"Zouden we God zelf moeten zijn!"

                                                                                                                                           E.A.Poe, Eureka,1848

 

 

 

 

VOORSPEL                                                                                     

 

 

 

Het was tien uur in de ochtend. Op een doordeweekse dag. Overal in Nederland.

   De peilloze diepte van de hemel was afgedekt met een grillig aquarel in paarstinten. Sommige rossige flarden dreven frivool voorlangs purperen klodders droefgeestigheid met een zilverig randje hoop. Hollandse luchten! (bewonderaars van Van Ruisdael kunnen zich zóoo aanstellen). Een paar bescheiden streepjes azuur en cyaan toonden het ware mysterie. Af en toe sijpelde een straaltje zonneschijn door het grauw, verder bewoog er niets, er was geen wind en als er al vliegmachines overvlogen, dan was dit ver voorbij de wolken: de tuigen waren niet te zien of te horen.

   Om 10.08 kon iedereen die omhoog keek een groeiende zwarte vlek ontwaren. Het was alsof een fladderende lap met grote snelheid naar beneden viel.

   Sommige ooggetuigen verklaarden later dat het leek op een reusachtige jurk, anderen hielden het op het habijt van een priester. Eén toeschouwer beweerde dat het een enorme pannenkoek was geweest. Zelfgenoegzaam had zij de interviewer gewezen op de littekens in haar gelaat: stille getuigen van de opgeworpen flens die precies op haar omhoog gerichte gezichtje was terechtgekomen toen haar broer de neervallende lekkernij had gemist.

   Merkwaardigerwijs werd het verschijnsel overal op dezelfde wijze beschreven: hoog aan de hemel was de vlek verschenen, snel groter geworden en daarna, vrij plotseling, weer verdwenen. Terwijl niemand meer dan één lap uit de hemel had zien neerkomen!

   Op een doordeweekse dag. Overal in Nederland.

   Mogelijk was hier sprake van een nog niet eerder waargenomen emergent verschijnsel.

 

 

 

In zijn psychisch afgesloten omhulling volgde Sarimanok de gebeurtenissen op zijn monitor. Hij zag in, dat het waargenomen verschijnsel onbegrijpelijk was en dat het daarom wel weer snel in de vergetelheid zou raken. Alleen hij kende het geheim van de inktvlek en hij besloot dan ook om zich nooit meer te bezondigen aan een analoge aantekening in een digitale wereld. Het zou licht verkeerd begrepen worden en men zou er een veel grotere betekenis aan toekennen dan ooit de bedoeling was geweest. Als er al een bedoeling was geweest. Het was niets anders dan een slordigheidje. Hij had een beetje geknoeid.

   In zijn kantoor, ook wel  'de bunker' genoemd, had Sarimanok, in sommige kringen beter bekend als frater Sarim of de Witte Monnik, de middelen om de wereld naar zijn hand te zetten. Eén berichtje via de sociale media, één sms-je of telefoontje en het verloop van de gebeurtenissen volgde een geheel nieuw patroon. Maar hij had niet de intentie zijn macht te misbruiken. Integendeel, hij wilde andere mensen juist helpen op hun zoektocht naar antwoorden. Daarom had hij een onderzoeksbureau opgericht, Sarimanoks Emergente Detective Bureau. 

   De opdracht die hem al een tijdje bezighield betrof de opsporing van een mysterieuze meid, een avontuurlijke jonge dame, volgens sommigen een onverantwoordelijk provinciaaltje. Op een ouderwets schrijfblok had hij een overzicht geschreven van alles en iedereen die direct dan wel indirect bij de verdwijning betrokken leek. Een zogenaamd emergent overzicht. En daarbij was een druppel inkt uit zijn vulpen tussen de microchips van het bestaan geraakt. Onvergeeflijk en per abuis. Het zou niet weer gebeuren.   

De Sarimanok is een mythologische vogel met een geschenk uit één van de talloos veel miljarden parallelle universa. In afbeeldingen van de Sarimanok is dat geschenk niet zelden een vis, een waterdier, waarmee de universele verbondenheid met, onze voorspoed door en afhankelijkheid van het water symbool staat.

   De persoon Sarimanok schaamt zich een beetje voor zijn prestigieuze naam. Hij mag dan in staat zijn zich als een gedachte los van fysische wetmatigheden door tijd en ruimte te kunnen bewegen, toch doet hij zich liever voor als een soeverein geestelijke met een bescheiden lied. Sommigen kennen hem als frater Sarim of de Witte Monnik, anderen menen dat hij de virtuele tweelingbroer is van Hasan Pacha, de Indiase geleerde die na opwindende geruchten over een door hem ontwikkelde tijdmachine van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen.

 

 

 


 

 

Terwijl hij op de glibberige helling zijn best deed om niet uit te glijden, besefte de dromer dat hij verdwaald was. Tot zijn enkels zakte hij weg in de drassige vegetatie. In de wirwar van de neerhangende hechtwortels kon hij zich redelijk staande houden. De talrijke epifyten waarmee de lianen waren overdekt deden hem vaag denken aan iemand die hij ooit gekend had. Of nog moest ontmoeten, dat kon hij niet zeggen. De tropische hitte en een lichte paniek belemmerden hem om helder te denken.

    Waar waren de anderen? Hij was omhoog geklauterd dus zouden zij nog wel ergens daar beneden zijn. Schuifelend liet hij zich langs de steilte zakken, omzichtig steun zoekend bij de dikke kruipstengels en gezwollen mosbulten.

   Helaas, de omgeving werkte niet mee. Het houtige uitsteeksel van de stam waaraan hij zich had vastgegrepen, bleek zodanig verrot dat het onder zijn gewicht afbrak. Hij verloor zijn evenwicht, viel struikelend omlaag en kleunde met zijn gezicht tegen een stam die hij niet meer kon ontwijken. Hij viel op zijn rug en voelde een stekende pijn in zijn hoofd. Hoog boven zich zag hij de zonnestralen schitteren door het dak van het tropisch regenwoud. Zag hij de vogel!

   Kennelijk geprikkeld door het geluid op de grond zweefde het dier met gespreide vleugels naar omlaag. Met samengeknepen ogen tegen het felle licht zag de gevallen woudloper de rossige omtrekken van de papegaai snel naderbij komen. Een donkerpaarse wade vulde zijn blikveld. De krassende schreeuw klonk: "Theodoor ! Theodoor!"

   Hij werd wakker en hoorde nog steeds zijn naam roepen.

 

 

 

 


 

 

 

Met verholen trots opende Charles Flint zijn bebloede hand om Margarita het beeldje te tonen.

   "Het is gehamerd goud. Waarschijnlijk maakte het deel uit van de verdwenen schatten van Atahualpa. De Canadees van wie ik dit voor een habbekrats gekocht heb, beweerde er nog veel meer te hebben."

   Margarita streelde het kleinood met haar lippen. Daarbij beroerde ze, quasi onopzettelijk, ook de handpalm van Charles met haar mond.

   "Is het een godin? Het proeft als een godin."

   Charles, niet achterlijk, begreep waar ze heen wilde. Met haar charmante oogopslag en intelligente ideeën had hij haar vanaf het begin aantrekkelijk gevonden. Bij Grace & Co. had hij voldoende vrijheid om zijn eigen plan te trekken. Hij kon wel een tijdje wegblijven.

   "Het is voor jou."

   Hij wilde dat ze het beeldje zou aanpakken maar besefte dat dat niet ging. Ook nu ze in het zachte gras lagen, verborg ze haar handen in de mof. Hij wist dat ze zich schaamde voor hun verminking en het maakte dat hij zich buitengesloten voelde.

   Margarita merkte zijn aarzeling. Ze vond die schuchtere Amerikaan best aantrekkelijk en bovendien paste hij naadloos in haar plannen. Ze begreep dat hij een aanmoediging nodig had.

   "Kom maar," fluisterde ze met half geopende mond.

   Tussen haar wimpers door zag ze het silhouet van Charles' hoofd, met het aura rondom zijn volle haardos en modieuze ringbaard, naderbij komen. Ze sloot haar ogen en kuste zijn mond. Ze trok haar klauwtjes uit de mof en omhelsde hem.

    Ze had hem precies waar ze hem wilde hebben.

 

 

 

 


 

 

 

Ontsteld hadden de kardinalen elkaar aangekeken. Terwijl ze rond het sterfbed van de zieke kerkleider neerknielden, had deze plotseling uitgeschreeuwd dat ze hem in stukken moesten hakken en aan de zwerfhonden voeren. Dan was zijn lichaam nog ergens goed voor, zijn ziel konden ze toch niet krijgen!

   Giovanni had zich over hem heen gebogen. Half om te horen of er nog meer kwam, half om te zien hoe Silvester er aan toe was. Toen hij in de opengesperde ogen keek, zag hij de doodsgrijns verstrakken. Hij vroeg zich af met welk beeld voor ogen de vertegenwoordiger van God op aarde het tijdelijke had ingeruild voor het eeuwige.

   Na het verscheiden van Silvester II volgde Giovanni hem op als paus Johannes XVII.

 

 

 

 


 

 

 

Erik Hazepad zit voorovergebogen aan zijn bureau in de ruime kamer die hij deelt met een aantal andere medewerkers van L Instituto. Vandaag hebben ze met elkaar afgesproken dat dingen, universalia, niet langer bepaald mogen zijn. Ze mogen wel aanwijsbaar zijn. Het gaat te ver als iets niet meer geduid kan worden. Maar de werkelijkheid bestaat niet, hooguit een werkelijkheid.

   Op L Instituto worden alledaagse en mysterieuze fenomenen uit de hele wereld verzameld, onder de loep genomen, op waarde geschat en gerubriceerd. Met behulp van geavanceerde technologieën wordt de onophoudelijke instroom van nieuwe kennis ingezet om de ultieme dromen van Homo sapiens te verwezenlijken. Iedereen is vrij om daaraan bij te dragen.

   Erik is het soort geleerde dat controleert wat andere geleerden hebben ontdekt. Soms merkt hij dat zijn collega's kletskoek verkopen, stukjes overschrijven of zelf een verhaaltje verzinnen. Het meeste werk dat hij onder ogen krijgt, is gelukkig niet frauduleus, al is het (?) zelden goed geschreven en al helemaal niet eclatant.

   Momenteel is hij verdiept in een dissertatie die hij moet beoordelen. Het proefschrift handelt over het vermogen van sommige dieren om verschillende polarisatierichtingen van zonlicht te onderscheiden. Daarmee kunnen ze dingen zien die voor andere dieren onzichtbaar blijven. De promovendus betoogt dat die eigenschap een aanzienlijk evolutionair voordeel oplevert waaruit hij concludeert dat alle huidige diersoorten dit vermogen wel min of meer moeten bezitten. Anders waren ze wel weg-geselecteerd en uitgestorven. Experimenteel onderzoek wordt echter belemmerd door het onvermogen van de wetenschappers om zelf onzichtbare dingen te kunnen zien.

   Juist als Erik een aantekening wil maken – hij is lid van de promotiecommissie en hij vermoedt een jeugdige onbezonnenheid in het betoog; was Homo sapiens niet eveneens het resultaat van evolutie? – wordt hij overvallen door een visioen.

   Ha, een visioen.

   Sinds lange tijd heeft hij zo'n gewaarwording niet meer beleefd. Met gemengde gevoelens denkt hij terug aan die gratis bioscoopvoorstellingen waarvoor hij onverwacht kon worden uitgenodigd door een verborgen illusionist. Hij herinnert zich een tafereel waarin hij in een blauwe ballon zit, hangend tegen het plafond van de receptiezaal waar zijn eigen heengaan werd herdacht. Maar de meeste droombeelden hadden, minder verontrustend, betrekking gehad op schaars geklede vrouwen met rubensiaanse rondingen en een zaadvragende oogopslag. Sommige fantomen zijn van vlees en bloed.

   Dít visioen is echter van een geheel andere aard. Hij ziet tegen een lichte achtergrond een zwarte stip onregelmatig uitdijen. Langs de rand bewegen uitstulpingen en lusvormige filamenten die het beeld een wispelturig aanzien geven.

   Een inktvlek.

   Deze ogenschijnlijke Rorschachtest verandert echter voortdurend van vorm en is doorgaans asymmetrisch. Naarmate hij groter wordt, krijgt hij een strakkere vorm en uiteindelijk blijft er een donkere schijf over met rondom een zilveren ring, als bij een totale zonsverduistering of aan de buitenkant van een enorme draaikolk. Uiteindelijk valt de sfeer in talloze gruzelementen uiteen die elk in kortstondige wervelingen lijken op te lossen in het niets. Het beeld is verdwenen.

   Beduusd staart Erik voor zich uit.

   Heeft deze hersenschim een betekenis of ben ik gewoon moe?

   Hij trekt zijn mouw omhoog en ziet dat hij vergeten is zijn horloge om te doen. Een blik op de elektrische wandklok herinnert hem eraan dat deze al geruime tijd stilstaat.

   Ik moet nodig de batterij vernieuwen.

   Hij is alleen. Door het venster ziet hij dat het (!) donker begint te worden, het verkeer neemt toe, meer mensen hebben besloten dat ´t de hoogste tijd is.

   Mijn biologische klok bedriegt mij nooit. Ik heb trek. Ik ga naar huis.

   Terwijl hij zijn jas aantrekt, verbaast hij zich over zijn vastberadenheid. Nog een laatste blik door het raam en hij verlaat zijn kamer.

   Morgen is er weer een dag.

   Onderweg naar de lift realiseert hij zich dat hij die ochtend hetzelfde voornemen had gehad als nu, maar toen op zijn schreden was teruggekeerd.

 

 

 


 

 

In 1582 werd de Gregoriaanse kalender in katholiek Europa ingevoerd. In het protestante Noord-Nederland, waar tot de 18e eeuw de Juliaanse kalender werd gehanteerd, begon de lente in de 17e eeuw 11 dagen later dan in het zuiden. In Rusland en Griekenland zou het verschil in data zelfs tot in de 20e eeuw duren. Voor de 'duidelijkheid' werden daarom twee kalenders gebruikt.

   Aan boord van schepen werd het tijdstip van de dag berekend met zandlopers (glazen) van een half uur, om dan te worden omgedraaid. Met behulp van de scheepsbel hielden de verantwoordelijke stuurlui het aantal glazen bij: voor halve uren een oneven aantal slagen en voor hele uren een even aantal slagen. En dat steeds gedurende de 'wacht' van 4 uur. Te beginnen tijdens de eerste wacht (20.00-00.00 uur) om half negen 's avonds (één slag; om negen uur twee slagen …  acht slagen om middernacht). Vervolgens weer één slag om half één tot acht slagen om vier uur (hondenwacht) en idem dito tijdens alle daarop volgende wachten (dagwacht, voormiddag- en achtermiddagwacht en platvoetwacht).

   Om de wacht te bekorten, keerden de zeelui soms de glazen te vroeg om (het zogenaamde zandeten) waardoor grote tijdsverschillen konden ontstaan.*

 

 

 

 


 

 

 

In de ommuurde tuin van het statige huis aan het Plein in 's Gravenhage kwamen de kinderen het souterrain uitgestormd. De kleinste, het meisje, was het eerst bij de schommel en klom er meteen op. De jongen (had hij haar opzettelijk laten winnen?) bracht de schommel in beweging door met regelmatige stoten tegen haar rug te duwen. Hij vond het niet erg dat zij had gewonnen, hij genoot er juist van om zijn jongere zusje in de staat van opwinding te brengen die zijn bijdrage aan haar schommelen teweegbracht.

   "Hoger, Chris," schaterde ze. Haar manteltje wapperde om haar lijfje.

   Christiaan  concentreerde zich om op het juiste moment te duwen zodat de schommelbeweging gelijkmatig toenam. Maar hij wilde niet dat ze te hoog ging, als ze zou vallen zou hij de schuld krijgen. Het viel hem op dat een bepaalde afzet ervoor zorgde dat de uitslag ongeveer hetzelfde bleef. Dit hield hem zo bezig dat hij niet goed uitkeek en struikelde. Geknield op het gras zag Christiaan zijn flapperende zusje op zich af suizen totdat de schommel tegen zijn hoofdje knalde en alles zwart werd.

   De tuinman was bezig met het snoeien van struikgewas toen het kindergelach verstomde. Opgeschrokken door een angstig gilletje kwam hij toegesneld en ontfermde zich over de jongen. Zus had zich gelukkig aan de schommel kunnen vasthouden en Christiaan was maar enkele minuten buiten westen geweest.

   Het hallucinerende beeld van de neerdalende schommel als een dreigende slingerbeweging bleef hem zijn leven lang in koortsdromen achtervolgen.

 

 

 


 

 

Ook beroemdheden wier namen zijn komen bovendrijven om als een olievlek uit te dijen over de oceaan van voortkolkende generaties hebben jeugdige avonturen beleefd en (voor)ouders gehad zonder welke ze nooit zouden hebben bestaan. Hun expansiedrift, ter land of ter zee, heeft hen zowel roem als vijandschap verschaft.

   Het zou op zijn plaats zijn om hier iets te zeggen over de avonturiers die de ontberingen van de wereldzeeën weerstonden en de aarde in kaart brachten. Die een begin maakten met het spannen van een netwerk van intermenselijke activiteiten dat onze planeet thans omvat. Maar dat gebeurt niet. Hier wordt niet nader ingegaan op de koopman uit Genua die op 30 mei 1474 half-verdronken aanspoelde op het strand van Sardinië, de ogen opsloeg en constateerde dat de zon was zwart geworden. Hij zag daarin een knipoog van Maria om vooral de moed niet op te geven: zij stond achter hem!**

 

 

 


 

 

Tijdens het feestje dat werd gegeven om de langverwachte toekenning van zijn octrooi op de elektrische klok te vieren, had Alexander wellicht wat teveel whisky gedronken. Nadat hij zich in de luwte van de garderobe had teruggetrokken, was hij gestruikeld. In zijn val had hij zich vastgegrepen aan de eerste de beste jas die aan de kapstok hing. Laat dat nou net de toga van professor Wheatstone zijn geweest, de man die hij het meest haatte. Hij zag het zwarte kledingstuk als een vampier over zich neerdalen en vol afschuw sloeg hij de hoogleraarsmantel van zich af.

   Op slag was hij nuchter.

   Terwijl hij zich voor de spiegel enigszins fatsoeneerde, ontdekte hij twee bloeduitstortingen in zijn hals. Zijn wantrouwen was definitief gewekt.

 

 

 


 

 

 

In de duisternis van de catacomben onder het warenhuis in Visakhapatnam had Hasan Pacha een heel andere droom. Hij hield zich hier al geruime tijd schuil voor de 'Beulen van Bashid', de potenrammers die hem zo gruwelijk te grazen hadden genomen. Ze waren hem misschien al weer vergeten maar hij nam liever geen enkel risico.

   De koele ruimtes onder het warenhuis werden gebruikt voor de opslag van proviand zodat het hem aan leeftocht niet had ontbroken. Toegegeven, voorafgaand aan zijn visioen had hij van verschillende kruiden geproefd en de fungus-achtige smaak van één van de waren was hem goed bevallen. Plotseling had hij in het duister een witte stip ontwaard die snel groter werd. Hij zag een magistralende Ganesha met uitgespreide poten en gestrekte slurf op zich afkomen en verstijfd van schrik en fascinatie had hij naar de witte schittering gestaard die de hele ruimte in een zee van verblindend licht dompelde.

   En toen was het weg.

   Even dacht hij nog dat hij met echte blindheid was geslagen maar dan werd hij vervuld met een optimistisch gevoel van onkwetsbaarheid en besloot hij de uitgang te zoeken om de wereld te gaan veroveren.

 

 


 

 

 

De levende legende lag uitgestrekt op zijn sterfbed.

   Over enkele ogenblikken zou hij veranderen in een echte legende. Zijn maatschappelijke status en zijn welbespraakte en invloedrijke bewonderaars hadden al tijdens zijn leven afgedwongen dat de natuurvorser tot in lengte der dagen zou worden herinnerd als een genie. Terwijl zijn geniale tijdgenoten in vergetelheid zouden raken.

   Het naderende levenseinde wekte zijn nimmer aflatende twijfel: was er licht aan het einde van de tunnel? Ook hij kende de religieuze beloftes van een zonovergoten paradijs, de getuigenissen van schijndoden over een goddelijk licht, de overtuiging van miljoenen in een stralend hiernamaals.

   Hij had daar nooit in geloofd. Maar zeker weten kon hij pas als het er niet meer toe deed.

   Steeds dieper zakte hij weg in een roes van berusting. Lichamelijk voelde hij zich verdoofd, een beetje benauwd, maar echt pijn deed het niet. De donkere deken omwikkelde hem als vanzelf. Zoals het spinsel de rups omwikkelt ter voorbereiding op de wedergeboorte en het werkelijke sterven wordt opgeschort.

   Van uitstel was nu geen sprake meer.

   In het voorjaar van 1882 stierf de wormenspecialist  in zijn huis in Downe. De uitgespreide vleugels van de zwarte sfinx ontnamen hem het ware gezicht van de dood.  

 

 

 


 

 

 

Tevergeefs probeert Mandy haar huisgenoot te bereiken. In de scheepsromp is haar bereik nihil en berustend vleit ze zich neer op de comfortabele behandeltafel. Ze heeft Annelies beloofd dat ze dit semester op tijd terug zou zijn maar opnieuw heeft ze gekozen voor het avontuur boven de historische wetenschappen. Dit keer is ze als assistente van een hunkerende scheepsarts op weg naar de Cariben. Hij laat zich JéBé noemen en zegt een geheime opdracht te hebben in de Cariben. Iets over de antecedenten van een zekere Bolt. Dope?

Ze werpt het telefoontje op het tafeltje als haar adonis de cabine binnenkomt en in vol ornaat op het bed afstormt.Vertederd grijpt ze hem beet trekt hem naar zich toe. Ze ziet zich langzaam bedolven onder zijn donkere uniform.

 

 

 


 

 

 

Voor zijn huisje in Worchester tuurt de oude heer Facio kort na zonsondergang door een gat tussen de wolken naar een vale gloed aan de hemel. Weemoedig denkt hij terug aan de eerste keer dat hij door de kijker van het Parijse observatorium de planeet Saturnus in het vizier kreeg en het maantje zag waarop hij Vadertje Christiaan later zou attenderen. 'Als die papen me niet zo … , maar ja, als … Als de hemel valt hebben we allemaal een zwarte puntmuts met sterren en sikkels ...' Misnoegd ziet hij zichzelf als oude tovenaar zonder staf.

   Die hebben die kut-katholieken al lang geleden van me afgepakt.

   Zijn torenhoge ambities heeft hij niet waar kunnen maken. Met een laatste blik op het intussen dichtgetrokken wolkendek ziet hij de duisternis als een lijkwade over zich neerdalen.

 

 

 


 

 

De bomkrater was groot genoeg om de zeven lichamen aan het gezicht van de omgeving te onttrekken. De afgelopen minuten, het leken wel uren, had Georges een paar keer zijn gezicht uit de modder opgeheven en voorzichtig rondgekeken. De anderen lagen onbewogen in de neer gutsende regen. Zijn gasmasker was verbrijzeld. Een gasmasker was van levensbelang. Hij besloot naar het dichtstbijzijnde lijk te kruipen voor een ander masker. De schemering was ingevallen. Tijgerend door het slijk merkte hij dat het onderlichaam naast hem hoorde bij het hoofd waar hij naar op weg was. Het masker zat er nog op. Het leek intact.

   Hij lag op zijn rug en staarde door de venstertjes naar de neerkletterende druppels. Te midden daarvan was er één die er anders uitzag dan de rest. Donkerder, dreigender, hij leek bijna stil te hangen, werd slechts heel langzaam groter, en groter en groter … en sneller en sneller, totdat…

 

 

 

 


 

De Toekomst? De toekomst is ongewis. In dit voorspel blijft dat wat uiteindelijk komen gaat in duisternis gehuld. Memento diem:  Zodra de toekomst zich openbaart (en daarmee verleden wordt), blijkt dat elke kleinste gebeurtenis is gedetermineerd door al het voorgaande. Alsof de woest kolkende oceaan van de tijd in één flits bevriest.  De toekomst is onontkoombaar.

 

 

 

             

 

 

https://www.google.nl/search?q=van+ruisdael&espv=210&es_sm=93&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ei=1okxU8TAAeTQygP08oLoBQ&ved=0CAYQ_AUoAQ&biw=1024&bih=643

 

 Hij fixeerde de donkere wolken in zijn schilderijen opdat de zwarte ruiter er niet uit terug zou keren 

 

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Charles_Ranlett_Flint

In 1850, aan de oever van de St. George river in Maine, beviel Sarah Chapman van haar zoon Charles. Haar echtgenoot, de scheepsbouwer en ondernemer Benjamin Chapman, had toestemming gekregen om de naam van zijn moeder te dragen en veranderde de familienaam in Flint. Korte tijd later verhuisde het gezin naar New York waar Benjamin de handelsfirma Chapman & Flint bestierde. Na de polytechnische school trad Charles in het spoor van zijn vader. In de jaren 70 werd hij handelsattaché voor Grace & Co. in Zuid Amerika, het continent waar hij gaandeweg uiteenlopende belangen van de Verenigde Staten zou vertegenwoordigen. Vanaf 1885 leidde hij gedurende meerdere decennia de handelsbank Flint & Co. In New York. Ondertussen was hij betrokken bij talloze financiële transacties in de Verenigde Staten en daarbuiten en onderhield hij zich met menig diplomaat en politicus, niet in de laatste plaats in Zuid Amerika. Charles Flint stond bekend als de ‘vader der fusies’. Tijdens zijn leven heeft hij een stuk of twintig ondernemingen opgebouwd uit tal van kleinere bedrijven. Wat ingrijpende invloed op de ontwikkelingen in de 20e eeuw zou hebben, was ongetwijfeld de oprichting van de Computing Tabulating Recording Company (CTRC), het bedrijf dat hij in 1911 vormde door samenvoeging van drie kleinere bedrijfjes – een producent van o.a. ponskaarten, een onderneming waar prikklokken werden gemaakt en een fabriekje van elektrische weegschalen – en dat tien jaar later haar naam veranderde in International Business Machines (IBM). Ondanks zijn ontzagwekkende onderhandelingstalent stond Charles bekend als een erudiet en aangenaam mens met een zachtmoedig karakter. Hij hield van de natuur en was gek op vliegen. De gebroeders Wright hebben het succes met de verkoop van hun vliegmachines aan hem te danken. Hij stierf op 84 jarige leeftijd in Washington. Kinderloos. Zijn bestaan was van direct belang voor de ontwikkeling van onze samenleving.

 

http://www.irlandeses.org/0610_263to265.pdf

De gebroeders Grace waren de leden van een Ierse familie die halverwege de 19e eeuw naar Noord en Zuid Amerika migreerden. De oudste, William, stichtte in Lima begin jaren vijftig W.R.Grace & Co., een handelsonderneming die binnen afzienbare tijd haar commerciële activiteiten uitbreidde van Peru en de Verenigde Staten tot Europa en langs de hele Zuid Amerikaanse westkust en in de jaren zestig werd omgedoopt tot Grace Brothers. Naast financiële en politieke bemoeienissen hield William zich bezig met de aanleg van de Peruaanse spoorwegen. Grace Brothers verzorgde de levering van locomotieven en materialen vanuit de VS naar Peru. Daarbij steunde het bedrijf op het commerciële talent van de nog jonge Charles Flint en de ondernemingszin van de flamboyante en charismatische spoorwegbouwer Henry Meiggs. In een brief uit 1872 aan zijn broer John schreef William: ‘Ik hou van het Peruviaanse volk. Ik geniet van hun samenleving en ik heb nooit op ze neergekeken, alsof het soms allemaal oplichters zijn. Die Engelsen met hun vooroordelen over buitenlanders, ik veracht die zelfingenomen gasten. Ik heb handelshuizen in Peru meegemaakt die een hekel hadden aan Peru …’ Na zijn dood in 1904 schreef de New York Times: ‘Zelfs in dit land van ongekende mogelijkheden was de carrière van onze voormalige burgemeester, William R. Grace, opzienbarend. Hij heeft afzetmarkten gecreëerd, transportlijnen gelegd, handelsovereenkomsten gesloten, en dit alles met zoveel talent dat hij tijdens het vergaren van zijn eigen fortuin tegelijkertijd heeft gezorgd voor onze economische voorspoed en die van andere landen. In de actieve politiek toonde hij zich immer een oprecht en deugdzaam bestuurder die zich krachtdadig inzette voor de openbare zaak.’

 

http://www.vlib.us/medieval/lectures/gerbert.html

Silvester II was paus van 999 tot 1003. Geboren als Gerbert van Aurillac in de Franse Auvergne werd hij begin jaren zestig opgenomen in het Benedictijner klooster van Geraldus van Aurillac. Hier kreeg hij zijn eerste scholing. Later studeerde hij in Catalonië onder leiding van Moorse en Joodse geleerden. De bibliotheken van de kathedraal van Vic en het klooster van Ripoll beschikten over een schat aan internationale kennis en de leergierige student verdiepte zich gretig in de geavanceerde Moorse literatuur over wiskunde, sterrenkunde en muziek. Gerberts kennis en vaardigheden werden gaandeweg zo groot dat zijn tijdgenoten hem met een aan na-ijver grenzend ontzag zagen als een diabolische duivelskunstenaar. Dat leidde spoedig tot satanische sprookjes met hem in de hoofdrol. In 969 maakte Gerbert in Rome kennis met de toenmalige paus Johannes XIII en keizer Otto I. Op aandringen van de paus werd hij huisonderwijzer van de kroonprins. Enkele jaren daarna bezorgde de keizer hem een aanstelling in Reims waar hij indruk maakte met een orgel op waterkracht. Ook bouwde hij een kolossaal telraam in het interieur van de kathedraal waarmee hij zijn algebraïsche kennis demonstreerde. Hij kon berekeningen maken die tot dan toe onmogelijk waren geweest. Bij het aantreden van zijn voormalige leerling als keizer van het Heilige Roomse Rijk, in 983, maakte deze hem abt van het welvarende klooster van Bobbio. Nadat Otto II een jaar later overleed, keerde Gerbert terug naar Reims waar hij een benoeming had gekregen tot secretaris van de aartsbisschop. In de jaren daarna raakte hij tot over zijn oren betrokken bij het staatsrechtelijk geharrewar en de politieke touwtrekkerij die het gevolg waren van de strijd tussen de Saksen die werden vertegenwoordigd door de jonge Otto III en de Karolingen die aanspraak maakten op de Franse troon. Uiteindelijk benoemde koning Hugo Capet hem in 991 tot aartsbisschop maar na diens dood in 996 werd Gerbert weer uit zijn functie ontheven. Hij vluchtte naar het keizerlijk hof van Otto III en werd diens raadsheer. Om de pauselijke gebieden onder controle te krijgen, besloot Otto III hem in 999 te benoemen als opvolger van de overleden paus Gregorius V. Gerbert koos de naam Silvester II in navolging van Silvester I (314-335), voormalig raadsheer van keizer Constantijn de Grote.

 

 

Alles is rustig aan boord sinds we de Cariben hebben verlaten.

Ik had net een begin gemaakt met een lang uitgesteld eerbetoon aan Foucault toen de boots tamelijk rumoerig de mess binnenkwam met een jongetje in zijn kielzog.

'Kijk, kapitein, wat ik gevonden heb. Een verstekeling.'

Mijn eerste opwelling was om hem onmiddellijk met een heli van boort te laten halen. Maar toen ik in die amandelvormige oogjes keek moest ik aan jou denken.

'Laat hem maar hier. We nemen hem mee naar Holland.'

Het handjevol aanwezige officieren keek mij ongelovig aan en zelf wist ik ook niet goed wat mij bezield had. Het kwam nog even bij me op om te doen of ik een grapje had gemaakt, maar dat leek me nogal smakeloos.

Later bedacht ik dat jij vast wel een kinderloos echtpaar kent. Wat dacht je trouwens van die flierefluiter, hoe heet-ie, Hazenpeper of zo iets? Hij is wel vaak van huis maar zijn vrouwtje snakt naar een koter. Dit jochie spreekt overigens een brabbeltaaltje. Een beetje Engels, een beetje Hollands, een beetje Spaans. Maar hij lijkt me wel behoorlijk slim. Ik weet niet hoe hij heet, maar zijn kleren dragen de initialen J.B.

                                                                                                                    Kapitein Bob Vondeling van De Buut in een brief aan zijn vrouw.

 

 

 

 

 

https://en.wikipedia.org/wiki/Richard_Spruce

Over de avonturen van de drie jonge natuuronderzoekers in de Braziliaanse wildernis heeft Zuid Amerika kenner John Hemming een spannend boek geschreven: Naturalists in Paradise. Wallace, Bates and Spruce in the Amazon (2015). Helaas (nog) niet in het Nederlands verkrijgbaar. 

 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Henry_Walter_Bates

Over de avonturen van de drie jonge natuuronderzoekers in de Braziliaanse wildernis heeft Zuid Amerika kenner John Hemming een spannend boek geschreven: Naturalists in Paradise. Wallace, Bates and Spruce in the Amazon (2015). Helaas is er (nog) geen Nederlandse vertaling.

 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Alfred_Russel_Wallace

Over de avonturen van de drie jonge natuuronderzoekers in de Braziliaanse wildernis heeft Zuid Amerika kenner John Hemming een spannend boek geschreven: Naturalists in Paradise. Wallace, Bates and Spruce in the Amazon. (2015). Helaas is het boek (nog) niet in het Nederlands verkrijgbaar.

 

 

Op 17 november 1678 passeert te Antwerpen ten overstaan van notaris Emile de Jonckheere het huwelijkscontract tussen Joannes Gerardus Haase en Elisabetha Seegers. Joannes Gerardus gebruikt in zijn eigen handschriften consequent de naam Joan, voor welke naam wordt gekozen in deze tekst. Om dezelfde reden wordt in deze tekst de naam Haase gehanteerd, welke in bronnen en literatuur ook wel geschreven wordt als Haaze. Joan woont op het moment van het opmaken van het huwelijkscontract al geruime tijd in de stad, hij heeft het burgerschap van de stad Antwerpen in 1670 ontvangen. In zijn Memoire Boeck van de geboorte mynder kinderen en andersints noteert hij: Anno 1670 den 8 januari hebbe ick Joan Haase mijn Burgerschap alhier t’Antwerpen  gecoft ende t’recht daarover betaalt. Elisabetha is de dochter van ouders die in Mechelen waren geboren. Joan Haase is een succesvol koopman en verwerft zich voldoende welstand om een aantrekkelijke huwelijkspartner te zijn voor de twaalf jaar jongere Elisabetha Seegers. Het huwelijk wordt 15 december van hetzelfde jaar in Antwerpen gesloten. Uit het huwelijk tussen Joan en Elisabetha wordt na verscheidene miskramen slechts één zoon geboren. Theodoor komt ter wereld op 14 april 1682 en wordt op 21 april van dat jaar gedoopt in de Sint Augustinuskerk te Antwerpen.

 

 

Charles Flint rekte zich uit in zijn ligstoel op het dek van zijn jacht. Zijn verkoudheid was zo goed als over en hij had behoefte aan beweging. Zijn muzikale vrouw kon hoog of laag zingen (hij gniffelde om zijn eigen woordspeling) maar de tijd was rijp voor actie. Uitkijkend over de Caraïbische Zee snoof hij waarderend de guanogeur van het nabijgelegen Navassa op en bedacht dat hij zijn zaakjes goed voor mekaar had. Hij had zich tijdens zijn leven steeds ingespannen om kleine, vaak noodlijdende bedrijfjes samen te voegen, waardoor ze weer opleefden en hoewel men er tegenwoordig nogal laatdunkend over deed, beschouwde hij zichzelf met enige trots als de ‘godfather van de trusts’. Hij stond op en keek uit over een strakblauwe zee. Alleen aan de horizon zag hij wat cumuluswolken. De baai waar het jacht voor anker was gegaan, lag er uitnodigend bij en hij aarzelde niet toen hij vanaf de voorplecht het heldere water indook.

 

Margarita behoorde tot een van de invloedrijkste families van Peru aan het eind van de 19e eeuw. Er bestond een onduidelijke bloedverwantschap met het imperium van de gebroeders Grace, diplomatieke zakenlui, die, door de Ierse hongersnood verdreven uit hun vaderland, op zoek waren gegaan naar een beter bestaan in Zuid Amerika en dat in Lima hadden gevonden.

Opgegroeid in de beschermde omgeving van haar vaders uitgestrekte haciënda was ze niets tekort gekomen en had ze het vanzelfsprekend gevonden dat iedereen voor haar klaar stond. Ze was verwend maar dat kon ze goed maskeren. Rokkenjagers zaten achter haar aan omdat ze , ondanks haar gehavende handen, een mooi meisje was. En dat wist ze. Ze wist ook dat trouwe echtparen op haar gesteld waren omdat ze voorkomend, meelevend en lieftallig was. Jongelui liepen met haar weg vanwege haar tomeloze energie en oude mannetjes genoten van haar opgewekte charme. Wat niemand wist, wat ze aan niemand liet merken en wat alleen een scherpzinnige mensenkenner zou kunnen afleiden uit haar allemansliefde, was haar angst voor haar bestemming. Voor het smeulen vanbinnen. Ze vreesde dat het vuur ooit zou oplaaien maar of het een verwarmend en innemend dan wel verzengend en vernietigend karakter zou hebben, dat zou de toekomst moeten uitwijzen.

Andere meisjes van haar leeftijd en maatschappelijke positie zouden in die geestelijke toestand waarschijnlijk toetreden tot een kloostergemeenschap in de hoop door meditatie en gebed hun eigen lot in goede banen te kunnen leiden. Margarita vond dat een soort vluchtgedrag dat ze beschouwde als een poging om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen en daarmee de status quo te gedogen Bidden kon altijd nog. Zij was meer gebaad met iets concreets, zo meende ze in al haar schranderheid. 

 

Het verhaal gaat dat Silvester ooit een beweegbare buste heeft gemaakt, een soort mechanische gaper. De kop kon elke vraag beantwoorden door te knikken (ja) of te draaien (nee). Toen Silvester aan de kop gevraagd had of hij ooit paus zou worden, had deze bevestigend geknikt. Op zijn vraag of hij zou komen te overlijden vóórdat hij in Jeruzalem de Heilige Mis had gelezen, had de kop ontkennend gedraaid. Daarop besloot Silvester dat hij nooit naar Jerusalem zou gaan. Eenmaal Paus las hij de mis in één van de kleinere kerken van Rome. Pas achteraf ontdekte hij dat het ging om de kerk van het Heilige Kruis van Jerusalem, in de volksmond kortweg "Jerusalem" genoemd. Kort daarna werd hij ziek en moest hij verzorgd worden. Bij een laatste en hevige koortsaanval had hij ijlend zijn kardinalen verzocht om zijn lichaam in stukken te hakken en op de vuilnisbelt te gooien. Zijn lichaam mocht dan aan Satan toebehoren, in werkelijkheid had hij er nooit mee ingestemd om zijn ziel aan de duivel te verkopen. Dat laatste had betrekking op de talrijke geruchten die waren verspreid door afgunstige en geborneerde geesten. Zij hadden Silvesters intellect gewantrouwd en waren ervan overtuigd dat hij beschikte over magische krachten. De maatschappelijke afkeer tegenover slimmeriken is altijd een prima klankbord gebleken om gevestigde posities te beschadigen en de macht over te nemen. In het geval van Paus Silvester II heeft dat in elk geval onderhoudende legendes opgeleverd.

 

 

Soms verliezen / hervinden we onszelf in een verloren gewaande tijd.

 

Dwalend door de catacomben van de Haagse Gevangenpoort waant Erik Hazepad zich in het verleden. Hij stelt zich voor hoe de slachtoffers van eenzame opsluiting zich in hun kerkers gevoeld moeten hebben. In afwachting van hun lijfstraffen verliep de tijd voor die arme sloebers uiterst langzaam. Meestal was het woord van een hoogwaardigheidsbekleder genoeg om hun lot te bezegelen.

   Als hij later op het nabijgelegen Binnenhof plotseling oog in oog staat met de minister president, gaat er in een fractie van een seconde van alles door zijn hoofd. Even later is het voorbij, de eerste minister verdwijnt tussen de gestalten van zijn bewakers en Erik vervolgt zijn eigen wandeling naar de Haagsche Kluis aan het Plein. Hij heeft daar afgesproken met zijn vroegere studiegenoot, de zonderlinge Joachim Bolt , die hem nog steeds in zijn zelfzuchtige ban heeft.

   De narcist bewondert de klassieke schilderkunst en wil het Mauritshuis bezoeken, voordat de deuren anderhalf jaar lang dicht gaan. Het museum wil uitbreiden en heeft in een oliemaatschappij – ook een instelling die het verleden exploiteert – een bereidwillige sponsor gevonden.

   Terwijl ze zich in het restaurant de pistoletjes laten smaken, grapt hij dat de futuristische parkeergarage onder het Plein half leeg staat. “Hoezo parkeerprobleem?”

   Erik vertelt hem dat hij een tijdje terug een hamburger het Mauritshuis had binnengesmokkeld. “Je tanden zetten in een Big Mac, oog in oog met de anatomische les van Rembrandt. Pure quantum leap!”

   Ongelovig kijkt de ander hem in het spiegelende vensterglas aan.

   “Ze hebben me er wel uitgegooid” stel Erik hem gerust. “Maar die paradoxale tijdsbeleving zou ik voor niets ter wereld hebben willen missen.”

   Hij grijnst en weet dat Bolt zoiets wel kan waarderen. Quasi bestraffend wil hij een vingertje heffen maar houdt zich in. In plaats daarvan grijpt hij zijn servet om daarmee, bij wijze van bekakt gebaar, nodeloos zijn lippen te betten.

   “Tijdens de Spaanse overheersing in de tachtigjarige oorlog kon je voor een pistolet een brood kopen. Zouden deze broodjes daar naar verwijzen?” Erik haalt met een grimas zijn schouders op.

   “Als je honger had bedreigde je de bakker met een pistool?”

   Zijn pendant volgt zijn eigen gedachten. “Vroeger noemden we dit kadetjes. Dat zullen ze hier wel ordinair vinden. In een gelegenheid als deze rookte je vroeger ook geen sigaretjes. Wel een pijp of een sigaar.”

   Bolt is verslaafd aan nicotine maar hij is geen stoeproker. Vroeger kon hij ontzettend te keer gaan als hij zijn zin niet kreeg. Nu beheerst hij zich. Maar Erik kan het niet laten, tast in zijn binnenzak en legt een pakje Marlboro op tafel.

   “Ik hoef ze niet meer. Jij?”

   Joachim doet of zijn neus bloedt en vraagt naar Eriks plannen voor die avond. Ze hadden afgesproken om Eriks bejaarde vader te bezoeken – de fenomenale fluitist is hondertdrieëntachtig of zoiets en heeft na een hersenbloeding zijn verstand verloren – maar de rest van de avond ligt nog open. Voor hij teruggaat naar zijn huisje langs de dijk wil de zonderling op kroegentocht in de grote stad. Erik heeft niet zoveel zin, het is de afgelopen dagen al genoeg uit de hand gelopen, vanavond maar eens vroeg naar bed. Bolt grijnst omdat hij weet dat zijn volharding net zo groot is als Eriks zwakte:

   “Dat is dan afgesproken.”

   Plotseling stokt zijn adem. Hij komt half overeind, valt terug in zijn stoel (“hij demonstreert mijn lankmoedigheid” gaat het nog door Erik heen), de knokkels van de vuist met het servet worden wit en Erik snapt dat het niet grappig meer is.

 

Het moet eens afgelopen zijn met die dubbelzinnigheid.

 

 

 

 

De vindingrijke Alexander Bain vergaarde in de 19e eeuw heel wat rijkdom met zijn octrooien voor de toestellen die hij had bedacht. De Schotse herdersjongen was opgeklommen tot een gefortuneerde gentleman. Hij woonde met zijn gezin in een groot huis aan de Thames in Hammersmith, een kleine voorstad van Londen. Er waren volop bediendes en de kinderen kregen les van een huisleraar. Hij werd alom geacht al had hij weinig vrienden. Wat hij tot stand had gebracht was vrijwel geheel het resultaat van zijn eigen inventiviteit en ijver. Maar als hij met iemand samenwerkte liep dat vroeg of laat altijd uit op ruzie. Hij was wat je noemt nogal onhandig in de omgang. En uiteindelijk bleek hij ook nogal onhandig te zijn met geld.

 

Als jonge onderzoeker had Charles Wheatstone grote belangstelling voor de natuur. Hij verdiepte zich in boeken over lichtbreking en zoutvorming en bovendien was hij erg handig in het maken van allerlei dingen. Na het lezen van een boek over elektriciteit had hij als jongen de batterij van Volta nagebouwd. Hij groeide op in een muzikale familie en maakte tal van muziekinstrumenten. In 1821 trok hij de aandacht met een geluidshow waarbij hij het publiek verraste met de ‘tover-lier’. Deze was opgehangen aan het plafond en met dunne stalen draden verbonden met een piano en enkele andere instrumenten in een kamer erboven. Als deze instrumenten bespeeld werden, leek het of de muziek afkomstig was van de lier zelf. De Deense natuurkundige Christian Oersted bezocht de show en stimuleerde Wheatstone om een stukje over zijn uitvinding te schrijven. Het zou Wheatstone’s eerste publicatie worden, waarmee hij de aandacht van de wetenschappelijke wereld op zich vestigde. In de jaren daarna ontwikkelde Charles nog meer muziekinstrumenten, waaronder de populaire Engelse concertina, een klein soort trekharmonica. 

 

Hasan Pacha werd op 16 juli 1945 in de namiddag verwekt. Zijn vader had gediend in het Brits-Indische leger en had een aanzienlijk deel van de oorlog als krijgsgevangene in een Duits interneringskamp doorgebracht. Na zijn terugkeer in India had hij Hasans moeder op het veldje in zijn armen genomen en haar achter hun huis in Visakhapatnam nagenoeg verkracht. Op het moment van de conceptie werd in New Mexico de Drie-eenheid, 's werelds eerste atoombom, tot ontploffing gebracht.

   Als schooljongen werd Hasan geconfronteerd met onverdraagzaamheid en vooroordelen die zijn spraakvermogen ernstig aantastten: zijn gezicht werd zodanig in elkaar getimmerd dat het jaren zou duren voordat hij zich weer een beetje verstaanbaar kon maken. Tot die tijd moest hij zich behelpen met een hakkelig soort gemompel, zodat hij liever zweeg.

   In zijn naar binnen gekeerde geest ontstonden ideeën die het emergente universum een nieuwe dimensie zouden geven. Hij ontwikkelde een soort nano-farmacologisch concept waarmee uiteindelijk op spectaculaire wijze de ruimtetijd zou kunnen worden doorkruist.

   Eigenzinnig als hij was, gebruikte hij zichzelf als proefkonijn en leverde als zodanig boeiend archiefmateriaal.

   Door zich uiteindelijk te vestigen in het voorbije verleden ontnam hij vooralsnog de rest van de wereld de mogelijkheid om in zijn sporen te treden.

 

Met de wormenspecialist wordt Charles Darwin bedoeld, die zijn leven lang die bodemkruipers heeft bestudeerd. Zijn laatste boek gaat over regenwormen en verkocht destijds net zo goed als die andere bestseller, over de evolutie. Door zijn maatschappelijke positie en wetenschappelijke autoriteit werden andere baanbrekende natuurvorsers in zijn schaduw geplaatst. Dat gold onder andere voor drie jonge onderzoekers die gezamenlijk het Amazonegebied exploreerden, Richard Spruce, Henri Bates en Alfred Wallace. Het drietal verzamelde lucratieve planten en dieren die ze verkochten aan musea en particuliere verzamelaars. Ze hadden geen universitaire opleiding genoten, het waren avonturiers.

Spruce introduceerde een kinaboom die veel meer kinine opleverde dan de tot dan toe bekende soorten. Bates ontdekte het verschijnsel mimicri, een fraaie illustratie van de evolutietheorie. Wallace beschreef nog vóór Darwin hoe evolutie kan worden verklaard met natuurlijke selectie. Hun latere wetenschappelijke publicaties zouden ondenkbaar zijn geweest zonder hun reizen. Ook in dat opzicht waren ze Darwins gelijke.

 

De heer Facio had een leeftijd bereikt dat hij meer terugkeek dan vooruit. Natuurlijk had hij God opzettelijk te kijk gezet met zijn blasfemische escapades. Weliswaar hadden de doden niet echt gehoorgegeven aan zijn oproep om uit het graf te herrijzen, evenmin was hij neergesabeld in het zweet zijns aanschijns. Dat gold trouwens ook voor de sodomie en alchemistische hovaardij. Hij was nu een well respected man, alive and kicking, zoals ze dat hier noemden. Was onze-lieveheer een sukkelaar of zelfs een hersenschim wat sommigen op het continent durfden beweren? Het zou hem worst wezen. The stars looked very different tonight. Nu zijn omgang met de goden op aarde was verstomd, leek die Ene daarboven geen belang meer in hem te stellen. Hoe liefhebbend was een vader die alleen zijn spiegelbeeld als zoon erkende? Hij was nooit de verloren zoon geweest. Verloren zoon, laat me niet lachen. Als je van je kind hield, verloor je hem niet uit het oog.

 

Nicolas Facio de Duiller (1664-1753) groeide op in een gezin met veertien kinderen (zes zonen en acht dochters) in een kasteeltje, tussen de wijngaarden, in Duillier (tussen Geneve en Lausanne). Zijn vader had een kleine uitgeverij in het kasteel en een boekwinkel in Geneve. De uitgeverij gaf behalve woordenboeken en vrome, katholieke werken, ook obscene boekjes uit. Nicolas studeerde aan de Academie van Geneve, die gesticht werd door Calvijn, en waar calvinisten uit heel Europa kwamen studeren. Zijn vader had een theologische carrière voor hem in gedachten, maar zijn moeder stimuleerde zijn astronomische belangstelling. 
   Toen hij achttien was schreef Nicolas een brief aan de gerenommeerde astronoom Jean-Dominique Cassini in Parijs, waarin hij zijn gedachten toelichtte over de planeet Saturnus, de grootte van de zon en de afstand van de maan tot de aarde. Cassini reageerde vol lof op dit schrijven, en nodigde hem uit om naar Parijs te komen. Samen met Cassini bestudeerde hij o.a. de komeet van Halley en het zodiakaal licht.
   Later reisde hij naar Engeland waar hij bisschop Gilbert Burnet ontmoette. Deze was diep onder de indruk van de jonge Facio en schreef in een brief aan Boyle: "Ik ontmoette de onvergelijkbare Nicolaas Facio de Duillier die op 22 jarige leeftijd al de grootste van zijn generatie is, en van wie we buitengewone ontwikkelingen kunnen verwachten."
   Terug in Duiller ontmoette hij Graaf Fenil die op het familiekasteel logeerde. Deze vertrouwde hem toe dat hij van plan was om Willem van Oranje te ontvoeren (in opdracht van Frankrijk). Nicolaas reisde meteen naar Den Haag om Willem van Oranje te waarschuwen en te behoeden voor de op handen zijnde kidnapping. Willem was hem erg dankbaar en bracht hem in contact met Christiaan Huygens, met wie hij bevriend geraakte en die hem een hoogleraarschap aanbood. In plaats daarvan vroeg Nicolas Facio een vrijgeleide naar Engeland, in afwachting van de kroning van de Prins van Oranje tot koning van Engeland. 
   Samen met Huygens ondernam hij de reis en tijdens een vergadering van het Koninklijk Genootschap op 12 juni 1689 ontmoette hij Isaac Newton, precies op het moment dat Newtons Principia de gemoederen opschudde.
   Facio was rond de dertig toen hij Newton leerde kennen. Hoewel ze 22 jaar scheelden, bloeide er onmiddellijk een hechte vriendschap op tussen hem en Newton. Hij was een groot bewonderaar van de Principia en probeerde zelfs nog een stapje verder te gaan. Hij wilde uitleggen hoe en waarom de zwaartekracht werkte. Zijn "duwtheorie" (dat zwaartekracht te vergelijken is met licht dat door objecten heen beweegt), wordt tegenwoordig veel serieuzer genomen dan destijds. 
   Hij schreef het ongepubliceerde traktaat "Over de oorzaak van Zwaartekracht". Hierin betoogde hij dat ondanks de zwaarte van goud het toch mogelijk is dat goud een triljoen maal meer uit leegte bestaat dan uit materie. Hij vergeleek het met water en glas, stoffen die ondanks hun dichtheid toch transparant zijn. Daaruit leidde hij af dat solide objecten, zoals de aarde, kleine "deeltjes zwaartekracht" zouden kunnen doorlaten.
   Tien jaar na Facio’s dood, in 1758, zou een andere Zwitserse wetenschapper Geneve, George-Louis Lesage, Facio’s zwaartekracht theorie onder zijn eigen naam publiceren. Uiteraard noemde hij niet één keer Facio’s naam. Zo werden Facio’s theorieën bekend als Lesage’s theorieën.

Er zijn verschillende brieven tussen Newton en Facio bewaard gebleven waaruit hun innige relatie blijkt, waarin ze voortdurend afspraakjes maken en overleggen in welke herberg ze elkaar zullen ontmoeten. Newton vertelt hem over zijn antipathie jegens Robert Boyle (wat hij aan niemand anders toevertrouwde). Ook zijn er lange periodes waaruit geen brieven bewaard zijn gebleven (wellicht verbrand), o.a. toen Facio probeerde om op het continent een uitgever te vinden voor zijn theorie over de zwaartekracht. Bij zijn terugkeer kreeg Newton een alarmerende brief waarin Facio schreef dat hij aan een longziekte leed. Hij schreef zelfs dat áls hij zou sterven, Newton zijn broer als volgende vriend kon nemen, en dat zijn broer daarmee akkoord zou gaan. In zijn antwoord schreef Newton dat hij zich grote zorgen maakte, dat hij alle mogelijke financiën ter beschikking wilde stellen om hem te genezen en dat hij in het ergste geval de vriendschap van zijn broer zou aanvaardden. 
   Toen Facio herstelde, probeerde Newton hem over te halen bij hem te komen wonen. Maar Facio vertrok opnieuw, ditmaal omdat zijn moeder stervende was. Facio werd verscheurd door de gedachte of hij wel of niet met Newton moest samenleven en schreef aan zijn broer "de redenen dat ik niet kan trouwen zullen waarschijnlijk de rest van mijn leven aanhouden". Aan Newton schreef hij: "Ik wou dat ik mijn hele leven samen met je kon zijn, of in elk geval het grootste gedeelte, als het mogelijk was geen schade te brengen aan jou en jouw familie".
   Naast hun wetenschappelijk werk deden Facio en Newton ook tal van alchemistische experimenten in Cambridge, waarover ze correspondeerden tijdens Facio’s afwezigheid. Het waren geheimzinnige proefnemingen en rituelen die men tot de "zwarte kunsten" zou kunnen rekenen.
   In een opwelling besloot Facio dat hij arts wilde worden en het levenselixer zou ontwikkelen. Hij stelde een soort van ondernemingsplan op, met het kapitaal dat hij nodig had en welke opbrengsten hij verwachtte.

Facio heeft zich ook bemoeid met het meningsverschil tussen Gottfried Wilhelm Leibniz en Newton over het auteursschap van de calculus. In een publicatie die veel stof deed opwaaien had hij Leibniz flink beledigd. Zelfs Newton werd in verlegenheid gebracht door de felle aanval op Leibniz, wiens repliek was: "Alleen mannen van het formaat van Newton en mijzelf kunnen over de calculus discussiëren. Knoeiers als Facio moeten zich er buiten houden."
   Al snel kreeg hij de bijnaam "de aap van Newton". Niet geheel onterecht, omdat hij de reputatie had opgebouwd voortdurend de vriendschap te zoeken van bekende natuurfilosofen (zoals Huygens, Cassini, Leibniz, Boyle…), waarschijnlijk om zijn carrière te bespoedigen. De meeste natuurfilosofen namen Facio daarom al snel niet meer serieus en noemden hem eerder een clown dan een genie.
   In juni 1693 waren er twee ontmoetingen tussen de heren waarna de relatie ontplofte. Het gevolg was een depressie van Newton. In de maanden na de breuk schreef Newton een indrukwekkend alchemistisch manuscript, "the Praxis", de Praktijk. Over het reilen en zeilen van Facio in die periode is niets bekend. Later herstelde de relatie zich weer enigszins en ze bleven in elk geval bevriend voor de rest van hun leven.

Rond 1706 raakte Facio in de ban van de Franse Profeten, vooral omdat hij geloofde dat de bijbel heel wat profetieën bevatte. Hij onderzocht duizenden kabbalistische aanwijzingen in het Nieuwe Testament. Samen met de profeten hield hij zich bezig met de ondergang van de Franse koning Lodewijk XIV, die zij identificeerden met het beest van het Oude Testament. In een brief uit 1693 aan Newton bevestigt hij zijn geloof dat de profetieën uit de bijbel betrekking hebben op het recente verleden, de eigen tijd en de nabije toekomst. Hij voorspelde een grote nederlaag voor de Franse koning, die zich drie dagen na de veldslag om Turijn zou voordoen.
   Facio werd al snel één van de belangrijkste aanhangers van de profeten. In één van de pamfletten die hij voor hen schreef, verkondigde hij een nieuwe religie. Zijn betrokkenheid bij de profeten, bezorgde hem andermaal een kwade naam onder de natuurfilosofen. En zijn reputatie werd er niet beter op toen heel Londen in de ban raakte van de profetieën die voorspelden dat de Hoge Rechter zou ontploffen en zijn bloed over de oevers van de Thames zou stromen. Zelfs Newton raakte, via Facio, onder de indruk van de French Prophets en woonde enkele vergaderingen bij. Maar Newtons vrienden zorgden ervoor dat hij zich terugtrok en afstand van ze nam.
   Toen de profeten voorspelden dat Londen vernietigd zou worden door vuur, besloot het koningshuis op te treden. De profeten werden veroordeeld en Facio werd samen met Élie Marion (één van de aanvoerders) aan de schandpaal gebonden. Op het centrale plein werd hij door verontruste Londenaren bekogeld met drek, eieren en rot fruit. Newton deed niets om hem te helpen. 
   In 1710 vertrok hij met de veroordeelde profeten naar Nederland, waar Facio opnieuw tot de schandpaal werd veroordeeld vanwege zijn blasfemische profetieën. Hij zat zes weken in de gevangenis van Rotterdam. Later trok hij met Marion door Duitsland en Oost Europese landen om hun van hun profetieën te getuigen.
   Marion stierf op 35 jarige leeftijd in Turkije en Facio keerde na nog meer omzwervingen terug naar Engeland. Hij vestigde zich in Worcester waar hij zich tot het eind van zijn leven bezig hield met de profetieën enerzijds en de ontwikkeling van zijn wetenschappelijke ideeën anderzijds. Zijn theorie over de zwaartekracht verwerkte hij in een gedicht waarmee hij deelnam aan een wedstrijd van de Academie Française. Hij won niet en stierf arm en kinderloos. Zijn bestaan is van invloed geweest op anderen wier bestaan van direct belang was voor de ontwikkeling van onze samenleving.

 

Mandy en Annelies wonen op hetzelfde adres in de universiteitsstad waar ze ingeschreven staan bij de sociale faculteit. Mandy doet algemene geschiedenis en Annelies studeert psychologie. Mandy heeft een avontuurlijke geest en wil de wereld gaan ontdekken, maar ze is erg onzeker als haar gevraagd wordt waar haar toekomst precies ligt. Annelies is veel degelijker. Zij wil graag dienstbaar zijn en hoopt een rol van betekenis te spelen in het leven van anderen. Het zijn echte hartsvriendinnen, gaan soms een tijdlang elk hun eigen weg om daarna weer intens samen te zijn. Ze dragen elkaars kleren en wisselen blonde en donkere pruiken af. Vaak zijn ze niet uit elkaar te houden en geregeld worden ze met elkaar verward. Maar soms lijken ze juist hun best te doen om zo min mogelijk op elkaar te lijken.

 

In het Archeologisch Instituut hebben een paar senior medewerkers onder, het genot van een hapje en een drankje, de koppen bij elkaar gestoken om hun gedachten te bepalen over sollicitant J.B.

"Zijn kennis van oude kleitabletten is opmerkelijk", constateert de één.

"Zijn stem klinkt raar maar dat hoor je wel vaker bij genieën", brengt een ander in het midden.

"Hij leek getroffen door de Fountainhead", mompelt de nestor van het gezelschap.

"Ik ga hem bellen. Hij lijkt mij wel geschikt voor de PR", knikt de man met de baard, die kennelijk de leiding heeft.

Hij heft het glas en de anderen toasten instemmend: "JASON BOLT."

 

De initialen J.B. verwijzen naar Joachim Bolt die zich aan de archeonauten heeft voorgesteld als Jason Bolt. Hij heeft de merkwaardige gewoonte om uit het niets op te duiken (als een emergent verschijnsel) waarna hij even onverwacht weer kan verdwijnen. Hij beschouwt zichzelf als een superieur wezen (hij is in verschillende opzichten inderdaad geniaal) en kan, waarschijnlijk daardoor, niet omgaan met zijn eigen falen. Of dat laatste er de oorzaak van is dat hij geregeld uit beeld verdwijnt, is niet duidelijk.

In de moderne geesteswetenschappen wordt zijn gedrag wel omschreven als antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPS). Maar het is veel erger: hij is een hersenspinsel van de schisofrene autist Hazepad waarmee de vraag reist of hij wel echt bestaat.

 

De Fountainhead is een toneelstuk naar de gelijknamige roman van Ayn Rand uit 1943 over spirituele (on)afhankelijkheid. De boodschap betreft de maatschappelijke manipulatie van de scheppende geest. De afbeelding op de poster is ooit door Erik Hazepad gemaakt in de tijd dat hij nog samenwoont met Mandy, het avonturierstertje uit zijn studententijd.