Helleveeg van Buchenwald

De macht van propaganda en massasuggestie …*

 

 

Concentratiekamp Buchenwald (nabij Weimar) werd in 1937 in opdracht van Heinrich Himmler aangelegd en onder bevel van zijn protegé SS-kolonel Karl Otto Koch geplaatst, die er als eerste kampcommandant een mensonterend bewind voerde (in 1941 kreeg hij het commando over het vernietigingskamp Majdanek). Zijn echtgenote Ilse Koch-Köhler staat te boek als een sadistische nymfomane die zich te buiten ging aan demonische praktijken, martelingen en andere wreedheden. Na het vertrek van haar man bleef zij nog een paar jaar in Buchenwald werken als Oberaufseherin.

   Voordat Otto Koch wegens crimineel gedrag (ontvreemding van SS-eigendom en moord van 2 verplegers) ter dood werd veroordeeld en door de SS geëxecuteerd, verbleef Ilse zestien maanden in voorarrest, totdat ze werd vrijgesproken en met haar kinderen introk bij familie in Ludwigsburg. Na de oorlog werd ze voor het Amerikaanse gerecht gedaagd vanwege de aantijging dat ze van de huid van door haarzelf geselecteerde gevangenen lampenkappen, handschoenen, boekenkaften en andere gebruiksartikelen gemaakt zou hebben. Bij gebrek aan tastbaar bewijs werd ze bijna opnieuw vrijgesproken maar onder druk van de publieke opinie door de Duitse justitie uiteindelijk tot levenslang veroordeeld. De doodstraf bleef haar bespaard omdat ze tijdens haar gevangenschap in 1947 zwanger was geraakt.

   Het kind, een jongen, werd direct na de bevalling in een traject van pleeggezinnen geplaatst. Bij toeval ontdekte hij in 1955 zijn ware identiteit en nam de naam van zijn moeder aan. Elf jaar later bezocht Uwe Köhler haar voor de eerste keer en zou dat maandelijks blijven doen. Ze schreven elkaar brieven, hij maakte gedichten voor haar, maar over de oorlog werd niet gerept. In 1971 deed hij een onzekere poging tot rehabilitatie van zijn moeder: “Ze was een del die in sexy ondergoed op haar paard door het overvolle kamp reed en wee degene die haar uitdagende geflirt niet kon weerstaan. Maar met die lampenkappen had ze niets van doen. Ze is het slachtoffer van spookverhalen.”

   Het aangedane leed was echter onuitwisbaar. De vergelding onherroepelijk.

 

 

 

Ik heb ze wel zien kijken, hoor, met die oogjes van ze. Dachten zeker dat ik ze niet in de gaten had, die heisse Schweinhunden! Geef ze eens ongelijk, al ben ik niet meer zo’n lekker mokkel als twintig jaar geleden, hebben ze ook eens een natte droom, ‘k kan er toch niets meer aan doen.

    Otto kon soms ook zo kijken, maar meestal was-ie impotent. Van goude kronen werd-ie geiler dan van mijn natte kut, tot genoegen van z’n maten. Ha, dáár heb ik wat mee afgerammeld. Pal onder z’n ogen, met Hermann en Hermann. Als m’n duifje centjes aan het tellen was, had-ie nergens anders oog voor. Je kan zeggen wat je wil van Hermann, maar zachtzinnig was-ie allerminst, mein Knüppelchen!

    Verlangen te willen bezitten! Geen goud maar vlees en bloed!

    Gisela en Gudrun willen niets meer van me weten.  Artwin is dood. Ik heb alleen nog Uwe, du kleine Schwuchtel, je schrijft zulke lieve briefjes maar ik word er niet nat van. All diese romantischen Worte klingen nur noch lächerlich!

    Oh mein Papa, ik heb me altijd gehouden aan je wijze woorden: “Wees een meisje dat zich niet opzij laat zetten. Grijp elke kans aan die je als vrouw wordt geboden. Zorg dat je erbij hoort.” Misschien heb ik ’t toch verkeerd begrepen?

    Vroeger had Otto meer aandacht voor mij dan voor dat verfluchtes Judenpack. Soms deden we het midden op de dag. Hij vond het heerlijk om met ons naar de beesten te kijken. Gingen we paardrijden met Artwin op schoot. Toen Gudrun doodging was-ie ontroostbaar. Is-ie toen zo veranderd? We hadden het niet slecht maar met al dat joodse geteisem kwam de buit pas echt binnen! Ha, we waren ons eigen koninkrijk. Unsere eigene Finsternis.

    Het verlangen een mens te bezitten.

     Waldemar! Jij was mijn licht in de duisternis. Mijn remedie tegen eenzaamheid. Jij stilde mijn verlangen. Jij, mannelijke man, jij wist wat ik wilde, wat ik zo hard nodig had. Je deed alles wat ik je vroeg. En ik liet je doen wat jij wilde. Ach Waldemar, waar ben je gebleven?

    Wat zijn de mensen toch slecht en gemeen. Dat prachtige mens mocht zich geen dokter meer noemen. En tot overmaat van ramp hebben die inferieure Untermenschen hem opgehangen. Amerikanen noemen zich Christenen maar het zijn allemaal Semieten. Die tafellamp van  Pister hebben ze trouwens ook ingepikt.

   

Daar zijn ze weer, met hun gehijg en geloer. Ze zouden wel willen dat ik de lappen van m’n lijf trek, verfaulte Arslöcher! Daar wisten we in het kamp wel raad mee. Met hun ogen me uitkleden was niet meer nodig toen ik het zelf al gedaan had. Wisten ze niet waar ze kijken moesten maar ze konden hun blikken niet van me afhouden. Mijn tieten zijn nog steeds in trek, zo te zien. Geen wonder, want ik ben  Lysippe, al weet niemand dat.

    Uwe is lief. Hij respecteert mij als een moeder, seine Mutti. Hij wil niet geloven dat zijn moeder nu zelf de gebeten hond is – ach Quatsch; nu zelf? – dat die Christusmoordenaars zijn moeder met stront bekogelen. Hij wil er niet over praten. Scheisse. Eigenlijk heb ik mijn leven aan hem te danken. Zou hij iets gehoord hebben, in mijn buik, bij de tribunaal van Dachau? Mijn uitbarsting? Ik heb weer gedroomd. Op mijn paard reed ik door het kamp, naar het lab. In geen velden of wegen geteisem en ongedierte. Ik vloog vrij op mijn Pegasus recht in de armen van Waldemar. We bedreven de liefde op zijn ontleedtafel terwijl iedereen moest toekijken, staf en verplegers en al het gajes uit onze gevangenis, de ratten en raven, zelfs de uitgemergelde geraamtes in de hoeken van de snijkamer konden hun holle oogkassen niet van ons afhouden.

    Het genot om al die mensen te bezitten.

    Ineens verloren hun blikken de overgave, hun uitdrukking veranderde van onderwerping in afgrijzen. Ik voelde niet langer Waldemars warmte, alleen nog de kilte van al die gezichten. De ontleedtafel werd een podium in een rechtszaal en ik hoorde mezelf schreeuwen:

    “Dit is de hel! Ik ben slecht en pervers! Snij mij aan stukken, gooi me voor verscheurende beesten. Duivels! Duivelse hel!”

    Maar alleen Uwe was er, hij hield mijn hand vast, las voor uit de Bijbel. Toen verscheen God die alles wegvaagde. Ik werd wakker.

    Uwe stond naast m’n brits, samen met een cipier. Kennelijk had ik echt geschreeuwd, maar ze keken niet echt bezorgd.

   

Toen papa en mama naast m’n bed zaten keken die heel anders. In mijn slaap had ik ze wakker geschreeuwd. Mijn nachtmerrie was echt geweest, in de klas, thuis, lang geleden. Ik ben toen niet meer naar school gegaan. Die schofterige joodjes hadden mooi het nakijken.

    Net als bij die boekwinkel. Waren te gierig om me wat te geven, die Juda Geizhälse! Daar hebben onze Reichsgruppen toch maar mooi korte metten mee gemaakt. Dat had papa goed gezien, dat ik bij de partij moest gaan. Jammer dat-ie Otto niet meer meegemaakt heeft, zou hem vast met trots vervuld hebben, z’n dochtertje aan de arm van een kampcommandant.*

    Otto was trouwens een doorgewinterde oplichter, daar heb ik heel wat profijt van gehad. Ik geloof niet dat Eicke er iets van heeft gemerkt dat mijn Butterblümchen damals stelselmatig de boeken vervalste. Allemaal voor mij. Dat-ie met een balletdanser aan de haal ging, de Schwule, dat kwam volgens  Erich door de syfilis, die was in zijn kop geslagen. Echte mannen, als Waldemar en Erich, hadden daar geen last van, die likten alleen aan vrouwen. Als een Koch kon ik ze koud maken maar van Ilse werden ze bloedheet. Das war mal.

    Hier en nu word ik afgebeeld als een boosaardige harpij die zich heeft verlustigd aan het onuitroeibare ongedierte. Mij wordt nu verweten dat ik heb gedaan wat men zelf had willen doen: onkruid verdelgen. Ze hanteren hier liever zelf de flitspuit, afgaand op de razernij die ik opwek, afgaand op hun hypocriete rechtvaardigheidseis, waaraan ik niet voldoe. Ze willen mij laten boeten, willen mij nu bezitten. Een beest noemen ze me. Een heks. Ja, ik ben oud en lelijk, maar het monster dat ze zien zijn ze zelf.

    Oh, het verlangen een mens te bezitten…

    De malende gedachten aan al die onvervulde verlangens, horendol word ik ervan. Die smachtende wolk van behoeftigheid, walgelijk gewoon. Ik moet me niet zo opwinden, dat heeft helemaal geen zin. Spijt? Als ik terug kon gaan in de tijd zou ik het allemaal weer zo doen. Mannen en paarden, apen en ratten, leeuwen en tijgers*, ze aten allemaal uit mijn hand. Iedereen kroop voor me. Ah, om zoveel mensen te bezitten, wie wil dat niet?

   

   Die soldaten in Stuttgart* zagen me ook wel zitten. Al hadden ze thuis in Amerika vrouw en kinderen, wij rijpe Arische Mädel waren niet te versmaden. Ze probeerden elkaar de loef af te steken, wie de meeste meiden versierde. Sommigen deden of het de eerste keer was, de Heuchlerin. Die zwarten hoefde ik niet, er zijn grenzen, maar die Joden, dat was best geil…

    Ik had nooit moeten luisteren naar die witte monnik die ons in Ludwigsburg kwam opzoeken. Zou de kinderen verbinden met hun papa.* Hij was nauwelijks te verstaan ook al was hij geen Jood. Meer een zigeuner – ik had hem wel eens zonder pij willen zien – raadde aan dat ik zou aanpappen, met die Semieten, zou goed zijn voor m’n aura, neuken met die Amerikaanse woestijnnomaden.

    Die hebben me natuurlijk verraden, zo’n Aas ging zelfs met Artwin smoezen, wist dat kind veel, plaatjes kijken in het familiealbum, verdammt noch mal, terwijl ik… Scheisse, daar ben ik stevig ingestonken. Die zigeuner had me lelijk genaaid, natuurlijk was hij geen katholieke trappist geweest maar een semitische spion, en ik een blonde del, mijn kindjes werden weggehaald en mij gooiden ze in het cachot, als een ordinaire Schreckschraube.

    Dat was verschrikkelijk. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Het is het ergste wat er ooit gebeurd is, het verbreken van de bloedband tussen mij en Artwin en Gisele, zoiets kan alleen dat goddeloze Jodentuig bedacht hebben.

    Wat anders was er nog aan troost dan me helemaal te laten gaan en zwanger worden? Fritz was beslist een schat en echt verlieft op mij. Ik vraag me af of Uwe zijn vader ooit ontmoet heeft. Moet ik hem toch eens vragen. Of nee, beter van niet, hij is toch al zo gevoelig, net z’n vader, gaat-ie naar hem op zoek, wil-ie mij nooit meer zien. Hij is de enige die nog om me geeft. Straks is er niemand meer… Oh, nee…

   

Laten ze me dan nooit met rust? Staat er weer zo’n griezel te koekeloeren terwijl ze alleen maar mijn hap moeten brengen. Komt van al die praatjes. Ze denken dat ik een heks ben die alleen kindertjes eet, een vampier die niet onder een deken slaapt maar ondersteboven aan het plafond hangt. Zouden ze dat willen?

    Daar is ook die geestelijke weer. Ik weet niet eens of hij katholiek of protestant is. Maar hij leest voor uit de Bijbel, denkt dat ik een heiden ben die hij moet bekeren, of, erger nog, een duivel die hij moet bezweren. Ik heb hem al eens doen verbleken door mijn kleren uit te trekken. Maar hij is gebleven, ja, geen wonder, het is wel vijftien jaar geleden, toen had ik nog seks appeal. Misschien zou ik nu nog eens…

    Maar dat kan ik Uwe toch niet aandoen, dat z’n moeder de verlepte hoer uithangt omdat ze denkt dat zo’n priester, of wat hij ook is, in haar een lekker hapje ziet. Ik kan Uwe toch niet laten denken dat z’n moeder helemaal seniel is.

    Het is al erg genoeg wat hij van iedereen te horen krijgt. Het is al erg genoeg wat hij van mij moet vinden. Ik ben z’n moeder nooit geweest.

    Ik zou dat uitschot wel de waarheid willen zeggen. Maar ze zullen zeggen dat ik lieg.

    Ze zullen Uwe zeggen dat z’n moeder liegt.

    Dat z’n moeder een vuile leugenaar is, een moordenaar, een perverse nymfomane, een sadistische, hysterische, machtswellustige demon.

    Arme jongen… <

  

 

 

 

 

 

Aan elk leven komt een einde. Geen leven zonder dood. De tijd houdt eventjes de adem in … tikt dan brutaal verder. Onverstoorbaar, als altijd.

   Tijdens haar gevangenschap maakte Ilse Koch op 1 september 1967 een einde aan haar leven door zich met behulp van het bedlinnen in haar cel op te hangen. In haar afscheidsbrief aan Uwe schreef ze: "Ik kan niet anders. De dood is de enige verlossing."

   Als de Witte Monnik haar niet op het boemelspoor had gezet van de bluffende Amerikaans-Joodse soldatenjongens was ze wellicht de dans ontsprongen. Hoe kwam die Amerikaanse officier trouwens aan haar familiealbum? Had de zevenjarige Artwin hem dat uit eigen beweging gegeven, daar in Ludwigsburg? Zulke gedetailleerde informatie is te vinden in Ordinary Women: Female Perpetrators of the Nazi Final Solution van Haley Wodenshek (Trinity College): https://digitalrepository.trincoll.edu/theses/522/ 

   

  

In Buchenwald had Ilse Koch zich aan de zijde van haar mannelijke partner(s) doen gelden als een in de ogen van het nazi-regime voorbeeldige Oberaufseherin, die niet terugdeinsde voor het aanschouwen en zelf uitvoeren van martelpraktijken en doodslag. Dat ze niet ter dood werd veroordeeld heeft ze te dan-ken aan haar vrouwelijke uitstraling tijdens haar rechtszaak in Dachau, 1947.

   Het verhaal gaat dat Ilse Koch één van de Gorgoonse Zusters* was, nazi-meiden als Erna Petri, Liesel Wilhaus en Gertrude Segel, die hun SS-echtgenoten in wreedheid soms evenaarden. Deze vrijgevochten furiën waren toonbeelden van seksuele emancipatie zonder veel algemene en morele kennis. De geperverteerde context waarin zij zich ontwikkelden is altijd onder ons en kan zo weer boven komen drijven. Wereldwijd zit de samenleving nog bomvol testosteron, zonder voldoende X-chromosomaal tegenwicht.

   Wellicht is het aan een meer ontwikkeld vrouwenbrein om te bepalen wat de toekomst brengen zal.

 

 

 

De loop van de geschiedenis wordt bepaald door massale sterfte. Door extreme droogte of gemene ziektes. Maar vooral ook door elkaar af te maken. Doelbewuste uitroeiing, verbrandingsovens, genocide… Zijn het de overlevenden of de gedachten aan de doden, die ons leiden naar een posthumane toekomst?

 


Nederlandstalige bronnen

Michel Cimes. Hippocrates in de hel. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2016

Christopher Decorse. Doodgewone mannen. Singel Uitgevers, 1993

Ad van Liempt & Jan Kompagnie. Jodenjacht. Balans, 2013

Wendy Lower. Hitlers furiën. Spectrum, 2015

 

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/gij-zult-gehoorzamen/

https://historiek.net/ilse-koch-heks-van-buchenwald/72179/

https://www.strijdbewijs.nl/kamp/buchenwald.htm

 

 

De macht ven propaganda en massasuggestie is nooit beter geïllustreerd dan in de zaak tegen Ilse Koch komt uit de conclusie van het strafherzieningsrapport van generaal Lucius Clay, de militaire gouverneur in de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland, 1948

Het leven van Koch wordt beschreven in https://www.tracesofwar.nl/persons/72353/Koch-Karl-Otto.htm
Hermann Florstedt was Kochs rechterhand in 1939 en SS-Hauptsturmführer Hermann Hackmann was een sadistische hoofdofficier in Buchenwald. Florstedt werd wegens corruptie door de SS ter dood veroordeeld en in 1945 terechtgesteld. Hackmann werd als oorlogsmisdadiger tot levenslang veroordeeld en kwam in 1955 vrij. Later belandde hij opnieuw in de gevangenis
In Buchenwald kreeg Ilse drie kinderen. De oudste, Artwin, pleegde na de oorlog zelfmoord. Gudrun was al in Buchenwald overleden en Gisela wilde na de oorlog niets meer met haar moeder te maken hebben
Waldemar Hoven was in de tweede wereldoorlog kamparts in Buchenwald. Hij werd vanwege zijn misdaden tegen de menselijkheid ter dood veroordeeld en in 1948 terechtgesteld
Eind 1941 werd Karl Otto Koch – die benoemd was kampcommandant van Majdanek en zonder zijn vrouw naar Lublin was afgereisd – opgevolgd door Hermann Pister. Deze had op zijn bureau een tafellamp staan met een kap die gemaakt was van geprepareerde mensenhuid en voorzien van een indrukwekkende tattoo. De lamp verdween in 1945 en kon dus niet gebruikt worden als bewijsmateriaal in het proces tegen Ilse Koch

Lysippe (zij die de paarden loslaat) was koningin van de Amazonen en reed ten strijde met ontblote borsten

Na een onbezoldigd baantje bij een boekwinkel werkte ze als stenotypiste bij verschillende bedrijven alvorens te profiteren van het Reinhardt-programma (werkeloosheidsverminderingswet en belastingaanpassingswet) en als betrokken partijlid in 1934 een aanstelling kreeg in het concentratiekamp Sachsenhausen waar ze Karl-Otto Koch voor het eerst ontmoette. Koch was kampcommandant toen ze in mei 1937 trouwden. In augustus verhuisden ze naar Buchenwald waar ze zich vestigden in Villa Koch
Theodor Eicke was oprichter van de SS-Totenkopfverbände en Inspector der Konzentrationslager. Als kampcommandant van Dachau, was hij rolmodel voor Karl-Otto Koch die in 1935 zijn adjudant was. Tijdens de ‘nacht van de lange messen’ volgde Koch blindelings zijn bevelen op inzake diverse executies
Dr Ehrich Wagner was kamparts in Buchenwald waar hij tatoeages van gevangen bestudeerde en er een dissertatie over schreef: http://www.usmbooks.com/nazi_SS_doctor.html. Na de oorlog dook hij onder en werd pas in 1958 gearresteerd. Kort daarna pleegde hij zelfmoord
In 1938 liet Koch op verzoek van zijn vrouw een dierentuin en een manege door de gevangenen aanleggen. De dieren kregen goed te eten, in tegenstelling tot de hongerende gevangenen die ze moesten verzorgen
Na de ter dood veroordeling van haar echtgenoot verliet Ilse Buchenwald en betrok met haar kinderen in 1944 een woning in een voorstadje van Stuttgart waar het Amerikaanse bevrijdingsleger was neergestreken
In nazikringen waren seances heel gewoon. Voor het zielenheil van de kinderen was het niet ongebruikelijk dat alleenstaande moeders werden benaderd door spirituele media om contact te leggen met de overleden vader. Overigens was Karl-Otto Koch inderdaad een paar maanden eerder, op 3 april 1945, geëxecuteerd. Het anti-intellectuele gedachtengoed van de SS werd gekenmerkt door occulte ideeën over ras, bloed en geest, de vereniging van het materiële en het mystieke. Zie ook: Eric Kurlander, Hitler’s Monsters, Yale University Press, 2017.
Fritz Schaeffer was een medegevangene in Flossenberg van wie Ilse in 1946 zwanger werd. Toen ze een half jaar later met een dikke buik voor de rechtbank verscheen, werkte dat in haar voordeel. Toen het kind, Uwe, in de gevangenis werd geboren, werd het onmiddellijk bij haar weggehaald en in een pleeggezin geplaatst. Tot verbittering van de moeder.
Met de Gorgonen doelt men in de Griekse mythologie op een stel dochters van een paar monsterlijke zeegoden. Ze droegen slangen als hoofdtooi en konden mensen met één blik in steen veranderden. Het bekendst werd Medusa, nadat haar hoofd op listige wijze door Perseus werd afgehakt (zonder haar meedogenloze oogopslag te verliezen, waarmee ze ook na decapitatie nog iemand kon petrificeren).
Transhumanisme en posthumanisme, voorbij de mens via techniek. Een reflectie op onze technologische toekomst

Pieter Lemmens 

Universiteit van Wageningen

Centrum voor Methodische Ethiek en Technology Assessment

 

Inleiding

De alsmaar versnellende ontwikkelingen in nieuwe technologieën als de biotechnologie, de neurotechnologie, de nanotechnologie, de kunstmatige intelligentie en de informatieen communicatietechnologie – allemaal technologieën die op de een of andere wijze ook, of zelfs in het bijzonder, van toepassing (zullen) zijn op de mens zelf – hebben in de afgelopen jaren bij een groot aantal denkers, vooral aan de overzijde van de oceaan, de idee doen postvatten dat we aan de vooravond staan van een geheel nieuw tijdperk, waarin de mens zichzelf via technologie zal overstijgen naar iets dat voorbij de mens zal liggen, voorbij de mens in elk geval zoals we die nu kennen. De tijd van de ‘oude’ mens is in principe ten einde zo wordt met veel fanfare verkondigd. De nieuwe technologieën dragen immers de belofte in zich van een nieuwe mens, een technologisch opgewaardeerde mens die zich op den duur definitief zal verlossen van de gebreken en de beperkingen die de oude – ‘natuurlijke’- mens eeuwig plaagden.

   Dat lijkt althans de overtuiging van de zogenaamde transhumanisten, naar verluidt een snel groeiende globale beweging van enthousiaste futurofielen die ruim baan wil geven aan technowetenschappelijk onderzoek ten behoeve van wat men human enhancement noemt, de verbetering – de ‘opwaardering’ - van de mens via technologie. Ook de beweging van de extropianen, die nauw verwant is aan die van de transhumanisten, maakt zich sterk voor technologische upgrading van de mens teneinde het traditionele mens-zijn te overstijgen naar iets wat veel beter en fantastischer zal zijn. Ook zij hebben de mond vol van redesigning, reprogramming en reconfiguring van de menselijke conditie.

   Volgens Max More, de hyperambitieuze directeur van het in Californië gebaseerde Extropy Institute, is het tijd dat de mens zichzelf bevrijdt uit de wieg van moeder natuur en zijn evolutie in eigen hand gaat nemen. De mens van de toekomst zal ziekte, ouderdom en dood niet langer hoeven te tolereren, hij zal zijn perceptuele en cognitieve vermogens uitbreiden en permanent verbeteren, hij zal zijn intelligentie en geheugen opvoeren, zich verlossen van zijn slavernij aan de ‘zelfzuchtige genen’ die hem hebben gemaakt en door herprogrammering van zijn genetische programma controle krijgen over de biologische en neurologische processen die hem bepalen. Hij zal als zodanig zijn emotionele en motivationele patronen kunnen herontwerpen en hij zal ook steeds meer - en steeds geavanceerdere - technologieën integreren in zijn biologische constitutie, om uiteindelijk de menselijke conditie geheel te overwinnen en een ‘ultramenselijke conditie’ te realiseren die een samenleving beloofd van ongekende rijkdom, excellence, vrijheid en innovativiteit.

 

The posthuman condition en de informatisering van de werkelijkheid

Naast transhumanisme, ultrahumanisme en extropianisme hoort men tegenwoordig ook vaak de term posthumanisme, waarmee in het algemeen wordt gedoeld op het besef dat de menselijke conditie door technologisering zodanig is veranderd dat we nu reeds voorbij zijn aan de mens en dat de klassieke humanistische opvattingen van de mens dan ook niet langer als leidraad kunnen dienen voor ons zelfbegrip en de wijze waarop 2 we ons tot onszelf moeten verhouden. Hoewel posthumanisme en transhumanisme soms als synoniemen worden gebruikt, lijkt het erop dat transhumanisten de technologische opwaardering van de mens zonder meer toejuichen en op vrij naïeve wijze overoptimistisch zijn ten aanzien van de mogelijkheden van human enhancement, terwijl auteurs die zich identificeren met het posthumanisme over het algemeen veel sceptischer (maar zeker niet afwijzend) staan ten aanzien van dergelijke mogelijkheden en veel eerder geneigd zijn om de zogenaamde ‘posthuman condition’ juist te problematiseren en de veelal naïeve vooronderstellingen van de transhumanistische maakbaarheidsideologie juist kritisch onder de loep te nemen.

   Maar wie of wat is nu die posthuman, die ‘postmens’ die we volgens velen al lang en breed zijn, of we dat nu al van onszelf weten of niet? Volgens een gezaghebbende studie van de Amerikaanse literatuurcritica Katherine Hayles, getiteld How We Became Posthuman? Virtual Bodies in Cybernetics, Literature, and Informatics (1999) zijn we het posthumanistische tijdperk binnengetreden sinds de cybernetica ons voorhoudt dat er op het meest fundamentele niveau geen wezenlijk verschil is tussen een mens en een machine ofwel meer in het algemeen tussen levende wezens en machines. De machines op grond waarvan cybernetici als Norbert Wiener, Warren McCulloch, Claude Shannon, Warren Weaver en John van Neumann eind jaren veertig van de vorige eeuw tot een dergelijke opvatting kwamen waren niet de aloude mechanische en thermodynamische machines van het eerste industriële tijdperk maar de nieuwe ‘denkmachines’ zoals ze destijds werden genoemd, de informatieverwerkende machines die we nu computers noemen. De essentie van computers als denkmachines zit hem niet in het mechanische noch in het energetische maar in hun informationele karakter. Informatie is de nu alomtegenwoordig gebruikte term waarmee de cybernetici van toen aangaven dat zuiver materiële objecten zoals computers desalniettemin – zij het tot dan toe slechts zeer eenvoudige – denkoperaties konden uitvoeren. Informatie was voor hen als het ware gematerialiseerde subjectiviteit of reflexiviteit. Deze gedachte is al snel overgenomen door moleculair biologen, die sindsdien zijn beginnen te spreken over informatie in de genen en levende organismen zijn gaan begrijpen als de output van een genetisch programma. De essentie van het leven, maar ook van het denken, wordt sindsdien gezocht in de informatie in de genen ofwel in de neurale netwerken van het brein.

   Typisch voor het posthumanisme is dat ze de natuur begrijpt in termen van informatie. Bovendien, en dat is volgens Hayles het meest typerende van de post- en transhumanistische mindset, wordt die informatie beschouwd als iets dat los kan bestaan van de materie en het lichaam, dat onafhankelijk is van het medium waarin het ‘incarneert’ of ‘tot expressie komt’. Zo maakt het in principe niet uit of biologische informatie nu in een cel (in vivo), in een reageerbuis (in vitro) of in een computer (in silico) voorkomt. Het is neutraal ten opzichte van deze media. Dat betekent dat informatie gezien wordt als een soort van immateriële entiteit die vrij kan bewegen tussen biologische (carbon-based) en niet-biologische (silicon-based) componenten zodat biosystemen en computersystemen als het ware naadloos in elkaar kunnen overvloeien en als één enkel systeem kunnen functioneren. Dit laatste is precies de idee van de cyborg ofwel het cybernetic organism, een wezen dat half mens half machine is, een mix van vlees, staal en silicium, communicerend via dezelfde informatie.

   In de posthumanistische opvatting is informatie het enige werkelijk essentiële van het leven: het leven is slechts bytes en bytes en bytes aan digitale informatie, zoals de populaire Britse bioloog Richard Dawkins ooit schreef. Het lichaam – het fenotype - is slechts de toevallige – en vrijelijk manipuleerbare - materiële expressie van die 3 informatie. Er bestaat voor de post- en transhumanist ook geen absoluut onderscheid tussen een biologisch organisme en een cybernetisch mechanisme. Evenmin wordt er nog een wezenlijk onderscheid gemaakt tussen het lichamelijk/belichaamd bestaan in de ‘echte’ werkelijkheid en een gesimuleerd bestaan in een virtuele werkelijkheid (bijvoorbeeld het RAM-geheugen van een computer). Volgens de Amerikaanse roboticus en transhumanist van het eerste uur Hans Moravec en diens collega Ray Kurzweil (beide werkzaam aan MIT) wordt het in de toekomst mogelijk ons bewustzijn te downloaden in een computer. Waar we vervolgens verder kunnen ‘leven’ en allerlei spannende avonturen beleven als datastructuren in een virtuele ruimte, zoals in de films Tron, The Lawnmower Man en Johnny Mnemonic of in de Matrix uit de roman Neuromancer van William Gibson (en de daarop geïnspireerde film met dezelfde titel van de Wachowski brothers). Als onze essentie niets anders is dan informatie, dan moet het ook mogelijk zijn om onszelf te laten teleporteren, zoals in Star Trek - ‘beam me up Scotty’ - of onszelf opnieuw te ontwerpen in een computer door onze genetische code te reprogrammeren en het resultaat te incorporeren in het lichaam: ‘change the code and you change the body’ (Eugene Thacker).

   Hoewel er vele problemen kleven aan de informationele opvatting van het leven zoals de posthumanisten het zich voorstellen en hoewel ons lichaam zich ongetwijfeld zal blijven verzetten tegen zijn totale informatisering en digitalisering, kunnen we er van uitgaan dat we in de toekomst steeds meer met onze technieken zullen hybridiseren, of we nu allemaal cyborgs zullen worden of niet. En aangezien de wetenschap steeds meer greep krijgt op de mens, steeds operatiever wordt, zullen science en science fiction ook steeds dichter bij elkaar komen. De huidige life sciences zijn feitelijk al science fiction, omdat het er al lang niet meer om gaat de werkelijkheid te kennen en te beschrijven maar om nieuwe werkelijkheden te creëren, en dat zijn producten van de verbeelding.

 

De technowetenschappelijke revolutie en het primaat van de mogelijkheid

De eigenlijke oorzaak achter deze ontwikkeling is gelegen in wat de Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler de ‘technowetenschappelijke omwenteling’ noemt, een omwenteling die het proces van permanente innovatie in gang heeft gezet waaraan onze postmoderne samenlevingen meer en meer zijn onderworpen en waarvan we de alsmaar toenemende tempoversnelling dagelijks kunnen ervaren. De kern van die technowetenschappelijke omwenteling bestaat in een radicale transformatie van de relatie tussen wetenschap en techniek, tussen wat de oude Grieken aanduidden met de termen episteme en techne. Vanaf de Griekse oorsprong van onze cultuur tot aan het einde van de achttiende eeuw stonden wetenschap en techniek relatief onafhankelijk tegenover elkaar en worden ze nooit samengebracht. Dit verandert vrij plotseling met de Industriële Revolutie, en wel vanaf het moment waarop – voor het eerst toegepast op de stoommachine in Engeland door James Watt en Matthew Boulton– wetenschap en techniek een alliantie aangaan een daarmee de weg openleggen naar datgene wat wij tegenwoordig de technowetenschappen noemen, waarvan de huidige biotechnologie en nanotechnologie de meest recente uitlopers zijn.

   Het waarlijk revolutionaire aan de Industriële Revolutie zit hem hierin dat er vanaf dat moment dankzij het duurzame samengaan van wetenschap en techniek – meer precies geformuleerd: door het in dienst nemen van de wetenschap door de techniek (die een creatieve kracht is!) - een radicale omwenteling plaatsvindt in de verhouding tussen het contingente (voorheen het domein van de techniek) en het noodzakelijke (voorheen het domein van de wetenschap), en dat wil tegelijkertijd zeggen in de verhouding tussen het werkelijke en het mogelijke. Het huwelijk tussen wetenschap en 4 techniek in de technowetenschappen bewerkstelligt niets minder dan een omwenteling van de orde van de dingen zelf, een fundamentele mutatie in het zijn van de dingen, wat filosofen een ontologische revolutie noemen. Deze houdt in dit geval feitelijk in dat de werkelijkheid ten gunste van de mogelijkheid naar het tweede plan verschuift. Aangedreven door het kapitaal wordt het technowetenschappelijk onderzoek tegenwoordig gedwongen om steeds weer – en steeds meer - nieuwe mogelijkheden te ontsluiten en dit heeft tot gevolg dat de toekomst in toenemende mate wordt opengelegd – in de zin van: ‘gepossibiliseerd’ (en tevens gepotentialiseerd) - als ruimte voor technowetenschappelijke experimenten. De hedendaagse technowetenschappen zijn niet meer zozeer – hooguit nog als bijzaak – geïnteresseerd in een beschrijving van de (fysieke, biologische, neurologische, etc.) werkelijkheid, maar vooral in het exploreren en realiseren van nieuwe mogelijkheden. Ze zijn niet meer zozeer uit op het kennen en verklaren van de werkelijkheid maar op de manipulatie en transformatie ervan, dat wil zeggen op het scheppen van nieuwe werkelijkheden. De alledaagse leefwereld is in onze tijd bijgevolg langzaam maar zeker veranderd in een permanent laboratorium.

   Het mogelijke emancipeert zich dankzij de technowetenschappen als het ware van het werkelijke en wordt zelf het ‘fundamentele’, terwijl het werkelijke – dat vroeger altijd de maat stelde voor het mogelijke - degradeert tot een voorlopige configuratie van het mogelijke en fungeert steeds meer als permanent veranderende bron van nieuwe mogelijkheden. Het werkelijke wordt begrepen als de voortdurende wording van het mogelijke, dat zelf niet meer gegrond is in het werkelijke maar dat zich voordoet als de onuitputtelijke bron van het nieuwe, een bron die vanuit ons vroegere begrip van de wereld alleen maar begrepen kan worden als een niets. Dit niets is echter een onuitputtelijk nihil originarium. Zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk schrijft in verband met de technologische revolutie van de moderne tijd: ‘De kracht van de permanente moderniteit bestaat in de onmogelijkheid, het niets uit te putten’.

 

De toekomst als science fiction

De toekomst van de mens, dat is evident, zal geen andere zijn dan die van de techniek, van de artefacten. Hiertoe zullen in de nabije, biotechnologische toekomst ook steeds meer levende artefacten gaan behoren. Vooral op het terrein van de bio- en de nanotechnologie zal die groeiende ‘artificialiteit’ van de werkelijkheid ons met uitdagingen confronteren waarvoor alle traditionele denkkaders volledig ontoereikend zijn. Het is hier dat het eigenlijk revolutionaire karakter van de in de negentiende eeuw in gang gezette Industriële Revolutie pas echt pregnant wordt. Met de komst van deze zogenoemde ‘transformationele technologieën’ (Stiegler) zijn namelijk niets minder dan de condities waaronder de werkelijkheid verandert zelf veranderd (lees: het leven en ook de materialiteit zelf zijn in principe ‘maakbaar’ geworden nu we de modus operandi ervan hebben blootgelegd).

   Technoscience is hedendendage feitelijk technoscience-fiction geworden. En het is precies ten aanzien van de technowetenschappelijke ficties – ficties die meer en meer werkelijkheid worden – dat het traditionele denken volledig tekortschiet. Waar we in de technowetenschappelijke toekomst steeds meer mee te maken zullen krijgen is de vraag welke van die ficties we in ons leven en samenleven willen toelaten en welke niet, of anders gezegd: met de noodzaak om tot oordelen te komen over deze ‘ficties-diewerkelijkheid- worden’, zonder dat er criteria bestaan waarop we deze oordelen zouden kunnen baseren. De huidige biotechnologie bijvoorbeeld, zoals vele techniekfilosofen op het moment benadrukken, is in toenemende mate technoscience-fiction. Denk aan de 5 productie en reproductie van artificiële genomen, transgene organismen, chimeren, etc. Ook de huidige bio-industrie is een industrie waarin op grote schaal ficties worden gereproduceerd, fictieve reproducties die niet gegrond zijn in God noch in ‘de natuur’ maar letterlijk gebaseerd zijn op niets.

   De vraag waarmee de technowetenschappen ons steeds nadrukkelijker confronteren, en dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor de human engineering technologieën waar de transhumanisten en extropianen hun hoop op hebben gevestigd, is: wat willen we eigenlijk? Hoe meer ons vermogen groeit om nieuwe werkelijkheden te scheppen, en hoe ‘mogelijker’ onze wereld wordt, hoe dringender we met deze vraag geconfronteerd zullen worden. De technowetenschappelijke toekomst is een toekomst van mogelijkheden, dat wil zeggen een toekomst van uitvindingen en van de mogelijkheden om deze uitvindingen in onze levens te integreren. Het beslissen over deze toekomst vereist criteria maar juist deze ontbreken. Er is behoefte, bijvoorbeeld, aan criteria ter beoordeling van de reële ficties (e.g. transgene organismen) die de biotechnologie steeds meer zal creëren en die onze wereld steeds meer zullen gaan bevolken. Vooral met betrekking tot het leven, waarvan de evolutie in het biotechnologisch tijdperk op revolutionaire voortgezet zal kunnen worden met andere, technische middelen, dringt zich daarmee de noodzaak op van een nieuw kritisch bewustzijn, zoals Stiegler stelt, een bewustzijn dat zich bezint op de consequenties van de technowetenschappelijke revolutie en die deze uitdrukkelijk probeert toe te eigen en er rekenschap van af te leggen.

   Hoe zal de toekomstige posthuman er uit gaan zien? Daar kunnen we uiteraard alleen maar over speculeren. Maar de vraag ligt er: wat voor mensen willen we zijn, en in wat voor wereld willen we leven in de toekomst, nu onze macht om onszelf en de wereld om ons heen radicaal te veranderen groter is geworden dan ooit? Het gaat hier fundamenteel om het kiezen tussen mogelijkheden, om het mogelijke en niet om het werkelijke. De technowetenschappen zelf kunnen ons op de vraag wie we willen zijn in de toekomst geen antwoord geven. Dat antwoord zal moeten komen uit onszelf, dat wil zeggen uit ons verlangen en uit onze verbeelding. De toekomst is dan ook aan de verbeelding, veel eerder nog dan aan de techniek want de technowetenschappelijke ontwikkeling kan slechts op vruchtbare en zinvolle wijze worden voortgezet wanneer ze gedragen wordt door het verlangen van de mensen die haar in gang houden. De eerste voorwaarde is dus niet: meer techniek, maar een project, dat wil zeggen een idee ofwel een ideaal voor een toekomst waar we – zowel individueel als collectief - naar kunnen verlangen. Het spreekt voor zich dat hier een grote taak ligt voor de kunst.

 

Pieter Lemmens, Februari 2009