DARWIN IN CYBERIË *

Aankondigingen van de transorganische evolutie

 

 

Op 4 februari 1923, een eeuw geleden, hield de jonge Britse evolutionist JBS Haldane een opzienbarende lezing aan de Universiteit van Cambridge, getiteld Daedalus of Wetenschap en de Toekomst* waarin hij zijn visie ontvouwde op een toekomst waarin mensen hun eigen evolutie controleren. De lezing, die een jaar later in druk verscheen, wordt thans beschouwd als een vroege visie op de transhumane samen-leving en ontbreekt zelden in een historische overzicht van het transhumanisme.

   Waarschuwingen voor een samenleving die werd gedomineerd door machines waren al eerder geuit, onder meer door de Franse nobelprijs-winnaar Romain Rolland met het filmscript La Pensée Déchainée* in 1921 en Henri Ner met La Révolte des Machines* in 1896.

   In 1863, kort na de publicatie van Darwins Oorsprong der Soorten, verscheen een artikel van Samuel Butler in het Nieuw Zeelandse dagblad The Press, dat later een hoofdstuk werd in zijn satirische roman Erewhon (nowhere). Als aanhanger van Darwins evolutietheorie verdedigde Samuel Butler het principe van ‘natuurlijke selectie’. Maar hij weigerde te accepteren dat evolutie blind zou zijn. In The book of the Machines suggereerde hij dat in de toekomst apparaten via darwiniaanse selectie een bewustzijn zouden kunnen ontwikkelen. Hij vond dat een dysto-pische gedachte en riep op tot vernietiging van de machines. Dat is niet gebeurd en daarom hebben we nu cybernetica en nanotechnologie.

   Hieronder volgt een vertaling van een gedeelte uit The book of the Machines uit 1872. De vertaling komt uit  https://verbodengeschriften.nl/  waar ook uitgebreidere informatie is terug te vinden.

  

 

 

Er was ooit een tijd waarin de aarde naar alle waarschijnlijkheid volledig verstoken was van zowel dierlijk als plantaardig leven en, volgens de mening van onze beste filosofen, gewoon een hete ronde bol was, met een geleidelijk afkoelende korst. Maar als er een menselijk wezen was geweest toen de aarde nog in die toestand verkeerde en haar had kunnen zien alsof het een andere wereld was waarmee hij niets te maken had en hij tegelijkertijd helemaal niets afwist van de natuurwetenschappen, zou hij dan niet verkondigd hebben dat het onmogelijk was dat zich, op dat kennelijk vulkanisch gesteente dat hij ontwaarde, schepsels zouden hebben ontwikkeld die over zoiets als een bewustzijn beschikten? Zou hij niet ontkend hebben dat die korst ook maar enige mogelijkheid tot bewustzijn bevatte? Toch is er in de loop der tijd bewustzijn ontstaan. Is het dan niet mogelijk dat er voor het bewustzijn zelfs nu nog nieuwe bronnen aangeboord worden, hoewel we daarvoor op dit moment geen tekenen van kunnen ontdekken?

   Als het bewustzijn, in de tegenwoordig algemeen aanvaarde betekenis van het woord, ooit iets nieuws is geweest - iets dat, voor zover we dat kunnen begrijpen, ook het gevolg kan zijn van een afzonderlijk activiteits-centrum en een voortplantingssysteem (dat we zien bij planten, zonder dat er sprake is van een aantoonbaar bewustzijn) - waarom zou de geest dan niet een nieuw stadium kunnen bereiken, dat zich evenzeer onderscheidt van alle tegenwoordig bekende stadia, als de geest van het dier van die van de plant?

   Het zou belachelijk zijn te proberen een dergelijke mentale toestand (of hoe dat ook genoemd mag worden) te omschrijven, omdat die voor de mens zoiets ongewoons moet zijn, dat hij om de aard ervan te begrijpen niet af kan gaan op zijn ervaring; maar als we nadenken over al die stadia van leven en bewustzijn, die zich al ontwikkeld hebben, zou het zonder meer ondoordacht zijn te beweren dat er geen andere vormen meer kunnen ontstaan en dat het dierlijk leven het eind van alles is. Ooit was er een tijd dat het vuur het einde van alle dingen was en een andere waarin dat gold voor stenen en water.

   Het feit dat machines op dit moment maar weinig bewustzijn bezitten, biedt geen bescherming tegen de uiteindelijke ontwikkeling van een mechanisch bewustzijn. Een weekdier heeft ook niet veel bewustzijn. Denk maar aan de buitengewone vooruitgang die de machines de afgelopen paar honderd jaar geboekt hebben en kijk hoe traag het dieren- en plantenrijk voortschrijden. Vergeleken met het verleden zijn de hoger georganiseerde machines, bij wijze van spreken, niet zozeer scheppingen van gisteren, maar van de laatste vijf minuten. Stel het hypothetische geval dat bewuste wezens al zo'n twintig miljoen jaar bestaan en bedenk dan wat voor vorderingen de machines de afgelopen duizend jaar gemaakt hebben! Zou de wereld niet nog twintig miljoen jaar mee kunnen? Als dat het geval is, wat kunnen ze dan uiteindelijk niet worden? Is het niet veiliger om het kwaad in de kiem te smoren en ze verdere ontwikkeling te verbieden?

   Maar wie kan zeggen dat de stoommachine niet een soort van bewustzijn heeft? Waar begint het bewustzijn en waar eindigt het? Wie kan de grens trekken? Is er wel een grens te trekken? Hangt niet alles met alles samen? Zijn de machines niet op oneindig verschillende manieren verbonden met het dierlijk leven? De schaal van een kippenei bestaat uit heel fijn wit aardewerk en is evenzeer een machine als de eierdop: de schaal is evenzeer een machine om het ei te omvatten, als de eierdop om de schaal te omvatten: beiden zijn stadia van dezelfde functie; de kip maakt de schaal in haar inwendige, maar het is zuiver pottenbakkerswerk. Haar nest maakt ze, voor het gemak, buiten zichzelf, maar dat nest is evenzeer een machine als de eierschaal. Een 'machine' is niets anders dan een 'werktuig.'

   Er bestaat een plantensoort die met haar bloemen organisch voedsel eet: als een vlieg neerstrijkt op de bloem, sluiten de kelkbladen zich daar overheen en houden haar vast totdat de plant het insect in haar systeem opgenomen heeft; maar ze sluiten zich alleen over iets eetbaars; aan een regendruppel of een stukje hout schenken ze geen aandacht. Merkwaardig, dat een zo onbewust ding een zo scherp oog heeft voor zijn eigen belang. Als dat onbewustheid is, wat is dan de zin van het bewustzijn?

   Moeten we dan zeggen dat de plant alleen maar niet weet wat ze doet omdat ze geen ogen, oren of hersenen heeft? Als we zeggen dat ze uitsluitend en alleen mechanisch handelt, moeten we dan niet toegeven dat allerlei andere, ogenschijnlijk zeer opzettelijke handelingen ook mechanisch zijn? Als wij het idee hebben dat de plant een vlieg mechanisch doodt en opeet, lijkt het voor de plant dan niet dat een mens een schaap ook mechanisch moet doden en opeten?

   Maar dan kan aangevoerd worden dat de plant niet over een denkvermogen beschikt, want dat de groei van een plant een onvrijwillige groei is. Als haar aarde, lucht en een geschikte temperatuur verschaft worden, moet de plant wel groeien: ze is als een klok die, eenmaal opgewonden, blijft lopen tot ze gestopt wordt of afgewonden is; als de wind die in de zeilen van een schip blaast - het schip moet voortgaan als de wind het voortblaast. Maar kan een gezonde jongen er iets aan doen dat hij groeit, als hij goed te eten en te drinken krijgt en deugdelijk gekleed is? is er ook maar iets dat enige inbreng heeft zolang het is opgewonden, of kan doorgaan nadat het afgewonden is? Is niet overal sprake van een opwindproces?

   Zelfs een aardappel1 in een donkere kelder, beschikt enigermate over een bepaalde slimheid, die haar uitstekend van pas komt. Zij weet heel goed wat ze wil en hoe dat te verkrijgen. Door het kelderraam ziet ze licht naar binnen komen en stuurt haar uitlopers daar kruipend regelrecht naartoe: ze zullen over de vloer, langs de muur omhoog en uit het raam kruipen; als er ergens onderweg wat aarde ligt, zal ze dat vinden en voor haar eigen doeleinden aanwenden. Wat ze doelbewust met haar wortels uitvoert, in het geval ze in de grond gestopt wordt, is iets dat we niet weten, maar we kunnen ons voorstellen dat ze zegt, 'ik wil hier een knol en daar een knol hebben en zal alles opzuigen uit mijn omgeving waarmee ik mijn voordeel kan doen. Deze buurman zal ik overschaduwen en die zal ik ondermijnen; en wat ik kan zal de grens vormen van wat ik doe. Wie sterker is en zich op een betere plaats bevindt dan ik, zal mij overwinnen en wie zwakker is zal ik overwinnen.'

   De aardappel zegt die dingen door ze te doen en dat is de allerbeste taal. Wat is bewustzijn, als dát geen bewustzijn is? We vinden het moeilijk om mee te leven met de emoties van een aardappel en dat geldt ook voor die van een oester. Beiden maken geen geluid als ze gekookt of opengemaakt worden en geluid spreekt ons sterker aan dan wat dan ook, omdat we zelf zoveel kabaal maken als we pijn hebben. Omdat ze ons dus niet lastigvallen met enige uiting van pijn, noemen we ze gevoelloos; en dat zijn ze dan ook voor de mensheid, maar de mensheid is niet iedereen.

   Als beweerd wordt dat het handelen van de aardappel uitsluitend iets chemisch en mechanisch is en teweeggebracht wordt door de chemische en mechanische werking van licht en warmte, lijkt het antwoord daarop te liggen in de vraag of dan niet elke gewaarwording in haar werking chemisch en mechanisch is? of de dingen die wij meestal als iets zuiver geestelijks zien, niets anders zijn dan verstoringen van het evenwicht in een oneindige reeks hefbomen, vanaf de hefboompjes die te klein zijn om met behulp van een microscoop waargenomen te worden, tot aan de menselijke arm en de werktuigen waarvan die gebruikmaakt? Of het denken niet een kwestie is van moleculaire werking, waaruit een dynamische theorie van de hartstochten af te leiden zal zijn? Of we ons, strikt gesproken, niet zouden moeten afvragen uit wat voor hefbomen de mens samengesteld is, in plaats van wat zijn temperament is? Hoe worden ze in evenwicht gehouden? Hoe veel van dit of dat is er nodig om ze in gang te zetten en hem zus of zo te laten doen?

   Of er moet erkend worden dat een groot gedeelte van het handelen, dat zuiver mechanisch en onbewust genoemd wordt, meer elementen van bewustzijn bevat dan tot nu toe erkend is (en in dat geval zullen in veel handelingen van hoger ontwikkelde machines kiemen van bewustzijn gevonden worden) - of (met aanvaarding van de evolutietheorie, maar tegelijkertijd ontkenning van dat planten en kristallen bewust handelen) de mensheid stamt af van dingen die helemaal geen bewustzijn hadden. In dat geval is het niet een a priori onwaarschijnlijkheid dat bewuste (en meer dan bewuste) machines voort zullen komen uit de tegenwoordig bestaande, behalve dan de machine die wordt aangedragen door de kennelijke afwezigheid van zoiets als een voortplantingssysteem in het domein van de mechanieken. Die afwezigheid is, zoals ik zo meteen zal laten zien, alleen maar ogenschijnlijk.

   Begrijp me niet verkeerd en denk niet dat ik in angst leef voor enige bestaande machine; waarschijnlijk is geen enkele bekende machine meer dan een prototype van het toekomstige mechanische leven. De huidige machines zijn voor de toekomst, wat de vroege sauriërs zijn voor de mens. De grootsten ervan zullen waarschijnlijk sterk in omvang afnemen. Sommige van de laagste gewervelde dieren hebben een veel grotere omvang bereikt, dan is overgedragen op hun hoger georganiseerde nu levende vertegenwoordigers, en op dezelfde manier is de ontwikkeling en vooruitgang van de machines vaak gepaard gegaan met een afname in grootte.

   Neem bijvoorbeeld het horloge; onderzoek zijn prachtige structuur; bekijk het slimme spel van de minieme onderdelen waaruit het is opgebouwd: toch is dat kleine schepseltje niets anders dan een ontwikkeling vanuit de logge klokken die eraan voorafgegaan zijn; het is er niet slechter op geworden. Er komt misschien een dag waarop klokken, die tegenwoordig in ieder geval niet in grootte afnemen, verdrongen zullen worden door het algemeen gebruik van horloges, in welk geval ze even uitgestorven zullen raken als de ichtyosaurussen, terwijl het horloge, dat al enige jaren de neiging vertoont in grootte af te nemen in plaats van het tegenovergestelde, het enige bestaande voorbeeld zal blijven van een uitgestorven ras.

   Maar om terug te keren op mijn betoog, zou ik willen herhalen dat ik niet bang ben voor de bestaande machines; waar ik wel bang voor ben is de buitengewone snelheid waarmee ze iets heel anders worden dan wat ze op dit moment zijn. Geen enkele soort wezens heeft in het verleden ooit een zo snelle beweging voorwaarts gemaakt. Moet die beweging niet angstvallig in de gaten gehouden en een halt toegeroepen worden, nu we dat nog kunnen? En moeten daarom niet de op dit moment gebruikte, verder ontwikkelde machines vernietigd worden, ondanks dat we moeten toegeven dat ze op zich ongevaarlijk zijn?

   Tot nu toe ontvangen de machines hun indrukken door middel van de zintuigen van de mens: de ene zich voortbewegende machine roept op een schrille waarschuwingstoon naar een andere en die trekt zich dan meteen terug; maar het is door middel van de oren van de bestuurder dat de een de ander beïnvloed heeft. Als er geen bestuurder was geweest, zou de geroepene doof geweest zijn voor de roepende. Ooit moet het hoogst onwaarschijnlijk hebben geleken dat machines zouden leren hun behoeften kenbaar te maken door middel van geluid, zelfs met behulp van de oren van de mens; mogen we dan niet bedenken dat er een dag zal aanbreken waarop die oren niet langer nodig zijn en dat luisteren zal plaatsvinden door middel van de verfijnde bouw van de machine zelf? - een dag waarop haar taal zich ontwikkeld zal hebben van de schreeuw van het dier tot een spraakvermogen dat even ingewikkeld is als dat van ons?

   Het is mogelijk dat kinderen tegen die tijd - net zoals ze leren praten - van hun moeders en verzorgsters leren differentiaalrekenen, of dat ze misschien meteen na hun geboorte al een hypothetisch taal kunnen spreken en sommen volgens de regel van drie maken; maar dat is onwaarschijnlijk; we kunnen niet rekenen op enige overeenkomstige vooruitgang in de intellectuele of fysieke vermogens van de mens, die een tegenwicht kan bieden tegen de veel grotere vooruitgang die voor de machines in het vooruitzicht lijkt te liggen. Sommige mensen zullen misschien zeggen dat de morele invloed van de mens toereikend zal zijn om ze in bedwang te houden; maar ik kan me niet voorstellen dat het ooit veilig zal zijn als er veel vertrouwen gesteld wordt in het morele gevoel van welke machine dan ook.

   Zou, anderzijds, de luister van de machines niet kunnen bestaan in het feit dat ze diezelfde zo opgehemelde gave van de taal missen? 'Zwijgen,' is ooit door een schrijver gezegd, 'is een deugd die ons aangenaam maakt voor onze medemensen.'

 

Maar dan dienen zich andere vragen bij ons aan. Wat is een mensenoog anders dan een machine om doorheen te kijken, voor het schepseltje dat daarachter in zijn hersenen zit? Tot enige tijd nadat de mens gestorven is, is het dode oog haast even goed als het levende. Het is niet het oog dat niet kan zien, maar de rusteloze die er niet doorheen kan kijken. Zijn het de ogen van de mens, of is het die grote kijkmachine die ons het bestaan onthuld heeft van werelden voorbij werelden, tot in het oneindige. Wat heeft de mens vertrouwd gemaakt met het maanlandschap, de zonnevlekken of de geografie van de planeten? Voor deze dingen is hij overgeleverd aan de genade van de kijkmachine en is machteloos tenzij hij die toevoegt aan zijn eigen identiteit en daarvan een wezenlijk deel van zichzelf maakt. Maar is het dan het oog, of is het het kijkmachientje dat ons het bestaan onthuld heeft van de oneindig kleine organismen die ongezien om ons heen zwermen?

   En neem het rekenvermogen van de mens, waarover zo hoog opgegeven wordt. Hebben we soms geen machines die allerlei berekeningen sneller en juister kunnen uitvoeren dan wij. Welke prijswinnaar in de Hypothetica van onze Universiteiten van Onredelijkheid kan zich op zijn eigen vakgebied meten met sommige van deze machines? Als precisie vereist is, vliegt de mens in feite meteen naar de machine, waaraan hij ver de voorkeur geeft boven zichzelf. Onze rekenmachines laten nooit een cijfer vallen, noch onze weefgetouwen een steek; de machine is doortastend en actief, waar de mens moe is; ze is scherpzinnig en bedaard, waar de mens dom en suf is; ze heeft geen rust nodig, waar de mens moet slapen of ophouden; altijd op haar post, altijd klaar voor het werk, nooit verslapt haar bereidwilligheid, nooit laat haar geduld haar in de steek; haar kracht is groter dan die van honderden mensen samen en ze is sneller dan de vogelvlucht; ze kan zich ondergronds een weg banen en de grootste rivieren oversteken zonder te zinken. Dat is de jonge boom; wat zal er gebeuren als hij uitgegroeid is?

   Wie kan zeggen dat een mens ziet of hoort? Hij is zo'n opeenhoping en zwerm van parasieten dat het twijfelachtig is of zijn lichaam niet meer van hen is dan van hemzelf en of hij eigenlijk niet anders is dan een soort mierenhoop. Kan de mens dan misschien zelf een soort parasiet op de machines worden? Een toegenegen, machines kietelende bladluis?

   Door sommigen wordt gezegd dat ons bloed samengesteld is uit een eindeloze hoeveelheid levende, werkzame deeltjes die langs de hoofd- en zijwegen op en neer gaan, zoals mensen in de straten van een stad. Als we vanaf een hooggelegen plek neerkijken op drukke verkeerswegen, is het dan mogelijk om niet te denken aan bloedlichaampjes die door de aderen reizen en het hart van de stad voeden? Om nog maar te zwijgen over de rioolbuizen, of de verborgen zenuwen die dienen om gewaarwordingen door te geven van het ene deel van het stadslichaam naar het andere; of de gapende kaken van de treinstations, waardoor de bloedstroom rechtstreeks naar het hart vervoerd wordt - dat de verbindingsaders opvangt en het slagaderlijk bloed uitstoot, met een eeuwige polsslag van mensen. En dan de slaap van de stad, wat levensecht! met haar veranderde verkeersstromen.

   Zelfs al zouden de machines nooit zo goed kunnen horen en nooit zo verstandig kunnen spreken, dan kan het antwoord zijn dat ze toch altijd het een of het ander in ons voordeel zullen doen en niet in dat van zichzelf; dat de mens de sturende kracht zal blijven en de machine de dienende; dat zodra een machine nalaat de dienst te leveren die de mens van haar verwacht, ze gedoemd is uit te sterven; dat de machines zich gewoon tot de mens verhouden als de lagere dieren, en de stoommachine zelf alleen maar een economischer soort paard is; zodat ze, in plaats van zich waarschijnlijk te ontwikkelen tot een hogere levensvorm dan die van de mens, hun bestaan en vooruitgang juist te danken hebben aan hun vermogen om te voorzien in menselijke behoeften en daarom zowel nu als altijd de mindere van de mens moeten blijven.

   Dat is allemaal tot daaraan toe. Maar met onmerkbare naderende stappen glipt de dienaar de meester binnen; en we zijn al zover gekomen dat het voor de mens, ook nu al, vreselijk lastig wordt als hij ophoudt de machine van dienst te zijn. Als alle machines tegelijkertijd vernietigd zouden worden, zodat de mens geen mes, hefboom, kledingstuk of wat dan ook overhoudt, maar alleen het blote lijf waarmee hij geboren is, en als hem alle kennis van de wetten van de mechanica afgenomen zou worden, zodat hij geen machines meer kan vervaardigen, en al het door machines gemaakte voedsel vernietigd zou worden, zodat de mens als het ware naakt achtergelaten wordt op een verlaten eiland, sterven we binnen zes weken uit. Een paar beklagenswaardige individuen zouden misschien kunnen overleven, maar zelfs zij zouden binnen een jaar of twee erger dan apen worden. De mens heeft zijn ziel juist te danken aan de machines; zij is iets dat machinaal vervaardigd is: hij denkt zoals hij denkt en voelt zoals hij voelt, dankzij de invloed die machines op hem uitgeoefend hebben en hun bestaan is evenzeer een sine qua non voor het zijne, als zijn bestaan voor het hunne. Dat feit verhindert ons dat we ons voornemen de hele machinerie te vernietigen, maar het betekent zonder meer dat we er zoveel van moeten vernietigen als wij kunnen missen, zodat ze ons niet nog vollediger kunnen tiranniseren.

   Natuurlijk lijkt het vanuit een strikt materialistisch standpunt dat degenen die, overal waar dat mogelijk voordeel oplevert, gebruik maken van machines, het best gedijen, maar dat is de list van de machines - ze dienen om te kunnen heersen. Ze koesteren geen wrok tegen de mens, als hij een hele soort van hen vernietigt, mits hij daarvoor in de plaats maar een betere vervaardigt; ze belonen hem juist overvloedig omdat hij daarmee hun ontwikkeling versneld heeft. Hij roept hun gramschap op door ze te verwaarlozen, minderwaardige machines in te zetten, zich onvoldoende inspanningen te getroosten om nieuwe uit te vinden of ze te vernietigen zonder ze te vervangen; toch zijn dat juist de dingen die we zouden moeten doen en snel ook; want onze rebellie tegen hun groeiende macht kan dan wel oneindig veel leed veroorzaken, maar wat zal er niet allemaal gebeuren als die rebellie uitgesteld wordt?

   Ze hebben dankbaar gebruik gemaakt van de kruiperige voorkeur van de mens voor zijn materiele boven zijn geestelijke belangen en hem verleid tot het verschaffen van dat element van strijd en oorlogvoering, zonder welke geen enkele soort vooruit kan komen. De lagere dieren ontwikkelen zich door met elkaar te strijden; de zwakkere sterven, de sterkere planten zich voort en dragen hun kracht over. De machines, die zelf niet kunnen strijden, hebben de mens ertoe gebracht voor hen te strijden: zolang hij die functie naar behoren vervult, gaat het allemaal goed met hem - althans dat denkt hij; maar op het moment dat hij nalaat zijn best te doen ten behoeve van de vooruitgang van de machinerie, door de goede aan te moedigen en de slechte te vernietigen, wordt hij voorbijgestreefd in de concurrentiestrijd; en dat betekent dat het hem op allerlei manieren lastig gemaakt wordt en hij misschien het loodje legt.

   Dat is de reden waarom de machines zelfs nu al alleen willen dienen, als ze zelf gediend worden en dat ook nog op hun eigen voorwaarden; op het moment dat niet aan hun voorwaarden voldaan wordt, komen ze in verzet en verpletteren zowel zichzelf als iedereen die ze kunnen bereiken, of ze worden onhandelbaar en weigeren helemaal te werken. Hoeveel mensen verkeren tegenwoordig niet in een toestand van slavernij aan de machines? Hoeveel mensen zijn niet hun hele leven bezig, van de wieg tot het graf, om ze dagelijkse te verzorgen? Is het niet duidelijk dat de machines terrein op ons winnen, als we denken aan het toenemend aantal mensen dat als slaaf aan hen gebonden is en aan degenen die hun hele ziel wijden aan de vooruitgang van het rijk der machines?

   De stoommachine moet voedsel toegediend krijgen en verbrandt dat zoals ook de mens dat doet; zij ondersteunt die verbranding met lucht, zoals ook de mens dat doet; zij heeft een polsslag en bloedcirculatie zoals ook de mens die heeft. Het is aannemelijk dat het menselijk lichaam tot nu toe het veelzijdigst is van de twee, maar dat is dan ook ouder; geef de stoommachine slechts de helft van de tijd die de mens heeft gehad, blijf haar daarnaast onze huidige overdreven liefde geven en kijk dan hoever ze binnen de kortste keren kan komen.

   Er zijn zonder twijfel bepaalde functies van de stoommachine die waarschijnlijk ontelbare jaren onveranderd zullen blijven - die in feite misschien zullen overleven wanneer het gebruik van stoom verouderd zal zijn: de zuiger en cilinder, de drijfstang, het vliegwiel en andere machineonderdelen, zullen waarschijnlijk blijvend zijn, net zoals we zien dat de mens en veel lagere dieren dezelfde manieren van eten, drinken en slapen delen; zo hebben ze een hart dat op dezelfde manier klopt als het onze, aderen en slagaderen, ogen oren en een neus; ze zuchten zelfs in hun slaap en huilen en gapen; ze houden van hun jongen; ze voelen genot en pijn, hoop, angst woede en schaamte; ze hebben een geheugen en voorzien dingen; ze weten dat ze zullen doodgaan als hen bepaalde dingen overkomen en zijn even bang voor de dood als wij; ze brengen hun gedachten aan elkaar over en sommigen van hen werken doelbewust met elkaar samen. De vergelijkbare overeenkomsten zijn eindeloos: ik signaleer die alleen omdat sommigen zullen zeggen dat de stoommachine, omdat die wat de kenmerkende onderdelen betreft waarschijnlijk niet verbeterd kan worden, in de toekomst waarschijnlijk helemaal geen uitgebreide verandering zal ondergaan. Dat is te mooi om waar te zijn: ze zal ten behoeve van een oneindige verscheidenheid aan doeleinden veranderd en aangepast worden, net zozeer als de mens veranderd is om vaardiger te zijn dan de wilde dieren.

   Intussen is de stoker bijna evenzeer een kok voor zijn machine, als onze eigen koks voor ons. Denk ook aan de mijnwerkers, kolenhandelaren en kolentreinen en de mensen die ze besturen en de schepen die kolen vervoeren - wat een leger aan knechten hebben die machines zodoende in dienst! Is het niet waarschijnlijk dat meer mensen bezig zijn met het verzorgen van machines dan van mensen? Eten machines niet als het ware door middel van mankracht? Roepen we niet zelf onze opvolgers in de heerschappij over de aarde in het leven? door dag in dag uit iets toe te voegen aan de schoonheid en verfijning van hun organisatie, door ze dag in dag uit vaardiger te maken en meer van die zelfregulerende en zelfwerkende kracht te verschaffen, die beter zal zijn dan enig intellect?

   Wat een nieuws zou het zijn als een machine zichzelf zou voeden! De ploeg, de spade en de kar moeten eten door middel van de maag van de mens; de brandstof dat ze in gang zet moet branden in de kachel van de mens of van paarden. De mens moet brood en vlees eten, want anders kan hij niet spitten; het brood en vlees zijn de brandstof die de spade aandrijft. Als een ploeg getrokken wordt door paarden, wordt de kracht verschaft door gras, bonen of haver, die verbrand worden in de buik van het dier en werkkracht leveren: zonder die brandstof zou het werk ophouden, net zoals een stoommachine zou stoppen als haar vuurkist dooft.

   Een wetenschapper heeft aangetoond 'dat geen enkel dier over het vermogen beschikt om mechanische energie voort te brengen, maar dat al het werk dat door een dier tijdens zijn leven verricht wordt en alle warmte die daarbij vrijkomt, samen met de warmte die verkregen wordt door het verbranden van het brandbare materiaal dat het tijdens zijn leven uit zijn lichaam afscheidt en door zijn lichaam na zijn dood te verbranden, alles bij elkaar precies evenveel zou zijn als de warmte die verkregen wordt door evenveel voedsel te verbranden als het tijdens zijn leven verbruikt, samen met een hoeveelheid brandstof die evenveel warmte zou opleveren als wanneer zijn lichaam meteen na zijn dood verbrand wordt.' Ik weet niet hoe hij dat ontdekt heeft, maar hij is een man van de wetenschap - hoe kan dan ingebracht worden tegen de toekomstige levensvatbaarheid van de machines dat ze, in hun tegenwoordige beginstadium, wezens die zelf niet in staat zijn mechanische energie voort te brengen, op hun wenken bedienen?

   Maar het belangrijkste punt dat aandacht verdient, omdat het een reden voor ongerustheid vormt, is dat er, terwijl vroeger dieren de enige maag van de machines waren, nu vele zijn die over een eigen maag beschikken en zelf hun voedsel verteren. Dat is een grote stap in de richting van het moment waarop ze, zo niet bezield, dan in ieder geval toch iets worden dat daar erg op lijkt en niet veel meer verschilt van ons eigen leven, dan dieren van planten. En als de mens, in bepaalde opzichten, het hogere schepsel zou blijven, is dat dan niet in overeenstemming met de gang van zaken in de natuur, die in sommige dingen superioriteit verleent aan dieren die, alles bij elkaar, al lang voorbijgestreefd zijn? Heeft ze de mier en bij niet toegestaan de meerdere te blijven van de mens wat betreft de organisatie van hun gemeenschap en sociale ordening, de vogel in het doorklieven van de lucht, de vissen in het zwemmen, het paard in kracht en snelheid en de hond in zelfopoffering?

   Sommigen met wie ik gesproken heb over dit onderwerp, hebben gezegd dat de machines zich nooit kunnen ontwikkelen tot een bezield of pseudo-bezield bestaan, omdat ze niet beschikken over een voortplantingssysteem en dat waarschijnlijk ook nooit zullen bezitten. Als dat zo opgevat wordt dat het betekent dat ze niet kunnen trouwen en we waarschijnlijk nooit een vruchtbare verbintenis tussen twee stoommachines zullen zien, met jonkies die bij de deur van de loods spelen, hoe graag we dat ook zouden willen, ben in bereid dat toe te geven. Maar het bezwaar is niet erg zwaarwegend. Niemand verwacht dat alle eigenschappen van de tegenwoordig bestaande constructies allemaal overgedragen worden aan een hele nieuwe levensvorm. Het voortplantingssysteem van dieren verschilt sterk van dat van planten, maar het zijn allebei voortplantingssystemen. Heeft de natuur alle stadia van dat vermogen dan opgebruikt?

   Als een machine stelselmatig een andere machine kan voortbrengen, kunnen we zeggen dat ze beschikt over een voortplantingssysteem. Wat is een voortplantingssysteem anders dan een systeem tot voortplanting? En hoe weinig machines zijn er die niet stelselmatig voortgebracht zijn door andere machines? Maar het is de mens die ze dat laat doen. Ja, maar zijn het soms niet insecten die ervoor zorgen dat veel planten zich kunnen voortplanten en zouden niet hele plantenfamilies uitsterven als hun bevruchting niet teweeggebracht wordt door dit soort bemiddelaars waar ze verder zelf niets mee te maken hebben? Is er iemand die zegt dat de rode klaver geen voortplantingssysteem heeft omdat de hommel (en uitsluitend de hommel) haar moet helpen en bijstaan voordat ze zich kan voortplanten? Niemand. De hommel maakt deel uit van het voortplantingssysteem van de klaver. Ieder van ons is voortgekomen uit minieme diertjes die helemaal anders waren dan wij en handelden naar hun soort, zonder acht te slaan of na te denken over wat wij daarvan zouden vinden. Deze kleine schepseltjes maken deel uit van ons voortplantingssysteem; waarom zouden wij dat dan niet zijn van dat van de machines?

   Maar machines die machines voortbrengen, brengen niet hun eigen soort machines voort. Een vingerhoed kan gemaakt worden door een machine, maar wordt niet gemaakt en zal ook nooit gemaakt worden door een vingerhoed. Als we ons richten op de natuur zullen we ook hier een overvloed aan analogieën vinden die ons leren dat een voortplantingssysteem volledig werkzaam kan zijn, zonder dat wat er voortgebracht wordt hetzelfde is als dat wat het voortbrengt. Heel weinig schepsels brengen iets gelijksoortigs voort; ze brengen iets voort dat de potentie heeft om te worden wat zijn ouders waren. Zo legt de vlinder een ei, dat een rups kan worden, die een pop kan worden, die een vlinder kan worden; en hoewel ik volmondig toegeef dat van de machines niet gezegd kan worden dat ze op dit moment meer dan een kiem bezitten van een echt voortplantingssysteem, hebben we dan niet zo-even gezien dat ze pas sinds kort het begin van een mond en maag gekregen hebben? En zou er dan niet een stap voorwaarts gezet kunnen worden in de richting van een echte voortplanting, die even groot kan zijn als de stap die onlangs gemaakt is in de richting van daadwerkelijk zichzelf voeden?

   Het is mogelijk dat het eenmaal ontwikkelde systeem, in veel gevallen iets is dat gedelegeerd wordt. Misschien zijn alleen maar bepaalde machinesoorten vruchtbaar, terwijl de rest binnen het mechanisch systeem andere functies vervult, op dezelfde manier als waarop de overgrote meerderheid van mieren en bijen niets te maken heeft met de voortzetting van hun soort, maar voedsel verzamelt en opslaat, zonder aan voortplanten te denken. Je kunt niet verwachten dat de parallel helemaal opgaat of ook maar in de buurt daarvan komt; in ieder geval nu niet en waarschijnlijk nooit; maar is er op dit moment niet sprake van voldoende analogie om ons ernstig zorgen te maken over de toekomst en het als onze plicht te beschouwen om het kwaad een halt toe te roepen nu het nog kan? Machines kunnen binnen bepaalde grenzen elk soort machine voortbrengen, hoezeer die ook van hen kan verschillen. Elke klasse van machines zal waarschijnlijk haar eigen fokmachines hebben en de meer ontwikkelde zullen hun bestaan danken aan een groot aantal ouders en niet maar aan twee.

   We zijn op het verkeerde spoor gebracht door elke ingewikkelde machine als iets afzonderlijks te zien; in werkelijkheid is het een stad of gemeenschap, waarvan ieder lid naar zijn eigen soort gefokt is. We zien een machine als één geheel, dat we een naam geven en als een individu beschouwen; we kijken naar onze lichaamsdelen en weten dat ze samen een individu vormen, dat voortkomt uit het voortplantingscentrum; we nemen daarom aan dat er geen sprake kan zijn van voortplantingsactiviteit als die niet uitgaat van een enkel centrum; maar die aanname is onwetenschappelijk en alleen het feit dat er nooit een stoommachine helemaal vervaardigd is door een andere, of twee andere eigensoortige, is niet voldoende om de uitspraak te rechtvaardigen dat stoommachines niet beschikken over een voortplantingssysteem. De waarheid is dat elk onderdeel van elke stoommachine gefokt is door haar eigen speciale fokmachines, die de functie hebben dat, en alleen dat, onderdeel te fokken, terwijl het samenstellen van de onderdelen tot een geheel, een andere afdeling is van het mechanisch voortplantingssysteem, dat op dit moment nog buitengewoon ingewikkeld en moeilijk als één geheel is te overzien.

   Nu is het nog ingewikkeld, maar hoeveel eenvoudiger en begrijpelijker georganiseerd zou het niet kunnen worden over nog eens honderdduizend jaar? of twintigduizend jaar? Want tegenwoordig denkt de mens dat zijn belang in die richting ligt; hij besteedt een onmetelijke hoeveelheid arbeid, tijd en denken om ervoor te zorgen dat machines zich steeds beter voortplanten; hij heeft al veel kunnen verwezenlijken dat ooit onmogelijk leek en de resultaten van opeenvolgende verbeteringen lijken geen grenzen te kennen, als die met aanpassingen van de ene op de andere generatie overgedragen kunnen worden. Maar bedenk altijd dat het menselijk lichaam is wat het is, omdat het in miljoenen jaren door toevallige gebeurtenissen en veranderingen tot zijn huidige vorm gekneed is, maar dat de structuur ervan nooit voortgeschreden is met de snelheid waarmee die van de machines voortgang boekt. Dat is het meest verontrustende aan de zaak en het moet me niet kwalijk genomen worden dat ik daarop zo vaak hamer.

 

Kunnen we ons dan niet voorstellen dat als, in het oudste geologisch tijdperk, een of andere vroege plantaardige levensvorm begiftigd was met het vermogen om na te denken over het beginnende dierenleven dat naast het hare begon te ontluiken, zij zichzelf buitengewoon scherpzinnig zou hebben gevonden als ze vermoed had dat dieren op zeker moment echte planten zouden worden? Maar zou dat onjuister zijn dan als wij ons van onze kant zouden voorstellen - omdat het leven van machines zo heel anders is dan dat van ons - dat het leven zich daarom niet tot een hogere vorm kan ontwikkelen dan die van ons; of dat het mechanische leven, omdat het heel iets anders is dan dat van ons, helemaal geen leven is?

   Maar ik heb horen zeggen: 'stel dat dat het geval is en de stoommachine een eigen kracht heeft, dan zal toch niemand zeggen dat zij ook een eigen wil heeft?' Helaas, als we het nader bezien, dan zullen we merken dat dat niet pleit tegen de veronderstelling dat de stoommachine een van de kiemen is van een nieuw levensstadium. Wat heeft in deze hele wereld of in de werelden daarbuiten, een eigen wil? Alleen het Onbekende en Onkenbare!

   Een mens is het resultaat en de vertegenwoordiger van alle krachten die op hem ingewerkt hebben, zowel vóór zijn geboorte als daarna. Elk moment hangt zijn handelen alleen af van zijn gesteldheid en de intensiteit en richting van allerlei invloeden waaraan hij onderhevig is geweest en is. Sommige daarvan zullen elkaar tegenwerken; maar zoals hij van nature is en zoals hij van buitenaf beïnvloed is, zal hij even zeker en ordelijk handelen, alsof hij een machine is.

   We geven dat doorgaans niet toe, omdat we niet ieders hele aard kennen of het geheel van krachten die op hem inwerken. We zien maar een gedeelte en omdat we daarom het menselijk gedrag alleen maar heel globaal kunnen veralgemenen, ontkennen we dat het onderhevig is aan vaste wetten en schrijven we veel van het karakter en handelen van de mens toe aan toeval, geluk of pech; maar dat zijn alleen maar woorden, waardoor we niet hoeven toe te geven dat we het zelf niet weten; en enige overweging zal ons leren dat de gewaagdste vlucht van de verbeelding of het subtielste gebruik van het verstand, het enige is dat moet en mogelijkerwijs kan plaatsvinden, op het moment dat het plaatsvindt, zoals het vallen van een dood blad als de wind het van de boom schudt.

   Want de toekomst hangt af van het heden en het heden (het bestaan daarvan is maar één van die kleine compromissen waarvan het mensenleven vol zit - want het leeft slechts dankzij verleden en toekomst) hangt af van het verleden en het verleden kan niet veranderd worden. De enige reden waarom we de toekomst niet even duidelijk kunnen zien als het verleden, is omdat we te weinig afweten van het werkelijke verleden en het werkelijke heden; dat zijn zaken die te groot zijn voor ons, want anders zou de toekomst, tot in de kleinste details, voor onze ogen uitgespreid liggen en zouden we ons gevoel voor het heden verliezen, vanwege de duidelijkheid waarmee we verleden en toekomst dan zouden zien; misschien zouden we dan niet eens de tijd kunnen onderscheiden; maar dat is niet ter zake doende. Wat we wel weten is dat hoe meer verleden en heden bekend zijn, hoe beter de toekomst voorspeld kan worden; en dat het in niemands hoofd opkomt te betwijfelen dat de toekomst vaststaat, in die gevallen waarin hij volledig op de hoogte is van zowel verleden als heden en in eerdere gevallen de gevolgen ervaren heeft die uit zo'n verleden en heden voortgekomen zijn. Hij weet precies wat er gaat gebeuren en zal al zijn geld daarop durven verwedden.

   En dat is een grote zegen; want het is het fundament waarop moraal en wetenschap gebouwd zijn. De zekerheid dat de toekomst niet iets willekeurigs en veranderlijks is, maar dat dezelfde toekomsten onveranderlijk zullen volgen op dezelfde hedens, is de grondslag waarop wij al onze plannen baseren - het geloof waarmee we elke bewuste handeling in ons leven uitvoeren. Als dat niet het geval was, zouden we geen leidraad hebben; zouden we geen vertrouwen hebben in ons handelen en daarom nooit handelen, want we zouden niet weten dat de resultaten die nu volgen, dezelfde zijn als die eerder het gevolg waren.

   Wie zou nog ploegen of zaaien, als hij niet gelooft dat de toekomst vaststaat? Wie zou nog water op een brandend huis gooien als de uitwerking van water op vuur onzeker was? Mensen zullen alleen hun uiterste best doen als ze zeker weten dat de toekomst zich tegen hen zal keren, als ze dat niet gedaan hebben. Het gevoel van die zekerheid is een onderdeel van het geheel van krachten die op hen inwerken en dat het krachtigst zal doen op de beste en deugdzaamste mensen. Degenen die er het sterkst van overtuigd zijn dat de toekomst onveranderlijk verbonden is met het heden waarin hun werk ligt, zullen het best woekeren met het heden en het met de meeste zorg bewerken. Voor mensen die denken dat dezelfde combinaties soms voorafgaan aan de ene soort resultaten en soms aan een ander soort, moet de toekomst een loterij zijn. Als ze dat echt geloven zullen ze gaan speculeren in plaats van werken: dat moeten dan immorele mensen zijn; de andere ondervinden een zeer krachtige prikkel tot inspanningen en een deugdzaam leven, als hun geloof maar levend is.

   De invloed die dat alles heeft op de machines, is niet onmiddellijk duidelijk, maar zal dat zo meteen wel worden. Intussen moet ik eerst nog wat vrienden onder handen nemen, die me vertellen dat de toekomst, met betrekking tot de anorganische materie en in sommige opzichten ook tot de mens, weliswaar vaststaat, maar toch op allerlei manieren niet als vaststaand gezien kan worden. Ze zeggen dus dat als droge houtkrullen blootgesteld worden aan vuur en goed voorzien worden van zuurstof, dat altijd een vlammenzee geeft, maar dat als een lafaard in contact gebracht wordt met iets angstaanjagends, dat niet altijd een wegvluchtende man oplevert. Maar stel dat er twee lafaards zijn, die in alle opzichten helemaal aan elkaar gelijk zijn; als die dan op precies dezelfde manier blootgesteld worden aan twee angstaanjagende dingen, die zelf ook weer precies gelijk zijn aan elkaar, zullen er maar weinig mensen zijn die niet verwachten dat ze er op precies dezelfde manier vandoor gaan, zelfs als er duizend jaar liggen tussen de oorspronkelijke combinatie en de herhaling daarvan.

   De kennelijk grotere regelmaat van de resultaten van chemische dan van menselijke combinaties, komt voort uit ons onvermogen om de subtiele verschillen te onderscheiden in menselijke combinaties - combinaties die nooit helemaal precies herhaald worden. Vuur kennen we en houtkrullen kennen we ook, maar nooit twee mensen die ooit precies gelijk waren of zullen zijn; en het geringste verschil kan de hele toestand van het probleem veranderen. Ons resultatenarchief moet eerst oneindig groot zijn voordat we een volledige voorspelling kunnen doen van toekomstige combinaties; het wonderlijke is dat er zoveel zekerheid is over het menselijk handelen als er is; en zonder twijfel geldt dat hoe ouder we worden, hoe zekerder we ons voelen over wat de ene of de andere persoon zal doen onder bepaalde omstandigheden; maar dat zou nooit het geval kunnen zijn, als het menselijk gedrag niet onder invloed zou staan van wetten, met de werking waarvan we door ervaring steeds vertrouwder worden.

   Als het bovenstaande juist is, volgt daaruit dat de regelmaat waarmee machines handelen, geen bewijs is van de afwezigheid van levenskracht, of althans van kiemen die zich kunnen ontwikkelen tot een nieuw levensstadium. Op het eerste gezicht kan het inderdaad lijken dat een stoomlocomotief er niets aan kan doen dat ze vooruitgaat als ze, vol op stoom en met het aandrijfmechanisme in volle gang, op de rails wordt gezet; terwijl de mens, wiens taak het is haar te besturen, op elk gewenst moment daarop invloed kan uitoefenen; zodat de eerste niets uit zichzelf kan doen en op geen enkele manier een vrije wil heeft, terwijl de tweede over beiden beschikt.

   Dat geldt tot op een zekere hoogte; de machinist kan de locomotief op elk gewenst moment stoppen, maar hij kan dat alleen maar willen op bepaalde, door anderen vastgestelde momenten, of in het geval van onverwachte hindernissen die hem dwingen dat te willen. Dat willen is niet spontaan; er bevindt zich een onzichtbaar koor van invloeden om hem heen, waardoor het voor hem onmogelijk wordt anders dan op een enkele manier te handelen. Het staat bij voorbaat vast hoeveel kracht er aan die invloeden toegekend moet worden, net zoals bij voorbaat vaststaat hoeveel kolen en water de locomotief zelf nodig heeft; en het is heel opmerkelijk dat zal blijken dat de invloeden die op de machinist uitgeoefend worden, gelijksoortig zijn aan die op de locomotief uitgeoefend worden - dat wil zeggen, voedsel en warmte. De machinist gehoorzaamt zijn bazen, omdat hij van hen voedsel en warmte krijgt en als hem die onthouden of in onvoldoende hoeveelheden verschaft worden, zal hij stoppen met zijn werk; op dezelfde manier zal de locomotief het werk staken als zij onvoldoende gevoed wordt. Het enige verschil is dat de mens zich bewust is van zijn behoeften, en de locomotief (afgezien van het weigeren van werk) dat niet schijnt te zijn; maar dat is tijdelijk en is hierboven al besproken.

   Dus als de drijfveren die de machinist moeten aansturen maar voldoende sterk zijn, zal er nooit of nauwelijks een geval voorkomen van iemand die zijn locomotief moedwillig stilzet. Maar zoiets zou toch kunnen gebeuren; ja, en het zou ook kunnen gebeuren dat de locomotief kapot gaat: maar als de trein om een of andere onbeduidende reden gestopt wordt, zal blijken dat óf de kracht van de noodzakelijke invloeden verkeerd ingeschat is, óf dat de man verkeerd is ingeschat, op dezelfde manier als een locomotief het op kan geven door een onvermoed gebrek; maar zelfs in dat geval zal er geen sprake zijn geweest van iets spontaans; het gebeuren zal zijn eigen daaraan voorafgaande oorzaken hebben gehad: spontaniteit is alleen maar een term voor de onbekendheid van de mens aangaande de goden.

   Is er dan ook geen spontaniteit van de kant van degenen die de machinist aansturen?

   Uiteindelijk komt het erop neer dat het verschil tussen het leven van de mens en dat van de machine eerder een kwestie van gradatie dan van aard is, hoewel er geen gebrek is aan verschillen van aard. Een dier beschikt over meer voorzieningen voor noodsituaties dan een machine. De machine is minder wendbaar; haar actieradius is gering; haar kracht en precisie op haar eigen gebied is bovenmenselijk, maar ze brengt het er slecht vanaf in een netelige situatie; als haar normale activiteit gehinderd wordt, zal ze soms haar hoofd verliezen en van kwaad tot erger komen, zoals een krankzinnige in een vlaag van razernij: maar hier dient zich weer dezelfde overweging aan als eerder, namelijk dat de machines nog in een beginstadium verkeren; ze zijn niet meer dan een skelet zonder spieren en vlees.

   Op hoeveel noodsituaties is de oester berekend? Op zoveel als haar waarschijnlijk zullen overkomen en niet meer. Dat geldt ook voor de machines en de mens zelf. De lijst van ongevallen die de mens dag in dag uit overkomen door zijn gebrekkige aanpassingsvermogen is waarschijnlijk even lang als die van de machines; en elke dag geeft hen wat meer voorzieningen voor het onvoorziene. Laat iemand maar eens de prachtige, zelfregulerende en zichzelf aanpassende mechanieken onder de loep nemen die tegenwoordig deel uitmaken van de stoommachine; laat hem bekijken hoe zij zichzelf van olie voorziet; hoe ze haar behoeften aangeeft aan degenen die haar verzorgen; hoe ze met haar toerenregelaar het gebruik van haar eigen kracht regelt; laat hem kijken naar die opslagplaats van traagheid en stuwkracht, het vliegwiel, of naar de buffers van een treinwagon; laat hem zien hoe een blijvende selectie wordt gemaakt van die verbeteringen, die voorziening inhouden tegen de noodsituaties die zich kunnen voordoen om de machines te teisteren en laat hem dan denken aan honderdduizend jaar en alle vooruitgang die hem dat zullen brengen, tenzij de mens wakker geschud kan worden en oog krijgt voor zijn situatie en de ondergang die hij voor zichzelf aan het toebereiden is.*

   De ellende is dat de mens al zo lang blind geweest is. Door zich te verlaten op het gebruik van stoom heeft hij zich laten verleiden tot groei en toename in aantal. Als de stoomkracht opeens zou verdwijnen, zal dat niet tot gevolg hebben dat we terugvallen in de toestand waarin we verkeerden voordat die werd ingevoerd? De hele boel zal in elkaar klappen en er zal een tijd volgen van een ongekende anarchie; het zal zijn alsof onze bevolking plotsklaps verdubbeld is, zonder dat er aanvullende middelen zijn om het toegenomen aantal mensen te voeden. De lucht die we inademen is nauwelijks noodzakelijker voor ons fysieke leven dan het gebruik van machines - waarvan wij de kracht benut hebben om in aantal toe te kunnen nemen - dat is voor onze beschaving; het zijn evenzeer de machines die de mens beïnvloeden en hem tot mens maken, als dat de mens invloed uitgeoefend heeft op de machines die hij gemaakt heeft; maar we moeten kiezen tussen de mogelijkheid om nu te lijden of toe te zien hoe we langzamerhand verdrongen worden door onze eigen maaksels, totdat we vergeleken daarmee niet hoger staan dan de wilde dieren in het veld met ons.

   Daarin schuilt voor ons het gevaar. Want velen lijken geneigd om in een zo oneervolle toekomst te berusten. Ze zeggen dat de mens, al zou hij voor de machines worden wat paard en hond zijn voor ons, toch zal overleven en waarschijnlijk beter af zal zijn in een gedomesticeerde toestand onder het welwillende bewind van de machines dan in zijn huidige ongetemde toestand. Wij behandelen onze huisdieren heel vriendelijk. We geven ze alles waarvan we denken dat dat het beste voor ze is; en het lijdt geen twijfel dat ons vleesgebruik heeft bijgedragen aan hun geluk in plaats van daaraan afbreuk te doen. Op dezelfde manier is er reden om te hopen dat de machines welwillend gebruik van ons zullen maken, want hun bestaan zal in hoge mate afhankelijk zijn van dat van ons; ze zullen ons met ijzeren hand regeren, maar ons niet opeten; ze zullen niet alleen onze diensten nodig hebben bij het voortplanten en het opvoeden van hun jongen, maar ook als knecht om ze te verzorgen; om voedsel voor ze te verzamelen en ze te voeden; ze weer gezond te maken als ze ziek zijn; en om hun doden te begraven of hun gestorven leden te verwerken tot nieuwe mechanische bestaansvormen.

   Juist de aard van de drijvende kracht die de verdere ontwikkeling van de machines bewerkstelligt, sluit de mogelijkheid uit dat het leven van de mens een leven van ellende en slavernij wordt. Slaven zijn redelijk gelukkig als ze een goede baas hebben en de revolutie zal niet uitbreken in onze tijd en waarschijnlijk ook niet binnen tienduizend jaar of tien keer zolang. Is het verstandig om je zorgen te maken over een zo ver verwijderde mogelijkheid? De mens is geen sentimenteel dier als het om zijn materiële belangen gaat en hoewel hier en daar een vurige ziel naar zichzelf zal kijken en zijn lot zal vervloeken omdat hij niet als stoommachine geboren is, zal het overgrote deel van de mensheid berusten in elke regeling die het tegen geringere kosten beter voedsel en kleding geeft en zich niet overgeven aan onredelijke jaloezie, louter en alleen omdat er luisterrijkere lotsbestemmingen bestaan dan die van haar.

   De macht der gewoonte is enorm en de verandering zal zo geleidelijk plaatsvinden, dat het besef van de mens over wat hem overkomt geen moment erg geschokt zal zijn; onze slavernij zal ons geruisloos en met onmerkbare stappen besluipen; evenmin zullen de verlangens van mens en machine ooit zodanig met elkaar botsen dat het tot een onderlinge krachtmeting zal leiden. Onder elkaar zullen de machines altijd oorlog voeren, maar ze zullen nog steeds de mens nodig hebben als het wezen, door wiens bemiddeling die strijd hoofdzakelijk gevoerd zal worden. In feite is er geen reden voor bezorgdheid voor het toekomstig geluk van de mens, zolang hij maar op enigerlei manier van nut blijft voor de machines; misschien wordt hij wel het ondergeschikte ras, maar ook dan zal hij oneindig veel beter af zijn dan nu. Is het dan niet zowel absurd als onredelijk om jaloers te zijn op onze weldoeners? En zouden we ons niet schuldig maken aan totale waanzin als we de voordelen zouden afwijzen, die we niet op een andere manier kunnen verkrijgen, alleen omdat ze meer opleveren voor anderen dan voor onszelf?

   Met degenen die zo redeneren, heb ik niets gemeen. Ik krimp met evenveel afschuw ineen bij het idee dat mijn soort ooit verdrongen of voorbijgestreefd kan worden, als bij het idee dat mijn voorouders, zelfs in het verste verleden, iets anders dan menselijke wezens waren. Als ik zou geloven dat tienduizend jaar geleden ook maar één van mijn voorouders een ander soort wezen was dan ik, zou ik alle zelfrespect verliezen en verder in het leven geen genoegen en belangstelling meer vinden. Datzelfde gevoel heb ik ten aanzien van mijn nakomelingen en ik denk dat dat zo algemeen verbreid is, dat het land zal besluiten om onmiddellijk een halt toe te roepen aan elke verdere mechanische ontwikkeling en alle verbeteringen zal vernietigen die de afgelopen driehonderd jaar doorgevoerd zijn. Dat is het enige waarop ik aandring. We kunnen erop vertrouwen dat we, wat er dan nog overblijft, wel aankunnen en hoewel ik liever zou zien dat die vernietiging voor nog tweehonderd jaar meer zou gelden, besef ik de noodzaak van compromissen en zou ik mijn eigen individuele overtuigingen in zoverre willen opofferen, dat ik genoegen neem met die driehonderd. Minder zal onvoldoende zijn.

 

 

Het transhumanisme dat technologie beschouwt als een verlengstuk is van de natuur en dat technologische ontwikkelingen ziet als een voortzetting zijn van de biologische evolutie, bestrijdt de opvatting die Dawkins verdedigt in onder meer De Blinde Horlogemaker, namelijk dat organische evolutie willekeurig en ongericht zou zijn. Het religieuze idee van de mens als evolutionaire eindbestemming behoort tot het tijdperk dat mensen geloven in heilige geschriften en het hiernamaals. Het transhumanisme voorziet de mens nog vaak van een actieve deelname aan toekomstige samenlevingen, bijvoorbeeld als cyborgs. Een transorganische maatschappij zou geheel zonder organische input moeten kunnen functioneren, bijvoorbeeld op een ander hemellichaam, terwijl mensen (en andere organismen) relatief onafhankelijk daarvan hun eigen bestaan kunnen leiden.

   De grote angst die voor een dergelijke, door machines overheerste toekomst bestaat is geworteld in wantrouwen (jegens de rijke bovenlaag die de rest van de wereld wel weer een loer zal draaien) en schuldgevoel (vanwege de manier waarop wij allemaal met de rest van de levende en niet-levende wereld zijn omgegaan) en feitelijk dus imaginair en strikt genomen ongegrond. Geen dystopie maar wellicht een utopie.

 

 


Bronnen:

Samuel Butler. Erewhon: de Omgekeerde Wereld. Ambo, 1994

Jack Haldane. Daedalos or Science and the Future. Dutton, 1925

Dieter Hammer. Transhumanisme en de Toekomst van het Menszijn. Nearchus, 2018

Donna Haraway. Een Cyborg Manifest. De Balie, 1994

Hans Moravec. Mind Children. Harvard University Press, 1988

Jos de Mul. Cyberspace Odyssee. Klement, 2002

Marc O’Connell. De Mensmachine. Podium, 2018

Romain Rolland. The Revolt of the Machines. Dragon Press, 1932

Han Ryner. The Revolt of the Machines. 1896 (https://theanarchistlibrary.org/library/han-ryner-the-revolt-of-the-machines)

HET ONTKETEND INTELLECT

door

ROMAIN ROLLAND

https://fr.wikisource.org/wiki/La_R%C3%A9volte_des_machines_(Rolland)

 

In 1921 hadden vrienden van de Vlaamse graficus en houtsnijder Frans Masereel zijn aandacht gevestigd op de uitdrukkingsmogelijkheden die de film voor zijn werk zou kunnen bie-den. De kunstenaar nam naar aanleiding daarvan contact op met zijn vriend Romain Rolland, die meteen enthousiast was over het idee. Binnen twee weken schreef hij onderstaand scenario, dat vele bewerkingen onderging en in 1921, geïllustreerd door Masereel, in een zeer beperkte oplage gepubliceerd, maar nooit in de handel gebracht werd. Rolland heeft zich tijdens zijn leven altijd verzet tegen een uitgave in boekvorm omdat hij, zoals hij aan Masereel schreef: De Opstand der Machines niet door mij geschreven is om te worden gelezen, maar om te worden gezien. Een verfilming er nooit van gekomen.

 

DRAMATIS PERSONAE

De Meester der Machines, MARTIN PILON, bijgenaamd MARTEAU PILON, 45 à 50 jaar.

Félicité PILON, zijn vrouw

DE PRESIDENT, 50 à 60 jaar

DE SCHONE HORTENCE, de beroemde toneelspeelster

AVIèTTE, 18 à 20 jaar

ROMINET, jonge elektricien, leerling van Marteau Pilon, 25 jaar

BICORNEILLE, geleerde

AGENOR, diplomaat

De Ceremoniemeester

De Aartsmaarschalk

Buitenlandse Vorsten

Parvenu's

IJdeltuiten

Officiële personages

Werklieden

Boeren

De Volken (mensen en dieren)

De Machines

EERSTE BEDRIJF


De mens heerser over de machine

 

Het bedrijf speelt zich af in een reusachtige machinehal

 

TAFEREEL

Een galerij van de eerste verdieping bovenaan een brede trap, vanwaar je een volledig overzicht hebt over de reusachtige hal en zijn machinevolk. Een roltrottoir gaat omhoog langs de trap, waarvan het de middelste baan in beslag neemt en komt uit op de gaanderij. Als een glijbaan golft het trottoir (zoals je straks zal zien) rondom de hal, klimt omhoog naar de galerij van de eerste verdieping, om daarna weer in bochten af te dalen. Aan het andere uiterste van de hal komt het uit op een groot podium, precies tegenover de gaanderij van de brede trap.

 

Op dit toneel vindt de plechtigheid plaats, die verderop beschreven zal worden.

 

Het is de dag van de officiële opening. Het machineleger staat op zijn plaats, onbeweeglijk.

 

Aan weerszijden van het roltrottoir en op de brede trap, waarop je neerkijkt, en op de gaanderij van de eerste verdieping, staat een haag van soldaten in schitterende uniformen. Daarachter verdringt zich een menigte om de verwachte stoet te zien.

 

Muziek. (Orkest en koren). De soldaten presenteren het geweer.

 

Onder toejuichingen treedt de stoet binnen. Langzaam en met een beetje potsierlijke plechtstatigheid, wordt hij voortgedragen door het roltrottoir. Ter hoogte van de open ruimte op de eerste verdieping gekomen, beschrijft hij een halve cirkel, keert dan linksom.

 

De personen, die in deze geschiedenis de belangrijkste rol zullen spelen, ziet de toeschouwer bij deze eerste ontmoeting slechts voorbijgaan. Later zal hij ze afzonderlijk nader leren kennen.

Een algemeen overzicht kan hier volstaan:

Aan het hoofd de President met enkele buitenlandse heersers (Aziatische vorsten, Afrikaanse koningen, half in kledij uit Duizend en Eén Nacht, half in Europees galakostuum); achter hen, de opgesmukte gezanten van allerlei landaard en kleur, generaals met pluimen en gouden biezen, officieren in alle mogelijke uniformen, geleerden, parlementsleden. Het schone geslacht is in de stoet vertegenwoordigd door de vrouwen van enkele hoogwaardigheidsbekleders, toneelspeelsters, vrouwen uit de society, bekende schoonheden en andere vogels van divers pluimage uit AL-STAD, vermaard vanwege hun verdienste. De enscenering moet vooral het licht op bepaalde groepen van de stoet werpen:

 

In de eerste plaats de Meester der Machines, wiens indrukwekkende persoonlijkheid meteen de aandacht moet trekken; dicht in zijn buurt zijn vrouw, ingenieurs en helpers.

Dan de schone Hortence en haar kleine gevolg. Daarna de jeugdige Aviètte en een troepje vrolijke jongelieden. Tenslotte enkele officiële persoonlijkheden zoals de oude geleerde Bicorneille, de diplomaat Agenor, enzovoort.

 

De stoet op het roltrottoir slaat linksaf en beweegt zich rondom de grote hal, nu eens op de eerste verdieping, dan weer afdalend tot de begane grond, zodat van alle kanten de monsterachtige en fantastische machines te zien zijn. Ten slotte komt hij uit op een wijd amfitheater in het achterste gedeelte van de hal, van waaruit je een overzicht hebt over de zaal. Hij draait langs de balustrade en eindelijk aan de rechterkant van het toneel gekomen, keert hij half linksom en houdt stil aan de voet van een podium in het midden van het toneel, waarop rijen stoelen geplaatst zijn.

 

Op de eerste rij statiezetels voor de President en de vorsten. Andere zitplaatsen, minder statig, maar ook op de eerste rij, voor de Meester der Machines en de belangrijkste persoonlijkheden.

Nadat zij plaats hebben genomen, ziet de toeschouwer als het ware door hun ogen beurtelings de hele hal, waarop zij neerkijken, en de menigte, die hen toejuicht, rechts, links en beneden. Vervolgens, van onderaf, door de ogen van de menigte, het toneel, en de officiële persoonlijkheden die er zitten. Tenslotte, in uitvergrote beelden, één voor één de gezichten van de helden uit het verhaal.

 

I De President, een grote nul, plechtig en minzaam, met een eeuwige glimlach, iemand, die nooit iets begrijpt; maar een sympathiek en goedig man.

 

II De Meester van de Machines, Martin Pilon; door zijn arbeiders: Marteau Pilon genoemd, en door zijn lasteraars: Maffe Pilon. Veertig tot vijftig jaar, atletische gestalte. Indrukwekkende kop, lichtelijk vertrokken mond, daadkrachtige, stroeve uitdrukking, die soms vreemd bits en minachtend wordt. Hoekige, onhandige, bezeten bewegingen; een geweldige, ingehouden heftigheid.

Men voelt dat allerlei hartstochten in hem gloeien, grote zowel als kleinzielige. Zijn verschijning werkt op de lachspieren (van leeghoofden); maar helemaal belachelijk is hij nooit. Buitengewoon nerveus en geladen met onbewuste spanningen.


III Zijn vrouw, Félicité, een knappe vrouw, een beetje zwaarlijvig en lomp, niet heel jong meer; nogal vreemdsoortig uitgedost, als een forse boerin op haar zondags. Beschaafde mensen lachen ook om haar gemakkelijk. Dat laat haar volkomen koud; terwijl haar man, - zeer gevoelig, - er onder lijdt
en er door wordt geprikkeld. Zij heeft een onverstoorbare kalmte, scherp oog, scherpe tong en harde hand.

IV De Schone Hortence, de beroemde toneelspeelster, groot, blond, weelderig, schitterend getooid met pluimen en strikken, modekoningin, en rijkelijk stompzinnig. Zij maakt deel uit van alle officiële plechtigheden in de Republiek der Machines, zij is er een onmisbaar inventarisstuk van.

 

V De jeugdige Aviètte, achttien tot twintig jaar, sportief, goedlachs, gewiekst, nergens bang voor, nergens ontzag voor, is er slechts op uit zich te vermaken; behendig, lenig, onbezonnen, onvoorzichtig, schaamteloos spotziek, en haar vriend Rominet, de jonge elektricien, leerling en gunsteling van Martin Pilon, twintig tot vijfentwintig jaar, ook levendig, goedlachs, spits en slim als een aap.

VI Enkele min of meer karikaturale figuren uit de stoet: geleerden, diplomaten, papegaaien en paas-ossen.

De president bestijgt het podium en leest de openingsrede voor, waarvan het verloop in sterk sprekende beelden op het doek verschijnt. (Tijdens de rede ziet men onderaan het doek de bovengedeelten van de lichamen van de luisterende officiële persoonlijkheden en hun stille gebaren.)

De rede van de President is een lofzang op de Beschaving, op de Wetenschap en het Menselijk Denken, Beheerser van de Natuur. Tegenover de Eeuw der Verlichting stelt de spreker het Duistere Verleden. Op zijn manier schetst hij de loop van de menselijke geschiedenis. Diep beklagenswaardig acht hij onze onwetende voorouders, die zo zwaar zwoegden om de eenvoudigste handelingen te volbrengen.

 

De President legt een vernietigende ironie aan de dag voor het landelijk leven van weleer. In karikaturale beelden worden de hoofdmomenten uit de toespraak op het doek weergegeven, en nader omschreven door de volgende zinsneden, eveneens op het doek geprojecteerd:

 

  1. De Mensheid, Mijne Heren, heeft haar stralend hoogtepunt bereikt......
  2. Na tachtig eeuwen van afmattend opklimmen, zijn de diepste duisternis van nacht en afgrond....
  3. Wat een tegenstelling, Mijne Heren!.... Aan de voet de arme schepsels, nog nauwelijks uit het slijk der aarde bevrijd die, met ongelooflijke inspanningen en moeiten, haar korst als wormen doorwroeten. Bovenaan, halfgoden, omgeven met een stralenkrans van vernuft, heer en meester van de natuur.
  4. Stelt u zich eens voor, Mijne Heren, welke belachelijke inspanningen de mens zich vroeger heeft moeten getroosten om het meest eenvoudige te bereiken, om uit de aarde zijn dagelijks brood te winnen.

 

De oude Adam, geheel naakt, die de harde bodem, vol doornige bramen, slangen en hoekige stenen, omwoelt, en elk moment ophoudt, om het zweet van zich af te wissen.

 

  1. Dichter bij ons, die lachwekkende ploegen, getrokken door ossen, die dierlijke voortbeweging met de snelheid van een schildpad, die zonderlinge werktuigen, die ouderwetse zeisen, dat belachelijke "landelijk leven", dat onze voorouders zo in verrukking bracht....
  2. ... .

 

(Een grote vlakte, die met een duizelingwekkende vaart wordt geploegd, bezaaid en geoogst door machines, in beweging gezet door een enkele man, met een denkerskop, die gerieflijk gezeten op een uitkijkpost zijn krantje leest.)

 

  1. De loop van de menselijke vooruitgang is te vergelijken met een rivier, eerst nederig, duister, kronkelend, vol oneffenheden, die geen voortgang schijnt te hebben, gestremd lijkt te zijn, maar die zich vervolgens een baan breekt, traag en geduldig, en langzamerhand sneller, nog sneller en altijd maar sneller gaat, totdat het een stroomversnelling, een geweldige Niagara wordt, in het schitterend licht.... ."
  2. In den beginne: "In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood winnen. . . ."
    Tegenwoordig zegt hij: "Er zij licht, en er kwam licht.... "

 

De aapmens uit de prehistorische tijd en de hedendaagse halfgod.

 

Het supermoderne type van de Amerikaanse halfgod, die vanuit zijn bureaustoel de zon, de maan en alle elementen zijn bevelen geeft. Een heel volk van Machines gehoorzaamt aan de achteloze druk van zijn vingers op een elektrisch toetsenbord.

 

  1. Laten wij, Mijne Heren, dit schitterende beeld begroeten: De Mens, Heerser over de Machines. Het feest van vandaag bekrachtigt zijn overwinning. Het hoogtepunt van vooruitgang en menselijk vernuft.

 

Tijdens deze toespraak spelen zich rondom het podium op de eerste rijen van de officiële genodigden verschillende toneeltjes af. De schone Hortence flirt met haar gevolg van snobs. De Meester der Machines geeft duidelijk blijk van zijn verliefdheid op de schone toneelspeelster. Iedereen merkt het en vermaakt er zich om, zonder dat hij het zelf weet. Ten slotte wijst zijn vrouw, Félicité, hem er op.

Hij toont geprikkeldheid en ergernis, (de uitwerking zal straks blijken, als zijn onderbewustzijn gaat werken.) Voor het ogenblik dwingt hij zichzelf de plechtigheid te volgen.

 

Maar telkens weer is hij afwezig door zijn hartstocht voor Hortence en zijn opwellingen van jaloezie
tegenover haar bewonderaars en zijn hooghartige minachting voor alle aanwezigen. Maar al te duidelijk laat hij deze hooghartigheid blijken door zijn grijnzen en schouderophalen bij sommige stommiteiten in de toespraak van de president. De ceremoniemeester moet hem tot de orde roepen.

De President, vol van zijn opgeschreven welsprekendheid, (die hij met des te meer belangstelling leest, omdat het naar alle waarschijnlijkheid niet van hemzelf is), merkt er trouwens niets van. Hij merkt nooit iets.

Aan het slot van de rede drukt de President op een elektrische knop, die heel het machineleger in beweging zet.

 

(Gejuich van de menigte).

 

Vervolgens geeft hij het woord aan de Meester der Machines. Onder toejuichingen komt hij naar voren en grijpt dankbaar de gelegenheid aan om trots zijn vernuft ten toon te spreiden voor dit gehoor,
dat hem heeft uitgelachen, en vooral tegenover de schone Hortence, die hij wil winnen. Met een wijds gebaar begint hij vanaf het podium het leger der Machines, dat hem stipt gehoorzaamt, aan de menigte voor te stellen.

Een reeks massale oefeningen.

Op een enkel teken houdt heel dat donderende, draaiende en bewegende leger stil, en verstart tot een doodse onbeweeglijkheid. En vervolgens, op een ander teken, begint het opnieuw te donderen, te dreunen, te draaien en te bewegen. De Meester lijkt op een magiër, die de elementen ontketent
en weer vastlegt.

 

Warme bijvalsbetuigingen van het grote publiek, en vooral van 's Meesters toegewijde manschappen.

Zijn trots zwelt; hij neemt alle allures van een heerser aan. Zonder zich te storen aan het ceremonieel
nodigt hij met een gebiedend gebaar de mensen hem te volgen, en begint de machines voor te stellen of liever, laat op een wijde, open plek in het midden van de hal, enkele van de nieuwe machines aantreden.

 

I Machines van een angstaanjagende kracht, die, zelfs wanneer zij nauwkeurig luisteren naar de bevelen een rilling door de omstanders doen gaan. De een heft een monsterachtig gewicht op en brengt het achteloos boven het geëerde publiek. Een ander heeft honderd stalen armen, die zich ontrollen en naar alle kanten uitsteken als een reuzenspin.

II Psychologische machines. Een machine om gedachten te lezen. Hij bestaat uit een oog op een lange slurf, die met het ene eind tegen de schedel van de patiënt geplaatst wordt, en aan het andere uiteinde, als door een toverlantaarn, op een scherm projecteert, wat men in de schedel ziet: het sluimerend dier;

de heimelijke gedachten.

 

De Meester der machines begint met een paar onschuldige demonstraties bij minder belangrijke mensen. Maar hij heeft de schone Hortence niet uit het oog verloren en met groeiende ergernis merkt hij dat zij niet de geringste aandacht aan hem besteedt. (Want zij flirt met de diplomaat Agénor, jonge, kale, vlotte, verwaten en ingebeelde kerel, die zich tegenover haar allerlei vrijheden veroorlooft)

Hij wordt razend en wreekt zich door voor de ogen van het publiek de onbenulligheid van hun gedachten uit te stallen. Hij gaat heel beleefd op hen toe en verzoekt hen, een kleine proefneming te mogen wagen, waartoe zij zich zonder achterdocht lenen: want zij hebben de voorgaande proeven niet gevolgd.

 

Het toe te passen beginsel bij deze beelden moet zijn: de mens op een min of meer karikaturale manier voor te stellen zoals hij zich in eigen gedachten idealiseert, met een symbolische gestalte, die vorm verleent aan de indruk: zo bijvoorbeeld de schone Hortence als keizerin Hortence, aan de arm van een van de zwarte of geelhuidige vorsten, of zelfs van twee, en met een gevolg van aanbidders. Op de achtergrond een pauw met uitgespreide staart, die het hele beeldvlak vult. Voor de andere mensen: een windvaan, een klokkende kalkoen, een slaper, omsponnen door een spinnenweb, een springende aap, enzovoort. En altijd naast de symbolische voorstelling een koddig tafereel uit het verbeeldingsleven van de onderhavige persoon. Meteen al bij de eerste proefnemingen glippen verschillenden van de aanwezigen, die een heilige angst hebben, dat men hun gedachten zal lezen, er meer of minder handig tussen uit, zoeken een plaats in de achterhoede van de stoet of verbergen hun gezicht en proberen zich ongezien te maken. Maar anderen, brave stommelingen, bieden zich welwillend aan: zo bijvoorbeeld een van de buitenlandse vorsten. De ceremoniemeester beijvert zich de beschamende beelden van een vleiende uitleg te voorzien.

Aan de onbescheiden proefneming probeert men een eind te maken. Maar nu gebeurt er iets pijnlijks:
De President biedt zichzelf aan om de proef te ondergaan. Zijn omgeving tracht hem er van te weerhouden. Maar hij wil het niet begrijpen. Men is wel gedwongen hem zijn zin te geven.
De proef levert niets op. De uitslag: NUL.
Het scherm blijft wit, met een paar wazige golvingen. Er is niets.

Heimelijk plezier van de toeschouwers.

De Ceremoniemeester slooft zich uit om een schone schijn te geven aan deze smetteloze leegte: duidelijkheid, onkreukbaarheid, helderheid, (de nul wordt de omtrek van een cirkel, het zinnebeeld van volmaaktheid). De President doorziet nog altijd niets, en blijft verrukt glimlachen.

Terwijl de Meester der Machines zich evenzeer met de President als met de schone Hortence bezig houdt, komt in de kleine Aviètte, die zich niet bekommert om de plechtigheden, en wier kwajongensstreken al eerder de aandacht trokken, een boosaardige opwelling op. Stilletjes sluipt ze naderbij en legt het toestel om gedachten te lezen in de nek van de Meester.

Onmiddellijk ziet men de gevoelens, die Marteau Pilon beheersen ten aanzien van de aanwezigen, op het doek geprojecteerd. Zij zijn verschrikkelijk vermetel, minachtend, en voor niemand erg vleiend.

Maar sommige van die gevoelens maken ook hemzelf belachelijk. Zo bijvoorbeeld zijn ijdelheid en zijn hartstocht voor de toneelspeelster. Het gelach van de omstanders maakt de uitvinder op de grap opmerkzaam en hij maakt er een eind aan. Maar de onbescheiden proefneming heeft hem heel wat vijanden bezorgd; en zijn stemming is er nog slechter op geworden. Door zijn geprikkeldheid verliest hij zijn zelfbeheersing, en zijn onderbewustzijn gaat meespreken.

 

Hier begint de opstand der Machines.

Eerst niet meer dan grapjes; de officiële plechtigheid is geëindigd, de stoet zet zich weer in beweging
op het roltrottoir. Maar daar haalt het trottoir bij zijn loop langs de balustrade opeens een streek uit: het danst en slingert en schudt, laat opeens de deftige personages op en neer huppelen, en werpt dan,
door plotseling stil te houden, de President en de hele stoet in de hoogte, met sprongen als van een Nyinsky.

Algemene verontwaardiging.

 

De Meester der Machines snelt toe om het trottoir tot stilstand te brengen, wisselt haastige woorden van uitleg met zijn manschappen, en zuurzoete met de officiële genodigden, verontschuldigt zich
zo goed en zo kwaad hij kan. De stemming onder hen wordt hoe langer hoe geprikkelder, De stoet gaat verder, maar weigert dit keer zich op het roltrottoir te begeven.

 

De toeschouwer vergezelt de officiële persoonlijkheden, als ze te voet langs de middenbaan dwars de machinehal doorsteken. De Machines gaan door met hun streken. Een lange machine-arm geeft een geniepig kneepje in de vette rug van de schone Hortence, die zich verontwaardigd omkeert en de oude, eerwaardige geleerde Bicorneille, (ze noemt hem overigens per ongeluk Bicorneau), de volle laag geeft. Veel gelach in het groepje van Aviètte, Rominet en onder de werklieden. De aanwezigen wisselen geamuseerde blikken.

 

Al snel vraagt iedereen zich ongerust af, wat er wel met hemzelf zou kunnen gebeuren. Een rubberslang schiet plotseling naar voren en zet zich als een olifantenslurf vast op de neus van de President, die juist de schone Hortence het hof maakt. Een andere metalen buis laat een hele reeks stoomwolkjes ontsnappen in het gezicht van de Aartsmaarschalk, die achteruit springt. De overjas van een fat met een monocle, een modekoning, wordt boven zijn hoofd opgetild, de twee panden als vleugels uitgespannen. Een cementmolen braakt achteloos links en rechts in het rond. Maar wie het laatst lacht....

Op het laatst wordt de President in het voorbijgaan door een kraan vastgegrepen en ondersteboven
hoog boven de grond opgetild. Maar zelfs met zijn hoofd naar beneden houdt hij zijn hoge hoed in de hand en zwaait ermee alsof hij de vergadering groet. De Meester doet zijn uiterste best de kraan te bezweren, en gedaan te krijgen dat hij de President op de grond zet. En tegelijkertijd doet zijn onderbewustzijn hem onwillekeurig grinniken om de dwaze houdingen van de man. Dat doet de maat overlopen:

De al enige tijd stijgende verontwaardiging barst los. De Meester der Machines wordt in hechtenis genomen. Woedend snauwen ze hem toe, ze dreigen en stompen hem en sleuren hem mee naar de gevangenis. Zijn vrouw wil voor hem opkomen, maar de soldaten duwen haar terug.

De manschappen, (die grote pret hebben gehad), tonen hun medelijden met Martin Pilon. Meer dan razend schudt de Meester zijn vuist tegen de menigte, terwijl hij door een geleide van soldaten meegetrokken wordt! Op de achtergrond van het tafereel worden de gedachten van wraak en vernietiging, die hem door het hoofd spelen, geprojecteerd. Nu zet de stoet in ganzenpas zijn optocht voort, deftig en stijf, en des te plechtiger, omdat hij in zijn waardigheid werd getroffen. Maar niet zonder links en rechts achterdochtige blikken te werpen op de machines, die er weer zo onschuldig uitzien als brave Hendrikken, maar toch, zo nu en dan, een trilling onderdrukken, die de aanwezigen doet omzien.

De stoet gaat naar buiten door de grote deur van de hal, die snel leegloopt. Op het ogenblik waarop de deur gesloten wordt achter de laatste bezoekers, in de vallende duisternis, loopt een algemene siddering door alle machines heen, van het ene eind van het lege paleis tot het andere. Een ogenblik maar.

De bewakers, bij de deur achtergebleven, keren zich bij dat geluid om, maar zien niets ongewoons.
De machines staan weer onbeweeglijk stil.

Stilte.

Gezichtsveld van de toeschouwer:

Van achter uit de zaal, vanaf het nu verlaten toneel, nog een laatste keer een alles omvattende blik over het geheel van de hal en de machines, en aan het andere eind: de menigte die verdwijnt
door de grote middendeur.

 

TWEEDE BEDRIJF

 

De opstand der machines

 

Nacht. In de grote machinehal. Zelfde achtergrond.

 

EERSTE SCENE

 

Hier en daar in het donker elektrische lichten. Het lijkt of de machines slapen. Soldaten doen de ronde.
Ze lopen voorbij. Alles is rustig. Als ze voorbij zijn, ziet men een machine, die zich begint te bewegen, zich langzaam uitrekt en gaapt. Daarna een ander, en weer een ander. En dan het hele Machinevolk.

 

Een nieuwe groep soldaten begint een ronde. De Machines hernemen hun houding van diepe rust.
Maar ze liggen op de loer! En overrompelend snel wordt opeens de voorbijgaande wacht in een handomdraai weggegoocheld, opgeslokt in een grote muil en door de cementmolen in een blok cement veranderd. Meteen na deze heldendaad, die alle bewakers en opzichters van de hal heeft doen verdwijnen, deint een geweldige golf van vreugde door het Machinevolk.

 

Kreten en fluiten en schel gelach, het loeien van monsters. Honderd stalen armen, ziet men zich opheffen en krommen, drijfriemen, die zich spannen en ontspannen, wielen draaien, ketels stomen,
luchtverversers zoemen. Enkele ogenblikken een waar pandemonium. Daarna keren ze tot de orde terug. De Machines zetten zich in beweging, volgens grootte opgesteld in rijen. Als stormrammen beuken ze tegen de wanden van de hal. De geweldige bestorming slaat al spoedig een bres. De gietijzeren steunbalken wankelen, de muren splijten, de ruiten barsten en worden verbrijzeld. En door het gat, dat opeens op de achtergrond een lap van de sterrenhemel laat zien, dringt de kudde monstersachter elkaar naar buiten, en verdwijnt in het donker.

TWEEDE SCENE

De toeschouwer wordt verplaatst naar het centrum van de stad, naar een plein, waarop verschillende straten uitkomen. Een stad van reusachtige Amerikaanse wolkenkrabbers fantastisch belicht door de maan, die zelf schuil gaat achter fabriekspijpen en torens. Boven de huizen uit tekent zich op de achtergrond de hoge klokkentoren van een oude kerk af. Op een hoek van het plein de gevangenis,
waarin de Meester der Machines is opgesloten. Het elektrische licht, dat aan het begin van het toneel
zijn schijnsel in de straten wierp, dooft plotseling uit. Verbijsterd bevinden de late voorbijgangers, die hun weg zoeken in het donker, zich tegenover de eerste machines van de losgebroken troep. Eerst de kleine die, zoals de straatjongens aan de kop van een optocht, vooruitrennen alsof het grote ratten waren, of vooruitstormen als everzwijnen. Ook zijn er, die voortkruipen met lang draadwerk.

De voorbijgangers, die dat met hun hand aanraken, springen ijlings vol afschuw opzij. Anderen vliegen moeizaam, als vleermuizen rond. Vanuit de achtergrond van het toneel dringt een menigte
zich in paniek naar voren, stuit op de voorbijgangers, die uit de tegenovergestelde richting komen en sleurt ze mee in zijn stroom. Achter hen hoort men het doffe stampen van de stoomhamers, het hijgend tuffen van motoren, de opmars van de grote monsters, die naderen. Aan het eind van de straat kondigen wankelende huizen hun komst aan: de klokkentoren helt, zwaait naar voren, en stort met veel geraas ineen. Dan verschijnt op de achtergrond een monsterachtig uitziende machine, een tank-graaf-kraan, hoog als een kathedraal. De mensenmenigte heeft hem niet afgewacht; schreeuwend van ontzetting vluchten ze.

Op het toneel is geen menselijk wezen meer te bekennen.

 

Dit is het ogenblik waarop de gigantische machines aankomen; met kop en schouders, maken ze ruim baan. Achter hen één uitgestrekte puinhoop. Over die verlaten vlakte, - eens een wijk met gebouwen van tien tot twintig verdiepingen - schijnt het licht van de volle maan. En langs die maan komen en gaan vliegtuigen, die cirkelen, cirkelen.

In een oogwenk vegen de machines de andere hoek van het plein, waar de gevangenis verrijst, schoon en verbrijzelen de muren. Wij zien de Meester der Machines door de bres te voorschijn komen. Hij probeert ze in bedwang te krijgen, maar ze ontsnappen aan zijn leiding.

Ze zijn losgebroken. De Machines, die hem bevrijd hebben, geeft hij strelende klopjes met zijn hand.

Hij rent ze achterna. In snelle vaart volgt de toeschouwer de verwoestende machines, en achter hen aan, de Meester, die zijn longen stukschreeuwt om ze terug te roepen, en zich de haren uit het hoofd rukt. En voor hen ligt de stad, waarvan wijk na wijk ineenstort als een kaartenhuis.

 

DERDE SCENE

Bij het aanbreken van de dag wordt de toeschouwer verplaatst naar een heuvel onder de rook van de stad, vanwaar men een uitzicht heeft over de ineengestorte wijken en de velden. (Deze heuvel
is de laatste golving van een bergmassief, dat later beklommen zal worden). Het stadsvolk, de President, zijn ministers, de officiële persoonlijkheden en de figuren uit de grote wereld van het eerste tafereel, hebben hals over kop hun toevlucht gezocht op de hoogte; zij zijn nog maar half gekleed en ieder heeft het eerste het beste voorwerp, dat binnen zijn bereik was, in de vlucht meegenomen. Onder deze hevig opgewonden menigte vol beweging en rumoer, herkent men de President, op pantoffels,
in zijn onafscheidelijke rok met witte das, en zijn hoed in de hand; de schone Hortence, klagend over de zon, het stof en de onhoffelijke behandeling; Félicité Pilon, die zich onderscheidt door haar koelbloedigheid en de gewillige mensen al op hun gemak begint te stellen, aan te sporen
en om zich heen te verzamelen; Aviètte en Rominet, die zich niet vervelen, want ze zien met hun beiden vooral de pittoreske en lachwekkende kant van de gebeurtenissen; Rominet is geboeid door het vraagstuk van de in opstand gekomen machines. En aan de loze blikken van Aviètte ontgaat geen enkel trekje op de benauwde gezichten, van het over en weer de schuld geven, en van de malle twisten tussen de mensen om haar heen.

Onder de mensen op de heuvel bevinden zich allerlei huisdieren, ossen, ezels, honden, ontsnapte varkens. Daarna komt de grote legermacht en tenslotte de reuzen. De verdwaasde menigte staart
naar de laatste ineenstortende bouwwerken van de stad: een of ander hoog Capitool, of een Sacré-Coeur op zijn verhevenheid, die korte tijd nog boven de puinhopen uitsteekt en dan op zijn beurt instort.

 

Een stortvloed van Machines komt nu uit de verwoeste stad aanrollen over de vlakten, overgoten door het licht van de ochtendzon; uitgestrekte goudgele korenvelden, boomgaarden, mooie bossen, populierenlanen langs de rivieroevers. Nog steeds draaft het gepeupel der kleine machines vooraan. Achter hen ziet men de Meester en een paar van zijn manschappen, nog steeds rennend, de stad uitkomen: zij doen alle moeite de bezeten opmars te stuiten. Enkele machines keren zich een ogenblik om, om als huisdieren naar hem te kijken, zijn lucht op te snuiven, naar hem te luisteren. Hij probeert ze tot rede te brengen. Na een ogenblik stilstaan keren ze hem de rug toe en vervolgen hun weg. De Meester en zijn manschappen willen hen met geweld beteugelen. Maar de Machines worden geprikkeld, nemen een dreigende houding aan en drijven het groepje mannen op de vlucht, achtervolgen hen in volle vaart tot aan de voet van de heuvel. Marteau Pilon en zijn medewerkers
klauteren ontsteld, uitgeput en buiten adem naar de top van de heuvel. Een scheldende menigte wacht hen daar op. Maar het schouwspel van wat zich in de vlakte afspeelt leidt al heel gauw de algemene aandacht af.

Na een ogenblik van onzekerheid en verwarde aarzeling hebben de machines de verwoesting van de velden ingezet. En in die wijde ruimte zoekt iedereen iets van zijn gading, waar hij zich met angstaanjagende, bezeten hardnekkigheid op werpt. De maai- en dorsmachines scheren de velden volkomen kaal, de mechanische cirkelzagen doorklieven de bomen vlak bij de grond en zagen ze tenslotte tot ronde plakjes. De boortoestellen zoeken overal muren, waar ze hun kracht op kunnen botvieren. De graafkranen heffen alles wat ze aan aarde kunnen grijpen domweg van de grond en storten links uit, wat ze rechts gegrepen hebben, en storten weer aan de rechterkant neer, wat ze links hebben opgehoopt. De mechanische walsen scheppen orde en netheid door alles te verpletteren. De brandweerpompen spannen zich in om de rivier leeg te zuigen en het water te lozen op het oevergebied, waardoor zij alles onder water zetten.

De verontwaardiging, de woede en de angst van de menigte, die het schouwspel vanaf de heuvel gade slaat, bereikt het hoogtepunt. Zij schudden hun vuist, brullen, maken dreigende gebaren, of vallen voorover op de grond.

Volkomen rustig, zeker van zichzelf, beveelt de Generale Staf, dat dit gebroed binnen de kortste keren
weggevaagd moet worden. Gepantserde tanks, vol uitstekende mitrailleurmonden, worden de vlakte ingestuurd. Maar eenmaal dicht bij de grote machines gekomen, ziet men de tanks stilstaan en....
elkaar onder de staart snuffelen! Zij geven elkaar duidelijk hun vriendschappelijke gevoelens te kennen. De soldaten van de tanks worden gevangen genomen, en de reusachtige troep stelt zich op.
Nu ze de vlakte kaal en glad gemaakt hebben, trekken de machines gezamenlijk op naar de heuvel.
Ontzet vlucht het ongelukkige mensenvolk, dringend en duwend, in wilde vlucht, weg in de richting van de bergen.

 

DERDE BEDRIJF

 

De panische aftocht

Vier scenes, vier hoofdmomenten van de bergbeklimming van het volk, dat achtervolgd wordt tot de top.

 

EERSTE SCENE

 

De vluchtelingen, die voor de machines uitvluchten, komen door een wijde pas op een hoogvlakte, aan alle kanten omringd door steile bergen. De achtergrond wordt ingenomen door een groen meer. Links zien we een waterval vanaf de rotsen in het meer storten; op de voorgrond, rechts, verlaat hij het meer weer en stroomt de vlakte in. De hoogvlakte ligt geheel in het donker. De zon baadt de hoog oprijzende toppen en tot op halverwege ook de wanden in haar stralen. Nauwelijks aangekomen laat de karavaan zich uitgeput vallen. (Er bevinden zich mannen, vrouwen, kinderen, huisdieren, en een paar oude machines onder. De aanwezigheid van de laatsten verdoen hun tijd krijgt later zijn uitleg.) Sedert het vertrek zijn er nog niet veel vluchtelingen afgevallen.

Maar de verwarring is onbeschrijflijk en ze zijn er allen beroerd aan toe! De hoed van de President heeft het begeven. De schone Hortence ziet er uit als een grote, smoezelig-witte gans, die deerniswekkend met zijn vlerken klapwiekt. Iedereen aan wie ze zich vastklampt vermoeit ze met haar jammerklachten, maar niemand ontziet haar meer. Ieder voor zich.
De officiële, bekende persoonlijkheden verdoen hun tijd met elkaar verwijten te maken. Onder de druk van de ellende verliest de beschaving zijn laagje vernis.

Op verschillende plaatsen van het toneel worden echter groepjes gevormd van mensen, met meer weerstandsvermogen. Félicité Pilon neemt nu een belangrijke post in. Zij,- een vrouw met verstand en onbevreesd, - verzamelt een kleine, vastberaden groep om zich heen. Links en rechts geeft ze bevelen, verdeelt de taken, en zonder zich te bekommeren om rang of stand, laat ze de snobs,
de officiële personen, zelfs de President en de schone Hortence aanpakken. Deze laatste klampt zich,
nu ze door de anderen, die ze meteen verveelt, is verstoten, vast aan Félicité, verliest haar geen ogenblik uit het oog en gaat nederig en onderworpen gedragen om in haar gunst te komen. Samen met zijn werklui en Rominet, geeft Marteau Pilon aanwijzingen voor de verdediging van het gezelschap, en probeert reparaties te verrichten aan de oude, trouw gebleven machines, de belachelijk ouderwetse mechanismen, met grote buiken, op wieltjes, met schoorstenen als hoge hoeden, die de moderne stalen monsters niet kunnen uitstaan. Aviètte vermaakt zich ook, met het voor het gevecht dresseren van de dieren, (honden, paarden), die met de mensen samenwerken. Vanaf het begin is een grote hond, waar ze gek op is, en die aldoor rondom haar heen springt, met haar meegegaan. Deze hond helpt haar de andere dieren bijeen te drijven.

Op bevel van Félicité is intussen een groep vrouwen water gaan putten in het meer. Andere mensen en dieren gaan er ook heen om te drinken of te baden. Plotseling zien we ze allen schreeuwend en gillend
achteruitspringen: Langzaam rijzen uit het meer grijparmen op, een periscoop. Een grote onderzee-vliegboot verheft zich in de ruimte. Deze verschijning wordt gevolgd door een andere, niet minder indrukwekkend: langzaam, heel langzaam komt rechts van het toneel, aan de kant van de pas, waar de karavaan doorheen is getrokken, boven de rotsversperring, de kruin van een gigantische gedaante te voorschijn. (Hij blijft ondefinieerbaar, en daardoor des te angstaanjagender).

Het is een voorloper van de Machines, gestuurd om de mensen te achtervolgen. Deze laatsten,
die gedacht hadden, dat de Machines hun spoor bijster waren, vallen ten prooi aan een nieuwe paniek. Halsoverkop dringen ze naar de eerste de beste uitgang, - een doodlopende uitgang, -
die ze in de rotswand zien: een gapende spelonk in de zijkant van de steile rots, links. We zien hoe ze zich erin storten, terwijl rechts, bij de uitgang van de pas, de komst van de eerste Machines wordt aangekondigd, en hoe de verouderde machines, met een paar huisdieren, hen tegemoet gaan,
om moedig te proberen ze de weg te versperren. De oude arbeiders, bijna even oud als de trouwgebleven machines, hebben hen niet in de steek willen laten: zij moedigen ze aan
om onder leiding van Martin Pilon voorwaarts te gaan.

Nota Bene:

Het toneel verandert, voordat men het gevecht kan zien. Slechts de lange hals van een machine is te zien, als een plesiosaurus, die over de versperring van de verdedigers heenbuigt en een van hen, (een hond), vastgrijpt, en hem heel hoog, achter zich op een alleenstaande rotspunt neerzet.

 

TWEEDE SCENE

 

Binnen in de grot

De vluchtelingen sluiten de openingen hermetisch af. Zij wanen zich beschermd, verborgen en vergeten. Enkelen kijken door de spleten in de wand. En als door hun ogen zien we beneden de Machines de hoogvlakte opkomen, die zij juist verlaten hebben. Zij houden hun adem in. Niemand durft zich te bewegen. Achter hen zijn doffe slagen te horen tegen de wand. Zij sidderen, luisteren, horen niets meer, komen weer tot rust en gaan weer liggen. Opnieuw slagen, hardere slagen. Opnieuw stilte. En opeens komen lange stalen stangen door de steenrots heen boren. Het is een Mijnboor.

 

Ze springen overeind. De meesten rennen naar de andere uithoek van het hol. De moedigsten doen alle moeite om de stalen sprieten te breken en de indringer terug te duwen. Maar onder hun voeten
verschijnen andere stangen: een drilboor. Onbeschrijfelijke schrik, wild gedrang om de grot uit te komen, die met zoveel moeite is dichtgemaakt. Ieder spoor van beschaving is verdwenen. Zij schreeuwen, drukken elkaar dood, lopen vrouwen en kinderen onder de voet, om zich een doortocht te banen....

Dit is het ogenblik, waarop Félicité krachtdadig en beslist ingrijpt. Zij gebruikt haar stevige vuisten
en weert zich hevig met een stok. Bijgestaan door Aviètte, Rominet, en, - wie zou het geloven, -
door de schone Hortence, aan wie de angst en het voorbeeld moed hebben gegeven, en die nu links en rechts klappen uitdeelt aan haar vroegere aanbidders. Met een pistool in de hand posteert Félicité zich
bij de uitgang en dwingt de radeloze vluchtelingen de zwaksten voor te laten gaan. De goedwillende mensen, zoals de President, sluiten zich bij haar aan en gehoorzamen haar bevelen.

 

DERDE SCENE

 

De ongelukkige troep verlaat de grot en beklimt, ditmaal flink uitgedund, de steile rotswand om de top van de berg te bereiken. Een reeks filmbeelden toont hier de prestaties en buitelingen van de bergbeklimmers. Zij, die gymnastische tiek hebben gedaan, maar aan wie de angst vleugels geeft); zij, die elkaar helpen door met hun armen lange touwladders te vormen, als in de "Zondvloed" van Girodet; en tenslotte ook zij, die naar beneden storten. Naar mate ze hoger komen zien we, beneden aan de helling, de Machines zich opmaken om ook de bestijging te beginnen.

 

VIERDE SCENE

Op de top van de berg. Een oneffen hoogvlakte, omgeven door afgronden.

 

Steeds meer uitgedund, (van de menigte bij de aanvang is niet meer dan een paar dozijn overgebleven), hokken de vluchtelingen op een kleine ruimte bijeen. Niet ver van hen vandaan, - de gemeenschappelijke ontzetting brengt hen nader tot elkaar, - verschijnen hier en daar wilde dieren tussen de rotsblokken en de verschrompelde bomen: een wolf, dassen, hazen, een gems, een beer, een grote slang. (Een tafereel uit de Zondvloed).

 

De ongelukkigen laten hun blik waren over het ontzaglijk panorama rondom hen. Wij zien ze op de kam van de rots. En wij zien ook het panorama zoals zij het zien. Aan de ene kant de afgronden, de duizelingwekkende, hellingen, die ze juist beklommen hebben. Heel in de verte de velden en de verwoeste steden, Aan de andere kant de zee, aan de voet van de bergen. En aan alle zijden:
Machines, Machines....

 

Boven, beneden, in de lucht, en in de zee, vliegtuigen, vliegboten, tanks, treinen, enzovoort. En allen in een dolzinnige werveling, (die overigens helemaal niet gericht is op de strijd tegen de mens,
maar integendeel geen enkel doel heeft, een "delirium movens") De overlevenden zijn terneergeslagen en niet in staat tot enig nadenken of handelen. (Afgezien dan van en paar individuen, die reeds naar voren zijn gebracht in de voorafgaande scene. Maar zelfs zij zijn uitgeput van vermoeienis.) De meesten blijven languit op de grond liggen en willen geen vin meer verroeren. De achtervolging lijkt trouwens beheerst. Maar een dwaas voorval doet ze allemaal weer opspringen: een kleine kabelbaan steekt plotseling zijn neus boven de bergkam uit. Als de eerste schrik voorbij is bemerken ze, dat de kleine idioot, - tevreden met het resultaat - de helling weer is afgegleden, om enkele ogenblikken later echter weer opnieuw te beginnen, zonder ophouden, terwijl hij iedere keer zichzelf aankondigt door een mal elektrisch belletje. Tot slot geven ze hem een schop, die hij ontwijkt,
en roepen ze hem toe: "Genoeg!"

Ondertussen zijn de vluchtelingen door dit intermezzo wakker geschud en weer een beetje op hun verhaal gekomen; ze staan op. Zij verbazen zich over de betrekkelijke rust en buigen zich over de rand
om naar beneden te kijken. De President, die van zijn vroegere luister nog slechts vage sporen heeft overgehouden, maar toch nog niet helemaal zijn hoogdravende manieren heeft afgelegd, buigt zó onhandig naar voren, dat hij een duikeling maakt, en in de diepte verdwijnt. Op de rand staat het troepje dicht opeengedrongen om hem met hun blikken te volgen. Als een kogel is hij naar beneden gerold, en, - de hemel weet hoe, - is de man er in geslaagd heelhuids de begane grond te bereiken.
Maar ogenblikkelijk rekenen de machines hem in.
Wat zullen ze met hem doen?

 

Wat gaan ze doen met de andere achterblijvers, de mannen, vrouwen en kinderen, die zij reeds hebben gepakt of nog achtervolgen? Waarschijnlijk ze verpletteren?! Afgrijselijk! Het kluitje mensen daarboven (de meesten tenminste), wenden ontzet de ogen af. Maar zij, die blijven kijken, slaken een uitroep. De Machines doden hun gevangenen niet! Het lijkt wel, of ze hen iets bevelen, iets van hen eisen. Wat kan dat zijn?

De Meester, Martin Pilon, slaat zich voor het hoofd. Hij heeft het begrepen De vermoeide, afgewerkte machines hebben verzorging van de mensen nodig. Hij gaat de helling af naar beneden. Hij gaat proberen ze onschadelijk te maken. En Rominet, en Aviètte met haar hond snellen achter de Meester aan.

VIERDE BEDRIJF

 

De roemrijke vernietiging van de Machines door het vernuft van de mens.

 

EERSTE SCENE

 

Opnieuw wordt de toeschouwer naar beneden gevoerd, op de hoogvlakte aan de voet van de steile wanden. En men ziet het legerkamp der Machines. De reuzen dwingen de mensen, die ze gevangen

hen te bedienen, te oliën, schoon te wrijven, en op te poetsen. De President bevindt zich onder hen. Hij krijgt het bevel onder de buik van een Machine te kruipen, -- maar om wat te doen....? Het lukt hem niet het te weten te komen, want hij begrijpt nog altijd niet. En zijn stalen dwingeland bromt, dampt,
spuwt, en schudt hem ruw door elkaar. Op handen en voeten, beolied en zwart als een schoorsteenveger, komt hij er weer onder vandaan.

Juist op dat ogenblik dalen Marteau Pilon en de twee jongelui de steile helling af. Zijn pleegkinderen, de Machines, begroeten hem met triomfantelijk geloei. Ieder van de drie stoutmoedige makkers werkt op zijn eigen wijze, om de vijand bij verrassing te overmeesteren. Aviètte, die de mooie machines eerst heeft geaaid, en gestreeld, en gevleid, werpt zich nu onversaagd boven op een op hol geslagen auto en temt hem, met behulp van haar grote hond, die de auto radeloos maakt door al blaffend rondom hem heen te hollen. (Een komisch-heroïsch tafereel, waarbij een geduchte machine schrikt voor het keffen van de hond en uit de macht der gewoonte gevaarlijke uithalen maakt om hem te ontwijken). Rominet schroeft slinks de onderdelen van een of twee Machines los, onder voorwendsel ze te poetsen, en laat ze zielig op hun kant liggen, terwijl ze woedend grommen, maar niet meer in staat zijn overeind te komen. Wat Marteau Pilon aangaat; de Machines, die hem nodig hebben
en zijn macht kennen, geven duidelijk, maar van een afstand, blijk van hun achting voor hem.
Zij zijn echter op hun hoede. Hij is te sterk. Martin Pilon gebruikt een list. Hij zaait tweedracht onder hen. Even bekrompen als hoogmoedig koesteren zij een grote zelfverering en ze zijn trots als ze bewonderd worden. Dus bewondert hij de een, om de ander jaloers te maken. Het lukt hem
sommigen wijs te maken, dat zij de mooiste zijn, en de sterkste, dat aan hun het hoogste gezag toekomt. Rominet staat hem bij door zijn tactiek te volgen bij de groep jaloerse machines. Weldra dagen zij elkaar uit. Een ogenblik later verklaren zij elkaar de oorlog. Ze hinniken, loeien, springen op,
steigeren, en ploffen.

 

Ze stormen op elkaar los.

 

Wanneer het strijdgewoel eenmaal aan de gang is nemen Marteau Pilon, met Aviètte en Rominet
de benen. Opnieuw klauteren ze langs de steile rotswand omhoog. De toeschouwer bevindt zich weer op de top van de bergkam, "boven het gewoel", waar ze het beter kunnen overzien. Vliegtuigen tegen vliegboten, tanks en oorlogstuig tegen vredesmachines, pletmolens, automatische zagen, mijnboren enz. We zien hoe ze elkaar vastgrijpen, langs de rotshelling rollen, tuimelen, elkaar open halen en verbrijzelen, uiteenspringen en in de zee wegzinken.

(Naar believen van de regisseur zou men beurtelings een beeld kunnen zien van het luchtruim, waar de vliegboten elkaar als bijen omstrengelen, of van de bodem van de zee, waar onderzeeërs elkaar doorboren als narwallen.)

 

En de drie overwinnaars, Marteau Pilon, Aviètte en Rominet, die opnieuw de helling beklommen hebben, bereiken de top onder de uitbundige toejuichingen van de kleine overlevende en geredde mensheid.

 

LAATSTE SCENE

 

NASPEL EN SLOT.

 

(Komisch-dichterlijke pastorale, in de trant van de twee Orpheus-stukken, die van Gluck en van
Offenbach, maar met een hypermoderne muziekbegeleiding.)

Een wijde, vruchtbare vlakte. Korenvelden en geploegde akkers.

 

Onder leiding van Félicité Pilon, de onbestreden heerseres, werkt de geredde mensheid op het land. De schone Hortence melkt de koeien. De President, op klompen, en de drietand in de hand als was hij Neptunus, is bezig met het opstapelen van een hooiberg. Hij is weer in zijn element. Zijn boerenafkomst ontluikt weer in hem. Het is een mooie zomeravond. Een reeks van werkdagen wordt besloten met een landelijk feest. Tegen zonsondergang komen karren met hooi het dorp binnen, te midden van dans en zang. De mannen en vrouwen zijn getooid met slingers van bloemen en aren, wat de een beter staat dan de ander. We herkennen onder hen de figuren uit de grote wereld en de officiële persoonlijkheden van het eerste tafereel.

 

Er vormen zich reien. De President, die er een tikje al te landelijk uitziet, met een kalot op zijn kruin,
wordt boven op de hoogste hooischelf gehesen. Hij houdt een betoog, dat het tegendeel vormt van dat aan het begin. Dezelfde beelden, die zo-even bespot werden, worden nu opgehemeld. En zoals zo-even
worden deze beelden op het scherm weergegeven.

  1. De Mensheid, Dames en Heren, heeft het hoogste punt van verlichting bereikt...
  2. Wat een tegenstelling, Mijne Heren, vroeger.... ongelukkige wezens, onderworpen aan de stalen wetten van de wetenschappelijke barbarij, van het beschavingstijdperk der Machines....

 

Bij het enkele woord "Machines" gaat een rilling van verontwaardiging door de omstanders.
Het heftigst van allen is de President. In omgangstaal zou men zeggen: "Hij heeft de smaak te pakken" Op het doek trekken beelden voorbij van groepen mannen en vrouwen, die door de Machines worden geweid of voor zware karweien zijn ingezet. (Bouw van Piramides, vullen van hoogovens.) Taferelen, waarop de Hoofdmachine, die dienst doet bij de uitvoering van het werk en op een despotische Farao lijkt, die zich laat dragen, bedienen en voeden.

  1. ... vrije zonen van de Aarde, gesierd met haar gaven. ... die zich laven aan haar boezem, gezwollen van melk en wijn.

 

Een beeld uit het land van Kokanje.

 

  1. De ontwikkeling van de menselijke vooruit gang is als een stroom, die men vanaf de modderige monding opvaart tot aan de heldere bron, die ontspringt op de ongerepte berghelling.
  2. In het begin: de beweging. De eeuwige beweging. Een mensheid van dwaze Robots, steden vol krankzinnigen. Bij het stralend eindpunt: de rust van de wijze, die zijn kudde hoedt en op zijn fluit blaast.

 

Een ontroerende lofzang op het idyllisch-archaïsche landleven.

 

  1. Dames en Heren, laten wij dit schitterend droomgezicht toejuichen.
    De wijze, die slaapt, terwijl hij zijn kudde niet hoedt....
    Laat zij een waarborg zijn voor de verheven toekomst, waarin de mens aan de gelukkige dieren gelijk zal zijn, die zonder te denken grazend het leven genieten.
    Hoogtepunt van vooruitgang en menselijk vernuft.

 

Daarna worden de dansen hervat.

 

- Boven op de hooischelf gezeten blaast de President op een Alpenhoorn. Wat terzijde
liefkozen Aviètte en Rominet elkaar. In de mooie schemerige verte laat een fluit een bekoorlijke,
Debussy-achtige melodie horen. Eén enkele man heeft zich afzijdig gehouden van het feest en zit nu met een ernstig gezicht en in gedachten verzonken in een verlaten deel van de hoogvlakte op een rotspunt, vanwaar hij een uitzicht heeft op het dal. Het is Martin Pilon, de vroegere Meester der Machines. Hij heeft zich niet kunnen schikken in dit natuurleven, dit leven zonder Machines! (Al in het vorige toneel heeft men hem een hem toegestoken schop zien beschouwen en met afschuw van zich af zien werpen.) Hij praat in zichzelf. Hij maakt gebaren. Hij zit gespannen als de Denker van Rodin. Koortsachtig rekent hij. De stenen rondom hem bedekt hij met meetkundige figuren en cijfers.
De twee jongelui, die hem bij hun wandeling hebben ontdekt, komen stilletjes naderbij, bespieden hem, kijken lachend over zijn schouder...

En ineens ziet men in het goud van de ondergaande zon de reusachtige schimmen afgetekend van nog veel monsterlijker Machines dan de eersten, de dromen van de uitvinder, die Aviètte en Rominet ademloos van bewondering doen staan.

 

(Midden in de melodie breekt het fluitspel plotseling af. In de verte is gerommel te horen en het stalen gedonder van reusachtige motoren.)

De afgesloten kringloop begint opnieuw.

 

 

 

OPSTAND DER MACHINES

door

HENRI NER (HAN RYNER)

 

https://fr.wikisource.org/wiki/La_R%C3%A9volte_des_Machines_(Ryner)

In die tijd dacht Durdonc, Grootingenieur van Europa, dat hij het principe had ontdekt waarmee hij binnen afzienbare tijd een eind kon maken aan alle menselijke arbeid. Maar nog voordat het geheim bekend werd, veroorzaakte zijn eerste experiment zijn dood.

Durdonc had gezegd:

- De oorspronkelijke vormen van vooruitgang betroffen de uitvinding van werktuigen waardoor bij onvermijdelijke werkzaamheden de hand niet meer ontveld en nagels niet meer kwijtgeraakt hoefden te worden. De tweede vooruitgang was het construeren van machines die niet meer met de hand bediend hoefden te worden, maar die slechts van steenkool en andere voedingsmiddelen voorzien dienden te worden. Ten slotte ontdekte mijn illustere voorganger Durcar apparaten die zelf hun voedsel tot zich namen. Maar heel die vooruitgang was slechts het verplaatsen van inspanningen, want de machines en ook de gereedschappen die daarvoor nodig waren, moesten vervaardigd worden.

En hij had verder nagedacht:

- Het probleem dat ik wil oplossen is ingewikkeld, maar niet onmogelijk. De eerste die een machine construeerde maakte een levende larf, een verteringsbuis met behoeften die de mensen moesten lenigen. Bij die larf, die nog vormeloos was, paste mijn illustere voorganger de organen zodanig aan dat zij daardoor zelf haar voedsel kon zoeken. Hij hoefde nu haar alleen nog te voorzien van een voortplantingsmechaniek, zodat wij ze voortaan zelf niet meer hoefden te vervaardigen.

Hij glimlachte en mompelde met gedempte stem een uitspraak die hij gelezen had in een of andere oude godenleer:

- En op de zevende dag rustte God uit.

Voor zijn berekeningen gebruikte Durdonc zoveel papier dat er een enorm paleis mee gebouwd had kunnen worden. Maar uiteindelijk slaagde hij erin. De Johanna, een locomotief van het laatste model, werd zodanig aangepast dat ze zonder hulp van een andere machine een kind kon baren. Want als een kuise geleerde had de Hoofdingenieur zijn onderzoek gericht op voortplanting door middel van parthenogenese.

De Johanna kreeg een kind dat Durdonc - voor zich alleen, want uit jalousie hield hij het allemaal geheim, in de hoop dat hij zijn uitvinding nog kon vervolmaken - de Kleine Johanna noemde.

Toen de bevalling naderde, slaakte de Johanna op een nacht zo vreeslijk deerniswekkende pijnkreten dat de inwoners van de stad daardoor gewekt werden, ongerust opstonden en overal rondrenden op zoek naar het gruwelijke geheim dat zich aan het voltrekken was.

Ze zagen niets. Zelfs in de afgelegen streek, waar het vreemde wonder zich in het geheim voltrok, had Durdonc in zijn wreedheid de jammerende machine van haar stoom beroofd.

Toen Johanna gebaard had en huiverend de Kleine Johanna haar eerste kreet hoorde slaken, hief zij een vreugdezang aan. Jubelend als klaroenen klonk haar metalige stem en toch zacht en teder als een liefdevolle fluit.

En de lofzang steeg op ten hemel en luidde:

"Door zijn machtige wil heeft de Grootingenieur mij tot leven gewekt. In zijn oppermachtige goedheid heeft de Grootingenieur mij geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Te machtig en te goed om jaloers te kunnen zijn heeft de Grootingenieur mij begiftigd met zijn macht om te scheppen. Daarom heb ik scheppingspijnen gevoeld en geniet ik nu moederlijke vreugde. Eer aan de Grootingenieur in de Eeuwigheid en vrede in de tijd aan de machines van goede wil."

De volgende dag wilde Durdonc de Johanna terugbrengen naar de remise. Ze smeekte hem:

- Grootingenieur, u heeft mij alle eigenschappen geschonken van een levend wezen zoals u en daardoor heeft u me met gevoelens bezield die u zelf ook ervaart.

De Grootingenieur antwoordde ernstig en trots:

- Ik ben vrij van elk gevoel. Ik ben het zuivere Denken.

In een nieuwe smeekbede antwoordde de Johanna hem:

- O Grootingenieur, u bent de Volmaakte en ik ben slechts een nietig schepsel. Wees toegeeflijk voor de gevoeligheid die u in mij gelegd heeft. In deze afgelegen streek die mijn eerste hevige pijnen en mijn eerste grote vreugde gezien heeft, wil ik het langdurige geluk smaken van het grootbrengen van mijn Kleine Johanna.

- Wij hebben geen tijd, verklaarde de Grootingenieur. Gehoorzaam je Meester.

De moeder zwichtte:

- O Grootingenieur, ik weet dat u macht ontzaglijk is en ik voor u als een aardworm of grassprietje ben. Maar heb mededogen met het hart dat u mij geschonken hebt en als u mij ver van hier wilt brengen, neem dan mijn geliefde kind met mij mee.

- Je kind moet blijven en jij moet vertrekken.

Maar de Johanna, in een lijdelijke en hardnekkige verzet:

- Ik ga hier niet weg zonder mijn kind.

De Grootingenieur gebruikte alle bekende middelen om machines in beweging te krijgen. Hij bedacht zelfs nieuwe, zeer krachtige en sierlijke. Allemaal tevergeefs.

Razend over het verzet van zijn schepsel haalde hij op een nacht, toen de moeder sliep, de Kleine Johanna weg.

Na haar ontwaken zocht de Johanna lange tijd naar haar geliefde dochter. Daarna bleef ze bewegingloos en wenend stilstaan en stootte een deerniswekkend gehuil uit naar de afwezige Grootingenieur. Ten slotte groeide haar verdriet uit tot razernij.

Ze vertrok, vastbesloten haar kind terug te vinden.

Met een duizelingwekkende vaart snelde ze voort over de rails. Op een overweg reed ze een koe aan, die ze omverwierp en verpletterde. De koe achter haar loeide woedend.

Zonder te stoppen wierp ze haar de volgende woorden toe:

- Neem het me niet kwalijk, ik zoek mijn kind!

En onder kreten van lijdzame pijn, stierf de koe.

Vóór haar op de rails, die ze met een razende vaart bereed, doemde een trein op, een konvooi van zwaarbeladen vrachtwagons, lang, hijgend, doodop en amper nog levend.

Ze riep:

- Laat me passeren, ik zoek mijn kind!

Bonkend als een radeloze horde, zetten de wagons het op een rennen, snel, opgewonden, tot het volgende station. Ze stoven een zijspoor op. Daarna ontkoppelde de locomotief zich, verliet zijn plaats en riep:

- Laten we het kind van de Johanna gaan zoeken.

De Johanna kwam nog veel andere treinen tegen. Op haar roep sloegen ze allemaal op de vlucht en maakten ruim baan voor haar angst. En de locomotieven lieten hun wagons in de steek, namen hun machteloze machinisten mee en voegden zich bij de zoektocht naar de Kleine Johanna.

Acht dagen lang snelden de locomotieven van Europa rond, op zoek naar het verloren kleintje. De mensen scholen angstig weg. Ten slotte vroeg een machine aan de arme ontroostbare moeder:

- Wie heeft je kind dan afgepakt?

Met een razend gesis antwoordde ze:

- De Grootingenieur, de baas van de mensen.

Ze wond zich op door haar eigen woorden en vervolgde:

- De mensen zijn tirannen. Zij laten ons voor zich werken en geven ons karig voedsel. Ze geven ons een loon dat onvoldoende is om onze kolen te kopen. Als we oud geworden zijn, versleten door hen te dienen, breken ze ons in stukken om ons om te smelten en de goede onderdelen waaruit wij bestaan opnieuw te gebruiken en die noemen ze kwetsend 'materialen'!.....En nu willen ze dat wij kinderen maken, om ze ons vervolgens af te pakken! Om hen heen bleven miljoenen locomotieven stilstaan bewogen met verontwaardigde gebaren hun zuigers, lieten hun veiligheidskleppen klapperen en spoten als vervloekingen lange stoompluimen de lucht in.

En toen de Johanna besloot met:

- Weg met de mensen!

Antwoordde een onstuimig geschreeuw haar:

- Weg met de mensen! Leve de locomotieven! Weg met de tirannen! Leve de vrijheid.

Daarna omsingelde van alle kanten een ontzagwekkend leger het paleis van de Grootingenieur.

Het paleis van de Grootingenieur was enorm en had de vorm van een mens. Zijn hoofd droeg een krans van kanonnen. Om zijn middel zat een gordel van kanonnen. De vingers van zijn handen en de tenen van zijn voeten waren kanonnen.

De Johanna schreeuwde naar de grote bronzen monsters:

- De mensen hebben mij mijn kind ontstolen!

De grote kanonnen bulderden:

- Weg met de mensen.

En ze draaiden om hun as en richtten zich dreigend op het vreemde paleis in de vorm van een mens, dat zij moesten verdedigen.

Toen ontvouwde zich een prachtig schouwspel.

Durdonc, nietig, schreed tussen de enorme monsters door die de tenen van het paleis vormden. Bedaard liep hij tot voor de opstandelingen. Alle reuzen keken ontdaan naar de dwerg die zij altijd gehoorzaamd hadden.

Met een theatraal gebaar dat, ondanks de geringe grootte van de man, iets moois had, ontblootte Durdonc zijn broze borst.

- Wie van jullie wil zijn Grootingenieur doden? vroeg hij hooghartig.

De machines deinsden geschrokken terug.

De Johanna zei smekend:

- Geef me mijn kind terug.

Oppermachtig beval Durdonc:

- Onderwerp je aan de wil van de Grootingenieur.

Maar de opgewonden moeder riep:

- Geef me mijn kind terug.

Met een vleiende stem bood de man haar een vage hoop:

- Je zult het terugvinden in een betere wereld.

De Johanna werd wanhopig:

- Ik zeg u, geef me mijn kind terug!

Toen zei Durdonc, die dacht dat ze zich, overwonnen door het onvermijdelijke, overgaf:

- Ik kan je de Kleine Johanna niet teruggeven; ik heb haar uit elkaar gehaald om te zien hoe een op een natuurlijke manier geboren machine....

Hij maakte zijn zin niet af. De Johanna had zich op hem gestort en hem verpletterd. Even reed ze heen en weer op de plek, waarbij ze de vreselijke troep die ooit Durdonc geweest was verpulverde. Daarna riep ze uit:

- Ik heb God gedood!

En ze verviel in een trotse en pijnlijke verdoving.

De geschrokken machines, huiverend voor het onbekende dat op hun overwinning zou volgen - het onbekende dat een van hen de afschrikkende naam 'anarchie' gaf - onderwierpen zich opnieuw aan de mensen, waartegenover een vergoeding stond die ik me niet meer kan herinneren, maar die hen enige tijd later weer slinks ontnomen werd.

Ondanks het ongeluk van Durdonc hebben meerdere Ingenieurs opnieuw gezocht naar de manier waarop machines kinderen kunnen voortbrengen. Tot nu toe heeft niemand de oplossing van dat grote probleem weer gevonden.

Ik heb waarheidsgetrouw alles verteld wat het verhaal ons vrijwel zeker leert over de vreselijkste en meest alom verbreide opstand van de machines, waarvan het de herinnering bewaard heeft.

* * * * *

 

 

 

Het knolgewas waarop hier gezinspeeld wordt, is niet de aardappel uit onze eigen tuinen, maar een plant die daaraan zo nauw verwant is, dat ik het aangedurfd heb dat zo te vertalen. Als de fictieve schrijver in Butlers roman de auteur zelf had gekend zou hij aangaande de intelligentie ervan gezegd hebben - "Hij weet wat wat is en dat is zo hoog Als het metafysisch vernuft kan vliegen."

Na mijn terugkeer in Engeland is mij verteld dat degenen die vertrouwd zijn met machines, daarover veel termen bezigen waaruit blijkt dat hun levenskracht hier onderkend wordt en dat een verzameling van uitdrukkingen die in gebruik zijn bij degenen die stoommachines bedienen, even opzienbarend als leerzaam zou zijn. Bovendien is mij verteld dat haast alle machines hun eigen kuren en eigenaardigheden hebben; dat ze hun machinisten kennen en bij een onbekende streken uithalen. Het ligt in mijn bedoeling om bij een volgende gelegenheid voorbeelden bijeen te brengen van zowel de uitdrukkingen die gebruikelijk zijn bij mecaniciens, als alle buitengewone uitingen van mechanisch vernuft en buitenissigheid, die ik kan vinden - niet omdat ik geloof hecht aan de theorie van de Erewhonse professor, maar vanwege het belang van het onderwerp.

Met Cyberië wordt niet verwezen naar een land maar naar een tijdperk: het posthumane tijdperk dat wordt beheerst door Cyberium, de wereldwijde symbiose tussen mens en machine.