopia is een dubbelzinnige term die het midden houdt tussen onbestaanbare en goede plaats. Op ironische wijze beschrijft Thomas More een samenleving waarin eigenbelang ondergeschikt is aan de publieke zaak.
Na de geleidelijke invoering van een markteconomie begon een toenemend  aantal humanistische intellectuelen de intredende maatschappelijke onrechtvaardigheid te onderkennen. Door de bevolkingsaanwas kreeg een steeds groter deel van de bevolking het zwaar te verduren. Populaire verhalen over de ideale samenleving werden dan ook vooral bedacht vanuit het perspectief van de behoeftige massa. Een lustoord van vrijheid en voorspoed sprak niet alleen tot de verbeelding. Bij herhaling zijn er pogingen ondernomen om bestaande structuren te vernietigen en een nieuwe orde in te voeren.
Televisieamusement als Utopia kent die valkuil niet. Als je het niet ziet zitten, kun je er uit stappen (zonder zelfmoord). Je bent wel af (het blijft een spelletje). In de ‘Arena van het Paradijs’ mogen de deelnemers elkaar alleen figuurlijk de hersens inslaan. De huilbuien zijn dan ook niet van de lucht.
Een paar van zulke inspiratiebronnen waren Das Kapital van Karl Marx, Mein Kampf van Adolf Hitler en Atlas Shrugged van Ayn Rand
Dit lijkt op het onbenoemde angstvisioen in de bakvissenroman De Cirkel van Dave Eggers.
De autonome mens werd geïntroduceerd door Immanuel Kant in zijn Kritiek van de zuivere rede uit 1781. Menselijk gedrag wordt deels bepaald door natuurwetten, deels door moreel bewustzijn (categorisch imperatief). Eigenbelang beperkt de vrijheid van anderen. Zedelijk bewuste mensen houden daar rekening mee.
Marten Toonder introduceerde de uitdrukking ‘kommer en kwel’ in de Nederlandse taal in het stripverhaal Heer Bommel en de Hachelbouten (NRC, 1960).

On the threshold of a dream: Have you heard? Moody Blues, 1969: (https://www.youtube.com/watch?v=NtUyq6C3bZQ 

 

Uit interview met moeder van Wim Dijkshoorn, één van de geselecteerde kandidaten voor een enkeltje Mars in 2023.

Suggestie van Paulien Cornelisse in De Wereld Draait Door van 12 mei 2014. Het gedicht is een letterlijk citaat uit het realityprogramma Utopia (http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/314541)
 

 

 

COGNITIEF DISSONANT

In gene zaak is ons weten volstrekt zeker, in alles slechts waarschijnlijk

 

 

 

 

Het wetenschappelijk denken in de renaissance werd gemarkeerd door het intellectuele besef dat niets zeker is en dat de natuur alleen gekend kan worden door waarneming en experiment. Op het maken van de instrumenten die daarvoor nodig zijn werd niet langer neergekeken en het klakkeloos accepteren van eeuwenoude waarheden werd in toenemende mate bekritiseerd.

   Verspreiding van dit gedachtegoed vond in belangrijke mate plaats via briefwisseling tussen geleerden, hetgeen in die tijd zonder periodieken en congressen de aangewezen manier was om elkaar op de hoogte te stellen van innovatieve gedachten. Christiaan Huygens, een telg uit een bemiddelde en invloedrijke familie, nam intensief deel aan deze correspondentie, vooral in het Frans en Latijn. Hij blonk uit in wiskunde, maakte zijn eigen gereedschappen, voerde eigenhandig proeven uit, was een zorgvuldig waarnemer en kon heel verdienstelijk tekenen en musiceren. Bij het exploiteren van deze kwaliteiten werd hij geregeld gehinderd door de gevolgen van opgelopen moeraskoorts en aanvallen van zwaarmoedigheid.

   Hij was dol op zijn acht jaar jongere zusje Susanna, in huiselijke kring werd ze Zus genoemd, maar hij schreef haar zelden. Het deïstische klimaat waarin hij zich bewoog weerhield hem ervan zijn (incestueuze) gevoelens voor haar te uiten, ook al geloofde hijzelf niet echt in God.

   Hieronder een vrije interpretatie van het soms onleesbare Middelnederlandse handschrift uit 1663.

 

 

 

 

Lieve Zus

Om te voldoen aan wat je me vraagt aangaande Schotse stoffen zal ik je zeggen dat de weinige dagen die ik beschikbaar heb ik mij zal inspannen om de goede kwaliteit en mooiste ruiten te vinden.

Veel van mijn tijd in London moet ik gebruiken om het eens te worden met Alexander Bruce hoe een uurwerk op een stampend schip de juiste tijd blijft aanwijzen, om te gebruiken voor de lengtebepaling op zee.

Ik heb Vader uitgebreid geschreven, wat we van de lengtebepaling verwachten en hoe we al zover mee zijn, dat we redetwisten over de verdeling van de winst die ervan zal komen, omdat meneer Bruce volhoudt dat hij er niet weinig aan heeft bijgedragen dat hij heeft uitgevonden, door de slinger zo in te richten dat hij in staat is de bewegingen van een vaartuig te weerstaan. Let er echter goed op dat je er niemand iets over zegt, omdat men ons te veel zou bespotten in het geval dat we niets te verdelen zouden hebben.

Vader is al veel meer overtuigd dan ik van het slagen van de lengte bepaling met een slinger. Hij heeft me zelfs al gefeliciteerd in een gedicht:

                

Ergo quod erratunt tot saecula, corrigit ista

   Machina, quae aeternum spondet tibi Pendula nomen?

   Macte, meus sanguis, tanti te laude coronas,

   Quant erit hoc, digito monstrari et dicier, Heic es. *

 

Ik heb het vermoeden gekregen dat het de Franse koning zou behagen als ik in Parijs wilde komen wonen, en het zal vast worden voorgespiegeld met veel redenen en mooie beloften zonder mij te zeggen hoeveel goud ik daarmee verdien. Ik zal Vader vragen om te weten wat hij wil. Maar ik denk wel haast zeker te weten dat ik zijn antwoord ken.

Onlangs heb ik me laten aderlaten om bevrijd te worden van de derdedaagse koorts waardoor ik weken lang voortdurend heen en weer wordt geslingerd, maar het heeft mij niet geholpen. Ik zou graag willen dat het anders was, maar ik denk niet dat aderlaten helpt tegen zwartgalligheid. Naar ik gehoord heb is er in Engeland een geneeskundige die een goed middel tegen deze kwaal kent. Hij heet Sydenham en ik wil hem deze zomer opzoeken. Gelukkig houdt de gedachte aan jouw toewijding en zorgzaamheid mij op de been. Als het echt te zwaar wordt kom ik naar ’s-Gravenhage.

Omdat je erop stond heb ik meneer Boulliau gevraagd om je horoscoop te trekken, maar hij schilderde een onherkenbaar portret. Daarna schreef hij aan mij ‘Ik heb me vergist als de persoon van wie ik de geboorte horoscoop heb gemaakt niet veel van het karakter heeft dat ik opgaf, misschien houdt ze zich gedekt en verborgen, wachtend op gelegenheden om volgens haar inborst te leven. Als ik het niet goed getroffen heb moet het kleinood niet komen’. Het sterkt mij wederom in de overtuiging dat astrologie zich alleen met het waarnemen van hemellichamen moet bemoeien.

Laatst was ik te gast bij de Duartes en ik heb weer grandioos genoten van de muzikale voorstelling van Francisca en haar broer we hebben de sarabande gedanst tot diep in de nacht en ik voelde mij heel plezierig. Maar later werd ik gekweld door een droefgeestigheid en sommige mensen in mijn omgeving zeggen dat het komt van mijn losbandigheid waarvoor ik wordt gestraft. Zij houden mij voor dat mijn koortsdromen het werk zijn van God omdat ik de onzichtbaarheid van Zijn werken op aarde in twijfel trek. Maar in gene zaak is ons weten volstrekt zeker, in alles slechts waarschijnlijk. En als het om het aanvoeren van argumenten gaat weet ik niet of zij er zullen vinden die krachtig genoeg zijn om mij tot zo belangrijke inzichten over te halen. Want zij schrijven gezag toe aan de schrift die veranderd kan zijn, aan mensen die zich vergist kunnen hebben: hoe ver staat dat alles niet af van de klaarblijkelijkheid der wiskundige bewijzen.

Alas, ik ben nu niet zo zwaar op de hand als het wel lijkt maar ik ben het niet gewoon om mijn harte roerselen aan het papier toe te vertrouwen, ik schrijf dit alleen aan mijn beminde kleine zusje op de schommel in de tuin aan het Plein. In haar schommel zag ik Galilei’s slinger. Hij had alleen een zetje nodig.

       

                                                                Je zeer toegenegen broer

                                                                    Christiaan Huygens

 

 

 

 

 

Bewonderd en verguist. Christiaan Huygens dwong bij zijn tijdgenoten respect af maar hij was niet geliefd. Dat wetenschappers als hijzelf met hun wonderlijke tovenarijen de grootsheid van Gods schepping manipuleerden, bestreed hij fel. Zijn openlijke blasfemie werd evenwel uitgelegd als een onschuldige bijkomstigheid naast de veelbelovende ont-werpen van zijn hand. Huygens’ voornaamste verdiensten zijn theoretisch van aard maar hij maakte de meeste indruk met de instrumenten die hij vervaardigde op het terrein van de sterrenkunde en tijdmeting. Hij streefde naar praktisch hanteerbare oplossingen. Met dit motto hoog in het vaandel heeft hij zijn leven lang tevergeefs getracht zijn uurwerk geschikt te maken voor de lengtebepaling op zee.

   Christiaan was verslingerd aan opzwepende volksdeuntjes maar zijn hart ging vooral uit naar de zacht murmelende wiegeliedjes die Zus voor hem zong als hij in Hofwijvk verbleef om te herstellen van zijn koortsaanvallen en depressies. De cognitieve dissonantie, zijn innerlijk conflict tussen ratio en emotie, zijn verlicht en vrijzinnig wereldbeeld tegenover de maatschappelijke conventies, zijn verlangen naar onafhankelijkheid versus zijn onderwerping aan de wensen van zijn vader, volgens sommige psychologen is dat bij ontwikkelde mensen met wetenschappelijke aanleg juist de trigger tot uitzonderlijke genialiteit.

  

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

C.D. Andriesse. Titan kan niet slapen. Olympus, 2007

Vincent Icke. De principes van Huygens. Historische Uitg. Groningen, 2013

Rienk Vermij. Christiaan Huygens. Veen Magazines, 2004

 

Een Nederlandstalig gedicht van Constantijn Huygens ter verheerlijking van zijn zoons zeewaardig uurwerk luidt als volgt: 

Aan mijn zoon, op zijn uurwerk 

Zoon, die, door Gods beleid, de kloeke vinder zijt

van dezer gangen onbewegelijk bewegen:

hoe 's werelds slingeren u gaan moog', mee of tegen,

heb haar eenparigheid voor ogen te allen tijd.

Hebt gij het zwakke werk in 't schudden van de baren

tot ongevoel gebracht van alles wat het lijdt:

gedenk wat u betaamt in alle wedervaren,

die door des Heren Geest vol rede-krachten zijt.

Stel vondst en vinder, geest en raderen te zamen:

't Waar' jammer dat het werk de meester zou beschamen.

 

 

 

 

  L & B BOODSCHAP                    LIEFDE EN BEGRIP

 

 

 

 

Een groot aantal instellingen beroept zich op de verspreiding van Liefde en Begrip. Vanouds onder de noemer van godsvrucht en barmhartigheid. Christelijke kerken hebben met deze boodschap miljoenen aan zich gebonden en het Vaticaan is de enige staat die haar schatkist rijkelijk heeft kunnen vullen met een belofte die niet gecontroleerd kan worden.

Tegenwoordig zijn het vooral de charismatische instellingen die de boodschap gebruiken om aflaten te vergeven. Valse schaamte en godsvrees zijn niet beperkt tot het katholieke deel van de wereldbevolking. De Geest van God is een dankbare inspiratiebron en de doop met de Heilige Geest belooft voorspoed en geluk.   Net als de Lotto, El Gordo en de EuroJackpot.

Op het gebied van naastenliefde en begrip voor andersdenkenden, wordt de internationale pinkstergemeenschap overtroffen door de bijna 2 miljard moslims in de wereld. Hun liefde voor Allah is viervoudig en de islamitische tolerantie is legendarisch.

 

De gedachte aan Liefde is de gedachte aan God. Soms is Liefde zo groot dat de gedachte dat iemand iets kan overkomen, onverdraaglijk wordt. Een andere Liefde, een andere God. Die dreiging moet dan worden uitgeschakeld. Dat begrijpt een kind. Soms is Liefde onverdraaglijk.

Begrip! Kwaad is wie het niet begrijpt. Kwaad is onbegrip. De wereld is vol kwaadheid en kwaadheid moet bestreden worden. Dat begrijpt een kind. Wie niet horen wil moet voelen. De andere wang is Utopie.

 

Er is één weg en die weg ben Ik. En allen die Mij volgen hebben Mijn Liefde en Begrip. Maar allen die blijven staan en Mij niet volgen, zij zullen door de grond zakken en eeuwig harig zijn en stinken.