ONZICHTBAAR LICHT

Zinsbegoochelend mozaïek van de waargenomen werkelijkheid

 

 

 

De dingen zijn niet altijd wat ze lijken, net zomin als ze lijken wat ze zijn. Zonder dat we er iets van merken beweegt de aarde met grote snelheid door de ruimte. Hedendaagse ballonvaarders zullen je verzekeren dat in de straalstroom minsten windkracht 11 heerst. De lucht rondom lijkt volkomen leeg maar bevat toch miljarden micro-organismen. Te klein om te zien, groot genoeg om zichtbaar te maken. Dat laatste geldt niet voor licht0. Tenzij ze precies je oog binnendringen, zijn lichtstralen zelf onzichtbaar. Eveneens contra-intuïtief is dat lege ruimte een hoge dichtheid heeft, dat vliegende insecten elkaar op kilometers afstand kunnen ruiken en dat je op de TV de oerknal life kunt zien.  

  

 

Wel eens gedacht aan een kleur die je nog nooit hebt gezien? Rood! Je ziet het onmiddellijk voor je. Droek! Je hebt geen idee wat voor kleur dat is.

   Joachim Bolt ziet de wereld in grijstinten, hij is zo kleurenblind als een tijgerhaai. Hij ziet zijn omgeving alsof deze verlicht wordt door natriumlampen in plaats van zonlicht.1

   Iedereen heeft op school geleerd dat zonlicht is samengesteld uit verschillende kleuren doordat de afzonderlijke lichtstralen verschillende golflengtes hebben. Gezamenlijk zijn ze zo talrijk dat we ze als wit licht zien, maar de (kleurgevoelige) gezichtscellen zijn voldoende klein om door afzonderlijke lichtstralen te worden geraakt. Daardoor komt er toch informatie binnen over verschillen in kleur. Omdat onze gezichtscellen niet allemaal hetzelfde zijn – staafjes en drie verschillende typen kegeltjes – kunnen we de verschillende kleuren van elkaar onderscheiden.

   Minder bekend is welke kleuren precies door die verschillende kegeltjes worden ‘gezien’. Dat zijn namelijk blauw, groen en geel2. Er zijn helemaal geen roodgevoelige kegeltjes. Hoe het komt dat we toch rood kunnen zien, kan niemand met zekerheid zeggen. Wel is het een argument om aan te nemen dat trichromatische vertebraten, en dat zijn er heel wat, ook rood kunnen zien.

   In de Rio Negro leven vissen die heel goed kunnen kijken op een diepte waar een duiker geen hand voor ogen ziet. De Rio Negro is een zogenaamde zwartwaterrivier, dat wil zeggen dat het enige licht dat daar nog een beetje doordringt rood van kleur is. En de vissen hebben echt roodgevoelige kegeltjes. In het pikkedonker (voor ons) zijn smakelijke insectenlarven door deze vissen nog uitstekend te zien (in het nabije infrarood).

   De afwezigheid van (zichtbaar) licht betekent kennelijk nog geen duisternis.

   Dat geldt ook voor menig dier aan de andere kant van het spectrum. Veel insecten hebben meer dan drie typen gezichtscellen en zijn zelfs gevoelig voor ultraviolet licht. Met een UV-gevoelige camera kun je tekeningen op bloemkronen en vlindervleugels zichtbaar maken die wij gewoonlijk niet zien. Die insecten zien dingen die voor ons verborgen zijn en bovendien zien ze kleuren waarvan wij zelfs niet kunnen dromen. Weliswaar kunnen ze dat niet in het duister, maar toch3.

 

 

De zwart-wit tekening van zebra’s is in onze ogen zeer opvallend. Voor bloeddorstige roofdieren, die overwegend kleurenblind zijn en bij voorkeur in de schemer jagen, zijn slapende zebra’s  nagenoeg onzichtbaar. Geleedpotige vampiers zoals tropische steekvliegen kunnen ook heel lastig zijn. Deze insecten worden aangetrokken door gepolariseerd licht dat door zwarte paardenharen (en dus ook de zwarte banen van de zebravacht) wordt gereflecteerd. De witte haren doen dat echter niet. Daardoor ziet een zebra er voor steekvliegen heel verwarrend uit en laten zij die liever met rust.

 

 

 Om de waanzin in de blauwe ogen van zijn beroemde zelfportret te vangen, gebruikte Vincent van Gogh een donker pigment dat maar een klein deel van het opvallende licht terugkaatste, de rest werd geabsorbeerd.

   In werkelijkheid ontlenen blauwe ogen juist hun kleur aan het ontbreken van dit soort pigmenten. Door interferentie worden ze blauw. De ragfijne radiale spiervezeltjes van het regenboogvlies rondom de pupil breken het licht zodanig dat sommige delen van het lichtspectrum worden uitgedoofd en andere versterkt. Hetzelfde verschijnsel dat de hemel blauw kleurt maakt de irissen van beroemde filmsterren onweerstaanbaar.

 

 

Met moderne elektronica kun je onzichtbaar licht detecteren. Veel eenvoudiger dan in de vorige eeuw kunnen we beelden maken met straling aan weerszijde van het zichtbare spectrum. Natuurfilmers maken nachtopnames met infraroodgevoelige camera’s en eerder werden de UV-patronen op vlindervleugels al genoemd. Onzichtbaar licht wordt zichtbaar gemaakt.

   Toch is zichtbaar licht zelf niet te zien. Je kunt een lichtstraal alleen van opzij zien, doordat stofdeeltjes in de lucht het licht verstrooien. In de ‘lege’ ruimte is die lichtstraal niet te zien. De ‘lege’ ruimte is pikzwart.

   Die ruimte zit vol met onzichtbaar licht, waarvan het meeste door onze dampring wordt geabsorbeerd of teruggekaatst. Op grote hoogte of, beter nog, vanuit satellieten kunnen allerlei soorten straling worden opgevangen. Infrarode straling dringt door kosmische stofwolken en met behulp van de moderne CCD-chips kunnen we delen van de ruimte zichtbaar maken die met een lichttelescoop niet te zien zijn. Met de detectie van onzichtbaar licht zijn talloze bronnen van röntgen- en gammastraling in het heelal veel nauwkeuriger in beeld gebracht dan voorheen mogelijk was. Bovendien is ermee aangetoond dat een zwart gat niet alleen alles opslurpt maar ook wat uitbraakt.4

   En dan zijn er de microgolven die vanuit elke richting van het universum met ongeveer (maar niet precies) dezelfde frequentie kunnen worden opgevangen. Deze microgolven zijn radiogolven met een frequentie van dezelfde orde van grootte als bij televisie gebruikt wordt. De ‘sneeuw’ na de uitzending (voor zover het tegenwoordig nog voorkomt dat een zender niet uitzendt) wordt veroorzaakt door deze microgolven. De COsmic Background Explorer (COBE) heeft in het begin van de jaren  90 van de vorige eeuw de geringe frequentieschommelingen van deze microgolven nauwkeurig in kaart gebracht. De afbeelding die met verschillende detectiemiddelen tot stand kwam, laat een grillig patroon van lichte en donkere vlakjes zien.5 De inmiddels wereldberoemde afbeelding van de kosmische achtergrondstraling, de echo van de oerknal, is gemaakt met het oudste licht dat er bestaat.

 

Je kunt de tijd aflezen op je horloge. Je hoort als het ware de tijd in het tikken van het uurwerk en het luiden van de klok. Maar de tijd zelf blijft onzichtbaar. Dat weerhoudt ons er niet van om ons de tijd voor te stellen, als een soort 4e dimensie waarin we ons voortbewegen.

   We kunnen het onzichtbare overtuigend zichtbaar maken, ongeacht of zich dat in het verleden, heden of toekomst bevindt, zodra we de technologie hebben die ons daartoe in staat stelt. Waarom zou dat niet voor de tijd zelf ook gelden?

 

Met de kennis van zijn tijd beargumenteerde Aristoteles op zijn karakteristiek logische wijze dat een leegte absurd is en dus niet kan bestaan (Horror Vacuüm). Demonstraties met de Maagdenburger halve bollen toonden zijn ongelijk aan: een vacuüm is niet alleen bestaanbaar, het is nog bijzonder krachtig ook. Het luchtledige bevat weliswaar geen materie, het vormt evenmin een belemmering voor de doorgang van licht en verwante elektromagnetische golfbewegingen. Of van gravitatie- en andere krachtvelden. Louter de constatering was voor de meeste mensen afdoende, alleen pure theoretici vroegen zich af hoe dat kon.

   Dat leidde in de 20e eeuw tot de ontdekking van het nulpuntveld6.

   Aanvankelijk bleek uit berekeningen dat het vacuüm gevuld is met energie, zelfs bij het absolute nulpunt (- 273o C), hetgeen spoedig door proefnemingen werd bevestigd. De dichtheid van die nulpuntsenergie wordt op basis van de kwantum elektrodynamica (QED) nagenoeg oneindig hoog geschat (10114ergs/cm3 aan de hand van de Plancklengte7. Omdat energie en massa uitwisselbaar zijn (E = mc2) heeft het vacuüm, vreemd genoeg, een ongelooflijk hoge dichtheid (3,6 x 1098 g/cm3). Die hoge dichtheid komt tot uiting door het voortdurend opduiken van virtuele deeltjes uit het ‘borrelende’ vacuüm om er vrijwel onmiddellijk weer in te verdwijnen8. Door de golf/deeltje dualiteit van materie kan het vacuüm op kwantum niveau worden opgevat als een zee van willekeurig fluctuerende elektromagnetische golven die een zogenaamd nulpuntveld vormen dat zich in alle richtingen door de kosmos uitstrekt. De magnetische en elektrische eigenschappen van dit veld geven het vacuüm haar respectievelijke doordringbaarheid en geleidbaarheid waardoor licht en gravitatie zich door het medium kunnen voortplanten (het is nou eenmaal niet mogelijk om zoiets vanzelfsprekends als de voortplanting van licht door het heelal op een simpeler manier uit te leggen).

   De ongelooflijke dichtheid van het vacuüm gaat lijnrecht in tegen onze voorstelling van een lege ruimte. Net zoals het passeren van licht door massief glas als we dat niet met eigen ogen zouden hebben gezien. De beschreven korrelstructuur van het vacuüm is het resultaat van abstract rekenwerk. Ruimtewandelaars hebben laten zien dat we ons vooralsnog geen zorgen hoeven te maken over onverwachte bewegingsvrijheid in deze ‘leegte´.

 

Regelmatig worden radioflitsen uit de ruimte opgevangen. Van ver buiten onze Melkweg. Astronomen interpreteren die als botsingen tussen neutronensterren waarbij een zwart gat wordt gevormd. Af en toe komen de flitsen uit dezelfde regio en vormen ze een onbekend, zich herhalend patroon. Voor die signalen hebben de astronomen nog geen verklaring. Sommigen suggereren dat ze verstuurd zijn door overleden popsterren die proberen contact met ons te leggen.

 

Lastig genoeg om uit te leggen hoe licht door een muur van leegte glipt, maar tot wat voor kunsten is dat licht nog meer in staat? Interferentie, luminescentie, polarisatie en zelfs coherentie9 zijn enkele van de capriolen waarmee licht ons kan verbazen.

   Zonder (onzichtbaar) licht zou het leven zoals wij dat kennen niet bestaan. In de oersoep ontstonden complexe verbindingen uit de overvloed van ammoniak, koolzuur en water in het licht van bliksemschichten en onbelemmerde kosmische straling. De gevormde eiwitten konden nagenoeg elke structuur hebben en zodoende soms licht absorberen en energie opslaan. Bij het ontstaan van de eerste microben speelden deze eiwitten een rol bij de energiehuishouding. Vooral de directe opname van zonlicht door chlorofyl en rodopsine is van blijvende betekenis geweest voor respectievelijk de fotosynthese en de visuele waarneming. Rodopsine zit niet alleen in ónze ogen (staafjes) maar ook in de primitieve oogvlek van het pantoffeldiertje en de meeste fotosynthese (in termen van biomassa) wordt nog steeds verricht door cyanobacteriën (blauwalgen) die de watermassa’s op aarde bevolken..

   De fotosynthese van kernloze oer-organismen veroorzaakte een revolutionaire verandering van de atmosfeer: de hoeveelheid koolzuur nam sterk af en daar kwam vrije zuurstof voor in de plaats. Voor de toenmalige levensvormen was dit een bijzonder giftig gas en het aardoppervlak werd rigoureus ontdaan van organismen die niet voldoende door water werden beschermd. Anderzijds kon dit zuurstof door kosmische straling worden omgezet in een laag ozon die nieuw leven juist bescherming bood tegen diezelfde straling. Na verloop van tijd (eerder miljarden dan miljoenen jaren!) ontstonden toen structuren die de chemische kracht van zuurstof wisten te benutten voor hun energiehuishouding. Was dat onontkoombaar of een toevalstreffer?

   Uiteindelijk bleek dat het toch voordeliger was om de energie uit zuurstof en zonlicht te combineren. Micro-organismen van velerlei kunne gingen samenwerken en vormden kolonies (endosymbiose) hetgeen de eerste eencelligen opleverde. En ten slotte ons.

 

 

Dagelijks schrobben we de miljarden microben van onze huid die ons hadden kunnen beschermen tegen allergenen en ziektekiemen. Een tiental generaties geleden koesterden we onze lichaamsgeur. Tegenwoordig camoufleren we die liever. Ter compensatie van deze zelfgekozen steriliteit bevatten kunstmatige parfums geringe doses geurstoffen die in zuivere vorm ruiken naar ontbinding en uitwerpselen. Zo kunnen we ons toch nog aangetrokken voelen door onze levende medemens.

 

 

Zintuigen zijn de vensters op onze omgeving. De metafoor verwijst naar onze wens om de wereld te zien. Andere dieren leven permanent in het donker. Dat vinden we zielig. En ook een beetje eng. Bloedzuigende teken bekruipen ons in het donker. Langpootspinnen worden aangetrokken door vochtige (mond)holtes. En waarvan dromen bedwantsen?.

 

  

De echolocatie van vleermuizen en walvissen is gebaseerd op geluidstrillingen, maar zouden er ook dieren zijn die gebruik maken van radargolven (elektromagnetische trillingen)? Wellicht bestaan er dieren die radiogolven kunnen waarnemen. Op duistere plekken in grotten of diep onder water biedt dat ecologisch voordeel. Die dieren zouden dan wel zelf radiogolven moeten opwekken want waar zonlicht niet doordringt, wordt ook onzichtbaar licht gesmoord. Met de radiosignalen zouden soortgenoten elkaar kunnen vinden (voortplanting). Ook zou de omgeving kunnen worden gescand op eenzelfde wijze als dolfijnen en vleermuizen dat doen met geluid (sonar). Het bestaan van zulke waarnemingsstrategieën is niet onwaarschijnlijk, maar er is geen geld voor onderzoek. Medisch is het niet interessant (mensen zijn ongevoelig voor radiogolven) en technisch beschikken we al over superieure radarsystemen.

   Sommige vissen vinden prooidiertjes in de modder doordat ze het elektromagnetisch veld waarnemen dat met die radiogolven samenhangt. De radiogolven zijn het gevolg van processen binnen de celorganellen waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd. Hun intensiteit is echter gering zodat ze alleen van heel dichtbij kunnen worden opgemerkt. Door de uiteenlopende frequenties te bundelen, kan detectie van de prooidiertjes worden verbeterd. Een hongerige vis hoeft geen afzonderlijke radiogolven te kunnen onderscheiden, als de bron ervan maar kan worden gelokaliseerd.

 

 

Geluid is een willekeurige combinatie van luchttrillingen. Zodra er orde komt in de combinatie van geluidsgolven , noemen we het muziek. De vibraties van ons trommelvlies worden overgebracht op zenuwdraadjes die in verbinding staan met ons brein waar een min of meer aangename emotie wordt opgewekt.

    Eén van de beroemdste popliedjes uit de vorige eeuw is ‘Good Vibrations’ van de Beach Boys (1966). Om dat ‘lekkere gevoel’ naar een orgastisch hoogtepunt te leiden, had componist Brian Wilson na zes maanden en $50 000,- eindelijk gevonden wat hij zocht: de electro-theramin, ontwikkeld door trombonist Paul Tanner. De finale climax had wellicht evengoed bereikt kunnen worden met een simpel schuiffluitje als in de finale van Supertramps ‘The Logical Song’ maar of de daarmee geproduceerde combinatie van luchttrillingen wereldwijd dezelfde emotie zou hebben opgewekt zullen we nooit weten. Waarschijnlijk is dat niet .Ondanks alle waardering voor ‘Good Vibrations’ heeft het nummer het in de Nederlandse Top 2000 nooit verder gebracht dan de 52e plaats (1999). Er zijn kennelijk nog heel wat liedjes die ‘Better Vibrations’ opwekken (The Logical Song kwam niet hoger dan de 286e plaats).

 

 

Met bioluminescentie kan een organisme zijn eigen omgeving verlichten. Het duidelijk zichtbare licht kan op twee manieren ontstaan: door oxidatie van een pigment (luciferine) of door absorptie van onzichtbaar licht dat vervolgens wordt omgezet in zichtbaar licht (fluorescentie). De kleur van het licht (golflengte) wordt bepaald door de betrokken enzymen (bij oxidatie) of eiwitten (bij fluorescentie). Op dezelfde wijze zouden radiogolven kunnen worden geproduceerd. Mits organismen beschikken over orgaantjes die kunnen resoneren met radiogolven, kan onzichtbaar licht een biologische rol spelen die nog niet eerder is opgemerkt. 

   Voor hele kleine organismen zoals eencelligen en bacteriën bieden de zwakke radiogolven wellicht een middel tot communicatie en informatie uitwisseling. Hun onderlinge afstand kan immers klein genoeg zijn om de zwakke straling effectief te benutten. Dit is analoog aan de uitwisseling van coherent licht op de nog kleinere schaal van macromoleculen. Wellicht zijn door de wisselwerking emergente innovaties tot stand gekomen zoals de bacteriële kolonievorming (endosymbiose) en de intensieve samenhang van cellen (meercellige organismen).

   De genoemde macromoleculen zijn met een gewone lichtmicroscoop niet te zien. Om ze zichtbaar te maken, zijn elektronenbundels nodig. Als je wat uitzoomt kun je zien dat het molecuul een van de bouwstenen is van een pigmentkorrel, een kristallijne structuur die (een deel van het zichtbare) licht absorbeert. De dichtheid van de korrels (aantal per oppervlak) bepaalt de intensiteit van de absorptie. Via bepaalde elektronische componenten (CCD of CMOS) kan elektromagnetische straling worden omgezet in elektrische lading waarmee een (digitaal) beeld tot stand komt.10 Het beeld kan geprint worden met een printer die pigmentkorrels op het papier aanbrengt (bv. dispersie met koolstof). Als je verder uitzoomt kun je een tekening van donkere en lichtere vlakken onderscheiden, een schakering die wordt bepaald door de plaatselijke hoeveelheid elektrische lading die op zijn beurt weer afhankelijk is van de gedetecteerde elektromagnetische straling (bv. licht).

   Verder uitzoomen maken de afzonderlijke pigmentkorrels onzichtbaar. Wat je ziet zijn donkere en lichte vlekken, eventueel gekleurd maar dat is minder relevant. Het gaat er om dat je het waargenomen beeld (bv. een haar) pas herkent nadat je voldoende hebt uitgezoomd. En als je daarmee doorgaat (met uitzoomen) zie je een al of niet gevlekte vacht. En daarna een koeienkop, een Hollands weidelandschap, Nederland van boven, enz.

 

 

De illusioniste besloot haar voorstelling met een goocheltruc door zich langzaam uit te kleden en de toeschouwers een blik te gunnen op haar … en toen was ze verdwenen! De ultieme striptease: terwijl ze zich ontdeed van haar kleding bleek haar lichaam onzichtbaar. Met gesloten ogen had iemand wellicht de kunstgreep kunnen doorgronden. Maar niemand had het kunnen laten: dit moest je zien!

 

 

Waarnemingen worden door zintuigen geregistreerd en in het brein verwerkt. Daar wordt besloten welke actie moet volgen. Maar wat als men geen brein heeft? Van planten weten we zeker dat ze geen zenuwstelsel en hersens hebben. Maar we weten ook dat ze met elkaar communiceren. Als tuinbonen worden aangevreten door bladluizen gaan ze stofjes (feromonen) in de lucht afscheiden waar sluipwespen op afkomen. Waarschijnlijk lijken die feromonen veel op de stofjes die de sluipwespen zelf produceren om elkaar over grote afstand te laten weten waar ze zijn. En dat ze zich willen voortplanten. Het hoeft geen bewust proces te zijn. Als de stofjes niet aantrekkelijk waren of niet werden uitgescheiden, zouden er eenvoudig geen sluipwespen en bonenplanten meer zijn. Die zouden dan, net als de meeste planten en dieren die ooit bestaan hebben, inmiddels zijn uitgestorven.

  Onder de grond kunnen de bonenplanten elkaar bovendien via schimmeldraden aanzetten tot het afgeven van feromonen, indien nodig. De stofjes die slechts in zeer geringe concentraties nodig zijn, worden kennelijk via de sapstroom door de schimmels getransporteerd. De schimmel ondervindt hier voor- noch nadeel van en fungeert slechts als doorgeefluik.

  Feromonen worden veelvuldig nagemaakt. Soms door andere dieren: een Zuid Amerikaans spinnetje lokt motten door een stofje af te scheiden dat de insecten zelf maken om elkaar te kunnen lokaliseren. Soms door mensen: de katoen vretende larven van een nachtvlinder worden bestreden door een overmaat van het nagemaakte seksferomoon van de vlinder in holle staafjes tussen de struiken plaatsen. Daar raken de insecten zo van in de war dat ze nauwelijks meer tot een succesvolle paring komen.

  Er zijn ook dieren die elkaar vinden door middel van lichtsignalen. Verschillende soorten vuurvliegjes knipperen als vuurbakens met verschillende typen intervallen. De bedoeling is natuurlijk dat soortgenoten elkaar zo weten te vinden om zich te kunnen voortplanten. Maar sommige soorten bootsen de signalen van andere na om de gelokte beestjes op te eten. In plaats van een sekspartner vinden ze een verslindend monster.

  Dit is bekend omdat we het kunnen zien. Maar hoeveel gebeurt er niet buiten onze waarneming om? Hoeveel planten en dieren en andere organismen zijn er niet uitgestorven omdat ze niet op tijd pasten in de evolutionaire keten van toevalligheden? Hoeveel blijft er voor altijd verborgen en zullen we nooit weten? Is dat niet het antwoord op de vorige vraag?

 

 

De huisapotheek was uitgerust met een orgonstraler, een hoogfrequentieapparaat en een bioptimator. De planken waren gevuld met talloze bokalen vol kruidenextracten waaronder vloeibare groenlipmossel met curcumine en Ribes nigrum en aftreksels van duivelsklauw, vrouwenmantel en brandnetel. Een bijzondere plek was ingeruimd voor de geneeskrachtige edelstenen en het bergkristal. De trommels met kunstig beschilderde vellen leken misplaatst maar bleken te horen bij de muziektherapie.

 

 

Er zijn heel wat wezens die zich anders voordoen dan ze werkelijk zijn. Niet alleen vuurvliegjes belazeren de boel om aan hun gerief te komen of om zelf de dans te ontspringen. De onzichtbare slangen van Isla Boracho zijn berucht vanwege hun onverhoedse aanvallen en lokale talrijkheid. Hun prooidieren hebben geen idee wat hen overkomt als ze gepakt worden en roofvogels krijgen hen niet in het vizier. Veel micro-organismen vermommen zich met eiwitten in hun buitenmembraan. Ziekteverwekkers kunnen zo ons afweersysteem misleiden en sommige vaccins kunnen daardoor zelfs ons slaappatroon verstoren. Er zijn bloemen die insecten lokken met geurstoffen of door het uiterlijk van die beestjes na te bootsen. Het benieuwde bezoek verspreidt daarop hun stuifmeel. Sommige planten hebben onweerstaanbare vruchten, sappig en geurig, maar voorzien van een dodelijk gif. Het overleden kreng dat ervan gesnoept heeft, fungeert als bemesting van de verorberde pitjes. Een kevertje imiteert de geur van mieren waarna het zich tegoed doet aan de larfjes. Zulke pedofagen vinden we ook onder muilbroedende vissen die net doen of zij de biologische ouders zijn van die jonkies om ze vervolgens met schub en graat te verslinden. Vogels die het schrille tjirpen van jongen nadoen en zich lekker laten verwennen.

  Het gaat vrijwel altijd om zelfverrijking. Geen wonder dus dat ook mensen gretig gebruik maken van vervalsingen en maskerades. Je weet niet wat het oplevert! Maar wat als de waarheid zelf ons een loer draait? En alles anders is dan we altijd dachten?

  

 

 

Informatie is waar alles om draait. Het is de essentie van ons heelal. Er wordt wel beweerd dat ruimte, tijd, kracht en straling de fundamenten vormen ons universum. Maar aan de basis van alles ligt de bit, de eenheid van informatie. Met de huidige informatietechnologie kan eenvoudig een alternatief universum worden gemaakt. De vertrouwde wereld kan met een simpele ingreep veranderen in een listig luilekkerland. Een misleidend labyrint. De bedrieglijke werkelijkheid is wat de grootste bek beweert. Waar waarheid is, is bedrog en niemand weet zeker wanneer de leugen regeert en wanneer niet. Er is één troost: de waarheid is transparant, dat wil zeggen toetsbaar. Nu maar hopen dat de toetssteen geen doornappel is. Een imitatie. Vals.


Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

William Agosta. Geurentaal. Natuur &Techniek, 1995

David Byrne. Hoe muziek werkt. Xander Uitg., 2014

Alain Corbin. Pestdamp en Bloesemgeur. Sun, 1986

Pascal Lefèvre. Beeld en visuele waarneming. Lannoo, 2018

John Polkinghorne. Quantum theorie. Spectrum, 2003

Roger Penrose. De nieuwe geest van de keizer. Prometheus, 1990

Sybren Polet. Droom van de oplichter: werkelijkheid. Bezige Bij, 1977

Marcus du Sautoy. Wat we niet kunnen weten. Uitg. Nieuwezijds, 2017

Dimitri Verhulst. Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Contact, 2009

Licht kan worden opgevat als een bundel trillingen met een golflengte van ongeveer 5.10-4 mm of als een bundel deeltjes (fotonen) die alleen in energie zijn uit te drukken: de energie van een lichtdeeltje is ongeveer 13.10-26 J. In beide gevallen veel te klein om te kunnen onderscheiden (hoewel onze staafjes gevoelig genoeg zijn om in volledig duister afzonderlijke fotonen te kunnen opmerken).
Het gaat hier niet om de bekende rood-groen-kleurenblindheid die vooral onder mannen vrij veel voorkomt, maar om de afwezigheid van het vermogen om elke kleur te kunnen zien. Deze zeldzame kwaal wordt gewoonlijk veroorzaakt het ontbreken van verschillende typen gezichtscellen in het netvlies (http://www.oogartsen.nl/oogartsen/glasvocht_netvlies/kleurenblindheid/ ).

Over monochromasie bij haaien zie: http://link.springer.com/article/10.1007/s00114-010-0758-8.

Bij Bolt is de oorzaak van psychologische aard. Hij ziet de wereld zoals een automobilist de verlichte snelweg ziet: door het monochromatische natriumlicht ziet hij geen verschil tussen blauwe en rode auto’s.

 

De kleurgevoeligheid van de kegeltjes wordt bepaald door de absorptiespectra van de visuele pigmenten die ze bevatten: 426 nm (blauw), 530nm (groen) en 557 nm (geel) [Nature 356, 433 - 435 (02 April 1992)].

Ultraviolett straling is afkomstig van de zon. Er zijn geen natuurlijke omstandigheden waar UV kan doordringen en het zichtbare licht wordt tegengehouden.
Deze zogenaamde Bekenstein-Hawkingstraling ontstaat door kwantumvacuürmfluctuaties waarbij gepaarde deeltjes en antideeltjes ontstaan. Zie ook:
  De Plancklengte is de kleinst mogelijke lengte in het universum (gebaseerd op een aantal universele constanten) en bedraagt 1,616 x 10-33 cm (ter vergelijking: een elektron is ongeveer 10-13 cm groot).
De lichte en donkere vlakjes zijn feitelijk gekleurde vlakjes met slechts 5 kleuren (blauw, cyaan, groen, geel en rood) die elk een golflengtegebiedje vertegenwoordigen. Door de geringe maar wel aanwezige variatie werken de kleuren als isobaren: gebieden met dezelfde kleur hebben dezelfde temperatuur.
Virtuele deeltjes zijn emergente paren van deeltjes en antideeltjes die hooguit 10-23 seconde bestaan.
Interferentie is het verschijnsel dat verschillende golflengtes elkaar versterken dan wel uitdoven. Bij levend materiaal is het vooral van betekenis bij het ontstaan van kleurpatronen (seksuele aantrekking) en mimicry (camouflage; afschrikking).

Coherentie is een speciale vorm van interferentie waarbij golflengtes in fase elkaar alleen maar versterken; het principe van de laser. In levend materiaal speelt het een rol op celniveau in de vorm van fotonen-overdracht tussen eiwitten.

Luminescentie ontstaat doordat (onzichtbaar) licht (of een chemisch proces) energie overdraagt op elektronen in de materie, waarna die elektronen de energie in de vorm van zichtbaar licht (andere golflengte) uitstraalt. In levend materiaal speelt het o.a. een rol bij het verlichten van een omgeving waar nauwelijks zichtbaar licht aanwezig is.

Gepolariseerd licht bevat alleen trillingen in hetzelfde vlak. In levend materiaal wordt het regelmatig waargenomen ten behoeve van o.a. oriëntatie en lokaliseren van voedsel.

De hoeveelheid elektrische lading (elektronen) is afhankelijk van de hoeveelheid straling dat wordt opgevangen door minuscule condensatoren die vervolgens de beeldpunten (pixels) vormen. De toegepaste fotodiodes kunnen, afhankelijk van de gebruikte materialen en constructie, een brede spectrale gevoeligheid hebben. Met behulp van filters kan dit worden beperkt tot een bepaald golflengtegebied (bv. kleur).
Zie ook: Röntgendiagnostiek in de ruimte: lijnen in het heelal (https://personal.sron.nl/~kaastra/oratie/oratie.pdf).
De lichte en donkere vlakjes zijn feitelijk gekleurde vlakjes met slechts 5 kleuren (blauw, cyaan, groen, geel en rood) die elk een golflengtegebiedje vertegenwoordigen