DARWINS ONGEMAK

“Ik besef dat mijn speculaties wellicht te ver gaan”

 

 

Charles Darwin wordt veelal beschouwd als de vader van de evolutietheorie en is waarschijnlijk net zo beroemd als Newton en Einstein samen. Minder bekend is wellicht dat hij als wetenschapper niet altijd voor vol werd aangezien (hij had geen academische graad behaald) en ondanks zijn afwijzing van het geloof een christelijke tolerantie betuigde tegenover andersdenkenden. Als kind van zijn tijd had hij een vooringenomen opvatting over de hiërarchische structuur van de samenleving en de positie van de vrouw, maar hij was tegen rassendiscriminatie en slavernij. In zijn uiteenzetting over het ontstaan van de mens door seksuele selectie probeerde hij dat wetenschappelijk te onderbouwen. 

 

 

De jonge Charles Darwin was een in zichzelf gekeerd en het hem aan niets ontbrekend snobje, dat liever in zijn eentje ronddoolde door de tuinen nabij het ouderlijk huis dan dat hij zich uitsloofde op school. Zijn kolossale vader – de welgestelde arts Robert Darwin woog 148 kg – vond hem maar een nietsnut. In het bemiddelde milieu van de Engelse middleclass was het niettemin not done als jongens geen graad hadden behaald. Dus werd Charles naar de universiteit gestuurd om arts te worden, of desnoods predikant. Het academisch keurslijf was echter niets voor de jonge Darwin, hij werd liever gezelschapsheer van de manisch-depressieve scheepska-pitein Fitz-Roy. Tijdens diens hydrografisch onderzoek rond Zuid Amerika zou Darwin genoeg vrije tijd krijgen om in de voetsporen te treden van de door hem bewonderde Pruisische natuuronderzoeker Alexander von Humboldt. De fossiele botten die hij in Patagonië vond betekenden meer voor hem dan welke eigentijdse scarabee ook die hij tot dan toe had verzameld.

   Een paar jaar na zijn terugkeer in Engeland trouwde hij met zijn negen maanden oudere nicht Emma die, net als zijn moeder, een telg was uit de gefortuneerde Wedgwood dynastie. De rest van zijn leven kon hij zonder geldzorgen aan zijn ideeën werken. Ongeluk-kigerwijs werd hij gekweld door een chronische ziekte – als onbezonnen natuurvorser had hij een parasitaire infectie opgelopen, mogelijk Lyme, die hem geregeld velde – en verdriet – drie van zijn kinderen overleden vroegtijdig. Zijn vertrouwen in ‘Onze Lieve Heer’ was ernstig verstoord. In een brief aan een Nederlandse fan die hem gevraagd had of hij in God geloofde, schreef hij 

“Het is onmogelijk om ons voor te stellen dat dit grootse en wonderbaarlijke universum door toeval zou zijn ontstaan; dat lijkt mij het voornaamste argument voor het bestaan van God, al heb ik dit nooit echt een goed argument gevonden. Ik besef dat het erkennen van een eerste oorzaak onverlet laat dat we nog steeds willen weten waar die vandaan komt en hoe die is ontstaan. Evenmin kan ik voorbijgaan aan het probleem van het immense lijden in de wereld. Ook heb ik de neiging om, tot op zekere hoogte, het oordeel te eerbiedigen van de vele bekwame mensen die vol overtuiging in God geloven; maar ook dit is een slap argument. De veiligste conclusie is waarschijnlijk dat de hele kwestie buiten bereik van het menselijk intellect valt; onderwijl knielt de mens nederig.”

In weerwil van zijn deïstische getuigenissen werd zijn Oorsprong der Soorten in kerkelijke kring verguisd en werd hijzelf door orthodoxe gelovigen als een immorele goddeloze gekenschetst. Zelf deed hij dergelijke kritiek af als hilarische kletskoek. Hij hechtte meer waarde aan het commentaar van echte intellectuelen. De meeste achting had hij voor recensies van natuurwetenschappers. In een uitgebreide bespreking van zijn Oorsprong der Soorten door een naaste medewerker van de alom gerespecteerde wis- en natuurkundige, Lord Kelvin, werd de mogelijkheid van natuurlijke selectie als evolutionair mechanisme in twijfel getrokken. Tegen het einde van de 19e eeuw was de heersende opvatting dat alle erfelijke eigenschappen gelijkwaardig waren. Genetische dominantie was nog niet bekend. Een mutatie zou daarom in volgende generaties zo sterk verdund zijn dat het geen invloed meer kon hebben, waardoor natuurlijke selectie onmogelijk kon plaatsvinden (verfpottheorie*). Darwin was echter meer verontrust door de bewering van Lord Kelvin dat door de temperatuur op aarde het leven hooguit honderd miljoen jaar geleden kon zijn ontstaan. Dat was veel te kort voor het evolutieproces dat Darwin voor ogen stond. De kritiek noopte hem ertoe aanpassingen in zijn werk aan te brengen die in de laatste uitgave van Oorsprong der Soorten zelfs leidde tot beweringen die in strijd waren met wat hij altijd had staande gehouden. Pagina 253: 

“In een heel vroeg stadium waren de fysieke condities van de wereld onderhevig aan snellere en heftiger veranderingen dan tegenwoordig voorkomen; en die veranderingen zouden hebben bijgedragen aan het in dezelfde mate opwekken van veranderingen in de organismen die op dat moment bestonden.”

Drie pagina’s verder herhaalde hij wat hij in eerdere uitgaven van Oorsprong der Soorten en in zijn vroegere briefwisselingen had verklaard, namelijk precies het tegenovergestelde. Pagina 256: 

“Er zijn aanwijzingen dat hoog ontwikkelde organismen sneller veranderen dan primitieve.”

 In brief aan de botanist Joseph Hooker met wie hij intensief correspondeerde, in 1856: 

“De selectiedruk is recht evenredig met de tijdsduur en kan onder natuurlijke omstandigheden alleen maar buitengewoon traag zijn.”

Ondertussen was zijn ster aan het wetenschappelijke firmament zo hoog gerezen dat die verwarringen er niet meer toe deden. Zijn verontrusting had hem onnodige kopzorgen opgeleverd en overbodige slordigheden in zijn werk veroorzaakt. In de 20e eeuw zouden radiometrische dateringen en kennis van de chromosomale erfelijkheid elke twijfel omtrent de mogelijkheid van natuurlijke selectie wegnemen. 

 

Natuurlijke selectie

Darwins principe van natuurlijke selectie is eigenlijk heel simpel. Het is een proces dat bestaat uit drie stappen: 1) Ouderparen verwekken meer nakomelingen dan het milieu kan bergen [wat betreft voedsel, beschutting, enz.] 2) Nakomelingen vertonen altijd kleine verschillen in hun erfelijk materiaal [mutaties] 3)Nakomelingen met gunstige mutaties hebben de grootste kans om zelf een ouderpaar te vormen [aanpassing]. ‘Natuurlijke selectie’ is slechts een naam, de naam van de aandrijving die dit bewerkstelligt. Toch wekt de naam bij veel mensen de indruk dat er een bewuste drijfveer achter zit. De hand van God.

   Over de naamkeus schreef hij zelf in het grote boek (Origin of Species): 

“In de letterlijke zin van het woord is natuurlijke selectie ongetwijfeld een verkeerde benaming; maar wie had er ooit bezwaar tegen dat scheikundigen spraken over de electieve affiniteiten van de verschillende elementen? - en toch kan niet strikt worden gezegd dat een zuur de base kiest waarmee het bij voorkeur zal worden gecombineerd. Er is gezegd dat ik over natuurlijke selectie spreek als een actieve kracht of godheid; maar wie heeft er bezwaar tegen een auteur die zegt dat de aantrekkingskracht van de zwaartekracht de bewegingen van de planeten regeert? . . . Ik bedoel met de natuur alleen de totale werking en het product van vele natuurwetten, en met wetten de opeenvolging van gebeurtenissen zoals door ons is vastgesteld. Met een beetje bekendheid zullen dergelijke oppervlakkige bezwaren worden vergeten.”

 Het frustreerde hem dat natuurlijke selectie in de ogen van sommige naturalisten te veel nadruk legde op dodelijke competitie waardoor er te weinig aandacht overbleef voor moraliteit en doelgerichtheid van de evolutie. Zelfs Charles Lyell, zijn vriend en inspirator, bleef volhouden dat het ontstaan van nieuwe soorten vooral een wonderbaarlijk proces was (in plaats van een natuurlijk verschijnsel). Anderen, zoals Herbert Spencer (van wie de uitdrukking ‘survival of the fittest’ afkomstig is) waren van mening dat evolutie een inherent progressief proces (waarbij alle onderdelen van het organisme gelijktijdig veranderen) was dat door natuurlijke selectie onvoldoende kon worden verklaard. Nog weer anderen, zoals de prestigieuze Harvard-geleerde Louis Agassiz, hielden standvastig vol dat soorten door God werden geschapen en onveranderlijk waren. Agassiz’ kritiek richtte zich vooral op het gebrek aan wetenschappelijk bewijs in het fossielenarchief en beschouwde Darwins transmutatietheorie daarom ‘als een wetenschappelijke fout, onwaar in haar feiten, onwetenschappelijk in zijn methode en ondeugend in zijn neiging.*

   Met kritiek uit theologische hoek had Darwin minder moeite. Als kind had hij de horlogemakeranalogie van William Paley bewonderd en pas na zijn reis met de Beagle keerde hij zich definitief af van het geloof in God. De Anglicaanse kerk bleef hem bij monde van bisschop Samuel Wilberforce bespotten maar dat kon zijn respect voor de christelijk moraal nauwelijks ondermijnen. Zijn leven lang heeft hij groot mededogen gevoeld met het christelijk geloof en zich verbaasd over de halsstarrigheid waarmee veel wetenschappers zich vastklampten aan een verzinsel. 

“Ik zie geen verbetering in de toenadering tussen religie en wetenschap. Dat mijn lieve Emma diep gelovig is kan ik begrijpen, ze is tenslotte een vrouw. Maar die geleerde mannen… Ik ben het helemaal met je eens, John [dominee Innes], dat er geen enkele reden is dat de aanhangers van kerk en evolutie elkaar in de haren vliegen, zonder ook maar een haarbreed van zijn/haar geloof te willen afwijken.”

Darwin schreef in zijn leven minstens twaalf duizend brieven. In de meeste ervan verwoorde hij zijn maatschappelijke, religieuze en wetenschappelijke twijfels en beklaagde hij zich over zijn gezondheid. Om de andere dag een brief schrijven lijkt veel maar zinkt in het niet bij moderne communicatie via email, sociale media en vakbladen. Correspondentie was een essentieel hulpmiddel voor hem bij het verzamelen van de gegevens om zijn theorieën te onderbouwen en om die theorieën met collega's te bespreken; de brieven maken in hoge mate deel uit van Darwins wetenschappelijke archief. Hij leefde op het juiste moment voor een efficiënte postdienst, maar te vroeg om te profiteren van een meer kortstondig alternatief. En hij hoefde niet zelf naar de brievenbus of postzegels te kopen. Daar was personeel voor.

 

Intelligent Design

Hedendaagse aanhangers van het Intelligente Ontwerp die zichzelf Creationisten noemen geloven niet in het bestaan van schizofrenie. Het brein is een homogeen orgaan en het, wat zij noemen ‘gespleten denken’ is het werk van Satan. Je kunt niet tegelijkertijd in God geloven en in Evolutie, net zomin je een kunstwerk kunt bewonderen dat gemaakt is door een moordenaar. Of liberaal zijn en geloven in solidariteit. Of een wetenschappelijke theorie aanhangen die in strijd is met de Schrift. Radioactieve isotopen zijn verzonnen om de mensen wijs te maken dat de wereld veel ouder is dan zes millennia, zoals je uit de bijbel kunt opmaken. Fossielen van uitgestorven dieren zijn de tastbare overblijfselen van de zondvloed die alleen de wezens aan boord van Noachs ark gespaard heeft. De vrome Charles Darwin heeft zijn evolutieleer geschreven uit wraak, omdat hij door God voortdurend werd gedwarsboomd. De creationisten voel(d)en zich gesteund door Darwin zelf, toen hij in het 6e hoofdstuk van zijn Origin of Species het ontstaan van een oog probeerde te doorgronden. 

“Ik beken volmondig dat het in de hoogst mogelijke mate absurd lijkt om te veronderstellen dat het oog, met zijn weergaloze inrichtingen om scherp te stellen op verschillende afstanden, om verschillende hoeveelheden licht toe te laten, en om sferische en chromatische aberratie te corrigeren, zou zijn gevormd door natuurlijke selectie.”

 In menig creationistisch pamflet is nog altijd dit citaat terug te vinden waarbij de daaropvolgende zin wijselijk is weggelaten. 

“Toch zegt het verstand mij dat als kan worden aangetoond dat er talrijke gradaties bestaan tussen een perfect en complex en een zeer onvolmaakt en eenvoudig oog, waarbij iedere gradatie nuttig is voor de bezitter, als verder het oog ook maar enigermate varieert, en de variaties erfelijk zijn, hetgeen zeker het geval is, en als een bepaalde variatie of modificatie van het orgaan ooit nuttig is voor het dier onder veranderende levensomstandigheden, dat dan de moeilijkheid om te geloven dat een perfect en complex oog door natuurlijke selectie gevormd zou kunnen worden, ondanks dat ze onoverkomelijk lijkt voor ons voorstellingsvermogen, nauwelijks meer als reëel kan worden beschouwd.”

 Halverwege de 19e eeuw, toen Origin of Species uitkwam, was erfelijkheid nog omgeven met een sluier van geheimzinnigheid en DNA onbekend. Darwin dacht dat functionele eigenschappen via het mengen van lichaamssappen werden overgedragen en door natuur-lijke selectie kwamen bovendrijven. De Creationisten vonden dat onbegrijpelijk. Hoe kon een nieuwe functie, bijvoorbeeld door een andere samenstelling van iemands sappen, na vermenging komen bovendrijven? Volgens hen zou precies het tegenovergestelde gebeuren en zou de ‘mutatie’ homeopathisch verdund worden en vanzelf verdwijnen.

   Wij weten nu dat die mutaties niets anders dan veelvuldig gemaakte ‘foutjes’ zijn in het DNA, die onverdund worden doorgegeven. De structurele veranderingen hoeven niet direct tot een volwaardige nieuwe functie te leiden, maar ze blijven wel aanwezig. Als het voortplantingsproces maar vaak genoeg wordt herhaald – tijd speelt een cruciale rol – zal een gelukkige combinatie van structurele veranderingen een functie kunnen opleveren die meer overlevingskans biedt dan dezelfde structuur bij soortgenoten.

   De evolutie van het complexe oog kan aan de hand van nog levende diersoorten worden beschreven. De regenworm heeft huid-cellen met lichtgevoelige pigmentkorrels (die komen al voor bij bacteriën). Als de huid oneffenheden vertoont (bultje of deukje) op een plek waar zulke cellen in groepje voorkomen, wordt niet alleen de aanwezigheid van licht waargenomen maar ook uit welke richting het komt. Het ecologische voordeel van ‘deukjes’ is terug te zien in de komvormige ogen van platwormen en van ‘bultjes’ in het ontstaan van samengestelde ogen bij geleedpotigen en facetogen bij insecten. In steeds diepere kuiltjes moet meer licht binnen-komen maar als dat licht wordt gebogen door een kleine opening ontstaat er beeldvorming (camera obscura bij sommige inktvissen). Een grotere opening kan met een vlies worden afgedekt dat door lichtbreking een beeld vormt en bovendien bescherming geeft (hoornvlies bij andere inktvissen). Met een verdikking van dit vlies kunnen prooien beter worden gezien (vissen en andere gewervelde dieren).

   Evolutie kost tijd. Voor de ontwikkeling van het oog waren vele miljoenen jaren nodig. Zoiets onttrekt zich aan het voorstellings-vermogen van gewone mensen, die niet langer leven dan enkele tientallen jaren waarvan de eerste ook nog eens in verregaande afhankelijkheid van ouderen. Het onthutsende idee dat de wereld anders in elkaar zit dan je altijd is verteld, stuit op grote weerstand. Wat is de waarde van een nieuwe waarheid?

   Sinds steeds meer intellectuelen in Europa een onveranderlijke wereld in twijfel trokken en (r)evolutionaire ideeën omarmden, werd het geloof in een Almachtige Schepper danig op de proef gesteld. Het Franse Lamarckisme oogstte stilaan weerklank en Darwins grootvader, Erasmus Darwin, had aan het einde van de 18e eeuw een boek over het bestaan van gemeenschappelijke voorouders gepubliceerd. Dat dwong de kerk tot actie. Als advocaat van God presenteerde de Britse theoloog William Paley in 1802 horlogemakeranalogie, wellicht de beroemdste wetenschapsmetafoor uit de geschiedenis.

“ …wanneer we het horloge komen inspecteren, nemen we waar. . . dat de verschillende delen ervan zijn ingelijst en voor een bepaald doel in elkaar gezet, bijvoorbeeld dat ze zo gevormd en aangepast zijn dat ze beweging produceren, en die beweging zo gereguleerd dat ze het uur van de dag aangeven; dat als de verschillende onderdelen een andere vorm hadden gehad dan ze zijn, of op een andere manier of in een andere volgorde dan die waarin ze zijn geplaatst, er óf helemaal geen beweging in de machine zou hebben plaatsgevonden, zou hebben beantwoord aan het gebruik dat er nu door wordt gediend. . . . de gevolgtrekking waarvan we denken dat het onvermijdelijk is, dat het horloge een maker moet hebben gehad - dat er op een bepaald moment en op een of andere plaats een of andere ambachtsman moet hebben bestaan die het hebben gevormd voor het doel dat we eigenlijk vinden om te beantwoor-den ,. ”

Levende organismen, zo stelde Paley, zijn zelfs nog ingewikkelder dan horloges," in een mate die alle berekeningen te boven gaat ". Hoe anders de vaak verbazingwekkende aanpassingen van dieren en planten te verklaren? Alleen een intelligente ontwerper had ze kunnen maken, net zoals alleen een intelligente horlogemaker een horloge kan maken: “ De kenmerken van het ontwerp zijn te sterk om te overwinnen. Design moet een ontwerper hebben gehad. Die ontwerper moet een persoon zijn geweest. Die persoon is GOD ”.

 

Seksuele selectie

Darwin had besloten dat in Oorsprong der Soorten de mens een plaats verdiende. Net als in het eerste hoofdstuk, waarin hij de mens beschreef die de natuur naar zijn hand zet door gewassen te telen en dieren te fokken, moest er een hoofdstuk worden ingeruimd voor de mens die uit andere dieren voortkwam en zich ontwikkelde. Het boek werd echter te omvangrijk zodat hij niet verder kwam dan de belofte dat hij zijn licht zou laten schijnen over de oorsprong en evolutie van de mens in een latere publicatie.

   Dat werd De Afstamming van de Mens en Selectie in Relatie tot Sekse waarin hij beargumenteerde dat mensen dezelfde evolutionaire ontwikkeling hadden doorlopen als dieren. Verwantschap met dieren was niet beperkt tot lijf en leden maar betrof ook spirituele vermogens, zoals oog voor schoonheid. Dat idee gebruikte hij om de gangbare opvatting over mensenrassen te bestrijden. Hotten-totten, Indianen en Mongolen waren niet, zoals velen dachten, als afzonderlijke rassen ontstaan (polygenisme) maar hadden een gemeenschappelijke oorsprong (monogenisme). Darwin meende dat leden van dezelfde stam of groep zich (seksueel) sterker tot elkaar voelden aangetrokken dan tot buitenstaanders. Daardoor waren na verloop van tijd de verschillende raskenmerken ontstaan. Die esthetische voorkeur vormde een belangrijke spil in de evolutie, zowel bij mens als dier.

   Wat ‘natuurlijke selectie’ betekende voor het ontstaan en evolueren van soorten beoogde ‘seksuele selectie’ voor de ontwikkelingen binnen een soort. Er waren twee mogelijke scenario’s: i) sterkste mannetje verovert een vrouwtje (hertengewei) of ii) vrouwtje kiest het aantrekkelijkste mannetje (pauwenstaart). Niet alle soorten zouden hetzelfde scenario volgen zodat Darwin aan de viricentrische vooringenomenheid van de Victoriaanse samenleving kon tegemoetkomen door voor zijn eigen soort het vrouwvriendelijke script naar de achtergrond te schuiven. Ondanks zijn aarzeling door de kritiek van sommige, ook voor zijn tijd progressieve vrouwen met wie hij zich uitgebreid onderhield, woog het diepgewortelde vooroordeel van de bevoorrechte Britse man in het Victoriaanse koloniale tijdperk zwaarder.

"De man is moediger, strijdlustiger en energieker dan de vrouw, en hij heeft meer inventieve genialiteit.”

Seksuele selectie bood Darwin een mogelijkheid om een verbinding te maken tussen mens en dier, niet alleen wat lichamelijke kenmerken betreft maar ook op mentaal gebied zoals cognitie, esthetica en moraliteit. Geest en moraal waren biologisch geworteld. Ook bij dieren was sprake van een primitief moreel besef dat tot uitdrukking kwam in tal van sociale gedragingen die gunstig waren voor de soort (waarschuwen, verdedigen, helpen) en zo via natuurlijke selectie konden evolueren.

   Het boek deed minder stof opwaaien dan Darwin verwacht had. Wat hem vooral heel erg verdroot was dat zijn compaan in de natuurlijke selectie, Alfred Russel Wallace, niets zag in het esthetisch vermogen van dieren. Volgens hem waren het juist de onopval-lende schutkleuren van de vrouwtjes geweest waaraan de pronkende mannetjes hun bestaan te danken hadden. Ook verwierp hij Darwins naturalistische verklaring voor cognitie en moraliteit. Wallace zag de menselijke geest als bewijs dat de evolutie geleid werd door een goddelijke intelligentie. Hij keerde zich af van Darwin en wende zich tot het spiritisme.

 

Mens sana in corpore sano?

Een groot deel van zijn leven kampte Darwin met gezondheidsproblemen. Nog tijdens zijn onstuimige studentenjaren, lang voor zijn vermetele exploraties van de binnenlanden aan de andere zijde van de wereld, vertoonde hij al een zekere achteloosheid jegens de door hem bewonderde natuur. 

"Maar geen enkele bezigheid in Cambridge heb ik uitgeoefend met zoveel geestdrift en heeft me zoveel plezier bezorgd als het verzamelen van kevers.[…] toen ik op een dag wat oude schors afscheurde, zag ik twee zeldzame kevers. Ik nam er een in elke hand, maar toen zag ik een derde van een nieuwe soort die ik niet wilde missen, zodat ik die uit mijn rechterhand in mijn mond stopte. Helaas spoot hij een of andere hevig bijtende vloeistof uit die zó op mijn tong brandde dat ik gedwongen was de kever uit te spugen, die ik daardoor kwijt was, evenals de derde."

 Tijdens zijn reis met de Beagle leed hij hevig aan heimwee en zeeziekte en reisde zoveel mogelijk over land (van haven naar haven) waarbij de lokale (eet)gewoonten niet zelden een aanslag deden op zijn gezondheid.

   Terug in Engeland werd hij gekweld door langdurige periodes van lichamelijke en geestelijke ongesteldheid, tijdens welke hij was overgeleverd aan de gezondheidskundige opvattingen van zijn tijd. Jarenlang onderging hij behandelingen met waterbaden en zwachtels, verblijf in sanatoria en speciale baden aan huis. Hij gebruikte laxeer- en zuiveringsmiddelen om zijn ingewanden te reinigen, stoffen om maagklachten te verlichten en om constipatie en diarree tegen te gaan, waarvan we tegenwoordig weten dat ze giftig en ziekteverwekkend zijn (bv. kwikchloride, bismutnitraat, wolfsmelk). Zijn slechte gezondheid bood hem overigens geregeld een excuus om zich aan zijn sociale verplichtingen te onttrekken en zich in zijn studeervertrek terug te trekken. Niettemin kon hij zich zo beroerd voelen dat – ondanks een geest-verhelderende wandeling in de natuur – hij zijn intellectuele werkzaamheden vaak moest opschorten

   De zwakke gezondheid en vruchtbaarheidsproblemen binnen zijn familie waren trouwens niet gevolg van zijn eigen slechte gesteldheid, maar van inteelt. Hij was zich ervan bewust dat zijn bewuste keus om met zijn volle nicht te trouwen hemzelf wel luxe had verschaft maar voor zijn nageslacht minder gunstige gevolgen had. Bovendien kon hij niet uitsluiten dat de verdrietige sterfgevallen in zijn eigen gezin het gevolg waren van zijn eigen egoïsme.

 

 

Charles Darwin was schrander genoeg om in te zien dat hijzelf niet het beste voorbeeld was van ‘survival of the fittest’. Weliswaar een overlever was hij maatschappelijk onaangepast (hij schopte tegen de gevestigde orde) en ongezond (zonder verzorging was hij veel eerder overleden). Met de zorg waarmee hij zichzelf omringde en zijn eigen seksuele selectie (hij koos voor een zorgzame echtgenote) kon het vermoeden rijzen dat die altruïstische ontwikkeling een evolutionaire neergang inluidde. Angst voor de ondergang van de mensheid heeft wellicht bijgedragen aan de opkomst van het sociaal darwinisme.* 

 

 


Bronnen:

 

Charles Darwin (2002) De Afstamming van de Mens. Nieuwezijds BV Uitgeverij

Charles Darwin (2007) Over het Ontstaan van Soorten. Nieuwezijds BV Uitgeverij

Darwin Correspondence Project (2020) Univ. of Cambridge (https://www.darwinproject.ac.uk/)

Darwin On Line: Fleeming Jenkin (1867) Review of The Origin of Species (http://darwin-online.org.uk/content/frameset?pageseq=1&itemID=A24&viewtype=text)

Richard Dawkins (2008). The Genius of Charles Darwin. BBC, Channel IV (https://nl.wikipedia.org/wiki/The_Genius_of_Charles_Darwin)

Jeremy Desilva (2021). A Most Interesting Problem. Princeton University Press.

Loren Eiseley (1958) Darwin’s Century. Evolution and the Men Who Discovered It. Doubleday

Dan Falk (2021) How Darwin’s ‘Descent of Man’ Holds Up 150 Years After Publication. Smithsonianmag.com (https://www.smithsonianmag.com/science-nature/how-darwins-descent-man-holds-150-years-after-publication-180977091/)

Fieke Lakmaker (vert.) (2000) De Autobiografie van Charles Darwin. Nieuwezijds.

Robert Richards (2009) The Descent of Man. American Scientist. (https://www.americanscientist.org/article/the-descent-of-man)

Anne Troelstra (2003) Tijgers op de Ararat. Natuurhistorische Reisverhalen 1700-1950. Atlas

 

De verfpottheorie (swamping argument van Fleeming Jenkins) veronderstelt gelijkwaardige overerving van eigenschappen; dominant en recessief was onbekend (https://www.newscientist.nl/nieuws/de-grote-blunder-van-darwin/)
 
Maatschappelijke stroming, met name in de Verenigde Staten in de eerste helft van de twintigste eeuw, waarin, geïnspireerd op de evolutietheorie van Charles Darwin, concurrentie en overleving van de sterkste gezien werden als wenselijke principes voor de inrichting van de maatschappij.
Het sociaal darwinisme wordt door evolutiebiologen beschouwd als een zwarte bladzijde. Geen enkele moderne bioloog onderschrijft het. Het paste niettemin in de Amerikaanse maatschappij aan het begin van de twintigste eeuw waarin het vrij gewoon was om standsverschillen en etnische verschillen te benadrukken.
De redenering van de sociaal darwinisten is ongeveer als volgt: Zoals natuurlijke selectie in de natuur werkt, werkt het ook in de maatschappij. Het veroorzaakt verschillen tussen groepen mensen die tot uitdrukking komen in sociale klassen. Die ongelijkheid is dus natuurlijk. Overleving van de sterkste leidt tot vooruitgang en voorkomt verval van de maatschappij.
De bekendste spreekbuis van het sociaal darwinisme was Herbert Spencer, de uitvinder van de term “survival of the fittest”, een begrip dat door Charles Darwin in de latere edities van “The Origin of Species” toegevoegd werd aan de titel van Hoofdstuk IV. Spencer stond onder invloed van de sociaal wetenschapper Graham Sumner, docent aan Yale University. De zakenman John Rockefeller gebruikte een sociaal-darwinistische redenering als motivatie voor zijn optreden bij de vorming van de Standard Oil Company, die veel kleine oliebedrijven wegconcurreerde: “De groei van een grote onderneming is zuiver een kwestie van overleving van de sterkste”.
Het sociaal darwinisme werd ook gebruikt als ideologie in het nationaalsocialisme in Duitsland gedurende de jaren 1930-1940. Overigens komen ook verschillende moderne bewegingen waarin immigratie van niet-westerse bevolkingen in Europa en de Verenigde Staten als onwenselijk wordt gezien, dicht in de buurt van het sociaal darwinisme (vgl. Thilo Sarrazin met zijn boek “Deutschland schafft sich ab”). Zie ook: 

https://int.search.myway.com/search/GGweb.jhtml?p2=%5ECNH%5Exdm778%5ETTAB03%5ENL&ptb=EAF5EF9D-7FC0-4E08-85BF-5FC834ABFC27&n=7858bde9&ln=nl&si=001007013000528&trs=wtt&brwsid=CA9B2AE1-E70E-4C4C-A526-F3D4A8CBEBC2&st=tab&tpr=sc&searchfor=sociaal+darwinisme&pn=2&ots=1619168081389