DE SNEK

Rechtsom of linksom, hoe krult de tijd?

 

 

In de middeleeuwen domineerden de rivaliserende stadstaten Genua en Venetië de noordelijke handelsroutes langs de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee. Beide staatjes dongen naar de gunsten van de Rijken in het Oosten,waarbij geen middel werd geschuwd. Met steekpenningen aan de Gouden Horde verwierven Genuese kooplieden de Venetiaanse handelspost Caffa op de Krim. Waarop de Venetiaanse pantalones de Moguls, de Tataarse heersers aan wie de Gouden Horde schatplichtig was, opstookten om de stad te heroveren.

   Ondanks een overmacht aan manschappen lukte het de Gouden Horde niet om Caffa weer in te nemen. De Genuese boogschutters beschikten over kruisbogen waarmee ze zowel snel als ver doel konden raken. Uit frustratie katapulteerden de Mongolen de vesting met de lijken van soldaten die aan de pest waren overleden. Hun vergane lichamen spatten tegen de gevels binnen de muren van de vesting uiteen terwijl de Mongoolse troepen zich terugtrokken.

   In de jaren daarop werd het hele continent geteisterd door de Zwarte Dood, die tussen 1347 en 1351 ruim een derde van de Europese bevolking het leven kostte.     

 

 

In de zompige Lage Landen kon slechts een handjevol boeren over goede grond beschikken, de rest moest de kost verdienen met vissen, turfsteken of zout zieden. Tenzij je handig was of een belangrijke meneer kende, was je een speelbal van het lot en de elementen. Die laatste waren in het moerasrijke gebied tussen Dordrecht en Antwerpen voor sommigen geduchte kwelgeesten en voor anderen juist brengers van geluk en voorspoed.

   De jaarlijkse overstromingen die door verwaarlozing van de dijken en ongecontroleerd turfsteken grote delen van het land onder water zetten, kon voor sommige handelssteden, zoals Dordrecht zelf, fnuikend zijn maar verschaften tegelijkertijd nieuwe visgronden.

   Het natte en droge land tussen Brabant en Holland wisselden elkaar zodanig af dat eigenlijk niemand voor langere tijd bestaanszekerheid had en inventiviteit voor de gewone mensen een tweede natuur werd. De hoge heren van Brabant en Holland rekenden erop dat de listen, die toch bedacht werden door de mensen om zelf te overleven, meer penningen zouden opleveren. Smeulende rivaliteit tussen steden als het Brabantse Geertruidenberg en het Hollandse Dordrecht werd dan ook aangewakkerd, wellicht zelfs ontstoken.

   Toen Geertruidenberg door pest getroffen werd, waren veel mensen de stad ontvlucht. Palingsteker Gart Janse was naar Dordrecht gegaan. Zijn kinderen waren dood, alleen zijn kleinzoon Janne was nog in leven en die had hij toen maar onder zijn hoede genomen. In Dordrecht had hij Riet ontmoet, een vissersvrouw die zijn dochter had kunnen zijn en die op haar beurt viel voor Janne, het kind dat zij niet had kunnen krijgen. En zo was de jongen voorbestemd voor het vissersleven.

 

Janne Janse deed  zijn vondst per ongeluk.

   Bij het ophalen van het net kon hij het gewicht van de buit al voelen maar voordat deze binnen was, brak de lier. Stomme pech, alles weg; niet getreurd, opnieuw gepeurd. De wijsheden van zijn grootvader zaten in zijn kop gebeiteld, ook al liet de oude visser het binnenhalen nu helemaal aan hem over. Zelf deed hij de kraam, met Riet voor het kaken. Een volmaakte taakverdeling.

   Dat bleek ook nu weer. Met veel moeite had hij de kapotte lier voorlopig kunnen herstellen. De as had hij vervangen door een oud stuk roeispaan en hij merkte dat het ophalen van het net nu veel gemakkelijker ging . Eerst drong dat niet tot hem door omdat hij verwachtte dat de vangst verloren was. Maar toen hij tot zijn blijdschap zag dat de totebel was afgeladen met elft begon het idee post te vatten dat het de Lieve Heer had behaagd zijn volharding te belonen.

   Totdat de volgende volle vangst weer net zo zwaar was als vanouds. Hij begon al te geloven dat Gods loon éénmalig was, toen er iets gebeurde. Bij het binnenhalen van weer een net vol vis zag hij het touw rond de provisorische windas verspringen van een dik naar een dun deel. Tegelijkertijd voelde hij hoe het gewicht van de buit plotseling was toegenomen. Nadat hij iets dergelijks een aantal malen opnieuw had waargenomen, werd het hem duidelijk: hoe dikker de as, hoe lichter de vangst.

   Vooral als het visnet boven water kwam, werd het soms te zwaar om het verder op te takelen. Dan moest je het laten zakken om een deel van de rijke buit te laten wegzwemmen. In dat geval zou een dikkere as uitkomst kunnen  bieden.

   Nu het idee eenmaal had postgevat hoe hij eenvoudig meer vis kon vangen, liet het hem niet meer los. Hij zou het aan Joep voorleggen. Zijn boezemvriend Joep Soetemelck dreef in Dordrecht een nering in wagenwielen en was bijzonder vindingrijk en handig. Hij had goed gereedschap en zou hem vast willen helpen.

   Janne ging zo op in zijn plannen dat hij het vreemde vaartuigje pas opmerkte toen het vlakbij was. Het deed hem denken aan een opgezwollen zeug die een tijdje in het water had liggen rotten en de berijder maakte heftige trapbewegingen alsof hij zich – in Jannes ogen – ervan wilde bevrijden. Voor het overige maakte hij, vreemd genoeg, een opgewekte indruk.

   “Kom ik zo in Antwerpen?”

   Hij wees over het water naar het zuiden terwijl hij iets te eten tussen zijn vreemde uitdossing vandaan haalde.

   “Ook een stukkie?” Hij reikte Janne iets bruins aan.

   De vreemde verschijning en zonderlinge tongval hadden Janne met stomheid geslagen. Toen hij eindelijk zijn stem terugvond wilde hij allereerst weten wat voor bootje dat was

   “Een waterfiets, dat zie je toch wel?” verklaarde de ander, wat bevreemd.

   Wacht maar tot die zeug ontploft; dan is het water pas vies.

   Peinzend proefde Janne van het bizarre baksel terwijl hij zich afvroeg wat die rare snoeshaan in zijn schild voerde. De weelderige smaak  deed hem braken, zoiets was hij niet gewend. Hij spoelde zijn mond met brak water en zag dat de merkwaardige vreemdeling zich alweer in zuidelijke richting repte. Hij stak nog wel een hand op maar keek niet meer achterom.

   Wat een rare dag. Eerst die goddelijke ingeving en dan zo’n kadaverbootje met een stuurman die me wil vergiftigen. Dat moet de duivel zijn geweest. Tijd om op te breken.

 

Joep Soetemelck was een echt stadskind.

   Ook als de pest niet heerste, overleden er meer baby's in de stad dan daarbuiten. En voor wie zijn kindertijd overleefde, lag er zelden een beloftevolle toekomst in het verschiet.

   Joep had geluk gehad.

   Als jongen woonde hij tegenover een wagenmakerij, waar hij kind aan huis was, geobsedeerd door al dat rijdend materieel. De ambachtslieden hadden schik in zijn doelgerichte belangstelling en verstandige vragen. Ze maakten hem, zonder  verwachtingsvolle bijbedoelingen, deelgenoot van de geheimen van hun gilde. Ze hadden geen idee van de gevolgen, maar ook anders zouden ze het niet hebben nagelaten, daarvoor was Joep veel te leergierig.

   Toen kort na elkaar de 1e en 2e timmerman én de voorman door de pest geveld werden, was er een ernstig tekort aan werknemers ontstaan om aan de niet aflatende vraag naar transportmiddelen te blijven voldoen. Zodoende werd de behulpzame assistentie van de ongediplomeerde Soetemelck gepromoveerd tot volwaardige arbeid. Hij kreeg een aanstelling, voorlopig weliswaar, maar hij deed zijn werk zo naar behoren dat er geen sprake van was dat zijn plaats zou worden ingenomen door een ander. Een gediplomeerd wielenmaker, die was er eenvoudig niet. En Joep was de beste, die kon maken wat-ie wou.

   Dat gold trouwens niet alleen voor rijtuigen, als er maar beweging aan te pas kwam dan had het zijn belangstelling. Zo konden de vreemde apparaten die hij zag toen hij een keer een paar wielen moest afleveren bij de stedelijke wapenfabriek hem 's nachts uit zijn slaap houden. Wat zou hij zich dáár graag mee bezighouden, met zulke ingenieuze apparaten. Maar voor een plek binnen die contreien moest je wel een hele goede binnenkomer hebben.

   Jarenlang fantaseerde hij over ontwerpen om het oorlogstuig te verbeteren. Dus toen Janne hem over zijn succesvolle visvangst vertelde, begreep hij onmiddellijk waar het om ging.

   “Krijg de ziekte! Man, ik snap het, ik denk dat ik het snap.”

   Op dat moment stond zijn hoofd echter nog niet naar een technische uitleg. Het was Vette Dinsdag en ze zouden de avond doorbrengen in Geertruidenberg. En daarvoor moesten ze het water op, met Jannes boot. Niet Joeps favoriete vervoermiddel.

   Gelukkig was het rustig weer. De trek in spekpannekoeken was hem tijdens de overtocht niet vergaan en hun bescheiden viering van de Vastenavond leek hem een gepast gebeuren om Janne in te wijden in de magie van de bewegingsleer; een soort koppelmoment.  

   “Dat is een primitieve snek die je daar gemaakt hebt.” Met een blik op het niet-begrijpende gezicht van zijn vriend vervolgde hij: “Een soort spiraalvormig windsel, als een slakkenhuis. Hoe dunner de as, hoe minder kracht je hoeft te zetten. Ik heb het idee verwerkt in een ontwerp voor kruisbogen, zodat je de pees sneller kunt spannen.”

   Omdat Janne nog niet begreep wat hij probeerde duidelijk te maken, ging hij zich te buiten aan een wiskundige verhandeling over hefbomen en katrollen, maar dat had een averechts effect. Het leek hem daarom handiger om de werking van het mechaniek uit te leggen aan de hand van een tekeningetje.

   Naast hen op de bank in de herberg, waar ze zich na de maaltijd tegoed deden aan de lokale drank, hing een man met gesloten ogen tegen een steunpilaar. Gezien zijn kledij leek hij uit het Oosten te komen. De beschonken doezelaar werd onverwacht wakker. Zijn vlekkerige vingers tastten naar de beker mede die nog onaangeroerd voor hem op tafel stond. Met een blik op de schets die Joep in het tafelblad had gekrast, riep hij verrast:

   “Ener schnek! Dazzis de schnek die ik gemacht heb!” Zijn uitroep leek verontwaardigd maar zijn gezicht stond nieuwsgierig en zijn toelichting was ontwapenend. Hij had net zo’n spiraalvormig apparaat bedacht, verklaarde hij, maar eerst had zijn ontwerp een omgekeerde werking gehad. Daarmee zouden de automatische mechaniekjes – waar de hertog zo dol op was – op een meer natuurlijke wijze bewegen, doordat tijdens het ontspannen van de veer de aandrijving verliep van de dikke naar de dunne as. Hij had het plan opgevat om er aan het hof in Brussel goede sier mee te maken.

    Maar iemand was hem vóór geweest.

   “Jij bent wat je noemt een pechvogel. Hoe heet je eigenlijk?” Joep keek zijn buurman medelijdend aan. “Maar je uitvinding is geniaal.”

   “Danke. Ik heisse Joachim, Joachim Bulla. Hallo.” Ze schudden elkaar de hand.

   “Wat ga je nu doen, Joachim?” mengde Janne zich in het gesprek. Hij had meer zin in sociaal contact dan een college. “Het lijkt me trouwens geen pretje om zo ver van huis te zijn. Het moet hier wel erg drassig zijn voor iemand uit de bergen, niet?”

   “Welnee, Janne,” bromde Joep mijmerend, “reizen is juist ontzettend boeiend. Als ik de kans krijg …”

   “Jullie haben beiden recht.” Joachim hief zijn drinkbeker. “Reisen ies spannend. Man ziet unbekante werelden wo man gein weet von hat. Die sonne in die see zu zien schitteren, dazzis fabelhaft. Aber ik vermisse auk die beschneeuwde bergspitzen, zu hause.” Hij leegde de mok in één teug.

 

Joachim Bulla zocht het geluk.

   Dromerig verzekerde hij zijn tafelgenoten dat de wereld echter zijn ogen geopend had. In zijn geboortestreek had men zijn romantisch gemijmer opgevat als een heimelijke poging om het harde boerenleven te ontlopen. Als anderen zich de tandjes werkten, zat hij dromerig voor zich uit te staren. Volgens sommigen in devote meditatie, in de ogen van de meesten uit ledigheid. En was dat niet des duivels oorkussen? Jochem kon beter weggaan.

   Zelf had hij zich weinig aangetrokken van die vijandige houding. Er waren maar twee dingen die hem werkelijk interesseerden: de goddelijke influisteringen in zijn hoofd en de verre landstreken waar de zon onderging. Bovendien kon hij heel aardig tekenen, zowel de dingen die hij zelf bedacht als de beelden die hij zag. Zelfs de dorpsbewoners ontbraken niet in zijn schetsboek maar die hadden daar geen enkele belangstelling voor.

   In tegenstelling tot de marskramer die jaarlijks het dorp aandeed. Na een waarderende blik op de prenten had hij hem verteld over de verlokkingen van de zee, en Joachim had zich vast voorgenomen ooit met hem mee te gaan naar het Westen. Ooit zou hij afdalen naar het dal van de rivier en haar loop volgen, stroomafwaarts.

   Toen het zover was, voelde hij geen enkele wroeging jegens de mensen in zijn dorp. Hij voelde alleen de verwachtingsvolle opwinding van iemand die op reis gaat.

   Tijdens zijn zwerftochten met de rondtrekkende koopman leerde hij de wereld kennen. Die wereld was niet zo heel anders dan hij had verwacht al waren de mensen wel vriendelijker dan hij gewend was geweest. Dat kwam natuurlijk door de marskramer, die bracht dingen rond waar men al maanden om verlegen zat. Daarom werden ze overal gastvrij onthaald en vond hij steeds de beschutting en gelegenheid om zijn goddelijke influisteringen uit te werken.

   Daartoe had de vrome handelaar hem van wat perkament en houtskool voorzien, zodat de jongen zijn ingevingen kon optekenen en de mensen die ze ontmoetten kon portretteren. Hij had schik in zijn pupil, de zoon die hij zelf niet wenste, maar hij was zich tevens bewust dat zijn nering de jongen niet interesseerde, dat de jongen vroeg of laat zijnsweegs zou gaan. Die droevige gedachte verdrong hij dan snel met een vaatje bier.

   Op zulke momenten drong hij er bij Joachim op aan om zijn tekeningen te signeren, maar die weigerde steevast. De tekenaar zag zichzelf slechts als het instrument om de goddelijke influisteringen zichtbaar te maken en zijn talent was niets anders dan de hand van God. Niet de zijne, dus.

   Het ‘geluk’ straalde Joachim onverwacht toe, toen op een kwade dag de marskramer, verblind door de plotseling doorgebroken lage zon, overboord viel van het schip waar hij zijn waar had aangeprezen, en verdronk. De schipper, kennelijk begaan met het lot van de jongen, vroeg Joachim aan boord te blijven en mee te varen als scheepsmaat. Zo had hij kost en inwoning en ging hij de zee tegemoet. Kon hij zich wijden aan de influisteringen al was dat met bezwaard gemoed. Hij was in de loop van de tijd gehecht geraakt aan de introverte handelaar, die had hem steevast in zijn waarde gelaten, hem eerder gedoogd had dan dat hij zich over hem had ontfermd.

   Geluk? Wat was dat eigenlijk?

   Aan boord van het vaartuig was hij in elk geval niet gelukkig. De schipper misbruikte hem voor al het achterstallige en reguliere onderhoud van de boot, maakte hem hardhandig wakker voor elk pietluttig klusje en gaf hem geen enkele kans om zich over te geven aan gemijmer of tekenen. Zo’n harde opvoeding zou wellicht louterend hebben gewerkt, ware het niet dat de kerel zich steeds meer verloor in de scheepslading inheemse wijnen. Hij wilde zijn slaaf wel laten delen in het drankfestijn – en Joachim moest toegeven dat het hem goed smaakte – maar erg lang duurde zo’n feestje nooit: de gezagvoerder had een kwade dronk en zat hem dan nog meer achter de vodden. Nee, de dwingelandij van de schipper woog, ondanks die feestjes, niet op tegen het gemak en de snelheid van de boottocht.

   Hij verliet na enige tijd de aak om zijn tocht stroomafwaarts te voet voort te zetten. Hij vond geregeld onderdak in kloosters en abdijen. De geestelijken die hij daar ontmoette, waren gul met voedsel en wijn maar hadden te vaak een verborgen agenda. Ze wilden hem graag de biecht afnemen en samen met hem bidden, hem ‘liefdevol’ ontlasten van zijn wereldse verlangens en zijn laatste centjes. Dat hij Gods wegen liever op eigen gezag bewandelde, zo hij beweerde, beschouwden zij als blasfemie. Hoe had hij gedacht zonder hen ooit God te kunnen vinden? Had hij zich nooit afgevraagd waar zijn tekentalent vandaan kwam?

   Die plakkerige vleierij bespoedigde telkens weer zijn vertrek. Hij was trouwens niet op zoek naar God maar naar geluk, al scheen dat voor sommigen op hetzelfde neer te komen.

   Bij de grens van wat ooit tot de Bourgondische Nederlanden zou behoren, werd hij ingewijd in wat men de Moderne Devotie zou gaan noemen. Uit protest tegen de corrupte kerkvaders en zich misdragende kloosterlingen, verkondigden gewone lieden dat ieder mens verantwoordelijk was voor zijn eigen zielenheil. Om God te vinden, had men die Roomse gidsen echt niet nodig. Men kon ook wel in zijn eentje bidden. Desnoods van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.

   Die gedachtegang beviel Joachim wel. Zo zat hij zelf ook in elkaar. Voor zijn goddelijke influisteringen had hij evenmin een geestelijke nodig als voor zijn queeste naar geluk. Geluk lag in het westen en het westen was waar de zon onderging. Zo eenvoudig lag het.

   Er was één probleem: wat gekrabbel op papier was nog geen eten en drinken en een dak boven zijn hoofd. Aanvankelijk was het de morele zorgplicht van de marskramer geweest die hem van het noodzakelijk had voorzien. Later was het de christelijke gastvrijheid van willekeurige medemensen geweest die hem huis en haard had verschaft. Maar als hij zijn eigen verantwoordelijkheid wenste te dragen, dan moest hij niet langer als een soort bedelmonnik langs de deuren gaan, dan werd het tijd om op eigen benen te staan en zijn eigen kostje bijeen te garen.

   Zwervend door het hertogdom Brabant kwam hij erachter dat bedelen vaak meer opleverde dan knechtenarbeid. Desondanks probeerde hij het schooien te vermijden en nam de armzaligste klusjes aan. Maar noch het één noch het ander leverde voldoende op om zijn oplopende uitgaven in dranklokalen en herbergen te voldoen.

   Toen hij eens met een ‘lege maag’ op zoek was naar een slaapplaats struikelde hij over een zwerfkei en viel uitgeput op de zanderige, maar gelukkig droge grond. Het voelde of hij in een put met veren stortte. Hij sliep onmiddellijk in.

   Er was niets dan duisternis.

   Tot een gerucht hem wakker maakte en hij de flikkering van vlammen zag. Hij schoot overeind en staarde naar de witte engel die onderzoekend op hem neerkeek.

   “Jij bent Joachim Bulla en ik breng je geluk. Ik heb een kampvuur aangelegd en hier is proviand. Meld je aan bij het garnizoen van de hertog, dan komt de rest vanzelf. Ik moet er weer vandoor.”

   Nog voordat Joachim kon reageren, was de moeilijk verstaanbare verschijning op het paard geklommen, dat onopvallend in de schaduw had staan grazen, en vertrokken. Joachim riep hem na maar kreeg geen antwoord. Zelfs hoorde hij geen hoefgetrappel. Had hij het allemaal gedroomd?

   Die nacht zou hij de slaap niet meer vatten. Nadat hij eindelijk weer wat gegeten had en door het vuur was opgewarmd, was hij bij het eerste ochtendlicht op pad gegaan. Het kostte hem weinig moeite om zich aan te sluiten bij het garnizoen, daar was altijd plaats voor radeloze jongeren die voor een schijntje ieder bevel opvolgden. Niet dat hij zich voor elk karretje zou laten spannen maar voorlopig was hij weer even onder de pannen.

 

In de herberg in Geertruidenberg kwam Soetemelck net terug van achteren toen Janse luidruchtig zijn neus snoot en Bullo opschrok uit een mijmering. Wat afzijdig van het feestgedruis dronken ze hun gerstenat en mede en met een knipoog naar Joep vroeg Janne:

   “Zeg Joachim, die engel, die was ineens gevlogen, niet?”

   Gekwetst wendde Joachim zich tot de Hollanders.

   “Hij was gein cherub, hij was ener botschaffer, gans zeker! Sein lange kleid was blank als schneeuw aber sein haren waren schwart, niet blond en gein fleugel. Ins armee gehen was ener goeter rat. Ach, der engel was zeer schoon aber mooglijk was hij ener werber, ener ronselaar.”

   Voorts vertelde hij weemoedig over het soldatenleven. Er was geen sprake geweest van een macho-mannen-maatschappij. Integendeel, de meesten hadden een vriendinnetje of zelfs een heel gezin bij zich en ze gedroegen zich als doodgewone dorpsbewoners al heette het hier een garnizoen. Er waren meerdere oosterlingen geweest met wie hij zijn eigen taal had kunnen spreken. Hij had vrienden gemaakt. Met de dochter van een oudgediende had hij spannende uren beleefd. Wat hem betreft had die relatie langer mogen duren, maar haar vader werd overgeplaatst en nam zijn gezin natuurlijk mee.

   Dat was de keerzijde: de garnizoensleden waren ‘eigendom’ van de hertog en als die vond dat er versterkingen nodig waren langs de Maas, bij de grens met het hertogdom Gelre, dan had je maar te gaan. Bovendien waren tijdens zijn gezapig garnizoensleven de influisteringen verstomd. God had het wel welletjes gevonden, zijn beeldreservoir stond droog (de rest nog niet want het was gebleken dat brandewijn heel doeltreffend was om verveling te verdrijven).

   Het geluk had hem evenwel nog niet in de steek gelaten. Op verzoek van het graafschap Vlaanderen had de hertog het bevel uitgevaardigd om vrijwilligers op te roepen. Zij zouden opstandelingen in Brugge moeten kalmeren. Joachim had zich direct aangemeld. Brugge lag tenslotte vlakbij zee en bovendien werkten er in de Vlaamse steden tal van mekaniekers en werktuigkundigen die om zijn eerdere influisteringen verlegen zaten, daarvan was hij overtuigd geweest.

   “Nah, das was schijt. Niemand was intressiert. Keiner!”

 

Tegen de tijd dat hij in Brugge aankwam, waren de burgers reeds voldoende gekalmeerd. Met de ergste raddraaiers was korte metten gemaakt en de rest had bij voorbaat al door honger en uitputting nauwelijks fut gehad voor een serieuze confrontatie. Voor de Brabantse vrijwilligers viel weinig eer te behalen. Zo bracht Joachim de meeste tijd weer net als vroeger door in ledigheid.

   Tijdens zijn omzwervingen door de stad, op zoek naar iemand die misschien interesse voor zijn mechanische schetsen had, stuitte hij op het oefenterrein van de kruisboogschutterscompagnie. De compagnie kon door de graaf worden ingezet ten tijde van schermutselingen met de milities van de Franse koning, maar het geschut was verre van handzaam. De kruisbogen die de schutters hanteerden, waren omvangrijk en zwaar. Het vergde heel wat tijd en bovendien de hulp van een schildknaap om een pijl weg te schieten, maar op Joachim – die enkel eenvoudige handwapens gewend was – maakte het schiettuig grote indruk. Of hij ook kon meedoen?

    Zijn achtergrond als militair – hij had zijn loopbaan bij het garnizoen wat aangedikt – was alvast een leuke aanbeveling om tot het boogschuttersgilde toe te kunnen treden, maar er werd nog wel wat meer van hem verwacht. Voorlopig mocht hij meedoen als schilddrager om de schutters te assisteren en hij was de hemel te rijk toen hij begrepen had dat zijn overplaatsing van het Brabantse garnizoen naar de Vlaamse schutterscompagnie eenvoudig voor hem zou worden geregeld. Hij vermoedde dat de hertog wel begrip had kunnen opbrengen voor zijn geestdrift voor de kruisboog.

   In de weken die volgden werd het hem snel duidelijk dat de enorme kruisbogen nogal onhandig in gebruik waren. Om de pees te spannen moest het uiteinde van de boog in de grond gestoken worden om de schutter in staat te stellen genoeg kracht te zetten waarbij hij de boog met een voet moest tegengehouden. Dat nam veel tijd in beslag en leidde tot spierpijn. Maar als de pijl eenmaal geschoten werd, há, dan kon hij zo drie man doorboren! Wat een geweldig wapen zou dat zijn als het wat handzamer was. En, halleluja, daar klonk zowaar geroezemoes vanbinnen, een gedachte borrelde op uit het niets, zo leek het. Koortsig schetste hij de omgekeerde versie van een vroeger idee: een rechtsdraaiend slakkenhuis in plaats van een linksdraaiend, zogezegd. Wat hem nu te doen stond was de boogmakers in de werkplaats overtuigen van de geweldige mogelijkheden van zijn bedenksel.

   Helaas, hij had te vroeg gejuicht, zijn geluk was nog niet onvoorwaardelijk. De overstap van het garnizoen naar het schuttersgilde was nog niet geregeld. Hij moest zijn beweegredenen op papier zetten en daarmee persoonlijk de hertog verzoeken zijn overstap goed te keuren. De ambtelijke molen! Ondertussen werd hij verondersteld zich naar zijn oude legerplaats in Brabant te begeven. Het garnizoen was al onderweg.

   Nadat zijn ergernis enigszins bekoeld was, besloot hij troost te zoeken in de stad. Mijmerend achter zijn vijfde pint (of was het zijn zesde?) staarde hij in de Hertsberghe afwezig naar de rossige uitslag op zijn onderarmen. Zich afvragend of hij nog steeds in het leger wilde blijven, werd zijn aandacht afgeleid door een toenemend rumoer op het plein vóór de tapperij. Hetzelfde moment trad een in een lang gewaad gehulde verschijning binnen en stevende recht op zijn tafel af. Naderbij komend sprak hij met het hakkelende stemgeluid dat Joachim vaag bekend in de oren klonk:

   “Dat was geen slechte tip van mij, toch, het garnizoen? Maar rechtsom of linksom, hoe krult de tijd?”

   Verbijsterd staarde hij in het donkere gelaat. De witte engel was geen spat veranderd, liet hem in verwarring achter en sprong met wapperende mantel de trap op naar een hoger gelegen verdieping.

   Het rumoer buiten was ondertussen toegenomen en omdat hij toch niet goed wist wat hem overkwam, schuifelde Joachim met de pul in zijn hand naar buiten. De menigte bestond uit verschillende groepjes mannen in uiteenlopende kledij die druk gebarend met elkaar leken te onderhandelen. Bij het gilde had hij vernomen dat kooplieden uit heel Europa hiernaartoe kwamen in de hoop goede zaken te doen. Even meende hij de witte engel te zien maar besefte dat die in de herberg was verdwenen. De man in de lange jurk viel hem op omdat hij op dezelfde manier gekleed was als de spookverschijning van daarnet.

   Joachim liep op hem af en vroeg hem zonder omhaal of hij soms naar Brabant ging. De man staarde hem verbaasd aan en toen, met een blik op de halflege pul, antwoordde hij dat Joachim dat geen zier aanging, maar, inderdaad, hij was van plan diezelfde dag nog door te reizen naar het noorden. Dan kwam hij door Brabant, toch? Was meneer bekend in die contreien? Zocht hij soms een baantje als schildknaap?

   Hij aarzelde maar even, gaf te kennen dat hij de omgeving kende als zijn broekzak en sprak af hem later die middag op het plein weer te ontmoeten. Dat gaf Joachim de gelegenheid zijn schetsboeken en zijn plunje weg te halen uit het lokaal van het schuttershof. Zijn tekenspullen had hij tijdens zijn omzwervingen steeds met zich meegesjouwd en wat extra kleding, ook al was die niet schoon, zou nog wel van pas kunnen komen in het natte noorden.

   Ze vertrokken uit Brugge in oostelijke richting. Behalve hijzelf en de man in de witte jurk die hij op het plein had aangesproken, omvatte de kleine karavaan nog een handvol kooplieden die onderweg was naar Dordrecht. Allen waren afkomstig uit mediterrane streken en hun waar bestond voornamelijk uit exotische specerijen. Voor zover hij had begrepen – geen van hen sprak Hollands of Duits – waren ze al vaker naar het noorden geweest. Hij hoefde niet bang te zijn om te verdwalen, hij hoefde ze alleen maar te volgen.

   Met de jurk had hij meer contact. Zijn naam klonk als Sla Maoeni of Raoeni en zijn gestippelde gezichtstatoeage verraadde zijn afkomst. De Moor deed hem trouwens meer denken aan een ontdekkingsreiziger dan aan een handelaar. Over van alles wat ze onderweg tegenkwamen vroeg de kerel honderduit, waarvan Joachim maar een fractie kon verstaan, laat staan beantwoorden. Meestal begreep hij wel waar het over ging maar kostte het hem moeite om Sla’s begeestering te delen. Hij had het koud, hij had dorst en hij voelde zich belabberd. Het regende voortdurend en waaide onophoudelijk waardoor zijn oplettendheid voor het natuurschoon was ingedamd tot de voetafdrukken van het groepje kooplieden dat voor hen uit liep op het modderige pad.

   Ter hoogte van Antwerpen staken ze de Schelde over en vervolgden ze hun weg in noordelijke richting. Nu ze in Brabant waren, besefte hij dat hij de zee nog altijd niet gezien had, dat het garnizoen hem niet meer lokte en dat Dordrecht evengoed was als elke andere optie. Maar bovenal werd hij gewaar dat er iets grondig mis was met zijn ogen. Rillend boog hij zich voorover om de sporen op de weg te kunnen zien. De wazige contouren van het landschap verduisterden en zachtjes zakte hij ineen. Althans, zo voelde het.

   “Danach, als ik weder bewust war, entdekte ik die blauwe vlekken. En kopsmertsen.” Om de bloeduitstorting te tonen, stroopte hij een mouw omhoog zodat zijn blote arm zichtbaar werd.

   “Christemeziele,” hijgde Janne, met een blik op de naargeestige huidaandoening. Ze herinnerden hem aan iets afschuwelijks uit zijn kindertijd. Het begon tot hem door te dringen dat de vlekken op Joachims vingers minder onschuldig waren dan ze hadden geleken. Half overeind komend besefte hij ook dat, mocht er sprake zijn van pestilentie, hij inmiddels genoeg verziekte lucht had ingeademd om nog te ontkomen. Hij zakte terug op zijn stoel.

   “Doet het pijn?” vroeg hij benauwd. Hij vond zichzelf zondig en onschuldig tegelijkertijd.

    “Ja, en kun je nog tekenen?! Ingespannen had Joep het koeterwaals gevolgd en hij vroeg wat er met het schetsboek was gebeurd: “Waar is je schetsboek gebleven?”

   Lodderig keek Joachim van de één naar de ander. “Ik voel mij jammerlijk. Grauenhaft.”

   Met een vermoeid gebaar wees hij in de richting van een groepje feestgangers dat juist een lied had ingezet. “Mein schetsen zijn bij Sla. Der mosselman in zijn blanke kleid.”

   Zijn hoofd zakte op het tafelblad en er kwam geen woord meer over zijn lippen.

  

*

“Goud is allemansvrind.”

Grinnikend hief Vincenzo Grimaldi het glas naar zijn spiegelbeeld en toostte met zichzelf terwijl hij enkele gele muntjes uit zijn buidel haalde en tussen de plooien van zijn boezeroen liet glijden.

   De Genuese handelaar Grimaldi was in de loop van zijn leven een zelfingenomen en enigszins fatalistische ondernemer geworden. In redelijke welstand was hij opgegroeid onder de vleugels van een iets ouder nichtje. Zij was speelkameraad, beschermengel en petemoei voor hem geweest en het bekoorlijkste wezen op aarde. Met haar wilde hij zijn, tot het einde der tijden. Met de vrouw van zijn dromen wilde hij naar het eind van de wereld. 

   Helaas werd zij uitgehuwelijkt aan de oudste zoon van een landgraaf en moest de jonge Vincenzo verbitterd zijn eigen weg gaan. In plaats van spiritueel geluk bracht die weg hem materiële voldoening hoewel hij zijn jeugdliefde nooit zou vergeten.

   In tegenstelling tot de meeste van zijn concurrenten, die zich op het Oosten oriënteerden, had Grimaldi zijn pijlen op het Noorden gericht en hij was overtuigd van toekomstig succes. Niet in de laatste plaats omdat er voor hem, als telg van een invloedrijke familie, deuren werden geopend die voor anderen gesloten bleven. Zijn enige probleem was dat hij aan het gekwaak van die getormenteerde kikkers in het Noorden, wat kennelijk door moest gaan voor hun manier van praten, geen touw kon vastknopen. Maar dat vond hij niet echt een bezwaar.

   “Goud laat kikkers kwelen als een nachtegaal.”

   Een vooruit gestuurde knecht verzekerde hem dat de Hollanders weinig muzikaal waren maar dat er in Brabant wel een aardig dranklied werd gezongen. Vooral als hij (de knecht-verkenner) een rondje had gegeven. Net terug van zijn omzwervingen in het noorden, waar hij onder meer  Brugge, Dordrecht en Zoutleeuw had aangedaan, deed de verkenner, Salah Marouni, verslag van zijn bevindingen. In de laatste stad had hij een partij laken opzij laten zetten die via de Gete en de Schelde overzee naar Genua zou worden vervoerd. Grimaldi kon tevreden zijn, het was een uiterst voordelige overeenkomst geweest.

   Grimaldi’s handelskaravaan bevond zich inmiddels in Dijon waar de doorluchtige koopman te gast was op het Kasteel van Germolles. De hertog had elders verplichtingen zodat de gewiekste ondernemer tot zijn genoegen het rijk alleen had temidden van de charmante en kooplustige jonkvrouwen. Zijn wereldse kennis en galante hofmakerij maakten indruk op de dames die hem op hun beurt met genegenheid bejegenden en deelgenoot maakte van hun persoonlijke besognes.

   De hertogin vertrouwde hem toe dat de heilige Mamas aan haar was verschenen met een waarschuwing aan het hertogelijk adres. Met betraand gezicht was ze ontwaakt zonder dat ze zich de boodschap nog kon herinneren. Ze was de familietwisten en het krijgsbedrijf van haar man beu en ze smeekte Grimaldi in de kathedraal van Langres een kaars te branden voor het zieleheil van haar en haar echtgenoot.

   Om te voorkomen dat hij onderweg zou worden beroofd van zijn goud beval ze hem de dienstverlening aan van de hospitaalridders die ze onderdak verschafte. Hun orde had zich ontfermd over de kennis en rijkdom van de vervolgde tempeliers. De ‘witte monniken’ zouden zijn goud  beheren in ruil voor een kredietbrief die hij in Brugge of Zoutleeuw weer te gelde kon maken. Door de tekening van zijn hand op de brief was deze voor struikrovers waardeloos. Alleen zijn hand kon het geld innen.

   Op zijn beurt vertelde hij haar over de merkwaardige ontmoeting die hij onderweg had gehad. Er was een vreemd licht geweest alsof hij in de duisternis kon zien. Over het jaagpad langs de Rhône was hem een voertuig tegemoet gekomen zoals hij nog nooit gezien had. Het bestond uit twee grote dunne wielen die door stangen waren verbonden, niet naast elkaar maar achter elkaar! Het geheel was plat als een haardplaat en hij begreep niet waarom het niet omviel. Er zaten bovendien twee mensen bovenop die trappende bewegingen met hun benen maakten zonder het onregelmatige geschok van de paniek die hij bij hun verwacht had. Ze droegen dezelfde kleren maar hij had de indruk dat het om een man en een vrouw ging. Wat schaapachtig had hij vanaf de voorplecht naar de oever getuurd toen de voorste een arm omhoog stak en iets riep dat klonk als: “Toedeloe. De fjoetjer is wotjoe meek offit.”

   Verbouwereerd had hij het voortsnellende duo nagestaard. Hij kon zweren dat ze zweefden.

   Geamuseerd had de hertogin geluisterd maar ze zag geen verband tussen de Grimaldi's verholen wroeging over zijn toekomst en de visionaire kiem van haar tempeliers. Ze gebaarde dat ze zich wenste terug te trekken in haar vertrekken. Er waren genoeg verhaaltjes verteld.

 

Vincenzo Grimaldi besloot het advies van de hertogin toch eens na te trekken en ging op zoek naar het verblijf van de ondergedoken monniken. Op aanwijzing van een kamerheer daalde hij af naar de catacomben en daar trof hij enkele in het wit geklede lieden aan die zich bogen over een tafel vol beschreven vellen perkament. Salah was één van hen. 

   De koopman liet zich ervan overtuigen dat zijn goud bij de hospitaalridders in veilige handen was en dat het epistel met zijn handtekening erop even waardevol was als het edel metaal zelf. Salah vertelde hem met zo'n brief zelfs in Dordrecht zaken te hebben gedaan. Om daarna in Geertruidenberg zijn winst weliswaar weer te verliezen. Maar dat terzijde.

   Grimaldi wilde echter van geen terzijde weten en zo kwam de Vastenavond ter sprake alsmede de lotgevallen van Janne, Joep en Jochem.

   Joachim Bulla was dood. Ze hadden hem de volgende ochtend gevonden, geknield voor het overvolle gemak. Hij was gestorven met zijn gezicht in de uitwerpselen van talloze feestgangers. Salah nam het zichzelf kwalijk dat hij de jongeman aan zijn lot had overgelaten terwijl hij zelf tot diep in de nacht had gefeest. Hij had genoten van de schrans- en slemppartijen en, hoewel hij maar een matige drinker was, had hij uitbundig meegezongen en gedanst. Het minste wat hij nu nog kon doen, was een fatsoenlijke begrafenis regelen.

   Het grootste deel van hun tocht naar het noorden was Joachim hem van weinig nut geweest. De gratis schandknaap die hem voor ogen had gestaan – schildknaap per abuis, een taalfoutje – was niet erg toeschietelijk geweest. Hij leek nergens in geïnteresseerd, had nauwelijks oog voor zijn omgeving gehad en wist uiteindelijk niet eens de weg. Nou was dat niet verwonderlijk: dijkdoorbraken hadden het landschap aanzienlijk veranderd en de gestage stortregens belemmerden het zicht. De kooplui die voor hen uit liepen, hadden ze in de schemering uit het oog verloren.

   Kou en nattigheid deden Marouni des te sterker beseffen dat zijn gezelschap meer en meer achterop raakte. Steeds vaker moest hij voor Joachim zorgen in plaats van omgekeerd. Wat hem tot zijn eigen verbazing wel beviel. Hij begon juist op hem gesteld te raken. Wat een teleurstelling had geleken, werd een nieuw avontuur.

   Geregeld konden ze meevaren op een aak of een schouw. Dan hadden ze wat beschutting en konden ze zich drogen. Tijdens zo’n tocht had hij Joachims bagage doorzocht en de schetsboeken gevonden. De ferme uitstraling van de panorama’s en portretjes hadden hem verrast, zo’n resolute hand had hij bij Joachim nooit vermoed. Andere tekeningen zeiden hem niet zoveel, het leken wel technische ontwerpen, een beetje abstract. Hij nam zich voor om ze met evenveel toewijding te beschermen als dat hij zich over hun schepper zou ontfermen.

   In Geertruidenberg was het pas mis gegaan. De hele reis had hij Joachim in de gaten gehouden, gezorgd voor voldoende eten en drinken, koortswerende kruiden, rust en beschutting, maar tijdens het carnaval had hij zijn levenslust niet langer kunnen bedwingen. Overtuigd dat Joachim wel een tijdje zonder hem kon, had hij zich onder de feestgangers begeven om zich geheel over te geven aan de jolijt. Hij had de tijd van zijn leven.

   Aan de schrans- en slemppartijen deed hij niet mee. Zijn ontzag voor het leven verbood hem de tijd te doden, of anderszins met alcohol aan te tasten. Aan het dansen en zingen gaf hij zich daarentegen geheel over. Kraaiend van plezier sprong hij in de rondte, aangemoedigd door het applaus van de zich uilevende meute.

   Toen Joep hem aansprak, nadat hij zich met Janne tussen de woelige menigte had gedrongen, moest hij even tot zichzelf komen voor hij begreep waar het over ging. Joachims tekeningen? Vanzelfsprekend. Ze baanden zich een weg door de hossende massa naar de tafel waar Salah zijn tassen had staan. Terwijl Joep door het schetsboek bladerde, vertelde Janne dat de tekenaar hen zojuist zijn levensverhaal had verteld en nu enigszins laveloos lag te dutten aan de tafel waar ze hadden gezeten. Gerustgesteld wees Salah naar de portretjes en vroeg Joep wat hij ervan vond.

   “Misschien is dat wel de marskramer. En dát de dronken schipper. Weet ik veel.” Joep had meer belangstelling voor het abstracte werk.

   “Kijk! De snek!” Enthousiast toonde hij de tekening aan Janne, die echter meer belangstelling had voor een jongedame aan de andere kant van de bank.

   Salah vermoedde dat niet alleen de artistieke maar ook de technische kwaliteit van het afgebeelde werk waardevol was en vroeg Joep of hij wellicht van reizen hield? Hij had bedacht dat de kunstminnende familie van zijn werkgever, de Grimaldi’s, vast wel iemand met Joachims talent onder hun hoede wilden nemen, een veelbelovende investering tenslotte. Maar het leek hem niet verstandig zijn beschermeling alleen op weg te sturen. Afgezien van Joachims gezondheidstoestand maakte hij ook anderszins een labiele indruk. Wilde Joep hem niet naar Genua brengen? Als begeleider? Hij kon wat contanten meekrijgen voor onderweg en in de mediterrane republiek zijn uiteindelijke beloning.

   Joep had zijn besluit al genomen, het was een geschenk uit de hemel, maar dat wilde hij niet onmiddellijk laten blijken. Verbaasd vroeg hij waarom Marouni die taak niet zelf op zich nam maar deze verzekerde hem dat hij dat zeker gedaan zou hebben als hij niet nog tal van zaken moest afhandelen en daarna in Dijon had afgesproken. Het kon nog lang duren voor hij naar Genua zou terugreizen. Hij zei er niet bij dat hij Joachims gezelschap eigenlijk beu was. De zorg was minder erg geweest dan hij had gevreesd, maar nu wilde hij zijn vrijheid terug.

   Nadat hij had toegezegd dat hij de taak wel op zich wilde nemen om Joachim naar Genua te begeleiden, nam Joep afscheid van Janne. Het was inmiddels hoog tijd voor hem om terug te varen als hij de volgende dag nog genoeg vis wilde vangen om drie mensen van te onderhouden: zichzelf, zijn grootvader en Riet. Joep ging op zoek naar Bulla maar toen hij hem nergens zag, besloot hij het ochtendgloren af te wachten in een rustig hoekje van het lokaal.

   Om dan te horen dat Joachims lichaam was gevonden.

   “Hij was ontdaan,” besloot Salah zijn verslag, “maar hij leek vooral teleurgesteld. Dat de reis niet doorging. Dus heb ik hem samen met het schetsboek naar uw residentie in Genua gestuurd.”

   Vincenzo Grimaldi moest toegeven dat hij tijdens het avontuurlijke relaas van de Moor was bekropen door een vaag verlangen om zich over te geven aan de loop der gebeurtenissen. Zonder daar zelf enige sturing aan te geven. Dat hield wel een risico in, maar hoe geweldig zou het niet zijn om achteraf terug te kunnen kijken op een succesvolle onderneming. Hij zou wel zien.

 

*

 

Joep Soetemelck zat op een rots en keek uit over een zee die hem onwaarschijnlijk blauw toescheen. Het was warm, droog en zonnig. Heel wat aangenamer dan wat hij gewend was.

   De kasteelheer van het fort waarheen men hem had verwezen, was lyrisch geweest over het schetsboek. Hij had niet eens opgemerkt dat er een pagina ontbrak.

   De pagina met de schetsen van de snek. De pagina die hij nu in zijn hand hield en toonde aan de Apostelbroeder die hij bij het fort was tegengekomen, die daar kennelijk kind aan huis was en die even heel aandachtig de tekening bestudeerde waarna hij ogenschijnlijk onverschillig naar het oosten tuurde.

   De monastieke monnik had hem toevertrouwd dat hij de rebelse boodschap van Fra Dolcino langs de hele mediterrane kust wilde uitdragen. Dat zei Joep natuurlijk niets. Maar de mededeling dat hij in het nabije Cisterciënzer klooster een wapenwerkplaats had, des te meer. Wellicht lag hier een kans om zijn oude wens te verwezenlijken. En een binnenkomer had hij: de snek.

 

Tijdens zijn reis naar het zuiden was Joeps aanvankelijk geestdrift geleidelijk getemperd. De veranderende omgeving, ooit een doel op zich, woog niet op tegen een gevoel van spijt dat regelmatig de kop opstak. Had hij heimwee? Of was er iets anders aan de hand?

   Wat hij zich op zijn eindbestemming vooral herinnerde, was het innerlijke landschap dat hij had verkend. Waarom was hij eigenlijk op reis gegaan, wat had hem zo aangetrokken in die onbekende verten? Of was het de vertrouwde regelmaat van het stadse leven dat hij wilde ontvluchten, het avontuur tegemoet? Hij kon niet zeggen wat de voornaamste reden was geweest, maar onderweg merkte hij dat het onbekende nieuwe een gemeenzame regelmaat kreeg. De reis was niet langer een uitdagende belevenis, alleen het einddoel stond hem nog voor ogen: de opdracht die hij had gekregen tot een goed einde brengen.

   Dat voornemen zaaide echter ook twijfel. Welk recht hadden Salah en hij eigenlijk om de schetsen en ideeën van Joachim Bulla te verhandelen? De kunstenaar had weliswaar zelden zijn werk ondertekend – Joachim had alleen zijn initialen in de vorm van een monogram op het kaft van zijn schetsboek getekend, maar die konden evengoed doorgaan voor die van hemzelf*, bovendien hadden Salah’s toewijding en zijn eigen inzet voorkomen  dat het schetsboek verloren zou gaan – toch voelde het als een vorm van ontvreemding, een soort morele knoeierij.

   Aan de andere kant, met het oog op de snek, was dat ontwerp ook door hemzelf bedacht en alleen een blik op de tekening was genoeg geweest om het te herkennen. Niemand met enig technisch inzicht zou de mogelijkheden zijn ontgaan. Waarschijnlijk had Joachim de Vlaamse mekaniekers aan wie hij zijn ontwerpen had getoond eenvoudig op een idee gebracht. Was dat dan géén diefstal?

   Toen hij de snek in het tafelblad had gekrast, had Bulla hem ook onmiddellijk herkend. Dat was trouwens ook een gedachte die voortdurend door zijn hoofd spookte: door die oude roeispaan van Janne was hij nu op weg naar de Middellandse Zee**. Dingen die niets met elkaar te maken hadden, bleken toch met elkaar verbonden. Als je erop lette, zag je dat natuurlijk altijd gebeuren: lange ketens van oorzaak en gevolg. Zou een gebeurtenis ook spontaan kunnen opborrelen? Als een idee? Een plan?

 

Hij wilde zich tot zijn metgezel wenden met het plan hem die vraag voor te leggen, maar hij zag dat de monnik al weer op weg was naar het klooster. Hij moest opschieten, wilde hij hem nog inhalen.

   Vanaf zijn stenen zetel – hij was inmiddels gaan staan – zag hij tussen de schepen die in het blauwe water voor anker lagen, een tonvormig vaartuigje tevoorschijn komen. De halfnaakte roerganger – dat kon hij zelfs van deze afstand zien – maakte trappende bewegingen, als bij het stampen van druiven zoals hij dat onderweg naar het zuiden monniken in sommige kloosters had zien doen. Dat zal me een ziek wijntje geven, in zo’n kuipje op de golven.

   Het jaar was 1344.

 

 

De Gouden Horde is de Europese benaming voor zowel de Mongools-Turkse legerscharen als voor het Turkse Kiptsjak-kanaat.

Tijdens de middeleeuwen werd er weinig onderscheid gemaakt tussen verschillende infectieziektes; epidemische uitbraken werden pestziektes genoemd. Bij de familie Janse was er vooral sprake van vlektyfus geweest, overgebracht door kleerluis. Overigens speelden bij epidemieën vaak meerdere ziektes een rol.
  

Peuren is een manier om vis te vangen. Wordt vooral toegepast bij palingvangst.

Kaken is manier om vis schoon te maken door de ingewanden te verwijderen. Wordt vooral toegepast bij haring alvorens deze in te zouten en te tonnen.

Een totebel is een meestal op kalm water gebruikt vierkant visnet, geknoopt aan een raam of aan kruiselings over elkaar gebonden roeden, dat aan een loper hangt en d.m.v. een boom en een lier wordt bediend.

Een elft is een haringachtige trekvis die in de middeleeuwen veel voorkwam in de Nederlandse wateren (Haringvliet).

Twee tegengestelde krachten die even groot zijn, vormen een koppel; het effect van een kracht op een draaibeweging noemt men ‘moment’. De som van de momenten van de twee krachten is het koppelmoment.

Een snek is een soort spiraalvormige katrol waarbij de aandrijfdraad (afkomstig van een veertrommel) geleidelijk over een klein naar een groot wiel loopt (of omgekeerd). Later werd de naam ook gebruikt voor het slagmechanisme dat een klokkenspel in werking zet.

Met de Hertsberghe wordt één van de logementen van familie Van den Beurse bedoeld. Destijds werden aldaar veelvuldig financiële transacties gesloten. Vandaar de latere benaming ‘beursgebouw’.

In het middeleeuwse gotische schrift zijn de letters S en B nauwelijks te onderscheiden.

Dit lijkt op emergentie maar is het niet. Het is onderdeel van een chaotisch stelsel waarin een futiel voorval (reparatie met roeispaan) grote gevolgen kan hebben (pandemie). Het is denkbaar dat een extreem chaotisch stelsel voorwaarde is voor het optreden van een emergentie.

 

 

De verbinding tussen Genua en de Lage Landen verliep voornamelijk via wegen die al eeuwen daarvoor door de Romeinen waren aangelegd. De verbinding tussen verschillende eeuwen was mogelijk het gevolg van kwantumverstrengeling en overmatig gebruik van nanogel.

 

De oudste nog intacte klok met veertrommel en snek is te bezichtigen in het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg. Het uurwerk is afkomstig uit de verzameling van Filips III  van Bourgondië (Filips de Goede) en gemaakt door de Nederlandse astronoom Hendrik Arnoud van Zwolle. De hertogen van Bourgondië waren de voornaamste mecenassen van kunst en techniek in de Lage Landen tijdens de middeleeuwen en vroege renaissance.

 

De geschiedenis van de mensheid heeft heel wat illustere namen opgeleverd. De meeste zijn verbonden met macht en rijkdom, vaak tegen wil en dank (bloedlijnen gaan vóór vaardigheden). Vele ervan behoren toe aan scheppende kunstenaars die ernaar streefden ons te ontroeren en zeker evenzovele aan inventieve knutselaars die de dagelijkse beslommeringen wat wilden verlichten. Slechts een betrekkelijk klein aantal kan men koppelen aan zoekers naar de waarheid.