Helleveeg van Buchenwald

De macht van propaganda en massasuggestie …*

 

 

Concentratiekamp Buchenwald (nabij Weimar) werd in 1937 in opdracht van Heinrich Himmler aangelegd en onder bevel van zijn protegé SS-kolonel Karl Otto Koch geplaatst, die er als eerste kampcommandant een mensonterend bewind voerde (in 1941 kreeg hij het commando over het vernietigingskamp Majdanek). Zijn echtgenote Ilse Koch-Köhler staat te boek als een sadistische nymfomane die zich te buiten ging aan demonische praktijken, martelingen en andere wreedheden. Na het vertrek van haar man bleef zij nog een paar jaar in Buchenwald werken als Oberaufseherin.

   Voordat Otto Koch wegens crimineel gedrag (ontvreemding van SS-eigendom en moord van 2 verplegers) ter dood werd veroordeeld en door de SS geëxecuteerd, verbleef Ilse zestien maanden in voorarrest, totdat ze werd vrijgesproken en met haar kinderen introk bij familie in Ludwigsburg. Na de oorlog werd ze voor het Amerikaanse gerecht gedaagd vanwege de aantijging dat ze van de huid van door haarzelf geselecteerde gevangenen lampenkappen, handschoenen, boekenkaften en andere gebruiksartikelen gemaakt zou hebben. Bij gebrek aan tastbaar bewijs werd ze bijna opnieuw vrijgesproken maar onder druk van de publieke opinie door de Duitse justitie uiteindelijk tot levenslang veroordeeld. De doodstraf bleef haar bespaard omdat ze tijdens haar gevangenschap in 1947 zwanger was geraakt.

   Het kind, een jongen, werd direct na de bevalling in een traject van pleeggezinnen geplaatst. Bij toeval ontdekte hij in 1955 zijn ware identiteit en nam de naam van zijn moeder aan. Elf jaar later bezocht Uwe Köhler haar voor de eerste keer en zou dat maandelijks blijven doen. Ze schreven elkaar brieven, hij maakte gedichten voor haar, maar over de oorlog werd niet gerept. In 1971 deed hij een onzekere poging tot rehabilitatie van zijn moeder: “Ze was een del die in sexy ondergoed op haar paard door het overvolle kamp reed en wee degene die haar uitdagende geflirt niet kon weerstaan. Maar met die lampenkappen had ze niets van doen. Ze is het slachtoffer van spookverhalen.”

   Het aangedane leed was echter onuitwisbaar. De vergelding onherroepelijk.

 

 

Ik heb ze wel zien kijken, hoor, met die oogjes van ze. Dachten zeker dat ik ze niet in de gaten had, die heisse Schweinhunden! Geef ze eens ongelijk, al ben ik niet meer zo’n lekker mokkel als twintig jaar geleden, hebben ze ook eens een natte droom, ‘k kan er toch niets meer aan doen.

    Otto kon soms ook zo kijken, maar meestal was-ie impotent. Van goude kronen werd-ie geiler dan van mijn natte kut, tot genoegen van z’n maten. Ha, dáár heb ik wat mee afgerammeld. Pal onder z’n ogen, met Hermann en Hermann. Als m’n duifje centjes aan het tellen was, had-ie nergens anders oog voor. Je kan zeggen wat je wil van Hermann, maar zachtzinnig was-ie allerminst, mein Knüppelchen!

    Verlangen te willen bezitten! Geen goud maar vlees en bloed!

    Gisela en Gudrun willen niets meer van me weten.  Artwin is dood. Ik heb alleen nog Uwe, du kleine Schwuchtel, je schrijft zulke lieve briefjes maar ik word er niet nat van. All diese romantischen Worte klingen nur noch lächerlich!

    Oh mein Papa, ik heb me altijd gehouden aan je wijze woorden: “Wees een meisje dat zich niet opzij laat zetten. Grijp elke kans aan die je als vrouw wordt geboden. Zorg dat je erbij hoort.” Misschien heb ik ’t toch verkeerd begrepen?

    Vroeger had Otto meer aandacht voor mij dan voor dat verfluchtes Judenpack. Soms deden we het midden op de dag. Hij vond het heerlijk om met ons naar de beesten te kijken. Gingen we paardrijden met Artwin op schoot. Toen Gudrun doodging was-ie ontroostbaar. Is-ie toen zo veranderd? We hadden het niet slecht maar met al dat joodse geteisem kwam de buit pas echt binnen! Ha, we waren ons eigen koninkrijk. Unsere eigene Finsternis.

    Het verlangen een mens te bezitten.

     Waldemar! Jij was mijn licht in de duisternis. Mijn remedie tegen eenzaamheid. Jij stilde mijn verlangen. Jij, mannelijke man, jij wist wat ik wilde, wat ik zo hard nodig had. Je deed alles wat ik je vroeg. En ik liet je doen wat jij wilde. Ach Waldemar, waar ben je gebleven?

    Wat zijn de mensen toch slecht en gemeen. Dat prachtige mens mocht zich geen dokter meer noemen. En tot overmaat van ramp hebben die inferieure Untermenschen hem opgehangen. Amerikanen noemen zich Christenen maar het zijn allemaal Semieten. Die tafellamp van  Pister hebben ze trouwens ook ingepikt.

   

Daar zijn ze weer, met hun gehijg en geloer. Ze zouden wel willen dat ik de lappen van m’n lijf trek, verfaulte Arslöcher! Daar wisten we in het kamp wel raad mee. Met hun ogen me uitkleden was niet meer nodig toen ik het zelf al gedaan had. Wisten ze niet waar ze kijken moesten maar ze konden hun blikken niet van me afhouden. Mijn tieten zijn nog steeds in trek, zo te zien. Geen wonder, want ik ben  Lysippe, al weet niemand dat.

    Uwe is lief. Hij respecteert mij als een moeder, seine Mutti. Hij wil niet geloven dat zijn moeder nu zelf de gebeten hond is – ach Quatsch; nu zelf? – dat die Christusmoordenaars zijn moeder met stront bekogelen. Hij wil er niet over praten. Scheisse. Eigenlijk heb ik mijn leven aan hem te danken. Zou hij iets gehoord hebben, in mijn buik, bij de tribunaal van Dachau? Mijn uitbarsting? Ik heb weer gedroomd. Op mijn paard reed ik door het kamp, naar het lab. In geen velden of wegen geteisem en ongedierte. Ik vloog vrij op mijn Pegasus recht in de armen van Waldemar. We bedreven de liefde op zijn ontleedtafel terwijl iedereen moest toekijken, staf en verplegers en al het gajes uit onze gevangenis, de ratten en raven, zelfs de uitgemergelde geraamtes in de hoeken van de snijkamer konden hun holle oogkassen niet van ons afhouden.

    Het genot om al die mensen te bezitten.

    Ineens verloren hun blikken de overgave, hun uitdrukking veranderde van onderwerping in afgrijzen. Ik voelde niet langer Waldemars warmte, alleen nog de kilte van al die gezichten. De ontleedtafel werd een podium in een rechtszaal en ik hoorde mezelf schreeuwen:

    “Dit is de hel! Ik ben slecht en pervers! Snij mij aan stukken, gooi me voor verscheurende beesten. Duivels! Duivelse hel!”

    Maar alleen Uwe was er, hij hield mijn hand vast, las voor uit de Bijbel. Toen verscheen God die alles wegvaagde. Ik werd wakker.

    Uwe stond naast m’n brits, samen met een cipier. Kennelijk had ik echt geschreeuwd, maar ze keken niet echt bezorgd.

   

Toen papa en mama naast m’n bed zaten keken die heel anders. In mijn slaap had ik ze wakker geschreeuwd. Mijn nachtmerrie was echt geweest, in de klas, thuis, lang geleden. Ik ben toen niet meer naar school gegaan. Die schofterige joodjes hadden mooi het nakijken.

    Net als bij die boekwinkel. Waren te gierig om me wat te geven, die Juda Geizhälse! Daar hebben onze Reichsgruppen toch maar mooi korte metten mee gemaakt. Dat had papa goed gezien, dat ik bij de partij moest gaan. Jammer dat-ie Otto niet meer meegemaakt heeft, zou hem vast met trots vervuld hebben, z’n dochtertje aan de arm van een kampcommandant.*

    Otto was trouwens een doorgewinterde oplichter, daar heb ik heel wat profijt van gehad. Ik geloof niet dat Eicke er iets van heeft gemerkt dat mijn Butterblümchen damals stelselmatig de boeken vervalste. Allemaal voor mij. Dat-ie met een balletdanser aan de haal ging, de Schwule, dat kwam volgens  Erich door de syfilis, die was in zijn kop geslagen. Echte mannen, als Waldemar en Erich, hadden daar geen last van, die likten alleen aan vrouwen. Als een Koch kon ik ze koud maken maar van Ilse werden ze bloedheet. Das war mal.

    Hier en nu word ik afgebeeld als een boosaardige harpij die zich heeft verlustigd aan het onuitroeibare ongedierte. Mij wordt nu verweten dat ik heb gedaan wat men zelf had willen doen: onkruid verdelgen. Ze hanteren hier liever zelf de flitspuit, afgaand op de razernij die ik opwek, afgaand op hun hypocriete rechtvaardigheidseis, waaraan ik niet voldoe. Ze willen mij laten boeten, willen mij nu bezitten. Een beest noemen ze me. Een heks. Ja, ik ben oud en lelijk, maar het monster dat ze zien zijn ze zelf.

    Oh, het verlangen een mens te bezitten…

    De malende gedachten aan al die onvervulde verlangens, horendol word ik ervan. Die smachtende wolk van behoeftigheid, walgelijk gewoon. Ik moet me niet zo opwinden, dat heeft helemaal geen zin. Spijt? Als ik terug kon gaan in de tijd zou ik het allemaal weer zo doen. Mannen en paarden, apen en ratten, leeuwen en tijgers*, ze aten allemaal uit mijn hand. Iedereen kroop voor me. Ah, om zoveel mensen te bezitten, wie wil dat niet?

   

   Die soldaten in Stuttgart* zagen me ook wel zitten. Al hadden ze thuis in Amerika vrouw en kinderen, wij rijpe Arische Mädel waren niet te versmaden. Ze probeerden elkaar de loef af te steken, wie de meeste meiden versierde. Sommigen deden of het de eerste keer was, de Heuchlerin. Die zwarten hoefde ik niet, er zijn grenzen, maar die Joden, dat was best geil…

    Ik had nooit moeten luisteren naar die witte monnik die ons in Ludwigsburg kwam opzoeken. Zou de kinderen verbinden met hun papa.* Hij was nauwelijks te verstaan ook al was hij geen Jood. Meer een zigeuner – ik had hem wel eens zonder pij willen zien – raadde aan dat ik zou aanpappen, met die Semieten, zou goed zijn voor m’n aura, neuken met die Amerikaanse woestijnnomaden.

    Die hebben me natuurlijk verraden, zo’n Aas ging zelfs met Artwin smoezen, wist dat kind veel, plaatjes kijken in het familiealbum, verdammt noch mal, terwijl ik… Scheisse, daar ben ik stevig ingestonken. Die zigeuner had me lelijk genaaid, natuurlijk was hij geen katholieke trappist geweest maar een semitische spion, en ik een blonde del, mijn kindjes werden weggehaald en mij gooiden ze in het cachot, als een ordinaire Schreckschraube.

    Dat was verschrikkelijk. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Het is het ergste wat er ooit gebeurd is, het verbreken van de bloedband tussen mij en Artwin en Gisele, zoiets kan alleen dat goddeloze Jodentuig bedacht hebben.

    Wat anders was er nog aan troost dan me helemaal te laten gaan en zwanger worden? Fritz was beslist een schat en echt verlieft op mij. Ik vraag me af of Uwe zijn vader ooit ontmoet heeft. Moet ik hem toch eens vragen. Of nee, beter van niet, hij is toch al zo gevoelig, net z’n vader, gaat-ie naar hem op zoek, wil-ie mij nooit meer zien. Hij is de enige die nog om me geeft. Straks is er niemand meer… Oh, nee…

   

Laten ze me dan nooit met rust? Staat er weer zo’n griezel te koekeloeren terwijl ze alleen maar mijn hap moeten brengen. Komt van al die praatjes. Ze denken dat ik een heks ben die alleen kindertjes eet, een vampier die niet onder een deken slaapt maar ondersteboven aan het plafond hangt. Zouden ze dat willen?

    Daar is ook die geestelijke weer. Ik weet niet eens of hij katholiek of protestant is. Maar hij leest voor uit de Bijbel, denkt dat ik een heiden ben die hij moet bekeren, of, erger nog, een duivel die hij moet bezweren. Ik heb hem al eens doen verbleken door mijn kleren uit te trekken. Maar hij is gebleven, ja, geen wonder, het is wel vijftien jaar geleden, toen had ik nog seks appeal. Misschien zou ik nu nog eens…

    Maar dat kan ik Uwe toch niet aandoen, dat z’n moeder de verlepte hoer uithangt omdat ze denkt dat zo’n priester, of wat hij ook is, in haar een lekker hapje ziet. Ik kan Uwe toch niet laten denken dat z’n moeder helemaal seniel is.

    Het is al erg genoeg wat hij van iedereen te horen krijgt. Het is al erg genoeg wat hij van mij moet vinden. Ik ben z’n moeder nooit geweest.

    Ik zou dat uitschot wel de waarheid willen zeggen. Maar ze zullen zeggen dat ik lieg.

    Ze zullen Uwe zeggen dat z’n moeder liegt.

    Dat z’n moeder een vuile leugenaar is, een moordenaar, een perverse nymfomane, een sadistische, hysterische, machtswellustige demon.

    Arme jongen… <

 

  

In gevangenschap maakte Ilse Koch een einde aan haar leven door zich met behulp van het bedlinnen in haar cel op te hangen.

   In Buchenwald had ze zich aan de zijde van haar mannelijke partner(s) doen gelden als een in de ogen van het nazi-regime voorbeeldige Oberaufseherin, die niet terugdeinsde voor het aanschouwen en zelf uitvoeren van martelpraktijken en doodslag. Dat ze niet ter dood werd veroordeeld heeft ze te dan-ken aan haar vrouwelijke uitstraling tijdens haar rechtszaak in Dachau, 1947.

   Het verhaal gaat dat Ilse Koch één van de Gorgoonse Zusters* was, nazi-meiden als Erna Petri, Liesel Wilhaus en Gertrude Segel, die hun SS-echtgenoten in wreedheid soms evenaarden. Deze vrijgevochten furiën waren toonbeelden van seksuele emancipatie zonder veel algemene en morele kennis. De geperverteerde context waarin zij zich ontwikkelden is altijd onder ons en kan zo weer boven komen drijven. Wereldwijd zit de samenleving nog bomvol testosteron, zonder voldoende X-chromosomaal tegenwicht.

   Wellicht is het aan een meer ontwikkeld vrouwenbrein om te bepalen wat de toekomst brengen zal.

 

 


Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

Michel Cimes. Hippocrates in de hel. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2016

Christopher Decorse. Doodgewone mannen. Singel Uitgevers, 1993

Ad van Liempt & Jan Kompagnie. Jodenjacht. Balans, 2013

Wendy Lower. Hitlers furiën. Spectrum, 2015

 

Overige Nederlandstalige bronnen

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/gij-zult-gehoorzamen/

https://historiek.net/ilse-koch-heks-van-buchenwald/72179/

https://www.strijdbewijs.nl/kamp/buchenwald.htm

 

 

De macht ven propaganda en massasuggestie is nooit beter geïllustreerd dan in de zaak tegen Ilse Koch komt uit de conclusie van het strafherzieningsrapport van generaal Lucius Clay, de militaire gouverneur in de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland, 1948
Het leven van Koch wordt beschreven in https://www.tracesofwar.nl/persons/72353/Koch-Karl-Otto.htm
Hermann Florstedt was Kochs rechterhand in 1939 en SS-Hauptsturmführer Hermann Hackmann was een sadistische hoofdofficier in Buchenwald. Florstedt werd wegens corruptie door de SS ter dood veroordeeld en in 1945 terechtgesteld. Hackmann werd als oorlogsmisdadiger tot levenslang veroordeeld en kwam in 1955 vrij. Later belandde hij opnieuw in de gevangenis
In Buchenwald kreeg Ilse drie kinderen. De oudste, Artwin, pleegde na de oorlog zelfmoord. Gudrun was al in Buchenwald overleden en Gisela wilde na de oorlog niets meer met haar moeder te maken hebben
Waldemar Hoven was in de tweede wereldoorlog kamparts in Buchenwald. Hij werd vanwege zijn misdaden tegen de menselijkheid ter dood veroordeeld en in 1948 terechtgesteld
Eind 1941 werd Karl Otto Koch – die benoemd was kampcommandant van Majdanek en zonder zijn vrouw naar Lublin was afgereisd – opgevolgd door Hermann Pister. Deze had op zijn bureau een tafellamp staan met een kap die gemaakt was van geprepareerde mensenhuid en voorzien van een indrukwekkende tattoo. De lamp verdween in 1945 en kon dus niet gebruikt worden als bewijsmateriaal in het proces tegen Ilse Koch

Lysippe (zij die de paarden loslaat) was koningin van de Amazonen en reed ten strijde met ontblote borsten

Na een onbezoldigd baantje bij een boekwinkel werkte ze als stenotypiste bij verschillende bedrijven alvorens te profiteren van het Reinhardt-programma (werkeloosheidsverminderingswet en belastingaanpassingswet) en als betrokken partijlid in 1934 een aanstelling kreeg in het concentratiekamp Sachsenhausen waar ze Karl-Otto Koch voor het eerst ontmoette. Koch was kampcommandant toen ze in mei 1937 trouwden. In augustus verhuisden ze naar Buchenwald waar ze zich vestigden in Villa Koch
Theodor Eicke was oprichter van de SS-Totenkopfverbände en Inspector der Konzentrationslager. Als kampcommandant van Dachau, was hij rolmodel voor Karl-Otto Koch die in 1935 zijn adjudant was. Tijdens de ‘nacht van de lange messen’ volgde Koch blindelings zijn bevelen op inzake diverse executies
Dr Ehrich Wagner was kamparts in Buchenwald waar hij tatoeages van gevangen bestudeerde en er een dissertatie over schreef: http://www.usmbooks.com/nazi_SS_doctor.html. Na de oorlog dook hij onder en werd pas in 1958 gearresteerd. Kort daarna pleegde hij zelfmoord
In 1938 liet Koch op verzoek van zijn vrouw een dierentuin en een manege door de gevangenen aanleggen. De dieren kregen goed te eten, in tegenstelling tot de hongerende gevangenen die ze moesten verzorgen
Na de ter dood veroordeling van haar echtgenoot verliet Ilse Buchenwald en betrok met haar kinderen in 1944 een woning in een voorstadje van Stuttgart waar het Amerikaanse bevrijdingsleger was neergestreken
In nazikringen waren seances heel gewoon. Voor het zielenheil van de kinderen was het niet ongebruikelijk dat alleenstaande moeders werden benaderd door spirituele media om contact te leggen met de overleden vader. Overigens was Karl-Otto Koch inderdaad een paar maanden eerder, op 3 april 1945, geëxecuteerd. Het anti-intellectuele gedachtengoed van de SS werd gekenmerkt door occulte ideeën over ras, bloed en geest, de vereniging van het materiële en het mystieke. Zie ook: Eric Kurlander, Hitler’s Monsters, Yale University Press, 2017.
Fritz Schaeffer was een medegevangene in Flossenberg van wie Ilse in 1946 zwanger werd. Toen ze een half jaar later met een dikke buik voor de rechtbank verscheen, werkte dat in haar voordeel. Toen het kind, Uwe, in de gevangenis werd geboren, werd het onmiddellijk bij haar weggehaald en in een pleeggezin geplaatst. Tot verbittering van de moeder.
Met de Gorgonen doelt men in de Griekse mythologie op een stel dochters van een paar monsterlijke zeegoden. Ze droegen slangen als hoofdtooi en konden mensen met één blik in steen veranderden. Het bekendst werd Medusa, nadat haar hoofd op listige wijze door Perseus werd afgehakt (zonder haar meedogenloze oogopslag te verliezen, waarmee ze ook na decapitatie nog iemand kon petrificeren).