AUTOMATENKETCHUP

De Evolutionair Stabiele Strategie van het Kapitalisme*

 

 

In de laatste eeuwen van het tweede millennium vond een nieuwe volksverhuizing plaats, vanuit Europa naar het Westen. Niet geremd door de cultuurhistorische belemmeringen van de Oude Wereld werden de Verenigde Staten van Amerika de bakermat van technologische groei en economische exploitatie. Sommige individuele initiatieven waren van dien aard dat ze onverbrekelijk verbonden bleven met de verdere ontwikkeling van de wereld.

    Door de industriële revolutie, als gevolg van kruisbestuiving tussen verschillende wetenschappelijke disciplines en vooral ook door het profijt van een groeiende markt voor praktische toepassingen die dit opleverde, vond er in de loop van de 19e eeuw en aan het begin van de 20e eeuw een schaalvergroting van ondernemingen plaats. Kleine bedrijfjes die veelal ontstonden rond één of meer octrooien werden samengevoegd uit synergetische overwegingen. Op den duur ontstonden zo steeds grotere ondernemingen met vestigingen verspreid over de aardbol. De zich uitbreidende markt was het gevolg van de enorme bevolkingsgroei en de toenemende verbetering van de infrastructuur (transport en communicatie).

   Deze ontwikkeling kon het beste gedijen in een maagdelijke omgeving als Amerika waar de (kapitalistische) samenleving niet alleen uit was op zelfverrijking maar ook op de instandhouding en groei van de markteconomie.

   Verschillende bedrijfjes die zich bezig hielden met de productie van de prikklok, een uitvinding van de juwelier Willard Bundy in 1888, werden aan het einde van de 19e eeuw samengevoegd onder de naam International Time Recording Company (ITR). De man die dit klusje klaarde was Charles Flint. In dezelfde tijd voegde hij ook een aantal bedrijfjes samen die zich bezig hielden met de productie van weegschalen en vleessnijmachines. De octrooien voor deze apparaten waren opgekocht door een paar zakenlui die één van deze bedrijfjes beheerden, de Computing Scale Company (CSC) en dat werd de nieuwe naam van het consortium. In het begin van de jaren tachtig vond mijningenieur Herman Hollerith de ponskaart uit. Na een succesvolle ontwikkeling van machines die gebruik maakten van deze ponskaarten voor het tellen en sorteren van data, begon hij in 1896 een eigen bedrijf onder de naam Tabulating Machine Company (TMC). In 1911 werd dit bedrijf overgenomen door Charles Flint die het koppelde aan de eerder gevormde bedrijven ITR en CSC. Deze fusie werd vervolgens omgedoopt tot de Computing Tabulating Recording Company (CTR). 

 

 

De aanvankelijke betovering van de tinkelende klanken die uit het speeldoosje kwamen, begonnen hem al gauw te vervelen en zijn vervoering sloeg om in teleurstelling. De metalige tonenreeks herhaalde zich voortdurend zodat er duidelijk een doods mechaniekje aan ten grondslag lag.

   Zijn eerste opwelling om het speelgoed overboord te gooien wist Charles te onderdrukken. Het was veel leuker om te kijken hoe het werkte. Het blikken geval liet zich makkelijk slopen.

   Een ronddraaiend trommeltje waarop pennetjes waren gesoldeerd. Eigenlijk was het ontzettend simpel. Hij had het trouwens kunnen weten want zulke mechanieken werden al een eeuwigheid geleden gemaakt voor de eenvoudige klokkenspelen.

   Bladerend in zijn encyclopedie las hij een intrigerend stukje over speeltrommels:

 

Bij het trommelspeelwerk wordt de muzikale informatie door middel van toon-stiften op een speeltrommel gestoken. Bij het ronddraaien van de trommel passeren de stiften, ook wel noten genoemd, een reeks lichters die via draden speelhamers van de klok trekken. De hamers vallen vervolgens terug op de klok, waarna ze door een veer weer van de klok worden teruggeduwd. In het traject tussen de lichter bij de speeltrommel en de hamer bij de klok bevindt zich de tuimelaar, een gehoekte hefboom, die het mogelijk maakt de trekrichting te veranderen.                                                                                                                                                                                                           (uit: L.J. Meilink-Hoedemaker: Jan Schol en de verloren tuimelaar)  

 

Het liedje uit de speeldoos zeurde nog na in zijn hoofd en in gedachten zag hij de speeltrommel voor zich die het melodietje kon voortbrengen. Het deed hem denken aan de populaire pianola’s en plotseling kreeg hij een idee. Haastig bladerde hij verder in zijn encyclopedie en vond wat hij zocht: 

Het automatische weefgetouw krijgt informatie over het te weven patroon door middel van een band waarin gaten zijn geponst. De band wordt in de machine gedaan en met een draaimechanisme op de juiste plaats gezet. Waar gaten in de band zijn geponst, kunnen stangen doorgelaten worden. Op plaatsen waar geen gat zit, worden de stangen door de band tegengehouden. Door de band te vervangen, kan een ander patroon geweven worden. De machine bespaart werk, werkt sneller en er worden minder fouten in de patronen gemaakt.

 

De uitvinding van Jacquard was al meer dan honderd jaar oud maar nog steeds werden er nieuwe toepassingen bedacht. Dus waarom niet in de speeldoos, of in het grote werk, de klokkentoren?

   Charles Flint rekte zich uit in zijn ligstoel op het dek van zijn jacht. Zijn verkoudheid was zo goed als over en hij had behoefte aan beweging. Zijn muzikale vrouw kon hoog of laag zingen (hij gniffelde om zijn eigen woordspeling) maar de tijd was rijp voor actie.

   Uitkijkend over de Caraïbische Zee snoof hij waarderend de guanogeur van het nabijgelegen Navassa op en bedacht dat hij zijn zaakjes goed voor mekaar had. Hij had zich tijdens zijn leven steeds ingespannen om kleine, vaak noodlijdende bedrijfjes samen te voegen, waardoor ze weer opleefden en hoewel men er tegenwoordig nogal laatdunkend over deed, beschouwde hij zichzelf met enige trots als de ‘godfather van de trusts’.

   Hij stond op en keek uit over een strakblauwe zee. Alleen aan de horizon zag hij wat cumuluswolken. De baai waar het jacht voor anker was gegaan, lag er uitnodigend bij en hij aarzelde niet toen hij vanaf de voorplecht het heldere water indook.

 

‘Meneer Flint! Meneer Flint!’

   Eén van de bemanningsleden, zo te horen was het Webster, hing over de reling.

   ‘We hebben contact met Washington.’

   Webster was in de eerste plaats machinist maar hij had een onstuitbare belangstelling voor alle technologische vruchten van zijn tijd. Mede door zijn enthousiasme was het schip uitgerust met moderne communicatieapparatuur zoals een radiotelegraaf en een kortegolfzender.

   Charles gebaarde dat hij de boodschap had begrepen. Hij zwom terug naar het jacht en klom aan boord. Kate, zijn echtgenote, stond klaar met de handdoek. Ze keek hem bezorgd aan maar ze zei niets. Met de handdoek om zijn hals begaf Charles zich naar de radiohut. Hij zette de koptelefoon op en liet Webster weten dat hij klaar was om het gesprek met Washington te voeren.

   ‘Hé, Sherburne, ouwe boef! Hoe gaat het?’

   Sherburne Hopkins behartigde al een tijdje een aantal van Flint’s belangen en ze gingen vriendschappelijk met elkaar om. Charles luisterde enige tijd, knikte en luisterde op-nieuw terwijl hij met een hand door zijn haar streek.

   ‘Verdraaid vervelend voor je. Maak je over mij geen zorgen, ik dacht niet dat mij iets an-ders valt te verwijten dan een gezonde hebzucht,’ grinnikte hij. ‘En ik was ook niet van plan naar Europa te gaan. Doe de groeten aan je vader en nogmaals, maak je geen zorgen om mij.’

   De verbinding werd verbroken. Charles wendde zich tot Webster.

   ‘Probeer Watson voor me te pakken te krijgen. Waarschijnlijk zit-ie in New York.’

   Terug aan dek liep hij naar de ligstoelen waar Kate het zich inmiddels ook gemakkelijk had gemaakt. Op een tafeltje tussen de stoelen stond een blad met ijsthee. Terwijl hij zichzelf inschonk sprak hij langs zijn neus weg dat het speeldoosje dat hij gekregen had een prul was, maar het had hem wel op een idee gebracht. En omdat ze niet reageerde voegde hij eraan toe:

   ‘Er is ingebroken bij Hopkins. Alle correspondentie is weg.’ 

   ‘Is dat erg?’

   Hij staarde in de verte. De cumuluswolken waren een stuk groter geworden. Het zag er eigenlijk best dreigend uit. Hij wilde er juist iets over zeggen toen hij de stuurman het bevel hoorde geven om het anker te lichten. Ze zouden terugvaren naar een beschutte plek langs de kust van Haïti.

   ‘De Oostenrijkse troonopvolger is vermoord. Volgens Sherburne kan dat nog heel wat gerotzooi geven in Europa’.

   ‘En dat vind jij erg?’ Kate keek hem quasi verontwaardigd aan. Ze doelde klaarblijkelijk op de belangstelling die Charles bij de verschillende Europese regeringen had gewekt voor de uitvinding van hun vrienden Wilbur en Orville Wright.

   ‘Zakelijk gezien kies ik geen partij,’ meesmuilde Charles, ‘maar Amerikanen met een Duitse naam wantrouw ik als de pest. Neem nou Heinz…’

   Hij hield zijn mond en verzonk in gedachten. Met respect had hij gezien hoe het imperium van Henry Heinz zich ontwikkelde. Eigenlijk was hij jaloers. Hijzelf had een consortium opgebouwd dat zijn wortels had in de inventiviteit van een handje vol geniale uitvinders. Maar Heinz was uitgegaan van eetbare producten - die er altijd al waren – en bedacht een menslievende manier om een zo groot mogelijk publiek te binden. Met menslievendheid bedoelde hij hygiënisch en smaakvol, niet alleen van de producten maar vooral ook van de werkomstandigheden. Het personeel mocht het aan niets ontbreken. Intrigerend.

 

Het jacht voer dicht onder de kust van Haïti en het zag er gelukkig naar uit dat ze het verwachte noodweer zou omzeilen. Er was geen reden om de beschutting van een haven op te zoeken, ze konden hier voor anker gaan of nog een tijdje blijven varen. Kate gaf de voorkeur aan het laatste.

   Toen er na verscheidene uren nog steeds geen verbinding tot stand gekomen was met Thomas Watson besloot Charles om een telegram op te stellen. Dat zou dan door middel van de internationaal erkende Morsecode kunnen worden verstuurd:

 

contact henry heinz in pittsburg - maakt wel honderd sauzen in eigen fles - maakt flessen in eigen glasfabriek - klus voor ctr - contact glenn curtiss in miami - heinz vloog nog nooit in watervliegtuig – vindt-ie leuk – denk na over speeldoos

 

Die laatste opdracht was wat cryptisch maar zou desondanks zijn doel niet missen: het zou topmanager Watson aan het denken zetten, een activiteit die Flints collega  had verheven tot zijn leidende motto: DENK NA!

   Dat had hij niet altijd gedaan en daar plukte hij nog steeds de wrange vruchten van.

 

Ooit was Thomas Watson als verkoper niet zo succesvol geweest. Hij had onder andere geprobeerd als colporteur muziekinstrumenten te slijten aan boerenbedrijven. Geruime tijd leverde hem dat een inkomen op waarvan hij kon leven. Het voornaamste was dat hij plezier had in het werk en tevreden was met de opbrengst.

   Dat veranderde toen het bij de boerenpummel die hij eigenlijk was, begon te dagen dat hij zich door zijn naïviteit lelijk had laten uitbuiten. Terwijl hij voor een mager uurloontje langs de dorpen zwierf, werkten meer ervaren verkopers op provisiebasis. Hij bedacht dat een stedelijke omgeving en een commissie in plaats van een uurloon meer geld in het laatje zouden brengen en hij toog naar de grote stad.

   In Buffalo ging Thomas met naaimachines langs de deur maar het ging al gelijk mis toen zijn handel gestolen werd terwijl hij zijn roes lag uit te slapen. Eén ding leerde hem dat wel: overmatig alcoholgebruik en geld verdienen gingen niet samen.

   Er volgde een moeizame periode van vallen en opstaan.

   Uiteindelijk scharrelde hij genoeg geld bij elkaar om een slagerijtje te beginnen. Maar het vooruitzicht van een kleinburgerlijk bestaan als middenstander, mits de zaak überhaupt een toekomst zou hebben, sprak hem toch niet aan en hij deed hem weer van de hand. De kassa, die hij al had aangeschaft, hoorde bij de inboedel en om de termijnbetaling over te laten schrijven op naam van de nieuwe eigenaar, nam hij contact op met het bedrijf waar hij de kassa gekocht had.

   Daar ontmoette hij de ervaren verkoper John Range, die hem onder zijn hoede nam.

   Range leerde hem kassa’s verkopen voor de National Cash Register Company (NCR). Hier geen schouderklopjes en hielenlikkerij, zoals gebruikelijk was in die tijd, maar goe-de voorlichting over het nut van een kassa voor een goede bedrijfsvoering en om diefstal van los geld te voorkomen. En natuurlijk waren de kassa’s van de NCR de beste.

   De twintigjarige Thomas had grote bewondering voor de ervaren verkoper van de NCR en toonde zich een voorbeeldige leerling. Binnen korte tijd verwierf hij een leidinggevende positie in Rochester. Zonder scrupules werden onder zijn leiding concurrerende firma’s verdacht gemaakt door ze te betichten van duistere manipulaties (waar hij zich dus zelf schuldig aan maakte) en werden hun producten afgekraakt. Watson ging zelfs zover dat hij onder zijn eigen naam gebruikte kassa’s ver beneden de gangbare prijs aanbood, enkel en alleen om de omvangrijke tweedehands sector in kasregisters de das om te doen.

   Met deze illegale maar niet ongebruikelijk activiteiten had hij zoveel succes dat hij een toppositie veroverde als rechterhand van de oprichter van de NCR, John Patterson. Het be-drijf werd echter aangeklaagd wegens het overtreden van de Sherman Antitrust Act en Thomas Watson werd als één van de verantwoordelijken veroordeeld tot een jaar gevan-genisstraf (hij zou nooit daadwerkelijk naar de gevangenis gaan; trouwens, de meeste za-kenlui hadden zijn handelswijze wel kunnen waarderen).

   De samenwerking met John Patterson beviel hem echter niet. Patterson betaalde zijn verkopers goed, maar als het even wat minder ging, vloog je er ook zo weer uit. Naast de-ze wat onberekenbare despoot voelde Watson zich niet op zijn gemak en hij besloot uit te kijken naar een andere werkomgeving. Toen hij vernam dat de CTR van Charles Flint op zoek was naar een manager aarzelde hij dan ook niet en bood zijn diensten aan. Dat was een gelukkige zet want in hetzelfde jaar dat Flint hem aannam, werd hij door Patterson ontslagen.

 

 

Vanaf het moment dat Thomas Watson de methodistenkerk in Leamington, Ontario binnenging, had hij het gevoel dat hij thuiskwam. Het sobere interieur deed hem sterk denken aan ‘zijn’ kerk van de afgelopen jaren in Dayton. Hij vermeed het om aandacht te trekken want de bruiloft was al begonnen; gelukkig waren er achterin de kerk nog lege plaatsen.

   Nadat hij Flints telegram had gelezen, had Watson even nagedacht. Hij had contact opgenomen met Pittsburg – zoals hem was opgedragen – en had vernomen dat Henry Heinz in Canada zat. Hij was onmiddellijk in zijn splinternieuwe Chevrolet Classis Six op weg gegaan naar het noorden en had in Cleveland tevergeefs geprobeerd Glenn Curtiss te pakken te krijgen. Zowel in Baddeck als in New York had men geen idee waar de vliegenier te bereiken was. Het leek erop dat de Amerikaanse regering, in verband met de spanningen in Europa, al zijn aandacht opeiste. Vandaar dat hij besloot de grens dan maar varend te passeren en in de haven had hij een boot gevonden die hem meenam naar de overkant van  het Erie-meer.

   In de omgeving van Leamington was het hem direct opgevallen wat een slimme zet het van die Duitse immigranten was geweest om juist hier een fabriek voor voedselverwerking te vestigen. In de wijde omtrek werden gewassen geteeld en dat waren overwegend tomaten en augurken. Te midden van die agrarische bedrijvigheid had Heinz zijn ketchupfabriek opgetrokken.

   Het werd hem al snel duidelijk dat de president directeur niet in zijn riante kantoor zat maar te gast was op de bruiloft van een van zijn jongere medewerkers. Watson vroeg zich af of de oude man soms kinds was geworden maar bedacht daarop dat Heinz gewoon een levensgenieter was. Welke rijkaard sluit zich nou op in een duf kantoor als je ook ergens feest kunt vieren?

   Vanaf zijn zitplaats achterin de kerk zag hij dat er veel jonge mensen aanwezig waren. Hij vermoedde dat het grijze hoofd met uitstaande bakkebaarden op de tweede rij toebehoorde aan de persoon voor wie hij was gekomen. Er zou straks wel een informeel moment komen waarop hij gepast kennis kon maken.

   Na de kerkelijke inzegening werd de feestelijke gebeurtenis voortgezet in een nabijgelegen uitspanning. Daar was hij op de oude man, die onmiskenbaar Henry Heinz moest zijn, toegestapt en had zich voorgesteld. De schrandere magnaat wist onmiddellijk wie hij voor zich had, tenslotte had Thomas Watson nogal een reputatie opgebouwd. Voor sommigen als schurk, voor anderen een held.

   ‘Ach, meneer Watson, wat leuk om u hier te treffen te midden van deze baldadige kinderen’. Heinz gebaarde opgewekt naar de stoeiende jeugd tussen de tafels.

   Thomas was op zijn hoede. De drukke kinderschare was hem niet ontgaan en het verbaasde hem dat er enige amusementswaarde aan zou kunnen worden ontleend. Maar de oude baas leek zeer vergenoegd.

   ‘Vertel op, man. Je hebt vast iets op je lever. Ha, ha’.

   ‘Inderdaad, meneer Heinz. Ik ben hier namens Flint. Maar laat ik u eerst feliciteren met het bruidspaar. Familie?’

   ‘Mijn bedrijf is één grote familie’. Henri Heinz keek hem nu ernstig aan. ‘Elk personeelslid beschouw ik als één van mijn kinderen en voor mijn kinderen wil ik alleen het beste. Je kunt een bedrijf voeren met verstand, en dat is wel zo verstandig (grinnik). Maar je moet een bedrijf ook voeren met je hart. Ik wil dat iedereen die voor mij werkt daar trots op is. En dat kan alleen als ze volledig achter het bedrijf staan, wat u?’

   Terugdenkend aan zijn avonturen bij de NCR van Patterson ontlokte aan Thomas de sterke neiging om hem gelijk te geven. De bittere competitieve stemming onder de verkopers en de bullebakkerige bruut Patterson lagen hem nog vers in het geheugen. 

   ‘Maar u bent hier namens Charles Flint’, hervatte de Pickle King, ‘Dan zult u wel een interessant ideetje hebben. Als het maar niet over fuseren gaat, hoop ik?’

   Thomas legde uit hoe het tellen en sorteren van de verschillende flessen geautomatiseerd zou kunnen worden en hij had alle aandacht die hem op dat moment haalbaar leek. De belangstelling van de president directeur was voldoende gewekt om er met zijn zoon Howard van gedachte over te gaan wisselen. Het gesprekje was afgelopen en de magnaat wenste zich weer aan zijn kinderen te wijden.

   Thomas vond dat hij daarmee (het gesprekje) niet alleen aan de wens van Flint had voldaan, maar dat hem tevens een gratis advies in de schoot was geworpen dat hij niet in de wind moest slaan. Het idee om in je bedrijfsvoering ook aandacht te hebben voor emotionele zaken moest nog wel rijpen maar zou hem geen windeieren leggen.

 

Later dat jaar, in oktober, organiseerde Howard Heinz samen met enkele vrienden van de familie een ‘surprise party’ ter gelegenheid van zijn vaders zeventigste verjaardag. Eén van de vele genodigden was Charles Flint.

   In de hoop dat het dit keer wel zou lukken om een vlucht met een watervliegtuigje te arrangeren, had hij zich in verbinding gesteld met de Curtiss Aeroplane Company. Maar opnieuw mislukte zijn poging om Henry Heinz te verrassen. De eerste wereldoorlog gooide ook nu weer roet in het eten.

   Pas in het voorjaar van 1919 slaagde Flint er eindelijk in om Henri Heinz te trakteren op een tocht met een vliegboot boven het Erie Meer, compleet met opstijgen vanaf en landen op het water. Helaas was er geen geschikte vliegkleding voorhanden. Desondanks genoot de oude man als een kind en kon er geen genoeg van krijgen.

   Eenmaal thuis in Pittsburg werd Heinz echter onwel. Korte tijd later overleed hij aan een longontsteking.

 

Na afloop van de begrafenisplechtigheid waar Flint en Watson uiteraard ook bij waren, trok de laatste de aandacht door uit zijn Classis Six een forse muziekdoos tevoorschijn te halen waaraan hij na enkele ingrepen de bemoedigende tonen van een populaire gospel ontlokte. Die frivoliteit werd over het algemeen met gemengde gevoelens ontvangen maar Charles Flint was enthousiast. Vooral toen Watson hem liet zien hoe het apparaat met behulp van verschillende ponsplaten over een meervoudig repertoire kon beschikken. Hij hoefde alleen maar een plaat te vervangen en er klonk een andere gospel, die hij daarna liet volgen door een requiem.

   ‘Hij kan ook vrolijke dansjes spelen, maar dat lijkt me nu niet zo gepast,’ verklaarde Thomas met een schuin oog naar de naaste familie van de gestorven ondernemer. ‘Het wordt wel een automatofoon genoemd. We hebben nu ook ponsbanden. Daar zit pas muziek in. Daar verwacht ik heel wat van.’

   Flint had ondertussen zijn aandacht verlegd naar de automobile.

   ‘Hoe lang doe je erover naar Washington?’

   ‘Nou, ik ben wel een paar uurtjes onderweg. Maar hij is wel comfortabel. En je bent veel vrijer dan met de trein. Meerijden?’

   Voordat hij kon reageren werd Charles afgeleid door een naderende vrouwenfiguur. Hij kon haar niet onmiddellijk thuisbrengen maar er was iets aan haar verschijning dat hem alarmeerde. Toen zag hij het.

   Wel verdomme … Margarita?

   Als een onverwachte golf in de branding buitelde de overweldigende herinnering door zijn hoofd. Zijn lijf, zijn leden, alles aan hem begon te tintelen. Het duurde maar even al leek het hem een eeuwigheid. Een korte blik op Watson leerde hem dat die niets had gemerkt. Onder het mompelen van een verontschuldiging wende hij zich af en liep de vrouw tegemoet.

   Met gemengde gevoelens dacht hij terug aan het lieftallige maar tegendraadse meisje dat hij in Peru had leren kennen. Hij was verrukt van haar geweest. Maar zo onderdanig en meegaand als ze in bed was, zo dwars en balorig was ze daarbuiten. Ze had hem zelfs opgezocht in de States toen hij allang uit Peru was vertrokken. Opnieuw was hij gevallen voor haar onweerstaanbare charme. Hij had haar geld gegeven, veel geld, om de wereld te behoeden voor groot onheil (wat dat dan ook wezen mocht). Meer tijd en aandacht had hij niet voor haar gehad. Met een lichte huivering vroeg hij zich af wat ze van hem wou.

Maar de vrouw liep hem straal voorbij. Al haar aandacht leek te zijn gericht op Watson die daar kennelijk nog geen vermoeden van had. Flint realiseerde zich dat de jonge vrouw natuurlijk Margarita nooit had kunnen zijn, daarvoor was het al te lang geleden. Het was zijn herinnering geweest aan die onhanteerbare Peruaanse die zo op zijn gemoed had weten te werken. Misschien een licht schuldgevoel? Hij schudde zijn hoofd.

   Achter zich hoorde hij de vrouw tekeer gaan tegen Watson. Niet geheel gespeend van leedvermaak draaide hij zich om en zag nog net hoe zij in de armen viel van zijn protegé. Een licht gevoel van jaloezie en ouderdomsbesef lardeerden de gedachten aan zijn somtijds onbezonnen idealisme en naïeve investeringen. Het leek wel een natuurwet: invloedrijke mannen vonden troost door zich over te geven aan een visioen, een hersenschim, een zinsbegoocheling. Het was veel meer dan seks, het temmen van de feeks. Het was de beteugeling van een droom. Het was de verovering.

   Hij stak een begripvolle hand op naar Watson die een verontschuldigend gebaar maakte nadat hij de dame had geholpen met instappen en vervolgens achter het stuur plaatsnam. De automatische koets draaide een halve slag en reed de oprijlaan uit. Flint keek de zelfrijdende wagen een beetje afgunstig na terwijl deze verdween in een wolk van stof.  

   Hij liep terug naar de receptie waar hij werd gefêteerd op een paar andere nationale noviteiten: een peulvormig flesje Coca Cola en een hotdog. Met Heinz’ tomatenketchup. Hij glimlachte ingetogen. De toekomst was begonnen. 

 

  

Charles Flint had de succesvolle maar nogal gewetenloze verkoper Thomas Watson aangetrokken om hem te helpen bij het leiden van de CTR. Dat was een meesterzet. Het bedrijf zou uitgroeien tot een gigant van wereldformaat dat in 1924 werd omgedoopt in International Business Machines Corporation (IBM). Paradoxaal genoeg is de veroordeelde crimineel Watson ook verantwoordelijk voor de hoge morele standaard bij IBM.

   Het bedrijf van Henry Heinz produceerde smaakmakers vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Onder leiding van zijn zoon Howard en kleinzoon Henry Heinz II groeide de zaak uit tot een multinationale voedselproducent met aandacht voor verantwoordelijke bedrijfsvoering. Oprechtheid, integriteit en een ondubbelzinnig morele standaard hebben altijd hoog in het vaandel gestaan.

   De Amerikaanse vrijmetselarij (freemasonry) kent vele invloedrijke figuren alsmede anonieme begunstigers die de organisatie van financiële middelen voorzagen om ideële netwerken te ontwikkelen, zoals Het Instituut. 

Een Evolutionair Stabiele Strategie (ESS) is een evolutionair evenwicht binnen een populatie waarbij het voor elk lid niet de moeite loont om een andere strategie te hanteren dan die welke door de meerderheid van de populatie wordt gehanteerd. Kortom, elk lid kan zich binnen een ESS maar beter conformeren. De Britse bioloog John Maynard Smith ontleende in 1973 het concept – equilibrium – aan de speltheorie en gaf het een plaatsje binnen de populatiebiologie.

 

Equilibrium

Het equilibrium (evenwicht) wordt, naar de wiskundige Nash die het begrip in 1950 in de speltheorie invoerde, ook vaak Nash-evenwicht genoemd. Van alle mogelijke uitkomsten van een ‘spel’ vormen de evenwichten een deelverzameling met het volgende kenmerk: gegeven de keuzen van de andere spelers, had geen van de spelers, door eenzijdig een andere keuze te maken, voor zichzelf een betere uitkomst kunnen realiseren. Als een spel een ‘oplossing’ heeft, moet het een equilibrium zijn. De speltheorie veronderstelt namelijk dat alle spelers rationeel zijn en van elkaar weten dat ze rationeel zijn.

   Als het spel een oplossing heeft, kan iedere speler van alle andere spelers verwachten dat zij de bijbehorende strategie zullen kiezen. Dat moet geen van de spelers een reden geven om alsnog een andere strategie te kiezen. Zulks zouden de andere spelers dan immers kunnen voorspellen.

   Niet alle spelen hebben een equilibrium, althans niet zolang alleen naar zogenaamde ‘zuivere strategieën’ wordt gekeken. Spelers kunnen echter ook gemengde strategieën volgen, waarbij zij hun keuze met behulp van een dobbelsteen bepalen. Een speler kan zichzelf bijvoorbeeld een kans van 40% geven dat hij strategie a, en van 60 % dat hij strategie b volgt. Als rekening wordt gehouden met gemengde strategieën, blij kt ieder spel tenminste één equilibriumuitkomst te hebben. Hieruit volgt echter niet dat ieder spel een oplossing heeft. We kunnen aantonen dat, als het spel een oplossing heeft, het een equilibrium moet zijn. Dat laat de mogelijkheid open dat sommige spelen wel tenminste één equilibrium hebben, maar geen oplossing. In het verleden hebben speltheoretici (onder wie Harsanyi) vaak oplossingsconcepten bepleit op grond van argumenten die uitgingen van de aanname dat de desbetreffende spelen een oplossing hadden. Zulke argumenten berusten op een petitio principii.

 

Speltheoretische inzichten

Sommige spelen hebben meer dan één equilibrium. Als een zuiver coördinatiespel, dat wil zeggen een spel waarin alle spelers precies dezelfde voorkeursordening over de mogelijke uitkomsten hebben, meer dan één equilibrium heeft, heeft dat spel geen oplossing. Thomas Schelling suggereerde in 1960 dat spelers van zo’n spel in de praktijk de strategie kiezen die er op de één of andere wijze het meest ‘uitspringt’: het principe van salience. Lewis ontwikkelde uit dit idee in 1969 zijn conventie theorie. Als de spelers zich herhaaldelijk in eenzelfde zuiver coördinatiespel met meer dan één equilibrium bevinden, en daarin al enkele malen strategieën hebben gekozen die tot een van die equilibria leidden, dan zal de gekozen strategie als zodanig eruit springen. Precedent is een vorm van salience. Zulke spelers zullen van elkaar gaan verwachten dat ze ook de volgende keer diezelfde strategie zullen kiezen, weten dat ze dat van elkaar verwachten, weten dat ze dat weten enzovoort. Zo’n patroon van wederkerige verwachtingen betreffende de te kiezen strategie is een conventie. Een vergelijkbare analyse is al bij David Hume te vinden.

   In veel gevallen zullen de spelers de equilibriumuitkomsten boven alle andere prefereren, maar betreffende die uitkomsten verschillende voorkeursordeningen hebben. Zo’n onzuiver coördinatiespel geeft aanleiding tot onderhandelingsgedrag. Een belangrijk onderdeel van de speltheorie is de onderhandelingstheorie. Om te bepalen wat de rationele keuze is in een onderhandelingsspel, moet allereerst vastgesteld worden welke uitkomst de spelers zonder onderlinge afstemming van hun keuzen hadden kunnen bereiken: de status quo, of de ‘natuurtoestand’. Concepties van het status quo punt verschillen in de manier waarop zij rekening houden met het vermogen van de spelers om elkaar schade toe te brengen en van dat vermogen in dreigementen gebruik te maken. Ook over de wijze waarop het onderhandelingsresultaat dat rationele spelers zullen bereiken vanuit het status quo punt kan worden bepaald, verschillen de meningen. De argumenten voor de rivaliserende oplossingen van het onderhandelingsspel blijken alle te berusten op de aanname dat er in elk geval een oplossing is. Dat is, zoals gezegd, een petitio principii.

   Van sommige evenwichten is het a priori onaannemelijk dat ze het resultaat kunnen zijn van rationele keuzen onder realistische omstandigheden. Dat is met name het geval wanneer een speler grote risico’s loopt als zijn partner zich vergist, of toch andere dan de aangenomen voorkeuren heeft. Een evenwicht dat ook in die gevallen aantrekkelijk blijft, wordt een ‘bevende hand evenwicht’ genoemd.

   Ook in de evolutietheorie worden speltheoretische inzichten gebruikt. Daarbij wordt dan niet uitgegaan van rationele spelers, maar van “spelers” die door een proces van natuurlijke selectie minder succesvolle strategieën verruilen voor meer succesvolle. Het centrale begrip in deze evolutietheoretische benadering is dat van de ‘evolutionair stabiele strategie’ (Smith 1982). Dat is een keuze die voldoet aan twee voorwaarden: de strategie is een minstens even goed “antwoord” op een gelijke keuze van de partner, en als er andere even goede antwoorden op deze keuze zijn, dan zijn die op zichzelf minder goede antwoorden dan de evolutionair stabiele strategie. Voor spelers die dezelfde handelingsalternatieven en voorkeursordeningen hebben, komt dit neer op een bevende hand evenwicht. Sociobiologen hebben aannemelijk gemaakt dat allerlei maatschappelijke normen (bijvoorbeeld wederkerige bijstand) en instituties (bijvoorbeeld eigendom) evolutionair stabiele strategieën zijn.

 

Speltheorie voor economen

Veel situaties in de economie kunnen beschouwd worden als een spel. Bedrijven in dezelfde markt concurreren door middel van prijzen of door middel van hun aanbod: niet voor niets is er in krantenberichten vaak sprake van ‘spelers’ in een markt. Bieders in een veiling – van kunstvoorwerpen, maar ook van openbare aanbestedingen van publieke projecten – spelen onderling een spel: men tracht te gissen wat andere bieders zullen doen, en probeert het eigen bod daaraan aan te passen. Ook in de politiek is er vaak sprake van een spel. Politieke partijen kiezen onderling posities om zoveel mogelijk stemmen te verwerven. Kiezers maken een inschatting van hoe andere kiezers zullen stemmen, en bepalen op basis daarvan hun eigen keuze. De speltheorie biedt een uitgebreid instrumentarium om dergelijke situaties wiskundig te modelleren en te analyseren. Het belangrijkste hierbij is de eerste fase: die van het modelleren. Dit betekent in de eerste plaats: vaststellen wie de spelers zijn. Vervolgens moet worden bepaald welke mogelijke acties en welke mogelijke strategieën een speler heeft. Het verschil tussen ‘actie’ en ‘strategie’ is vergelijkbaar met het verschil tussen het uitspelen van één kaart en het maken van een volledig speelplan in een spelletje bridge. Tenslotte moet bepaald worden welke uitbetalingen de spelers krijgen, afhankelijk van de gespeelde strategieën. Daarnaast moet ook nog vastgelegd worden welke informatie de spelers aan het begin van het spel hebben, en welke informatie ze gedurende het spel krijgen. Onzekerheid speelt hierbij in het algemeen een grote rol, zowel in de vorm van objectieve kanszetten – vergelijk met het delen van de kaarten aan het begin van een spelletje kaart – als in de vorm van subjectieve kansen, dat wil zeggen inschattingen van wat andere spelers gaan doen of gedaan hebben. De spelen die we op deze manier verkrijgen worden in het algemeen met de term niet-coöperatief aangeduid: ieder speler speelt voor zichzelf en bepaalt zijn eigen strategie. In de speltheorie gaat het om het maken van beslissingen. Als er een beslissing gemaakt wordt, heeft dit vaak gevolg(en) voor jezelf maar ook voor anderen. Denk aan het uitgeven van geld. Jouw hoeveelheid geld wordt minder en op hetzelfde moment wordt de hoeveelheid geld van de ontvanger juist meer. Het is dus belangrijk om te weten te komen welke beslissing de juiste is en/of welke beslissing het meeste zal opleveren. Om dit soort antwoorden te weten te komen, worden technieken uit de speltheorie gebruikt. De speltheorie kent vele begrippen en methodes.

   Het maken van een beslissing moet dus zo optimaal mogelijk gebeuren zodat het resultaat van de gemaakte beslissing het meeste oplevert. Dit resultaat wordt de payoff van de beslissing genoemd. Het vergelijken van resultaten van verschillende beslissingen is natuurlijk ingewikkeld, daarom krijgt elk resultaat zijn eigen waarde en dus zijn eigen payoff.

   Bekijk een situatie waarin twee personen allebei de meest optimale beslissing willen nemen. Zo’n situatie is eigenlijk een soort spel waarin allebei de spelers de hoogst mogelijke payoff willen verdienen als gevolg van hun beslissingen. Het kiezen voor een bepaalde beslissing is de zogenaamde strategie van een speler. Beide spelers hebben dus een eigen strategie om het spel te spelen en de spelers kunnen kiezen uit hun zogenaamde strategie ruimte.

   Om te weten te komen welke beslissing optimaal is voor beide spelers moet er eerst worden bepaald welke strategie het beste gekozen kan worden tegenover de strategie van de tegenspeler. De strategie van een speler is een best reply als het een hogere of even hoge payoff oplevert als de strategie van zijn tegenspeler. Als beide spelers hun best reply spelen, eindigt het spel in een evenwicht, het zogenaamde Nash evenwicht.

   De Trust Game gaat om vertrouwen hebben in elkaar en het vertrouwen van de andere speler eventueel belonen. De trustor kan bijvoorbeeld vertrouwen hebben in de trustee, maar de trustee hoeft niet ook gelijk vertrouwen te hebben in de trustor. Vertrouwen hebben in elkaar is dus een wisselwerking. Met dit spel is daarom onderzocht of het vertrouwen hebben in een speler ook daadwerkelijk wordt beloond door de andere speler. De Trust Game is een sequentieel spel bestaande uit twee rondes waarin keuzes worden gemaakt. Daarna is het resultaat van het gespeelde spel bekend in termen van payoff.

   De trustor kan kiezen om te spelen en vertrouwen te hebben of om niet te spelen en dus geen vertrouwen te hebben in de trustee. Wanneer de trustor vertrouwen heeft, kan de trustee vervolgens kiezen om samen te werken en de winst te delen, of om niet samen te werken en de winst voor zichzelf te houden. Er wordt een wraak parameter geïntroduceerd waarmee de trustors de trustee’s kunnen straffen. Deze straf uit zich in een lagere payoff voor de desbetreffende trustee. Dit spel is dus eerder een psychologisch of sociologisch model dan een economisch model. De spelers hanteren namelijk een norm die ontstaan is uit situaties waarin de trustee het risico liep om gestraft te worden door de trustor.

   De trustor kan er ook voor kiezen om vertrouwen te hebben in de trustee, terwijl de trustee op zijn beurt het vertrouwen van de trustor niet beloont. De trustor zou dan wraak willen nemen op de trustee. Deze wraak zorgt ervoor dat de payoff van de trustee in mindering wordt gebracht door de trustor wordt ondersteund met een morele code. Volgens deze morele code delen de trustors eerlijk de kosten om de trustee’s, die het vertrouwen van de trustor niet belonen, te straffen en de trustors wisselen uit welke trustee het vertrouwen in het verleden niet heeft beloond. Op deze manier weten de trustors welke trustee ze moeten vermijden in een volgend spel. Deze morele code is erg aantrekkelijk voor de trustors, echter sommige trustors zouden graag de kosten voor het delen van de informatie niet willen betalen. Dit deel van de trustors werkt dus niet mee aan de morele code. Het voordeel is dat ze een hogere payoff ontvangen, maar een nadeel ervan is dat ze niet weten welke trustee hun vertrouwen niet zal gaan belonen. Het andere deel van de trustors wil wel graag meewerken aan de morele code. Zij hebben dan dus wel toegang tot de informatie over de trustee’s, maar hun payoff wordt wel in mindering gebracht doordat zij hiervoor betalen.