HET LEZEN VAN MAG1 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Artsen zonder Grenzen:    NL13 INGB 0000 0040 54    www.artsenzondergrenzen.nl

De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 

 

 

Elk begin is een notie van tijd

Zonder tijd is er geen begin

Als verleden, heden en toekomst samenvallen

Is tijd alleen nog een gedachte 

Een gedachte is ook een begin

 

 

 

L & B: VONDST        SHIVA UIT DE ANDES?

 

Nabij het Indiase dorp Vandamangalam is bij archeologische opgravingen een opzienbarende megalithische vondst gedaan. Naast de overblijfselen van vaartuigjes werden stenen beeldjes gevonden met zowel Aziatische als Amerikaanse kenmerken.

 

Studenten van de Mahavidyalaya universiteit in Enathur hebben, onder het toeziend oog van professor Ramakrishna Pissipathy, een uitgestrekt gebied blootgelegd waar al eerder voorwerpen uit de steentijd waren gevonden. De meeste opgegraven beeldjes stellen dieren voor, waarvan sommigen grote gelijkenis vertonen met typisch Zuid-Amerikaanse soorten zoals gordeldieren en miereneters. Een beeltenis van Shiva kan evengoed worden toegeschreven aan Quetzalcoatl uit de Azteekse mythologie. Dr. Vikash Padmavathy, woordvoerder van het onderzoeksteam, twijfelt niet aan een grensverleggende interpretatie.

 

"Een paar collega's hebben gesuggereerd dat het gaat om een beeldje van Harihara, de schizofrene hindoestaanse god, half Vishnu en half Shiva. Maar de geprononceerde zon achter het hoofd en de gravures van verschillende maanstanden op het lichaam hebben mij overtuigd van een trans-pacifische connectie."

 

De recente vondsten, zegt hij verder, bevestigen opnieuw wat al enige tijd werd vermoed. Namelijk, dat er ver voor onze jaartelling niet alleen migraties vanuit Azië naar Amerika plaatsvonden, maar dat er ook in tegengestelde richting werd gereisd. Padmavathy sluit een  culturele uitwisseling tussen India en Zuid-Amerika dan ook niet uit. Nader onderzoek moet uitwijzen om welke periode het precies gaat. 

 









Bron: The Times of India, 4 december 2011. 

 

 

 

 

VENUS VAN VALDIVIA

De struik waaraan de vrucht waarin het zaad waaruit Pacha…

 

 

In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd tijdens archeologische opgravingen in de omgeving van de kustplaats Valdivia in Ecuador een groot aantal keramische vrouwenfiguurtjes gevonden. Dat er tegenwoordig veel replica's van dergelijke poppetjes te koop worden aangeboden, lijkt impliciet te bevestigen dat de originele beeldjes, die ongeveer vierduizend jaar oud zijn, een stimulerende rol speelden bij voortplantingssriten: het stenen vrouwtje zou talrijke nakomelingen verwekken.

   Men vermoedt dat de Valdiviaanse cultuur polytheïstisch was. Eén van hun goden, Pachakutiq, werd verantwoordelijk gehouden voor de veranderingen in de wereld: het komen en gaan, het verbeteren of verslechteren, het voortdurend vernieuwen van de omgeving. Om iets nieuws te maken, moest iets anders worden afgebroken. Soms ging dat in stilte, soms met veel geweld.

   Pachakutiq betekent in het Quenchua, de oorspronkelijke taal van de Zuid Amerikaanse Indianen, "Hij die de aarde doet schudden".

 

 

 

Ik voel iets in mijn keel dat ik daar nog niet eerder heb gevoeld. Het doet bijna geen pijn maar geluiden kan ik niet meer maken, althans geen aangename klanken, er komt alleen nog gegrom en gekreun uit mijn mond. Afgezien dan van de bittere dampen en slijmslierten.

   Mijn neus was al aangetast, ruiken kan ik al lang niet meer, gelukkig. Mijn kop zal er wel niet uitzien, mijn oren en ogen mankeren niets, als de anderen mij aankijken zie ik hun afkeer, hoor ik soms een ingehouden snik.

   Cuxi is vlakbij, mijn oudste dochter, eerste kind, enig meisje in de lange rij van mormels die door mij geworpen werden. Haast allemaal jongens, ik weet niet meer hoeveel, sommigen heb ik nauwelijks gezien.

   Mijn dochter wel. Zij zit naast mij. Zij is nu net zo oud als ikzelf was, ooit. Zij zorgt voor mij. Zij wast mij. Zij geeft mij eten en drinken en waakt over mij als het weer tijd is …

   Zonder haar …

   Haar…

   Haar heb ik genoeg, vroeger ook op mijn bovenlip maar dat zal daar wel weg zijn. En tussen mijn dijen. Als klein meisje had ik al haar op mijn buik. Dat struikgewas tierde altijd welig. Was ik toen ook al zo vruchtbaar?

   In het struikgewas rondom de heuvels zaten heel wat hazennesten, er kwamen steeds weer nieuwe hazen uit, zouden die haasjes groeien tussen de wortels onder de grond?

   Heel wat hazen heb ik aan mijn spies geregen. Toen mijn voeten nog heel waren. Het begon met kleine wondjes, ik merkte er niets van, de vangst werd wel minder, mijn snelheid werd minder, er braken stukjes vlees af, ik voelde er niets van, ik kon niet meer lopen. Wraak van de Koning der Agoeti's? Waar zijn mijn voeten nu gebleven?

   Ik hoor ze soms stampen, de mannen (mijn zonen?) op het dak van mijn paleis, dansend en zingend, zichzelf moed indrinkend en elkaar beloften afdwingend dat niemand, nee, niemand een ander in de steek zou laten! Dat vertrouwen wordt soms beschaamd, maar daar kan niemand wat aan doen. De knulletjes.

 

De jakwar was mijn eigen schuld. Ik ben goed met de slinger, katten zijn beter met hun klauwen, kleine katjes kunnen eigenlijk alleen maar miauwen. Ik wilde dat knuffeldier helemaal niet raken, ik wilde een haas te grazen nemen. Mama Michi dacht daar heel anders over, dus mikte ik een steen tussen haar ogen. Daar had het beest niet op gerekend en ik eigenlijk ook niet maar het liep goed af. Toen wel. Jaren later pakte die duivelse kater mij, misschien was het wel de knuffel, maar van knuffelen was geen sprake toen het beest mijn hand afbeet. Ik probeerde hem of haar van Ilya weg te duwen, voerde het beest mijn andere hand, als de mannen er niet geweest waren, was ik dat nu wel. Er niet geweest, dus.

   Ik ben best komisch maar niemand hoort mijn grapjes, ik ben sprakeloos en onthand, wie zit er nou te wachten op een broedmachine, ik ben een baarmoeder avant la lettre, ha, ha.

 

 

Ze heeft het hem weer geflikt. Als ik vingers had, zou ik ze erbij aflikken. Cuxi heeft haar aanleg voor het bereiden van lekkernijen niet verloren. Wat ze nu weer heeft klaargemaakt! Ik herken de grote kalebas, wat er in zit, kan ik niet zien. De hapjes die ze in mijn mond stopt smaken aangenaam, voor zover mijn smaakzin mij nog niet bedriegt. Ik proef kruiden, stukjes schapenvlees. De lieve schat houdt altijd rekening met mijn gekrompen smaak en slappe tandvlees. Met mijn tong wrijf ik het voedsel tegen mijn gehemelte en meng het met wat speeksel of met kleine slokjes sap voordat ik iets doorslik. Nog steeds kan ik genieten van het eten in mijn mond. Hoe lang nog?

   Het slikken gaat wel steeds  moeilijker. Het lijkt ook of ik elke dag minder proef. Heeft Cuxi dat ook in de gaten? Zonder haar zou ik het niet zo goed hebben, zou ik nooit zo lang mijn rol als Accla hebben volgehouden. Er zouden anderen geweest zijn, natuurlijk, dat wel. Om mij te wassen, te voeden, te vertroetelen. Omdat ze mij belangrijk vinden. Omdat ik belangrijk ben Omdat ik Accla ben. Maar de toewijding van Cuxi, haar liefde…., nee, ik denk niet dat ik er nog zou zijn.

 

Met mijn ogen zie ik dat ik minder goed kan zien. De duisternis is zeker weer begonnen. Het maakt voor mij weinig verschil. Ik slaap soms in het donker, soms in het licht. Meestal beleef ik opnieuw wat ik heb meegemaakt. Het lijkt wel of ik rondvlieg in een wereld die er niet meer is. Soms zie ik zonen die ik heb verloren. Nooit zie ik zonen die nog leven. Zij zijn mij vast vergeten of willen mij liever niet meer zien. Alleen mijn dochters. Cuxi. Soms Yaku. Zij heeft haar handen vol aan haar eigen mannen, daar kan ik haar mee plagen, ze vindt het niet erg als ik dat doe, ze weet dat ik in goede handen ben. Soms jeukt het, ik moet mij beheersen, wat valt er aan te doen?

 

De mannen, de prinsen, ze komen niet zo vaak meer, alleen de oude Sarimanok komt nog wel eens op bezoek. Nou ja, oud, hij ziet er nog net zo uit als vroeger, hoe oud zou hij eigenlijk zijn? Hij komt en hij gaat. Ineens was-t-ie in ons midden, de eerste keer, ik was nog een meisje, toen was-t-ie al oud, met die stukgeslagen neus van hem lijkt hij wel een supay. Zou ik er ook zo uitzien?

   De anderen, ze kwamen vroeger dagelijks, bespraken hun zaken in mijn bijzijn, alsof het mij iets schelen kon wat zij ergens van vonden, maar hun gezelschap was fijn, het waren een soort eerbewijzen. De blote prinsen en behaarde krijgers moesten via mij hun mannelijkheid bewijzen. En als hen dat niet lukte, dan waren ze niet blij. Mijn schuld was het niet, ik heb al zoveel gezonde baby'tjes gebaard, ik sta boven elke twijfel verheven. Alle meisjes die ken, alle vrouwen, ze krijgen kindertjes, zoveel kindertjes, de meesten gaan al dood bij hun geboorte, en anders duurt het niet lang voor ze er de brui aan geven. Dat heb ik nooit meegemaakt, mijn kinderen waren altijd gezond en sterk en bleven jarenlang in leven.

   Sarimanok verbouwt chunu's maar laatst had hij iets anders voor Cuxi. Bataat noemde hij het. Nooit van gehoord, maar wel lekker. Beter dan die zeekool die hij vroeger wel eens meenam als hij lang was weggeweest.   

   Mijn gedachten fladderen door mijn hoofd als een vogeltje in een kooi. Wanneer het kooitje opengaat, waar vliegt die flierefluiter dan naartoe? Vogeltjes vliegen naar de hemel of vallen op de grond. Waarom zouden ze dat doen? Waar is mijn Pachacutec heen gevlogen?

 

 

Ineens zie ik alles heel helder. De prinsen en de baarden, soms komen ze nog wel, meestal met een groep, ze blijven nooit erg lang, ze komen niet meer om te neuken.

   De laatste zuigeling is alweer lang geleden. Vroeger duurde het niet lang voordat er weer een piemel in mij werd gestoken. De laatste keren heb ik het niet eens gemerkt, laat staan dat ik de nieuwe vaders ken. Misschien waren het wel oude bekenden. Maar dat zal wel niet, de meeste jongens zijn veel te roekeloos, als ze mij eenmaal hebben gehad, hebben ze het hoogste bereikt, de dwaze hazen, de stakkerds. Met al dat haar op hun gezicht kan ik ze niet eens herkennen, maar jongens zijn het in elk geval niet meer. Krachtpatsers, echte krijgers, dat wel, hun zonen zullen wel net zo worden Mij maakt het niet meer uit.

   Mijn eerste vriendje, Picho, die zal ik nooit vergeten, de vader van mijn enige twee dochters. Alles wat we samen deden, alsof het gisteren was. Hij zit in mij, voor altijd. Die keer dat we op zoek gingen naar moriches, Picho werd gebeten door de spinnen, we waren verdwaald.

   Raar, ik weet nog precies hoe die schelp glinsterde, Picho wees er naar. De schelpen langs de waterkant, het leken net bessen, te hard om te kauwen, eentje heb ik doorgeslikt, smaakte nergens naar. De spinnenbeten heb ik niet behandeld, al was ik goed met kruiden. Gingen die vanzelf over? Dat weet ik niet meer.

   Die keer dat Picho mij niet wilde achterlaten. De  mannen gingen weg, de vrouwen moesten blijven. Maar ik moest van hem mee, ik ben hem nog steeds dankbaar, onderweg hebben we Cuxi gemaakt.

   Met Yaku was het anders, we waren op een plek waar we altijd zouden blijven. Ik was jong, het voelde goed – ik voelde me altijd goed – het was zo vredig in die tijd, alleen de oudjes gingen dood, en … hè, net had ik het nog en nou is het weg…

Ik zou wel willen huilen, heel hard huilen, alsof ik ineens voorbij het regenbos kan kijken. Het duurt altijd maar even, stel je voor dat ze met bezorgde gezichten op mij komen afstormen en dan hun schouders ophalen omdat het niets voorstelt, alleen maar wat verdriet. Hoe snuit je trouwens een neus die er niet is? Mijn laatste huilbui had ik toen Picho niet wakker werd. Hij was heel bleek en mager, hij lag heel stil, net of hij sliep.

   Ik had nog nooit zoiets gezien, zie het nu weer voor me, voel het in mijn eigen keel. De schacht van de afgeschoten pijl steekt als een half ingeslikte blaaspijp uit zijn mond. Zijn ogen zijn wijd open, ik weet niet wie er meer verbaasd is, hij of ik, of de schutter van het schot.

   Ik heb hem niet gezien, die schutter. Ik heb het op een lopen gezet. Ik had nog een leven te gaan.

 

Ik ben een bevoorrechte vrouw, de mannen maken de dienst uit, mij dragen ze op handen, ze moeten wel als ze me willen hebben. De aarde schudt, er vallen dingen om mij heen, Pachacutec heeft weer honger, het liefst heeft hij een meisje met een baby, de mannen zorgen wel voor hun eigen grote ommezwaai. Als ze alleen een arm of zo kwijt zijn, leven ze dan nog helemaal? Ben ík levend of ben ik al dood?

   Die overgave, als je dood gaat in de armen van Pachacutec, dat heb ik bij Picho nooit gevoeld.

Mijn eerste zoon, Kon, was een reuzenbaby, dat heb ik wel gevoeld. Hij was een echte vechtersbaas, oersterk, onze grootste krijger, alweer zo lang dood… En Apu, mijn tweede, was ook zo'n opgewonden standje, kon rennen als een haas. Wat een pret als hij een tapir achterna zat, Huallpa en ik brulden het uit.

   Huallpa, mijn prins, de vader van mijn eerste vijf zonen, was een edel man, had zich ontfermd over mijn dochtertjes nadat Picho…, ook van hem heb ik gehouden. Hij was heel rijk, heeft mij veel geleerd. Eigenlijk was hij te oud, ik was nog zo'n meisje… toen kwam de tweeling, en daarna Urco, en toen ging Huallpa ook dood. Ik heb er wat zien gaan.

Mijn eigen Pachacutec. Hem mis ik nog het meest. Hij kon maken wat hij wou. Opgeprikte vleugelzaden liet hij ronddraaien in de wind. Hij maakte ze heel groot, eerst met bladeren, en toen, ik weet het niet meer, als het waaide ging het flink tekeer. Kalebassen liet hij drijven, tegen de stroom in met zo'n blad erop. Hij maakte ze tot vlotten, hij kon er zelf op zitten. Dat was een gek gezicht, als hij op het water zat, tegen de stroom in ging.

   Ik zie hem dobberen op de golven. Lachend zwaait hij naar het strand. Ik fluister zijn naam, klankloos: Pchk'tq.

   Hij was een lieve jongen maar toen hij in het water viel moest Ilya hem redden. Zijn tweelingbroer was niet zo slim maar hij kon veel beter zwemmen. Als we vis wilden eten, ging Ilya ze vangen met de vallen die Pacha gemaakt had. Die twee waren onafscheidelijk maar Ilya zie ik niet meer, alleen de jakwar met Ilya's hoofd in zijn of haar bek…

 

 

Er groeit iets in mijn keel, ik kan het voelen, het wordt dikker, het wordt meer. Ik heb hem toch niet in mijn mond genomen, die laatste keer? Ik weet het niet meer. De mannen zijn soms zo onnozel, ze weten niet waar ze er mee heen moeten, ze staan op springen en steken hem in het wilde weg, wat denken ze eigenlijk wel, als ik nog tanden had gehad… Ik zal toch niet, nee, dat weet ik zeker. Hij heeft wel mijn laatste jongen verwekt, de kleine Amaru, ik weet weer hoe het knulletje op mijn buik lag te kronkelen, voordat ze hem losmaakten en meenamen. Opnieuw een zoon van Inti, zijn magistrale toverkracht is nog altijd in ons midden. Was dit nummer 18? Ik ben de tel kwijt.

   De meesten heb ik nauwelijks teruggezien, dat is ook nooit de bedoeling geweest. Een beetje zogen en dat is het dan, er zijn altijd wel meisjes met melk, voor mijn jongens waren zíj de echte moeders.

   Baren en zogen en dan is het tijd voor de volgende, mijn voorrechten als Accla betaal ik met het echte moederschap, daar zijn de sloofjes voor. Die trutten kunnen mij alleen benijden om mijn gezonde sterke baby's, het sloven had ik er gratis bij gedaan, ik mis mijn koters.

   Urco is nog in ons dorp, voor hem ben ik zijn echte moeder geweest, voor zover ik daartoe in staat was, hij heeft mij nog wel eens bezocht, daar heeft hij nu geen tijd meer voor. Urco de verstandige, als er twee ruzie hebben, wordt Urco erbij gehaald, geen geschil is hem te lastig, hij kan iedereen tevreden stellen. Hoe hij het voor elkaar krijgt weet ik niet.

   Hij heeft mij er van overtuigd dat hij niet bij mij kan zijn, dat ze hem ergens anders harder nodig hebben, dat ik niet egoïstisch moet zijn. Urco heeft een goed gezin dat voor hem zorgt, zijn vrouw en kinderen zijn vaak alleen, zijn kinderen zijn gezond en sterk, al mijn kleinkinderen kunnen gelukkig tegen een stootje.

 

De kinderen van Yaku hebben nu hun eigen kroost, mijn kleinkinderen zijn al even flink als hun ouders, wat een veelbelovend nageslacht! Alleen Cuxi kreeg een miskraam, ze was ook nog heel jong, ze heeft nooit een gezin gewild, gelukkig, zou ik bijna denken. Ze knielt nu naast mijn troon met een schaal water, ze wast de stompen die eens mijn voeten waren, ik voel het niet maar ik weet dat ze dat doet.

 

 

Ik loop langs het water, verzamel schelpen met een gaatje, rijg ze tot een ketting, alle schelpen zijn anders, net kinderen, ze lijken op elkaar maar zijn totaal verschillend. Ik wandel door het bos, verzamel rijpe vruchten van de tempelboom, de zaailingen zijn ongelijk, net als de goden die ze voortbrengen. Ik lig in het gras en kijk naar de lucht, verzamel de wolken die voorbij drijven, ze zijn nooit hetzelfde, Pachacutec is in alles, geen twee druppels water zijn gelijk.

   Ik hoor de mannen weer, gestamp boven mijn hoofd. Er bonkt ook iets vanbinnen.

 

Ik zie mijn gehavende kop als een reusachtige bovist, gevuld met vederlichte dromen, mijn kinderen, die ik gemaakt heb, die hun weg gegaan zijn, verspreid over de aarde.

 

Ik ben alleen. Ik wou dat Cuxi hier was. Er wil iets naar buiten, als een ademtocht, maar zonder lucht. Het smaakt naar zuur, het smaakt naar zout, dat is toch niet normaal. Waar is ze nou? Ik houd het op, ik wil mijzelf niet onder spugen.

 

Ze beweegt zich naast me, ze steunt mijn hoofd in haar handen, ik geef me over, ik laat het gaan…

 

Er zit iets in mijn keel. De pijlschacht steekt als een rijpe peper uit mijn mond. Het schot suist in mijn oren. Mijn ogen gaan niet meer dicht. Mijn gorgelen… wie schiet er nou met peper?

    Alleen… er is geen pijlschacht, er was geen schot.

   Alleen… brandende pijn. Vanbinnen.

 

Ik moet mijn kind redden van de jakwar. Ik fluister zijn naam, klankloos: Pchk'tq. Met gele ogen lijkt hij te taxeren waar ik het meest kwetsbaar ben. Dit keer gaat hij voor mijn strot.

   Alsof … een rookpluim … ? … oooohh

 

 

 

 

Aanbevolen Nederlandstalige literatuur:

Tony Allan: De geest van de jaguar. Tine Life Books, 1998

Karin Haanappel. Herstory of Art. A3 boeken, 2012

Thor Heyerdahl: De Kon-Tiki Expeditie. Scheltens & Giltay, 1950

Geralda Jurriaans-Helle. Het beeld van de vrouw in de oudheid. FemArt Museum, 2013

Charles Mann: 1491. De Ontdekking van het Precolumbiaans Amerika. 2006

Ivan Wolffers: Onweer in de verte. Contact, 2008

  

Agoeti's zijn Zuid Amerikaanse knaagdieren; de naam agoeti wordt ook gebruikt voor een bepaalde vachtkleur.
   
Officiële gebouwen en woningen van hoogwaardigheidsbekleders hadden een plat dak waarop een gedeelte van het openbare leven plaatsvond. 
  
De jakwar is een mythologisch wezen. Van de schimmige donkergroene gedaante met de hypnotiserende gele ogen gaat een wervelende zuigkracht uit die zich concentreert op levende prooien; zodra ze dood zijn verliest hij elke belangstelling. In onze tijd wordt de naam meestal toegekend aan de Zuid Amerikaanse panter (jaguar).
   
Michi betekent kat in het Quechua. De namen van kinderen en leeftijdgenoten die tijdens de overpeinzingen van de Accla aan het eind van haar leven de revue passeren, zijn ook afkomstig uit het Quechua.
   
Twee millennia vóór onze jaartelling waren wel meer van de gebruikte woorden/begrippen onbekend, vandaar.
   
Accla is een uitverkoren vrouw, een soort koningin, in dit geval een vruchtbaarheidskoningin.
   
Supay is een demon uit het dodenrijk. 
  
Moriches zijn voedzame vruchten die ook gebruikt worden voor het bereiden van palm wijn.
   
Technologische voortbrengselen uit een ver verleden worden vaak toegekend aan goden, zelfs aan buitenaardse invasies. Zulke verklaringen zijn tekenend voor de onderschatting van de menselijke creativiteit in een tijd dat de manipulatie van de natuurlijke omgeving al in volle gang was (landbouw, pottenbakken). Ruim voor onze jaartelling werden in Azië windmolens gebruikt; dat kan ook in Z. Amerika gebeurd zijn. Met catamarans van balsahout kon de Zuidzee worden overgestoken om, eventueel via Polynesië, naar Azië te varen.
   
De tempelboom behoort tot de familie der Apocynaceae en wordt door plantenkwekers Plumeria of Frangipani genoemd.
 
Een chunu is een aardappel
 
 Een bovist is een soort stuifzwam. Div. Z.-Amerikaanse soorten, waaronder Bovista colorata [Peck] Kreisel en B. aestivalis [Bonord.] Demoulin, 1979.
  

 

 

Verder lezen in Mag1

 Het begon allemaal met het levenseinde van

wie bij leven al vertrouwd was met

de dood,

die onontkoombare bron

en zin van het bestaan

 

 

 

 

 

  

SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

 

 

 

Laat ik mij eerst even voorstellen: Sarimanok. Een ongebruikelijke naam, inderdaad. Mijn Filipijnse ouders hebben mij vernoemd naar de legendarische engel die continenten verbindt. Nogal pretentieus, nietwaar? Maar het is mij om het even welk geloof of ras mijn opdrachtgevers hebben. Zolang hun opdracht mij maar bevalt. De meesten die contact zoeken hebben trouwens helemaal geen opdracht. Als ik vraag wat ze van mij willen, komen ze met iets lulligs en als ze maar een zweem van ergernis bespeuren is de boot aan. Ik weet zeker dat ze op mijn ondergang uit zijn en ik snap niet hoe je die lui te woord moet staan. Ik heb dat nooit gekund. In dat opzicht ben ik compleet mislukt. Hoe anderen in staat zijn de schone schijn op te houden is mij een raadsel. Zelf beweren ze dat ze niet weten waarover ik het heb, maar volgens mij steekt er wat achter. Ik wordt beschouwd als een slecht mens, ik heb geen empathie. Mijn relaties lopen altijd stuk op mijn egocentrische karakter. Alleen mensen die heel zeker van zichzelf zijn kunnen het goed met mij vinden. Voor het overige zijn mijn contacten opper-vlakkig. Toen ik jonger was wist ik dat niet van mijzelf. Waarom anderen mij niet moesten kon ik niet begrijpen. Als men zei dat het aan mij lag vond ik dat belachelijk. Ooit heb ik een relatie gehad maar zelden langer dan een dag. Ik wilde wel maar het werd nooit wat. Waarschijnlijk dacht ik alleen maar aan mijzelf. Eenmaal volwassen heb ik nog een poging gewaagd om een gezin te stichten. Het zal je niet verbazen dat mijn huwelijk is gestrand. Van kinderen is geen sprake, voor zover ik weet.

   Eigenlijk ben ik zelf altijd een kind gebleven. Onvolwassen. Niet in staat om mij voldoende in te leven in de wereld van mijn leeftijdgenoten. Mijn kring van intimi raakte uitgedund tot een paar bejaarden. Die trokken het zich kennelijk niet aan dat ik alleen maar oog had voor mijn eigen besognes. Maar nu ook zij uit mijn leven verdwenen zijn – dood of opgenomen – kan ik mij, nog meer dan ooit tevoren, volledig overgeven aan mijn vreugdevolle eenzaamheid. Ik hou namelijk niet van mensen. Ik ben het liefst alleen. Alleen dán kan ik de dingen doen die ik graag doe zonder dat anderen mij voor de voeten lopen of last van mij hebben. Dan kan ik zelf bepalen waarmee ik mij al of niet bemoei.

   Toen ik nog bij BZ werkte – een andere tijd, een andere wereld – was dat wel anders. Ik had eenvoudig te doen wat mijn superieuren mij opdroegen. En, als ik eerlijk ben, daar had ik toen geen moeite mee. Ik vertrouwde blindelings op hun morele oordeel en mijn motieven waren overwegend zakelijk (ik trapte toen nog in die zogenaamde eerzaamheid van het gezag). Totdat ik door iemand – haar naam is mij ontschoten – op pijnlijke wijze werd herinnerd aan de onopzettelijke gevolgen van mijn werkzaamheden. Het had geloof ik iets te maken met de Club van Rome en de Belangen van een grote Bank en ik hield er in elk geval een dikke lip aan over. Dat heeft mij toen wel aan het denken gezet, al heeft het nog wel even geduurd voor ik mijn inkomen in de waagschaal heb durven leggen.

   Het was eindelijk tot mij doorgedrongen dat ik voor een karretje was gespannen dat ik helemaal niet wilde trekken en mijn directe chef – een heel geschikte peer, maar niet zo snugger – meende te beseffen waar de schoen wrong. Hij dacht dat mijn gewetensnood voortkwam uit maatschappelijke onrechtvaardigheid. De schattebout. Hij heeft mij toen voor wat in zijn ogen het meest laakbare was gespaard. Maar waar het mij om ging was niet zo zeer dat mijn deskundigheid werd misbruikt maar dat mijn expertise niet leidde tot mijn zelfverwerkelijking.

   Voor één klus ben ik hem echter nog steeds dankbaar: het dwingende verzoek om een goed gelijkend substituut te vinden van ene professor Veltman. Waarvoor men deze dubbelganger nodig had werd mij niet verteld en dat kon mij toen ook niet veel schelen. Ik was jong en onbezonnen en niet luttel trots dat ik een Gelderse varkensboer bereid vond om in Veltmans plaats naar Stockholm te gaan om de Nobelprijs in ontvangst te nemen.

‘U mag ’m best zien’, zegt Tini Veltman, wijzend naar een vitrinetafeltje in de voorkamer. ‘Als je naar Stockholm gaat en je krijgt die medaille geven ze je daarnaast ook de mogelijkheid een paar replica’s te kopen, voor een tientje, heel goedkoop. Want die zijn dan niet echt goud – en een van die replica’s ligt daar. Of wou u het ding zelf zien?’ Na wat gerommel en gestommel komt de grote natuurkundige aan met een verfomfaaid vloeipapiertje met daarin de Nobelprijs. Hij ligt verrassend zwaar in de hand. Twee ons achttien karaats goud. Inventas vitam iuvat excoluisse per artes, ‘voor hen die door hun ontdekkingen het leven op aarde verrijkten’, en daaronder zijn naam. Dan wikkelt Martinus Justinus Godefridus Veltman, ‘Tini’ voor vrienden (Waalwijk 1931), het ding weer in het vloeipapier en stopt het in z’n broekzak. Hij kreeg de Nobelprijs in 1999, samen met zijn leerling Gerard ’t Hooft, ‘voor het ophelderen van de kwantum-structuur van de elektrozwakke interacties in de natuurkunde’. ‘Daar begrijpt natuurlijk geen hond iets van’, lacht Veltman. Hij neemt een sigaar in z’n hand – die hij de eerste uren niet zal opsteken – en begint een enthousiast verhaal over neutrino’s, muons en topquarks. ‘Der Retter’ kopte destijds de Frankfurter Allgemeine. ‘Het is aan Martinus Veltman te danken’, schrijft de Duitse kwaliteitskrant, ‘dat het zogenaamde standaardmodel van de deeltjesfysica hét wereldmodel van de natuurkunde werd. Daarin toont zich al hetgene dat vandaag de dag als zeker geldt.’ De jaren zestig. Opwindende dagen, waarin het wezen van de materie en van energie, in de jaren 1920-1930 door Pauli, Heisenberg, Schrödinger en Dirac zo veelbelovend voorspeld en beschreven, voor het eerst fysiek bewezen ging worden. De pioniersdagen van CERN, de experimentele deeltjesversneller in Genève, die dit jaar zestig jaar bestaat. Nachtenlang zit de toekomstige redder van de subatomaire fysica in het lab op CERN. ‘Tot vier uur in de ochtend zaten we te kijken. Er zijn van die kleine dingetjes, neutrino’s, die al rond 1930 door Pauli gepostuleerd waren, maar niemand had ze ooit gezien. Mijn geluk is dat ik precies ben geboren in het tijdperk waarin de dingen gebeurden die ik precies goed vond. Vrijwel dagelijks zat ik daar. Dan had je een stel parallel staande platen en daartussen staat een grote spanning. Dan komt er een deeltje doorheen en wordt de lucht geïoniseerd en gaat er een vonk springen tussen de pla-ten. En dan zie je, in een reeks vonken, zo’n deeltje gaan. Nachtenlang keek ik en wat ik zag waren sporen. En een botsing. En dan probeerde je te begrijpen: wat gebeurt daar? O, dat moet een muon zijn! En dat een pion! Hier is een deeltje, dat is ongrijpbaar, en zie: hier heb je reacties van dat deeltje! Je zit naar iets te kijken wat geen hond ooit gezien heeft. Je gaat de rimboe binnen, op onontdekt terrein.’ Terwijl in de experimenten op CERN het ene deeltje na het andere te voorschijn springt, keert Veltman, inmiddels hoogleraar, terug naar zijn alma mater, de universiteit van Utrecht. Er knaagt iets. Door de uitkomsten van de nieuwe experimenten in de deeljesversnellers klopt de wiskundige theorie van de kwantummechanica niet meer, constateert Veltman, als eerste. ‘Ik was de enige op de hele wereld die aan dit onderwerp werkte.’ De formules kloppen niet: deeltjes botsen op andere deeltjes, die daardoor van massa veranderen, waardoor de massa van de deeltjes die je uiteindelijk waarneemt alarmerend verschilt van de massa waar je in je oorspronkelijke berekeningen van uitgegaan was. De metingen op CERN genereren absurde uitkomsten. De eigenschap-pen van de gemeten deeltjes krijgen de waarde oneindig – en dat is onzinnig en ongerijmd. ‘Wat we hadden was een manke theorie en daarnaast een experiment waar niemand een bal van begreep.’ Het standaardmodel dreigt te verzuipen. Met een stroom van data van de nieuwe experimenten maakt Veltman de ingewikkelde berekeningen waarvoor hij, omdat er nog geen computerprogramma voor bestaat, zelf een programma schrijft dat hij plagerig ‘Schoonschip’ doopt – omdat de buitenlandse collega’s dat woord niet kunnen uitspreken. Samen met zijn briljante jonge promovendus Gerard ’t Hooft slaat hij aan het rekenen. Eén voor één lossen ze de oneindigheden op. ‘Renormaliseren’ de Yang-Mills-theorie. Lossen langzaam maar zeker de paradoxen op, waarbij de rationele rekenaar ’t Hooft op een bepaald moment een doorslaggevende berekening uitvoert. Een berekening, overigens, die inzet zou worden van een jarenlange vete tussen meester en leerling. Maar in 1971 zijn ze klaar – en geeft ’t Hooft, nog niet eens gepromoveerd, voor een groep verbijsterde natuurkundigen een lezing over hun ontdekkingen. Tini Veltman glimlachend in de coulissen. Hij heeft zijn jonge leerling het podium gegeven en daarmee de glorie. Het zal ze beiden nog opbreken. ‘Je kunt niet begrijpen hoe groot de revolutie was als je niet weet hoe de deeltjesfysica was tot die tijd. Vastgelopen. In elkaar gezakt. Een dooie business. En opeens was er een theorie die overal goed werkte. Er was, in 1969, net een standaardwerk uitgekomen over de deeltjesfysica, en dat verouderde van de ene op de andere dag. Nog nooit heb ik zoiets gezien: binnen een jaar was het boek volkomen obsoleet.’ Maar de Nobelprijs blijft uit. Over de reden waarom bestaan tot vandaag de dag verschillende lezingen. Gerard ’t Hooft is naar eigen zeggen vergeten bepaalde essentiële formules te publiceren. In 1979 wordt de Nobelprijs voor de natuurkunde toegekend aan Weinberg, Glashow en Salam. ‘Eén terecht, één een beetje terecht, en de ander helemaal niet’, zegt Veltman. ‘Maar er is nog iets anders. Op een gegeven ogenblik is er een moment dat je ziet dat het werk dat je gedaan hebt van het kaliber is waarvoor ze een Nobelprijs geven. Dat moment was voor mij in 1971, 1972. En toen is er een fantastisch gerotzooi geweest van mensen die opeens in de gaten kregen dat ze er ook bij hoorden.’
Succes heeft vele vaders.
‘Ha! Toen het succes daar was, heeft het een aantal vaders opgeleverd die ik niet van tevoren had kunnen bedenken. Opeens doken er allerlei figuren op uit het moeras. Die helemaal niet aan het onderwerp meegewerkt hadden en er alleen maar door onvoorstelbaar manipuleren van wat er maar te manipuleren viel in slaagden vooruit te komen. Ik heb dat met ontzetting aangezien. Ik heb er nooit een antwoord op geweten. Wij zijn daardoor op een gegeven moment op een soort tweede plan geraakt. Ik heb nooit geweten, en ook nu nog niet, hoe je publiek manipuleert. Een politicus kan dat, maar ik niet. Je hebt het gevoel dat je voor pietje puk zit te werken; áls je een keer wat doet, dan gaat een ander ermee vandoor. Het is niet makkelijk om dat verder van je af te zetten – en het maakt het in eerste instantie vrijwel onmogelijk om te werken. Je hebt iets gedaan wat een omwenteling heeft veroorzaakt en het wordt je ontfutseld: dat is wat er toen gebeurde. Maar ik heb er als het ware een streep onder gezet. En ben naar Amerika vertrokken.’ Klaroenstoten. Meester en leerling staan in rok, om de hals de versierselen van het Commandeurschap van de Nederlandse Leeuw dat hare majesteit ze kort van tevoren verleend heeft. Stockholm 1999. De Zweedse koning treedt naar voren en overhandigt Veltman en ’t Hooft alsnog de Nobelprijs. 25 jaar na dato. Veltman staat er ongelukkig bij, al zou hij later die dag, op het banket, ten overstaan van het Zweedse koningspaar een hilarische rede houden over dubieuze drinkgelagen van feestende Vikingen en op het katheder een dansje maken, zijn jasje half uittrekkend, zich verontschuldigend dat hij niet kan zingen. Maar op het moment zelf staat hij er verloren bij, terug van twintig jaar van zelfverkozen ballingschap op de universiteit van Michigan. ‘Ach, de Nobelprijs… Natuurlijk was ik er wel blij mee. Maar op het moment dat ik ’m kreeg, was ik zo kapot dat ik ook niet blij was. Ik weet niet of je dat kunt begrijpen…’ Lange stilte. Klein lachje. ‘Het zit natuurlijk diep.’ Ook diep zit de ruzie tussen hem en Gerard ’t Hooft. Ze kijken elkaar sinds de jaren tachtig niet meer aan. Geen lachje, geen ferme handdruk, wanneer ze naast elkaar staan om de Nobelprijs te ontvangen. ’t Hooft zegt de ontbrekende schakel geleverd te hebben in de berekeningen van Veltman. Zegt het ontbrekende deeltje – het latere Higgsdeeltje – te hebben gevonden dat Veltman in zijn berekeningen over het hoofd heeft gezien. ‘Doordat ik me in het verleden hierover misschien wel eens wat ongenuanceerd heb uitgelaten, is de verhouding tamelijk verstoord geraakt’, zegt ’t Hooft in een interview in De Groene Amsterdammer van 22 augustus 2013. Collega’s van de twee houden het op een onverenigbaarheid van karakter: de flegmatische koele rekenaar ’t Hooft versus de warmbloedige ‘temperamentvolle sigarenroker’ (Frankfurter Allgemeine) Tini Veltman.
Vanwaar nou die idiote ruzie met ’t Hooft?
‘Ik heb niet het gevoel dat ik daar per se over wil uitweiden, maar Gerard ’t Hooft heeft een karakter dat eh… Nee: ik wil daar geen kwaad over gaan zeggen.’
Hij heeft een onbuigzaam karakter, dat heeft u ook.
‘Ja, sommigen noemen dat onbuigzaam.’
Is het niet bezopen dat twee mensen van uw niveau een inmiddels jarenlange vete koesteren?
‘Ik wil het er niet over hebben.’
Prima.
‘Ik bedoel: ik kan hier van alles over zeggen – en mensen die ons redelijk kennen hebben er ook verder geen probleem mee, die begrijpen dat echt wel. Probeer een man te vinden die ons kent! U moet het alleen mij niet vragen, dat kan ik toch niet beantwoorden? Wilt u nu dat ik hier een analyse van ’t Hooft op tafel leg? U kunt gaan kijken in de publieke uitingen van zowel hem als mij, maar u hebt daar natuurlijk nooit in gekeken. Maar de kwestie is: ik heb al die jaren, vooral in het begin, nooit anders dan met groot enthousiasme over hem gesproken.’ Met zachte stem: ‘Wat kan ik zeggen…’ Nee, rancuneus is-ie niet, naar eigen zeggen. ‘Ik heb het vanmorgen uw fotograaf Joost van den Broek ook uitgelegd: ik heb empathie. Ik kan me inleven in wat de ander denkt. Dus als ik iets vertel, denk ik er altijd bij hoe dat overkomt. U hoort toch ook: ik praat toch in volledige volzinnen tegen u, nietwaar?’ Zijn vrouw Anneke komt binnen en schikt de bloemen. ‘Weet u, we zijn al 54 jaar getrouwd’, zal hij later bij het weggaan zeggen terwijl hij verliefd naar haar opkijkt. ‘Ik werkte toen bij de Spoorwegen’, zegt zij, ‘en jij was aan het promoveren.’ ‘We ontmoetten elkaar op een Utrechts terras’, zegt hij. Dat hij niet veel later in datzelfde Utrecht hoogleraar theoretische natuurkunde zou worden lag niet voor de hand. Zijn vader was hoofdonderwijzer, zijn moeder ‘min of meer in het café geboren’. Het Brabantse Waalwijk was arm en achtergebleven, al stond er, toen hij opgroeide, wel een middelbare school. Hij was negen toen de oorlog uitbrak. ‘Ik herinner me de Duitse vliegtuigen, over Waalwijk heen, op weg naar Rotterdam.’ Toch vond hij de oorlog als kind (‘let wél: als kind’) ‘best wel aardig’. Het bevredigde zijn tomeloze nieuwsgierigheid. ‘Er gebeurde van alles. Waalwijk had het geluk om aan de meest gruwelijke dingen te ontsnappen, dus die kant van de oorlog, die zag je niet. We zaten aan de goede kant van de hongerwinter.’ Met kruit uit onontplofte granaten knutselde hij een soort V1. Maar het geallieerde offensief liep vast, net buiten Waalwijk. ‘In september ’44 hebben we een week lang in de kelder gelegen. Wij hadden in Waalwijk Engelse artillerie. En de Duitsers schoten terug, richtend op de kerktoren, en ons huis lag exact in de schaduw van de toren. Op honderd meter van ons huis is een V1 neergestort; dat lichtte me uit m’n bed. Daar ben ik dus gaan kijken, en ik zag dat er dooien vanonder het puin gehaald werden, en toen was de lol eraf. Het waren mensen die ik kende.’ Geld om te studeren was er niet. Een leraar van de hbs ging op de fiets naar Waalwijk om op zijn vader in te praten, en hij mocht naar de universiteit. ‘Ik ben de man nog steeds dankbaar.’ Geld was er ook niet in Utrecht. Soms had hij niet te eten. ‘Want ik had geen inkomen. Nooit gehoord van iemand zonder inkomen? Die lopen normaal langs de straten. Wat kan ik zeggen? Mijn vader was onderwijzer met zes kinderen, die kon niet een student in Utrecht betalen. Nou had ik een beurs, maar die werd me afgenomen, helaas. Mijn prestaties waren niet goed genoeg. Na drie jaar had ik niks over, dus daar zat ik, zonder inkomen.’
En zonder eten.
‘Dat is de consequentie daarvan. Er zijn inderdaad tijden geweest dat ik godverdomme echt honger had. Nou is dat in deze maatschappij niet een toestand die lang duurt, want je vindt altijd wel iets op de een of andere manier, hè? Maar ik herinner me dat ik eens een keer… Nee, laat ik daar niet over beginnen…’ Het leven werd iets makkelijker toen hij ‘de positie van afruimer’ kreeg in de mensa. ‘De beloning daarvoor was dat je voor niks mocht eten.’ En hij werd kaartjescontroleur bij de Jaarbeurs. En ontmoette daar de Zwitserse uitvinder van de Hobelfix.
De wat?
‘De Hobelfix. Stel u voor: in Zwitserland, in een dal, wonen een paar mensen en de helft van het jaar zijn ze dichtgesneeuwd en een van die mensen, in z’n oneindige verveling, vindt iets uit. En hij vond uit: de Hobelfix. De Hobelfix was een bankschroef, maar die had-ie wat langer gemaakt en dat ding waar je normaal aan draait, had een boorkop. Je had dus een ding dat tegelijkertijd bankschroef was en boormachine.’
Wat kon je ermee?
‘Nou, bankschroeven en boren.’ Hij ging het onmisbare apparaat aan het publiek demonstreren. ‘In de hoop dat ik er veertien of zo per dag zou verkopen, maar na een week had ik er exact nul verkocht.’ Hij typte scripties uit van rijke studenten ‘om nog wat voer te krijgen’. De studie wilde niet vlotten. ‘In de wetenschap gaat het dikwijls maar om individuen – en in Utrecht waren die paar goeie mensen verdwenen en er was niks over. Ik liep college bij domme, oninspirerende mensen. Het was prut. Daarom heb ik ook twee keer zo lang over mijn studie gedaan als ieder ander. Hoe het ook zij: ik ben er min of meer vrolijk doorheen gehuppeld. Ik zat met de Hobelfix, ik zat te typen, ik zat af te ruimen bij de mensa – en ’s avonds had ik mijn vriendjes, enzovoort, en we raakten op gezette tijden bezopen. Ik heb zelfs les gegeven op een meisjesschool. Maar dit terzijde. U kunt uit die verhalen één ding begrijpen: ik heb grote stukken van m’n leven in wezen verknoeid aan iets anders dan de fysica.’
Uiteindelijk kom je dan niet verder dan de Nobelprijs.
‘Nou, dat is een godswonder – en ik wou dat u dat begreep.’ 4 juli 2012. Groot nieuws van CERN in Genève: de sluitsteen van de kwantumfysica, het Higgsdeeltje, is ontdekt! Veltman zit dan op een zomerschool ‘met als docenten exclusief Nobelprijswinnaars’ in Lindau, ‘als u weet waar dat is’. Het windt hem niet op. Hij en ’t Hooft hadden per slot van rekening al voorspeld dat het Higgsdeeltje er moest zijn – het hoefde eigenlijk alleen nog maar gevonden te worden. ‘Eigenlijk hoopte ik stiekem dat het niet gevonden zou worden. Je zat als natuurkundige in een kamer die mooi was uitgebouwd, met steeds maar weer een deur. Nu hebben we geen deur meer. Is men een beetje doelloos. In mijn tijd zag je reeksen van experimenten en bij ieder experiment vroeg je je in verbazing af wat er in gods-naam gebeurde. In een volgend experiment zou er A te voorschijn kunnen komen of B – en je kon de hoop hebben dat je weer iets nieuws zou zien, en misschien zou gaan begrijpen. Nu is er in de deeltjesfysica een vol-strekt andere situatie. De theorie is op dit moment verrekte goed – en is in feite het experiment mijlenver voor. Dat wil zeggen: alles wat we zien, begrijpen we, in detail.’
Dat is saai?
‘Dat is saai.’ Bread-and-butter physics noemen ze het zelf soms op CERN: het standaardmodel is gered en met de ontdekking van het Higgsdeeltje nu ook experimenteel afgesloten, en daarmee is het bouwsel eigenlijk af. En het verklaart zowel veel als weinig. Het grote geheim van het bestaan is allerminst doorgrond. Zullen we alles ooit weten? Hij steekt z’n sigaar op. ‘Er is een eindpunt. Maar dat eindpunt is er altijd, snap je, dat was er ook in het jaar 1960. Ik heb in mijn hele carrière in de deeltjesfysica altijd gedacht: je weet niet wat er komt. Per definitie, zou ik haast zeggen. En ieder moment, en ook nu weer, denk ik dat dit zowat het einde is. Maar dat is het dan toch dikwijls weer niet. En waar nu iets gaat gebeuren of niet, dat weet ik niet. Laten we mekaar goed begrijpen: er zijn vragen. Ook in het standaardmodel kom je dingen tegen waarvan je je afvraagt: waarom in godsnaam? Laat ik m’n ouwe botten in beweging zetten…’ Hij komt terug met zijn boek Feiten en mysteries in de deeltjesfysica. Op het kaft het beroemde schema van de elementaire deeltjes die we kennen: up quark, down quark; charm en strange; top en bottom, twee aan twee gegroepeerd in keurige rijtjes van drie. ‘Is dan niet de eerste vraag van: hé, waarom zijn het er drie en precies gelijk? Nou, daar weet niemand het antwoord op. Je ziet een structuur en je weet niet waar die vandaan komt. Het aardige is dat we min of meer redelijk zeker weten dat er niets meer is dan dit.’
En dus?
‘Je moet erkennen dat je helemaal nooit zeker bent of er weer een nieuwe weg zal zijn. Van de toekomst weet ik niks. Je bent pas zeker van theorieën als er experimenten zijn gedaan. Bijvoorbeeld: in de astrofysica is het mogelijk, tot op de dag van vandaag, te twijfelen aan de Big Bang. Ik heb allerlei discussies in m’n leven en één discussie is er een die ik voer met de astrofysici. Ik kan die lui niet uitstaan. En de reden is: ze hebben een vak dat niet voldoet aan dé grote eis die ik stel. Namelijk: dat je iets bedenkt en dat je het daarna gaat testen. In mijn vak konden we op een gegeven moment van alles uitrekenen – en toen heb ik de massa berekend van de topquark. Althans er een formule voor gemaakt: later werd dat preciezer en preciezer. Dus van de topquark kon je de massa voorspellen lang voordat hij gezien werd. En dan ga je in de deeltjesversneller kijken en verdomd: hij was precies daar! Dat is wat de astronomen niet hebben!’
Want?
‘Laat ik het maar eens heel boud stellen: denk je dat er ooit iemand zal zijn die de Big Bang gaat testen? Die kan je toch niet opnieuw doen? In de astrofysica kun je niet je bedenksels testen, omdat je geen experiment kunt maken. Ze zien iets, ze maken een verklaring en daarna geloven ze erin als in de Heer God.’
Donkere materie?
‘Daar geloof ik totaal niet in. De argumenten, die hoor ik wel, maar er zijn verschillende verklaringen mogelijk.’
Is op deeltjesversnellerniveau dan niet uit te maken of zoiets al dan niet bestaat? Kan het allergrootste niet bewezen of weerlegd worden juist op het niveau van het allerkleinste?
‘Dat zou kunnen, het is alleen nog nooit gebeurd. Laten we elkaar goed begrijpen: al toen ik naar Amerika ging, werd ik gevraagd om een experiment te beoordelen dat donkere materie zou kunnen waarnemen, maar ik zag toen al dat het allemaal een flutzooi was. Ik heb daar nooit in geloofd. Tot op heden heeft niemand voor donkere materie op deeltjesniveau zelfs ook maar een kandidaat kunnen vinden.’
Het elegante idee dat wat je in het allergrootste vindt in het allerkleinste bewezen kan worden. Dat is er niet?
‘Nee. Dat is er niet.’ In de kamer Russische iconen, door hem en zijn vrouw ooit uit de Sovjet-Unie meegenomen. ‘Dat kon toen niet, maar dat deden we. Die lagen dan onder in de koffer, waarvan we maar hoopten dat ze ’m niet leeghaalden. We zijn niet religieus bezig, natuurlijk, dus je begint niet naar dingen te vragen van waarom? Je vraagt alleen maar hoe het vak in elkaar zit, en je gaat niet verder dan het beantwoorden van die vraag. Ons hoogste ideaal is om ieder verschijnsel in de natuur te kunnen verklaren met een zekere hoeveelheid theorie. En toch: als je een tijdje op deze wereld leeft, dan zie je, als je een beetje opmerkzaam bent, zoveel dingen waarbij je geen flauw benul hebt van het waarom. Het is toch bespottelijk dat wij hier zitten op zo’n ding, de aarde, met de zon ernaast en dan is er dat hele heelal: waarvoor is dat allemaal, die flauwekul, al die sterrennevels?’
Dat is een vraag die je van natuurkundigen nooit mag stellen.
‘Dat kan wel zijn, maar er zijn ook gebieden waarover ik nadenk zonder dat ik aan natuurkunde doe. Als ik een wereld zou moeten maken, dan zou ik geen Adolf Hitler kunnen bedenken, geen Stalin, geen Jezus Christus en geen ’t Hooft.’
Vermoedt u dat die éne grote wet bestaat: de Theorie van Alles?
‘Dat weet ik niet. Dat hoeft niet eens; het mogen er ook vijf zijn. Ik heb nooit de ambitie gehad om daar achter-heen te zitten, het kan mij helemaal niks schelen of er één vergelijking is of een paar, als we het maar begrijpen. Begrijpen kun je op allerlei niveaus. De vraag is of mijn beschrijving van de natuur, zoals ik die heb, compleet is of niet. We weten alles van deeltjes. En als het waar is wat wij momenteel denken, dan volgt iedere macroscopische situatie op een of andere manier uit de eigenschappen van de deeltjes. Maar dan krijg ik toch een griezelig gevoel, ergens. Er is toch iets in het hele bouwwerk dat ik om mij heen zie waarbij ik me ongemakkelijk voel. Er is zoiets als leven. Zit er in die natuurwetten die ik heb, tussen de quarks en de neutrino’s en weet-ik-veel-wat, zit daar al in opgesloten: leven? Dat weet ik niet. Want ik weet op geen enkele manier in detail wat leven is, ja?’
Opeens staat hij op, loopt naar de erker en klapt in z’n handen: ‘Kssst, kssst, weg, weg!’ Twee zwarte kraaien stuiven op van het vogelhuisje waarin een bontgekleurd vogeltje zit – een sijsje of een vink. ‘Ik kan nog geen vlieg kwaad doen’, zegt hij bij het weggaan. Hij zwijgt een tijdje. ‘Weet u, hier is mijn leven, de volle tachtig jaar. En hier is het leven van de heer Dulmers, dit stukje, een jaar of vijftig of zoiets. En ergens hebben we nu een kort raakpunt. En de indruk die hij van mij krijgt, en waar hij een artikel over schrijft, is natuurlijk niet te vergelijken met hoe iemand mij kent met wie ik bijvoorbeeld dagelijks omging in Utrecht of op CERN. Er zit een oppervlakkigheid in. Ships that pass in the night.’ Dan overhandigt hij zijn boek, loopt mee naar de auto en blijft nog lange tijd zwaaien.
 
 

   Dat opsporingswerk vond ik zo leuk dat ik het ben blijven doen. Ook naast mijn bezigheden bij BZ. En ook toen ik er niet meer werkte. Niet alleen voor het geld – zoveel valt er niet mee te verdienen – ik doe het uit pure nieuwsgierigheid. En niet omdat het moet maar omdat het kan. En wie doet er niet graag waar hij goed in is?

   Begrijp me niet verkeerd. Mijn werk heeft, voor zover ik weet, nooit iets van doen gehad met criminele organisaties en ik heb mij nimmer ingelaten met informanten, binnen welk circuit dan ook. Veeleer ben ik zélf informant, en opsporingsambtenaar tegelijk. Al ben ik nu ambtenaar af.

 

Dat gevoel van onbehagen, over het klakkeloos uitvoeren van opdrachten, nam mondjesmaat toe, na die dikke lip. Vooral nadat ik die professor beter leerde kennen – Tini Veltman= was zo’n bejaarde die mijn centripetale psyche voor lief nam – ben ik mij gaan afvragen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit. Ze kunnen je van alles wijsmaken maar wat is werkelijk waar?  Dat Tini niet naar Stockholm wilde uit rancune over de eerdere miskenning van zijn ideeën waarvoor hij nu gelauwerd werd? Of was er sprake van een oncollegiaal complot? De Nederlandse overheid zat in elk geval met de handen in het haar.  

   Dat het heelal steeds groter wordt en de sterren steeds kleiner, daar had ik wel eens van gehoord. Maar dat de uitdijing sneller gaat dan het licht en dat een ster implodeert tot een zwart gat, waar geen licht meer uit ontsnappen kan, dat heb ik altijd tamelijk duister gevonden (donkere materie?).Ook Tini was daar nogal sceptisch over. Hoe weet je dat iets bestaat als je het niet kan waarnemen? Supersnaren? Hocus pocus! Wetenschap die je niet kunt testen is net religie.

   Wacht even, er zit iemand op mijn systeem. Even uitzetten. Ik ben allergisch voor luistervinken, alleen het idee al. 

 *

 

De handigste manipulator bepaalt uiteindelijk de overwinning en dus ben ik zelf aan het stuur gaan zitten. Niet zozeer uit schuldbesef dat ik soms de levensloop van argeloze burgers naar mijn hand zette maar omdat ik doorkreeg dat er iets opzienbarends aan de hand was.

   Iets dat niemand nog ontdekt had.

   In mijn tijd bij BZ was het mij opgevallen dat mensen niet alleen uiterlijke kenmerken delen maar ook gedragsovereenkomsten vertonen. Natuurlijk, dat is geen nieuws. Maar het wordt bijzonder als je merkt dat het soms griezelig ver gaat. Alsof die mensen op de een of andere manier met elkaar verstrengeld zijn. Iemand in een dorpje op het platteland van Nieuw-Zuid-Wales, Australië, kan exact dezelfde handelingen verrichten als een boertje op de Veluwe. En op hetzelfde moment!

   Met die opzienbarende ontdekking ben ik naar Tini gestapt, die mij toevertrouwde dat zulke verschijnselen in de kwantumfysica doodnormaal zijn. Zoals lichtdeeltjes die tegen de stroom in terug naar de bron bewegen of materiedeeltjes die zich onafhankelijk van elkaar op exact dezelfde wijze gedragen. Al zijn ze nog zo ver van elkaar verwijderd. Menselijke individuen gedragen zich kennelijk net zo spookachtig als fundamentele natuurkundige objecten. Humanoïde kwantumverstrengeling. Die gedachte heeft mij nooit meer losgelaten.

   Natuurlijk heb ik het er met mijn collega’s en chef over gehad. Ik herinner mij een werkbespreking waarin ik verslag moest doen van een opdracht en toen heb ik tevens wat ik ben gaan noemen ‘het menselijke kwantumgedrag’ ter sprake heb gebracht. Dat heeft mijn toch al gebrekkige aanzien in de groep geen goed gedaan. De afdelingschef nam mijn informatie nog wel mee naar de top van het departement, later heeft hij mij op het hart gedrukt om er in een schriftelijk rapport toch maar geen melding van te maken.  

   Als BZ geen ambtelijke bureaucratie was geweest maar onder aanvoering had gestaan van een resultaatgerichte topmanager in plaats van een kapsoneslijder uit de conservatieve centralistenkliek, dan had mijn vondst spontaan een autonome unit opgeleverd waarvan het hele departement had kunnen profiteren. Ik voelde me wel een beetje verwant met Konrad Zuse, die, nadat zijn uitvinding van de digitale rekenmachine in de jaren 40 van de vorige eeuw door de regering als te onbeduidend werd af-geserveerd, toen maar voor zichzelf was begonnen.=

Zonder veel kennis van zaken ben ik in 1934 begonnen met het ontwikkelen van mijn digitale computers. Ik studeerde destijds civiele techniek in Berlijn en van John Babbage had ik nog nooit gehoord. Aanvankelijk was mijn onderzoek gericht op puur rekenwerk maar al spoedig zag ik in dat met het ‘echte’ computerwerk een nieuwe wereld werd geopend, een wereld van bit-patronen. Natuurlijk had men het toen nog niet over bits, maar over een welles/nietes status, het ‘echte’ computerwerk zag ik toen al als een ‘gestuurde’ verwerking van data tot een patroon van nieuwe gegevens. Ik besefte dat elke berekening kon worden uitgevoerd met behulp van elektromagnetische schakelaars. Als niet-wiskundige ontwikkelde ik een soort wiskundige bewerking die wel wat weg had van de Boolean algebra en volgens mijn oude wiskundeleraar niets anders was dan propositielogica. Van nu af ging het om de vertaalslag van wiskundige theorie naar machinematig ontwerp. Ongeveer in dezelfde tijd was in Engeland de wiskundige en logicus Alan Turing bezig het probleem vanuit een ander standpunt op te lossen. Hij gebruikte een eenvoudig computermodel om de theoretische logica een formele basis te geven. Turings werk was van enorm belang voor de informatica maar voor de fabricage van computers waren zijn ideeën nauwelijks van betekenis. Waar het om ging was dat theoretische overwegingen geconcretiseerd moesten worden in een praktisch en doelmatig apparaat. Allereerst was er een voldoende groot geheugen nodig dat op geschikte wijze benut kon worden. Het leek mij een goed idee om de machine op te delen in cellen die gegevens zouden kunnen bewaren. Door gebruik te maken van het ja/nee principe zou met een verzameling bits een ‘woord’ kunnen worden gevormd. De geheugencellen hoefden alleen ja/nee waarden op te slaan. Mijn ontwerp bestond voornamelijk uit pennetjes en plaatjes waarmee zo’n 1000 woorden konden worden opgeslagen. Om die capaciteit met gangbare telefoonrelais te realiseren zou mijn machine 40 000 van die relais nodig hebben en de hele kamer vullen. Mijn ‘combinatie-geheugen’ was een verbetering van Babbage’s ontwerpen en de reden waarom ik in 1936 al patent had op een programmeerbaar geheugen. (…) Ik wil wel even de aandacht vestigen op mijn beste vriend Helmut Schreyer die zich destijds (1936) bezighield met de ontwikkeling van elektronische schakelsystemen. Hij kwam met het geweldige idee om vacuüm-buizen te gebruiken. Eerst dacht ik nog dat hij een grapje maakte – in onze studententijd was hij altijd al een grote loltrapper. Maar de gedachte was zo gek nog niet. Wiskundig hadden we al een link gelegd tussen de mechanica en de elektronica – twee fundamenteel verschillende technieken. Dus waarom geen buizen? De schakelingen zouden wel een miljoen keer sneller gaan! Samen werkten we aan het nieuwe ontwerp. De omstandigheden waren helaas niet gunstig. De oorlog was uitgebroken waardoor we nauwelijks aan geschikte spullen konden komen. We besloten ons daarom tot de militaire autoriteiten te wenden. Die wilden ons wel helpen maar toen ze hoorden dat ongeveer twee jaar nodig zouden hebben, lieten ze ons vallen als een bak-steen: “Dan hebben we de oorlog allang gewonnen.” Na de oorlog hoorden we van de Amerikaanse ENIAC computer, met wel 18 000 buizen. Hoofdschuddend vroegen we ons af waar die allemaal voor nodig waren. Maar wij mochten ons nergens mee bemoeien, in Duitsland was het inmiddels verboden om nog aan elektronische apparatuur te werken. Schreyer emigreerde naar Brazilië waar hij twee jaar geleden is overleden. In 1980 bleken de schakelingen in de Engelse COLOSSUS veel gelijkenis te vertonen met de ideeën die Schreyer en ikzelf hadden ontwikkeld. De Engelsen hadden dezelfde uitgangspunten in hun ontwerp gehanteerd als wij destijds. (…) Tegen het einde van 1938 bouwde ik mijn eerste mechanische computers (Z1 en Z2) met een nog geringe opslagcapaciteit (16 woorden). Uit de ervaringen die ik hierbij heb opgedaan en met de hulp van Schreyer en andere vrienden ontstond de Z3, die tegenwoordig wel wordt beschouwd als de eerste goed werkende computer ter wereld. De geheugencapaciteit bestond uit 64 woorden en hij kon optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, alsmede worteltrekken. De bouw van dat apparaat werd in 1939 onderbroken doordat ik in het leger moest dienen. Daarna werd ik aangesteld als ingenieur bij de luchtmacht. Met wat hulp van vrienden kon ik toch nog genoeg tijd vinden om de Z3 te voltooien en mijn machine bij de luchtmacht te demonstreren. Daar waren ze wel geïnteresseerd maar niet genoeg om mij van mijn militaire verplichtingen te ontslaan. Ondertussen had ik al wel mijn eigen ingenieursbureautje opgezet, het Zuse-Ingenieur-Büro in Berlijn. De Z3 werd later bij een bombardement vernietigd, maar vanwege de historische waarde hebben we twintig jaar later een replica gemaakt. Dat staat nu in het Deutsches Museum in München. (…) Rond 1942 besloten we een krachtiger computer te bouwen, de Z4. De oorlogssituatie veroorzaakte echte het nodige ongemak. Tijdens de zware bombardementen van Berlijn moesten we herhaaldelijk verhuizen. Tijdens de laatste weken van de oorlog hadden we een onderkomen in Göttingen. De Z4 was het enige model dat we hadden kunnen redden. Het ministerie van luchtvaart geboot ons ondergronds te gaan omdat ook Göttingen dreigde gebombardeerd te worden. In de Harz waren we getuige van de erbarmelijke omstandigheden waaronder de V1 en V2 werden gebouwd. We wilden onze machine daar niet achterlaten en de staf van Wernher von Braun hielp ons de Z4 naar een andere plek te brengen. Dat werd uiteindelijk het Alpendorpje Hinterstein. Na enkele verbeteringen werd het apparaat tegen 1950 in gebruik genomen door de Technische Universiteit van Zwitserland in Zürich waar het jarenlang dienst deed als de enige werkende computer in Euro-pa. Daarna werd de Z4 toegevoegd aan de verzameling van het Deutsches Museum in München. (…) In het begin van de jaren 50 ging ik geheel op in de organisatie van mijn bedrijf waardoor ik me onvoldoende kon bemoeien met de ontwikkelingen rond programmeertalen. Mijn Plankalkül werd later alleen gepubliceerd als een historische curiositeit. Zonder enige private steun of overheidssubsidie had ik er sinds de oorlog aan gesleuteld, maar meer nog aan technologische verbeteringen van de apparaten zelf. Na mislukte pogingen bij IBM lukte het ons de belangstelling van Remington te winnen hetgeen ons samen met de wetenschappelijke toepassing van de Z4 in staat stelde tot de wederopbouw van mijn bedrijf, ZUSE KG in Bad Hersfeld. Naarmate de markt langzaam maar zeker aantrok, kregen we opdrachten van Duitse bedrijven Eén van onze eerste klanten was Leitz, dat, dankzij het succes van de Leica camera’s, onze computers wilde gebruiken voor optische berekeningen. Onze computers vonden ook spoedig aftrek bij wetenschappelijke instellingen. Ook profiteerden we van de destijds populaire ruilverkavelingen, waarbij een zorgvuldige oppervlakte berekening cruciaal was. (…) Helaas wist mijn bedrijf onvoldoende te profiteren van de toenemende behoefte aan elektronische rekenmachines omdat we ons overwegend richtten op het midden- en kleinbedrijf. Competitie met de grote jongens werd steeds moeilijker ons kapitaal slonk zienderogen. De verkoop van aandelen leidde geleidelijk tot de volledige overname door Siemens. Dit heeft voor mij betekend dat ik mij geheel kon gaan wijden aan puur wetenschappelijke problemen en nog steeds werk ik op een freelance basis bij Siemens AG in München. Wellicht kan ik besluiten met een theorie die ik heb ontwikkeld, ‘het zelf-reproducerende systeem’. Anders dan de mathematische benadering van John von Neumann was ik als ingenieur vooral geïnteresseerd in de noodzakelijke randvoorwaarden van een dergelijke constructie. In essentie draait mijn idee om een fabriek die onderdelen maakt die nodig zijn om die onderdelen te maken. Dit idee is op enorme weerstand gestoten. Om allerlei redenen heeft men zich ervan afgekeerd. De fabriek van de toekomst moet nog steeds gebouwd worden. Maar ooit zal deze toekomstvisie werkelijkheid worden en leiden tot een volledige omwenteling van het productieproces en de wereldeconomie.

 

 
 
 
 
 
 
 
       Natuurlijk was hij een politieke onbenul en als de Nazi’s hem serieuzer hadden genomen, was de oorlog wellicht heel anders verlopen. Maar die stap naar autonomie sprak mij bijzonder aan.

   Aan mijn loyaliteit heeft het niet gelegen. Misschien was het naïef van mij om te denken dat ook maar iemand zou geloven dat menselijk kwantumgedrag, als dat al werkelijk bestaat, een rol zou kunnen spelen bij ons werk. Ik heb me er niet meer over uitgelaten. Maar inwendig is het blijven smeulen. Kon het zo zijn dat manipulatie van iemands gedrag van invloed was op het gedrag van zijn verstrengelde evenknie elders in de wereld? Of, sterker nog, niet door doelbewuste manipulatie maar door toevallige omstandigheden? En kon dat zelfs de oorzaak zijn dat iemand schizofrene trekjes ging vertonen? Tenslotte is iedereen wel een beetje schizofreen. In meer of mindere mate. Hoe verweven was de wereldziel? Of was het allemaal onzin, niet aantoonbaar en dus onwaar, in elk geval onhandelbaar?

   Schommelend tussen een heimelijk vermoeden en realistisch ongeloof sleet ik mijn dagen bij BZ. Ik deed mijn werk zoals altijd maar repte niet meer over mijn ‘wilde fantasieën. Die koesterde ik ergens in een achterkamertje van mijn brein. Gelukkig had ik de deur nooit helemaal gesloten want op zeker moment gebeurde er iets waarop die rare ideeën van mij weer volop in de schijnwerpers kwamen.

   In Wellington in Nieuw Zeeland had men een jonge vrouw aangetroffen, in verwaarloosde staat en zonder identiteitspapieren, die geen flauw benul leek te hebben wie ze was. De autoriteiten vermoedden een soort geheugenverlies en omdat ze naast Engels vooral Nederlands sprak had men contact gezocht met de Nederlandse ambassade. Via de afdeling consulaire zaken ontvingen wij het verzoek om haar identiteit te achterhalen. Ik kreeg de onschuldige klus om uit te zoeken wie die vrouw was.

   Het was al gelijk raak toen ik haar foto’s scande: die wezen rechtstreeks naar het dossier in ons systeem. Alleen was het niet het dossier van de vermiste vrouw maar van een politiefunctionaris. Die helemaal niet werd vermist maar gewoon in functie was. En wel exact voldeed aan de uiterlijke kenmerken van het opgestuurde portret.

   Ze leken als twee druppels water.         

   Je begrijpt mijn opwinding. Al moest ik daar natuurlijk niets van laten merken. Ik heb onmiddellijk geprobeerd die politiefunctionaris te bereiken, maar dat viel tegen. Ze werd weliswaar niet vermist maar ze was evenmin bereikbaar. Ze was gedetacheerd bij een soort privékliniek waar ze absoluut niet gestoord mocht worden. Het bleek dat ze psycholoog was en betrokken bij een zaak die er hier verder niet toe doet. Men zou haar vragen contact op te nemen zodra haar werk daar klaar was. Alles wat ik doen kon was geduldig zijn.

   Wil je trouwens een kopje almathee? Ik neem er zelf ook nog een. Sorry, ik moet even naar de WC.

 

 *

 

Zo, daar ben ik weer. Ik bedacht zojuist trouwens dat koudwaterkranen altijd rechts gemonteerd zijn. Je zou haast gaan denken dat koudwatervrees iets politieks is. De weldadige warmte van links? Zolang je je vingers maar niet brandt. Progressief rechts is waarschijnlijk een contradictio in terminis. Tegelijkertijd veranderingsgezind en conservatief, glashelder en manipulatief. Verdorie, dat lijkt op een vlieg in de pisbak!   

    Er is nog iets anders dat me van het hart moet. Tijdens de laatste maanden dat ik bij BZ werkte, had ik gelegenheid om de inkomende stukken te bekijken. Regelmatig trof ik daartussen een map aan met intrigerende informatie over een geheimzinnige organisatie die ‘El Instituto’ werd genoemd. De hiërarchische structuur is me ontgaan, het leek meer op een wereldwijd netwerk zonder commerciële activiteiten zoals bij de sociale media gebruikelijk is. Er is dan ook geen centrale directie en wie het heeft opgericht kon ik niet achterhalen. Maar één naam is mij bijgebleven, omdat die in de stukken geregeld werd genoemd: Hazepad. Dat schijnt iemand te zijn die zich als een spin in dat netwerk beweegt. Althans, dat werd in de stukken van BZ gesuggereerd. Maar ze konden hem niet meer traceren. Dat intrigeerde me en ik heb al mijn spyware ingezet om hem op te sporen. Tevergeefs. Die naam leek alleen nog maar in het spreekwoordenboek voor te komen. Of als dorpse straatnaam.

   Nu ik mijn handen vrij heb, kan ik mij wat meer veroorloven, hoef ik mij niet meer te storen aan die onzinnige privacywetten. Alsof iemand nog onzichtbaar kan zijn in deze super-controleerbare e-maatschappij.@ Op de sociale media sterft het van de onnozele halzen, idealen najagend die al een halve eeuw over de datum zijn. Met wat handigheidjes heb ik juist hún platform kunnen gebruiken om iets te weten te komen over Erik Hazepad is. Een schimmige figuur, zoveel is zeker. Hij heeft ooit een uitnodiging gekregen om in de Abdij van het Belgische Grimbergen te komen praten over het ontstaan van religie. Het lijkt wel of die lezing niet is doorgegaan want ik kan er verder niets over vinden. Alleen dat die Hazepad iets schijnt te weten van de werking van onze hersens.

   Met El Instituto heb ik meer moeite. Het heeft iets ongrijpbaars, zo’n organisatie zonder herkenbare machtsstructuur. Alsof er een wereldwijd complot bestaat dat geen enkel doel nastreeft. Iemand moet toch aan de touwtjes trekken? De enige die mij misschien verder kan helpen is die Hazepad. Maar al weet ik wie hij is, ik krijg hem niet te pakken.

    Volgens mijn gegevens zou hij verbonden zijn aan de Universiteit van Leiden. Maar daar hebben ze nooit van hem gehoord. Bij mijn digitale speurtocht naar El Instituto ben ik wel een andere naam tegengekomen die ik heb kunnen traceren: René Baars, oudheidkundige en pleitbezorger van paddogebruik. In de sociale media duikt zijn naam geregeld op. Het zou mij niets verbazen als El Instituto iets te maken heeft met een of ander digitaal genotmiddel, zo’n trucje om je verslingerd te maken aan netwerken.

    Ah, wil je nog een kopje? Lekker, hè. Zelf getrokken Almatea.

   Ik moet er trouwens vandoor. Afspraak met een gast die absoluut niet digitaal wil. Slim, want als je echt wat hebt te melden kun je beter onder de radar blijven.

   Maak je geen zorgen, ik blijf niet lang weg. Je kunt wel even gaan liggen, er is genoeg tea. Als je wat wil lezen, daar ligt genoeg. In die blauwe map zitten wetenschappelijke artikelen, voor als je je buik vol hebt van verzinsels en ontvluchting.

Digitale technologie stelt ons in staat ons dagelijks leven op een andere wijze in te richten en te beheren. We gebruiken die technologie om snel met elkaar in contact te komen en met elkaar te communiceren, om elkaar te informeren, met elkaar samen te werken en te leren, ons te vermaken en politiek te bedrijven. Internet en mobiele communicatietechnologie zijn het epicentrum van onze leefwereld geworden. De schaduwzijde van deze ontwikkeling is dat diezelfde technologie ook gebruikt wordt om mensen overal en altijd te bespioneren, af te luisteren en digitaal te schaduwen. Bestaat er nog zoiets als privacy? Enerzijds delen we tegenwoordig zelf de meest persoonlijke en intieme informatie over onszelf op blogs, Facebook en Twitter. Anderzijds verzamelen overheids-diensten en commerciële bedrijven steeds meer van onze persoonsgegeven. Steeds meer persoonsgegevens worden geregistreerd en opgeslagen: ons surf- en zoekgedrag op internet, onze mobiele telefoongesprekken, onze bewegingen in de openbare ruimte, ons reis- en verblijfsgedrag en zelfs onze biologische kenmerken. Zijn we op weg naar een samenleving waarin alle burgers onderworpen worden aan een massale digitale surveillance door een afluisterstaat? Een staat waarin het verlangen naar opstandigheid wordt onderdrukt en meegaandheid wordt afgedwongen door het besef dat men altijd en overal in de gaten wordt gehouden? In deze analyse staan de digitale afluisterpraktijken van geheime diensten centraal en worden de meest recente ontwikkelingen uitvoerig beschreven. De recente onthullingen van de NSA-klokkenluider Edward Snowden nemen hierbij een prominente plaats in. De maatschappelijke en politieke betekenis van die onthullingen worden opgespoord door een nauwkeurige reconstructie en evaluatie van de gelekte geheime informatie en van de reacties daarop. In de nomadische gedachten worden politiek-sociologische vragen aan de orde gesteld over de risico’s van de digitale afluisterstaat, en worden aanbevelingen gedaan over hoe we ons vrijheids-recht op privacy kunnen beschermen tegen opdringerig toezicht van autoritaire staten. Voor het volledige artikel:  http://www.sociosite.org/toezicht.php

 

 

 

DOORNAPPELS

Wormgaten van de 4e dimensie?

 

 

Doornappels (Datura spp.) maken deel uit van de nachtschaden, een plantenfamilie die zich voornamelijk op het Amerikaanse continent heeft ontwikkeld en van grote betekenis is als verstrekker van voedings- en genotmiddelen (aardappel, tomaat, tabak, pepers). Doornappels hebben hun bedenkelijke faam te danken aan de hallucinerende werking van de stoffen die in alle delen van de plant aanwezig zijn en bij een onjuiste dosering levensbedreigend kunnen zijn.

 

Hoewel planten zich niet zo gemakkelijk verplaatsen als dieren hebben ze toch allerlei manieren ontwikkeld om zich te kunnen verspreiden. Beter gezegd, de zaadplanten die thans bestaan (dus niet zijn uitgestorven) hebben dat onder meer te danken aan bijzondere (toevallige) kenmerken van hun vruchten (die het zaad bevatten). Bijvoorbeeld het kenmerk pluizig, waardoor ze met de wind worden meegevoerd, of voedzaamheid, waardoor ze worden gegeten en waarna de zaadjes in de ontlasting terecht komen. Of het kenmerk stekelig, waardoor ze aan de vacht van passerende zoogdieren klitten. Tot de laatste categorie behoort de doornappel.

   De hedendaagse relatie tussen planten en dieren is aanzienlijk gecompliceerder dan het verspreiden van zaden (vruchten). Afgezien van voedsel aan herbivoren leveren de meeste planten beschutting (nestvorming) en zijn voor de bestuiving veel bloemplanten afhankelijk van hen (honigbij). De bloemplanten zijn dan ook veel later ontstaan (begin krijt, ca. 140 miljoen jaar geleden) dan de insecten (midden devoon, ca. 400 miljoen jaar geleden).

   De meeste mensen hebben onplezierige herinneringen aan de afweer van sommige planten. Om zichzelf te beschermen tegen beschadiging door dieren hebben planten bijvoorbeeld doornen (braam) of netelcellen (brandnetel). Veel minder bekend is de productie door planten van talloze secundaire stoffen ter bestrijding van vraat.

   Het meest direct werkt een vieze smaak of een gifstof die onmiddellijk korte metten maakt. In andere gevallen komen er bij beschadiging door vraat vluchtige (lok)stoffen vrij (feromonen) die natuurlijke vijanden van de betreffende planteneter (meestal insectenlarven) aantrekken. Deze vijanden (mijten, roofkevers, sluipwespen) richten zich meestal op heel specifieke prooien en welke lokstof er precies vrijkomt, is afhankelijk van de manier waarop de beschadiging tot stand komt (knabbelen, zuigen, raspen). Daardoor is de kans groot dat de juiste belager van de larve of rups wordt gerekruteerd.

   Dit specifieke afweersysteem van planten vereist een groot aantal verschillende stoffen die door het metabolisme van de plant worden gemaakt maar die zelf niet nodig zijn voor dat metabolisme en om die reden secundaire metabolieten worden genoemd. Een bekende groep van dergelijke stoffen vormen de alkaloïden. Ze zijn uitgebreid vertegenwoordigd in familie der nachtschaden (Solanaceae).

 

Nu doet zich een heel ander fenomeen voor in de relatie tussen het plantenrijk en het dierenrijk, namelijk tussen planten en mensen. Tot de nachtschaden behoren nogal wat cultuurgewassen met aanzienlijke sociale en economische relevantie. De aardappel vervult een sleutelrol in het wereldvoedselsysteem. De Italiaanse keuken is eenvoudig ondenkbaar zonder tomaat. Wat is chili con carne zonder chili(peper)? Jaarlijks sterven ca. 6 miljoen mensen door tabaksgebruik en ruim een ½ miljoen door meeroken (WHO). De betreffende gewassen leveren werk en inkomsten aan een veelvoud daarvan .

   Veel mensen hebben ironisch genoeg verlichting gevonden in de meer duistere giften van de nachtschaden: de talloze alkaloïden die zo heerlijk onze gemoedstoestand kunnen beïnvloeden. De pijnstillende, geestverruimende en ontspannende invloed op onze gesteldheid van deze stoffen hebben geleid tot een wereldwijde verspreiding en cultivering van de planten.

   De doornappels kunnen wormstekig zijn maar larven of maden werden zelden aangetroffen in het vruchtvlees. Een verklaring daarvoor kan uit het voorgaande worden afgeleid: geproduceerde feromonen hebben predatoren aangetrokken die de vreters al hebben verschalkt.

 

Enkele onderzoekers aan het Technologisch Instituut van Guwahati in India hadden evenwel een heel ander idee. Ze meenden dat de wisselwerking tussen sommige van de alkaloïden (zoals hyoscine) en de neurotransmitters in het zenuwstelsel van de diertjes niet zozeer dodelijk was maar slechts hun gedrag beïnvloedde. Uiteenlopende proefnemingen, moleculaire analyses en eindeloze tests brachten vervolgens onvermoede zaken aan het licht: de larven bleken eenvoudigweg te verdwijnen om korte tijd later weer tevoorschijn te komen. Een postdoc had even gewag gemaakt van een parallel universum. 

   Toen de biologen hun observaties binnen het Indian Institute of Technology (IIT ) kenbaar maakten, waren de meeste reacties sceptisch. Over het algemeen had men weinig belangstelling, op een paar nanotechneuten en moderne alchemisten na. Zelf waren die toevallig ook niet geheel onbekend met de werking van doornappelthee wat in de ogen van hun collega’s een vertroebelend effect op hun beoordelingsvermogen zou hebben gehad. Desalniettemin heeft de samenwerking van deze onconventionele zonderlingen tot geruchtmakende resultaten geleid.

   Geruchtmakend, want een officiële wetenschappelijk rapportage ontbreekt. Alle informatie is gebaseerd op enkele publicaties in weinig gerenommeerde Aziatische bladen en een nauwelijks verstaanbaar radio-interview. Bij het IIT zwijgt men over deze zaak in alle talen wat overigens niet zoveel zegt: Indiase onderzoeksinstellingen verzoeken hun medewerkers niet zelden om geheimhouding totdat de resultaten van het onderzoek officieel bekend zijn gemaakt.

 

Datura stramonium, de meest in Nederland voorkomende doornappel, komt oorspronkelijk uit Amerika. De doornappels van de nieuwe wereld werden door ingewijden van de inheemse bevolking gebruikt voor magisch religieuze rituelen. Ze danken hun bekendheid aan hun hallucinogene eigenschappen.

   Aziatische doornappels, zoals Datura metel, waren al eerder in Europa bekend en werden als geneesmiddel gebruikt voor de behandeling van allerlei aandoeningen en de bestrijding van koorts. In combinatie met alcohol werd de plant gebruikt als verdovend  middel bij chirurgische ingrepen. In de 16e eeuw werd ook D. stramonium aangewend als verdovend middel, onder andere bij rotte kiezen en open wonden.

   “… dezen Doorn-Appel is van aerd ende krachten seer verdovende, ´t ghevoelen benemde, ende slaep-maekende, mits dien oock verkoelende tot in den vierden graed, …”1

    Zo hebben naast geestverruimende ook medicinale eigenschappen bijgedragen aan de wereldwijde verspreiding van doornappels. De vraag is of de intieme relatie tussen vertegenwoordigers van twee verschillende rijken (mens en bloem) niet alleen tot verspreiding in de derde dimensie heeft geleid, maar ook in ´den vierden´?

 

Uit het Cruydeboeck van de arts en botanicus Rembert Dodoens (1517-1585).

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Richard Schultes & Albert Hofmann. Over de planten der goden. Cactus-Boeken, 1983

Eddy van der Meijden. Het afweersysteem van planten, een fascinerend compromis. RU Leiden, 2009

 

 

 

El Instituto 1           MISDIENARENDROOM

 

 

Daer is één pleck op dees aartcloot waer ick sterven sal en dood syn

Op dat yland van Sint Laurens sal myn letsten rustpleck syn

 

 

Isla San Lorenzo. Volgens Theodoor Haase het paradijs op aarde. In de tijd dat de Europeanen het bestaan van Amerika nog niet kenden, begroeven de Inca’s er hun koningen. De rotsformaties toonden een landschap zonder fratsen, dat wil zeggen zonder de weelderige vegetatie die sinds mensenheugenis de hellingen van het vaste land bedekte. Onberoerd door de tijd behield het eilandje voor de kust van Lima zijn strenge uitstraling.

   Als een Cisterciënzer klooster.

   Het was er goed vissen. Uitwerpselen van zeeleeuwen, pinguïns en pelikanen bedekten de rotsachtige bodem. Gebrek aan zoet water had mensen ervan weerhouden om zich er permanent te vestigen. Alleen de doden bleven achter op dit boomloze kerkhof. En een enkele zonderling.

   De Britse natuurvorser Darwin bezocht het eiland tijdens zijn reis met de Beagle en verbleef enige tijd op de plek waar Haase in het begin van de achttiende eeuw zijn nederzetting had gebouwd. Het lege huis en de kleine tuin werden nog steeds onderhouden door de lokale vissers. Zwijgzame mannen die er soms overnachtten vanwege het vergaarbekken dat Haase had aangelegd en waarin altijd wel wat regenwater stond. Ze bezochten de plek omdat het huis aangename beschutting bood als ze op de veranda hun gebakken visjes aten en bij zonsondergang genoten van het uitzicht op de baai en de hellingen van de Andes in de verte.

   Spaanse kolonisten hadden nooit veel waardering getoond voor schoonheid, noch die van de natuur noch die van een niet-katholieke cultuur. Theodoor Haase was echter van Nederlandse origine. Nou stonden die botte Hollanders ook niet bekend als traditionele voorvechters van het werelderfgoed – een begrip dat pas na de tweede wereldoorlog in de twintigste eeuw, toen de beschikbare wereldbol zienderogen begon te krimpen, werd geïntroduceerd – maar Theodoor was Vlaming, én romanticus.

   Een uitputtende maar vergeefse zoektocht naar het paradijs op aarde had hem naar het land van el hombre dorado gebracht. Lijdzaam had hij zich gevestigd in de omgeving van Lima waar hij de rest van zijn leven doorbracht als welgestelde kluizenaar en vriendelijke kolonist. Men vond hem innemend maar ook ongenaakbaar zodat niemand hem uit de weg ging maar ook niet uit eigen beweging opzocht. Hij was begaan met het lot van de oorspronkelijke bewoners van Lima, die door de meeste Europeanen als tweederangs burgers werden behandeld. Tegelijkertijd was hij een welgestelde volksplanter die het aan niets ontbrak.

   Spiritueel leidde hij een dubbelleven. Enerzijds de vrome zonderling die zijn lot bepaald zag door een Christelijke God, anderzijds een onafhankelijk zoeker naar de Waarheid in heidense mystieke fantasieën. Hij zal 2 of 3 jaar oud geweest zijn toen de ‘zoete fee’ zich voor het eerst aan hem openbaarde. Lonkend, in al haar zachtheid, vanaf haar stenen troon. In haar verenigde zich zijn doodsverlangen en ultieme seksuele hoogtepunt. De zoete fee had hem in haar ban. Tegelijkertijd was hij bang om zijn libido te verliezen. Zijn leven lang zou hij zich verzetten tegen het lokkende voorgeborchte van de moederkut. De ingeprente vrees voor een goddelijke afwijzing van zijn aanspraak op een plekje in de hemel was te groot.

 

Theodoor Haase. De zoveelste speelbal in Gods flipperkast. Zijn persoontje zou in de anonimiteit van de geschiedenis zijn verdwenen, ware het niet dat door een samenloop van omstandigheden de onnozele romanticus en onbeduidende zakenman op termijn een sleutelrol zou gaan spelen in de wereldgeschiedenis. Ongeveer zoals Angela Malerba, wier naam alleen nog in de historische analen voorkomt omdat Napoleon Bonaparte haar kleinzoon was.

   Ongeveer. Want de erfenis van de man die de eerste prikkel gaf tot de oprichting van El Instituto is heel wat minder bekend dan die van de kleine korporaal.

   In het verborgene zou Het Instituut echter van doorslaggevende betekenis zijn voor de verdere loop der gebeurtenissen.

 

Geboren in Antwerpen als enig kind van een succesvolle en desondanks gerespecteerde reder en regent leek Theodoor Haase voorbestemd om in de sporen van zijn autoritaire vader te treden.

   Zijn vader. Een man van aanzien. Stelde hem geregeld op de proef maar liet hem nooit in zijn eentje de kastanjes uit het vuur halen. Aan de hand van de immer met een lakense cape omhulde scheepsmagnaat voelde de jongen zich trots en geborgen. Als hij later groot was, wilde hij ook zo zijn.

   Evenals zijn verwekker beschikte Theodoor over een natuurlijke charme waardoor hij iedereen onmiddellijk voor zich innam. Van jongs af aan vergezelde hij zijn vader, zowel naar het Godshuis als naar het handelskantoor aan de haven, waardoor hij al snel tot de slotsom kwam dat de zin van het leven bestond uit arglistig onderhandelen en vrome toewijding.

   Hij blonk spoedig uit in beide.

   Maar soms kriebelde het. Dan beklemde hem een onvrede die hij niet goed duiden kon. Als hij op heldere dagen uitkeek over de rede van de Scheldestad werd hij soms overvallen door een gevoel van haat. Dan verfoeide hij de voorspelbare voortzetting van zijn brave jongensjaren. Als hij rondzwierf tussen de barakken bij de haven welde af en toe verlangen op om dingen stuk te maken. Dan schrok hij van het ontzag op de gezichten van zijn vaders lossers en laders als ze hem ontwaarden tussen de kisten en vaten op de kade. Dan voelde hij zich betrapt al had hij niets gedaan.

   Hoe zeker was hij eigenlijk van zijn toekomst?

   De rituele spelregels voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst drukten op zijn geweten. Soms verdacht hij zijn vader van schraperigheid. Ze waren rijk genoeg, over de toekomst hoefde ze zich geen zorgen te maken, waarom dan toch altijd het onderste uit de kan?

   De plaats van handeling, meestal een benauwd en somber kantoortje, begon hem tegen te staan. Steeds meer voelde hij zich verwant met de aanmonsterende zeelieden, die per slot van rekening voor het ruime sop gekomen waren. Zijn heimelijke bewondering voor die vrijheidshelden kon hij maar met moeite onderdrukken. Bedeesd was hij getuige van de transacties in de duistere krochten van de bedompte pakhuizen. Niet zelden gelegen aan een nauw straatje waar een frisse wind weinig kans maakte om de lauwe strontlucht tussen de hoge gevels te verdrijven.

   Was dit het decor voor de rest van zijn leven?

   Liever liep hij over de kade. Wandelend langs de Schelde. Mijmerend onder de wolkenluchten.

   Kinderen rondom het havengebied bemoeiden zich niet met hem. Ze wantrouwden zijn frisse verschijning. Te netjes gekleed, hij stonk niet eens. Ze waren niet bang voor hem – als hij wat zei klonk het vriendelijk, innemend zelfs – maar dat wekte juist hun argwaan. Ze lieten hem met rust, zochten zeker geen toenadering.

   Eenzaam was hij niet, hij had genoeg aan zichzelf.

   Zijn vader nam hem wel eens mee naar een zakenrelatie met een zoon van Theodoors leeftijd. De eerste kennismaking had de jongen in verwarring gebracht toen hij merkte dat hij werd gekoeioneerd en als een indringer werd beschouwd. Het bevestigde zijn vermoeden dat zijn leeftijdgenoten hem niet moesten, als een vuilgestelde uit de leprozerie. Hij vermeed zoveel mogelijk elk contact met andere jongens, gaf de voorkeur aan eigenzinnige zwerftochten, langs veld en dreef en in zijn hoofd.

   Hij vroeg zich af waarom men in heiligdommen zoals de kerk of zijn vaders kabinet de voorkeur gaf aan walmende kaarsen boven stralend zonlicht. Het verhullende karakter van de duisternis woog tenslotte niet op tegen het ware gezicht Gods, zo meende de jongen naïef maar oprecht.

   De alomtegenwoordige schemering en de bedompte luchten binnenshuis dreven hem geregeld naar de buitenplaatsen waar hij uren kon rondhangen langs de oevers van de rivier. Ongehinderd door het gejakker en gekrioel, het  gegrom en geraas van hondenkarren, van bedelmonniken, van paard-en-wagens, van visventers die in de smalle straatjes van het stadscentrum luidkeels hun riekende waar aanprezen, van hongerige kinderen op zoek naar iets eetbaars in de goot, ongehinderd door al dat grootstedelijk straatrumoer rende hij langs het open water en genoot van de landelijke weidsheid. Vaak was het winderig en motregende het. Maar de lucht was hier tenminste niet bezwangerd met kakdampen die opstegen uit de open riolen langs de gevels. Waar lamme zatlappen en ratten vochten om een uitgebraakte korst met een zweem van eetbaarheid. Hier traanden zijn ogen niet door de vettige rook die op vochtige dagen tussen de huizen bleef hangen; hier traanden zijn ogen door de ontroering die de voortsnellende wolken en het klotsende water in hem opwekten.

   Dan kon hij springen en dansen als een losgeslagen taliereep in de aanwakkerende wind.

   Ook bij rustig weer vervulde de vrijheid van het open veld hem met hernieuwde levenslust. In het licht van de lage zon kreeg het water van de Schelde een paarse glans en de zeewind boetseerde rossige kopjes op het oppervlak. Hij sprong over sloten en struinde door het drassige land. De gedachte dat hij deed wat niet mocht, wond hem op. Hij beet op zijn wang en proefde de metallische tinteling op zijn tong. Oh, hij haatte zijn vader. En zijn moeder?

   Volgens zijn vader was er maar één moeder, Moeder Maria, de moeder van God. Zijn eigen moeder was voor de dagelijkse rompslomp. Zij veegde de vloer van zijn vaders kantoor, zij kookte hun eten, zij verstelde hun kleed. Toen hij klein was knuffelde ze hem wel eens. Zijn moeder was handig, lief en afstandelijk. Als een terreinknecht, onmisbaar maar op de achtergrond, zoals het hoorde.

   De Vlaamse burgerlijkheid beknelde de jonge Theodoor als het wollen ondergoed dat zijn moeder elke week vol huiselijke toewijding schrobde in haar tobbe. De geborgenheid schrijnde en jeukte als hij langs de Schelde holde zodat hij al zijn kleren wel zou willen uitgooien. Maar de status van zijn warme manteltje belette hem om zichzelf te zijn.

   Als hij terugkeerde op zijn dagelijkse schreden werd hij geplaagd door schaamte. Dankbaar zou hij moeten zijn, in plaats van zo balorig. Dankbaar voor de zorgzame aandacht die hem ten deel viel. Dankbaar dat hij gedoopt was, dat hij een kind Gods was en dat hem een plaats wachtte in Zijn eeuwige hemelrijk (mits hij regelmatig te biecht ging).

   Het waren bekende bezweringen, maar die simpele woorden hielden hem wel in het gareel.

 

Op één van zijn langere omzwervingen door het rivierenland merkte Theodoor plotseling dat hij midden in een park stond. Vermoedelijk was hij in de tuin van een nabijgelegen abdij beland. Hij was zo in gedachten verzonken geweest dat de gecultiveerde omgeving hem niet direct was opgevallen. Een langgerekte pauwenkreet had hem uit zijn mijmeringen gewekt. Het modderige pad was hier met zand bestrooid en in plaats van het her en der verspreide struikgewas zag hij hoge en goed onderhouden hagen. Op een heuvelachtige verhoging halverwege het gazon stond de imposante pauwenhaan in al zijn pracht. Was dit het hof van Eden?  

   Vanachter een reusachtige populier trad een witte gedaante tevoorschijn. Terwijl hij op hem toeliep zag Theodoor dat hij het witte habijt van de Cisterciënzer orde droeg. De jonge kloosterling zag er een beetje vreemd uit.

   Met een glimlach keek de novice hem aan en sprak de gedenkwaardige woorden:

   “De visser prikt een knoopsgat en zijn kussen wordt bedekt met scherpe tanden.”

   Een schaduw gleed over zijn glimlach. Met opgewonden weerzin gromde hij:

   “Ze heeft de kop er levend afgebeten.”  

   Theodoor dacht dat hij hem verkeerd had verstaan. Hij wilde net vragen wat de novice bedoelde toen deze naar het struikgewas wees met de kreet “Een pad! Hij kiest ’t hazenpad”, en zich op handen en voeten in aangewezen richting verwijderde.

   Meer had Theodoor niet nodig. Het platte gezicht en de brede mond met dikke lippen waren hem al opgevallen. Dit was duidelijk een idioot. Teleurgesteld keerde hij terug op zijn schreden, de mongool achterlatend in zijn eigen gedroomde paradijs.

   In de verte klonk de aankondiging van het Angelus.

 

 

 


 

 

 

Erik Hazepad buigt zich over de vitrinekast met keramische amfibieën in het Museo Larco in Lima en vraagt zich verwonderd af waarom dit oeroude handwerk hem doet denken aan de beeldjes die hij in Azië heeft gezien.

   Kijk ik hier naar een voorbeeld van interculturele beïnvloeding (en hoe heeft die ooit kunnen plaatsvinden) of zijn dit gewoon archetypische kunstvormen?

   Terwijl hij rondwandelt in dit heiligdom vol oudheden raadpleegt hij voortdurend zijn horloge. Hij gaat iemand ontmoeten van wie hij eeuwen niets meer gehoord heeft. Joachim Bolt.  Hoe noemden ze hem ook weer? Kwaker? Kikker? Bolt, met wie hij vroeger altijd ging stappen (en die mogelijk zijn meisje heeft gekaapt), werkt tegenwoordig als redacteur bij een oudheidkundig tijdschrift. Hij heeft hem gevraagd naar Lima te komen om de nalatenschap van een zekere Theodoor Haase te onderzoeken. En misschien nog wel meer.

 

Toeval? Erik is op geen enkele manier gelovig, maar deze hereniging is wel een buitengewone samenloop van omstandigheden. Het rare telefoontje dat hij nog maar een week geleden per ongeluk (?) heeft weggedrukt – juist als hij een boek van Giep Franzen over motivatie zit door te bladeren – wordt later die avond herhaald. Natuurlijk heeft hij het karakteristieke stemgeluid van zijn vroegere studiegenoot herkend, maar hij is zo geschrokken om die na jaren weer te horen dat hij de verbinding opnieuw (per ongeluk?) heeft verbroken. Bolt was destijds van de ene op de andere dag verdwenen. Net als Mandy. De gedachte aan vroeger overvalt hem met een intens gevoel van verlatenheid. Ze hadden hem in de steek gelaten. Had hij hun nagedachtenis niet voor eeuwig verdoemd?

   Nieuwsgierigheid en professionele belangstelling hebben zijn haat echter verschrompeld tot een rekwisiet dat niet meer aandringt. Hij belt terug. Al snel gaat het gesprek over hun dagelijkse bezigheden. Als Joachim – hij noemt zichzelf tegenwoordig Jason – hem vertelt over zijn connecties met een archeologisch onderzoeksteam in Brussel, begint bij Erik de euforie door te breken. Hij heeft de documenten uit Haase’s graf op San Lorenzo net gelezen en zit nu ongegeneerd uiteen te zetten hoe hij de wortels van El Instituto meent te kunnen blootleggen. Joachim, Jason, vertelt hem op zijn beurt over de opgravingen in Pachacamac en zodra Erik en passant el hombre dorado noemt, stelt Jason hem voor om naar Lima te komen.  

 

Terwijl Erik door de vrijwel verlaten zalen slentert, herkent hij met een schok de afgewende gestalte tussen de talrijke uitstalkasten gevuld met erotisch keramiek. Alsof hij voelt dat Erik hem ontdekt heeft, draait Bolt zich om. Hij is geen steek veranderd. Met uitgestoken hand komt hij naar hem toe en overhandigt hem kwakend een klein vrouwenbeeldje:

   “Pacha’s mama. Vierduizend jaar oud.”

 

 

 


 

 

 

Naarmate Theodoor ouder werd, maakte hij zich geleidelijk los uit de leidsels van zijn strenge maar bedachtzame vader. Het marchanderen werd helemaal aan hem toevertrouwd zodat zijn vader zich volledig kon bezighouden met de tegenvallende scheepsexploitatie. Kapers en schipbreuk hadden gezorgd voor ernstige verliezen en de schulden liepen op.

   Ondertussen ging hij steeds meer zijn eigen gang. Aangetrokken door de charme van jonge artiesten had Theodoor zich in zijn vrije tijd onledig gehouden met de kunsthandel en als impresario vertegenwoordigde hij een stel veelbelovende muzikanten. Zijn grootste bewondering ging uit naar het lieftallige zangeresje dat onder begeleiding van haar Portugese echtgenoot Emanuel, die het klavecimbel bespeelde, zelfgeschreven liederen ten gehore bracht. Hij verkocht hun bladmuziek in kringen waar de jonge freules als vanzelfsprekend muziekonderwijs genoten.

   Te midden van zijn artistieke vriendenkring voelde Theodoor zich op zijn plaats. Hun behuizingen waren net zo somber als alle andere in de stad, maar hij verkoos hun lichtzinnige bandeloosheid en libertijnse sympathieën boven de kille degelijkheid van de kooplui en kruideniers uit zijn eigen milieu. Onweerstaanbaar werd hij aangetrokken door hun uitingen van kritiek op de hem vertrouwde en zelfingenomen bourgeoisie (waar hij zelf toe behoorde). Hij ontmoette vrijzinnige geesten in gelegenheden waar de muziek anders klonk dan hij gewend was en waar de kostgangers ongebruikelijke kleding droegen. Vaak waren het etablissementen in de buurt van de haven, die door buitenlandse zeevaarders werden bezocht. De eerste keer was hij slechts uit nieuwsgierigheid een dergelijke gelegenheid binnengegaan maar zijn entree in deze kringen zou zijn leven een drastische wending geven.

   De openhartigheid waarmee sommige kroeggangers het gezag van de heilige kerk aan de kaak stelden, schokte hem. Tegelijkertijd werd hij geboeid door hun manier van argumenteren. Hij herkende de charmante overredingskracht van enkele cafébezoekers als ze andere aanwezigen trachtten te overtuigen van hun gelijk of ongelijk (dat deed er eigenlijk niet toe). Het was precies dezelfde charme waarmee hijzelf eenvoudigweg een goede koop sloot! Het deed er niet toe of je een partij Frans porselein aanprees of een verlichte opvatting . Als je het maar ernst was. Hier voelde hij zich echt thuis.

   Het duurde even voor hij in de gaten kreeg dat de meeste aanwezigen lid waren van een gilde. Er waren gildes van schilders, van beeldhouwers, muzikanten of dichters, maar de leden leken geen van allen tevreden met hun sociale positie. Het waren allemaal gewaardeerde kunstenaars maar hun opdrachtgevers hadden geen idee van hun heimelijke verlangens. In hardvochtige bewoordingen gaven sommigen blijk van hun maatschappelijke onvrede. Deze raddraaiers beklaagden zich over de beknotting van hun persoonlijke vrijheid door de burgerlijke ‘fatsoenregeltjes’. Ze werden niet tegengesproken.

   Deze hang naar ongebondenheid prikkelde Theodoors sluimerende verlangen naar iets waar hij nog geen naam voor had. Dat onbestemde gevoel dreef hem steeds vaker naar de ateliers en etablissementen waar de ‘artiesten’ samenkwamen.

   Dat bleef niet onopgemerkt.

   Zelf had hij geen artistieke ambities. Hij was zich ooit te buiten gegaan aan wat aanstellerige rijmelarij en bij wijze van tijdverdrijf tekende hij nog altijd de houterige poppetjes uit zijn kindertijd. Alleen zijn deelname aan het koor, het zingen van de liturgische gezangen toen hij nog misdienaar was, had hem bevrediging gegeven.

   Zijn gebrek aan kunstvaardigheid was niemand ontgaan. Een achterdochtige steenhouwer had hem zelfs beschuldigd van spionage voor de stadsarchivaris. Maar dat werd door niemand serieus genomen. De meesten gingen hem, mede door hun eigengereide zelfverzekerdheid, niet uit de weg. Hij werd gedoogd. Bovendien was zijn commerciële talent ook doorgedrongen in de obscure havenkroegen en maakte men maar al te graag gebruik van zijn handelsgeest.

 

Door zijn regelmatige kroegbezoek raakte Theodoor in een persoonlijk conflict. Enerzijds genoot hij van het gezelschap van zijn vrienden die op hun beurt graag gebruik maakten van zijn commerciële gaven, anderzijds begon de sleur van het zakendoen hem steeds meer tegen te staan. Het marchanderen ging hem te gemakkelijk af, het was een soort vanzelfsprekendheid geworden. Nauwelijks hoefde hij er nog bij na te denken hoe hij onwillige (ver)kopers de baas kon zijn en boekhouden had hem altijd al verveeld.

   Het vermoeden dat God grotere plannen met hem had, knaagde aan zijn ziel. Zijn vader had altijd het volste vertrouwen in hem gehad, maar het begon op te vallen dat hij foutjes maakte. Het schipperen liet hij soms na waardoor een financieel voordeeltje de mist in ging. Dan werd hij op het matje geroepen om zich tegenover zijn vader verantwoorden. Of hij maar wilde uitleggen waarom door zijn toedoen, of liever, door zijn verzuim, een gunstige handelstransactie was mislukt.  

   Daar kwam nog bij dat de gezondheid van zijn vader sterk achteruitging. Gaandeweg was de aan lager wal geraakte reder overgeleverd aan de (medische) zorgen van zijn vrouw en zijn zoon. Ontstekingen teisterden zijn lichaam, hij takelde zienderogen af. Van de chirurgijn – die tevens huisvriend was – had de familie een kruidenpasta gekregen om de zweren te behandelen. Niemand vond het leuk om dat te doen en of het nu uit schuldbesef was of uit vaderliefde, Theodoor had deze taak op zich genomen. Vol overgave smeerde hij de zalf op de wonden.

   Het licht in huis werd buitengesloten, de ontstoken ogen van de reder knipperden zelfs bij kaarslicht. Omdat zijn moeder al genoeg te doen had, was het Theodoor die zich over de patiënt ontfermde. Voor het eerst zag hij een aarsgat. Hij had een smadelijke holte verwacht, maar het had eerder iets mopperigs, als een pruilend mondje. Hij schaamde zich voor zijn vaders kwetsbaarheid.

   De wonden werden akeliger, de stank beroerder.

   De somberheid in huis benauwde Theodoor als vanouds, dreef hem af en toe naar buiten. Dan liep hij langs de rivier en dacht na over zijn toekomst. Hij zat gevangen, klem tussen een onbestemd verlangen en de zorg voor zijn bazige vader. Schuldbewust hunkerde hij naar vertier en gezelschap in de havenkroegen. Hij wilde dat alles anders was, al wist hij niet goed hoe anders.

   Deed hij aanvankelijk zijn best om zijn ouweheer niet teleur te stellen, na verloop van tijd kon hij zelfs dát niet meer opbrengen. De kooplieden met wie hij zaken deed, merkten dat hij er niet meer op uit was om een winstgevende overeenkomst te sluiten. Het viel hen echter niet mee om daar van te profiteren. Een gunstige prijsmarge mocht hem dan koud laten, zijn aandacht voor de kwaliteit van een product was er niet minder op geworden. De kleur van het omhulsel, de structuur van de stof, de klank van het houtwerk, dát interesseerde de knul. Daar wilde die steenezel zelfs op toeleggen. Alleen het beste was goed genoeg, middelmatig spul dat zijn vader groot gemaakt had, konden ze vergeten.

   Ondertussen bezocht hij reikhalzend de ateliers en muziekgelegenheden. Stortte zich in de felle debatten over het maatschappelijk en kerkelijk belang van de schone kunsten. Nam deel aan discussies die plaats vonden in openbare ruimtes waar het bier rijkelijk vloeide. Discussies die niet zelden uitwaaierden in een sprankelend vuurwerk van eruditie en kwinkslagen. Het aanstekelijke uitgangspunt van elke woordenwisseling loste op in de overvloed van heildronken op ieders welzijn.

Steeds minder tijd bracht hij door aan de zijde van zijn zieke vader. Voortdurend was hij te vinden in de kringen van zijn kunstzinnige vrinden. Niet zelden in gezelschap van het lieftallige zangeresje. Ze heette Rosita, zag er uit als de Madonna van zijn meest aanbeden devotieprentje, rook naar de scheepsruimen van de VOC en zong als een nachtegaal.
   Kortom, hij was smoorverliefd op de vrouw van Emanuel.

   Theodoor was er de man niet naar om iets van zijn hunkering te laten merken. Hij was goed in staat zijn zelfbeheersing te bewaren, zelfs in haar aanwezigheid, al viel hem dat nog zo zwaar. Hij weigerde haar zijn liefde te verklaren uit vrees daarmee iets heiligs te verbreken. Betrof dat haar huwelijkse belofte of was het iets anders?
   Misschien moest ze hem wel helemaal niet.

   Soms had hij vreselijke visioenen, waarin hij haar zijn liefde betuigde en waarop zij hem in zijn gezicht uitlachte. Een keer had hij gedroomd dat hij haar, in het bijzijn van de veel oudere Emanuel, probeerde te zoenen. Ze had hem toen, in zijn droom, zo onheilspellend aangekeken dat hij met een schok was ontwaakt. Was het haar echtgenoot geweest of haar afwijzing die knaagde aan zijn onderbewuste?
   Wellicht met uitzondering van Emanuel, had iedereen, Rosita incluis, allang in de gaten dat Theodoor ‘gevoelens voor haar had’. Toch liet niemand iets merken. Zijn vrienden niet omdat ze niet wisten om wat voor gevoelens het precies ging. Hijzelf niet uit angst dat zijn charismatische charme haar zou overhalen om voor hem net zulke gevoelens te koesteren als hij voor haar had. En niemand wilde Emanuel voor het hoofd stoten.
  Theodoor fantaseerde dat Rosita zich uit eigen beweging aan hem zou geven. Dat gebeurde natuurlijk niet, daarvoor was zij veel te fatsoenlijk. Ironisch genoeg hoopte hij dat ze iets zou doen wat hij juist zou veroordelen en hij besefte zijn dilemma.
  Er was geen uitweg. Er was maar één uitweg. Weg!

 Zijn vader stierf, eindelijk, na doorwaakte nachten van toegewijde zorg en bedrukte dagen van angstig afwachten – maar wel op een tijdstip dat zijn moeder en de bevriende chirurgijn, die al praktisch bij hen inwoonde, net even ergens anders waren. Alleen Theodoor zat naast het bed en hield zijn vaders hand vast toen deze de laatste adem uitblies.

   De jongen was verdrietig maar vooral ook opgelucht. Weken achtereen had hij het aangetaste lijf verzorgd; zijn moeder ontlast en zijn vader verschoond. Nu konden de luiken weer open, kon het zonlicht dat zijn vader niet had kunnen verdragen weer binnenstromen. 

   Hij verliet het huis om de chirurgijn op de hoogte te stellen zodat deze de nodige maatregelen kon treffen. Wat hij daarna zou gaan doen, was nog in nevelen gehuld. Het had hem lichtelijk verbaasd om zijn moeder bij de chirurgijn aan te treffen maar lang had hij er niet bij stilgestaan. Hij had zijn boodschap gedaan, zijn taak zat erop, hij wilde alleen nog wat lopen.

   Zijn gemoed deinde op golven van rouw en opluchting. Het voelde of hij als een vogel naar de hemel vloog om even later als een lijk op de grond te kwakken. Evenzeer schaamde hij zich voor zijn dubbelhartigheid. Hij kon droefheid veinzen maar God in de hemel kende zijn troost.

   Eindelijk was hij vrij om te gaan waar hij wilde, al wist hij niet waarheen. Benijdenswaardig was de zwakzinnige monnik aan wie het menselijk leed ongemerkt voorbij ging. Wist hij veel. Bijna struikelde hij over de zwerfteef  die voor zijn voeten langs glipte om een kronkelende aal uit de goot te vissen. De paling was van een viskar gegleden en voordat de venter zijn handel kon terugeisen had de vrouw er haar tanden ingezet. De wereld was een tranendal.

 

Zwartgallig zwierf hij doelloos door de straten, onbewust op weg naar het water, waar zijn kroegmaat Adalbert juist inspiratie zocht en zich over hem ontfermde.

   Adalbert was een dichter van onbestemde leeftijd met een zwak voor jonge en, zoals hij verontschuldigd toelichtte, veelbelovende mannen (ze hoefden niet per se over kunstzinnige talenten te beschikken).

   Theodoor had grootte bewondering voor de eenvoud waarmee hij zowel de natuur als zijn gevoel kon verwoorden. Speciaal voor hem had de dichter feilloos de woorden gevonden waarmee hij Theodoors gemoedstoestand van de afgelopen tijd had vereeuwigd:

 

          De avond ruist door de akkerlanden

          En draagt met enen zoeten zucht

          Uit mijne warme stille handen

          De geuren naar de verre lucht,

          Naar – naar ik weet niet wat

 

          De avondwind begint te waaien

          Ik voel hem aan mijn lijf, mijn haar,

          De fluisterende bomen zwaaien

          En buigen al maar samen naar –

          Naar ik – ik weet niet wat

 

          De avond waait aan mijne wangen –

          Ik bijt de kleine bloemen stuk

          En voel een nameloos verlangen

          Naar een vrucht – een vrouw – naar ’n groot geluk

          Naar – God ik weet niet wat! *

             

Adalbert nam Theodoor mee naar één van de gelegenheden die zij regelmatig bezochten. Willoos had de jongeman zich laten leiden door de arm die om zijn schouder was geslagen. Toegegeven, landloperij zou zijn eenzaamheid alleen maar verergeren, gezelschap was de beste remedie melancholie.

   In het etablissement hing een ingetogen sfeer. Op een of andere manier was het bericht van het overlijden van Theodoors vader hem vooruitgesneld. Aan de lange tafel zag hij bekende gezichten. Rosita was er niet bij. Emanuel greep hem bij een hand en gebaarde hem naast hem te komen zitten. Bewogen door zijn ernstige blik en bemoedigende schouderklopjes liet Theodoor zich neerzakken, Adalbert nam aan zijn andere zijde plaats en wenkte om drank.

   “Die indiaanse zeelui gaan zo dadelijk muziek maken.”

   Emanuel knikte in de richting van een paar donkere mannen met platte neuzen die Theodoor nog nooit gezien had.

   “Ik heb ze verteld van je verlies, of ze er rekening mee willen houden.”

   Terwijl hij met een paar gulzige slokken zijn eerste pul half leeg dronk en zich de beminnelijke woorden van Adalbert en de bezorgde blikken van Emanuel liet welgevallen, gluurde Theodoor in de richting van de musici. De instrumenten die hij vanaf zijn plaats kon onderscheiden, leken op fluiten en hij zag ook een soort trommel, maar zijn aandacht werd vooral getrokken door de grijzige vogel die voor hen op de tafel zat. Het beest leek op een duif, maar zijn snavel was enorm en wat hem nog het meest verbaasde was de onverstoorbaarheid waarmee de vogel vlakbij die indianen rondscharrelde. Toen ze opstonden om hun muzikale acte de présence te geven, hupte het beest zowaar op een van hun schouders en bleef daar gewoon zitten! Bovendien droeg die muzikant een instrument dat niet op tafel had gelegen. Daarvoor was het veel te groot. Het zag er uit als een bundel pijpen van verschillende lengte en de langste leek wel een wandelstok. Om op de grond te steunen? Theodoor zag dat de man de pijpen tegen zijn mond drukte.

   Toen de muziek begon kantelde het lokaal.

   Rond de tenoren bewoog een kabbelende melodie vol melancholische fluister op het sobere ritme van een soort tamboerijn. De muziek leek wel vloeibaar.

   Zoiets ontroerends had Theodoor nog nooit gehoord. Tranen vulden zijn ogen.

   Muziek.

   De nabijheid van vrienden, de dood van zijn vader

   Muziek.

   Een belofte van vrijheid, schaamte, extase

   Muziek.

   Rosita voegde zich bij hen…. Rosita?!

  

De betovering werd niet zozeer verbroken, hij werd alleen anders, instigeerde hem om op te staan en zich naar de muzikanten te begeven. Deze hadden juist hun spel beëindigd en namen hun oude plaatsen aan de lange tafel weer in. Theodoor plofte neer op de bank tegenover hen en wees naar de papegaai.

   “Kan hij ook zingen?”

   De indianen keken hem verwonderd aan.

   “Beter dan jij kan denken.”

   Zijn brein raasde op dat moment zodanig dat hij zich afvroeg of ze bedoelden dat de vogel beter kon zingen dan bijvoorbeeld Rosita of dat het antwoord refereerde aan zijn geestelijke gesteldheid op dat moment. Hij grinnikte bij die gedachte.

   “Waar komen jullie vandaan?”

   De bespeler van de toyo – hij wist toen nog niet dat het enorme instrument zo heette – bleek de enige te zijn die een beetje Nederlands sprak.

   “Wij zijn van opuesto globo, overkant wereld. Wij varen, jaren. Haddegedat?”.

   “Marineros,” voegde hij er met een armgebaar naar zijn maten aan toe. Theodoor knikte en bleef geboeid naar de vogel kijken. Het beest liep parmantig heen en weer op de tafel terwijl het brabbelende geluidjes maakte.

   “Het lijkt wel of hij praat.” Hij keek vragend naar de man aan de andere kant van de tafel. Met de doordringende blik van iemand die een wereldschokkende mededeling gaat doen, antwoordde deze

   “Si. Praten. Todos de vleugels praten bij ons. En casa”. Of de andere marineros hem hadden begrepen, kon hij niet zeggen, maar ze grijsden instemmend.

   Theodoor was verbijsterd. Als deze zeelieden afkomstig waren uit een land waar vogels konden praten, dan moest dat wel het Paradijs zijn. Hun muziek had hem niet alleen geroerd door zijn eigen geestesgesteldheid, hun muziek was werkelijk goddelijk.

   “Hoe heet jullie schip?! Eh.., el nombre de barco?”

   Nog voor de indiaan antwoordde, had Theodoor zijn besluit genomen. Hij zou op dat schip aanmonsteren. Op weg naar het Paradijs!

 

Het galjoen Conceptión – volgens sommigen eerder een uit de kluiten gewassen kraak met een lage voorplecht – stond onder bevel van kapitein Pieter Jacobz. Hij was de laatste loot van een voorname familie uit het noorden. Al vroeg had hij het geborgen patriciërsmilieu ingeruild voor een avontuurlijker leven bij de grote vaart. In de ogen van Theodoor was hij een innemend figuur met sofistische neigingen: als het ging over zijn eigen levensverhaal kon hij onderhoudend fantaseren. Hij beweerde als scheepsjongen te hebben gevaren op de Delft, een van de elf schepen van de Nassause vloot onder bevel van admiraal ‘l Hermite. Tijdens schermutselingen met de Spanjaarden voor de kust van de nieuwe wereld zou hij gevangen genomen zijn. Omdat hij goed Spaans sprak, wilden zijn overmeesteraars graag gebruik maken van zijn ervaring als navigator. Welbeschouwd was Nederland niet meer dan een opstandige provincie en de Hollandse varensgast leek geen vijandelijke gevoelens te koesteren.

   Jacobz was geliefd, een getapte gast onder de bemanning en alom gewaardeerd door zijn meerderen. Door het veelvuldig creperen van Spaanse officieren in hun strijd met andere kolonisten en opstandige indianen, dan wel als gevolg van de Koorts en het voortdurende gebrek aan vers voedsel, had Jacobz snel carrière gemaakt. Sinds zijn bevordering tot kapitein had hij zonder onderbreking het bevel over een schip gevoerd.

   Theodoor wilde het liefst zo snel mogelijk vertrekken, zonder afscheid nemen. Zijn vrienden hadden daar begrip voor en lieten hem met rust. Zijn moeder had al weken in de gaten, dat haar kind de haardstee ging verlaten en nu het zover was, kwam de aap uit de mouw.  De chirurgijn was niet zomaar een huisvriend geweest. Ze zou bij hem intrekken en Theodoor moest de zaken van zijn vader afhandelen.

   Maar dat vertikte hij. Als die chirurgijn een weduwe kon strikken, kon hij ook haar nalatenschap afhandelen. Ze zochten het maar uit. Hij geen zin meer om nog langer in hun nabijheid te verblijven.

   De enige die hij nog één keer wilde zien, was Rosita. Maar zij leek van de aardbodem te zijn verdwenen.

 

Pieter Jacobz toonde zich terughoudend toen Theodoor verzocht om onmiddellijk te mogen aanmonsteren. Eerst wilde hij wel eens weten wat die charmante jongeman bezielde dat hij een hard en onzeker zeemansleven verkoos boven zijn maatschappelijke  positie (hij kon wel zien dat Theodoor niet armlastig was) en reputatie (de familie Haase werd alom gerespecteerd in het havenkwartier).

   Avontuur was geen optie, zo vond hij. En liefdesverdriet evenmin.  Aan de andere kant was hij beslist ingenomen met het vooruitzicht van een Nederlandssprekende tafelgenoot en de goede naam van rederij Haase liet hem niet onberoerd.

   Uiteindelijk gunde de kapitein hem het voordeel van de twijfel en zwichtte voor zijn charme.  Theodoor zou binnenkort als handelsattaché met de Conceptión uitvaren.

 

Ze zouden ’s middags vertrekken. Theodoor had al vroeg zijn bagage naar het schip laten brengen. In een euforische stemming had hij toch nog afscheid genomen van zijn moeder. Ze had hem laten beloven goed op zichzelf te passen, en geen onverstandige dingen te doen, en zich dagelijks te wassen, en zich niet in te laten met het schorem op zo’n schip, en vanuit elke haven die ze aandeden een brief te sturen… Hij had nauwelijks naar haar goed bedoelde raadgevingen en smeekbeden geluisterd. Vluchtig had hij de chirurgijn een hand gegeven en was hals over kop in het rijtuig gesprongen dat hem naar de kade reed.

   Een geestdriftige rusteloosheid had hem overmand naarmate het vertrek dichterbij kwam.

   Vanaf het voorschip nam hij zijn toekomstige omgeving op: het glanzende houtwerk dat grotendeels schuilging onder dikke trossen, de vettige zeilen die klaarlagen om te worden gehesen, de onbehouwen bemanningsleden die met een angstaanjagende overgave de Conceptión gereed maakten voor vertrek, de vaten met voedsel en vers water die aan boord werden gebracht…

   Hiervandaan kon hij een groot deel van de kade overzien. Niet alleen vanwege hún vertrek waren er veel lieden in de weer, ook het lossen van een schip dat net gearriveerd was, zorgde voor de nodige drukte.

   En plotseling zag hij haar. Alsof ze uit het niets was opgedoemd, stond ze daar. Rosita!

   Hij wilde zwaaien maar bedacht dat de loopplank nog niet was ingehaald en dat het wel een beetje stom stond om te doen alsof hij niet meer van het schip af kon. Dus haastte hij zich van boord en holde naar haar toe. Toen pas zag hij zijn vrienden. Adalbert. Emanuel. Ze kwamen hem een behouden vaart toewensen. Rosita legde een hand op zijn arm en kuste hem op de lippen.

   Hij voelde de grond onder zijn voeten verdwijnen….  maar deed of er niets aan de hand was, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

   “Alles goed?” Adalbert omhelsde hem. Kennelijk had hij toch iets laten merken.

   Emanuel sloeg hem op de schouder en wenste hem een goede vaart.

   “We zien je wel weer eens verschijnen. Zorg goed voor jezelf.”

   Met een waas voor zijn ogen (waren het tranen?) beklom Theodoor de loopplank en liep terug naar de voorplecht. Er zat iets in zijn keel. Het was afgelopen. Zijn oude leven was voorbij, zijn verlangen naar Rosita… Nu kon hij niet meer terug, de loopplank werd binnengehaald.

   Ze zwaaide naar hem. Ze zwaaiden nadat de trossen werden losgegooid en de kloof tussen het schip en de kade groter en groter werd. Alleen háár zag hij. En alleen háár zou hij nog lang voor zich zien.

   Hij was zestien jaar. Zijn leven was begonnen. Met afscheid.

 

 

 Het gedicht ‘Verlangen’ werd geschreven door C.S. Adama van Scheltema en is afkomstig uit de bundel ‘Eenzame Liedjes’ (1906)
. 

 

 

 

LIED VAN ZAND EN WATER

Wat de fuk is emergentie?

 

  

 

Het Emergente Universum is een toverbal . De kleur van elke laag wordt bepaald door alle andere lagen samen. Als één laag van kleur verschiet, verandert die in álle lagen. Deze voorstelling van zaken is louter hypothetisch want een laag kán niet van kleur veranderen omdat die juist bepaald wordt door die van alle andere lagen. Dat betekent niet dat het Emergente Universum onveranderlijk is. Er kan een nieuwe laag ontstaan waarvan de kleur bepaald wordt door de al aanwezige lagen. Of de kleur van de nieuwe laag zelf weer van invloed is op de al bestaande lagen is onbekend. 

HET EMERGENTE UNIVERSUM: EEN RECONSTRUCTIE
Gad nee, poëzie…! Zei ze op een dag1

 

 

Op 14 april van het revolutiejaar 1968 besluit de artistieke kern van progressieve intellectuelen in Amsterdam om gezamenlijk een kunstgedrocht te construeren dat laat zien hoe de vrije geest wordt verkracht door de gevestigde orde. Drie maanden later neemt het Holland Festival dit thema in de vorm van een moderne opera op in het programma van 1969, wat resulteert in de unieke uitvoering van Reconstructie, een moraliteit. Dat de opera daarna nooit meer is opgevoerd, wijst erop dat dezelfde revolutie maar één keer plaatsvindt.

   Een halve eeuw later wordt de dreigende inperking van individuele vrijheid door het maatschappelijk bestel erkend (privacywetgeving) en tegelijkertijd laten individuen zich vrijelijk opslokken door het wereldwijde netwerk van de sociale media. Het verzet tegen de gevreesde betutteling is omgeslagen in een soort achteloze verontwaardiging. De heersende moraal belemmert zowel de afzijdigheid van een eenling als het tribalisme van een club.

   Halverwege het derde millennium bestaat de mensheid bij gratie van de volledig geïntegreerde elektronische intelligentie en robotica. Geheel in lijn met de grote evolutionaire transities vormt Homo sapiens de opstap naar de nieuwe orde, Cyberium. Zoals eencelligen bestaan dankzij bacteriën en mensen bestaan dankzij cellen, zo bestaat Cyberium dankzij de mens. Cyberium staat voor de wereldwijde symbiose tussen mens en machine en heeft een eigen, planetaire identiteit. Het onderhoudt zich met andere cyberia in een onderbewust streven naar galactische eenheid, de volgende sport van de emergente ladder.

 

 

Zijn eerste droom van de zoete fee heeft hem nooit verlaten. De extase was zo overweldigend dat de kleine Huby Moontrap overeind schoot uit een zinnenprikkelend schimmenspel en zeker wist:

   Ik ben het centrum van de wereld!

   Het is een andere manier van zeggen dat God overbodig is. Hij besloot dat de waarheid slechts een kwestie is van woorden.

 

  

Als het emergente universum poëzie was, heette dit misschien de ondersteboven berg. De punt omlaag, het primordiale begin. De voet onzichtbaar, gehuld in oogverblindende nevels. Wij halverwege, op weg naar de toekomst.

Maar dit is geen poëzie, dit is de prozaïsche neerslag van een culturele beleving. Daarin is natuurlijk wel plaats voor gedichtjes, zoals ook kinderspel beslissend is voor een plezierige terugblik op je leven.

 

Het kriebelt soms, de rommel

om mij heen roept: ruim mij op!

dat stof afnemen is niet stom. Losse

eindjes, heen en terug staan-

de stapels, afgebroken

sterrenstof twee drie vier

voetjes in de lucht*

Waarom deze rijmelarij? Ach, je wilt het toch aan iemand kwijt?! Volgens sommige grappenmakers omdat het leven anders helemaal zinloos is. Voor de ware liefhebber is er altijd nog Leegte Lacht van Tonnus Oosterhoff, Bezige Bij, 2011.

 

Alles is in evenwicht, zelfs al staat het uit het lood. Een rondtollende gyroscoop staat op zijn punt als een ondersteboven berg (precies, net een draaikont). Hij valt pas om (door de zwaartekracht) als het tollen trager wordt. De rondtollende gyroscoop draait altijd om zijn as. In de natuur wordt de richting van de as gestabiliseerd door de draaibeweging. Dat is een natuurlijke wetmatigheid. Hoe sneller de draaibeweging, hoe groter de stabiliteit.

   Met andere woorden, hoe langzamer de tol draait, des te eerder valt hij om.

   Een andere natuurlijke wetmatigheid die je minder makkelijk herkent, is, dat bij het groter worden van een voorwerp (groei) de inhoud sterker toeneemt dan het oppervlak. Wiskundig gesproken: de inhoud neemt toe met de derde macht (p3), het oppervlak slechts met het kwadraat (p2).

   Zulke onvermijdelijke wetmatigheden zijn van onmiskenbare betekenis voor ons bestaan.

 

 

In weerwil van zijn poëtische ambities gaat Huby geofysica studeren (een appartement in Oman of een hostel in Jaipur?). De wereld van beweging fascineert hem evenzeer als de Parnassus.

   Zijn eerste opdracht bij El Instituto draaide om de vraag waarom men liever fantaseert dan redeneert. Of was dat soms niet waar?

 

Zolang mensen of hun dierbaren worden geveld door onbegrijpelijke ziektes, zolang machtswellustige medemensen hen onderdrukken en uitbuiten, zolang zij door willekeurig natuurgeweld worden bedreigd en zolang ellende een kalm en tevreden bestaan belemmert, zolang zal men troost zoeken in een willekeurige uitleg en zich tevreden stellen met getuigenissen, ook al zijn deze irrationeel van aard. De diepste behoefte van de volgroeide mens blijkt zingeving te zijn: een duiding dat het lijden niet voor niets was.

   Steeds meer fenomenen zijn in de loop van de tijd verklaard. Dat wil zeggen dat er een wetenschappelijke uitleg aan is gegeven. Dat heeft ons begrip van de wereld (kennis) en onze greep op de wereld (technologie) sterk verbeterd. Niettemin houdt men angstvallig vast aan het verlangen naar zingeving. Het WAARDOOR en WAARVOOR mag dan duidelijk zijn, we blijven zitten met de vraag WAAROM?

Waarom de wereld onbegrijpelijk is (kwantummechanica), waarom de wereld triest is (leed) of waarom de wereld schoon is en ordelijk (symmetrie), het zijn zinloze vragen . Iedereen mag zelf een antwoord verzinnen en er verder het zwijgen toe doen. 

 

Volgens de mathematische modellen van astrofysici was het uitdijende heelal ooit veel kleiner dan nu en bestond de materie vrijwel uitsluitend uit vrij bewegende waterstofatomen. Door hun onderlinge liefde klitten ze samen en vormden ze de eerste sterren. Soms was die affiniteit zo groot dat de sterren explodeerden en tot stof werden teruggebracht. Uit dit sterrenstof werden de planeten geboren, waaronder ook de aarde. 

   Het is niet bekend of het leven op aarde is ontstaan of elders maar het moet ooit zijn begonnen in de vorm van complexe moleculen die ook uit sterrenstof zijn voortgekomen. Sinds er leven is op aarde bestond dit voor lange duur uitsluitend uit bacteriën. Ook onder deze onbeduidende wezentjes bestond voldoende wederzijdse sympathie om na verloop van (lange) tijd een innig samenwerkingsverband aan te gaan. Die maatschap ging tenslotte een eigen leven leiden als eencellig organisme. Als dat niet gebeurd was zouden er nooit meercellige wezens zijn gekomen, laat staan gewervelde dieren en, uiteindelijk, mensen.

Tijdens de geschiedenis van de mensheid is het gelukt om niet-organische objecten (machines) voort te brengen die uiteindelijk geleid hebben tot buitenaardse uitstapjes. De symbiose tussen mens en machine heeft een wereldwijd netwerk van intense samenwerking voortgebracht. Een associatie waaraan menselijke individuen vrijelijk een bijdrage konden leveren of zich van konden distantiëren. Maar wel een associatie met een eigen identiteit en een wil tot overleven. Opzettelijke sabotage werd als vanzelf bestreden maar niemand werd gedwongen mee te werken om de planetaire identiteit in stand te houden. Daarvoor waren de niet-organische voortbrengselen van de mens te krachtig geprogrammeerd en bood het te weinig draagvlak voor principieel scepticisme. Dystopische toekomstverwachtingen van weleer bleken ongegrond, kunstmatige intelligentie en robotica hadden het evolutionaire stokje van de mensheid overgenomen en dat was helemaal niet eng.

 

Al snel werd duidelijk dat Huby’s preoccupatie met Heraclites’  Panta rhei ook de amfora van Dionysos omvatte. Daar brachten de dagboekaantekeningen van Hasan Pacha maar weinig verandering in. Huby's vondsten in het Kompas voor onderweg hadden weliswaar zijn vermoedens omtrent de toekomst bevestigd, ze hadden hem ook dorstiger gemaakt. En zijn mathematische argwaan aangewakkerd.

 

 

De waarde van wiskunde om waarnemingen te specificeren en om logisch te kunnen redeneren, werd door de Franciscaan Roger Bacon in de 13e eeuw al onderwezen. De meeste mensen haten wiskundige formules, maar één kennen ze allemaal: E = mc2. Dat is immers God.

   Sommigen weten dat de formule betekent dat energie en massa in elkaar kunnen overgaan. De uitgebreide wiskundige deductie die Einstein hanteerde in zijn relativiteitstheorie wordt zelden gepresenteerd maar de voorlaatste stap wil ik je niet onthouden:

 

E2 = c2p2 + c4m2

 

Daarbij kan de impuls p onder omstandigheden gelijk worden gesteld aan 0 zodat

 

E2 = m2c4

 

Iedere middelbare scholier weet dat deze vergelijking twee oplossingen heeft:

 

E = mc2 en E = -mc2

 

Door de negatieve energie wordt de richting van de tijd omgekeerd en dat is absurd. Om zo'n ongerijmdheid uit de wereld te helpen, hebben geleerde koppen antimaterie geïntroduceerd. Deze bestaat uit zogenaamde tegen-deeltjes met negatieve energie die zich met een grotere snelheid dan het licht in tegenovergestelde richting bewegen van de 'gewone' deeltjes (vanuit de toekomst naar het verleden; supercausaliteit). 

   De overeenkomst tussen energie en massa riep het beeld op van een symmetrisch universum, ook met betrekking tot de tijd. Dit opende de deur naar de wonderlijk wereld van de kwantummechanica.

   Er wordt wel beweerd dat kwantummechanica en oosterse filosofie veel op elkaar lijken, maar dan gaat men eraan voorbij dat kwantummechanica is gebaseerd op wiskundige modellen en oosterse filosofie op meditatie en mooie verhalen*.

 

 

Toen telefoons nog een draaischijf hadden, de schaamluis nog welig tierde en God werd gevreesd, herontdekte AIO Huby Moontrap de waarde van het woord. De verhalen die hij hoorde, kranten die hij las, studieboeken die hij bestudeerde en discussies die hij voerde, films die hij zag en tijdschriften die hij doorbladerde, hun gemeenschappelijke boodschap was telkens weer dat alles, maar dan ook alles, in tegenovergestelde richting bewoog. Meningen stonden lijnrecht tegenover elkaar. De droom van de één was de werkelijkheid van de ander. De leugen zus, de waarheid zó. De opvatting die het uiteindelijk won was steeds de opvatting die het best geformuleerd was.

   De welgebektste mening moest wel waar zijn.

 

 

 

Dat wiskunde ook maar een taal is, met soms nietszeggende woorden, blijkt uit de identiteit van Euler, door sommigen wel de mooiste wiskundige formule genoemd: 

 

eip + 1 = 0

 

Maar wat hier staat* heeft geen enkele betekenis. Het is slechts het resultaat van vernuftig gesleutel. Het is net zo nietszeggend als het Opperlandse woordpalindroom:

 

Wel, het is slechts iets, maar iets slechts is het wel1

 

Autistische humor. Verbazingwekkend, maar nietszeggend. De savant die je wil laten weten dat er achter de werkelijkheid een hogere / diepere waarheid schuilgaat, kletst uit zijn nek. De dingen zijn niet altijd wat ze lijken, maar de bedrieger ben je zelf.

 

 

Op zijn speurtocht naar een antwoord op de vraag der vragen (unificatie of grote synthese) vindt Moontrap opmerkelijke analogieën tussen kwantumelektrodynamica en menselijk gedrag. Feynmandiagrammen voor de analyse van sociale structuren? Schrödingervergelijkingen om individueel gedrag te beschrijven? Gravitatie als genegenheid. Supersymmetrie als troost.

 

 

De geschiedschrijving laat zien dat geen enkele gebeurtenis op zichzelf staat maar altijd onderdeel is van een historische ontwikkeling. Er zijn vele aanleidingen voor elke gebeurtenis zonder welke deze niet zou hebben plaatsgevonden. En evenzo vormt elke gebeurtenis samen met vele andere de aanleiding voor nieuwe gebeurtenissen. Niets staat op zichzelf. Bovendien zijn de meeste gebeurtenissen het gevolg van onbeduidendheden net zoals ze zelf te onbeduidend lijken om in de geschiedschrijving vermeld te worden. Toch is elke wel vermeldenswaardige gebeurtenis mede het gevolg van dergelijke futiliteiten en zelf de oorzaak van menig bagatel. 

   De geschiedschrijving wordt van oudsher opgedragen door de gevestigde machthebbers, die spelen dan ook altijd de hoofdrol. Daarbij wordt meestal voorbijgegaan aan de talrijke miezerige, onverschillige en nietszeggende onderdanen zonder wie er helemaal geen machthebbers zouden zijn. Over wie zouden zij anders moeten heersen? Over aanzienlijke, voorname en betrokken medeburgers? Dat zijn toch gevestigde machthebbers, op een kleinere schaal? Nee, het falderappes en schorremorrie mag als groep interessant zijn en individueel in schelmenromans figureren, de loop van de geschiedenis wordt er niet aan toegeschreven. Onterecht, want, zoals gezegd, over wie valt er anders te regeren?

Ook in de geschiedenis van de mens zijn er gebeurtenissen zonder welke andere gebeurtenissen nooit zouden hebben plaatsgevonden. Vooruitgang noemt men dat. Maar het zijn geen emergenties. Daarvoor is de tijdschaal veel te kort. Voorbeelden zijn het ontstaan van landbouw of de ontdekking van elektriciteit. Die hebben revolutionaire gevolgen gehad maar dat heeft de mensheid nog niet wezenlijk veranderd. Daarvoor is het nog te vroeg.

En dan is er nog de middelmaat, de massa. Een beetje zus, een beetje zo. Wie wil daar nog meer over vernemen? Het mag de hoofdmoot vormen van ons dagelijks bestaan, we willen er niet te veel aan worden herinnerd. Verreweg de meesten van ons gedragen zich volgens het kleurloze gemiddelde en dragen zo, hoe gering ook, bij aan de loop van de geschiedenis. Iedereen heeft een verhaal. We spelen allemaal een rol. Het duurt wellicht wat langer maar uiteindelijk is ieders invloed onmiskenbaar.

 

Duidelijk is dat wij een sterke hang hebben naar symmetrie, in de meest ruime zin. Dat appelleert aan onze esthetische voorkeur maar kan evengoed misleidend zijn. We horen een muziekstuk graag eindigen in dezelfde toonsoort als waarmee het begon, maar we laten ons ook graag verrassen. Een open einde vinden we onbevredigend. Wat eindeloos is, mag eigenlijk geen begin hebben.

   Onze voorkeur voor symmetrie is ook terug te vinden in de analogieën. In de filmindustrie wordt – onder andere uit kostenoverweging – dankbaar gebruik gemaakt van hulpmiddelen om voorstellingen op een afwijkende schaal te vertonen: gigantische bouwwerken die onder normale omstandigheden zouden instorten (volgens de hierboven genoemde wetmatigheid dat volume (= massa) sterker toeneemt dan oppervlak) of minuscule duikbootjes die varen door bloedvaten en zich voortbewegen als een potvis in de Pacific (zelfde materialen ondervinden op verschillende schaal andere krachten/viscositeit; kan worden gecorrigeerd met het getal van Reynolds). Toch laten we ons graag bedriegen.

   De dingen zijn niet altijd wat ze lijken.

 

 

Toen het Echte Universum werd geschreven, was daar niemand bij. Behalve, volgens sommigen, onze-lieveheer, die zich niets aantrok van de opborrelende pop-ups in Zijn schepping: brokstukken stof&as vormden een baarmoeder van brokstukken stof&as vormden een verlangen naar brokstukken stof&as vormden inzicht in … De Grote Goocheltruck.

   Huby Moontrap weet zeker dat de spontane oprispingen niets te maken hebben met een goddelijk wezen. Ze zijn daarentegen een typische eigenschap van de werkelijkheid, vanzelfsprekend en tegelijk onbegrijpelijk. Deze misleidende illusie heeft mensen aangezet tot het bedenken van poëtische verdichtsels en vangnetten.

   Volgens onafhankelijk onderzoeker Moontrap is aarzeling over universele causaliteit of waardering voor allegorieën en alliteratie niet verwerpelijker dan het geloof in Creatie. Tegenover de gedachte dat een gebeurtenis (iets) kan ontstaan uit de afwezigheid van die gebeurtenis (niets) verkondigde hij in Recursieve Reconstructies, de eindeloos herhaalde ontstaansgeschiedenis van het heelal. Wat zijn geloofwaardigheid in geofysische kring ondermijnde, werd bij El Instituto juist geprezen. Daar kreeg de ‘dwarse wetenschapper’ alle vrijheid om zijn tegendraadse gedachtegang tot in de lengte der dagen voort te zetten.   

 

In het Emergente Universum wordt onze geschiedenis voorgesteld als een caleidoscopische kralenketting waarvan elke kraal kan worden opgevat als een individu of gebeurtenis.  Al zijn de afzonderlijke kralen nog zo complex, in hun eentje kunnen ze nooit een ketting vormen. Wel kan elk los bolletje weer worden beschouwd als een kluwen van ingewikkelde onderdelen terwijl de ketting op haar beurt weer deel uitmaakt van een groter geheel. Deze trapsgewijze weergave van de werkelijkheid is geënt op de fractale patronen in Recursieve Reconstructies en vormt het hoofdmotief van het Emergente Universum.

   Er wordt wel beweerd dat de menselijke maat zich precies halverwege het schalenspectrum bevindt.* Aan de ene zijde de steeds verder krimpende microkosmos en aan de andere kant de oneindige uitgestrektheid van het heelal. Astrofysici zijn het eens over de toenemende snelheid waarmee de ruimte uitdijt (zonder tijdslimiet) en snaartheoretici beweren dat supersnaren  vele malen kleiner zijn dan de kleinste bekende deeltjes; zodat terecht de vraag gesteld kan worden: waar ligt het midden van oneindig? Het beeld dat zich aandient, is dat van een digitale Mandelbrotverzameling waarop eindeloos kan worden ingezoomd: het Emergente Universum.

   Het Emergente Universum  is een raamwerk, een platform, een stellage van de werkelijkheid.

  Een huis heeft vele kamers. In elk huis wonen andere mensen. Er zijn geen twee huizen gelijk. Maar al die huizen zijn ooit in de steigers gezet. De steigers zijn universeel, functioneel. Wie wil genieten van een goed boek, een verdiepende gedichtenbundel, een spannende thriller of een eclectische karakterschets, doet er goed aan zich eerst te verdiepen in het geraamte van de realiteit, het Emergente Universum.

   Het gegoochel met getallen is ontsproten aan het menselijk brein. Dat garandeert geenszins de universele geldigheid van wiskunde. Dat een symfonie ons kan ontroeren, wil niet zeggen dat andere wezens door datzelfde muziekstuk worden bewogen. De God die alle volkeren op aarde aanbidden als de schepper van het universum hoeft niet dezelfde God te zijn van buitenaardse wezens. En ook de meewarige glimlach van de zelfingenomen atheïst zal verstarren op zijn/haar pad door het Emergente Universum.

 

 

Glitter en glans hebben nooit grip op hem gehad. De zoete fee verschijnt nog altijd in zijn dromen.

   Vanuit het midden omarmt Huby Moontrap de wereld. De hele inhoud gaat hem wat te ver, die is veel te groot, maar een aantal hotspots in het mozaïek zijn wellicht voldoende om de kern te vinden.

   Waar het om draait, aldus hoogleraar Moontrap, is de omhelzing met het al. De zin van het bestaan is de omhelzing van het zelf met het bestaan zelf. Het is maar net wat de woorden je zeggen.

  

 

Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

George van Hal. Elastisch universum. Fontaine Uitgevers, 2016

Jacob Klapwijk. Heeft de evolutie een doel? Kok, 2009

Jos Koekkoek. Begrepen! Brave New Books, 2016

en het portret van de moderne samenleving 'Back to Utopia': tps://www.human.nl/2doc/2017/back-to-utopia.html

 

  

Een palindroom of keerwoord is een woord dat er van voor naar achteren gelezen hetzelfde uitziet als andersom. Een panlindroomzin is opgebouwd uit meerder palindromen en levert zowel vooruit als achteruit gelezen hetzelfde resultaat op. De palindroomzin in de titel is afkomstig uit de Opperlandse Taal- & Letterkunde van Hugo Brandt Cortsius, Querido, 1981.
 
In de eerste helft van de 20e eeuw werd door aanhangers van de relativistische kwantummechanica de antimaterie geïntroduceerd (bv positron door Paul Dirac). Later werd door andere fysici getracht de tijdsymmetrie te herstellen door het afleiden van retrocausaliteit (John Wheeler & Richard Feynman). Het concept werd afgewezen omdat het in strijd is met onze beleving van de voortgang van de tijd (syntropie versus entropie). In de psychologie en esoterie wordt nog wel vastgehouden aan de symmetrie van de tijd. Daarover is alleen Engelstalige literatuur, bv The Law of Syntropy van U. di Corpo & A. Vannini, Kindel/Amazon, 2011. Zie ook: http://www.syntropy.org/
 
De antimateriedeeltjes of tachyonen hebben altijd een snelheid groter dan die van het licht en spelen een rol in de snaartheorie. Sinds de 2e helft van de 20e eeuw spelen ze een belangrijke rol in tal van esoterische therapieën. Hierover is ruimschoots informatie te vinden op onderstaande Nederlandstalige sites http://www.tachyon-aanbieding.eu/Documentation/Tachyon%20Praktijk.pdf of http://www.tachyonenergie.be.
 
Voor alle duidelijkheid: e staat voor het grondtal van de natuurlijke logaritme ( = (1 + 1/n)n waarbij n nadert tot oneindig; e = 2,7182818…), i staat voor het imaginaire getal (-1)1/2 dat gebruikt kan worden om betekenis te geven aan negatieve getallen (in de fysica wel gebruikt om een tegengestelde lading of richting aan te duiden) en p staat voor de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel (p = 3,1415926…).
 
Het Reynoldsgetal wordt onder meer gebruikt om de doorstroming van vloeistoffen door buizen te berekenen: Re = r.v.D /waarbij r staat voor de dichtheid, v staat voor de stroomsnelheid, staat voor de diameter van de buis en m staat voor de viscositeit (stroperigheid) van de vloeistof. Schaalvergroting wordt bij filmtrucages succesvol gecompenseerd door vertraging van de snelheid; bij schaalverkleining is er geen compensatie nodig omdat de meeste mensen toch niet weten dat water in een heel nauw buisje zich als een stroperige vloeistof gedraagt. Een hilarische film waarin sprake is van schaalverkleining is Innerspace van Joe Dante (1987) (https://www.youtube.com/watch?v=HLAbTbGQcr8)
Dit is verwant aan het antropisch principe: het universum dat wij waarnemen is het universum dat ons heeft voortgebracht; in elk ander universum zouden wij niet kunnen bestaan. De verschillende natuurconstanten hebben hun specifieke waarde omdat alleen bij die waarden ons universum, wij dus, kunnen bestaan. 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur: Paul Davies. Perfect Universum. Spectrum, 2007

Toen Benoit Mandelbrot gevraagd werd om zo precies mogelijk aan te geven hoe lang de Engelse kustlijn is, was er maar één antwoord mogelijk: oneindig lang. Immers, naarmate er gedetailleerder gemeten wordt, neemt de totale lengte toe (kustlijnparadox). Dat is het gevolg van de fractaalachtige eigenschap van kustlijnen. Het meten van lengtes is gebaseerd op rechte lijnstukken, maar natuurlijke grensvlakken zijn altijd gebogen (fractaal). Hoe kleiner de gebruikte lijnstukken, hoe preciezer de benadering. Door met oneindig kleine lijnstukken te werken kan de exacte waarde gevonden worden. Zie ook http://www.youtube.com/watch?v=G_GBwuYuOOs.

 

Recursief betekent 'zichzelf herhalend'. Een proces is recursief als één van de stappen waaruit het proces bestaat vraagt om herhaling van het volledige proces. En steeds opnieuw want binnen een recursief proces herhaalt dat proces zich telkens weer. In principe komt er nooit een einde aan een recursief proces. Recursieve constructies kunnen worden gevisualiseerd. Denk bijvoorbeeld aan Eschers voorstellingen van de zichzelf voedende waterval en de alsmaar via afdalende trappen in een kringetje rondlopende en op dezelfde plaats terugkerende monniken. Een ander voorbeeld is het Droste-effect, een visueel effect waarbij een afbeelding een verkleinde versie van zichzelf bevat. Zo'n momentopname levert de concrete constructie van het voortgaande recursieve proces.Baboesjka's, de elkaar omsluitende Russische poppetjes zijn een ander voorbeeld van zo'n constructie. Als deze recursieve reeks poppetjes zich eindeloos zou voortzetten zouden er snel poppetjes zijn die door hun geringe afmeting niet meer zichtbaar zijn. Douglas Hofstadter geeft in Gödel, Escher, Bach (Olympus, 2018) ook voorbeelden van recursie in de muziek en informatica. In de wiskunde wordt gebruik gemaakt van recursieve functies in de vorm van differentievergelijkingen.

Zie ook:https://nl.wikipedia.org/wiki/Recursie

Kleine oorzaken hebben soms grote gevolgen (chaostheorie) en grote zaken kunnen zonder het kleine helemaal niet ontstaan (emergentietheorie). Volgens die laatste opvatting is onze wereld ooit begonnen in een primordiaal beginpunt en heeft zich laag voor laag verder ontwikkeld. De eerste lagen zijn bekend als de hypothetische ontwikkelingsfasen van het uitdijende heelal (inflatie, afkoeling en samenklontering in een fractie van een seconde), het ontstaan van de lichte atomen na een paar honderdduizend jaar, stervorming en hun vernietiging waardoor het ontstaan grote moleculen, planeetvorming, ontstaan van leven, eerst fragmentarisch en microbieel, later meercellig inclusief afweer, daarna staten- en netwerkvorming. Al die lagen zijn emergente verschijningen, bestaan bij gratie van de onderliggende 'eenvoudiger’ lage waaruit ze zijn opgebouwd. Het geheel vormt een kleine 14 miljard jaar oud bouwwerk dat langs een verticale tijd-as als een ondersteboven berg kan worden voorgesteld. 
                                                                                                                                   
 

 

 

 

 

Hier begint het. In de navel van Europa. Op het dorpsplein dat inmiddels is verdwenen werden in 1810 nog Napolitaanse volksliedjes gezongen. Ooit heeft een jonge geitenhoeder hier afscheid genomen van zijn moeder, om later op de slavenmarkt van Djerba te worden verkocht aan Barbarijse zeerovers. In 1707 werden de katholieke bewoners onthaald op de occulte profetieën van rondtrekkende Camisards. Tevergeefs, de vonk sloeg niet over. De profetieën van vóór het Christendom hadden de gemeenschap meer bekoord.

   De omgeving is bezaaid met rotsblokken vol persoonlijke inscripties uit vroeger tijden, als een lithografisch equivalent van Facebook. Het duidt erop dat dit een druk bezochte plek geweest is. Als je om je heen kijkt, zie je niets van de imposante bouwwerken van weleer maar met behulp van drones en remote sensing kun je de uitgestrekte  fundamenten zichtbaar maken. Hier lag ooit een welvarende stad.

   Uit alle hoeken van de wereld stroomden mensen hier naartoe. Toen, net als nu. Het sjamanistisch heiligdom van deze ‘bedevaartplaats’ wordt nog gemarkeerd door de onthoofde slangenzuil, de opgerichte navelstreng. Vanaf haar zetel op de driepoot die gevormd werd door de drie reptielenkoppen maande het enige ware orakel ooit tot zelfbezinning en relativiteit. Haar uitspraken staan in de rotswanden gegrift. In Delphi.

 

 

Het Cyberium is de verzameling van toekomstige planetaire voortbrengselen die een nieuwe, emergente bestaansvorm vertegenwoordigt in onze melkweg (kolonisatie op grotere schaal ligt te ver in het verschiet). Dit galactisch stelsel omvat al een paar honderd miljard sterren en op statische gronden wordt het aantal planeten op honderd miljard geschat. Vele daarvan beschikken vermoedelijk over voldoende condities om via abiotische weg organische levensvormen voort te brengen (al weten we nog steeds niet hoe dat precies in zijn werk gaat). Na verloop van tijd (op aarde heeft het enkele miljarden jaren geduurd) verschijnen op die planeten voldoende intelligente levensvormen om bestaansvormen te creëren die niet langer aan de planeet gebonden zijn. Op aarde is dat begonnen met eenvoudige ruimterobots. Immuun voor koude, straling en verwering kunnen ze vele malen langer bestaan dan organismen. Hun ontwikkeling, door de mens in gang gezet en vervolgens door hen zelf ter hand genomen, wordt uitgebouwd tot onvoorstelbare proporties, waar de mens geen enkele vat op heeft maar ook geen angst voor hoeft te hebben. Daar zijn wij te onbeduidend voor. Wij kunnen ons beter zorgen maken over onze thuisplaneet en wellicht kunnen Cyberia ons daarbij een handje helpen.
 

In de catacomben van El Instituto para la promoción de la dignidad humana a través de la intelectuel y moral, kortweg El Instituto, bevindt zich het archief van de archeonauten, de tijdreizigers. Het archief, ook wel het Kompas voor onderweg genoemd, bevat gedetailleerde beschrijvingen van plaatsen en gebeurtenissen in het verleden en minder nauwkeurige notities over de dingen die in het verschiet liggen. Het aantal toekomstzoekers is nu eenmaal een stuk lager dan de enorme hoeveelheid geschiedschrijvers. Chroniqueurs van het verleden worden bovendien een stuk betrouwbaarder geacht omdat hun bevindingen eenvoudiger te controleren zijn. Toch worden ook de kronieken van het verschiet er zorgvuldig gekoesterd, als bakens in de tijd die de loop der gebeurtenissen langs de juiste banen kunnen leiden.
   Altijd al zijn er lieden geweest die aan de hand van zelfbenoemde tekens of onbenoemde inzichten dergelijke bakens hebben geïnstalleerd en vrijwel niemand blijft ongevoelig voor hun boodschap. De openbaringen van religieuze Heilsprofeten overtuigen nog steeds honderden miljoenen gelovigen. Anderen zijn in de ban van de paragnosie en stellen een groot vertrouwen in de pronostiek van Nostradamus, Baba Vanga en Mother Shipton. De meeste namen zijn vergeten maar sommige blijven in de herinnering. Zoals van de Trojaanse Cassandra en van de clairaudiënte Jeanne d’Arc. Alleen adepten zijn bekend met de vermeende gaven van de Ziener van Brahan, Madame Lenormand, Mühlhiasl, Cheiro, J.W. Dunne, Malachias of Stefan Ossowiecki, om er een paar te noemen.

Een speciale plaats wordt ingenomen door Hasan Pacha: van zijn bestaan is slechts een handjevol ingewijden op de hoogte.
   Werkzaam op het Indian Institute of Technology in Delhi heeft Hasan Pacha aan het eind van de vorige eeuw enkele fenomenale doorbraken bewerkstelligd die nauwlettend geheim werden gehouden. Door zijn spraakgebrek vrijgesteld van onderwijstaken, heeft de briljante onderzoeker al zijn aandacht kunnen wijden aan ongekende nanofarmacologische innovaties die potenties verlenen om buiten de eigen tijd te treden. Uitdrukkelijk tegen de wens van zijn werkgever heeft de eigenzinnige Pacha zichzelf gebruikt als proefkonijn en is daarbij verslingerd geraakt aan historische uitstapjes. Hij is, zogezegd, een TTA (Time Traveling Addict) en in deze hoedanigheid heeft hij interessante verslagen geleverd.
    Sindsdien is het Kompas voor onderweg aanzienlijk uitgebreid. Onduidelijkheden zijn opgehelderd, hiaten van een invulling voorzien, ongeloofwaardigheden alsnog bevestigd of definitief uit de wereld geholpen en compleet nieuwe perspectieven toegevoegd. Dreigend ruimtegebrek is aanleiding geweest voor het Oudheidkundig Genootschap om een subsidieaanvraag in te dienen. Die zeker zal worden afgewezen omdat de aanleiding niet ontvankelijk zal worden verklaard, omdat deze als volslagen ongeloofwaardig in de prullenbak zal verdwijnen.
   De bemoeienis van Hasan Pacha met historische momenten heeft, dankzij zijn uiterst zorgvuldig optreden, geen invloed van betekenis op de loop der gebeurtenissen gehad. Niettemin heeft hij het steeds vertikt om zich uitsluitend als bescheiden toeschouwer op te stellen. Geregeld treedt hij daadwerkelijk in contact met bestaande mensen van wie we zonder zijn inmenging wellicht nooit hadden gehoord. Zo bestaat het vermoeden dat eerder genoemde verkondigers van een toekomstig gebeuren door hem van informatie zijn voorzien. Er is geen enkel bewijs voor dergelijke speculaties maar enkele archiefstukken suggereren zijn onbedwingbare zucht om de dingen naar zijn hand te zetten.
   Enkele geschriften die afkomstig zijn uit het San Francisco klooster in Lima gewagen van een dolende frater – onmiskenbaar Hasan Pacha – met een atheïstische boodschap.
   Uit de erven Flint is een dagboek afkomstig waarin de oprichter van IBM een beschrijving geeft van zijn inspiratiebron: een speeldoos die hij van een vriendin cadeau gekregen had. Die het op haar beurt zou hebben gekregen van een spookverschijning met een spraakgebrek. De bijgevoegde tekening laat evenwel zien dat het ging om een muziekautomaat die toen nog niet op de markt was.
Tenslotte is er een middeleeuws reisverslag van de handelskoerier Salah Marouni. Op één van zijn missies in de Bourgondische Nederlanden had hij een assistent die hem hondertuit an sein kop hat geseurt over een ‘witte engel’. Deze was herhaaldelijk aan hem verschenen, had hem in een brabbeltaaltje de wonderlijkste dingen verteld en ideeën ingefluisterd waarvan de artistieke jongeman in zijn schetsboek een tekening had gemaakt. Onder andere van een karretje waarop men zich zonder rijdier kon voortbewegen.
   Helaas ligt het schetsboek niet in het archief. Gevreesd wordt dat het is verloren gegaan.

 

 

 

 

Een kind speelt met zand en water. Altijd en overal ter wereld. Iedereen weet dat je droog zand net als water kunt uitschenken, met een emmertje of een gietertje. Het stroomt. Maar als je het zand een beetje nat maakt, dan gaat het niet meer. Dan kleeft het aan elkaar en vormt het kluiten. Je kunt er mee gooien, je kunt het in je mond stoppen, je kunt er indrukwekkende bouwsels mee maken, maar stromen doet het niet. Als kind sta je daar niet zo bij stil. Pas als je ouder bent, wil je wel eens weten waarom twee afzonderlijk stromende substanties samengevoegd een modderzooitje vormen. Het antwoord is: emergentie.

   Op de middelbare school kon de scheikundeleraar ons verbazen met een oplossing die voortdurend van kleur veranderde zonder dat er een nieuwe stof aan het mengsel werd toegevoegd. Bij zijn uitleg werd pas duidelijk dat een dergelijk verschijnsel het gevolg is van een zogenaamd oscillerende chemische reactieketen, de Briggs-Rauscher oscillatie : doordat sommige stoffen in de oplossing met elkaar reageren en een verbinding vormen die zelf weer invloed heeft op andere chemische reacties in het mengsel, volgen verschillende reacties in de oplossing elkaar op; de laatst gevormde stof heeft telkens invloed op de voorgaande verbindingen in de oplossing waarna het proces zichzelf voortdurend herhaalt (autokatalyse). Bij elk van de reacties ontstaat een verbinding die de oplossing een andere kleur geeft. Ook dit is een voorbeeld van emergentie

   Het mengen van zand en water is geen ingewikkeld chemisch proces. Dat nat zand andere eigenschappen heeft dan zand en water afzonderlijk komt door verschillen in fysische eigenschappen. Zandkorrels hebben gladde oppervlakten. Bij droog zand zit er lucht tussen de korrels waardoor ze makkelijk over elkaar heen glijden (als knikkers). Als het zand een beetje nat wordt, vult het water de ruimtes tussen de korrels die door adhesie (aantrekking tussen ongelijke stoffen) aan elkaar kleven. Het water werkt dus als een soort lijm. Als je meer water toevoegt gaat de onderlinge aantrekking tussen de watermoleculen (cohesie) domineren en krijg je blubber.

 

Wanneer door een combinatie van factoren een nieuwe, nog niet eerder geopenbaarde kwaliteit opduikt, noemt men die kwaliteit een emergente eigenschap. De herkomst van die kwaliteit of eigenschap kan tot verwarring leiden. Bij het reduceren van emergente systemen verdwijnen ze eenvoudig uit beeld. De natheid van het water kan men niet afleiden uit afzonderlijke watermoleculen net zo min als uit het gedrag van één mier de organisatie van de kolonie valt af te leiden.

   Dat emergentie geen reductionistische oorsprong lijkt te hebben, wil niet zeggen dat het doelgericht is, teleologisch of zelfs goddelijk. Het is niet raadselachtiger dan het begrip informatie. Ook die verdwijnt als er geen uitwisseling is. En informatie (taal) kan evenmin worden gereduceerd zonder haar betekenis te verliezen en onbegrijpelijk te worden.

 

Een emergente eigenschap is het gevolg van interacties. Emergentie ontstaat door de wisselwerking tussen moleculen, substanties, levende wezens. Samenwerking tussen mensen levert coöperatieve meerwaarde; een typisch voorbeeld van emergentie.

 

Emergentie is nauw verwant aan synergie, waarbij de nieuwe eigenschap als meerwaarde wordt opgevat. Zoals je met zand en water een zandkasteel kunt bouwen. Per slot van rekening bevatten afzonderlijke zandkorrels en waterdruppels geen blauwdruk van het bouwwerk.

   Oorspronkelijk betekent synergie dat het geheel meer is dan de som der delen. De term wordt vaak gebruikt als verkooptruc om de nadelige kanten van bedrijfsfusies te verhullen. Onder het mom van de meerwaarde van samenwerking door/voor het personeel (probeer maar eens in je eentje te klaverjassen) konden de commissarissen het emergente profijt opstrijken. Maar ook al is er wel eens misbruik van gemaakt, het uitbreiden van een organisatie ter verbetering van de onderlinge samenwerking – en daarmee van de productiviteit – is evident.

 

Binnen elk bedrijf bestaat een zekere mate van coördinatie tussen de werknemers. Deze decentrale zelfsturende groepen kunnen spontaan ontstaan en het bedrijf ontwrichten. Het centrale management doet er verstandig aan om na te gaan waardoor de potentiële onbestuurbaarheid is ontstaan. Het toelaten van decentrale zelfsturing kan anderzijds in een bedrijfsorganisatie het primaire doel van de organisatie dienen.

 

Wandelend over het strand van het eiland Sicilië kwam Empedocles meer dan vierhonderd jaar voor het begin van onze jaartelling op het idee van zijn kosmogonie. De oerstoffen van eerdere natuurfilosofen en de overweldigende aanwezigheid van zand, zee, zon en wind inspireerden hem tot de leer van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Al het overige was in zijn ogen niet meer dan een mengvorm van deze vier elementen en verkreeg daarmee de emergente eigenschappen die nog altijd kenmerkend zijn voor elke substantie. Een interessante gedachtegang die door eeuwenlang methodisch denkwerk en experimentele toetsing grondig is veranderd (ook met behoud van emergentie zouden we anders zonder kunstmest, antibiotica en mobieltjes door het leven gaan).

 

Emergentie lijkt ook een rol te spelen bij de grote transities in de biologie, zoals de eencellige, samengesteld uit microben, tot meer in staat is dan de vrije microben tezamen of zoals de kenmerken van planten en dieren niet zijn te herleiden tot hun afzonderlijke cellen; alleen tot de combinatie ervan. Er lijkt sprake te zijn van opeenvolgende lagen of niveaus waarbij telkens nieuwe kenmerken en eigenschappen tevoorschijn komen.

 

In zijn Algemene Systeemtheorie introduceerde Von Bertalanffy halverwege de vorige eeuw een hiërarchische opbouw van de werkelijkheid, analoog aan de hierboven genoemde lagen. Systeem-theorieën werden verder ontwikkeld in chaotische, cybernetische en zelf-organiserende systemen, zoals in gedecentraliseerde complexe netwerken die ook wel stigmergische systemenworden genoemd. De relatief eenvoudige bestanddelen waaruit een systeem is opgebouwd, interacteren op niet-lineaire wijze met elkaar. Dat wil zeggen dat hun activiteiten niet eenvoudig kunnen worden opgeteld. Uit hun interactie ontstaat de emergentie van het systeem als geheel. Sociale (inter)-netwerken zijn cybernetische voorbeelden van dergelijke systemen en de maatschappelijke gevolgen van de doelgerichte informatie-uitwisseling via dit soort vrij toegankelijke en bruikbare bronnen op internet (open source) zijn bezig te ontluiken. De wiki's spelen een niet meer weg te denken rol op het gebied van snelle en wereldwijde uitwisseling van informatie en kennis. Zowel in het verwerven als in het verstrekken, wel te verstaan.

   Emergentie kan dus het gevolg zijn van een groot aantal variabelen. Uit analyse van complexe systemen als wervelingen, kolonievorming of hersenactiviteit blijkt dat die verschijnselen het resultaat zijn van verschillende opeenvolgende krachten (in plaats van kleuren).

 

Iets krijgt pas betekenis als het zich onderscheidt van iets anders (op hetzelfde hiërarchische niveau). Er bestaat echter geen betekenis zonder verbanden net zo min er verbanden bestaan zonder dat er betekenis is (van de dingen die verband houden). Een verschijnsel bestaat bij de gratie van de context.

 

Taal is ook zo'n toverbal. Vervang één woord, of laat het weg, en de boodschap kan een andere betekenis krijgen – soms is zelfs verandering in de interpunctie voldoende om in een historische context alles op losse schroeven te zetten.

   Taal, het middel van alle informatie, kan vele vormen hebben, variërend van de stikstofbasen-volgorde in kernzuren, chemische prikkels en kleurpatronen bij veel organismen tot de gesproken en geschreven symbolen bij de mens. De boodschap zit niet in de symbolen maar in de combinaties en volgorde. De boodschap kan voor meerdere uitleg vatbaar zijn. In de reclame wordt gretig gebruik gemaakt van de dubbelzinnigheden en schokeffecten waardoor het waarheidsgehalte van de boodschap echter devalueert.

   Om de aandacht te vestigen op de tolerante huisvestingsbeloften van de kunstmatige archipel  "De Wereld" voor de kust van Dubai, werd een reclamebureau ingeschakeld dat met de volgende tekst kwam:

 

het land van zand en water

heeft voor iedereen een huis

voor moslims met een kater en

voor christenen zonder kruis

 

Uit vrees dat men in de echte wereld deze tekst mogelijk blasfemisch zou vinden, is hij weer ingetrokken. Het benadrukt de (semi)-emergente kracht van taal. Niet zozeer de taal zelf is emergent, maar de combinatie met andere sociaal-culturele fenomenen. Men spreekt van dubbelzinnigheden, valse informatie die op meer dan één manier kan worden geïnterpreteerd. Een echte zal wellicht spreken van performativiteit: religiositeit in dienst gesteld van geldgewin waardoor het dat ook wordt. Die ruimere, en daarmee tevens onduidelijke informatie wordt meestal niet op prijs gesteld.*

 

Talige informatie vormt het fundament van sociale netwerken. Daarvan is inmiddels bekend hoe groot hun maatschappelijke invloed kan zijn (denk aan twitter).

 

                  'Niemand heeft ooit iets goeds over me gezegd. Iedereen is eropuit om me te vernederen. Nog een geluk dat ik geen aanleg heb voor paranoia.'                                                                                                       Joost Zwagerman in Chaos en Rumoer '04

 

Geweldig, dat een schrijver zijn hoofdpersoon iets kan laten zeggen dat door een ander weer kan worden geciteerd. Waarmee gesuggereerd wordt dat de schrijver het over zichzelf had. En daarmee elke onnozelaar op het verkeerde been zet. List en bedrog (L & B) maken, net als reclame en humor, gebruik van de emergente eigenschappen die taal biedt. Toen Henk Westbroek zong dat vriendschap niet meer is dan 'een pakketje schroot met een dun laagje chroom' werd hij meewarig van somberheid beticht. Alsof tekstschrijvers en auteurs van boeken automatisch samenvallen met de personages die ze aan het woord laten. Strikt genomen zijn fantasie, ratio en empirie in taal niet van elkaar te onderscheiden. Daarvoor zijn spelregels nodig en die worden soms geschonden.

 

En dan is er nog de sociale emergentie. Synergie door samenwerking tussen enkele individuen heeft altijd bestaan. Onze huidige mondiale samenleving is in tienduizend jaar uitgegroeid tot een immens netwerk van sociale complexiteit. Anonieme afhankelijkheidsrelaties tussen personen leiden via geldstromen en vergaande arbeidsdeling tot emergente begrippen als (vrije)markteconomie, organische solidariteit (sociale verantwoordelijkheid) en overheidsingrijpen.

 

Democratische samenlevingen ontlenen  spankracht aan hun gelaagde (emergente) structuur: een centrale overheid gecombineerd met decentrale 'gemeenten' en gekozen door de individuele leden. Samenlevingen met uitsluitend een top-bottom structuur ontlenen hun stabiliteit aan staatsterreur.

 

Elke samenleving is gelaagd, ook de meest primitieve: een leider, eventueel omringd door een kleine elite, voert het bevel over een groep onderhorigen. De groepsgrootte is begrensd. Als die grens wordt overschreden, trekt een deel van de groep weg en vormt een nieuwe groep met een eigen leider. Met het oog op sociale samenhang ligt de ideale groepsgrootte bij mensen tussen de 100 en 200 personen. Als de groep te groot wordt valt deze uiteen, letterlijk dan wel figuurlijk. Het aantal medemensen waarmee iemand een prettige sociale relatie kan onderhouden, wordt begrensd door een biologische factor. Bij grotere aantallen ontstaat de behoefte aan een hiërarchische ordening.

 

De moderne samenleving bestaat uit elkaar overlappende sub-units waarbinnen traditioneel persoonlijke wederkerigheidsrelaties bestaan ter bevrediging van menselijke behoeften aan gemeenschappelijkheid en consideratie. Ook dat zijn emergente eigenschappen.

 

Overal ter wereld speelt een kind met zand en water, bouwt het zandkastelen,

luchtkastelen, paleizen van God (want als je maar lang genoeg vraagt Waarom

doe je dat? is het antwoord uiteindelijk 'Omdat God …').

 

In een gedecentraliseerde zelforganiserende samenleving  bestaat er positieve terugkoppeling tussen persoonlijk geluk en voorspoed. Anders gezegd, ze stimuleren elkaar.

 

Emergente verschijnselen lijken uit het niets tevoorschijn te komen. Maar dat is schijn. Een lichtstraal zie je ook pas als het licht direct op je netvlies valt. En alleen dán kun je zien waar die lichtstraal eigenlijk vandaan komt. De wisselwerking tussen lichtdeeltjes en gezichtscellen levert de emergente eigenschap op die we zien noemen.

 

De ultieme vraag is natuurlijke of God emergent is. God zie je tenslotte ook nooit.

   Een bevestigend antwoord betekent dat God kan worden beschouwd als een complex adaptief systeem dat bestaat dankzij decentrale zelforganisatie. Gelovigen zien God liever als een homogene, allesomvattende en vooral centrale autoriteit.

   In het geval dat God géén emergent verschijnsel is, wordt Hij als zelfstandige entiteit buiten ons universum geplaatst. En daarmee buitenspel. Hij is dan niet kenbaar en dus praktisch onbestaanbaar.

   De waarheid is wat kinderen zingen in het lied van zand en water.

 

 

 


Aanbevolen Nederlandstalige literatuur:

Frans van Eijnatten. Verdieping van chaosdenken. Gorcum, 2002.

Jaap van Ginniken. Het enthousiasmevirus. Business Contact, 2012

Francis Heylighen. Complexiteit en Evolutie. http://www.academia.edu/2859958/Complexiteit_en_evolutie, 2008

Douglas Hofstadter. Gödel, Escher, Bach: een eeuwige gouden band. Contact,1985

Jacques van Hoof. Sociologie en de moderne samenleving. Boom, 1996

Jacob Klapwijk. Heeft evolutie een doel? Over schepping en emergente evolutie. Kok, 2009

Roger Lewin. Complexiteit. Contact, 1993

Patrick Savalle, Wim Hofland & Arnd Brugman. Teampark. Platform en Methode. Sogetibooks, 2010

 

Halverwege de vorige eeuw waren toverballen een populair soort snoepgoed. De stuitergrote bal smelt door het speeksel in de mond waardoor achtereenvolgens verschillend gekleurde suikerlaagjes tevoorschijn komen.
Er bestaan veel oscillerende (slingerende) chemische reacties. Naast de Briggs-Rauscher reactie is een ander bekend schoolvoorbeeld de Belousov-Zhabotinsky reactie. Zie ook: https://www.youtube.com/watch?v=mG5cdFeKaj4

Zulke oscillerende reacties kunnen ook worden opgevat als recursieve processen: klik hier

 

 

LIED VAN ZAND EN WATER

Wat de fuk is emergentie?

 

  

Het Emergente Universum is een toverbal . De kleur van elke laag wordt bepaald door alle andere lagen samen. Als één laag van kleur verschiet, verandert die in álle lagen. Deze voorstelling van zaken is louter hypothetisch want een laag kán niet van kleur veranderen omdat die juist bepaald wordt door die van alle andere lagen. Dat betekent niet dat het Emergente Universum onveranderlijk is. Er kan een nieuwe laag ontstaan waarvan de kleur bepaald wordt door de al aanwezige lagen. Of de kleur van de nieuwe laag zelf weer van invloed is op de al bestaande lagen is onbekend.     

 

Een kind speelt met zand en water. Altijd en overal ter wereld. Iedereen weet dat je droog zand net als water kunt uitschenken, met een emmertje of een gietertje. Het stroomt. Maar als je het zand een beetje nat maakt, dan gaat het niet meer. Dan kleeft het aan elkaar en vormt het kluiten. Je kunt er mee gooien, je kunt het in je mond stoppen, je kunt er indrukwekkende bouwsels mee maken, maar stromen doet het niet. Als kind sta je daar niet zo bij stil. Pas als je ouder bent, wil je wel eens weten waarom twee afzonderlijk stromende substanties samengevoegd een modderzooitje vormen. Het antwoord is: emergentie.

   Op de middelbare school kon de scheikundeleraar ons verbazen met een oplossing die voortdurend van kleur veranderde zonder dat er een nieuwe stof aan het mengsel werd toegevoegd. Bij zijn uitleg werd pas duidelijk dat een dergelijk verschijnsel het gevolg is van een zogenaamd oscillerende chemische reactieketen, de Briggs-Rauscher oscillatie : doordat sommige stoffen in de oplossing met elkaar reageren en een verbinding vormen die zelf weer invloed heeft op andere chemische reacties in het mengsel, volgen verschillende reacties in de oplossing elkaar op; de laatst gevormde stof heeft telkens invloed op de voorgaande verbindingen in de oplossing waarna het proces zichzelf voortdurend herhaalt (autokatalyse). Bij elk van de reacties ontstaat een verbinding die de oplossing een andere kleur geeft. Ook dit is een voorbeeld van emergentie

   Het mengen van zand en water is geen ingewikkeld chemisch proces. Dat nat zand andere eigenschappen heeft dan zand en water afzonderlijk komt door verschillen in fysische eigenschappen. Zandkorrels hebben gladde oppervlakten. Bij droog zand zit er lucht tussen de korrels waardoor ze makkelijk over elkaar heen glijden (als knikkers). Als het zand een beetje nat wordt, vult het water de ruimtes tussen de korrels die door adhesie (aantrekking tussen ongelijke stoffen) aan elkaar kleven. Het water werkt dus als een soort lijm. Als je meer water toevoegt gaat de onderlinge aantrekking tussen de watermoleculen (cohesie) domineren en krijg je blubber.

 

Wanneer door een combinatie van factoren een nieuwe, nog niet eerder geopenbaarde kwaliteit opduikt, noemt men die kwaliteit een emergente eigenschap. De herkomst van die kwaliteit of eigenschap kan tot verwarring leiden. Bij het reduceren van emergente systemen verdwijnen ze eenvoudig uit beeld. De natheid van het water kan men niet afleiden uit afzonderlijke watermoleculen net zo min als uit het gedrag van één mier de organisatie van de kolonie valt af te leiden.

   Dat emergentie geen reductionistische oorsprong lijkt te hebben, wil niet zeggen dat het doelgericht is, teleologisch of zelfs goddelijk. Het is niet raadselachtiger dan het begrip informatie. Ook die verdwijnt als er geen uitwisseling is. En informatie (taal) kan evenmin worden gereduceerd zonder haar betekenis te verliezen en onbegrijpelijk te worden.

 

Een emergente eigenschap is het gevolg van interacties. Emergentie ontstaat door de wisselwerking tussen moleculen, substanties, levende wezens. Samenwerking tussen mensen levert coöperatieve meerwaarde; een typisch voorbeeld van emergentie.

 

Emergentie is nauw verwant aan synergie, waarbij de nieuwe eigenschap als meerwaarde wordt opgevat. Zoals je met zand en water een zandkasteel kunt bouwen. Per slot van rekening bevatten afzonderlijke zandkorrels en waterdruppels geen blauwdruk van het bouwwerk.

   Oorspronkelijk betekent synergie dat het geheel meer is dan de som der delen. De term wordt vaak gebruikt als verkooptruc om de nadelige kanten van bedrijfsfusies te verhullen. Onder het mom van de meerwaarde van samenwerking door/voor het personeel (probeer maar eens in je eentje te klaverjassen) konden de commissarissen het emergente profijt opstrijken. Maar ook al is er wel eens misbruik van gemaakt, het uitbreiden van een organisatie ter verbetering van de onderlinge samenwerking – en daarmee van de productiviteit – is evident.

 

Binnen elk bedrijf bestaat een zekere mate van coördinatie tussen de werknemers. Deze decentrale zelfsturende groepen kunnen spontaan ontstaan en het bedrijf ontwrichten. Het centrale management doet er verstandig aan om na te gaan waardoor de potentiële onbestuurbaarheid is ontstaan. Het toelaten van decentrale zelfsturing kan anderzijds in een bedrijfsorganisatie het primaire doel van de organisatie dienen.

 

Wandelend over het strand van het eiland Sicilië kwam Empedocles meer dan vierhonderd jaar voor het begin van onze jaartelling op het idee van zijn kosmogonie. De oerstoffen van eerdere natuurfilosofen en de overweldigende aanwezigheid van zand, zee, zon en wind inspireerden hem tot de leer van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Al het overige was in zijn ogen niet meer dan een mengvorm van deze vier elementen en verkreeg daarmee de emergente eigenschappen die nog altijd kenmerkend zijn voor elke substantie. Een interessante gedachtegang die door eeuwenlang methodisch denkwerk en experimentele toetsing grondig is veranderd (ook met behoud van emergentie zouden we anders zonder kunstmest, antibiotica en mobieltjes door het leven gaan).

 

Emergentie lijkt ook een rol te spelen bij de grote transities in de biologie, zoals de eencellige, samengesteld uit microben, tot meer in staat is dan de vrije microben tezamen of zoals de kenmerken van planten en dieren niet zijn te herleiden tot hun afzonderlijke cellen; alleen tot de combinatie ervan. Er lijkt sprake te zijn van opeenvolgende lagen of niveaus waarbij telkens nieuwe kenmerken en eigenschappen tevoorschijn komen.

 

In zijn Algemene Systeemtheorie introduceerde Von Bertalanffy halverwege de vorige eeuw een hiërarchische opbouw van de werkelijkheid, analoog aan de hierboven genoemde lagen. Systeem-theorieën werden verder ontwikkeld in chaotische, cybernetische en zelf-organiserende systemen, zoals in gedecentraliseerde complexe netwerken die ook wel stigmergische systemenworden genoemd. De relatief eenvoudige bestanddelen waaruit een systeem is opgebouwd, interacteren op niet-lineaire wijze met elkaar. Dat wil zeggen dat hun activiteiten niet eenvoudig kunnen worden opgeteld. Uit hun interactie ontstaat de emergentie van het systeem als geheel. Sociale (inter)-netwerken zijn cybernetische voorbeelden van dergelijke systemen en de maatschappelijke gevolgen van de doelgerichte informatie-uitwisseling via dit soort vrij toegankelijke en bruikbare bronnen op internet (open source) zijn bezig te ontluiken. De wiki's spelen een niet meer weg te denken rol op het gebied van snelle en wereldwijde uitwisseling van informatie en kennis. Zowel in het verwerven als in het verstrekken, wel te verstaan.

   Emergentie kan dus het gevolg zijn van een groot aantal variabelen. Uit analyse van complexe systemen als wervelingen, kolonievorming of hersenactiviteit blijkt dat die verschijnselen het resultaat zijn van verschillende opeenvolgende krachten (in plaats van kleuren).

 

Iets krijgt pas betekenis als het zich onderscheidt van iets anders (op hetzelfde hiërarchische niveau). Er bestaat echter geen betekenis zonder verbanden net zo min er verbanden bestaan zonder dat er betekenis is (van de dingen die verband houden). Een verschijnsel bestaat bij de gratie van de context.

 

Taal is ook zo'n toverbal. Vervang één woord, of laat het weg, en de boodschap kan een andere betekenis krijgen – soms is zelfs verandering in de interpunctie voldoende om in een historische context alles op losse schroeven te zetten.

   Taal, het middel van alle informatie, kan vele vormen hebben, variërend van de stikstofbasen-volgorde in kernzuren, chemische prikkels en kleurpatronen bij veel organismen tot de gesproken en geschreven symbolen bij de mens. De boodschap zit niet in de symbolen maar in de combinaties en volgorde. De boodschap kan voor meerdere uitleg vatbaar zijn. In de reclame wordt gretig gebruik gemaakt van de dubbelzinnigheden en schokeffecten waardoor het waarheidsgehalte van de boodschap echter devalueert.

   Om de aandacht te vestigen op de tolerante huisvestingsbeloften van de kunstmatige archipel  "De Wereld" voor de kust van Dubai, werd een reclamebureau ingeschakeld dat met de volgende tekst kwam:

 

het land van zand en water

heeft voor iedereen een huis

voor moslims met een kater en

voor christenen zonder kruis

 

Uit vrees dat men in de echte wereld deze tekst mogelijk blasfemisch zou vinden, is hij weer ingetrokken. Het benadrukt de (semi)-emergente kracht van taal. Niet zozeer de taal zelf is emergent, maar de combinatie met andere sociaal-culturele fenomenen. Men spreekt van dubbelzinnigheden, valse informatie die op meer dan één manier kan worden geïnterpreteerd. Een echte zal wellicht spreken van performativiteit: religiositeit in dienst gesteld van geldgewin waardoor het dat ook wordt. Die ruimere, en daarmee tevens onduidelijke informatie wordt meestal niet op prijs gesteld.*

 

Talige informatie vormt het fundament van sociale netwerken. Daarvan is inmiddels bekend hoe groot hun maatschappelijke invloed kan zijn (denk aan twitter).

 

                  'Niemand heeft ooit iets goeds over me gezegd. Iedereen is eropuit om me te vernederen. Nog een geluk dat ik geen aanleg heb voor paranoia.'                                                                                                       Joost Zwagerman in Chaos en Rumoer '04

 

Geweldig, dat een schrijver zijn hoofdpersoon iets kan laten zeggen dat door een ander weer kan worden geciteerd. Waarmee gesuggereerd wordt dat de schrijver het over zichzelf had. En daarmee elke onnozelaar op het verkeerde been zet. List en bedrog (L & B) maken, net als reclame en humor, gebruik van de emergente eigenschappen die taal biedt. Toen Henk Westbroek zong dat vriendschap niet meer is dan 'een pakketje schroot met een dun laagje chroom' werd hij meewarig van somberheid beticht. Alsof tekstschrijvers en auteurs van boeken automatisch samenvallen met de personages die ze aan het woord laten. Strikt genomen zijn fantasie, ratio en empirie in taal niet van elkaar te onderscheiden. Daarvoor zijn spelregels nodig en die worden soms geschonden.

 

En dan is er nog de sociale emergentie. Synergie door samenwerking tussen enkele individuen heeft altijd bestaan. Onze huidige mondiale samenleving is in tienduizend jaar uitgegroeid tot een immens netwerk van sociale complexiteit. Anonieme afhankelijkheidsrelaties tussen personen leiden via geldstromen en vergaande arbeidsdeling tot emergente begrippen als (vrije)markteconomie, organische solidariteit (sociale verantwoordelijkheid) en overheidsingrijpen.

 

Democratische samenlevingen ontlenen  spankracht aan hun gelaagde (emergente) structuur: een centrale overheid gecombineerd met decentrale 'gemeenten' en gekozen door de individuele leden. Samenlevingen met uitsluitend een top-bottom structuur ontlenen hun stabiliteit aan staatsterreur.

 

Elke samenleving is gelaagd, ook de meest primitieve: een leider, eventueel omringd door een kleine elite, voert het bevel over een groep onderhorigen. De groepsgrootte is begrensd. Als die grens wordt overschreden, trekt een deel van de groep weg en vormt een nieuwe groep met een eigen leider. Met het oog op sociale samenhang ligt de ideale groepsgrootte bij mensen tussen de 100 en 200 personen. Als de groep te groot wordt valt deze uiteen, letterlijk dan wel figuurlijk. Het aantal medemensen waarmee iemand een prettige sociale relatie kan onderhouden, wordt begrensd door een biologische factor. Bij grotere aantallen ontstaat de behoefte aan een hiërarchische ordening.

 

De moderne samenleving bestaat uit elkaar overlappende sub-units waarbinnen traditioneel persoonlijke wederkerigheidsrelaties bestaan ter bevrediging van menselijke behoeften aan gemeenschappelijkheid en consideratie. Ook dat zijn emergente eigenschappen.

 

Overal ter wereld speelt een kind met zand en water, bouwt het zandkastelen,

luchtkastelen, paleizen van God (want als je maar lang genoeg vraagt Waarom

doe je dat? is het antwoord uiteindelijk 'Omdat God …').

 

In een gedecentraliseerde zelforganiserende samenleving  bestaat er positieve terugkoppeling tussen persoonlijk geluk en voorspoed. Anders gezegd, ze stimuleren elkaar.

 

Emergente verschijnselen lijken uit het niets tevoorschijn te komen. Maar dat is schijn. Een lichtstraal zie je ook pas als het licht direct op je netvlies valt. En alleen dán kun je zien waar die lichtstraal eigenlijk vandaan komt. De wisselwerking tussen lichtdeeltjes en gezichtscellen levert de emergente eigenschap op die we zien noemen.

 

De ultieme vraag is natuurlijke of God emergent is. God zie je tenslotte ook nooit.

   Een bevestigend antwoord betekent dat God kan worden beschouwd als een complex adaptief systeem dat bestaat dankzij decentrale zelforganisatie. Gelovigen zien God liever als een homogene, allesomvattende en vooral centrale autoriteit.

   In het geval dat God géén emergent verschijnsel is, wordt Hij als zelfstandige entiteit buiten ons universum geplaatst. En daarmee buitenspel. Hij is dan niet kenbaar en dus praktisch onbestaanbaar.

   De waarheid is wat kinderen zingen in het lied van zand en water.

 

 

 


Aanbevolen Nederlandstalige literatuur:

Frans van Eijnatten. Verdieping van chaosdenken. Gorcum, 2002.

Jaap van Ginniken. Het enthousiasmevirus. Business Contact, 2012

Francis Heylighen. Complexiteit en Evolutie. http://www.academia.edu/2859958/Complexiteit_en_evolutie, 2008

Douglas Hofstadter. Gödel, Escher, Bach: een eeuwige gouden band. Contact,1985

Jacques van Hoof. Sociologie en de moderne samenleving. Boom, 1996

Jacob Klapwijk. Heeft evolutie een doel? Over schepping en emergente evolutie. Kok, 2009

Roger Lewin. Complexiteit. Contact, 1993

Patrick Savalle, Wim Hofland & Arnd Brugman. Teampark. Platform en Methode. Sogetibooks, 2010

 

Halverwege de vorige eeuw waren toverballen een populair soort snoepgoed. De stuitergrote bal smelt door het speeksel in de mond waardoor achtereenvolgens verschillend gekleurde suikerlaagjes tevoorschijn komen.
Er bestaan veel oscillerende (slingerende) chemische reacties. Naast de Briggs-Rauscher reactie is een ander bekend schoolvoorbeeld de Belousov-Zhabotinsky reactie. Zie ook: https://www.youtube.com/watch?v=mG5cdFeKaj4

Zulke oscillerende reacties kunnen ook worden opgevat als recursieve processen: klik hier

Autokatalyse is een zichzelf voortstuwend reactieproces. Vermoed wordt dat het een essentieel proces was bij het ontstaan van leven uit niet-leven (abiogenese).
Adhesie en cohesie worden veroorzaakt door zwakke elektromagnetische krachten tussen moleculen (vanderwaalskrachten). Op het niveau van knikkers spelen die krachten geen rol.
Het reductionisme is de lineair-analytische opvatting waarmee alles herleid zou kunnen worden tot de meest fundamentele bouwstenen en krachten. Teleologie is de filosofische leer die veronderstelt dat fenomenen doelgericht zijn (de oorzaak ligt in de toekomst).
De bedoelde filosofen  zijn Thales (water), Anaximenes (lucht), Xenophanes (aarde) en Heraclitus (vuur).
Volgens de endosymbiontentheorie zijn ééncelligen ontstaan uit kolonies van verschillende soorten bacteriën.

 

Karl Ludwig von Bertalanffy was een Oostenrijkse bioloog die bekend is geworden als grondlegger van de algemene systeemtheorie waarmee het mogelijk werd om begrippen en modellen uit verschillende wetenschappelijke disciplines te verenigen.
Stigmergie is een vorm van zelforganisatie, waarschijnlijk het sterkst aanwezig in de complexe adaptieve systemen (CAS) die uiteenlopende onderzoekers van het Santa Fe Instituut (New Mexico) al jaren onderzoeken.
Zie bv. Leestekens en hoofdletters van Aat Vervoorn, Spectrum, 1981.
Gebleken is dat bij sociale primaten de groepsgrootte is gecorreleerd met de omvang van de hersenschors.
Om welke God het hier gaat blijft onbesproken. De Heilige Drie-eenheid, JHWH, Allah, Brahma,  hedendaagse wereldgodsdiensten hanteren verschillende namen. Alleen de moslims erkennen maar één God; wie geen Islamiet is, is een ongelovige.
  

 

Een heerlijk voorbeeld van calvinistische burgertrots is de mop over de spijkers van Van Leeuwen:
De ijzerhandel Van Leeuwen wil promotie maken voor hun spijkers en neemt een reclamebureau in de arm. Na korte tijd presenteert het bureau een affiche: een afbeelding van Jezus aan het kruis met daaronder de tekst: "Jezus hangt hier al eeuwen, dankzij de spijkers van Van Leeuwen". De heer Van Leeuwen is geschokt maar laat zich niet kennen. Met een opmerking over de slecht lopende tekst wijst hij het ontwerp af. Na enige tijd wordt een nieuw affiche getoond: een afbeelding van een leeg kruis met daaronder de tekst: Jezus is van het kruis gepleurd, met spijkers van Van Leeuwen was dat niet gebeurd". Van Leeuwen moet toegeven dat de tekst dit keer beter loopt maar hij kan de blasfemie niet verdragen. Opnieuw buigt het bureau zich over de zaak en komt met een ander ontwerp: een affiche met alleen de volgende tekst: "Bij Van Leeuwen zijn het grote zeikers, maar ze maken beste spijkers".

 

 

Autokatalyse is een zichzelf voortstuwend reactieproces. Vermoed wordt dat het een essentieel proces was bij het ontstaan van leven uit niet-leven (abiogenese).
Adhesie en cohesie worden veroorzaakt door zwakke elektromagnetische krachten tussen moleculen (vanderwaalskrachten). Op het niveau van knikkers spelen die krachten geen rol.
Het reductionisme is de lineair-analytische opvatting waarmee alles herleid zou kunnen worden tot de meest fundamentele bouwstenen en krachten. Teleologie is de filosofische leer die veronderstelt dat fenomenen doelgericht zijn (de oorzaak ligt in de toekomst).
De bedoelde filosofen  zijn Thales (water), Anaximenes (lucht), Xenophanes (aarde) en Heraclitus (vuur).
Volgens de endosymbiontentheorie zijn ééncelligen ontstaan uit kolonies van verschillende soorten bacteriën.

 

Karl Ludwig von Bertalanffy was een Oostenrijkse bioloog die bekend is geworden als grondlegger van de algemene systeemtheorie waarmee het mogelijk werd om begrippen en modellen uit verschillende wetenschappelijke disciplines te verenigen.
Stigmergie is een vorm van zelforganisatie, waarschijnlijk het sterkst aanwezig in de complexe adaptieve systemen (CAS) die uiteenlopende onderzoekers van het Santa Fe Instituut (New Mexico) al jaren onderzoeken.
Zie bv. Leestekens en hoofdletters van Aat Vervoorn, Spectrum, 1981.
Gebleken is dat bij sociale primaten de groepsgrootte is gecorreleerd met de omvang van de hersenschors.
Om welke God het hier gaat blijft onbesproken. De Heilige Drie-eenheid, JHWH, Allah, Brahma,  hedendaagse wereldgodsdiensten hanteren verschillende namen. Alleen de moslims erkennen maar één God; wie geen Islamiet is, is een ongelovige.
  

 

Een heerlijk voorbeeld van calvinistische burgertrots is de mop over de spijkers van Van Leeuwen:
De ijzerhandel Van Leeuwen wil promotie maken voor hun spijkers en neemt een reclamebureau in de arm. Na korte tijd presenteert het bureau een affiche: een afbeelding van Jezus aan het kruis met daaronder de tekst: "Jezus hangt hier al eeuwen, dankzij de spijkers van Van Leeuwen". De heer Van Leeuwen is geschokt maar laat zich niet kennen. Met een opmerking over de slecht lopende tekst wijst hij het ontwerp af. Na enige tijd wordt een nieuw affiche getoond: een afbeelding van een leeg kruis met daaronder de tekst: Jezus is van het kruis gepleurd, met spijkers van Van Leeuwen was dat niet gebeurd". Van Leeuwen moet toegeven dat de tekst dit keer beter loopt maar hij kan de blasfemie niet verdragen. Opnieuw buigt het bureau zich over de zaak en komt met een ander ontwerp: een affiche met alleen de volgende tekst: "Bij Van Leeuwen zijn het grote zeikers, maar ze maken beste spijkers".

 

 

 

 

HET EMERGENTE UNIVERSUM: EEN RECONSTRUCTIE
Gad nee, poëzie…! Zei ze op een dag1

 

 

Op 14 april van het revolutiejaar 1968 besluit de artistieke kern van progressieve intellectuelen in Amsterdam om gezamenlijk een kunstgedrocht te construeren dat laat zien hoe de vrije geest wordt verkracht door de gevestigde orde. Drie maanden later neemt het Holland Festival dit thema in de vorm van een moderne opera op in het programma van 1969, wat resulteert in de unieke uitvoering van Reconstructie, een moraliteit. Dat de opera daarna nooit meer is opgevoerd, wijst erop dat dezelfde revolutie maar één keer plaatsvindt.

   Een halve eeuw later wordt de dreigende inperking van individuele vrijheid door het maatschappelijk bestel erkend (privacywetgeving) en tegelijkertijd laten individuen zich vrijelijk opslokken door het wereldwijde netwerk van de sociale media. Het verzet tegen de gevreesde betutteling is omgeslagen in een soort achteloze verontwaardiging. De heersende moraal belemmert zowel de afzijdigheid van een eenling als het tribalisme van een club.

   Halverwege het derde millennium bestaat de mensheid bij gratie van de volledig geïntegreerde elektronische intelligentie en robotica. Geheel in lijn met de grote evolutionaire transities vormt Homo sapiens de opstap naar de nieuwe orde, Cyberium. Zoals eencelligen bestaan dankzij bacteriën en mensen bestaan dankzij cellen, zo bestaat Cyberium dankzij de mens. Cyberium staat voor de wereldwijde symbiose tussen mens en machine en heeft een eigen, planetaire identiteit. Het onderhoudt zich met andere cyberia in een onderbewust streven naar galactische eenheid, de volgende sport van de emergente ladder.

 

 

Zijn eerste droom van de zoete fee heeft hem nooit verlaten. De extase was zo overweldigend dat de kleine Huby Moontrap overeind schoot uit een zinnenprikkelend schimmenspel en zeker wist:

   Ik ben het centrum van de wereld!

   Het is een andere manier van zeggen dat God overbodig is. Hij besloot dat de waarheid slechts een kwestie is van woorden.

 

  

Als het emergente universum poëzie was, heette dit misschien de ondersteboven berg. De punt omlaag, het primordiale begin. De voet onzichtbaar, gehuld in oogverblindende nevels. Wij halverwege, op weg naar de toekomst.

Maar dit is geen poëzie, dit is de prozaïsche neerslag van een culturele beleving. Daarin is natuurlijk wel plaats voor gedichtjes, zoals ook kinderspel beslissend is voor een plezierige terugblik op je leven.

 

Het kriebelt soms, de rommel

om mij heen roept: ruim mij op!

dat stof afnemen is niet stom. Losse

eindjes, heen en terug staan-

de stapels, afgebroken

sterrenstof twee drie vier

voetjes in de lucht*

Waarom deze rijmelarij? Ach, je wilt het toch aan iemand kwijt?! Volgens sommige grappenmakers omdat het leven anders helemaal zinloos is. Voor de ware liefhebber is er altijd nog Leegte Lacht van Tonnus Oosterhoff, Bezige Bij, 2011.

 

Alles is in evenwicht, zelfs al staat het uit het lood. Een rondtollende gyroscoop staat op zijn punt als een ondersteboven berg (precies, net een draaikont). Hij valt pas om (door de zwaartekracht) als het tollen trager wordt. De rondtollende gyroscoop draait altijd om zijn as. In de natuur wordt de richting van de as gestabiliseerd door de draaibeweging. Dat is een natuurlijke wetmatigheid. Hoe sneller de draaibeweging, hoe groter de stabiliteit.

   Met andere woorden, hoe langzamer de tol draait, des te eerder valt hij om.

   Een andere natuurlijke wetmatigheid die je minder makkelijk herkent, is, dat bij het groter worden van een voorwerp (groei) de inhoud sterker toeneemt dan het oppervlak. Wiskundig gesproken: de inhoud neemt toe met de derde macht (p3), het oppervlak slechts met het kwadraat (p2).

   Zulke onvermijdelijke wetmatigheden zijn van onmiskenbare betekenis voor ons bestaan.

 

 

In weerwil van zijn poëtische ambities gaat Huby geofysica studeren (een appartement in Oman of een hostel in Jaipur?). De wereld van beweging fascineert hem evenzeer als de Parnassus.

   Zijn eerste opdracht bij El Instituto draaide om de vraag waarom men liever fantaseert dan redeneert. Of was dat soms niet waar?

 

Zolang mensen of hun dierbaren worden geveld door onbegrijpelijke ziektes, zolang machtswellustige medemensen hen onderdrukken en uitbuiten, zolang zij door willekeurig natuurgeweld worden bedreigd en zolang ellende een kalm en tevreden bestaan belemmert, zolang zal men troost zoeken in een willekeurige uitleg en zich tevreden stellen met getuigenissen, ook al zijn deze irrationeel van aard. De diepste behoefte van de volgroeide mens blijkt zingeving te zijn: een duiding dat het lijden niet voor niets was.

   Steeds meer fenomenen zijn in de loop van de tijd verklaard. Dat wil zeggen dat er een wetenschappelijke uitleg aan is gegeven. Dat heeft ons begrip van de wereld (kennis) en onze greep op de wereld (technologie) sterk verbeterd. Niettemin houdt men angstvallig vast aan het verlangen naar zingeving. Het WAARDOOR en WAARVOOR mag dan duidelijk zijn, we blijven zitten met de vraag WAAROM?

Waarom de wereld onbegrijpelijk is (kwantummechanica), waarom de wereld triest is (leed) of waarom de wereld schoon is en ordelijk (symmetrie), het zijn zinloze vragen . Iedereen mag zelf een antwoord verzinnen en er verder het zwijgen toe doen. 

 

Volgens de mathematische modellen van astrofysici was het uitdijende heelal ooit veel kleiner dan nu en bestond de materie vrijwel uitsluitend uit vrij bewegende waterstofatomen. Door hun onderlinge liefde klitten ze samen en vormden ze de eerste sterren. Soms was die affiniteit zo groot dat de sterren explodeerden en tot stof werden teruggebracht. Uit dit sterrenstof werden de planeten geboren, waaronder ook de aarde. 

   Het is niet bekend of het leven op aarde is ontstaan of elders maar het moet ooit zijn begonnen in de vorm van complexe moleculen die ook uit sterrenstof zijn voortgekomen. Sinds er leven is op aarde bestond dit voor lange duur uitsluitend uit bacteriën. Ook onder deze onbeduidende wezentjes bestond voldoende wederzijdse sympathie om na verloop van (lange) tijd een innig samenwerkingsverband aan te gaan. Die maatschap ging tenslotte een eigen leven leiden als eencellig organisme. Als dat niet gebeurd was zouden er nooit meercellige wezens zijn gekomen, laat staan gewervelde dieren en, uiteindelijk, mensen.

Tijdens de geschiedenis van de mensheid is het gelukt om niet-organische objecten (machines) voort te brengen die uiteindelijk geleid hebben tot buitenaardse uitstapjes. De symbiose tussen mens en machine heeft een wereldwijd netwerk van intense samenwerking voortgebracht. Een associatie waaraan menselijke individuen vrijelijk een bijdrage konden leveren of zich van konden distantiëren. Maar wel een associatie met een eigen identiteit en een wil tot overleven. Opzettelijke sabotage werd als vanzelf bestreden maar niemand werd gedwongen mee te werken om de planetaire identiteit in stand te houden. Daarvoor waren de niet-organische voortbrengselen van de mens te krachtig geprogrammeerd en bood het te weinig draagvlak voor principieel scepticisme. Dystopische toekomstverwachtingen van weleer bleken ongegrond, kunstmatige intelligentie en robotica hadden het evolutionaire stokje van de mensheid overgenomen en dat was helemaal niet eng.

 

Al snel werd duidelijk dat Huby’s preoccupatie met Heraclites’  Panta rhei ook de amfora van Dionysos omvatte. Daar brachten de dagboekaantekeningen van Hasan Pacha maar weinig verandering in. Huby's vondsten in het Kompas voor onderweg hadden weliswaar zijn vermoedens omtrent de toekomst bevestigd, ze hadden hem ook dorstiger gemaakt. En zijn mathematische argwaan aangewakkerd.

 

 

De waarde van wiskunde om waarnemingen te specificeren en om logisch te kunnen redeneren, werd door de Franciscaan Roger Bacon in de 13e eeuw al onderwezen. De meeste mensen haten wiskundige formules, maar één kennen ze allemaal: E = mc2. Dat is immers God.

   Sommigen weten dat de formule betekent dat energie en massa in elkaar kunnen overgaan. De uitgebreide wiskundige deductie die Einstein hanteerde in zijn relativiteitstheorie wordt zelden gepresenteerd maar de voorlaatste stap wil ik je niet onthouden:

 

E2 = c2p2 + c4m2

 

Daarbij kan de impuls p onder omstandigheden gelijk worden gesteld aan 0 zodat

 

E2 = m2c4

 

Iedere middelbare scholier weet dat deze vergelijking twee oplossingen heeft:

 

E = mc2 en E = -mc2

 

Door de negatieve energie wordt de richting van de tijd omgekeerd en dat is absurd. Om zo'n ongerijmdheid uit de wereld te helpen, hebben geleerde koppen antimaterie geïntroduceerd. Deze bestaat uit zogenaamde tegen-deeltjes met negatieve energie die zich met een grotere snelheid dan het licht in tegenovergestelde richting bewegen van de 'gewone' deeltjes (vanuit de toekomst naar het verleden; supercausaliteit). 

   De overeenkomst tussen energie en massa riep het beeld op van een symmetrisch universum, ook met betrekking tot de tijd. Dit opende de deur naar de wonderlijk wereld van de kwantummechanica.

   Er wordt wel beweerd dat kwantummechanica en oosterse filosofie veel op elkaar lijken, maar dan gaat men eraan voorbij dat kwantummechanica is gebaseerd op wiskundige modellen en oosterse filosofie op meditatie en mooie verhalen*.

 

 

Toen telefoons nog een draaischijf hadden, de schaamluis nog welig tierde en God werd gevreesd, herontdekte AIO Huby Moontrap de waarde van het woord. De verhalen die hij hoorde, kranten die hij las, studieboeken die hij bestudeerde en discussies die hij voerde, films die hij zag en tijdschriften die hij doorbladerde, hun gemeenschappelijke boodschap was telkens weer dat alles, maar dan ook alles, in tegenovergestelde richting bewoog. Meningen stonden lijnrecht tegenover elkaar. De droom van de één was de werkelijkheid van de ander. De leugen zus, de waarheid zó. De opvatting die het uiteindelijk won was steeds de opvatting die het best geformuleerd was.

   De welgebektste mening moest wel waar zijn.

 

 

 

Dat wiskunde ook maar een taal is, met soms nietszeggende woorden, blijkt uit de identiteit van Euler, door sommigen wel de mooiste wiskundige formule genoemd: 

 

eip + 1 = 0

 

Maar wat hier staat* heeft geen enkele betekenis. Het is slechts het resultaat van vernuftig gesleutel. Het is net zo nietszeggend als het Opperlandse woordpalindroom:

 

Wel, het is slechts iets, maar iets slechts is het wel1

 

Autistische humor. Verbazingwekkend, maar nietszeggend. De savant die je wil laten weten dat er achter de werkelijkheid een hogere / diepere waarheid schuilgaat, kletst uit zijn nek. De dingen zijn niet altijd wat ze lijken, maar de bedrieger ben je zelf.

 

 

Op zijn speurtocht naar een antwoord op de vraag der vragen (unificatie of grote synthese) vindt Moontrap opmerkelijke analogieën tussen kwantumelektrodynamica en menselijk gedrag. Feynmandiagrammen voor de analyse van sociale structuren? Schrödingervergelijkingen om individueel gedrag te beschrijven? Gravitatie als genegenheid. Supersymmetrie als troost.

 

 

De geschiedschrijving laat zien dat geen enkele gebeurtenis op zichzelf staat maar altijd onderdeel is van een historische ontwikkeling. Er zijn vele aanleidingen voor elke gebeurtenis zonder welke deze niet zou hebben plaatsgevonden. En evenzo vormt elke gebeurtenis samen met vele andere de aanleiding voor nieuwe gebeurtenissen. Niets staat op zichzelf. Bovendien zijn de meeste gebeurtenissen het gevolg van onbeduidendheden net zoals ze zelf te onbeduidend lijken om in de geschiedschrijving vermeld te worden. Toch is elke wel vermeldenswaardige gebeurtenis mede het gevolg van dergelijke futiliteiten en zelf de oorzaak van menig bagatel. 

   De geschiedschrijving wordt van oudsher opgedragen door de gevestigde machthebbers, die spelen dan ook altijd de hoofdrol. Daarbij wordt meestal voorbijgegaan aan de talrijke miezerige, onverschillige en nietszeggende onderdanen zonder wie er helemaal geen machthebbers zouden zijn. Over wie zouden zij anders moeten heersen? Over aanzienlijke, voorname en betrokken medeburgers? Dat zijn toch gevestigde machthebbers, op een kleinere schaal? Nee, het falderappes en schorremorrie mag als groep interessant zijn en individueel in schelmenromans figureren, de loop van de geschiedenis wordt er niet aan toegeschreven. Onterecht, want, zoals gezegd, over wie valt er anders te regeren?

Ook in de geschiedenis van de mens zijn er gebeurtenissen zonder welke andere gebeurtenissen nooit zouden hebben plaatsgevonden. Vooruitgang noemt men dat. Maar het zijn geen emergenties. Daarvoor is de tijdschaal veel te kort. Voorbeelden zijn het ontstaan van landbouw of de ontdekking van elektriciteit. Die hebben revolutionaire gevolgen gehad maar dat heeft de mensheid nog niet wezenlijk veranderd. Daarvoor is het nog te vroeg.

En dan is er nog de middelmaat, de massa. Een beetje zus, een beetje zo. Wie wil daar nog meer over vernemen? Het mag de hoofdmoot vormen van ons dagelijks bestaan, we willen er niet te veel aan worden herinnerd. Verreweg de meesten van ons gedragen zich volgens het kleurloze gemiddelde en dragen zo, hoe gering ook, bij aan de loop van de geschiedenis. Iedereen heeft een verhaal. We spelen allemaal een rol. Het duurt wellicht wat langer maar uiteindelijk is ieders invloed onmiskenbaar.

 

Duidelijk is dat wij een sterke hang hebben naar symmetrie, in de meest ruime zin. Dat appelleert aan onze esthetische voorkeur maar kan evengoed misleidend zijn. We horen een muziekstuk graag eindigen in dezelfde toonsoort als waarmee het begon, maar we laten ons ook graag verrassen. Een open einde vinden we onbevredigend. Wat eindeloos is, mag eigenlijk geen begin hebben.

   Onze voorkeur voor symmetrie is ook terug te vinden in de analogieën. In de filmindustrie wordt – onder andere uit kostenoverweging – dankbaar gebruik gemaakt van hulpmiddelen om voorstellingen op een afwijkende schaal te vertonen: gigantische bouwwerken die onder normale omstandigheden zouden instorten (volgens de hierboven genoemde wetmatigheid dat volume (= massa) sterker toeneemt dan oppervlak) of minuscule duikbootjes die varen door bloedvaten en zich voortbewegen als een potvis in de Pacific (zelfde materialen ondervinden op verschillende schaal andere krachten/viscositeit; kan worden gecorrigeerd met het getal van Reynolds). Toch laten we ons graag bedriegen.

   De dingen zijn niet altijd wat ze lijken.

 

 

Toen het Echte Universum werd geschreven, was daar niemand bij. Behalve, volgens sommigen, onze-lieveheer, die zich niets aantrok van de opborrelende pop-ups in Zijn schepping: brokstukken stof&as vormden een baarmoeder van brokstukken stof&as vormden een verlangen naar brokstukken stof&as vormden inzicht in … De Grote Goocheltruck.

   Huby Moontrap weet zeker dat de spontane oprispingen niets te maken hebben met een goddelijk wezen. Ze zijn daarentegen een typische eigenschap van de werkelijkheid, vanzelfsprekend en tegelijk onbegrijpelijk. Deze misleidende illusie heeft mensen aangezet tot het bedenken van poëtische verdichtsels en vangnetten.

   Volgens onafhankelijk onderzoeker Moontrap is aarzeling over universele causaliteit of waardering voor allegorieën en alliteratie niet verwerpelijker dan het geloof in Creatie. Tegenover de gedachte dat een gebeurtenis (iets) kan ontstaan uit de afwezigheid van die gebeurtenis (niets) verkondigde hij in Recursieve Reconstructies, de eindeloos herhaalde ontstaansgeschiedenis van het heelal. Wat zijn geloofwaardigheid in geofysische kring ondermijnde, werd bij El Instituto juist geprezen. Daar kreeg de ‘dwarse wetenschapper’ alle vrijheid om zijn tegendraadse gedachtegang tot in de lengte der dagen voort te zetten.   

 

In het Emergente Universum wordt onze geschiedenis voorgesteld als een caleidoscopische kralenketting waarvan elke kraal kan worden opgevat als een individu of gebeurtenis.  Al zijn de afzonderlijke kralen nog zo complex, in hun eentje kunnen ze nooit een ketting vormen. Wel kan elk los bolletje weer worden beschouwd als een kluwen van ingewikkelde onderdelen terwijl de ketting op haar beurt weer deel uitmaakt van een groter geheel. Deze trapsgewijze weergave van de werkelijkheid is geënt op de fractale patronen in Recursieve Reconstructies en vormt het hoofdmotief van het Emergente Universum.

   Er wordt wel beweerd dat de menselijke maat zich precies halverwege het schalenspectrum bevindt.* Aan de ene zijde de steeds verder krimpende microkosmos en aan de andere kant de oneindige uitgestrektheid van het heelal. Astrofysici zijn het eens over de toenemende snelheid waarmee de ruimte uitdijt (zonder tijdslimiet) en snaartheoretici beweren dat supersnaren  vele malen kleiner zijn dan de kleinste bekende deeltjes; zodat terecht de vraag gesteld kan worden: waar ligt het midden van oneindig? Het beeld dat zich aandient, is dat van een digitale Mandelbrotverzameling waarop eindeloos kan worden ingezoomd: het Emergente Universum.

   Het Emergente Universum  is een raamwerk, een platform, een stellage van de werkelijkheid.

  Een huis heeft vele kamers. In elk huis wonen andere mensen. Er zijn geen twee huizen gelijk. Maar al die huizen zijn ooit in de steigers gezet. De steigers zijn universeel, functioneel. Wie wil genieten van een goed boek, een verdiepende gedichtenbundel, een spannende thriller of een eclectische karakterschets, doet er goed aan zich eerst te verdiepen in het geraamte van de realiteit, het Emergente Universum.

   Het gegoochel met getallen is ontsproten aan het menselijk brein. Dat garandeert geenszins de universele geldigheid van wiskunde. Dat een symfonie ons kan ontroeren, wil niet zeggen dat andere wezens door datzelfde muziekstuk worden bewogen. De God die alle volkeren op aarde aanbidden als de schepper van het universum hoeft niet dezelfde God te zijn van buitenaardse wezens. En ook de meewarige glimlach van de zelfingenomen atheïst zal verstarren op zijn/haar pad door het Emergente Universum.

 

 

Glitter en glans hebben nooit grip op hem gehad. De zoete fee verschijnt nog altijd in zijn dromen.

   Vanuit het midden omarmt Huby Moontrap de wereld. De hele inhoud gaat hem wat te ver, die is veel te groot, maar een aantal hotspots in het mozaïek zijn wellicht voldoende om de kern te vinden.

   Waar het om draait, aldus hoogleraar Moontrap, is de omhelzing met het al. De zin van het bestaan is de omhelzing van het zelf met het bestaan zelf. Het is maar net wat de woorden je zeggen.

  

 

Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

George van Hal. Elastisch universum. Fontaine Uitgevers, 2016

Jacob Klapwijk. Heeft de evolutie een doel? Kok, 2009

Jos Koekkoek. Begrepen! Brave New Books, 2016

en het portret van de moderne samenleving 'Back to Utopia': tps://www.human.nl/2doc/2017/back-to-utopia.html

 

  

Een palindroom of keerwoord is een woord dat er van voor naar achteren gelezen hetzelfde uitziet als andersom. Een panlindroomzin is opgebouwd uit meerder palindromen en levert zowel vooruit als achteruit gelezen hetzelfde resultaat op. De palindroomzin in de titel is afkomstig uit de Opperlandse Taal- & Letterkunde van Hugo Brandt Cortsius, Querido, 1981.
 
In de eerste helft van de 20e eeuw werd door aanhangers van de relativistische kwantummechanica de antimaterie geïntroduceerd (bv positron door Paul Dirac). Later werd door andere fysici getracht de tijdsymmetrie te herstellen door het afleiden van retrocausaliteit (John Wheeler & Richard Feynman). Het concept werd afgewezen omdat het in strijd is met onze beleving van de voortgang van de tijd (syntropie versus entropie). In de psychologie en esoterie wordt nog wel vastgehouden aan de symmetrie van de tijd. Daarover is alleen Engelstalige literatuur, bv The Law of Syntropy van U. di Corpo & A. Vannini, Kindel/Amazon, 2011. Zie ook: http://www.syntropy.org/
 
De antimateriedeeltjes of tachyonen hebben altijd een snelheid groter dan die van het licht en spelen een rol in de snaartheorie. Sinds de 2e helft van de 20e eeuw spelen ze een belangrijke rol in tal van esoterische therapieën. Hierover is ruimschoots informatie te vinden op onderstaande Nederlandstalige sites http://www.tachyon-aanbieding.eu/Documentation/Tachyon%20Praktijk.pdf of http://www.tachyonenergie.be.
 
Voor alle duidelijkheid: e staat voor het grondtal van de natuurlijke logaritme ( = (1 + 1/n)n waarbij n nadert tot oneindig; e = 2,7182818…), i staat voor het imaginaire getal (-1)1/2 dat gebruikt kan worden om betekenis te geven aan negatieve getallen (in de fysica wel gebruikt om een tegengestelde lading of richting aan te duiden) en p staat voor de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel (p = 3,1415926…).
 
Het Reynoldsgetal wordt onder meer gebruikt om de doorstroming van vloeistoffen door buizen te berekenen: Re = r.v.D /waarbij r staat voor de dichtheid, v staat voor de stroomsnelheid, staat voor de diameter van de buis en m staat voor de viscositeit (stroperigheid) van de vloeistof. Schaalvergroting wordt bij filmtrucages succesvol gecompenseerd door vertraging van de snelheid; bij schaalverkleining is er geen compensatie nodig omdat de meeste mensen toch niet weten dat water in een heel nauw buisje zich als een stroperige vloeistof gedraagt. Een hilarische film waarin sprake is van schaalverkleining is Innerspace van Joe Dante (1987) (https://www.youtube.com/watch?v=HLAbTbGQcr8)
Dit is verwant aan het antropisch principe: het universum dat wij waarnemen is het universum dat ons heeft voortgebracht; in elk ander universum zouden wij niet kunnen bestaan. De verschillende natuurconstanten hebben hun specifieke waarde omdat alleen bij die waarden ons universum, wij dus, kunnen bestaan. 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur: Paul Davies. Perfect Universum. Spectrum, 2007

Toen Benoit Mandelbrot gevraagd werd om zo precies mogelijk aan te geven hoe lang de Engelse kustlijn is, was er maar één antwoord mogelijk: oneindig lang. Immers, naarmate er gedetailleerder gemeten wordt, neemt de totale lengte toe (kustlijnparadox). Dat is het gevolg van de fractaalachtige eigenschap van kustlijnen. Het meten van lengtes is gebaseerd op rechte lijnstukken, maar natuurlijke grensvlakken zijn altijd gebogen (fractaal). Hoe kleiner de gebruikte lijnstukken, hoe preciezer de benadering. Door met oneindig kleine lijnstukken te werken kan de exacte waarde gevonden worden. Zie ook http://www.youtube.com/watch?v=G_GBwuYuOOs.

 

Recursief betekent 'zichzelf herhalend'. Een proces is recursief als één van de stappen waaruit het proces bestaat vraagt om herhaling van het volledige proces. En steeds opnieuw want binnen een recursief proces herhaalt dat proces zich telkens weer. In principe komt er nooit een einde aan een recursief proces. Recursieve constructies kunnen worden gevisualiseerd. Denk bijvoorbeeld aan Eschers voorstellingen van de zichzelf voedende waterval en de alsmaar via afdalende trappen in een kringetje rondlopende en op dezelfde plaats terugkerende monniken. Een ander voorbeeld is het Droste-effect, een visueel effect waarbij een afbeelding een verkleinde versie van zichzelf bevat. Zo'n momentopname levert de concrete constructie van het voortgaande recursieve proces.Baboesjka's, de elkaar omsluitende Russische poppetjes zijn een ander voorbeeld van zo'n constructie. Als deze recursieve reeks poppetjes zich eindeloos zou voortzetten zouden er snel poppetjes zijn die door hun geringe afmeting niet meer zichtbaar zijn. Douglas Hofstadter geeft in Gödel, Escher, Bach (Olympus, 2018) ook voorbeelden van recursie in de muziek en informatica. In de wiskunde wordt gebruik gemaakt van recursieve functies in de vorm van differentievergelijkingen.

Zie ook:https://nl.wikipedia.org/wiki/Recursie

Kleine oorzaken hebben soms grote gevolgen (chaostheorie) en grote zaken kunnen zonder het kleine helemaal niet ontstaan (emergentietheorie). Volgens die laatste opvatting is onze wereld ooit begonnen in een primordiaal beginpunt en heeft zich laag voor laag verder ontwikkeld. De eerste lagen zijn bekend als de hypothetische ontwikkelingsfasen van het uitdijende heelal (inflatie, afkoeling en samenklontering in een fractie van een seconde), het ontstaan van de lichte atomen na een paar honderdduizend jaar, stervorming en hun vernietiging waardoor het ontstaan grote moleculen, planeetvorming, ontstaan van leven, eerst fragmentarisch en microbieel, later meercellig inclusief afweer, daarna staten- en netwerkvorming. Al die lagen zijn emergente verschijningen, bestaan bij gratie van de onderliggende 'eenvoudiger’ lage waaruit ze zijn opgebouwd. Het geheel vormt een kleine 14 miljard jaar oud bouwwerk dat langs een verticale tijd-as als een ondersteboven berg kan worden voorgesteld. 
                                                                                                                                   
 

 

 

 

 

Hier begint het. In de navel van Europa. Op het dorpsplein dat inmiddels is verdwenen werden in 1810 nog Napolitaanse volksliedjes gezongen. Ooit heeft een jonge geitenhoeder hier afscheid genomen van zijn moeder, om later op de slavenmarkt van Djerba te worden verkocht aan Barbarijse zeerovers. In 1707 werden de katholieke bewoners onthaald op de occulte profetieën van rondtrekkende Camisards. Tevergeefs, de vonk sloeg niet over. De profetieën van vóór het Christendom hadden de gemeenschap meer bekoord.

   De omgeving is bezaaid met rotsblokken vol persoonlijke inscripties uit vroeger tijden, als een lithografisch equivalent van Facebook. Het duidt erop dat dit een druk bezochte plek geweest is. Als je om je heen kijkt, zie je niets van de imposante bouwwerken van weleer maar met behulp van drones en remote sensing kun je de uitgestrekte  fundamenten zichtbaar maken. Hier lag ooit een welvarende stad.

   Uit alle hoeken van de wereld stroomden mensen hier naartoe. Toen, net als nu. Het sjamanistisch heiligdom van deze ‘bedevaartplaats’ wordt nog gemarkeerd door de onthoofde slangenzuil, de opgerichte navelstreng. Vanaf haar zetel op de driepoot die gevormd werd door de drie reptielenkoppen maande het enige ware orakel ooit tot zelfbezinning en relativiteit. Haar uitspraken staan in de rotswanden gegrift. In Delphi.

 

 

Het Cyberium is de verzameling van toekomstige planetaire voortbrengselen die een nieuwe, emergente bestaansvorm vertegenwoordigt in onze melkweg (kolonisatie op grotere schaal ligt te ver in het verschiet). Dit galactisch stelsel omvat al een paar honderd miljard sterren en op statische gronden wordt het aantal planeten op honderd miljard geschat. Vele daarvan beschikken vermoedelijk over voldoende condities om via abiotische weg organische levensvormen voort te brengen (al weten we nog steeds niet hoe dat precies in zijn werk gaat). Na verloop van tijd (op aarde heeft het enkele miljarden jaren geduurd) verschijnen op die planeten voldoende intelligente levensvormen om bestaansvormen te creëren die niet langer aan de planeet gebonden zijn. Op aarde is dat begonnen met eenvoudige ruimterobots. Immuun voor koude, straling en verwering kunnen ze vele malen langer bestaan dan organismen. Hun ontwikkeling, door de mens in gang gezet en vervolgens door hen zelf ter hand genomen, wordt uitgebouwd tot onvoorstelbare proporties, waar de mens geen enkele vat op heeft maar ook geen angst voor hoeft te hebben. Daar zijn wij te onbeduidend voor. Wij kunnen ons beter zorgen maken over onze thuisplaneet en wellicht kunnen Cyberia ons daarbij een handje helpen.
 

In de catacomben van El Instituto para la promoción de la dignidad humana a través de la intelectuel y moral, kortweg El Instituto, bevindt zich het archief van de archeonauten, de tijdreizigers. Het archief, ook wel het Kompas voor onderweg genoemd, bevat gedetailleerde beschrijvingen van plaatsen en gebeurtenissen in het verleden en minder nauwkeurige notities over de dingen die in het verschiet liggen. Het aantal toekomstzoekers is nu eenmaal een stuk lager dan de enorme hoeveelheid geschiedschrijvers. Chroniqueurs van het verleden worden bovendien een stuk betrouwbaarder geacht omdat hun bevindingen eenvoudiger te controleren zijn. Toch worden ook de kronieken van het verschiet er zorgvuldig gekoesterd, als bakens in de tijd die de loop der gebeurtenissen langs de juiste banen kunnen leiden.
   Altijd al zijn er lieden geweest die aan de hand van zelfbenoemde tekens of onbenoemde inzichten dergelijke bakens hebben geïnstalleerd en vrijwel niemand blijft ongevoelig voor hun boodschap. De openbaringen van religieuze Heilsprofeten overtuigen nog steeds honderden miljoenen gelovigen. Anderen zijn in de ban van de paragnosie en stellen een groot vertrouwen in de pronostiek van Nostradamus, Baba Vanga en Mother Shipton. De meeste namen zijn vergeten maar sommige blijven in de herinnering. Zoals van de Trojaanse Cassandra en van de clairaudiënte Jeanne d’Arc. Alleen adepten zijn bekend met de vermeende gaven van de Ziener van Brahan, Madame Lenormand, Mühlhiasl, Cheiro, J.W. Dunne, Malachias of Stefan Ossowiecki, om er een paar te noemen.

Een speciale plaats wordt ingenomen door Hasan Pacha: van zijn bestaan is slechts een handjevol ingewijden op de hoogte.
   Werkzaam op het Indian Institute of Technology in Delhi heeft Hasan Pacha aan het eind van de vorige eeuw enkele fenomenale doorbraken bewerkstelligd die nauwlettend geheim werden gehouden. Door zijn spraakgebrek vrijgesteld van onderwijstaken, heeft de briljante onderzoeker al zijn aandacht kunnen wijden aan ongekende nanofarmacologische innovaties die potenties verlenen om buiten de eigen tijd te treden. Uitdrukkelijk tegen de wens van zijn werkgever heeft de eigenzinnige Pacha zichzelf gebruikt als proefkonijn en is daarbij verslingerd geraakt aan historische uitstapjes. Hij is, zogezegd, een TTA (Time Traveling Addict) en in deze hoedanigheid heeft hij interessante verslagen geleverd.
    Sindsdien is het Kompas voor onderweg aanzienlijk uitgebreid. Onduidelijkheden zijn opgehelderd, hiaten van een invulling voorzien, ongeloofwaardigheden alsnog bevestigd of definitief uit de wereld geholpen en compleet nieuwe perspectieven toegevoegd. Dreigend ruimtegebrek is aanleiding geweest voor het Oudheidkundig Genootschap om een subsidieaanvraag in te dienen. Die zeker zal worden afgewezen omdat de aanleiding niet ontvankelijk zal worden verklaard, omdat deze als volslagen ongeloofwaardig in de prullenbak zal verdwijnen.
   De bemoeienis van Hasan Pacha met historische momenten heeft, dankzij zijn uiterst zorgvuldig optreden, geen invloed van betekenis op de loop der gebeurtenissen gehad. Niettemin heeft hij het steeds vertikt om zich uitsluitend als bescheiden toeschouwer op te stellen. Geregeld treedt hij daadwerkelijk in contact met bestaande mensen van wie we zonder zijn inmenging wellicht nooit hadden gehoord. Zo bestaat het vermoeden dat eerder genoemde verkondigers van een toekomstig gebeuren door hem van informatie zijn voorzien. Er is geen enkel bewijs voor dergelijke speculaties maar enkele archiefstukken suggereren zijn onbedwingbare zucht om de dingen naar zijn hand te zetten.
   Enkele geschriften die afkomstig zijn uit het San Francisco klooster in Lima gewagen van een dolende frater – onmiskenbaar Hasan Pacha – met een atheïstische boodschap.
   Uit de erven Flint is een dagboek afkomstig waarin de oprichter van IBM een beschrijving geeft van zijn inspiratiebron: een speeldoos die hij van een vriendin cadeau gekregen had. Die het op haar beurt zou hebben gekregen van een spookverschijning met een spraakgebrek. De bijgevoegde tekening laat evenwel zien dat het ging om een muziekautomaat die toen nog niet op de markt was.
Tenslotte is er een middeleeuws reisverslag van de handelskoerier Salah Marouni. Op één van zijn missies in de Bourgondische Nederlanden had hij een assistent die hem hondertuit an sein kop hat geseurt over een ‘witte engel’. Deze was herhaaldelijk aan hem verschenen, had hem in een brabbeltaaltje de wonderlijkste dingen verteld en ideeën ingefluisterd waarvan de artistieke jongeman in zijn schetsboek een tekening had gemaakt. Onder andere van een karretje waarop men zich zonder rijdier kon voortbewegen.
   Helaas ligt het schetsboek niet in het archief. Gevreesd wordt dat het is verloren gegaan.

 

 

 

 

 

 

SATANS KROON

De scheppende mens een gevallen engel

 

 

Het jaar is 966 AD. Na de afbrokkeling van het Karolingische rijk ontwikkelde het Duits-Roomse rijk zich tot het machtigste bolwerk van Europa. De heerschappij van Otto de Grote strekte zich uit van de Lage Landen aan de Noordzee tot aan de Adriatische zee. Alleen het handelsimperium Venetië liet zich niet onderwerpen. In het Oosten waren de Hongaren verpletterend verslagen en in het Westen was Lotharingen ingelijfd en rijkte Otto’s invloedsfeer tot voorbij Reims.

   Dit centrale bolwerk van Europa ondervond geen last meer van de Noormannen in Scandinavië en had nauwelijks contact met de hoogwaardige intellectuele cultuur van de Islamitische emeritaten van Cordoba ten zuiden van de Pyreneeën.

   Otto was tot keizer gekroond door de onbetrouwbare schuinsmarcheerder paus Johannes XII, waarmee het Heilige Roomse rijk een feit werd en aan de pauselijke staten onafhankelijkheid werd gegarandeerd.

   Otto was een handig manipulator die zijn heerschappij vergrootte door de macht van kerkelijke instellingen te vergroten. Zijn eigen broer Bruno, de aartsbisschop van Keulen, benoemde hij tot hertog van Lotharingen en kanselier van het Heilige Roomse rijk. Door dit soort dubbele functies waren de geestelijke en wereldlijke politiek sterk met elkaar verweven.

 

 

Voorovergebogen liep de jonge kloosterling in ganzenpas langs het rijpe korenveld alsof hij ergens naar op zoek was. Zijn oren suisden van het zinderend gezang van de talrijke cicaden om hem heen maar in zijn hoofd klonken keer op keer de schokkende voorstellen van zijn mentor: broeder Raymond had hem geadviseerd zich op zijn toekomst te beraden. Zijn gedachten schoten alle kanten op:

   ...Ik wil hier niet weg, ik vind het hier fijn. Raymond heeft gelijk, mijn taak is groter. Is het zondig om de eeuwigheid in twijfel te trekken? Na de zomer zijn het gras en de cicaden verdwenen. Ik wil niet veranderen maar God verandert voortdurend. Ik mis mijn vader

   Het luidruchtige geruis van de insecten werd overstemd door de klaaglijke roep van de buizerds en zijn neusgaten vulden zich met de stank van een dode bunzing. Vanuit zijn gebogen houding tuurde hij naar de verderop gelegen verbreding in het pad en hij zag de lage bomen in de verte trillen. Het leek een eeuwigheid geleden dat zijn vader, de smid Laurent van Orlhac, hem voor het laatst had toegesproken. Vlak voordat hij werd doodgeknuppeld. In zijn hoofd hoorde Gerbert zijn vaders woorden telkens opnieuw:

   “Holjeijenheh. Volg je eigen weg”.

   Zijn moeder was toen al dood of gevlucht. Dat wist hij niet meer precies en het liet hem ook eigenlijk koud. Hij kon zich zijn moeder nauwelijks meer herinneren. Haar beeld was inmiddels geheel verdrongen door de beeltenis van de Heilige Maagd. Maar zijn vader bleef zijn herder: slechts een paar jaar jonger dan ikzelf, en hij weet al zo veel meer….

Holjeijenheh”. De bloederige mond was nog in staat geweest hem aan te moedigen om te vluchten.

   Aanvankelijk had hij zich schuilgehouden in de schaduwen van de smidse. Later, herinnerde hij zich, was hij koud en hongerig wakker geworden tussen de natte bladeren in de beschutting van wat overhangend struikgewas. Hij had eetbare paddenstoelen gezocht langs de oever van de Jordane. Terwijl zijn aandacht geheel gericht was op de modderpoelen tussen de doornstruiken had hij plotseling oog in oog gestaan met broeder Raymond. De broeder, die bezig was geweest zijn strikken te plaatsen, had hem meegenomen naar het klooster. En daar was hij sindsdien gebleven.

   De verbreding in het pad was het gevolg van een driesprong. Het hoofdpad boog af langs het hooiland in de richting van het klooster. De aftakking liep slingerend naar de watermolen aan de Jordane. Gerbert van Orlhac stond even stil bij de driesprong. Links of rechts? Hij boog zich verder voorover. Een zwerm miertjes steeg gestaag op uit kleine holtes en openingen in de zanderige grond. Her en der verspreid groeiden paardenbloemen die hun bloemkroon hadden verruild voor een kroon van pluiszaad. Hij plukte er een en blies de pluizen van de steel.

   ...Ben ik als een engel die op eigen kracht de hemel tegemoet gaat of ben ik als willoos zaad dat met alle winden mee waait...?

 

Vanuit één van de vensters boven de refter keek Raymond Lavour peinzend neer op zijn pupil.

   ...Hij loopt met de snelle tred van een kind en de houding van een oude man. Hij is bijna twintig,

   Ik zou zowel hem als mezelf tekort doen...

   Een fractie van een ogenblik voelde hij een scheut van jaloezie, onmiddellijk gevolgd door schuldgevoel: zijn eigen ambities behoorden altijd ondergeschikt te zijn aan zijn liefde voor God, zeker waar het ging om de ontferming over zijn medemens, en in het bijzonder over deze jongeling die hij ooit als novice had binnengehaald.

   Zijn gedachten zweefden naar wat de abt hem had verteld. Over enkele maanden zou het kasteel van Orlhac bezocht worden door graaf Borrell van Barcelona.Dimi is mijn vriendje. Oh God, waarom wordt ik zo op de proef gesteld...?

De edelman zou zeker ook het klooster aandoen en het was een godsgeschenk om Gerbert dan aan hem te kunnen voorstellen. Het was de abt niet ontgaan dat de novice zich had ontwikkeld tot een veelbelovende leerling, wiens talenten zich hier nooit volledig zouden kunnen ontplooien. Vond Raymond het geen goed idee om Gerbert de gelegenheid te geven zijn kennis in Barcelona uit te breiden? De Moorse leraren zouden hem veel meer kunnen leren dan waartoe Raymond of de abt zelf in staat waren.

   Raymond was in de loop van de tijd erg gesteld geraakt op Gerbert. Aanvankelijk had hij hem beschouwd als een dakloze op zoek naar eten en beschutting. Hij wilde hem helpen en had hem meegenomen. Voor Gods kinderen was er altijd plaats in het klooster.

   En Gerbert was gebleven.

   In het begin had Raymond hem dezelfde aandacht gegeven als hij gewend was om aan novicen te besteden. Tijdens de gebeden was Gerberts heldere stemgeluid hem opgevallen. Bovendien bleek de jongen bijzonder muzikaal. Tijdens de vele klusjes en herstelwerkzaamheden, die Gerbert altijd voortreffelijk uitvoerde, kon je hem vaak horen neuriën. Raymond meende zelfs nooit eerder gehoorde wijsjes te horen, wat hem in verwarring bracht. Waar haalde deze boerenpummel, nou ja, smidszoon, die muziek vandaan?

   Starend uit het venster boven de refter hief Raymond zijn hoofd op en richtte zijn blik op de hemel.

   ...Hoe kan ik hierin kiezen. Ik ben van die jongen gaan houden. Maar Dimi dweept ook met hem.

   Hij staarde naar de zon en zijn ogen vulden zich met tranen. Hij raakte geheel verblind.

 

Gerbert had met zijn karakteristieke snelle tred en kromme rug het pad gevolgd in de richting van het klooster. De zon brandde op zijn onbedekte hoofd en zijn naakte lichaam onder de donkerbruine pij was nat van het zweet. Bevangen door de hitte of door een ingeving stond hij ineens stil en keek omhoog.

   ...Waarom verlang ik naar de hemel terwijl daar zo’n heet vuur brandt? Onweerstaanbaar verlangen...

   Gerbert draaide zijn lichaam een kwartslag en liep het hooiveld in. De grashalmen bewogen traag in de hete wind totdat ze werden opzij geduwd en tegen de grond gedrukt toen hij zich neervlijde. In de verstikkende beslotenheid van zijn wollen pij vermoedde Gerbert een onrecht waaraan hij een eind moest maken, al was het maar voor even. In gedachten tuimelden de vragen en antwoorden over elkaar heen alsof er voor hem geen mysteriën bestonden. Van slechts één antwoord was hij niet helemaal zeker maar uiteindelijk liet zijn redenering geen ruimte voor twijfel, vond hij zelf. Nu God hem begiftigd had met het vermogen om met eenvoudige middelen ingewikkelde problemen op te lossen, moest het hem toch ook lukken om er achter te komen wat God van hem verwachtte. En wat God van de wereld verwachtte. Want deze wereld, deze mensen, waren toch niet zomaar geschapen. Daar moest God toch een bedoeling mee hebben. Daarvan was hij overtuigd. En die overtuiging zou hij tot uitdrukking brengen. Hoe precies wist hij nog niet, maar uitdragen, zodat anderen zijn overtuiging zouden delen, dat stond voor hem vast.

   Hij spreidde zijn mantel open en liet de zon op zijn natte lichaam branden. Zijn lid stond recht omhoog. De hemel vulde zijn gehele blikveld. Engelen barstten los in een grandioos crescendo. Zijn ziel stroomde vol gelukzaligheid terwijl zijn devotie de hemel tegemoet spoot.

   ...God...!

 

Herinneringen lijken tijdloos. Al wordt de afstand steeds groter, je kindertijd blijft je altijd bij. Soms, door een vreemde rimpeling in de gewaarwording, komt er iets bovendrijven dat indruk op je heeft gemaakt. Een indruk die nooit is verdwenen. Het is iets van jezelf geworden. De herinnering.

 

Nog voor het ochtendgloren klonken de ritmische slagen van metaal op metaal als de montere belofte van voorspoed en verlichting. In een hoek van zijn vaders werkplaats zat Gerbert klaar om te helpen. Zoals gebruikelijk had hij het gereedschap gereinigd en wachtte af zonder in de weg te lopen. Door het vuur in de oven en de flakkerende olielampen zag hij silhouetten en schaduwen in een rituele reidans die hem vervulde met verlangen en vrees. Eens zou hij zelf volwassen zijn en wat zou er dán van hem verwacht worden?

   Laurent van Orlhac stond bekend als de beste smid in de Cantau. In zijn werkplaats in Beillac voerde hij afwisselende opdrachten uit en was hij meester over een handvol knechten. Afgezien van het reguliere wapentuig dat voortdurend uitgebreid, verbeterd en hersteld moest worden, werd er in zijn smidse vooral gewerkt aan steeds betere gereedschappen waarmee de boerengezinnen en handwerkslieden in hun dagelijkse levensbehoeften konden voorzien. En hoewel hij het grove werk niet schuwde, was Laurent een fijnzinnig man die bekwaam was in het vervaardigen van sieraden en snuisterijen. Veelvuldig werd er een beroep gedaan op zijn kundigheid in het maken van ornamenten en decoraties.

   Vóór de bonje die zijn vader het leven zou kosten, was Gerbert overtuigd dat hij ook smid zou worden. Zijn vader was een zeer bedreven vakman en had hem al heel vroeg ingewijd in de geheimen van de metalen en het vuur.

   Gerbert bleek een uitzonderlijk leergierige en talentvolle leerling. Als zevenjarige wist hij dat smeedijzer gehard kon worden door er bepaalde aarde aan toe te voegen en op elfjarige leeftijd besloeg hij zijn eerste paard. Alleen voor het hanteren van de zware hamer moest hij nog wel de hulp inroepen van de zwaarder gebouwde knechten.

   Vooral de constructies die de smid maakte in opdracht van de edele bewoners van het kasteel wekten de speciale belangstelling van zijn zoon.

   En natuurlijk de kronen en tiara’s.

   De prachtige, sierlijk geslepen diademen voor de jonkvrouwen en freules die het grafelijk kasteel bezochten, werden regelmatig door de kunstenaar opzij gelegd als niet onaardige maar desalniettemin mislukte pogingen. Telkens had de smid weer nieuwe kronen gesmeed en de afgekeurde kunstwerken voorlopig op een plank in de hoek van zijn werkplaats bewaard.

   Af en toe had Gerberts vader een dergelijk onvolmaakt werkstuk van de plank genomen, van alle kanten bekeken, de punten in een andere vorm geslagen, het blad gevijld en het resultaat gebruikt in een van zijn technische constructies. Soms leken die maaksels zelf op koningskronen, maar in tegenstelling tot de vorstelijke symbolen van stabiliteit hadden ze juist tot doel om dingen in beweging te zetten.

   Uiteindelijk vormden ze de kern van zijn vernuftige draai- en hijstoestellen.

 

“Als je wilt zien hoe deze misbaksels hun bestaansrecht verdienen, zoon, vergezel mij dan naar de watermolen. Je kunt je ongetwijfeld dienstig maken.”

   Laurent keek zijn de jongen licht spottend aan terwijl hij voorbereidingen trof om op pad te gaan. Hij was trots op Gerberts handigheid en het verwonderde hem dat zijn knul de blaaspijpjes, die hij uit rietstengels had gesneden, bewerkte om er muziek mee te maken. In plaats van er mee op ratten te jagen zoals andere jongens deden.

   Gerbert was zich in het geheel niet bewust van zijn vaders ontzag. Hij liet zijn knutselwerk in de steek en holde enthousiast achter de smid aan. De watermolen was een magisch oord. Hij had er in de buurt vaak rondgezworven. Het kletterende water rond het draaiende rad klonk als het gehamer in de smidse, maar dan ritmischer. Binnen was hij nooit geweest. Verder dan het erf had hij zich niet gewaagd. De molen, wist hij, werd beheerd door Archeiantrix, een grote magere man met prevelende lippen met eeuwig een paternoster in zijn hand. De molenaar had geen gezin, zelfs geen knechtje, en er werd beweerd dat hij bovenmenselijke kracht bezat. Om het graan op te halen of meel te brengen, kwam de molenaar bij iedereen over de vloer en als het aan hem lag, wist iedereen alles van iedereen. En niet alleen de aardige dingen. In ruil voor de laatste roddels kwam steevast de kruik op tafel. Een bezoek van Archeiantrix deed niet alleen de lichamelijke maar ook de geestelijke honger afnemen.

   Onderweg naar de watermolen zongen vader en zoon de gebruikelijke volksliedjes en Laurent genoot van Gerberts zuivere zangstem en muzikaal gevoel. Dat de jongen geen ratten ving vond hij minder zorgelijk dan zijn haastige manier van lopen, maar zo schoten ze wel lekker op.

   Na verloop van tijd naderden ze hun bestemming en van verre herkenden ze de rijzige gestalte van Archeiantrix. Hij was bezig vis te roken die hij gevangen had in de Jordane achter de watermolen. Toen hij Gerbert in de gaten kreeg, wendde hij zich prevelend tot de jongen:

   “Lekkirre vissies lussie zekirt ook wel, hè?” grijnsde hij stug, intussen rammelend met zijn gebedssnoer. Het was gebruikelijk dat werkzaamheden aan de watermolen met vis betaald werden.

 

In het hart van het bouwwerk dat hij tot nu toe alleen van enige afstand had bekeken, kon Gerbert eindelijk zien hoe de beweging van het waterrad door de verschillende wielen werd overgebracht op de molenstenen waarmee het graan tot meel werd verpulverd. Hij had wel vermoed hoe het zou werken maar om dat nu ook met eigen ogen te zien, voelde als een triomf. Hij kon er nauwelijks genoeg van krijgen en hij was blij dat zijn vader hem zijn gang liet gaan.

   …In onze wereld zit Gods plan verborgen…

   Hij schrok zelf van een dergelijk diepe gedachte.

   …Het moet mogelijk zijn om dat plan zichtbaar te maken…

   Overmand door een onbestemd gevoel van onrust, besloot hij, nu hij toch binnen was, dat hij wel wat kon rondneuzen in het domein van de molenaar. Die was toch bezig met zijn vissen. Struikelend over enkele jute zakken, sloop Gerbert naar de deur die toegang gaf tot de bescheiden woning van de molenaar. Er hing een sterke vislucht. Op de tafel stond een kaarsenhouder en er lag een gescheurde zak die de molenaar kennelijk wilde herstellen. Het bed was bedekt met, alweer, jute zakken. In de enorme schouw hing een pot die de oorzaak van de vislucht bevatte. Toen Gerbert naar het kleine venster liep, merkte hij pas het murmelende gemompel op. Het leek afkomstig uit de aangrenzende houten aanbouw waarmee de kamer in open verbinding stond. Terwijl hij stilletjes naar de doorgang sloop, spitste hij zijn oren:

   “..eentwintigviervirrtien, eentwintigvierviftien, eentwintigvierzistien..”

   Voorzichtig wierp Gerbert een blik in de kleine ruimte. Achter een open raam zag hij Archeiantrix in de weer met zijn visjes. In het licht dat naar binnen viel, zag hij dat de ruimte gevuld was met verschillende devotionalia. Aan een wand hing een fors houten kruisbeeld en op een laag tafeltje dat kennelijk dienst deed als altaar lag een brokaat kleedje met daarop een monstrans met aan weerszijden kaarshouders die er precies zo uitzagen als de kaarsenstandaard op de tafel in de woonkamer. Tegenover hem hing een prachtig beschilderd paneel van een heilige, gezeten op een troon. De molenaar bleek een godvrezend mens die in het bezit was van kostbare relikwieën. Het stemgeluid van Archeiantrix was nu duidelijk te horen.

   “..eentwintigviertwintig, eentwintigviereentwintig, eentwintigviertweetwintig..”

   …Hij loopt te tellen…

   Er ging Gerbert een licht op.

   …Als hij prevelt loopt hij te tellen! En met zijn paternoster doet hij hetzelfde! Waarom…?

   Terug in de molen drong het tot hem door. Het was zo simpel. Hij deed het zelf ook, om te onthouden hoe vaak hij zijn gebedjes zei. Zijn moeder deed het als ze het eten kookte. Archeiantrix hield de tijd bij! Aan één stuk door.

 

Het begon al te schemeren toen ze naar huis terugkeerden. Laurent had heel goed in de gaten dat zijn zoon grote belangstelling voor de draaiende wielen in de molen had gehad. Hij dacht dat de jongen wel zou willen weten wat zijn plannen waren voor de nabije toekomst:

   “We hebben een opdracht van de kasteelheer om meer hijstoestellen te bouwen. Ik denk dat ik weet hoe het werk van tien man ook door één gedaan kan worden”.

   Toen hij zag dat hij Gerberts volle aandacht had, besloot hij zijn zoon in vertrouwen te nemen.

   “Ik ga een kroonrad maken met scheve tanden. Daarmee kun je zware dingen takelen en als je moe bent rust je uit. Het rad kan maar één kant opdraaien zodat de last niet naar beneden valt.”

   “Net als bij een blijde, maar dan rond?”

   Aan Gerberts gelaatsuitdrukking kon hij zien dat de jongen precies had begrepen wat zijn vader in gedachten had. Het vervulde hem met een grote voldoening.

 

De onvermijdelijke loop der dingen mondt uit in een catastrofe van het voorgaande en de schepping van iets nieuws. Het verlies van je jeugd gaat gewoonlijk gepaard met verdriet in plaats van verwachting. De verandering is niet welkom. De toekomst ongewis.

 

Gerberts ongedwongen jongensjaren liepen gaandeweg ten einde.

   Op een dag hoorde hij roepende stemmen in de verte en nieuwsgierig keek hij naar buiten. Vanuit het tochtige venster zag hij de knokige gestalte van Archeiantrix in de richting van de smidse strompelen. Hij was alleen. Huiverend vroeg Gerbert zich af wat voor nieuws de molenaar te melden had. Heviger dan ooit hadden rondtrekkende plunderaars huisgehouden en veel gezinnen leden honger. De molenaar had de afgelopen maanden weinig méér te bieden gehad dan sombere tijdingen.

   De vraag naar diademen en astrolabia was geheel naar de achtergrond gedrongen ten behoeve van wapentuig en gereedschappen om versterkingen in het graafschap aan te brengen.

   Zijn gebleken gave om mechanieken te ontwerpen zag Gerbert als een opdracht van hogerhand om de polonaise van de draaiende kroonwielen te doorgronden. Aan het ratelen kon hij horen hoeveel tanden een wiel had en het aantal tanden bepaalde de draaisnelheid. Het begon tot hem door te dringen dat het geprevel van Archeiantrix het gevolg was van het onweerstaanbare tikken van de in elkaar grijpende tandwielen waaraan de molenaar veelvuldig blootstond. Gerbert wist nu dat de vroomheid van de molenaar niet geveinsd was, maar dat zijn geprevel daar niets mee te maken had.

   Ondertussen zag hij dat de molenaar midden op het pad hurkte om zijn behoefte te doen. Plassen of poepen langs de openbare weg was niet ongebruikelijk maar om dit midden op de weg te doen getuigde van een buitensporige eigendunk, zeker voor een godvrezende molenaar. Gerbert haalde zijn schouders op. Archeiantrix was nu eenmaal een zonderling en gedroeg zich soms ronduit onbehoorlijk. Of misschien was hij ziek.

   Bij binnenkomst had de molenaar wat vis en paddenstoelen op de tafel gesmeten en grijnsde triomfantelijk zijn tandeloze grijns in de richting van Gerbert:

   “Vor de krroonprins”, gevolgd door een bezorgd “Maak jij je janneman wellis schoon?”

   Gerbens vader schudde zijn hoofd en wees op een kruk waarop de molenaar kon aanschuiven voor een korst brood en een slok geitenmelk. Een afgekeurde versie van het kroonrad met de scheve tanden lag op tafel. Archeiantrix’ opgesperde ogen gaven blijk van zijn verbijstering.

   “Da's nie zo'n mooi krroon als 'k van je wend ben, Lauran”. Ontsteld deinsde de mulder achteruit waarbij de kruk omviel. “Da's nie zo mooi, joh!”

   Grommend stampvoette hij de werkplaats weer uit. De kruik geitenmelk stond onaangeroerd op tafel.

           

De schemering leek die dag eerder in te vallen dan anders. De knechten waren vertrokken naar hun eigen huishoudens. Alleen Dimi was er nog.

   De uit de kluiten gewassen novice werkte voor onbepaalde tijd als hulpje bij de smid en werd pas na zonsondergang, maar vóór de completen, terug in het klooster verwacht. Er was niet veel werk meer te doen en de stemming was bedrukt. Laurent stuurde de jongen weg.

   Niet lang daarna echter stormde Dimi buiten adem de smidse weer binnen.

   “Het is niet pluis! Ik durf niet terug! Er lopen daar allemaal mannen! Laat mij blijven, meester smid. Ik ga wel in een hoekje liggen”.

   Laurent en zijn vrouw keken de jongen ongerust aan. In de korte tijd dat hij bij hen over de vloer kwam, hadden ze gemerkt dat de lijvige leerling bangelijk was, maar dat had tot nu toe alleen betrekking gehad op de ratten en spinnen. Dat hij ook bang was voor donkere gedaanten in het bos vervulde hen met enig leedvermaak.

   Laurent haalde zijn schouders op en knikte in de richting van de werkplaats.

   “Wat mij betreft kun je blijven. Kun je straks lekker vroeg aan de slag”.

   Gerbert was minder gerust. Hij had zich de opwinding van Archeiantrix meer aangetrokken dan zijn ouders en het gedrag van Dimi zat hem helemaal niet lekker.

   Na een vergeefse poging om de zielenroerselen van de mesjokke molenaar te doorgronden, had zijn vader het kroonrad met de scheve tanden op één van de werkbanken gelegd. Zijn moeder was blij dat ‘de visgraat’ was vertrokken en zette de kruk weer overeind.

   Veel tijd om over de gebeurtenissen na te praten was er niet. Buiten klonk gestommel en mannen met kappen over hun hoofd kwamen het erf op. Ze drongen het huis binnen. Hun stemmen werden gesmoord door hun kappen. Terwijl Gerbert wegdook in een duistere hoek van de werkplaats herkende hij de hysterische gil van Archeiantrix:

   “Antichrist!”

   De mannen, het waren er een stuk of zes, waren in de kamer, in de werkplaats. Gerbert hoorde kreten, gebonk van vallend meubilair, een vreemd soort snikken. Uit een ooghoek zag hij hoe Dimi naar buiten glipte. Zelf drukte hij zich tegen de wand en maakte zich zo klein mogelijk. Het gejoel zwelde aan.

 

De hymne tijdens de priem vervulde Gerbert telkens weer met dankbaarheid en hoop:

   “Nu de dageraad is weergekeerd, laat ons knielen voor de Heer om Hem te smeken om bescherming tegen gebreken die ons dagelijks bedreigen in ons ondermaans bestaan”.

   De samenzang gedurende het getijdengebed hield voor hem eenzelfde soort belofte in als de polonaise van de draaiende kroonwielen in de watermolen: beide gaven uitdrukking aan Gods bedoelingen. Hij schaamde zich een beetje dat hij verlangde naar Goddelijke kennis, naar het almachtige begrijpen. Gelijktijdig was hij er echter zeker van dat dit zijn levensopdracht was: het doorgronden van de wereld.

   “God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen. Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen en eeuwen. Amen. Halleluja”.

   Gedurende de enkele jaren dat Gerbert in het klooster woonde, trok hij veel op met Dimi. Nadat de abt ermee had ingestemd dat Gerbert in het klooster zou blijven, had Dimi samen met hem gebeden en geprobeerd hem te troosten. Hij had een vermoeden van wat er gebeurd was en begreep hoe Gerbert zich moest voelen. Was hijzelf niet ternauwernood ontsnapt aan de gewelddadigheden? Hij was ervan overtuigd dat God hem onzichtbaar had gemaakt tijdens zijn vlucht uit de smidse. Dat God hem door de duisternis van het bos naar de veilige beschutting van het klooster had geleid.

   Omdat Gerbert zo verzot was op muziek zongen zij vaak samen. Dimi had niet zo’n buigzame en toonvaste alt als Gerbert maar zijn bariton klonk sonoor en aangezien er in de meeste psalmen maar weinig toonwisselingen waren, werd zijn stem alom gewaardeerd.

   Daar hij de speelse en onorthodoxe stembuigingen van Gerbert niet goed kon volgen, had Dimi de neiging om juist monotoner te gaan zingen. Plotseling had Gerbert hem met grote ogen aangekeken en hem aangemoedigd daarmee door te gaan. Hij had niet meteen begrepen wat Gerbert bedoelde, maar toen deze hem had uitgelegd dat hij één sonore toon moest vasthouden, had Gerberts hoge alt zich daar als een kralenketting omheen gewonden.

   Het effect was zo betoverend geweest dat zijn stem stokte. Gerben was eveneens verrukt en leek geen last te hebben van het vage gevoel van schaamte dat Dimi bekroop. Met tranen in de ogen zongen de jongens de hele ochtend totdat hun kelen schraal werden en hun stem brak.

   De abt was duidelijk ontstemd geweest dat beide novieten zowel de terts als de sext gemist hadden en hij had broeder Raymond verantwoordelijk gesteld. De jongens mankeerden toch niets? Discipline moest er zijn!

   De monnik had de jonge kloosterlingen op zijn matje geroepen. Bedroefd had Raymond Dimi aangekeken:

   “Jullie hebt mij in de steek gelaten.”

   In een poging om de aandacht van het incident naar een algemener belang te hevelen, knielde Gerbert met gebogen hoofd en sprak:

   “Verschoon mij van mijn onbeschaamdheid dat ik uit eigen beweging het woord neem.”

   Raymond wilde hem tot de orde roepen maar Gerberts zelfbewuste gebaar en vriendelijk stemgeluid weerhielden hem. Na een aarzeling ging Gerbert verder:

   “Zou het niet een groot genoegen zijn als wij allen gelijktijdig vernemen dat het

Uur voor Gebed is aangebroken? In plaats van brandende kaarsen en falende zandlopers zou het luiden van een klok voldoende kunnen zijn om allen te wekken.”

   Bedeesd vervolgde hij:

   “Ik zou een mechaniek kunnen maken waarmee het de hand van God zelf wordt die ons wekt.”

   Met stomheid geslagen hoorde de monnik de boodschap aan.

   “Wij gingen trouwens volledig op in onze eigen muziek”, besloot Gerbert onbescheiden terwijl hij zijn hoofd ophief.

   In Raymonds ogen brandde een woedend vuur. Hij had het gevoel dat hem de les werd gelezen maar het idee van een centrale klok was zo gek nog niet. Hij zou het de volgende keer dat hij bij de abt werd ontboden ter sprake brengen.

   “Onze klokken zijn geen van allen luid genoeg. Voorlopig draag ik jou op, Gerbert van Orlhac, om voorafgaand aan de gebeden rond te gaan met de bel zodat niemand in het klooster zich kan vergissen in de tijd”.

   “En Dimitri”, hij wendde zich tot de bedremmelde onzeker ogende jongeman, “het beddengoed moet hoognodig worden verschoond”.

 

Vanuit de slaapvertrekken staarde Raymond Lavour naar de wiegende halmen in het veld waarop hij door het venster neerkeek.

   …Gods akker…

   Een beetje verbitterd bedacht hij dat monniken zich vooral bezig hielden met visvangst en wijnbouw sinds de korenvelden door de graaf werden beheerd.

   Het gesprek met de abt had hem niet het genoegen verschaft waarop hij gehoopt had. Weliswaar had de abt hem geprezen met het idee van een centrale tijdmelding, maar de aankondiging van Gerberts vertrek – hij had heel goed begrepen wat de abt van hem verlangde – brak zijn gemoed. Hij zou de jongen voorbereiden. Het zou hem zwaar vallen. Hij wilde dit niet. Gerbert wilde dit niet. Maar zou het gebeuren.

   Raymond sloeg zijn natte ogen op en hief zijn gevouwen handen ten hemel. Het gebaar gaf hem kracht en verdreef zijn vertwijfeling. Er was slechts de Ene aan wie hij gehoorzaamheid verschuldigd was.

   …God…!

 

 

 

 

In 967 verliet Gerbert het klooster en reisde met Graaf Borrell naar Barcelona. Gedurende enkele jaren verrijkte hij zich geestelijk in het intellectueel superieure Catalonië. In gezelschap van Graaf Borrell en de bisschop van Vic bezocht hij in 969 Rome waar hij kennis maakte met Paus Johannes XIII en keizer Otto de Grote. De Paus, onder de indruk van Gerberts brede kennis, haalde de keizer over om Gerben een aanstelling te geven als hofonderwijzer van de kroonprins, Otto II.

   Een groot deel van de jaren tachtig van de 10e eeuw was Gerbert verbonden aan de kathedraal van Reims waar hij als secretaris van de aartsbisschop en later, in de jaren negentig zelf als aartsbisschop, betrokken raakte bij de politieke intriges van die tijd. Na een ruzie met de Franse koning Robert II, de opvolger van Hugo Capet, vluchtte hij naar het hof van Otto II waar hij raadsheer werd van de zeventienjarige Otto III.

Toen aan het einde van het millennium Paus Gregorius V overleed, besloot de nieuwe keizer, Otto III, om Gerbert als nieuwe paus te benoemen. Gerbert aanvaarde de aanstelling en hij zou de geschiedenis ingaan onder de naam Sylvester II, de 139e paus na Petrus en de eerste buitenlandse, dat wil zeggen niet-Italiaanse paus.

   In weerwil van hun diepe Godsgeloof viel een aantal jonge kloosterlingen in 980 in handen van Satan. Zij stierven aan een ziekte die veel weg had van vlektyfus. Dimi was één van hen.

   Raymond Lavour was gedurende zijn gehele leven nauw betrokken bij de inwijding en opleiding van jonge kloosterlingen. Tijdens zijn laatste jaren was hij abt in Aurillac.

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Ton van Doorn. Apocalyps toen! Walburg, 1997

Lammert Jansma & Durk Hak. En nog is het einde niet. Amsterdam University Press, 2000

 

 

Orlhac is het tegenwoordige Aurillac in de Auvergne (Zuid Frankrijk), gelegen aan de rivier de Jordanne.

Borrel II was graaf van Barcelona en heerste de laatste drie decennia van het eerste millennium over Catalonië. Hij onderhield goede contacten met zowel het Kalifaat van Córdoba als met het Pauselijke Rome. Edellieden brachten elkaar in die tijd met enige regelmaat een bezoek. Het kasteel van Orlhac werd op dat moment bewoond door graaf Herbert van Herbauges die getrouwd was met Avigerne van Aurillac.

Een paternoster of rozenkrans is een kralensnoer dat gebruit wordt voor het bidden van weesgegroetjes; devotionalia zijn religieuze voorwerpen zoals die in katholieke huisgezinnen werden gebruikt; een monstrans is een liturgisch vaatwerk voor het bewaren van hosties.

Een blijde is een soort katapult, waarbij het spannen van een as of boog tussentijds kan worden vastgezet, met bijvoorbeeld een pin in een gat, om daarna het spannen voort te zetten.

Diademen en tiara’s zijn kroonvormige hoofdtooien ten teken van rijkdom en waardigheid; een astrolabium is een instrument waarmee de positie van de zon kan worden bepaald en dat werd gebruikt om de tijd af te lezen.

De completen zijn katholieke gebeden waarmee de dag wordt afgesloten; de priem is het ochtendgebed dat altijd begint met Deus, in auditorium meum intende; de terts en sext zijn de gebeden om respectievelijk 9 uur en 12 uur.

 

Het verhaal gaat dat Gerbert ooit een beweegbaar beeld van het hoofd van een man heeft gemaakt, een soort mechanische gaper. De kop kon elke vraag beantwoorden met ja of nee door te knikken of te draaien. Toen hij de vraag gesteld had of hij paus zou worden had de kop bevestigend geknikt. Op zijn vraag of hij zou komen te overlijden vóórdat hij in Jeruzalem de Heilige Mis had gelezen, maakte de kop een draaiende en dus ontkennende beweging.

Daarop besloot Gerbert dat hij nooit naar Jerusalem zou gaan.

Als één van zijn vele verplichtingen als paus las hij eens de mis in één van de kleinere kerken van Rome. Achteraf ontdekte hij dat het ging om de kerk van het Heilige Kruis van Jerusalem, in de volksmond kortweg “Jerusalem” genoemd.

Kort daarna werd hij ziek en moest hij worden verzorgd. Bij een laatste en hevige koortsaanval had hij ijlend zijn kardinalen verzocht om zijn lichaam in stukken te hakken en op de vuilnisbelt te gooien. Zijn lichaam mocht dan aan Satan toebehoren, in werkelijkheid had hij er nooit mee ingestemd om zijn ziel aan de duivel te verkopen.

Dat laatste had betrekking op de talrijke geruchten die waren verspreid door afgunstige en geborneerde geesten. Zij hadden Gerberts intellect gewantrouwd en waren ervan overtuigd dat hij beschikte over magische krachten. De maatschappelijke afkeer tegenover slimmeriken is altijd een prima klankbord gebleken om gevestigde posities te beschadigen en de macht over te nemen. In het geval van Gerbert heeft dat in elk geval onderhoudende legendes opgeleverd.

 

 

 

SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

 

Zo, daar ben ik weer. Heb je je niet al te erg verveeld? Ik zie dat je mijn MAGistratie hebt bekeken. Zo noem ik die verzameling mappen, mijn MAGistrale register. Ze bevatten de dingen die mijn belangstelling wekken al ben ik ervan overtuigd dat die interesse mij nooit wat op zal leveren. Ik wou dat ik rijk was, dan deed het er allemaal niet toe. Dan kon ik tenminste mijn ding doen zonder dat ze me in de gaten houden. Jij bent toch niet een van hen, hoop ik?

   Bij BZ was mijn honorarium een lachertje, zeker als je bedenkt wat ik in huis heb. Ze hebben het aan zichzelf te wijten dat ik daar vertrokken ben. Stelletje zakkenwassers. Sommige collega´s verdienden wel twee keer zoveel, alleen omdat ze wat langer in dienst waren. Aan mijn werk lag het niet, ik heb een paar probleempjes opgelost waar niemand anders uitkwam. Maar als ik om loonsverhoging vroeg kreeg ik nul op het rekwest. Nou, dan vraag je er toch om? Ik ben heel voorzichtig te werk gegaan. Niemand heeft het gemerkt, zeker weten! Godver-de-godver, wat een kankerzooi, je snapt zeker wel wat ze willen, over een uur heb ik afgesproken.

   Sorry, dat ik wat grof in de mond ben. Godverdomme! Ik geloof niet eens in een god (maar jij misschien wel) en toch lucht zo’n krachtterm op. Vloeken schijnt gezond te zijn, vooral als je een ander weet te kwetsen. Nou, dan hoop ik maar dat je in God gelooft. 

   Weet je trouwens hoe laat het is? Mijn horloge staat stil en dit is een chip-vrije zone, je zult hier geen digitaal instrumentarium aantreffen (behalve natuurlijk wat je zelf op zak hebt). Mijn digitale recherche-paneel staat in de ruimte hiernaast, in een soort kooi van Faraday, een ruimte waarvan de wanden, de vloer en het plafond bekleed zijn met geleidend materiaal om al mijn elektronische informatie-uitwisselingen af te schermen tegen afluisterpraktijken en die zelfs het traceren van mijn apparatuur onmogelijk maakt. Om buiten beeld te blijven gebruik ik zo´n ouderwets ding met een veer, maar dat vergeet ik dan op te winden. Stom hè? Daar heb ik trouwens nog een aardig stukje over. Zien...?

Ruimte waarvan de wanden, vloer en plafond bekleed zijn met geleidend materiaal om elektronische informatie-uitwisseling af te schermen tegen afluisteren en zelfs tegen het traceren door onbevoegden.

 

 

  

 

 

UURWERK IN UITVOERING

Evolutie van de tijdmeting

 

 

De ontwikkelingsgeschiedenis van de tijdmeting vertoont – net als de organische evolutie – een exponentiële toename van vormen en typen na een langdurige periode van betrekkelijke eenduidigheid alsmede een relatief reproductiesucces (fitness) gebaseerd op doelmatigheid en nut. Ook leidt de aangeboorde energiebron verschillende wegen in. Een afwijkende rol van betekenis (in vergelijking met de evolutie in de natuur) spelen de menselijke ijdelheid en behoudzucht. 

 

 

Het hart van het mechanische uurwerk, het echappement, ontstond in het begin van het tweede millennium. Het was een uitvinding om de aandrijving van een (tand)wiel zodanig te doseren dat de draaibeweging stapsgewijs verliep. Voor een gelijkmatige rotatie moesten de stapjes niet te groot zijn.

   De oudste beschrijving van dit mechaniek stamt uit de 3e eeuw voor onze jaartelling en is van de hand van Philo van Byzantium. Ondanks de kennis van tandraderen voor bewegingsoverdracht, werd hiervoor gedurende het hele eerste millennium gebruik gemaakt van stromend water. Het voordeel was dat water tegelijk dienst deed als aandrijving. De waterklokken maakten gebruik van de eigenschap van water om onder invloed van de zwaartekracht van een hoger naar een lager punt te stromen. Vernuftige constructies, vaak uitgerust met een hoorbare tijdsaanduiding, werden exclusief gemaakt voor hooggeplaatsten die zich dat konden veroorloven. De eenvoudige clepsydra’s, waarmee, net als met zandlopers en kaarsklokken, korte periodes werden afgemeten, vonden een voor iedereen beschikbare (democratische) toepassing.

   De eerste mechanische uurwerken maakten eveneens gebruik van de zwaartekracht. Voor de aandrijving van de tandwielen werden touwen rondom een as gewikkeld waaraan zware gewichten waren opgehangen. Eenzelfde systeem gebruikte men voor het luiden van de klokken om de aanvang van (katholieke) getijdengebeden te verspreiden in klooster- en dorpsgemeenschappen.

   Het grote voordeel van uurwerken boven de al duizenden jaren gebruikte zonnewijzers was hun onafhankelijkheid van het weer en ze werkten ’s nachts net zo goed als overdag. Een nadeel was dat ze geregeld met behulp van diezelfde zonnewijzers moesten worden geijkt. De aardse tijd werd immers bepaald door de rotatie van hemellichamen en uurwerken waren vaak onnauwkeurig en altijd vergankelijk.

 

Gelijkmatigheid en precisie van het echappement werden in de loop van enige eeuwen wat opgevoerd maar een significante verbetering kwam pas in de 17e eeuw met de uitvinding van het slingeruurwerk door Christiaan Huygens. Tezelfdertijd was het sociaaleconomische  milieu waarin die innovatie tot stand kwam gunstiger geworden voor de afzet van uurwerken. De burgerbevolking beschikte over toenemende financiële middelen en de zelfbewuste mens wilde ook toen weten hoe laat het was. Op elk moment van de dag (en nacht).

   Parallel aan de aandrijving door de zwaartekracht verliep sinds het begin van de renaissance de veeraandrijving, uitgevonden door Peter Henlein. Deze krachtbron maakte het uurwerk hanteerbaarder. Aanvankelijk vooral gebruikt als sieraad door notabelen veroverde het ‘horloge’ in toenemende mate terrein. Behalve dat het draagbaar was, zorgden verschillende technische innovaties ook voor een stabielere en preciezere tijdsaanduiding. Ter compensatie van de afnemende aandrijvingskracht van de zich ontspannende veer werd een kegelvormig katrolletje geïntroduceerd (snek; Jacob Zech?) en de slinger werd aangepast aan het draagbare horloge door een wieltje met een eigen spiraalveer (onrust of balans; Huygens). Bovendien werd korte tijd daarna de wrijving en slijtage van de bewegende delen geminimaliseerd door de toepassing van robijnlagers (Nicholas Facio de Dullier). En om de rotatiesnelheid van de draaiende delen onafhankelijk te maken van temperatuurschommelingen werd gebruik gemaakt van metalen en legeringen met verschillende warmtecapaciteit (John Harrison). 

 

Tijdens de wisselwerking (co-evolutie?) tussen de accuratesse van de tijdmeting en de rationalisering van het mensbeeld veroverde het uurwerk een brede status in het maatschappelijk verkeer hetgeen leidde tot een explosie van vormen, variërend van kolossale staartklokken en barokke pendules tot de mannelijke vestzakhorloges en medaillons met minutieus gegraveerd raderwerk en pornografische wijzerplaat. De behuizing van de tafelklokken onderging in de handen van houtbewerkers, beeldhouwers en edelsmeden talloze verschijningsvormen, niet in de laatste plaats door de wens van de welgestelde klandizie om een dergelijk kunstwerk in huis te hebben. De meeste van die klokken waren voorzien van een speeldoos, een carillon of zelfs een mechaniek dat de roep van een koekoek nadoet.

   Tijdsbesef werd een alles doordringend fluïdum en verdrong het tot dan toe overheersende Kruis naar de dorre contreien van droogstoppels en zwartjassen. De scheiding tussen kerk en staat was definitief een feit. In de 18e eeuw werd de organische natuur een machine en God de grote horlogemaker (Leibniz, Voltaire).

   Ondertussen ging de fabricage van andere tijdmeters, zoals uurglazen en gnomons, gewoon verder. Een opmerkelijke precisie werd in de 16e eeuw al bereikt met de vernuftige zonnewijzers van Nikolaus Kratzer en de Chinese waterklokken hadden indrukwekkende afmetingen verworven.

   De verbeteringen van het mechanische uurwerk werden natuurlijk ook toegepast in de draagbare horloges. Deze werden niet alleen betrouwbaarder maar ook compacter zodat steeds meer lieden die het zich konden veroorloven er een bij zich droegen. Het zogenaamde vestzakhorloge zou bovendien de geschiedenis ingaan als het bewijs van Intelligent Design (William Paley)

 

De eerstvolgende baanbrekende verandering in de ontwikkeling van het uurwerk betrof de aandrijving en vond plaats in de 19e eeuw. In nauwe samenhang met het verschijnen van de telegraaf en de trein zag de elektrische klok het licht (Alexander Bain). Een nadeel van deze nieuwe energiebron was dat het uurwerk voor de stroomvoorziening aan een vaste plek was gebonden. Pas geruime tijd later, in de 20e eeuw, waren batterijen klein genoeg voor de toepassing in draagbare horloges. Zulke geleidelijke technische verbeteringen stonden trouwens niet langer op naam van de uitvinders, maar op naam van de bedrijven die de horloges op de markt brachten (Hamilton; Elgin). De elektrische horloges vormden de overgang van de gangbare mechanische horloges naar de elektronische kwartshorloges.

   Door de overheersende rol die tijdafspraken in het menselijk verkeer ging spelen, werd het bezit van een draagbaar horloge bijna vanzelfsprekend. Bovendien werd met het oog op gebruiksgemak, zoals het snel aflezen van de tijd, in het begin van de 20e eeuw het polshorloge massaal geproduceerd (lage kosten dus grote verspreiding; Cartier). De prikklok (Alexander Dey) verhoogde de sociaaleconomische rigiditeit waardoor het tijdsbesef verder toenam. De exacte tijd voor het ijken van een klok (gelijkzetten) werd verspreid via radio en telefoon (wereldstandaardtijd). Het aantal tijdmeters was allang een veelvoud van het aantal mensen op aarde.

 

In 1927 werd het eerste kwartsuurwerk ontwikkeld (Horton & Marrison). De modulatie van het echappement (het tikken) werd aangestuurd door een speciale eigenschap van het kwartskristal om onder invloed van elektrische spanning te gaan resoneren. De frequentie van de opgewekte trilling bleek omgekeerd evenredig met de grootte van het kristal en werd zodanig aangepast dat deze één puls per seconde opleverde. De puls werd door een spoel geleid om een elektromagnetische veld op te wekken waarmee een rotor werd aangedreven. De rotor liet het mechanisch binnenwerk en de wijzerplaat draaien.

   Het kolossale apparaat werd in de loop van enkele decennia verkleind tot het handzame formaat van het eerste kwartshorloge in 1969 (Seiko), spoedig gevolgd door verbeterde versies (Breitling).

   Met het trillen van een kristalrooster werd een grandioze verbetering geboekt op de schaal van nauwkeurigheid (te vergelijken met de slinger en balans voor het mechanische uurwerk). Maar het kon nog beter. In 1955 werd de cesiumklok ontwikkeld (Louis Essen), een uurwerk dat gebruik maakte van het trillen van atomen. De positie van de zon was niet langer bepalend voor de juiste tijd. Vanaf 1972 werd de internationale tijdschaal afgeleid uit enkele honderden atoomklokken verspreid over de wereld. De eerste cesiumklok had een afwijking van ongeveer één seconde in een miljoen jaar.

   De nauwkeurigheid van de atoomklokken werd in de volgende decennia verder verbeterd met achtereenvolgens de cesium-fonteinklokken en atoomklokken gebaseerd op strontium en aluminium. In het begin van de 21e eeuw was hun nauwkeurigheid gestegen tot een afwijking van minder dan één seconde in vijf miljard jaar.

   Atoomklokken waren niet bedoeld voor alledaagse tijdnotering, maar via radiosignalen konden huishoudelijke klokken en horloges meeprofiteren van hun grenzeloze precisie. In het eerste decennium van de 21e eeuw werden er polshorloges op de markt gebracht met een eigen cesiumunit en een nauwkeurigheid van één seconde op duizend jaar. Gezien de prijs en een aantal onpraktische eigenschappen ging het meer om een horologisch verzamelobject dan om een accuraat uurwerk. Dank zij atoomklokken konden systemen via satellieten, zoals GPS en mobiele telecommunicatie, een explosieve ontwikkeling doormaken. Ook voor het synchroniseren van de tijd om iedereen overal te laten weten hoe laat het precies is.     

 

De natuurlijke ontwikkeling van het uurwerk verliep niet alleen verticaal maar ook horizontaal waardoor binnen elke groep een waaier van variëteiten verscheen. Naast het arboretum van huishoudklokken en het schelpenkabinet van de zakhorloges bleven oude concepten, net als gedurende de organische evolutie in een eventueel aangepaste vorm, gewoon bestaan: de stereotypische zandlopers en zonnewijzers en de kolossale torenuurwerken verbeeldden als een relikwie uit vervlogen tijden de evolutionair stabiele vorm van miljoenpoten en voorwereldlijke dinosauriërs.

   Op het gebied van waterklokken maakte Al-Jazari in de middeleeuwen indruk met zijn olifantsklok, tegenwoordig zijn ze als moderne kunstwerken overal ter wereld te bezichtigen (Bernard Gitton).

   De paardenfokkerij van de polshorloges, begonnen om boerenkinkels op tijd te laten opdraven voordat ze werden terug gemaaid in hun loopgraven, verwierf algauw een plaatsje binnen de initiatierituelen van de puberteit alvorens het polshorloge nieuwe functies werd toebedeeld, zoals modeartikel (Swatch), statussymbool (Rolex) en beleggingsobject (Patek Philippe; it’s a man’s world and boys will be boys). Bovendien treffen we tal van extremen aan, zoals het ingewikkeldste exemplaar (de Aeternitas Mega 4 van Franck Miller met 36 functies en 1483 onderdelen) en het duurste (de $ 25 miljoen kostende 201 karaats Chopard met meer dan 800 diamanten die de wijzerplaat bijkans aan het gezicht onttrekken). Eerder waren er al het kleinste mechanische uurwerk (de Calibre 101 van Jeager-LeCoultre uit 1929) en het duurste zakhorloge (de Breguet 1907BA/12 uit het begin van 20e eeuw) en binnen afzienbare tijd wordt de duurzaamste klok ter wereld opgeleverd (de 10 000 Year Clock van Danny Hillis loopt op zonne-energie).

   In de openbare ruimte veroverden vooral de grotere elektrische klokken een vaste plek maar hun aantal stabiliseerde en liep zelfs terug onder druk van de enorme toename aan handzamere middelen om de tijd te registreren. Na de uiteenlopende ontwikkelingen van de polshorloges werd het met de digitalisering van de cijferweergave eenvoudig om alle elektronische apparaten uit te rusten met zo’n tijdmelding. Na het digitale horloge werd de wereld veroverd door het mobieltje en de smartphone en het ouderwetse polshorloge werd een smartwatch.  

   De evolutie van het instrument om de tijd te meten weerspiegelt de ontwikkeling van de techniek. Daarbij dient techniek te worden opgevat als het menselijke vermogen om de (levenloze) natuur doelmatig te manipuleren. Als zodanig ontstaat een zichzelf versterkend evolutieproces: de beleving van de tijd die ons gegeven is (van geboorte tot de dood) veroorzaakt een steeds doelmatiger invulling van die tijd. Het is een onvermijdelijke gang van zaken. 

   Met de combinatie van dit mechanisme met ander automaten creëert de mens zijn meester, zijn knecht en zijn erfgenaam in één. Overigens zonder zelf tussen de coulissen te verdwijnen – de mens blijft een rol van betekenis spelen; wij zijn ook nergens zonder de microben – gaan onze technische producten de dromen verwezenlijken die sciencefictionschrijvers onszelf ooit toebedeeld hadden. De werkelijkheid wordt vreemder dan onze stoutste fantasie en de tirannie van de techniek is minder angstaanjagend dan de inspraak van het sentiment.

 

 

Nederlandstalige bronnen:

Douwe Draaisma. Het verborgen raderwerk. Over tijd, machines en bewustzijn. Ambo, Baarn, 1990.

Samuel IJsseling. Tijd en ruimte in de technische wereld:  http://www.ethische-perspectieven.be/viewpic.php?LAN=N&TABLE=EP&ID=737

 

 

 

 

 

 

 

 

SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

 

…alleen dat belachelijke idee over evolutie. Alsof dit stuk niet overtuigend laat zien dat techniek niet uit de lucht komt vallen maar gemaakt wordt. Die krakkemikkige analogie tussen natuur en techniek laat zien dat wetenschap ook maar een mening is. Dan kun je net zo goed in God geloven. Als analogie de kern van ons denken vormt*, snap je gelijk waarom er zo veel eikels…

 

   shitterdeshitterdeshit .. ..

  dat ik een paar geheugenkaarten heb meegenomen kunnen ze toch nooit gemerkt hebben? Ze wisten niet eens wat te beginnen met die informatie over El Instituto, dus wat kan die Hazepad ze schelen? Zouden ze wat meer over hem te weten zijn gekomen? Misschien hebben die klunzen eindelijk door dat daar wat te halen valt. Maar ik laat me de kaas niet van het brood eten. Niet meer. Laten ze eerst maar eens bewijzen dat ik iets verkeerds gedaan heb.

 

    Nou, ik ga even. Tot straks.

 

Douglas Hofstadter & Emmanuel Sander. Analogie. De kern van ons denken. Atlas Contact, 2014.

 

 

El Instituto 2           GODZERK

 

 

Isla San Lorenzo handhaaft een bedenkelijke reputatie als internationale begraafplaats. De stoffelijke resten uit de tijd van de (pre-)Inca's en de Spaanse overheersing wezen al op een vermoedelijke geboortegrond van de overledenen in diverse Zuid Amerikaanse landen (Bolivia, Chili, Columbia, Ecuador en Peru). In de koloniale tijd begroeven Engelse kapers en piraten uit de Lage Landen er hun Europese doden (en ongetwijfeld een paar negers en Chinezen). Tijdens de slag om Callao sneuvelden er nogal wat Spanjaarden. En onlangs is het graf blootgelegd van de Vlaming Theodoor Haase. Een Belg dus.

 

 

Erik Hazepad betreedt het ruime portaal van een majestueus bouwwerk. Hij vermoedt dat het pand tot beschermd stadsgezicht is verklaard en met dien verstande op de monumentenlijst staat. De entree is voor deze buurt nogal onopvallend en wordt zowel buiten als binnen omlijst door steigerwerk. Waaruit hij kan afleiden dat de restauratie nog niet voltooid is. De gehurkte hoboïst onder het grauwe vlonder heeft hem de ingang gewezen. Nadat hij even is blijven luisteren en een munt op het kleedje heeft geworpen. Straatmuzikanten zouden hem altijd blijven ontroeren.

   Als hij zich meldt bij de bejaarde portier (die op een stapel dozen zit; vrijwilliger?), wijst deze met een uitnodigend gebaar naar de hoge zware deuren aan het einde van de hal. Gelukkig hangt daar ook een bordje, met een pijl die wijst naar een bescheiden poortje dat toegang verleent tot het universum erachter.

  De kolossale ruimte herinnert Erik aan de kathedraal die, met de teruglopende belangstelling voor de praktiserende geloofsbelijdenis ter stede, een nieuwe bestemming heeft gekregen. Namelijk het herbergen van een aanzienlijke hoeveelheid oude en moderne epistels, boekwerken en dergelijk cultuurgoed alsmede gedigitaliseerde journaals, microfilms en soortgelijke voortbrengselen van moderne archivering. Het interieur is een smaakvol mengsel van klassieke praal en moderne eenvoud dat op hem een aangename indruk maakt. Verspreid over de ruimte staan lange tafels waaraan enkele tientallen mensen zitten te lezen. Of alleen maar zitten en wat voor zich uitkijken. Aan één zijde is een balie waar men alle soorten lectuur kan aanvragen of terugbrengen en waar ongetwijfeld ook informatie kan worden ingewonnen. Ertegenover is de ruimte uitgebreid met een aanbouw waar een soort gelagkamer is gevestigd.

   De gigantische kroonluchters zijn er vooral om de klassieke sfeer te versterken (en de schoonmakers bezig te houden). Het licht in de zaal is afkomstig van de talrijke soft-line fluorescentie panelen en door de hoge vensters stroomt daglicht naar binnen. Aan de zijde van de aanbouw de pui bestaat uit sitracon waardoor de weelderige binnentuin is te zien en gebruikers van een consumptie de illusie hebben op een terras te zitten. Restauraties van deze monumenten kosten een hoop geld maar hun classicistische stijl is een aangename compensatie van de gladde plaston constructies  die tegenwoordig overal uit de nieuwste bouwprinters verrijzen.

   Nadat hij wat heeft rondgekeken, begeeft Erik zich in de richting van de balie.

   De bibliothecaresse heeft een spraakgebrek.

   Op Eriks vraag hoe hij informatie over een bepaald onderwerp in dit immense cultuurpaleis op een zo efficiënt mogelijke wijze kan vinden, heeft ze een snibbig antwoord klaar. Als ze opkijkt en de donkere jongeman tegenover haar ziet, met zijn zwarte sluike haar en amandelogen achter dikke brillenglazen, wordt ze toegefelijker. Zijn laatdunkende blik herinnert haar aan de afkeer die haar eigen schuchtere ijdelheid bij anderen kan opwekken.  En bovendien, dit was best een lekker ding. Lijkt wel een beetje op dokter Bradford, de jonge dierenarts uit 'Noah's Space Ark'. Wat zal Juul de pest in hebben. Dat ze zo nodig naar het magazijn moest. Met Evert. Eigen schuld, katapult.

   Erik heeft zich ondertussen over de balie gebogen. Er liggen een paar nummers Denksport en Sudoku. Ze houdt haar hersens soepel. Naast haar bejaarde iPod lag ook een 'Flow' en een opengeslagen Donald Duck. Dat zat ze te lezen!

   Vanuit haar ooghoeken is haar iets opgevallen. Wat staat die gozer daar nou? Ze schenkt er vooralsnog geen aandacht aan.

   Erik moet zijn uiterste best doen om haar uitleg te volgen en tegelijkertijd de lauwe douche van rondspattend speeksel te ontduiken. Daardoor merkt hij niet direct dat zijn verrichtingen geamuseerd worden gadegeslagen.

   Enkele meters verderop hangt iemand nonchalant tegen de balie en kijkt meewarig naar Eriks falende pogingen om de gesproken consumptie uit de weg te gaan. Zijn lange leren jas hangt open en aan de fantasierijke kleding die hij eronder draagt, zou een opmerkzame toeschouwer een eigenzinnige geest kunnen toeschrijven. De man trekt echter niemands aandacht want opmerkzame toeschouwers zijn zeldzaam en eigenzinnigheid is – buiten intieme verbintenissen – geen alarmerende eigenschap. Hij trekt zijn gebreide muts wat strakker over zijn grijze haren en maakt aanstalten om op Erik toe te lopen. Als er iets onverwachts gebeurt.

   Erik noteert ondertussen wat hij precies moet doen om de informatie die hij zoekt te kunnen vinden. Voor het Instituut waaraan hij verbonden is, moet hij het een en ander uitzoeken over spirituele stofwisseling en symbiose (of was het andersom?), over de samenhang tussen bepaalde vrije radicalen en iemands geestesgesteldheid. Veel verwacht hij er niet van maar alles moet een kans krijgen, zo is het motto van het Instituut. Via de internetroute heeft hij al heel wat nuttige gegevens over het onderwerp verzameld maar er bestaat een veelvoud aan materiaal dat de elektronische snelweg nooit zal bereiken. Net als bij de televisie: iemand moest het de moeite waard vinden om een groot publiek in te wijden. En wie ging dat betalen?

   De bibliothecaresse hapert.

   Tevergeefs tracht Erik spettertjes op zijn aantekenblaadje te voorkomen, als de vrouw – of is het nog een meisje?/ haar ouwelijke gezicht contrasteert met haar frêle lichaam / hij ziet twee kleine borstjes onder haar strakke vestje / is daar niet ongevoelig voor – kennelijk wordt afgeleid door een onregelmatigheid naast hem. Erik dwingt zichzelf opzij te kijken en ziet een voorovergebogen gestalte in een lange leren jas aan de rand van de balie steun zoeken. Zijn raspende ademhaling en schokkerige bewegingen wekken de indruk dat hij het knap benauwd heeft. Erik doet een paar stappen in zijn richting met de beklemmende verwachting dat hij die gast moet gaan helpen om niet in elkaar te zakken. Hij vermoedt dat het heerschap door een beroerte is getroffen en vraagt zich geërgerd af waarom dat nu net weer in zijn directe omgeving moet gebeuren.

   Tot zijn opluchting blijkt de man echter niet van plan om helemaal onderuit te gaan. Hij blijft overeind en herstelt zelfs na korte tijd. Een beetje beschaamd kijkt hij naar Erik.

   "Hallo, jongen."

   Verbijsterd staart Erik hem aan. Hij trekt wit weg. Hij voelt zijn keel droog worden. Hij wil lachen en huilen tegelijk.

   "Godverdomme!"

   Hij slaat zijn armen om hem heen en drukt zich tegen hem aan. Jarenlang heeft hij zijn vader niet meer gezien, maar dat gezicht, die stem, hij zou ze zijn leven lang niet kunnen vergeten. Zijn kinderlijke genegenheid voor deze onverantwoordelijke flierefluiter is eeuwigdurend en onaantastbaar.

   Met het gezag van de intellectueel die beschikt over voldoende medische kennis lukt het Erik om de inmiddels gearriveerde hulpverleners met een geruststellende opmerking weg te sturen. Het welkome water dat de bibliothecaresse ondertussen heeft ingeschonken, morst zij vanzelfsprekend op Eriks aantekeningen maar dat maakt hem nu niet meer uit.

   "We moeten nodig eens bijpraten." Hij troont zijn vader mee naar de tafeltjes en stoeltjes terzijde van de enorme bibliotheekhal  waar hij voor hen beide een consumptie bestelt.

 

Eriks bekoring voor de wijze waarop gebeurtenissen met elkaar samenhangen, stamt uit zijn kinderjaren.

   Zijn vader wilde niet gestoord worden als hij muziek maakte. Hij bespeelde verschillende blaasinstrumenten en deed hij dat steevast in zijn blootje. Wellicht een rare gewoonte, maar voor Erik was het doodnormaal als zijn vader naakt door het huis liep. Door een ongelukkig voorval in zijn jeugd had Eriks vader een groot deel van zijn geslacht verloren maar Erik vond die micropenis veel leuker dan zijn eigen piemeltje.

    Zelf deed hij ook wel eens al zijn kleren uit, maar dat vond zijn moeder niet goed. Eén nudist in huis was haar genoeg. Zij liep toch ook niet bloot rond? De heer des huizes wilde niet afgeleid worden. Als Erikje wilde spelen, moest hij zichzelf maar vermaken.
   Hoe kon hij zijn vaders aandacht trekken?
   Zijn ouders gooiden nooit snel iets weg en zo ontdekte de jongen een partij ouderwetse gordijnrails die afkomstig was uit het huis van zijn overleden overgrootmoeder en die uitstekend dienst kon doen als rodelbaan voor zijn knikkers. Het denderen van de glazen bolletjes over de metalen rails maakte een hels lawaai. De staven van ongeveer een meter lang hadden een brede goot en als hij ze met behulp van stoelen en kussens in de juiste positie plaatste, kon hij de knikkers omlaag laten rollen. Aan het uiteinde van elke rail vielen ze een stukje naar beneden in de volgende goot en uiteindelijk kwamen ze kletterend in een zak op de grond terecht. De climax kwam toen de zak scheurde en de knikkers zo onverwacht over het zeil rolden dat de kat in de gordijnen vloog en zijn vaders trombone van de vensterbank stuiterde.
   De pracht van die transparante bolletjes, met hun inwendige stralenkrans, rondtollend door mijn lunapark van ijzeren gordijnrails, vol onverwachte tover. Ik zoog op mijn parels, heb er één ingeslikt, nooit meer teruggevonden. Zonde! 'Als een koe in de sloot schijt, gaat de mest verloren, dát is pas zonde', zou mama zeggen. Toch jammer van die toeter, ha, ha.
   Maar Eriks vader had de muziek van zijn zoontje begrepen. De herrie van het kinderspel inspireerde zijn fluitspel waarmee hij Erik zelfs zijn knikkers kon doen vergeten. Elk van de toverballen had hij voorzien van een riedel en de muziek klaterde even vrolijk door het huis als een knikkerval over de traptreden. De rode beukennoot was 'ta-ta-ta-boing', een drietonig akkoord op het mondorgel voor de blauwe spons en de geelgroene spiraal klonk als tierela-tiereli.

   Omgekeerd was ook hij geboeid door de simpele kettingreacties die de bouwsels opwekten. Zo kwam hij op het idee van de mahjong stenen. Ook uit de boedel van opoe.

   Als ma niet thuis was zaten ze samen naakt op de grond de stenen te bewonderen die ze daarna in rijen opstelden, ringen, bamboes, tuinen, sommige afbeeldingen waren zo fantastisch dat Eriks vader de oudhollandsche handleiding moest raadplegen om te weten wat ze voorstelden. Telkens als een rij door een vallende knikker werd getroffen en de stenen achter elkaar omvielen, zette Erik ze onvermoeibaar overeind volgens  de bijzondere rangschikkingen uit het spelregelboekje. Winden en draken, koppen en staarten. Hij blies op zijn speelgoedtrompet en het spel van de hemelsche symphonie werd omlijst door een triomfantelijke notenreeks van zijn vaders klarinet.
   Ze spanden draden van kamer naar kamer waarlangs bakjes gleden, gevuld met knikkers of pingpongballen. Huisraad werd ingeschakeld om de kettingreacties nieuwe impulsen te geven. Ventilatoren en broodroosters, maar ook wc-rollen en suikerklontjes. Muizenvallen. Tuinslang en elektriciteitspijp. Water was onontbeerlijk. De drone spande de kroon, als de bombarde werd aangeblazen. Natuurlijk in D.

   Totdat de muziek buitenshuis steeds meer beslag ging te leggen en pa begon te vervagen.

 

Zijn vader was definitief vertrokken toen Erik elf was. De jaren daarvoor bleef hij telkens langer van huis. Erik kon destijds niet precies weten waarom papa er niet was. Naarmate hij ouder werd, had zijn moeder af en toe een paar sluiertipjes gelicht. Met zijn minifluitje had hij haar betoverd en ze hielden allebei van hém, maar als papa de deur uit was – en dat kon soms weken duren – was hij met vrienden op stap. Muziek was zijn lust en zijn leven en dat moesten zij, Erik en mama dus, respecteren. En nu was hij doorgebroken, zoals dat heette, wat dat ook mocht betekenen.
   Zo woonde Erik het grootste deel van zijn jeugd alleen met zijn moeder. Zij was belast met zijn opvoeding. Ze betreurde het dat hij zijn vader miste en het verontrustte haar dat hij zijn tijd grotendeels in zelfgezochte eenzaamheid doorbracht.
   Maar haar bezorgdheid was onnodig. Erik vond het niet erg om alleen te zijn. Hij las graag. Hij was gek op muziek, niet alleen om naar te luisteren maar ook om zelf te maken. Van zijn vader had hij een gitaar gekregen waarop hij uren achtereen kon spelen. Totdat het eeuwig herhaalde getokkel zijn moeder begon te vervelen. Dan legde hij het instrument weg en ging verder met lezen. Of hij vertrouwde zijn overpeinzingen toe aan een soort dagboek. Daarin schreef hij ook de liedjes die hij bedacht en tekende ontwerpen voor nieuwe ketens van kabelbanen en knikkerrails. Om te bouwen als zijn vader weer thuis kwam.
   Hij verlangde soms naar vroeger. Maar bedacht dan dat hij toen maar een onnozel aapje was. Op school had hij leren lezen en rekenen en spelen met computers en ontdekt hoe de wereld in elkaar zat. Dat was toch veel spannender dan een reis om de wereld in de huiskamer. Alleen zijn knikkers bleef hij trouw.
   Zijn moeder liet doorschemeren dat pa een losbandig leven leidde. Misschien ging hij zelfs vreemd. Tegenover zijn klasgenootjes praatte Erik nooit over thuis. Als het niet anders kon, vertelde hij dat zijn vader op zee zat, bij de koopvaardij, op de grote vaart, wat dan ook dat hem op zo'n moment geloofwaardig leek. Jongens zonder vader werden gepest en hij wilde in de eerste plaats met rust worden gelaten.

   Terwijl de jaren verstreken, raakten moeder en zoon steeds meer gewoon aan het zwervend bestaan van de liefhebbende echtgenoot die vroeger zo leuk met zijn zoontje kon spelen. Maar het beeld dat Erik van zijn vader had veranderde wel. Als  puber begon hij zijn vader steeds meer een stumper te vinden die de verantwoordelijkheid voor zijn gezin niet aankon, een grote egoïst die alleen maar aan zichzelf dacht, een onvolwassen klootzak. Dan merkte hij dat zijn moeder er anders tegenaan keek. Zij toonde meer berusting dan híj kon opbrengen. Niet zozeer omdat ze hem vergeven had, maar ze leek hem wel beter te begrijpen. Het was duidelijk: ze hield nog steeds heel veel van hem.

   Onderweg naar volwassenheid werd ook Erik steeds milder in zijn oordeel: zijn vader was zijn vader was zijn vader. Want al wist hij nog steeds niet wie zijn vader precies was, hij had inmiddels wel geleerd dat iemand die er niet is je ook niet kan verlaten.

 

En nu zit hij hier tegenover hem, met een kopje koffie. Erik heeft zelf een biertje genomen en terwijl hij in het schuim hapt, vertelt zijn vader hem dat hij zijn vader níét is.

   "Ik heb liedjes voor je gemaakt en je handje vastgehouden als je niet lekker was. Ik heb verhaaltjes verteld en op mijn fluit gespeeld voor je slapen ging. Ik heb zelfs je luiers verschoond. Maar ik heb je niet verwekt. Ik was niet bij je geboorte. Ik ben niet je echte vader."

   Erik zit nog steeds met zijn lippen in het schuim. Met zijn mond vol tanden. Hoe te reageren?

   "Is dat waarom je bent weggegaan? Heb je ons daarom laten zitten?" Hij voelt woede, teleurstelling, verdriet, haat, strijden om een eerste plaats. Nu laat hij mij alsnog in de steek!

   "Nee Erik, zo zit het niet. Als ik je echte vader was geweest, zou ik ook zijn weggegaan. Zo zit ik nou eenmaal in elkaar. En ik kán helemaal geen kinderen verwekken."

   Er zit een donkerrode vlek in het parelwitte tafelkleedje. Bessensap? Waarom valt hem zoiets banaals ineens op? Het terras is vrijwel leeg, net als zijn glas. Verderop zit een jong stel. Personeel is nergens te bekennen. Als hij nog een biertje wil, moet hij het zelf gaan halen.

   "Waarom ben je teruggekomen? Waarom ben je hier? Waarom vertel je me dit? En wat was dat voor een rare aanval, daarnet? Ben je ziek?" Nieuwsgierigheid heeft het uiteindelijk gewonnen. Zijn vader was tenslotte niet zomaar iemand (welke vader is zomaar iemand in de ogen van zijn zoon?). Hij herinnert zich de virtuoze fluitspeler. Zijn vader kon met verschillende blaasinstrumenten de wonderlijkste klanken ten gehore brengen. Soms presteerde hij het om uit meerdere pijpen tegelijk schelle falsetten te persen. Hij kon zijn ademtocht in acrobatische wervelingen tot kronkelende riedels blazen en met zachte stootjes fluisterende tonen tot een gierend gekrijs laten aanzwellen. Maar waar hij zijn vader altijd het meest om bewonderd had, waren de taferelen die hij destijds met zijn muziek kon oproepen. Toen Erik nog een peuter was, blies zijn vader hem met een eenvoudig deuntje in slaap. Toen de wereld uitdagender werd en hij zich begon af te vragen waarom de hemel blauw is, werden de muzikale voorstellingen ingewikkelder en nam de betovering toe. Avond aan avond smeekte Erik of zijn vader weer een nieuw klanktapijt wilde weven en zijn vader weigerde nooit.

   "Flierefluiten is alles wat ik kan. Nee, laat me uitpraten. Ik ben een goede muzikant, dat weet ik. Maar ik verslik me teveel (vandaar die aanval)".

   Zijn vader schuift hem een zak knikkers toe. Nadat hij er eentje heeft uitgenomen en in zijn mond heeft gestopt.

   Erik staart naar de knikkers.

   Met volle mond vervolgt zijn vader:

   "Ben nen onvolwasn losbol. Das nen smetlijke andoening. Ben hier omme van tovertuigen da'k jou nooit heb anstoken. Zie da'k je kwetst heb. Spijt me, das nie de doeling."

   Erik Hazepad staart zijn vader aan. Hij houdt van deze man uit zijn kinderjaren. Dat zal nooit veranderen. Wel voelt hij zich wat ontheemd maar de man tegenover hem heeft nog steeds zijn volste vertrouwen. Ergens op de wereld bestaan onbekende mensen met wie hij inniger verwant is dan met deze sympathieke schuinsmarcheerder. Hij hoeft ze niet te kennen.

   Kinderen, zo meent Erik, die het resultaat zijn van kunstmatige inseminatie vanwege de ongeschiktheid van hun vaders zaad, zoeken niet zelden de publiciteit in de hoop dat ze daarmee hun biologische pa zullen ontmoeten. Wat hopen ze daar eigenlijk mee te bereiken? Dat zo'n wildvreemde man ineens zielsveel van hen gaat houden? Hij heeft het cynische vermoeden dat ze heimelijk hopen op een verbetering van hun maatschappelijke positie. En is hoop niet het krijtwitte kind dat lacht tegen het monster dat het slacht? Hij kent zijn Achterberg. Evenals de Bijbel: bloedverwantschap is geen enkele garantie voor een liefdevolle relatie.

   Hij is dus eigenlijk geen Hazepad, maar wat is hij dan wel? Ach, wat maakt het uit, door een andere naam wordt hij geen ander mens, hij blijft voor altijd dezelfde. En zijn vader blijft zijn vader.

   Maar die is nog niet klaar.

   "Ik betwijfel of je moeder het je verteld heeft, maar we hebben je destijds geadopteerd. Ook je moeder is je echte moeder niet. Daarom zie je er zo… anders uit."

 

Erik is niet in de traditie van een of ander geloof opgevoed. Er werd thuis niet gebeden, er hingen geen religieuze afbeeldingen aan de muur, zijn schoolkeuze was vrij geweest. Eriks ouders – nou ja, zijn pleegouders – bezochten alleen op uitstapjes wel eens een kerk, vanwege de historische architectuur.

   Hij vraagt zich nu wel af hoe dat met zijn echte ouders zit. En of dat wat uitmaakt. Als zijn echte ouders in een God geloven, is dat in elk geval niet erfelijk. En als ze net zo sceptisch zijn als hij, zullen ze wel een goede reden gehad hebben om hem af te staan. In beide gevallen voelt hij geen enkele aandrang om naar hen op zoek te gaan.

   De meeste planten en dieren hebben hun succes niet zozeer te danken aan concurrentie tussen soortgenoten, zoals halsstarrige Darwinisten beweren, maar aan hun symbiotische samenwerking met andere soorten. Bloedverwantschap? Ze konden de pot op!

   Maatschappelijke ideeën over nageslacht worden volgens Erik cultureel bepaald maar door welke factoren is hem niet bekend. Er bestaan wereldwijd aanwijzingen voor rituelen ter verhoging van de vruchtbaarheid, zoals de talloze megalithische Venusbeeldjes en reuzenfallussen. Terwijl kleitabletten van ver voor onze jaartelling al melding maakten van de eventuele wenselijkheid van adoptie. In de Codex Hammurabi uit de 18e eeuw v. Chr. waren allerlei regels opgenomen om een nageslacht te garanderen. Ook in de Romeinse hoogtijdagen was adoptie eerder een blijk van waardering dan van medelijden, zoals nu nog vaak het geval is. Nog steeds voelen veel mensen zich minderwaardig, zo meent Erik, als ze tot de ontdekking komen dat ze zijn geadopteerd. Ze gaan naarstig op zoek naar hun biologische ouders alsof ze het gevoel hebben dat ze hun identiteit hebben verloren met het besef van hun adoptie.

   Hij heeft daar geen last van, hem maakt het niets uit. Maar raar is het wel. Hij moet er nog wel aan wennen, aan het idee … hij begrijpt nu beter … … hoe alles samenhangt.

De bibliothecaresse heeft het begrepen.

   Als Erik zich de volgende dag weer bij de balie meldt, heeft zij een lijstje met aanwijzingen voor hem. Eriks vragen van de vorige dag hebben haar duidelijk gemaakt wat hij wil weten. Namelijk, hoe hij bepaalde informatie kan vinden en om welke informatie het gaat. Daarom heeft ze het technische stappenplan uitgebreid met enkele suggesties. Daarvoor moest ze wel eerst enige aarzeling overwinnen. Getuigde het niet te veel van erudiete zelfingenomenheid? Waar bemoeide ze zich eigenlijk mee? Maar hij heeft indruk op haar gemaakt, door de barmhartigheid waarmee hij zich over die schooier had ontfermd (ook al was het zijn vader) en vooral door het onderwerp van zijn zoektocht.

   Haar overweldigende boekenkennis heeft haar geleerd dat er tijdens het leven op aarde een aantal gebeurtenissen heeft plaatsgevonden waarmee de Christelijke ziel geen raad weet. Volgens sommige overleveringen werd de wereld vroeger bevolkt door vele goden die veel macht hadden en de dienst uitmaakten. Andere geschriften spraken van één god die alle andere verenigde, alle afzonderlijke goden kwamen daar tot uitdrukking in de Ene. Onzichtbare levende wezens werden in de oude geschriften nooit genoemd maar een paar honderd jaar geleden werden ze met de uitvinding van het vergrootglas wel ontdekt. Talloos waren ze, net als de goden eertijds. Spirituele symbiose? Moderne naturalisten meenden dat alle planten en dieren waren opgebouwd uit die minuscule wezentjes die een eenheid vormden door hun bijzonder innige samenwerking. Zouden individuele mensen ooit zo'n innige samenwerking aangaan… Was de Ene eigenlijk niets anders dan een profetie…?

   Terwijl ze Erik het lijstje overhandigt, lispelt ze:

   "In Gods werk staat beschreven hoe de liefde tussen vader en zoon de wereld verenigt."

   Maar Erik verstaat:

   "Ne godzerk staatscheven oeliefdis sussen vadersoon dwere Enigt". Het roept een beeld op van een slecht onderhouden kerkhof met scheefgezakte grafmonumenten. Nadat hij een bezorgde blik op de missive heeft geworpen en tot zijn geruststelling constateert dat het leesbaar is, bedankt hij haar vluchtig en verlaat haastig de balie.

   De bibliothecaresse kijkt hem wat teleurgesteld maar hoopvol na. Ze ziet dat hij het papier aandachtig bestudeert, een blik om zich heen werpt en vervolgens in de richting van het elektronisch archief loopt. Ze is ervan overtuigd dat haar eigen toevoegingen hem niet zullen ontgaan. Zoals haar verwijzingen naar de taalfilosoof Lazar Gulkowitsch vanwege diens aandacht voor de geschiedenis van ideeën van zowel rationele als mystieke oorsprong. Eriks oog valt op haar aantekening over de interpretatie van het goddelijke volgens de hermetische kabbala en wrevelig vraagt hij zich af wat hij hier mee aan moet. Uiteindelijk besluit hij geen enkele aanwijzing te negeren. Hij volgt immers een zoektocht die velen vóór hem hebben gevolgd en hij dient elke mogelijkheid, hoe grensverleggend ook, onbevangen te onderzoeken.

 

Het Instituut is een spookorganisatie.

   Het wereldwijde netwerk staat in geen elke land officieel geregistreerd. Geen architectonische blikvangers met schreeuwende billboards en helihavens voor de grote jongens, nergens een onopvallende pand in de oude binnenstad met een nietszeggende toegangspoort waarachter het geheimzinnige genootschap schuilgaat. Geen bulletins, geen beeldkenmerk, zelfs geen internetadres. Het elektronische web werd al gebruikt toen het alleen nog beschikbaar was voor lineaire contacten tussen de grote kenniscentra en lieden die er toe deden (een halve eeuw geleden) maar tegenwoordig hanteert men voor de interne communicatie uitsluitend atomaire lokalisering en voor de uitwisseling van 'spook'-verhalen  worden intelligente zwermen gebruikt.

   Het Instituut is een denktank waarvan de knappe bollen worden voorgedragen door kenniscentra zoals universiteiten en onderzoeksinstellingen. De kandidaten worden aan de hand van een of meer onderzoeksopdrachten beoordeeld door een team van ongeveer vijftig personen. Daarbij gaat het niet om de juistheid van het resultaat maar om de wijze van aanpak en de inbreng van grensverleggende aspecten.

   Over de nominatie kan men in een handleiding voor decanen uit de jaren twintig van de vorige eeuw het volgende lezen: 

   Zooals nu de verhoudingen zijn, gaan tienduizenden van het volk te gronde, in betrekkingen, voor welke zij te goed zijn en duizenden nemen posities in, die zij alleen te danken hebben aan maatschappelijke verhoudingen, maar niet aan hun verstand of prestatie. Het is Uw plicht om bijzonder begaafden, die vanwege maatschappelijke verhoudingen niet vooruit kunnen komen, te helpen en op die wijze aan het geheele volk dienstbaar te maken.(…) Is het niet eveneens Uw taak, om waar U slechts kunt, het daarheen te leiden, dat de leuze: "Vrij baan voor den bekwame" tot een gewoonte wordt in het maatschappelijk leven? 

   De organisatiestructuur van het Instituut is zo plat als een dubbeltje. Al lang geleden werd overeengekomen om elke vorm van hiërarchie tot een minimum te beperken. Binnen afzonderlijke units van circa vijftig mensen circuleert de functie van contactpersoon die informatie uitwisselt met vertegenwoordigers van een stuk of vijftig andere teams (ca. 2500 mensen). En van die vijftig vertegenwoordigers is er afwisselend weer één afgevaardigde die contact onderhoudt met overeenkomstige  afgevaardigden (die vertegenwoordigen dan ca. 125 000 mensen). Enzovoort. Er worden geen beslissingen van bovenaf opgelegd, er wordt slechts geïnventariseerd waaraan behoefte is. Als de meningen uiteenlopen, wordt elke optie onderzocht want elke insteek, hoe onorthodox ook, verdient een beoordeling.

 

Het verwondert Erik geenszins dat de voornaamste doelstellingen van het Instituut, het ontdekken en ontwikkelen van nieuwe ideeën en technieken, investeerders aanspreekt. Die hopen immers dat het geldverslindende onderzoek ooit de innovaties zal opleveren waarmee ze hun geld dubbel en dwars terugverdienen. Minder waardering heeft hij voor verwijzingen in de richting van 'vrede op aarde bij mensen van het welbehagen'. Van Wiens welbehagen? Waarom niet onvoorwaardelijk voor álle mensen? De naïeve verwachting dat de wereldvrede naderbij komt mits de menselijke attitude zich onderwerpt aan een hoger wezen, bevreemdt en irriteert hem.

   Maar hebben invloedrijke kerken, moskeeën en synagogen niet altijd hetzelfde morele streven gehad? Was hijzelf niet de naïeveling?

   Godsdienstoorlogen hebben heel wat mensenlevens geëist maar dat heeft mensen nooit van religie doen afkeren. Zelfs als ze daar economisch niet beter van werden.

   Vanuit dat perspectief is het Instituut eigenlijk een soort atheïstisch Godshuis.

 

Zoals met alles gelooft Erik dat ook zijn eigen lot wordt bepaald door gebeurtenissen in het verleden. Hij heeft de vrijheid om zich ertegen te verzetten (hij gelooft niet in determinatie van hogerhand) maar hij koestert zijn wens om een radertje te zijn in de wereldgeschiedenis. Dat geeft zijn leven zin. Evenals zijn werk voor het Instituut.

   Hij is er inmiddels achter dat het Instituut waarschijnlijk in Peru is gesticht. Zakenlui die schatrijk waren geworden met de exploitatie van spoorwegen, zilvermijnen en vogelpoep hadden, mogelijk uit een soort atheïstisch schuldbesef, het Instituut opgericht door met grote sommen geld filantropische initiatieven mogelijk te maken. Van grote invloed was wellicht de persoonlijke steun van Charley Flint, grondlegger van het Amerikaanse IBM en bijgenaamd 'vader van de kartelvorming'.  

   Er gaan geruchten dat de kiem voor het Instituut al eerder werd gelegd. Een Vlaamse rederszoon zou na een verbazingwekkende reis door de wildernis in de buurt van Callao zijn neergestreken en daar de richtlijnen voor een ideële organisatie hebben ontwikkeld. Een bewering die is terug te vinden in de dagboeken van Margaret Meiggs – lid van de beroemde spoorwegfamilie  – die de ideeën van Haase nieuw leven inblies. De talentvolle en charismatische Vlaming was bijna twee eeuwen daarvoor naar Zuid Amerika gekomen als disgenoot en commercieel adviseur van Pieter Jacobz, kapitein van het galjoen Conceptión. Dat staat althans in het teruggevonden logboek, maar maritiem geschiedkundigen zijn het erover eens dat Jacobz niet bijster betrouwbaar was en bovendien teveel dronk. Uit de documenten kan worden opgemaakt dat Haase de Atlantische Oceaan wilde oversteken en dat Jacobz hem een baan aanbood.

   Voor Erik is het wederom een bevestiging van zijn geloof in de coherente loop der gebeurtenissen: zijn huidige onderzoek naar 'spirituele symbiose en stofwisseling' is het gevolg van een spirituele symbiose die een paar honderd jaar geleden plaatsvond.

 

Wat de stofwisseling betreft, tast hij nog in het duister. Moet hij het zoeken in de opname van stoffen en hun wisselwerking met lichaamsstoffen? Of gaat het om de cirkelgang van leven en dood?

   Nieuwsgierig opent hij de knikkerzak die zijn vader hem gegeven heeft.

   Tot ergernis van zijn moeder stak hij die harde glazen bolletjes vroeger ook al in zijn mond. Ooit had hij er zelfs eentje doorgeslikt. Maar die kwam er ongeschonden weer uit. In zijn poep.

   Déze knikkers wekken een minder solide indruk. Was dit snoepgoed eetbaar?

   Hij steekt er eentje in zijn mond. Zuigt erop. Slikt hem door (niet geschoten is altijd mis).

 

Af en toe ontwaart hij oplichtende sluiers. In hallucinerende kleuren. Zijn gedachten gaan nog steeds uit naar een universeel soort metabolisme. Had niet elk stofje in hemzelf ooit eerder in een ander wezen gezeten? Was niet elk atoom op aarde ooit een stukje sterrenstof?

   Hij voelt zich een grafschenner zonder spade. Wroetend in de aarde. Met blote handen. Waren er antwoorden op vragen vóór ze gesteld werden? Bestond muziek als niemand die hoorde? Was er een God als niemand geloofde?

   Ineens heeft hij een visioen dat hem vaag herinnert aan iets dat nog komen moet of al geweest is, welke van de twee is niet duidelijk: een kale Indiër in uitgaanstenue (maar met witte gympen aan) reikt hem een knikker aan onder het uitspreken van de onbegrijpelijke woorden:

   "Ne godzerk staatscheven oeliefdis sussen vadersoon dwere Enigt."

  

 

 

 

 

 Halverwege de eerste helft van de 21e eeuw, loopt het geduld van Erik Hazepad ten einde. Of beter gezegd, is zijn nieuwsgierigheid onbedwingbaar groot geworden.

   Erik Hazepad zit voorovergebogen aan zijn bureau in de ruime kamer die hij deelt met een aantal andere medewerkers van L Instituto. Vanochtend hebben ze met elkaar afgesproken dat dingen, universalia, niet langer bepaald mogen zijn. Ze mogen wel aanwijsbaar zijn. Het gaat te ver als iets niet meer geduid kan worden. Maar de werkelijkheid bestaat niet, hooguit een werkelijkheid.

   Als het buiten donker begint te worden – in februari gaat de zon hier vroeg onder – besluit hij dat het tijd wordt om naar huis te gaan. Hij barst van de koppijn en voelt zich gefrustreerd door een weinig inspirerende werkdag.

   Onderweg naar de uitgang – hij heeft zijn oude regenjas aangetrokken; er zit onweer in de lucht – krijgt hij plotseling een inval en keert op zijn schreden terug. Als hij zijn kamer weer binnengaat laat hij de deur open staan. Hij haalt iets uit zijn jaszak – een sleuteltje – en opent een la van zijn bureau. Na het doorwoelen van de inhoud heeft hij gevonden wat hij zocht: zijn ergotamine inhaler. Die la moet ik nodig eens opruimen. Dan valt zijn oog op de knikker. Hij lijkt zijn adem in te houden als hij met een glazige blik naar het bonte balletje staart. Kennelijk uit het doosje gerold. Toeval?

   Hij pakt het en likt er aan. Dan slikt hij het in alsof het gaat om een kwestie van leven of dood.

   Zo lijkt het althans in de ogen van de engel die vanuit de gang zijn gedoe gadeslaat.

   Wat zal hij doen? Alsnog naar huis of nu toch maar blijven? Aarzelend loopt hij zijn kamer uit, wankelt alsof iets hem terugduwt, ploft neer achter zijn bureau en start de computer. Hij moest iets opzoeken maar weet niet meer wat. Eventjes niks. Hij vlijt zijn hoofd op zijn armen. 

 

 

 

 

   

                                      

 

 

 

 

ASTRONOMISCHE KLOK

Schepping en oerknal

 

 

Kinderen hebben soms de neiging om van alles te willen weten van de wereld om ons heen. En welke ouder waagt het om de schouders op te halen als kindlief vraagt waarom de hemel blauw is?

    "Omdat blauw de lievelingskleur is van God. En God woont in de hemel". Toch? Want je weet ook niet alles.

    Waterdruppels in de lucht breken het witte zonlicht waardoor de bonte regenboog ontstaat. De lucht zelf, de zuurstof en stikstof moleculen, kaatsen het blauwe licht veel vaker naar de aarde dan het rode. Vandaar die blauwe lucht.

   Kinderen worden groot en krijgen zelf kinderen met dezelfde kinderlijke vraagjes waar je het antwoord niet op weet: "Omdat blauw de lievelingskleur is van God. En God woont in de hemel". Zonder twijfel. Geloven doe je onvoorwaardelijk.

   Twijfel is de hoeksteen van het wetenschappelijk denken. Daarom kan wetenschap nooit zekerheid bieden. Vol ongeloof vragen de volgelingen van de wetenschappelijke methode zich af hoe iemand zo zeker kan zijn van een voorbestemming, een hiernamaals, een hoger wezen. Weinig mensen beseffen dat onverwacht opduikende kwaliteiten symptomatisch zijn voor de complexe wereld om ons heen. Zou het toeval zijn dat de moderne voorstelling van een groeiend universum de vorm heeft van een klok, een kerkklok wel te verstaan?

  

Overal ter wereld luiden de kerkklokken, rinkelen de belletjes, zingen de geloofsgetuigen, galmen de orgelpijpen, roffelen de strakgespannen varkensblazen. Met muziek getuigt de mens van zijn geloof.

   Geloof zit in het bloed. Geloof is een gevoel dat zich verspreid door het hele lichaam. Geloven doe je met je hart. Of, in de woorden van Augustinus van Hippo, "Qui cantat, bis orat" (wie zingt, bidt dubbel). En in het gebed wordt God geloofd. Ter meerdere glorie van deze God wordt het heelal aan Hem toegeschreven, inclusief het ontstaan ervan, de Schepping.

   Niet iedereen kan zich vinden in deze opvatting. De 'ongelovigen' volgen een naturalistische benadering die wordt beredeneerd door het verstand, het brein, zenuwcentrum van onze kennis. Waar correlaties aanleiding zijn voor menig mystiek wereldbeeld, dient ware kennis te voldoen aan duidelijke verbanden tussen oorzaak en gevolg, aldus de moderne wetenschapper. In wetenschappelijke zin heeft de natuur zichzelf geschapen en is de ontstaansgeschiedenis van het heelal een heel ander verhaal dan bijvoorbeeld het Bijbelse Genesis of de hindoestaanse Surya mythe. 

 

De Rooms-Katholieke priester George Lemaître getuigde dat geloof en wetenschap hand in hand konden gaan. Hij vermoedde dat de waargenomen roodverschuiving in verre sterrenstelsels werd veroorzaakt door het dopplereffect van zich snel verwijderende lichtbronnen. Rond 1930 presenteerde hij het concept van een uitdijend heelal. En wat groter wordt moet ook ooit klein geweest zijn. De "Big Bang" was geboren. Zijn theorie vertoonde een opvallende gelijkenis met dat andere wonder, namelijk de conceptie. En het postulaat van de oerknal was een wetenschappelijke bevestiging van de Schepping.

   Dat een toenemende afstand tussen ons en verre sterrenstelsels evengoed kon komen doordat juist wij ons verwijderen, alsof we via het afvoerputje uit ons heelal wegstromen, heeft natuurlijk nooit iemand echt aangesproken. Wellicht was het oude idee van 'steady state'toch juist, tenslotte is volgens de huidige wetenschappelijke opvatting meer dan 95% van het heelal nog steeds een raadsel. Wellicht waren onveranderlijkheid en inflatie alleen maar twee verschillende manieren om hetzelfde fenomeen te beschrijven; het zou niet de eerste keer zijn dat fysische modellen elkaar lijken tegen te spreken. De big bang theorie verwierf echter, mede door de bespottelijke naam, een onaantastbare populariteit. Ook onder kosmologen. En misschien toch wel terecht.

   Paus Johannes Paulus II gaf in 1988 schriftelijk te kennen dat theologische en wetenschappelijke opvattingen over het ontstaan van het heelal elkaar niet hoeven uit te sluiten. Zolang het moment van de schepping maar met rust werd gelaten. De verklaring leek vooral te zijn ingegeven door de vrees van het Vaticaan dat de ontrafeling van de eerste minuten van de oerknal wel eens onomstotelijk zou kunnen aantonen dat God een pleonasme is. Maar zijn boodschap had een averechtse uitwerking. De tweespalt tussen God en Oerknal werd alleen maar groter en 'wie niet gelooft moet wel atheïst zijn'.

In de 21e eeuw bestaat er onder exacte wetenschappers nauwelijks twijfel over het ontstaan van materie en krachten tijdens die eerste momenten van de oerknal:

 

Volgens het standaardmodel van de kernfysica kunnen alle ingrediënten van het atoom beschreven worden als deeltjes, namelijk materie deeltjes en krachtvoerende deeltjes. De eigenschappen die deeltjes worden toegekend zijn massa, lading en spin. Massa wordt ontleend aan het zogenaamde Higgs-veld waarmee het gehele universum is gevuld. Het wordt gevormd door Higgs-deeltjes die alleen lading hebben en zorgen voor de zwakke wisselwerking waarmee radioactiviteit wordt verklaard. Lading is het gevolg van een soort interne wisselwerking en spin kan worden opgevat als een soort tollen om de eigen as. Van materiedeeltjes zoals quarks en elektronen kan de spin worden aangeduid met een veelvoud van ½ (halftallige spin) en krachtvoerende deeltjes hebben een heeltallige spin (het gaat om quantumgetallen en de wiskundige achtergrond voert hier te ver). De bekendste krachtvoerende deeltjes (bosonen) zijn de massaloze gluonen die zorgen voor de sterke kernkracht en de fotonen die de elektromagnetische kracht verzorgen. Fotonen hebben evenmin massa en worden ook wel lichtdeeltjes genoemd. Massaloze deeltjes bewegen zich met de lichtsnelheid en hebben daarom altijd een spin loodrecht op hun voortbeweging (als je de deeltjes voorstelt als een bolletje zou in andere gevallen het oppervlak een grotere snelheid kunnen krijgen dan de maximaal toegestane). Daarnaast zijn er veel instabiele deeltjes die slechts een fractie van een ogenblik bestaan en spontaan verdwijnen. Het verval van dergelijke deeltjes is een statistisch proces en de levensduur kan daarom alleen als een gemiddelde waarde worden weergegeven.


Vanaf het begin dat het jonge heelal gevuld was met een hete brij (quark-gluonplasma) volgden er een stuk of zeven fase-transities die een tijdsduur hadden van aanvankelijk een fractie van een seconde tot uiteindelijk vele duizenden jaren. Bij elk van deze transities ontstonden emergente eigenschappen: elke nieuwe fase beschikte over kenmerken die eerder nog afwezig waren. Quarks en elektronen werden ware elementaire materiedeeltjes en konden daarom gelijkgesteld worden aan de eigenschappen die hen tegenwoordig worden toegekend. Door hun veelvoudige combinaties in de vorm van atomen kon daarna een groot aantal emergente eigenschappen worden gegenereerd, eigenschappen die zonder die combinaties eenvoudig niet zouden hebben bestaan.

 

Door de inflatietheorie en het standaardmodel te combineren heeft men een reconstructie gemaakt van het ontstaan van het universum. Direct na het aanvankelijke zeer snelle uitdijen, ongeveer 13,7 miljard jaar geleden, vonden er achtereenvolgens een aantal zogenaamde fase-transities plaats die een beetje vergelijkbaar zijn met aggregatie overgangen zoals condensatie en ijsvorming. Tijdens het afkoelen van het quark-gluonplasma waarmee het heelal gevuld was, ontstonden grote aantallen instabiele deeltjes en nadat deze verdwenen, werd het jonge heelal gedomineerd door een plasma van protonen, neutronen, elektronen en fotonen. Een deel van de protonen en alle neutronen fuseerden tot deuteriumkernen (één proton en één neutron) en tot heliumkernen (twee protonen en twee neutronen). Na nog verdere afkoeling werden de elektronen ingevangen door de positieve kernen en ontstonden de neutrale atomen, vooral van waterstof. Ondertussen was de interactie tussen de materiedeeltjes en fotonen zodanig afgenomen dat deze laatsten zich vrij konden bewegen in de vorm van licht (en andere elektromagnetische straling).

 

Door hun onderlinge aantrekkingskracht (gravitatie) klonterden elementaire deeltjes samen en vormden na vele jaren hemellichamen met zelf weer nieuwe emergente eigenschappen. De grote aantrekkingskracht en straling van een ster kwam pas tot stand als een zeer groot aantal waterstofatomen accreteerden.

   De combinaties van verschillende atomen zoals we die tegenwoordig op aarde kennen, tonen nog overtuigender het ontstaan van emergente eigenschappen aan. De eigenschappen van water zijn volslagen anders dan die van waterstof en zuurstof waaruit het is opgebouwd en dat keukenzout eigenlijk bestaat uit het metaal natrium en het giftige chloorgas is ook het gevolg van emergentie door samenvoeging.

 

Volgens het onzekerheidsprincipe uit de kwantummechanica waren de oorspronkelijke materiedeeltjes niet volledig homogeen over de uitdijende ruimte verdeeld en ontstonden er verdichtingen. Door gravitatie- en vanderwaalskrachten trokken deeltjes elkaar aan en die aantrekking werd groter naarmate er meer samenklonterden. Na vele miljoenen jaren ontstonden op deze wijze talrijke sterrenstelsels. Elke ster was (is) niets anders dan een samenklontering van waterstofatomen die, door de enorme druk die door de onderlinge aantrekking ontstond, samensmolten tot heliumatomen. Bij deze kernfusies ontstonden na verloop van tijd ook grotere atomen en niet zelden ontploften oudere sterren, wat tot gevolg had dat nieuwe elementen de ruimte in werden geslingerd. Deze grotere atomen werden samen met al bestaande atomen in stofwolken opgenomen en verbonden zich ook onderling tot moleculen. Bij het ontstaan van nieuwe sterren door de onderlinge aantrekking van waterstofatomen werden ook deze stofwolken betrokken. Door de verdere afkoeling van het universum en de grotere massa van de nieuw gevormde atomen en moleculen klonterden deze samen tot planeten rondom de ster. Dit proces vond en vindt steeds opnieuw plaats.

 

Niemand weet precies wat er 3½ miljard jaar geleden op aarde gebeurd is maar in de lijn van eerdere ontwikkelingen mag worden verondersteld dat de combinatie van verschillende moleculen heeft geleid tot een volgend stadium van emergentie. Het proces wordt abiogenese genoemd. Sommige moleculen vormden door meervoudige polarisatie een soort blaasjes, te vergelijken met schuimvorming. Andere moleculen werden overgedragen van de ene op de andere verbinding waarbij energie werd gegenereerd, te vergelijken met verbranding. Weer andere moleculen maakten deel uit van cyclische auto-katalytische processen. Dat zijn chemische processen die zichzelf in stand houden en waarvan het eindproduct dezelfde verbinding is waarmee het proces begon.


Eerder is betoogd dat de oerknal eigenlijk een alternatieve schepping is. Aanhangers van de big bang theorie zullen geen principiële bezwaren koesteren tegen de aanwezigheid van een God die af en toe als Schepper kan fungeren. Dat verklaart de hardnekkigheid waarmee sommige wetenschappers vasthouden aan concepten als Intelligente Ontwerper of zichzelf theïstisch evolutionist noemen. De ware atheïst zal zichzelf meer herkennen in het universum van Stephen Hawking, dat onbegrensd is, zonder echt begin of einde. Het reductionistische idee dat alles verklaard zou kunnen worden met één God vereist wel een héél toegewijde vroomheid. En dat alles een oorzaak moet hebben, is door de onzekerheidsrelatie van Heisenberg allang achterhaald.

   Waarom de meeste mensen, wetenschappers incluis, niet in staat zijn het bestaan van een god af te wijzen, kan verschillende gronden hebben. Als kind zijn zij vaak groot gebracht door liefhebbende ouders in de geborgenheid van het geloof. Het alternatief van een heelal zonder begin spreekt de meesten niet aan en de erkenning dat zoveel grote geesten uit het verleden (Aristoteles, Thomas van Aquino, Ibn Sina) het fout hadden, is eenvoudig onaanvaardbaar. Maar het grootste bezwaar dat ze tegen atheïsme hebben, is hun overtuiging dat haar aanhangers amoreel zouden zijn: de atheïst die een pact met de duivel onderhoudt, sinds de heksenvervolging is er weinig veranderd. Godvrezende kosmologen hebben niet zo veel moeite met de gedachte dat bij de allereerste kwantum transitie het heelal 'uit het niets' tevoorschijn is gekomen. Het is wel diep treurig als daar uit geconcludeerd wordt dat het heelal geen betekenis heeft en ons bestaan zinloos is.

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Theo de Boer & Ger Groot: Religie zonder God. Sjibbolet, 2013

Francis Collins: De Taal van God. Ten Have, 2006

Richard Dawkins: Een Regenboog Ontrafelen. Contact, 2009

Daniel Dennett: De Betovering van het Geloof. Contact, 2006

Brian Greene: De Ontrafeling van de Kosmos. Scala, 2011

Gerard 't Hooft. De Bouwstenen van de Schepping. Bert Bakker, 2013 (heruitgave)

Eric Middleton: Terug naar Platland. Boekencentrum, 2009

Stafan Paas & Rik Peels: God bewijzen. Balans, 2013

Govert Schilling: Evoluerend Heelal. Fontaine, 2009

Kris Verburgh: Schitterend! Houtekiet, 2004

Dirk Verhofstadt: Atheïsme als basis voor de moraal. Houtekiet, 2013

Zichtbaar zonlicht bestaat uit elektromagnetische golven met golflengtes die variëren tussen 400 en 800 nanometer (1 nanometer is een miljoenste mm). In lucht hebben de verschillende golflengtes vrijwel dezelfde voortplantingssnelheid (ca. 300.000 km/s). In water (en glas) hebben korte golflengtes (blauw) een geringere snelheid dan langere golflengtes (rood). Waterdruppels werken als prisma's, ze breken blauw licht sterker dan rood licht en vormen zo een kleurenspectrum. Als licht tegen moleculen botst, gebeurt iets dergelijks, alleen noemen we dat verstrooiing. Blauw licht wordt door moleculen sterker verstrooid dan rood licht (Raleigh scattering; in een mate die omgekeerd evenredig is met de vierde macht van de golflengte).
De wereld rondom zit vol met complexe systemen. De bekendste zijn de turbulente bewegingen van water en lucht die het weer veroorzaken. (het weer is daardoor een emergente eigenschap van die turbulenties; emergente eigenschappen zijn spontaan tevoorschijn tredende fenomenen). Ter verduidelijking wordt meestal een mierenkolonie gebruikt. Uit het gedrag van één mier valt niets te zeggen over de organisatie de kolonie. Ook verwijst men wel naar de materiele bouwstenen: een atoom heeft geen kleur en een molecuul water is niet nat.
De moderne kosmologie (heelalkunde) hangt de inflatietheorie aan die veronderstelt dat het heelal ruim 13,7 miljard jaar geleden ontstond uit een primordiaal deeltje (oerknal) en in enkele seconden tot gigantische afmetingen opzwol (inflatie), waarna het langzaam verder uitdijde tot het huidige moment waarop de uitdijing met steeds groter snelheid weer toeneemt (http://nl.wikipedia.org/wiki/Oerknal).
Het dopplereffect is de waargenomen verandering van toonhoogte of kleur door een verschil in snelheid tussen de bron en de waarnemer. Alledaags voorbeeld is de veranderende toonhoogte van een passerende sirene.
Het steady state model veronderstelt dat het heelal zich onafhankelijk van de tijd uitbreidt. Het universum is altijd hetzelfde geweest, er is géén begin. Volgens de wet van behoud van energie moet deze voortdurend worden toegevoegd. Hoe dat in zijn werk gaat, vermeldt de theorie niet (net zo min als de big-bang-theorie iets kan zeggen over de gebeurtenissen vóór  t = 0).
Kosmische inflatie houdt in dat kort na de oerknal het heelal een exponentiële uitbreiding heeft doorgemaakt als gevolg van een soort onderkoeling waarbij de zwaartekracht een afstotend effect kreeg. Daardoor werd het universum in zeer korte tijd (fractie van een seconde) sterk opgeblazen.
Abiogenese is de naturalistische opvatting dat levende organismen zijn ontstaan uit niet-levende materie.

 

 

 

L & B: GOD         WEE JE GEBEENTE!

                                        

  

 

Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen liever dan gerechtigheid te spreken? Gij hebt lief alle woorden van verslinding en een tong des bedrogs? God zal u afbreken in eeuwigheid. Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken. Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden.

 

God heeft uit den hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand zo verstandig ware die God zocht. Maar allen waren afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden. Er is niemand meer die goed doet, nog niet één. Kennen die werkers der ongerechtigheid dan geen vrees, dat zij God niet aanroepen? Want God heeft hen verworpen, Hij heeft de beenderen desgenen die hem valselijk bespotten, verstrooid.

 

De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige en hij knerst over hem met zijn tanden. De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over grote vrede. De goddeloze loert op den rechtvaardige en zoekt hem te doden. Maar de Heere laat hem niet in zijn hand. De goddelozen hebben het zwaard getrokken om te slachten die oprecht van weg zijn. Maar hun zwaard zal in hunlieder eigen hart gaan.

 

En de rechtvaardigen zullen het zien en vrezen en zullen hem uitlachen, zeggende: “Ziet den man die God niet stelde tot Zijn Sterkte maar vertrouwde op de veelheid van zijn rijkdom. Zijn gebeente was gegroeid door onze zachtheid, nu is hij verworden tot het drek der aarde.”

 

  

 

Uit het 19e Bijbelboek PSALMEN