El Instituto 3           BIERKLOKKEN  

      

 

Via een treintunnel is Isla San Lorenzo verbonden met Lima en daarmee met het gehele Peruaanse achterland tot aan de Atlantische Oceaan. Dank zij Nazca International Airport en de Capesize overslaghaven is  het eiland het belangrijkste knooppunt geworden tussen Zuid Amerika en de rest van de wereld. Het voormalige natuurreservaat heeft plaats moeten maken voor ’s werelds modernste financiële centrum met het imposante standbeeld van Jacques l’Hermite (Jacob Clerk)aan het hoofd van de boulevard. Op het nabijgelegen Isla Callao leeft nog één populatie zeeleeuwen.*

 

 

De eerste keer dat Erik Hazepad van het Instituut hoort, studeert hij archeologie en aardwetenschappen. Zijn (boeken)kennis van de fysische geografie acht hij voldoende groot om de slaapverwekkende voordrachten van ongemotiveerde docenten te vervangen door in­spirerende bijeenkomsten over onderwerpen waar hij niet zoveel van afweet. Bovendien gebruikt hij zijn vrije tijd om te studeren, in tegenstelling tot de meeste vrijgestelden waartoe hij zichzelf rekent. Hij volgt colleges levenswetenchappen en neemt deel aan workshops bij de centrale interfaculteit, een tamelijk cryptisch onder-deel van de universiteit dat voortdurend met opheffing wordt bedreigd. De workshops worden georganiseerd door medewerkers of studenten, die de wijsgerige ideeën van hun voorkeur met anderen willen delen. Studenten uit alle geledingen doen er aan mee en tijdens één van deze sessies vertelt iemand over de queeste naar de totale wereldvrede. Hij hoort dat er organisaties zouden bestaan die zich daadwerkelijk bezig houden met zo’n zoektocht. Zonder geldelijk gewin. En één van die organisaties heet El Instituto.

   Natuurlijk wil hij er als geboren scepticus het fijne van weten. Navraag levert aanvankelijk niets op. Sommigen prijzen het Instituut de hemel in, anderen trekken misprijzend hun neus op, niemand kan hem daadwerkelijk verder helpen. Het is uiteindelijk de decaan die hem vertelt dat het Instituut contacten onderhoudt met universiteiten van over de hele wereld en dat veelbe­lovende studenten de mogelijkheid wordt geboden om er stage te lopen.

   Had hij soms be­langstelling? Met die cijfers van hem maakte hij een goede kans.

   Na enig aandringen wil ze ook nog wel toelichten dat de financiële bronnen van het Instituut in de welvarende elektronica-industrie lagen en dat er inkomsten werden gewonnen uit octrooien op zelf-ontwikkelde ideeën. De onafhankelijkheid van het Instituut zou door de ondersteunende bedrijven worden gegarandeerd maar de decaan moest toegeven dat ze niet zeker wist hoe strikt men zich daar aan hield. Voor iemand in opleiding was zo'n denktank in elk ge­val de ideale omgeving. Je werkte er immers samen met de crème de la crème van de internationale intellectuele elite.

   De trut vertoont geen spatje ironie. Erik voelt een lichte wrevel, hij ziet zichzelf wel zitten in die denktank maar dat decaantje hoefde daar niets van te weten. Hij zou het Instituut zelf wel we­ten te vinden.

   Vanaf dat moment neemt hij vaker deel aan de workshops. Hij verbaast zich over de harts­tocht waarmee deelnemers getuigen van concepties waarvan hij nog nooit gehoord heeft. De leidraad wordt gevormd door opvattingen die tijdens het reguliere wetenschappelijk curricu­lum niet of nauwelijks aan de orde komen. Sommige onderwerpen maken een zinnenbeel­dige indruk op zijn intellect, andere vindt hij ondoorgrondelijk of zelfs beledigend. Door de bank genomen verrijken de bijeenkomsten zijn kijk op de wereld, maar soms bekruipt hem het gevoel dat hij zijn tijd zit te ver-doen.

 

Het moet in die tijd geweest zijn dat hij Joachim Bolt leert kennen. Joachim – geplaagd door acne – wordt zelden uitgenodigd op studentenfeestjes maar is veelvuldig in de kroeg te vinden waar hij gnif-felend ‘kikker’ wordt genoemd. Niemand weet precies waar die bijnaam op slaat. Sommigen hebben gehoord dat een opzichtig geklede medestudent uit Scheveningen bij het zien van Joachims ouderwetse hoofddeksel ‘kikkâh’ had geroepen. Anderen zijn ervan overtuigd dat het een verwijzing is naar Joachims gekwaak tijdens zijn zeldzame maar heftige uitbarstingen. Hoe het ook zij, hun eerste ontmoeting staat in Eriks geheugen gegrift als de onvergankelijke inscriptie in een gebakken kleitablet:

   Tijdens de workshop 'orakelen' heeft hij bij een demonstratie tasseografie veel te veel thee gedronken. Midden in een verhandeling over de tarot kan hij het niet meer ophouden en verlaat hij het lo-kaal om te plassen. Op de gang staat een nogal excentriek ogend persoon wezen­loos naar de deur te staren. De jongen is van Eriks leeftijd maar draagt de kleren van een oude man. Een slobberig zwart pak en een grijs overhemd met groene stropdas. Hij heeft zelfs een vilten hoed op!

   Eriks nood is te hoog om er lang bij stil te staan. Hij rept zich naar het gerief.

   Universiteiten worden op alle mogelijke manieren beknot, maar van bezuiniging op sanitaire voorzieningen is nooit sprake geweest. De toiletten lijken op een eigentijdse versie van de Russische metro: uiterlijke grandeur ter compensatie van spirituele armoede, in dit geval van het hoger onderwijs.

   Nadat hij zijn blaas geleegd heeft en zich uit gewoonte tevergeefs heeft afgetrokken, wast Erik zijn handen onder één van de tientallen kranen en verlaat de plaszaal. Terug bij het lokaal treft hij de vreemdeling onveranderd voor de deur aan. Erik, onbevangen als altijd, vraagt hem wat er mankeert.

   “Ik zoek de tijd.”

   Erik begrijpt hem verkeerd en zegt hoe laat het is. Joachim Bolt, want die is het, haalt minachtend z’n schouders op.

   “Dat kun je nou wel zeggen, maar wat betekent het?”

   Deze gozer is echt maf.

   Hij vermoedt dat Joachim wel voor wat leven in de brouwerij kan zorgen.

   “De workshop is al een tijdje bezig maar ik weet zeker dat niemand het erg vindt dat je te laat bent.”

   Hij gebaart uitnodigend naar de deur, troont Joachim mee naar binnen en duwt hem op een stoel. De jongen laat zich zonder tegenstribbelen neerzetten en Erik vraagt zich af of hij enig idee heeft waar hij is, of dat hij zich in een eigen wereldje verschanst.

   “Ik ben wel/niet bij de tijd”, hoort Erik hem mompelen.

   Die gast is écht gek!

   Ondertussen geeft één van de aanwezigen inzage in haar favoriete methode voor het voorspellen van de toekomst.

   “Met onze paranormale gaven kunnen we energetische energie waarnemen die we met de lagere velden van ons bewustzijn niet zien, net zoals ons aura. Door de fijnstoffelijke energie die de verbinding heeft met een voorwerp kun je zien wie dat voorwerp heeft aangeraakt. Dat noem je psychometrie.”

   De stoel valt kletterend om als Joachim nogal bruusk overeind komt.

   “Psychometrie is de analyse van geestelijke vermogens! Het gemiddelde IQ in deze ruimte is op z’n zachtst gezegd teleurstellend!!”

   Onder verschrikte en ook wel geamuseerde blikken dendert hij het lokaal, dat hij nog maar zo kort geleden had betreden, weer uit.

 

Tegen elke verwachting in verschijnt Joachim na die esoterische bijeenkomst telkens opnieuw op de workshops. Daar en buiten de reguliere studietijd om wisselt Erik regelmatig met hem van gedachten. Hij is onder de indruk van Joachims scherpe verstand en zijn oorspronkelijke gedachtegang. De jon­gen woont nog maar kort in de stad en hij studeert sociale psychologie. Omdat de sociale faculteit in een ander gebouw is gevestigd, begrijpt Erik nu ook waarom hij hem nooit eer­der heeft gezien.

   Ze ontmoeten elkaar steeds vaker in één van de tapperijen die veelvuldig door studen­ten worden bezocht. Hier wordt het bier van hun voorkeur geschonken tegen een prijs die hen bevalt. Hier mengen ze zich in oeverloze discussies over de zin van het bestaan – ze zijn het al snel eens dat de zin het bestaan het bestaan zelf is, proost –, over het verschil tussen uitvinders en ontdekkers, over God.  

   Ze verbazen zich er allebei over dat zoveel mensen God in hun hart hebben gesloten terwijl die gedachte tegelijkertijd een onlesbare dorst opwekt, alsof er iets wezenlijks in hun redenerin­gen ontbreekt. Het is dus niet verwonderlijk dat dit onderwerp gepaard gaat met overmatig drankgebruik waardoor ze onveranderlijk het etablissement diepgelovig verlaten.

  Over het belang van uitvinders en ontdekkers voor de loop van de wereldgeschiedenis lijken ze over en weer minder eensge­zind te zijn:

   “Uitvinders zijn net alchemisten, ze roeren in een pot en vinden toevallig iets waardevols, zoals mauveïne, die beroemde paarse kleurstof. Noemen ze dat niet serendipiteit?”

   “Er zijn ook toevallige ontdekkingen gedaan, bijvoorbeeld dat ongepelde rijst beter is voor de gezondheid omdat er onmisbare vitamine in het vlies zit.”

   “Ontdekkers zijn misschien wel goede waarnemers, maar als ze wat vinden is dat niets nieuws, het was er altijd al. Neem de infusoria. Je wilt toch niet zeggen dat die vóór Van Leeuwenhoek niet bestonden?”

   “Uitvinders werken niet systematisch. Als ze al iets praktisch maken is dat wel leuk maar voor anderen nauwelijks navolgbaar. De zee-klokken van Harrison werkten, maar niemand begreep waarom.”

   “Uitvinders kunnen bestaande dingen combineren waardoor er ineens iets nieuws, iets heel anders ontstaat. Dat heet emergentie.”

   “Ontdekkingen kunnen evengoed emergent zijn. Als kind ontdekte ik dat ik een hard klak­kend geluid kon maken met mijn tong. Mijn persoonlijke code. Of noem je dat een uitvin­ding?”

   De krachteloze creativiteit van hun tweespraak wordt onderbroken door een elektronisch muziekje vanachter het gordijn naast hun tafeltje. Joachim haalt het trillende mobieltje uit de vensterbank tevoorschijn en drukt de kiestoets in:

   “Dizzes joer kepten spieking,” grapt hij terwijl hij het schuim van zijn bier hapt.

   “Pa,… ben jij dat?”

   Daarna is het stil. Het scherm is blank. Waarschijnlijk een lege batterij.

   “Je kunt een apparaat uitvinden waarmee je over de hele wereld met iedereen de grootste onbenulligheden kunt uitwisselen.”

   “Om te ontdekken dat alles alles alles stroom kost. Voor niets gaat zon op.”

   “Uitvinders zijn’ tiesten, ‘t zijn genieën; ‘ntdekkers kaartlezers, soort bloedzuigers”.

   “Ontdekkers zijn avontriers, zebben lef. ‘tvinders knutslaars, boekwurmen.”

   Het einde van het liedje is steevast onsamenhangend. Hun verschil van mening vertroebelt naarmate de oneliners meer verward raken en het geroezemoes van de overige aanwezigen luidruchtiger wordt. Ze bemoeien zich weinig met an­dere studenten en weten niet dat ze door sommigen schamper ‘kikker en pad’ worden genoem­d. Als ze daar samen zitten door te zakken.

   Bij hun studiegenoten staan ze bekend als echte bollebozen. Als na de tentamens de uitslagen in de gangen hangen, prijken de hoogste cijfers zonder mankeren achter hun naam.

   Met Joachim heeft niemand veel op, ze vinden hem een rare snijboon, bovendien doet hij tegen-over iedereen nogal uit de hoogte. Erik kon er wel mee door, maar die wilde nooit ergens aan mee-doen, is altijd op zich zelf, een echte leesbril.

   Waar­om hij zoveel met Joachim optrekt weet Erik zelf eigenlijk ook niet. Om onduidelijke redenen wordt hij door die zonderlinge jongen geobsedeerd. Verder weet hij niets van hem.

   Over hun familie hebben ze het nooit.

 

   “Hé Haas, die pa van jou, die speelt toch fluit?” Joachim kijkt hem vragend aan.

   Erik kan zich niet herinneren dat hij ooit over zijn vader heeft gesproken en is onmiddellijk op zijn hoede. Hij vermoedt dat hij in een benevelde stemming iets over zijn jeugd heeft verteld en dat hij het gewoon is vergeten. Hij weet zeker dat Joachim hem nooit iets over zijn familie gevraagd heeft en hij heeft dat omgekeerd ook nooit gedaan.  

   “Ja,… maar hoe weet jij dat?!”

   “Dat heb je me zelf verteld, man. Ik zag jouw naam, op een poster. Hij treedt op in de stad. Ga je er heen?”

   Eriks verwarring is hem niet ontgaan.

   “Ok, het gaat mij niets aan. Je hoeft niets te zeggen. Kijk maar wat je doet.”

   Erik wil inderdaad niets zeggen. Zijn vader is een privé aangelegenheid. Hij heeft de poster ook gezien, hij heeft zijn vaders afbeelding direct herkend al was diens gezicht sterker doorgroefd dan hij zich kan herinneren. Hij heeft zijn vader al jaren niet meer ontmoet en dat wil hij ook zo houden. Hij bedenkt dat het wel weer eens tijd wordt om zijn moeder op te zoeken. Met haar heeft hij nog wel contact, al is het sporadisch.

   Ondertussen blijft het hem dwarszitten dat hij zich meer heeft blootgegeven dan hij zou willen.

   Zijn vader bestond alleen voor hemzelf, althans, de herinnering aan zijn vader. Toen hij een kind was, had zijn vader alles voor hem betekend. Hij was zijn held, zijn idool, zijn gezagvoer­der. Hij hield van zijn moeder, zijn moeder was gek op zijn vader, dus hij was gek op zijn va­der. Zijn moeder was zijn paraplu, zij gaf hem geborgenheid. Zijn vader gaf iets anders, zijn vader gaf hem het gevoel dat hijzelf ook ooit zo zou zijn, een man met eigenwaarde. Zijn moeder gaf hem beschutting, en warmte. Zijn vader was zijn beschermer, zijn dirigent. Sa­men zorgden zijn ouders ervoor dat hem niets kon over-komen terwijl hij vanaf zijn behaaglij­ke wolk de hele woeste wereld kon overzien.

   Dát was het gevoel dat hij boven alles koesterde, zelfs toen zijn vader steeds langer weg­bleef en tenslotte helemaal niet meer thuis kwam. Krampachtig wilde hij de illusie vasthouden. Hij was bang dat als hij nu zijn vader zou opzoeken, tegen­over hem zou staan, met hem zou praten, dat dan dat ge-voel zou verdwijnen als lucht uit een leeglopende ballon. Zij zouden als gelijken zijn, sterker nog, hij zou zijn vader zien als de schlemiel die hij was, die zijn vrouw en kind in de steek had gelaten om een onbezorgd leven­tje te leiden.

   Tegen beter weten in wil Erik vasthouden aan de voorstelling uit zijn kinderja­ren, zijn lieveheer, zijn papa.

 

Joachim is zich bewust van Eriks schroom als het om zijn vader gaat. Hij vraagt zich af wat daarvan de reden kan zijn. In zijn ogen is Erik niet iemand die zich door de eerste de beste flierefluiter uit het veld laat slaan. Die vader van hem moest wel een bijzonder iemand zijn.

   Zijn nieuwsgierigheid dwingt hem een kaartje te kopen voor een van de optredens van Eriks vader. Om te ontdekken dat hij voor het eerst muziek hoort. Echte muziek.

   Joachim is, net zomin als Erik, een fanatiek muziekliefhebber. Hij luistert geregeld naar van alles en nog wat, maar hij heeft geen idee hoe een stuk of een nummer heet of wie het uitvoert. Sommige vindt hij wel lekkerder klinken dan andere maar kippenvel heeft het hem nooit gegeven.

   Dat gebeurt nu wel.

   Nooit eerder is hij in deze zaal geweest. Hij weet van het bestaan, het is vaak in het nieuws als er zich weer eens iets ongeregelds heeft voorgedaan. Hij heeft zich daar altijd van afzijdig gehouden. En nu staat hij er middenin. Het is er druk, maar zo dat hij niet opvalt. Er wordt gerookt, maar geen tabak. Het is donker, maar hij is niet gekomen om een boek te lezen.

   Op het podium spelen de muzikanten. Het geluid verdooft. Dan valt het licht van een spot op de fluitist in zuurstokkostuum. De overige bandleden worden door rokerige schaduwen aan het zicht onttrokken. Zodra de zuurstok de fluit bespeelt, wordt Joachim als een Hamelense rat naar hem toegezogen. Dit is pure magie. Sprookjesmuziek. Dit is … …

   Hij heeft er geen woorden voor.

   Maar sprakeloosheid beschouwd hij als de grootste vernedering die hem kan worden aangedaan. Dat iets of iemand hem het zwijgen op kan leggen, zint hem helemaal niet. Die vader van Erik mocht dan de sterren van de hemel spelen, hij, Joachim, was niet van plan zich daardoor de mond te laten snoeren.

   Die studie van hem, sociale psychologie, daar is hij eigenlijk op uitgekeken. Welke invloed mensen op elkaar uitoefenen, zie je dagelijks om je heen. Als je een beetje oplet. Hij bevindt zich op een maatschappelijke rangeerschijf en twijfelt over de juiste richting. Maar één ding weet hij zeker.

   Zo niet in ‘Science’ dan wel op ‘You tube’, gehoord zal hij worden! 

 

 

Tijdens het rituele bierklokken – in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk glazen achterover slaan – vertelt Erik over zijn voornemen om bij het Instituut te gaan solliciteren.

   Joachim is maar matig geïnteresseerd, hij heeft meer belangstelling voor de drank waar hij zich gulzig aan te buiten gaat. Een luidruchtig groepje studenten bij de bar trekt zijn aandacht.

   Erik probeer­t hem duidelijk te maken dat hij zo hoogmoedig is geweest om af te zien van bemiddeling door de universiteit en dus eigenlijk niet weet aan wie hij zijn sollicitatie moet richten.

   Joachim staart naar een jongen die verderop zit en die in toenemende mate zijn belangstelling wekt.

   Plotseling springt hij op en stormt met opgeheven bierflesje op de jongen af die ternau­wernood een doodsklap kan ontwijken. Daarbij verliest het geschrokken slachtoffer zijn evenwicht en valt op de grond. Ontdaan houden een paar stamgasten Joachim tegen voordat hij zich op hem kan werpen. Briesend hangt hij in hun armen. De jongen is weer overeind gekrabbeld en fat­soeneert zijn carnavaleske kledij.

   Erik is ondertussen ter plaatse en ontfermt zich verbijsterd over zijn vriend.

   “Wat heb jij ineens, man?!”

   Hij trekt hem mee in de richting van de uitgang voordat anderen hen tegenhouden en even later zijn ze buiten.

 

Later denkt Erik geregeld terug aan het voorval van die avond en aan zijn belevenissen van de dagen erna. Aan hun belang voor het verloop van de rest van zijn leven. Aan de coherente loop der gebeurtenissen.

   Eenmaal op straat bleek Joachim nog altijd buiten zinnen.

    “Heb je gezien wat die kalfskop aan had? Een roze pandjesjas, hij leek wel een zuurstok. De nitwit!  Z’n benen breken, onder de tram!”

   Hij had een kwade dronk maar was gelukkig wel in staat om Erik uit te leggen waar hij woonde, zodat deze hem thuis kon brengen.

   Het sombere huis waar Joachim een hele etage voor zich alleen had, stond in een afbraakwijk, was slecht onderhouden en op Joachim na onbewoond. Hij weigerde te vertellen hoe hij aan die plek was geko­men en de eufemistische stemming waarin Erik na het biergelag verkeerde, ontnam hem, Erik dus, elke aandrang om erachter te willen komen.

   Het was Erik niet ontgaan dat de etage was volgestouwd met tikkende klokken maar daarover hield hij zijn mond. Wel nam hij gretig de flesjes bier in ontvangst die Joachim hem aan­reikte. Hij was neer-geploft in een doorgezakte oorfauteuil en voelde zich volmaakt tevreden. Vaag hoorde hij Joachim scharrelen in een schemerige hoek van de kamer.

   “Ik weet wel iemand die iets met het Instituut te maken heeft. Ik zal je een filmpje laten zien.”

   Erik schrok op uit een lichte doezel. Hij had niet verwacht dat het verslag van zijn decaangesprek  was overgekomen.

   Onvast bewoog Joachim zich tussen zijn apparaten en startte een dvd. Op het scherm zag Erik een rijzige heer zelfverzekerd over een podium wandelen terwijl hij een volle zaal jonge mensen toesprak. Eriks eerste indruk was die van een oecumenische bijeenkomst van gelovi­ge jongeren en vroeg zich al af wat Joachim nu weer voor hem in petto had. Maar het bleek anders te zijn dan hij verwachtte. In plaats van de zaal een hart onder de riem te steken ter ondersteuning van hun eigen superieure ge­lijk, stelde de man de aanwezigen zowaar voor een dilemma:

   “Niet iedereen kan dagelijks over het lot van zijn medemens beschikken … maar in het weg­verkeer zijn we allemaal potentiële moordenaars. Stel jezelf voor … achter het stuurwiel van een auto … op een drukke provinciale weg. Je hebt een flinke snelheid … en dan kom je tot de ontdekking dat je remmen niet werken. Er is een kromming in de weg en je ziet ineens een groot aantal mensen op straat, kennelijk een demonstratie. Aan weerszijde van de weg rijden nogal wat fietsers. Wat doe je? Als je doorrijdt weet je dat er heel veel slachtoffers zullen val­len, als je een slinger aan het stuur geeft zal je een aantal fietsers vermorzelen … maar dat zullen er wellicht minder zijn. Wie?”**

   De reacties vanuit de zaal lieten er geen twijfel over bestaan dat het verwachte aantal slachtoffers bepalend was voor de morele beslissing. De meerderheid vond het opofferen van een enkele fietser minder erg dan het maken van een groter aantal slachtoffers onder de demonstranten. Daar had de spreker kennelijk op gerekend want hij vervolgde:

   “Nu zit je niet achter het stuur maar je staat langs de weg en je ziet de auto aankomen. Je weet dat de remmen niet werken, bijvoorbeeld door de heftige gebaren die de bestuurder maakt. Je hebt een pistool bij je … je bent een uitstekend schutter … je kunt de bestuurder met een gericht schot uitschakelen. Je staat vóór de kromming in de weg … waar geen fietsers zijn … al­leen jij en de automobilist. Schiet je hem dood en red je daarmee het leven van anderen?”**

   Nu was de zaal heel wat minder eensgezind. Het opofferen van één leven om daarmee een groter aantal levens te sparen gold misschien niet altijd als de minst verwerpelijke keuze.

   Erik dommelde weg. Het gedempte tikken van de klokken had een hypnotiserend effect en terwijl op het scherm de zaal discussieerde over morele kwesties, vroeg hij zich af waarom een auto­mobilist die merkt dat zijn remmen niet werken, niet zichzelf tegen de eerste de beste boom te pletter rijdt. Om erger te voorkomen. Kennelijk wil hij die eigen verantwoordelijkheid helemaal niet dragen. Kennelijk gelooft hij heimelijk in een won­der.

   Plotseling werd hij uit zijn wazige overpeinzing gewekt door een onverwacht tumult. Klaarblijkelijk had Joachim zijn klokken zodanig afgestemd dat ze op dit moment allemaal tegelijk in een kakafonie van bellen, carillonnetjes en gongs losbarstten. Met opengesperde ogen zag hij zijn gastheer triomfantelijk gebaren naar het venster waar het eerste ochtendlicht naar binnen sijpelde.

   “Voor alle zekerheid laat ik mij ’s ochtends wekken als het licht wordt. Mijn klokken lopen trouwens niet allemaal gelijk, zoals ze dat noemen.” Het was duidelijk dat Joachim iets op zijn lever had dus spande Erik zich in om een attente indruk te maken.

   “Sommige klokken lopen voor, andere achter. Niemand kan met zekerheid zeggen welke goed loopt. We nemen klakkeloos aan dat de tijd een constante snelheid heeft, maar hoe weten we dat eigenlijk? Misschien gaat de tijd soms veel sneller dan anders.”

   Erik moest toegeven dat hij de dagenraad nog niet verwacht had en omdat Joachim een doorwaakte nacht achter de rug had, trok hij de conclusie dat zijn vriend uit zijn nek kletste.

   “Je zei gisteren dat je iemand van het Instituut kende?”

   “Ik zei dat ik van iemand wist die aan dat Instituut verbonden was. Ik heb die man nog nooit ontmoet, maar het staat op de bijsluiter van de dvd. Ik zal je een emailadres geven.”

   Hij overhandigde Erik een briefje met het adres waar hij de spreker uit het filmpje kon bereiken.

   Het bleek het adres te zijn van een vermaarde universiteit in Noord Amerika.

 

Het Instituut is wel gecharmeerd van Eriks initiatief. Ze hebben hem ongetwijfeld nagetrokken om er zeker van te zijn dat hij een potentiële kandidaat is. Kortom, hij krijgt een uitnodiging voor een nader gesprek. Tot zijn verbazing hoeft hij niet ver te reizen: voor het gesprek dient hij zich te vervoegen bij de faculteitsdecaan. Verdomme!

   Maar hij kan de ironie wel waarderen en hij is niet van plan iets van zijn initiatief te laten merken.

   Laat dat decaantje maar denken dat hij hún was opgevallen.

   Het gesprek duurt maar even, de decaan is kort van stof, kennelijk heeft zij net zo weinig behoefte aan conversatie met Erik als omgekeerd. Het aanbod van het Instituut is vaag maar krachtig: hij moet een scriptie schrijven die, mits inhoudelijk voldoende interessant, door de universiteit gewaardeerd wordt als een stageplek. Wie de inhoud gaat beoordelen en wat onder interessant wordt verstaan, blijft onduidelijk. Het onderwerp van de scriptie is “de tijd”.

   Christus! De vaagste opdracht die hij ooit gehad heeft, ging over het lastigste onderwerp dat hij kende.

   Tegenover de decaan doet Erik alsof hij van te voren al wist wat er van hem verwacht werd. Hij graait alle formulieren bij elkaar en vertrekt.

 

In het schemerdonker van zijn studeervertrek is Joachim verdiept in ‘De Relatie tussen Religie en Drugs’ – dit moet Pad lezen; hij heeft daar wat mee – als een dreigend gebonk op de voordeur hem uit zijn wetenschappelijke lectuur doet opschrikken.

“Dit pand moet onmiddellijk worden ontruimd. Je hebt tot morgen.”

   De gemeenteambtenaar mist de academische uitstraling die uitnodigt tot discussie.

   Joachim weet wat hem te doen staat, al staat het hem tegen. Hij zal halsoverkop vertrekken, met de noorderzon, zogezegd.

   Studeren is één ding, overleven is uiteindelijk waar het in het leven echt om draait. Hij kan aardig schrijven, heeft al eens het voorrecht genoten dat een stukje van zijn hand werd gepubliceerd. Het levert niet veel op, maar als hij zich er meer op gaat toeleggen…

   Er is in dit godvergeten seculiere land grote behoefte aan spirituele leiding.

   Eigenlijk heeft hij al eerder een keus gemaakt, had alleen een zetje nodig. Hij glimlacht bij de gedachte dat het een woordvoerder van het sloperswezen was die hem zijn nieuwe toekomst heeft gewezen. Het sterkt zijn vertrouwen in een succesvolle revolutie.  

 

 

De tijd! Er zijn heel wat uitdrukkingen met de tijd, die hebben meestal betrekking op dagelijkse beslommeringen en boerenwijsheden. In de natuurkunde is de tijd een variabele waartegen je  van alles kunt afzetten. Theoretisch bestaat er positieve en negatieve tijd en astrofysici proberen al jaren te bewijzen dat de tijd maar één kant opgaat, de pijl van de tijd.

   Aan het tafeltje in de kroeg waar hij de vorige avond tevergeefs op Joachim heeft zitten wachten, krabbelt Erik wat ideetjes over het fenomeen ‘tijd’ die op dat moment bij hem opkomen.

   In de Joodse, Christelijke en Islamitische culturen wordt de tijd gezien als iets dat buiten onszelf ligt. Zoiets als die eindeloze spoorlijn door de Grote Zandwoestijn in Australië met onszelf in de wagon van het heden, ha, ha. Achter ons het verleden en vóór ons de toekomst. Of is een carrousel een betere metafoor, met die voortdurende herhaling van hetzelfde beeld. Was het niet Parmenides die zei dat elke verandering slechts schijn is? Déjà vu tot in de eeuwigheid?

   Hij had hier met Joachim afgesproken. Vervelend dat zijn maat niet was komen opdagen, diens pre-occupatie met tijd zou nu goed van pas komen. Tijdens een van de workshops over niet-Westerse filosofie hadden ze ook over ‘tijd’ gesproken. Ging het toen niet over yoga-oefeningen?

   Tijd is een deel van ons bewustzijn. Het bestaat alleen vanbinnen. Heden, verleden en toekomst vallen samen in jezelf. Door diepe concentratie worden ze één punt. Innerlijke rust.

   Die rare ideeën van Joachim waren misschien ook niet zo gek. Bedoelde het Instituut dat wellicht met ‘interessant’?

   Nu hij weet waar Joachim woont, zou hij kunnen gaan kijken wat er aan de hand is.

   Als je erbij stilstaat is ons tijdsbeeld nogal vastgebakken. Wat zou mijn autistische makker nog voor denkbeelden hebben over de tijd?

   Aangekomen bij het huis waar hij onlangs de nacht had doorgebracht, wordt hem de toegang ver-sperd door een bouwvakker.

   “Hier woont niemand meer. Dit huis wordt gesloopt.”

   Van Joachim is geen spoor.  

  

Ontdaan keert Erik terug naar zijn vertrouwde kroeg en klimt op een lege kruk aan de bar. De verdwijning van Joachim bevreemdt hem maar wat hem nog meer bezighoudt zijn, godbetert, Joachims ideeën over de tijd.

   Had hij met die verschillen in snelheid niet verwezen naar subjectieve tijd? Het is algemeen bekend dat bejaarden de tijd anders beleven dan kinderen. Dat zou ook wel eens zo kunnen zijn bij insecten die één seizoen meegaan en zeeslakken die honderden jaren oud worden. Psychologische tijd. Naast de natuurkundige en spirituele versies is dit wellicht ook een invalshoek voor mijn scriptie.

   “Jij bent toch pad? Ben je alleen?”

   “Hazepad”, corrigeert hij, “Erik”. Chagrijnig kijkt hij in de richting van haar stemgeluid. De vrouw komt hem vaag bekend voor, maar hier, in deze omgeving, bij dit licht, schijnt hij haar voor het eerst te zien. Hij ziet een glas water in haar hand, verwerpt de opwelling dat het ook iets anders kan zijn. Ze is echt een stoot (het etiket dat hij reserveert voor mooie meiden met wulpse vormen waar je meteen je tanden in zou willen zetten). Maar de weemoedige oogopslag waarmee ze zijn blik beantwoordt, is van een geheel andere aard en wat hij ziet doet al zijn besef van tijd voor een ogenblik verdampen.

   Zo kan het dus ook zijn!

   Zo verdiept was hij in het probleem van de tijd dat hij het nog niet onmiddellijk kan loslaten.

   De tijd als stootkussen.

   Hij prakkiseert over de tijd terwijl hij tegelijkertijd door een tijdloos verlangen wordt overmand.

   De eeuwigheid lijkt wel een soort beschermend schuim om te voorkomen dat breekbare momenten als deze worden verpulverd door de troosteloze tredmolen van de tijd.

   In zijn verwarring is hij geheel ten prooi aan quasi diepzinnigheden.

   Logistieke tijd, of zoiets.

   “Mandy”, zegt ze bij wijze van begroeting en steekt haar hand uit. De hand met het glas. Bij wijze van toost.

   “Ik geil op slimme jongens.”

   Hij weet niet of ze hem iets wil geven of juist iets van hem verlangt, maar in beide gevallen schiet hij tekort. Hij is volkomen in de war, kan haar alleen maar aanstaren, voelt zich gehypnotiseerd.

   “Weet je”, hoort hij zichzelf zeggen, “als ik met jou begin, zal het nooit meer ophouden”.

   Ze kijkt hem vorsend aan.

   “Ok. Dan zal ik je nu kussen, pad.”

   Ze bekt hem vol op de mond. Hoewel hij zeker weet dat ze hem in de maling neemt, zoent hij haar heftig terug. Toch vermoedt hij nog tijdens hun omhelzing dat er geen sprake is van een studentikoze grap maar van een serieus verlangen naar samenzijn. Vooral van haar kant.

   Met meisjes heeft hij zich nooit zo ingelaten omdat hij overtuigd is van zijn eigen saaiheid. Maar verlangens heeft hij altijd wel gehad. En de vrouw in zijn armen beweert wel degelijk voor 'saaie' studiebollen te vallen.

   Die avond in haar knusse meisjeskamer.

   Ze neuken tot de slaap hen overvalt.

   Hij droomt dat alles water is. De wereld is van water, hij ademt water, hij ís water.

   Warm en nat wordt hij wakker, verstrengeld in de armen van Mandy. Ze hebben elkaar niet losgelaten.

   Het kwikzilver van de euforie druipt tussen de kieren van zijn bewustzijn en sluit kort wat hij aanvankelijk onoverbrugbaar achtte. Nieuwe uitzichten ontluiken, hij kan het bespiegelen niet laten.

   Laat me je wat vragen. Is tijd net zoiets als muziek? Ik bedoel, als er niemand is om het te horen, kan er dan toch muziek bestaan? En als er niets meer is, is er dan toch nog tijd.? Oh, je bedoelt dat tijd niet zou bestaan vóór de oerknal. Dat is natuurlijk larie… Voor wie zich verplaatst met de snelheid van het licht staat de tijd stil. Dan is er dus geen tijd. Als er geen tijd is, ga je met de absolute snelheid…

Er was alleen sprake van een hele andere tijd… Het ziet er naar uit dat je er niet helemaal bij bent. Orden je gedachten. Bepaal je strategie. Zeg mij wat je wilt…

   Met een schok komt hij tot zichzelf. Hij ligt in een bed dat hij niet kent, in een onbekende kamer. Naast hem ligt een jonge vrouw, vredig opgerold in onbezorgde rust. Ze snurkt zachtjes.

   En alles valt op zijn plaats. Geluk. Tijdloos. Dat was het dus.

   Ooit zou hij ontdekken dat hij meer om haar geeft dan hij kon bevroeden.

 

Enkele gevolgen van het San Lorenzo Megaport Project.

 

Vrij een naar inleidend college over moraliteit en politieke filosofie door professor M.J. Sandel van Harvard University, Cambridge (Mass), USA.