TIJDBOM 

Sneeuwwitje, de klokkenmaker en de kleine korporaal

   

Het was een gevoel dat niet viel uit te leggen: creperen voor God en Vaderland. De Franse monarchie uit de 18e eeuw bestond overwegend uit een alliantie van hertogdommen, markizaten en graafschappen onder koninklijk gezag van het Huis Bourbon. Omringende naties bestookten het koninkrijk onder de dekmantel van vermeende eigendomsrechten of geschonden bloedbanden. Vooral de Britse koningen van het Huis Hannover, de koningen van Pruisen en de hertogen in Noord Italië waren luizen in de pels van de Bourbons. Bovendien had de Paus met zijn kardinalen en bisschoppen ook een dikke vinger in de politieke pap. Boeren en buitenlui die tot meer in staat meenden te zijn dan varkens hoeden of kaas maken, verlangden er naar hun geluk te beproeven in de hoofdstad. Langzaam maar zeker veranderde het land in één van de blanke borsten van Marianne en steeds meer burgers werden door het middelpunt, de metropool, aangetrokken. Naarmate meer mensen zich rondom de tepel vestigden, hadden de Bourbons minder in de melk te brokkelen. De volgende geschiedenis vond plaats in een ver land en alweer een hele tijd geleden. Maar het liet niemand onberoerd en de gevolgen zijn ook vandaag nog overal merkbaar.

 

 

De volgende geschiedenis vond plaats in een ver land en alweer een hele tijd geleden. Maar het liet niemand onberoerd en de gevolgen zijn ook vandaag nog overal merkbaar.

 

Er was eens een jongetje dat altijd de baas wilde spelen. Niets bijzonders, zal je misschien zeggen. Die krijgt nog wel eens een flink pak slaag. Tsja, maar dan is het misschien te laat. Het baasje was bovendien verdraaid pienter en onweerstaanbaar charmant. Zijn dwangmatige neiging om haantje de voorste te zijn, werd op de koop toe genomen. Hij woonde met zijn ouders, broertjes en zusjes in een sober huis en zijn vader moest keihard werken om wat extra’s over te houden. In haveloze kleren en met afgetrapte schoenen streed hij met de schoffies uit de buurt en het laat zich raden wie er meestal won. Hij hielp zijn oudere broer met onkruid wieden in de moestuin en verraste op een keer zijn moeder met de knollen die hij had gerooid. Zij aanbad haar behulpzame knulletje, in haar ogen zou hij nooit een vlieg kwaad doen. Met zijn vriendjes ravotte hij dagelijks tussen de schamele woninkjes aan de rand van het stadje maar op een keer liep hij in zijn uppie naar de haven om daar de schepen te bekijken. Vol bewondering staarde hij naar de bonte uniformen van de officieren op de oorlogsschepen. Hij droomde ervan dat hij ooit de baas van zo’n soldatenschip zou zijn. De droom ging niet meer weg. Hij had het thuis over niets anders meer. Hij zeurde zijn vader de oren van het hoofd totdat deze eindelijk een school voor hem regelde waar de jongen zijn ambities zou kunnen waarmaken. De arme man had tot het uiterste moeten gaan want de school was eigenlijk alleen bedoeld voor hele rijke kinderen. Bovendien was het een heel eind weg. De jongen kon voorlopig niet meer terug naar huis om met zijn vriendjes rond te kuieren, de paarden op te jagen of de plaatselijke dienstkloppers te pesten. Het zou jaren duren voor hij het havenstadje terugzag.

 

Eenmaal op school besefte hij dat zijn moeder hem voorlopig niet kon beschermen. Zijn klasgenoten bleken stuk voor stuk over het paard getilde en niet bijster snuggere jongens te zijn (meisjes werden geen soldaat). Ze droegen elke dag nieuwe kleren en waren vertrouwd met de gebruikelijke kuiperijen van hun mondaine wereldje. Ze vonden hem maar een achterlijke boerenpummel, met zijn afgedragen kloffie en zijn fascinatie voor Griekse mythologie. ‘De uitslover.’ De jongen was eenzaam. Maar stoïcijns zette hij door. Wacht maar! Onder de indruk van Léons werklust– thuis noemden ze hem Nabulio; op school heette hij Léon – gaven de onderwijzers hem alle gelegenheid om zijn kennis te vergroten. Terwijl de andere jongens door hun koetsiers werden opgehaald om hun vrije tijd gezellig op het ouderlijk slot door te brengen, zat Léon in een verlaten lokaal te studeren. Het duurde niet lang of zijn kennis deed nauwelijks onder voor die van zijn onderwijzers en die waren gelukkig ook slim genoeg om hem in zijn ontwikkeling verder te helpen. Er werden brieven geschreven. Niet lang daarna was het geregeld: de bolleboos kon gaan studeren in de stad van de koning! Dat was een hele eer, al kon hij nu voorlopig helemaal niet meer terug naar huis.

   In het rijtuig dat hem en zijn schamele bezittingen naar het nieuwe onbekende bracht, zat de tengere student het grootste deel van de reis gewikkeld in een bruine deken, in een hoekje weggedoken, half sluimerend, half luisterend naar de gesprekken die gevoerd werden door steeds andere passagiers. Niet zelden gingen die over de armoede die iedereen leed, behalve de kliek van de koning die van alles genoeg leek te hebben (sic). Soms stapten er reizigers in die – te oordelen naar hun deftige kleding – van welgestelde huize waren. Dan vielen de gesprekken stil en werden er tijdens het voortzetten van de reis slechts onbeduidendheden uitgewisseld. Zodra echter deze veronderstelde koningsgezinden de koets weer hadden verlaten, werd de opruiend conversatie hervat. Er bestond veel onvrede onder de burgers in het land en naarmate het rijtuig zijn eindbestemming naderde, werd het gemor grimmiger. Léons overtuiging, dat het leven in de stad van de koning een stuk plezieriger zou zijn dan in de provincie, begon danig te wankelen bij het horen van al die sombere verbolgenheid.

 

De koetsier nam de tijd.. Op plaatsen waar de verschillende passagiers elkaar afwisselden, bivakkeerde het gezelschap telkens enkele uren. De paarden moesten worden gevoerd en verdienden rust. De voerman had altijd dorst en een gebraden kippetje versmaadde hij evenmin. Soms kon men voor de uitspanning even wegdommelen op een bankje zonder door elkaar geschud te worden. Kort voor het rijtuig bij de grote stad zoud aankomen, was er een laatste rustpauze. Bij de herberg waar ze stopten werden nog twee schooiers opgepikt, een vader en zijn zoon die hun reis betaalden met een zak appels. De voerman was likkebaardend verdwenen in het etablissement met de uitnodigende naam Het Gerecht. Léon maakte gebruik van de onderbreking door even zijn benen te strekken. De zon was al onder maar de glooiende paden waren in de heldere maannacht duidelijk zichtbaar. Hij had de deken over zijn hoofd getrokken tegen de frisse nachtlucht. Met een homp brood in zijn zak en de stilte rondom voelde hij zich de koning te rijk. Wat een sneue toestand. Eigenlijk idioot. Peinzend dacht hij na over het gemor van zijn medereizigers. Over de verwijten aan het adres van het vorstelijk paar. Wat was een land zonder koning? Als een kind zonder ouders. Als een mens zonder God.

   De paden voerden hem langs drassige akkers en duistere gaarden. Plotseling hoorde hij een geluid dat zijn aandacht trok. Een vrouwenstem zong een aria uit een van Mozarts betoverende opera’s. Hij herkende de melodie van vroeger. Van thuis. Zijn moeder zong het vaak. De stem klonk uit de richting van een donker huisje. Even voorbij de boomgaard waar hij langsliep. Hij was verrukt. Terwijl hij zich naar de eenvoudige hoeve haastte, werd hij bevangen door een gevoel van onwerkelijkheid. Het huisje scheen geheel verlaten. Hij zag geen licht tussen de kieren van de luiken doorkomen. Het leek daarbinnen zelfs nog donkerder dan buiten. Zijn gescharrel voor het raam bleef niet onopgemerkt. Het stemgeluid verstomde. Leon vroeg zich af of hij niet beter door kon lopen. Het was doodstil geworden. Totdat de deur krakend openging. Daar stond ze. Rijzig en bleek in het maanlicht. In de ogen van de jongen was ze de mooiste vrouw ter wereld.

 

* 

 

Sneeuwwitje was gedoopt Josephine maar haar vader had haar van jongs af aan Sneeuwwitje genoemd. Het bleke meisje met het witte haar was een geboren albino die geen daglicht kon verdragen. Ze speelde altijd binnen in het kleine huisje met de gordijnen gesloten. Daar was het soms zo donker dat haar ouders over haar struikelden als haar broer weer eens vergeten was om zijn zusje terug te zetten in de speciaal voor haar bestemde erker. De zeldzame keren dat Sneeuwwitje buiten kwam, werd het meisje gebakerd als een baby en gesluierd om haar ogen te beschermen. Daardoor zag ze de buitenwereld altijd door een waas, zodat rimpels en pukkeltjes werden gefilterd en iedereen er gaaf uitzag. Alleen haar ouders zag ze zoals die er werkelijk uitzagen. Als in de ruwe schilderstukjes die ze bij kaarslicht bestudeerde. In de spiegel had ze gezien dat haar eigen witte gezichtje mooi glad was. Haar ouders schaamden zich zeker voor haar geitenhaar. Jammer. Jammer dat het licht zo’n pijn deed aan haar ogen. Ze kon nooit eens lekker in het zonnetje spelen. Met andere kinderen, die ze buiten hoorde schreeuwen van plezier.

   Sneeuwwitje groeide op in een landelijk dorpje waar ze alleen naar buiten kwam als alle andere kinderen in hun bedje lagen. Bij het zachte licht van de sterren zocht ze, nog voor het ochtendgloren, eieren in het veld en dreef ze de koeien bijeen om te melken. ’s Avonds na zonsondergang deed ze uilen na en legde strikken waarmee ze soms een haas ving. De meeste tijd bracht ze binnenshuis door. Dat vond ze niet zo erg, ze was eraan gewend. Ze zag er op toe dat het binnen kraakhelder was. Tot groot genoegen van haar moeder. Die had haar handen vol met bezigheden in de moestuin en de volière en in de boomgaard en op de binnenplaats met de beesten en de waterput en de kratten met fruit. Dus was ze de Heer dankbaar dat Hij haar getroost had met een blank slavinnetje. Ze knuffelde haar kindje nooit, maar ze sloeg haar ook niet. Ze raakte die bleekscheet eenvoudig niet aan. Wat Sneeuwwitje aan moederliefde tekort kwam, werd volop goedgemaakt door de aandacht die ze kreeg van de mannen in huis. Ze konden handtastelijk zijn en uitgelaten. Maar ze zaten ook vol grapjes en liepen over van genegenheid. Wellicht zonder het te beseffen gaven ze het meisje een gevoel van eigenwaarde en geluk. In de zomer en vroege herfst verzamelde haar vader manden vol appels en zij vond het leuk om de groene, gele en rode vruchten op te poetsen, tot ze er haar bleke gezichtje in kon spiegelen. Dan zag ze zichzelf in kleur. En met de jaarlijkse oogst werd goed zaken gedaan, niet in de laatste plaats omdat de handel er zo sprankelend uitzag.

  

Sneeuwwitjes vader hield veel van zijn dochter, ook al zag ze er vreemd uit. Als ze ziek was of niet wilde slapen, zong hij liedjes voor haar terwijl hij zichzelf begeleidde op de grote luit, de teorbe. Tegen de tijd dat haar leeftijdgenootjes naar school gingen, leerde haar vader haar lezen en schrijven. Broer Emile las zijn favoriete verhalen voor uit het Nieuwe Testament. Papa zong de Italiaanse teksten van Monteverdi en legde uit waar ze over gingen. Tijdens het wekelijkse bezoek van de hulppastoor, die haar zag als een ‘engeltje des onschulds’, zongen ze samen psalmen. Uiteindelijk leerde Sneeuwwitje zelfs om op het grote snaarinstrument te spelen. Haar engelachtige stemgeluid golfde als ‘oplichtend sterrenstrooisel’ – in verrukking kon de vicaris zich lyrisch uitdrukken – door de schemerige kamers van hun huisje. Het verlichtte ieders gemoed en maakte de zure appels zoet.

  

Ma Antoinette en dochter Josephine waren vaak alleen thuis. Terwijl de boerin het merendeel van de dag buiten doorbracht, nam Sneeuwwitje de binnenboel voor haar rekening. Ze deed haar best om in huis alles op orde te hebben want de hele dag op het land werken had van ma een harde vrouw gemaakt die bij thuiskomst alleen nog maar uit wilde rusten. Toen ze zwanger was van haar kindje had de aanstaande moeder er vaak van gedroomd om samen met Josephine – ze was er zeker van dat het een meisje zou worden – door de natuur te trekken en de teleurstelling, toen ze ontdekte dat ze van een albino was bevallen, was ze nooit te boven gekomen. Sneeuwwitjes uiterlijk had haar zogezegd ontgoocheld. Nooit kon ze met haar dochtertje naar de vogeltrek kijken of veldbloemen gaan plukken, nooit zouden ze samen van een weldadig zonnebad genieten. Ook zij probeerde het gemis van rode konen in het bleke gezichtje te compenseren met het glanzend oppoetsen van de rijpe appels uit de voorraadkelder. Maar het wekte geen warmere moedergevoelens in haar op. Ze bleef koel als een keldermot. 

 

Om in hun levensonderhoud te voorzien leurden vader Louis en zijn zoon met karrevrachten appels en eieren langs de huizen. Naast colportage boden ze hun schamele handel aan op lokale markten en daarbij trad Louis geregeld op als muzikant (tegen een gratis glas, eh.. glazen, en vol hoor!). Hij was heetgebakerd en snel geëmotioneerd maar eveneens een gewilde speelman die zijn gehoor diep wist te raken. Emile bracht veel tijd door in de smederij van een nabijgelegen negorij. De jongen hielp bij het repareren van apparaten aan huis en bleek zelfs enige aanleg te hebben voor het fijnere priegelwerk. Ooit hoopte hij gezel te worden hoewel de gildevoorschriften over opleiding en dienstverband streng waren. Een officiële aanstelling zat er echter niet in: niemand had geld. Des te meer werd zijn bijdrage als nagenoeg onbezoldigd knechtje hogelijk gewaardeerd. Zelf leek hij nauwelijks te beseffen hoe hopeloos zijn vooruitzichten waren. Hij was er heilig van overtuigd dat Jezus zijn bestemming zeker had gesteld. Vroeg of laat zouden de hemelse schatten in zijn schoot vallen en zijn wensen worden vervuld. 'Door de zure appel heen bijten' was zijn devies. "Lijden met Jezus" kraaide hij welgemoed.

 

Op de markt, bij bruiloften, in de fabrieken, overal waar mensen bijeen waren, werd geklaagd over de armzalige situatie waarin men verkeerde. De smidse werd genoemd als een brandhaard van onruststokerij. Ketters, jezuïeten en vrijmetselaars zouden er hun snode plannen smeden. Dit trok zoveel aandacht dat de plaatselijke gendarmerie opdracht kreeg om het ‘rovershol’ te sluiten. Emile verloor in één keer de plek waar hij zich geheel aan zijn liefhebberij had kunnen overgeven en die hem – in zijn eigen ogen – uitzicht had geboden op een loopbaan als mecanicien. Hij was ontroostbaar. Louis zag in dat de jongen doodongelukkig zou blijven als er niets gedaan werd. Niemand kocht eieren van een jongen die keek of ze stonken. Pa besefte dat het voor hun handel beter was om die in zijn eentje voort te zetten. Hoezeer het hem ook aan het hart ging, hij zou zijn zoon moeten bewegen te vertrekken. Hij nam Emile mee naar Het Gerecht en adviseerde hem om zijn spulletjes te pakken en naar de hoofdstad te gaan. Dáár zou hij merken dat heel wat bedrijfjes een talentvolle en ijverige jongen als Emile goed konden gebruiken. En onder het genot van enkele glazen wijn wist hij de jongen ervan te overtuigen dat praktijkervaring de beste manier was om het vak te leren en dat de gilden er ook zo over dachten. En over hen, zijn ouders en zijn zus, hoefde Emile zich geen zorgen te maken. Hun leventje was hier heel wat minder gecompliceerd dan in de grote stad, dat zou Emile gauw genoeg zelf merken. Maar hij was een flinke vent, hij zou niet in zeven sloten tegelijk lopen. Toch?

   “Als je maar een beetje uitkijkt met die rijke stinkerds.”

   En ze toasten op de toekomst: “Leve de revolutie!”

   Zo had Emile zijn vader niet vaak eerder meegemaakt. Dat joviale beviel hem wel. En het avontuur lonkte. Hij moest het er maar op wagen.

   “En weg met die katholieke klerelijers.

   Maar dat binnensmondse gemompel van Louis had Emile niet goed verstaan.

 

* 

 

Bij de verschijning van Sneeuwwitje in haar deuropening werd Léon bevangen door het droombeeld dat hem sinds zijn kinderjaren had achtervolgd: een luminescerende jonge vrouw waar zo’n intense bekoring van uitging dat hij zich voelde verstijven. De bevallige Pallas Athene had hem betrapt op het verlangen naar haar appels. Als een schuldbewust jongetje had hij zich op zijn knieën laten vallen en zijn gezicht in haar rokken verborgen. In zijn droom had dat de godin wel bekoord. Ze had hem opgetild en aan haar blote boezem gedrukt. Zo was hij met haar de wolken ingevlogen. Hij had geen woord hoeven zeggen. Nú kon hij enkel hakkelen.

   “G-goede avond.”

   Met een vaag-verontruste glimlach keek ze op hem neer, haar ogen half geloken tegen het heldere maanlicht. Ze had een emmer met sop in haar hand. Met haar andere hand streek ze haar lange witte lokken naar achteren.

   “Bent U een monnik? Zoekt U iemand?”

   Haar stem klonk vastberaden en breekbaar tegelijk. Precies zoals hij verwacht had dat die zou klinken. Maar waarom dacht ze dat hij een monnik was? Verrek, vanwege die deken natuurlijk. Hij stak zijn hoofd onder de lap vandaan. In een flits bedacht hij dat, zo hij al iets gezocht had, hij het nu had gevonden. Tegelijkertijd wist hij dat zijn droom onbereikbaar was. Die zou nooit in vervulling gaan. Wat hij ook zou doen, nooit zou hij het genot proeven van zijn herinnering. De herinnering aan dat ongenaakbare gevoel toen hij ontwaakte uit zijn jongensdroom. Hij liet de deken van zich afglijden.

   “Ik hoorde je zingen. Maar ik zag niets.”

   Inderdaad. Dat was de spijker in zijn kop. Net als de geketende Odysseus aan de mast van zijn schip had hij de aanlokkelijke sirene niet kunnen weerstaan, maar zou haar evenmin kunnen aanraken als hij al de kans kreeg. Hij geneerde zich mateloos voor zijn eigen besluiteloosheid. Wat moest hij doen? Hij moest iets doen! Hij gaapte.

   “Oh, je bent me een manneke.” Ze doopte een gebogen ijzerdraadje in het sop en blies zeepbellen in zijn richting. Ze schitterden in het maanlicht. Terwijl ze een hap nam uit de appel die ze uit haar schort nam, viel haar witte haar als een sluier voor haar gezicht.

   “Nou, dag hoor. Ik ga weer naar binnen.” Ze draaide zich om en verdween door de deur. “Wacht,” riep Léon nog met schorre stem. Maar het was te laat. Ze kwam niet terug. Hoe lang hij bleef wachten, hopend dat hij haar weer zou horen zingen of, beter nog, dat ze toch weer naar buiten zou komen, hij wist het niet. Waarschijnlijk was het maar een paar minuten maar het leek of zijn hele leven aan hem voorbij trok. Niet alleen zijn jeugd, maar ook wat nog moest komen. Visioenen, geboren uit ontgoocheling. Als een gapende wond had zijn toekomst zich aan hem geopenbaard. Met bloederig rollende koppen werd de eeuw uitgeluid en diende zich een nieuwe lente aan. Alleen als iedereen hem zou aanbidden zou de wond wellicht genezen. Als ware hij God zelve.

 

Terug bij Het Gerecht zag Léon dat het gezelschap al klaar stond om de reis naar de hoofdstad voort te zetten. Ze bestegen het rijtuig en hij zakte weg in hetzelfde hoekje waar hij al eerder had gezeten, half verscholen tussen wat bagage en winterkleding. Het resterende deel van de tocht bracht hij door in een sluimerende staat van droeve opwinding. Hij droomde wonderlijke dingen, een sneeuwuil met een meisjesgezicht, een grenadier die appelen verkocht, een eenzame kurassier op zijn roze paard. De ruiter probeerde de vogel te vangen, in vol galop over glooiende velden, door brandende dorpen en langs de lichtgrijze schimmen van de dode bewoners. De uil verdween in de nacht.

   Het laatste deel van de reis werd per boot afgelegd. Dat bespaarde het gezelschap een rit langs de open riolen maar het bood evengoed, zij het op enige afstand, een blik op de armzalige leefomstandigheden van het volk dat de oevers van de rivier bewoonde. Majestueuze paleizen op de achtergrond benadrukten de schrijnende armoede. Buiten zijn eigen reisgezelschap waren er verscheidene welgestelde heren aan boord. Vaders en zonen met klaarblijkelijk dezelfde bestemming als hij. Ze bekeken hem met laatdunkende nieuwsgierigheid. Hij voelde zich kleiner dan ooit. Nadat het vaartuig bij de eindbestemming was aangekomen, ging iedereen van boord. Clochards en andere schooiers werden door gendarmes angstvallig uit de buurt van de aanlegplaats gehouden. In het parklandschap dat Léon, op weg naar zijn nieuwe school, doorkruiste, kwam hij uitsluitend gesoigneerde lieden en officieren tegen. In gezelschap van de andere uitverkorenen en hun begeleiders marcheerde hij in de richting van de statige gebouwen in de verte. Verbouwereerd constateerde hij dat hij het imposante onderkomen van zijn nieuwe school voor één van de koninklijke paleizen had gehouden. Hij vermoedde dat zijn haveloze spullen en ongeknipte haar ook hier de nodige schimpscheuten zouden oproepen. Des te meer verbijsterde het hem dat hij niet alleen een eigen een eigen kamer kreeg toegewezen, maar ook de prachtigste kleren kreeg aangemeten. Bovendien werd hij verwacht aan te zitten bij de eerstvolgende maaltijd. Hoofdschuddend onderging hij zijn inlijving bij het ancien régime. Wat een ampele overdaad.

 

Met zijn adellijke kamergenoot Alex kon hij het gelukkig goed vinden. Alexander las, net als Léon, graag historische boekwerken. Hij zat al een jaar langer op deze chique school en kon Léon uitstekend de weg wijzen. Waar de verschillende studieruimtes waren, bijvoorbeeld, en bij welke jonge heren hij beter uit de buurt kon blijven. Sommige van die gasten waren zo hautain, dat wilde je niet weten. Als het nou nog was vanwege hun excellente studieresultaten, maar het had uitsluitend met hun afkomst te maken. Alex nam Léon ook mee de stad in. Dan stapten ze door de smalle straten en bezochten verschillende marktplaatsen, laverend tussen de kramen en tapijten met uitgestalde handelswaar. Hun keurige cadettenuniformen dwongen ongewild respect af bij het overwegend broodmagere en ongewassen schorriemorrie zodat zij probleemloos konden gaan en staan waar ze wilden. Ze bezochten een keer het enorme paleis waar de koning niet meer had willen wonen. De beheerder, een verre oom van Alexander, leidde hen rond door de prachtige zalen met wanden vol indrukwekkende schilderijen. Léon ergerde zich aan deze pracht en praal te midden van de talloze armlastigen en hongerlijders waar ze zich zojuist doorheen hadden gebaand. Het leek hem echter niet zinvol zijn irritatie te laten blijken. In plaats daarvan uitte hij zijn bewondering voor de kolossale kerk met de Griekse zuilen en overweldigende koepel. Hij beloofde stellig om daar een dienst bij te wonen, zodra het bouwwerk voltooid zou zijn.

 

Met zijn familie had Léon weinig contact meer gehad. Toen hij vernam dat zijn vader ziek was, wilde hij onmiddellijk naar huis. Daar was echter geen geld voor. En de school wilde hem niet laten gaan. Alexander was een echte vriend. Om hem te helpen zijn zinnen te verzetten, nodigde de jonker hem uit om met hem mee te gaan naar zijn huis. Met dat laatste bedoelde hij een bescheiden kasteel buiten de stad waar hij geregeld heenging als hij even genoeg had van het kleine kamertje dat ze samen deelden (noblesse oblige). Léon had hem nooit eerder vergezeld omdat hij zijn tijd liever besteedde aan zijn studie. Maar deze keer liet hij zich overhalen. Het vooruitzicht om aanwezig te mogen zijn bij de door Alexander voorgespiegelde wetenschappelijk proef, was onweerstaanbaar. Het ging om één van de geheime proefnemingen met aërostatische machines waarmee Alexanders vader experimenteerde. Omdat er langs de eindeloze landgrenzen voortdurend schermutselingen plaatsvonden, had de koning zijn vazallen aangemoedigd om alles uit te proberen dat kon bijdragen aan een permanent overwicht. Alexanders vader voelde zich geenszins een vazal van de koning maar hij wilde wel met alle geweld de lucht in. Zodoende had hij het nodige geld losgekregen om een bestuurbare waterstofballon te bouwen. Het reusachtige gevaarte zou, in het geheim, worden uitgetest. Er zouden voorname legerleiders bij aanwezig zijn. Generaals en zelfs een maarschalk. Engelse spionage was onvermijdelijk maar Alexanders vader had lak aan veiligheidsmaatregelen. Alex neemt een vriendje mee … nou ja … dat kan geen kwaad. Zijn kamergenoot is ook cadet. Kan die nog wat opsteken.

 

Op het weidse veld nabij het kasteel lag de contraptie nog grotendeels uitgespreid op de grond, terwijl men bezig was de ballon te vullen. Al voor zonsopgang waren mannen in de weer geweest met vaten vitrioololie en zakken ijzerschraapsel. Ze volgden de aanwijzingen op van een gesoigneerd heerschap met een staartpruikje en cyclaamkleurige kousenbanden die Léon zelfs in de schemering opvielen. Door de inhoud van de vaten en de zakken bij elkaar te voegen, kwam er een gas vrij dat met behulp van loden pijpen naar de tros ballonnen werd geleid.

   “Dat is oom Gabriel,” wees Alexander. “Mijn broer heet ook zo, Gabriel. Het is geen echte oom, meer een vriend van de familie.”

   Terwijl Léon zijn ogen uitkeek, babbelde Alexander verder over de staartpruik.

   “Hij zegt dat hij dromen wil waarmaken ...” Léon spitste zijn oren, “... maar voor ons zijn het luchtkastelen .”

   Terwijl Léons aandacht weer geheel uitging naar de gebeurtenissen op het veld plapperde Alexander voort over de tijd dat hij nog thuis woonde. Dat zijn oom elk jaar met Maria Hemelvaart vuurwerk afstak. Dat dat wel eens misging.

   “We noemden hem voor de grap graaf Kruitvat. Maar hij weet best wel veel van kruiden af. Een keer heeft hij een keelpijndrankje meegenomen. Dat hielp heel goed.”

   Het waren inderdaad meerdere ballonnen, zag Léon die met slechts een half oor luisterde. Die waren samengepakt in een soort gemeenschappelijk omhulsel. Daardoor zou het geheel, zoals later bleek, een langwerpige vorm krijgen. Het lijkt wel een formidabele olienoot.

   Leon was gek was op de knolletjes van de pinda-plant die hij kende uit de moestuin van het ouderlijk huis. Voordat het heerschap met de paarse kousenbanden hem wegjoeg, had hij stiekem het omhulsel aangeraakt en gemerkt dat het zowel zacht als een beetje plakkerig aanvoelde. Het zou nog uren duren voordat de peul voldoende gevuld was om zich te verheffen en de kabels naar de sloep zouden worden aangespannen. De sloep, of liever schuit – de langwerpige bak naast de contraptie bood voldoende ruimte aan wel tien man – was oorspronkelijk een echt vaartuig geweest. Op de achterplecht was een wiekenkruis gemonteerd dat door middel van een raderwerk met de hand kon worden bewogen. Bovendien was de molen draaibaar opgesteld zodat men de koers van het luchtschip zou kunnen veranderen.

   Later op de dag verschenen de hoge heren. De reuze-pinda begon ondertussen al vervaarlijk omhoog te rijzen, maar Leons aandacht ging vooral uit naar de imponerende gestalten met hun schitterende uniformen en onloochenbaar gezag. Daarbij vergeleken is de scheepskapitein van een soldatenboot maar een gewone veerman! Léon zag zijn toekomst nu nog scherper voor zich.

   Toen tenslotte in de namiddag de opgeblazen peulvrucht eindelijk gereed was om het luchtruim te kiezen, was zijn belangstelling meer naar binnen gericht. Urenlang leek er buiten het uiterst trage opzwellen van de peul nauwelijks iets te veranderen. Vol ongeduld had hij toegekeken hoe de mannen zich bezighielden met wat in zijn ogen onbenulligheden leken. Zijn gedachten gingen naar school, naar zijn studie, die moet ik zo snel mogelijk afmaken. Als ik eenmaal officier ben wil ik een grijs paard, dezelfde kleur als de ezels thuis. Papa moet snel beter worden. Mijn gezin heeft de pater familias hard nodig. hoe sneller ik de begeerde sabel heb, des te eerder kan ikzelf naar huis. Hij schrok pas op uit zijn gepeins toen een stenen kogel hem op een haar na miste. Het gewicht was door één van de ballonvaarders overboord gegooid om het opstijgen te bespoedigen. Het gebeuren prikkelde onmiddellijk zijn fantasie. De kans om iemand met een handzame kogel vanuit de lucht te raken, was niet groot (tenzij je héél goed kon mikken). Maar wat als zo’n kogel een bom was?

 

 

*

 

 

De deftige kamer was gevuld met mannen. Geen van hen droeg een pruik, ze hadden allemaal een halsdoek om. De meesten zaten, op een stoel of op de grond, sommigen hingen tegen een wand. Niemand keek vrolijk. Een paar praatten op gedempte toon, anderen staarden zwijgend voor zich uit. Er was één vrouw.

   Dit is tenminste geen vrijmetselaarsloge! Bij de smidse in het dorp had hij angstaanjagende verhalen gehoord over de boosaardige mannenclub die opstandige vrouwen en rooie oproerkraaiers aan het kruis placht te nagelen. Opgelucht herkende hij nu ook de zwetende sproetenkop met knalrode snor die naast zijn vader zat. Die heb ik bij ons in ‘t dorp gezien. Zo’n kale met een snor vergeet je niet zo gauw.

   Emile had zijn vaders advies opgevolgd en was naar de hoofdstad gereisd om een baantje te vinden. Er waren genoeg bedrijfjes geweest die wel een handige knutselaar konden gebruiken maar een droge boterham zat er nauwelijks in. Niet alleen omdat de broodprijzen de pan uitrezen, maar ook omdat de edelsmeden en horlogemakers beweerden dat ze zelf maar net het hoofd boven water te kunnen houden. Laat staan dat ze hém konden betalen. Ondanks de voortdurende afwijzingen had hij halsstarrig volgehouden. Maar telkens opnieuw kreeg hij nul op het rekest. De gevestigde ondernemers vonden dat hij overkwam als een opstandige boerenpummel. Ze hielden hem voor dat hij hun gegoede klanten zou afschrikken en als de adellijke klandizie wegbleef was het ook voor hen definitief afgelopen. Bij één van die sollicitatiepogingen was er onverwacht een adellijke dame de winkel binnengekomen en had hem misprijzend verzocht om zijn messen op straat te slijpen. Ze had zijn simpele gereedschap voor bot bestek gehouden. Toen was het genoeg geweest en was hij naar huis gegaan. Daar had hij die snor gezien. Op de markt. Blootshoofds zuigend op het fruit dat hij zojuist bij zijn vader had gekocht. Het sap druipend uit zijn rode knevel.

   Louis was niet blij geweest met de mislukte onderneming van zijn zoon. Hij had hem onmiddellijk teruggestuurd. Maar dit keer had hij Emile een brief meegegeven. Op de envelop stond het adres van iemand die hem zeker zou helpen als hij de aanbevelingsbrief daar zou afgeven. De jongen wist niet wat de aanbeveling inhield, maar het adres was in het straatje geweest naast het statige pand waarin hij zich nu bevond. Hij had zijn brief afgegeven aan de vrouw die hem binnenliet. Ze had er een vluchtige blik op geworpen en, zonder de brief daadwerkelijk te lezen, had ze hem meegenomen naar een ruimte vol tafels met apparaten, ijzerwaren en ongeregelde rommel. Te verheugd om er lang bij stil te staan, was hij aan de slag gegaan met de bezem die hem in zijn handen werd gedrukt. Naast de werkplaats was bovendien een redelijk comfortabele ruimte waar hij voorlopig zijn intrek mocht nemen. De onverwachte voorspoed was zo overweldigend dat hij met tranen in zijn ogen voor de bedstee knielde. Heb dank, Here Jezus, ik zal U niet beschamen.

 

De heer die de deftige kamer binnentrad, onderscheidde zich van de andere aanwezigen door een parmantig staartpruikje en een paar zijde kousen met opvallende paarse strikken onder zijn kniebroek. De ogen van de mannen volgden hem verwachtingsvol (de vrouw staarde naar de grond). Hun gastheer liep naar de verste hoek van de kamer en beklom daar een klein verhoginkje. Hij voelde zich hier duidelijk thuis. Emile kon aan zijn kleding zien dat de heer des huizes er warmpjes bijzat. Nadat hij iedereen welkom heette, zette hij zonder omwegen uiteen wat er volgens hem moest gebeuren. Geen twijfel dat hij zichzelf als hun meerdere beschouwde. Zijn wat bekakte stem begon Emile spoedig te vervelen. De vernederende ontmoetingen op zijn recente zoektocht naar werk lagen hem nog vers in het geheugen. Verdiept in een brochure die hij uit de werkplaats had meegenomen, ging de toespraak van zijn gastheer langs hem heen zonder een mentale indruk achter te laten. De beschrijvingen van veermechanieken, compleet met tekeningen, interesseerden hem veel meer dan het gebeuzel van een stelletje ontevreden kerels. Plotseling schrok hij op doordat de vrouw haar betrokkenheid betuigde met een onderwerp dat de spreker had aangesneden. Ze was opgestaan en scandeerde: “Vrouwen voor het naaien! Vrouwen voor het naaien!” Omdat hij de aanleiding niet had gehoord – namelijk een opmerking dat spinnen, weven en naaien als beroep zouden moeten worden voorbehouden aan vrouwen, zeker in tijden van hongersnood – was het Emile vreemd te moede. “Dank je, Olympe. Ik sta achter jullie,” stelde de gastheer haar gerust. Er werd aarzelend geapplaudisseerd terwijl de vrouw weer verviel in haar schijnbare apathie. Het geroep had Emile in verwarring gebracht. Hij had pas iets gelezen over een machine die het werk van kleermakers aanzienlijk kon verbeteren. Wat had dat met vrouwen te maken? Of had ze soms iets anders bedoeld? Maar zo’n soort bijeenkomst was dit toch niet? Iemand riep “Leve de revolutie!” En iemand anders “Weg met de kerk!” Maar dat laatste vond geen bijval. Nog niet.

 

Na afloop van de bijeenkomst was Emile weer naar de werkplaats gegaan. Daar had hij zich teruggetrokken op een stoel achter de draaibank die hij stilzwijgend als zijn werkplek was gaan beschouwen. Zijn wonderlijk geknutsel werd oogluikend toegestaan door de meester-instrumentmaker. Zou die man mij soms aan dit baantje hebben geholpen? Op verzoek van papa? Stilletjes gluurde hij naar de gebogen gestalte aan de tafel in het midden van het atelier. Onafgebroken was de mecanicien de afgelopen dagen bezig geweest met een bolvormig klokje dat Emile aan een appel uit hun boomgaard deed denken. Vooral sinds de emailleur het bronzen huis van een groen laagje had voorzien. De meester was heel vriendelijk tegen hem geweest en had hem zelfs betrokken bij het afstellen van een veermechaniek in de bol waarvan het doel hem vooralsnog ontging. Het leek meer iets voor een katapult dan voor een appel.

   Emile’s buitensporige talent was de instrumentmaker niet ontgaan. De jongen bekwaamde zich niet alleen razendsnel in de bestaande opvattingen en technieken van de fijnmechanica, hij had bovendien originele ideeën die de horlogerie van pas zouden komen. De meester had hem dan ook toevertrouwd om een veermechaniekje te ontwerpen dat in zo’n bolvormige klok kon worden gemonteerd. Het zou heel klein moeten zijn om voldoende ruimte over te houden. Waarvoor, zei hij er niet bij.

   Terwijl hij zich op het friemelwerk concentreerde, kwamen de paarse kousenbanden de werkplaats binnen, kort daarop gevolgd door Louis. De laatste liep op Emile af en legde een hand op de schouder van zijn zoon om zijn aandacht te vragen. “Onze gastheer van zojuist is arts. Hij heeft hiernaast een grote apotheek. Misschien kun je hem nog herinneren? Hij is vroeger bij ons thuis geweest in verband met je zus, maar voor haar kon hij niets doen. Hij zal later wat dingen brengen voor in dat klokje. Maar daar moet je wel voorzichtig mee zijn, hoor!” De staartpruik knikte hem bemoedigend toe en nadat zijn vader hem nog een vermanende blik had toegeworpen, vertrokken beide heren weer door een achterdeur.

   Emile had al wel vermoed dat de lege ruimte in het bolvormige klokje voor een verrassing moest zorgen. Hij had gedacht aan een speeldoosmechaniek. Nu zijn vader hem gewaarschuwd had dat het om iets gevaarlijks ging, kreeg hij een onheilspellend voorgevoel. Soms was hij niet zo snugger, maar als het om techniek ging … Het lastige veermechaniekje waarmee hij bezig was, zou best wel eens een slagpin kunnen worden. Dan werd die klok dus … een bom?

 

 

*

 

 

Léon was 15 jaar oud toen hij vernam dat zijn vader was overleden. Het bericht kwam hard aan. Eerdere tijdingen over zijn vaders slechte gezondheid hadden hem onvoldoende voorbereid op de impact van deze gebeurtenis. Wie moet er nu voor moeder zorgen? Ik moet nu echt onmiddellijk naar huis.

   Iedereen had met hem te doen en probeerde hem op te beuren. Op aanraden van de godvruchtige priester, die de leerlingen geestelijk begeleidde en de wekelijkse kerkdiensten verzorgde, zocht de jongen zijn toevlucht in gebed en psalmverzen. Hij sloot zich op in zijn kamer en probeerde troost te putten uit Bijbelse profetieën. Ik ben ervan overtuigd dat mijn lijden in geen verhouding staat tot de luister die mij in de toekomst zal worden geopenbaard.*

   Het mocht niet baten. De troostende woorden leken een averechts effect te hebben. Zijn prikkelbaarheid en geëxalteerde zelfmedelijden namen voortdurend toe. Hoe zou Jezus zich gevoeld hebben als hem gezegd was dat zíjn vader dood was?

   Opnieuw was het Alexander die zich over zijn vriend ontfermde. Hij nam hem mee naar de rivier. Een wandeling in de open natuur zou Léon vast goed doen. Het snel stromende water, de kale takken die bewogen in de kille wind, de voortjagende wolken, het zou een liefhebber van verlichte denkbeelden moeten opbeuren (hij had gezien dat Léon een exemplaar van 'Système de la nature' van Holbach onder zijn hoofdkussen bewaarde). Waar hij echter geen rekening mee had gehouden was de boot waarmee Léon een paar maanden geleden naar de militaire school gekomen was. Die boot lag aangemeerd, klaar voor vertrek. Bij het zien van het vaartuig verscheen er een glimlach op Léons betraande gezicht. Hij wilde onmiddellijk aan boord gaan. De toegang werd hem echter geweigerd toen bleek dat hij geen geld bij zich had. Intussen werd Alexander afgeleid door het naderen van een late passagier. Was dat niet…? Jazeker, het was graaf Kruitvat, nou ja, oom Gabriël. De staartpruik met de paarse kousenbanden herkende zijn neefje en vroeg hem opgewekt of hij en zijn cadettenvriend een eindje gingen varen? Hij zou wel betalen.

  

Tijdens de boottocht staarde Léon zwijgend over het water. Hij nam geen deel aan de gesprekken. De edelman die zo vriendelijk was geweest zijn passage voor te schieten, had aan enkele woorden van Alexander genoeg om te weten wat er aan de hand was. Hij besloot Léon wat op te beuren.

   “Toen ik jouw leeftijd had, heb ik mijn vader én mijn moeder verloren. Ik ben nooit iets tekort gekomen. Maar ouders kun je niet kopen.”

   Even keek Léon op en leek iets te willen zeggen. Maar hij wende zijn hoofd weer af. Wat wist zo’n praaljas van de ellende van arme mensen?

   “Het is niet verkeerd dat je droomt van voorspoed en geluk. Schaam je niet voor je verlangens … als je de wereld wilt verbeteren … best … ga je gang.”

   Hij pauzeerde een tijdje maar toen Léon nog steeds niet reageerde besloot hij het over een andere boeg te gooien om tot hem door te dringen.

   “Dat je je nu rot voelt komt gewoon omdat je jezelf verwaarloost. Wat jij nodig hebt is een goed maal.”

   Met een armgebaar naar de marskramer die zijn waar bij de stuurhut had uitgestald riep hij om worst en wijn. Terwijl hij zich op het houten bankje naast Léon liet zakken mompelde hij binnensmonds dat het maar eens uit moest zijn met het dualisme van Descartes. Lichaam of geest? Quatsch!

   Nu spitste Léon zijn oren. Het was hem nog niet aan te zien maar het gemompel van zijn weldoener had een snaar geraakt. Hij liet zich de worst goed smaken en dronk gulzig van de wijn. Die opgesmukte hansworst praat net als Holbach. Licht aangeschoten kon hij het niet laten een opmerking te maken.

   “Je kunt best veel boeken lezen maar als je toch niets met die kennis doet, kun je net zo goed je verstand verliezen.”

   “Wie zijn verstand verliest is een dwaas. Niets kan dwaasheid verontschuldigen.”

   “Zelfbeklag, misschien?”

   Graaf Kruitvat had hem gehoord en begreep dat de verstarring voorlopig was verdreven. Hij klopte de jongen goedkeurend op zijn knie en zei verder niets meer. Opnieuw keek Léon zwijgend over het water, minder gespannen dan een uur geleden. De korte woordenwisseling had hem inderdaad opgebeurd.

 

Alexander maakte zich geen zorgen. Hij was verantwoordelijk voor hun behouden terugkeer, maar voorlopig vermaakten ze zich opperbest. Nadat de boot een eind stroomopwaarts weer had aangemeerd, waren ze met een gereedstaand rijtuigje naar een gastvrije uitspanning gereden. Het was dezelfde herberg waar Léons reiskoets op de heenweg had gestopt. Het Gerecht. In de stralende zon had hij de plek niet herkend en binnen was hij nooit geweest. Er werden grappen gemaakt, glazen geheven, en op een kleine verhoging had een luitspeler plaatsgenomen die grappige liedjes zong. Even daalde er een stilte neer in Het Gerecht, toen de paarse kousenbanden, geflankeerd door twee jonge officiertjes (weliswaar in opleiding, maar dat ontging de meesten) de gelagkamer binnenkwamen. De luitspeler begroette de edelman evenwel hartelijk – ze bleken op goede voet te verkeren – waarna de joligheid luidruchtig werd hervat.

   Léon had eigenlijk te veel gedronken. Het opgewekte gezelschap en de vriendelijke woorden van de graaf hadden hem goed gedaan. Hij doezelde een beetje maar kwam weer tot de werkelijkheid toen hij merkte dat het rumoer van de feestende meute wat was verstomd. Dat kwam niet omdat er mensen waren vertrokken. Het was stampvol. Iedereen keek vol aandacht naar het podium waar de luitspeler op een stoel was geklommen. Hij had zijn luit weggelegd en speelde nu enkele patriottische hymnen op de piccolo. Tot groot genoegen van het publiek. Toen de muzikant van zijn stoel stapte, was iedereen in de houding gaan staan en had een vuist geheven.

   “Broeders!”

   Sneeuwwitjes vader – wie anders – had een buiging gemaakt om zijn publiek te bedanken. De meesten kende hij van naam. Hij kwam hier al zo lang. Dit was de plek waar hij zijn Antoinette had ontmoet. Zijn blauwe engel, ze droeg immers altijd iets blauws. Dat ze dezelfde namen hadden als het koningspaar kon de jonge revolutionairen er niet van weerhouden elkaar vurig te beminnen. Ze beschouwden het juist als een grappig toeval. Al geloofde niet iedereen in ongerichte willekeur. Ze namen het de jonge weduwnaar kwalijk dat hij zich zo kort na het overlijden van de moeder van kleine Emile alweer in een nieuw liefdesavontuur had gestort. Daar kon niets goeds van komen, meenden ze. Toeval bestond niet.

   Of hun zwartgallige levensbeschouwing juist was, zou de toekomst moeten uitwijzen.

   Louis was op de edelman met zijn cadetten-escorte toegelopen. Ze begroetten elkaar en liepen naar de uitgang terwijl de jongens gewenkt werden hen te volgen. De staartpruik richtte zich tot hen.

   “Ik weet niet wat jullie precies van plan zijn, maar als je even meeloopt, kunnen jullie iemand oppikken die teruggaat naar de stad. Jullie passage is geregeld, zelf blijf ik nog even.”

   Niemand had bezwaar en goedgemutst maar een beetje wankelend ging het viertal op weg. Langzaam maar zeker begon het tot Léon door te dringen dat hij eerder langs dit pad had gelopen. Vóór hij met de boot bij zijn school was aangekomen – alweer maanden geleden – was hier de laatste stopplaats van de reiskoets geweest. En hoewel het destijds donker was geweest, herkende hij soms een opvallend getimmerd hek of een markante struik. Bij de herinnering aan de sprookjesachtige ontmoeting van die nacht brak het zweet hem uit. De anderen, die meenden de oorzaak van zijn gemoedstoestand te kennen, matigden hun tempo. Maar Léon versnelde juist zijn pas. Hoe vaak had hij niet gedroomd dat hij haar terug zou zien?

   Of zou het de rest van zijn leven bij een droom blijven?

 

Bij het bekende huisje aangekomen, verbaasde het hem helemaal niet meer dat dit het einddoel van hun wandeling was. De luitspeler en de staartpruik liepen vastberaden het erf op, in de richting van de jongen die op een zak met appelen voor het huisje zat. De gordijnen waren gesloten.

   “Dit is Emile. Hij neemt jullie mee terug naar de stad.”

   Léon hoorde het nauwelijks. Hij probeerde een kier tussen de gordijnen te ontdekken waarachter misschien een vage beweging te zien zou zijn. Maar niets dat daar op wees. Wel hoorde hij vaag de echo van het zoete gezang dat hij in zijn herinnering verheerlijkt had. Maar nu klonk alleen het gemompel van jongens- en mannenstemmen. Hij was diep teleurgesteld maar liet niets merken. Met de zak op zijn schouder had Emile zich bij hen gevoegd en maakte aanstalten om te vertrekken. De mannen waren het huisje binnengegaan. Léon draalde nog wat voor hij zich zou omkeren om zich bij Emile en Alexander aan te sluiten, toen een zwartharige vrouw in de deuropening verscheen. De onverwachte verschijning in blauwe jurk deed hem licht huiveren.

   “Wil je nog iets hebben? Iets te drinken, of zo?”

   Verward prevelde hij iets dat ze al genoeg gedronken hadden en zette het op een lopen. Weg uit dat vermaledijde dorp!

 

Op hun terugtocht naar de stad vertelde Emile dat hij klokkenmaker was, dat de muzikant zijn vader was en de graaf een apotheker die subversieve bijeenkomsten organiseerde. Grinnikend voegde hij eraan toe dat sommige lui wel alle adel uit de weg wilden ruimen maar dat de apotheker meer verstand onder zijn pruik had dan al die armoedzaaiers in hun hele hebben en houwen. Zijn vader had het hem allemaal uitgelegd. De apotheker zorgde voor slagkwik en buskruit en hijzelf maakte de tijdontsteker in een bolklok om de boel te verhullen.

   Léon kon zich niet meer inhouden

   “Woont er in jullie huisje een heks?”

   Emile keek hem bevreemd aan. Toen barstte hij in lachen uit.

   “Je bedoelt mijn zus. Ze ziet er wel raar uit. Ze is een witteling. Ze kan niet tegen daglicht. Alleen in het donker komt ze buiten. Heb je haar gezien?”

   Léon staarde voor zich uit. Wat kon hij die onnozelaar vertellen? Het was ongetwijfeld een goedhartige en oprechte jongen en vast een bekwame klokkenmaker. Maar zou hij iets begrijpen van de onstuimige visioenen en ongenaakbare verlangens die door zijn hoofd spookten? Was het denkbaar dat deze onbeduidende tovenaarsleerling werd gebruikt als lontje in het kruitvat van het sluimerende ongenoegen? Onthutsend, al was het maar vanwege die blijmoedigheid. Blind voor de dreigende storm leek die jongen maar wat stuurloos rond te dobberden op golven van hoop en verlossing. Had het zin om iets te zeggen over zijn eigen verlangens? Alles is verdwenen. Het land gaat op de schop. En ik op de troon er bovenop. Wat een onzin! Wat een droom!

   “Ik heb je zus ooit gezien maar dat is lang geleden. Alles is anders nu. Ik kan niet teruggaan in de tijd. Kun je mij een klok verkopen?”

   De afgemeten woorden brachten Emile in verwarring. Door zijn Bijbelse preoccupatie verstond hij ‘Jezus’ in plaats van ‘je zus’.

   “Kopen? Nee. Eh, ja. Natuurlijk. Ik zal je er één geven. Loop zo even mee naar het Klokkenhuis. Ik bedoel, mijn werkplaats."

   Ze waren inmiddels weer terug bij de aanlegsteiger waar de boottocht was begonnen. Léon voelde zich een stuk lichter in zijn hoofd dan toen ze vertrokken. Maar zijn voeten leken van lood. Het grootste deel van de terugreis bracht hij snurkend door onder de voorplecht. Pas nadat ze aangelegd hadden werd hij wakker geschopt. Bij het van boord gaan viel hij bijna van de stijger. Alexander begaf zich tevreden naar het imposante schoolgebouw terwijl Léon met Emile in de richting van de benauwde straatjes liepen. Naast de winkel met de esculaap aan de gevel sloegen ze de hoek om, wrongen zich onder een smal poortje door en kwamen in een smerig steegje. Ze moesten zich tegen de gevel drukken om niet in de drek te trappen. Het rook er naar de sporen van dicht opeen wonende mensen. Leon volgde zijn gids door een onopvallend deurtje, waarna hij via enkele gangen en trapjes binnentrad in het klokhuis van de naderende opstand.

   De meester, die juist van een versnapering genoot, verslikte zich bij het zien van Léons uniform. Zonder daar direct iets van te laten merken, overigens. Toen hij begreep dat de cadet alleen maar een klok kwam halen, was hij gerustgesteld. Maar hij kon het toch niet laten om Emile de les te lezen.

   “Als je hier wilt blijven werken, moet je niet zo’n rotzooi maken. Ik heb je werkplek opgeruimd toen ik mijn kleine pendrijver zocht, die had je weer eens niet teruggelegd. Ik heb hier echt geen zin meer in. En straks moet je blijven totdat alles klaar is. Kan wel eens laat worden.”

   Ogenschijnlijk uitgeput keerde hij terug naar zijn draaibank terwijl Emile ontdaan naar de lege tafel staarde. Alle losse onderdelen waarvoor hij (nog) geen bestemming had, lagen ordelijk gerangschikt op een plank. Naast een keurig stapeltje brochures en handleidingen. Op de plank erboven stonden, netjes op een rij, de groene appels. Sommigen reeds voorzien van een wijzerplaat en opwindknoppen. Anderen nog met lege uitsparingen, alsof er een hap was uitgenomen. Léon wees er enthousiast naar.

   “Dat is wat ik zoek. Geef je zuster zo’n klok cadeau. Zeg maar…,” hij aarzelde, “zeg maar ‘met de complimenten van het monnikje’. Wat maakt het uit.”

   “Met de complimenten van het monnikje maakt het uit?”

   “Nee man, alleen van de monnik. Een sacrale attentie.”

   Léon draaide zich gefrustreerd om en verliet het pand langs de weg die ze gekomen waren.

 

 

*

 

 

De koning stond bij zijn volk bekend als een edelmoedig en gastvrij mens. De koningin was al even weldadig als haar echtgenoot en beiden vervulden de harten van hun onderdanen met dankbaarheid door de bevallige wijze waarop ze hen tegemoet traden. Van de meeste onderdanen, althans. De koning en de koningin hadden, omringd door hun weelderige hofhouding, geen notie van de wrevel die het contrast tussen hun welstand en de armoede van ieder ander bij sommige ‘broeders’ opriep. Ze vonden juist dat ze vrijgevig waren tegenover de arme sloebers. Ze beloonden hen met gouden penningen voor bijzondere prestaties of onthaalden hen op een rijke maaltijd als hen iets verschrikkelijks was overkomen. Maar het vorstenpaar besefte niet dat die paar uitverkorenen geenszins de miljoenen vertegenwoordigden die zich genegeerd voelden. Er deden kwaadwillige verhalen de ronde waarin vooral de koningin het moest ontgelden. Ze werd beschuldigd van ijdelheid en spilzucht terwijl het volk crepeerde. Kortom, reden voor een aanslag: één van de appeltjes die Emile zo vakkundig in elkaar had geprutst, zou haar noodlottig worden.

   Iedereen wist dat men voor heldhaftig gedrag aan het hof werd ontboden om een onderscheiding in ontvangst te nemen. Het zou een fluitje van een cent zijn om het nerveuze paardenspan voor de koninklijke koets te laten steigeren, om ze vervolgens door een paardenknecht – die in het complot zat – tot bedaren te laten brengen. De knecht zou door de koningin worden ontvangen om zijn medaille opgespeld te krijgen. Hij zou op zijn beurt haar de appel overhandigen, zogenaamd uit eerbiedige adoratie, omdat hij altijd aan haar dacht en zo. Hij zou haar uitleggen hoe ze gewekt kon worden door het tijdstip in te stellen met een van de knoppen. De hemelse symfonie die dan zou klinken, moest een verrassing blijven. Dat ze zou ontwaken in de hel bleef onvermeld.

 

Kort voordat dit snode plan ten uitvoer zou worden gebracht, kreeg Emile in zijn werkplaats bezoek van zijn moeder.

   “Mama! Wat doe jij hier? God in de hemel, heilige Maria! Er is toch niets gebeurd met pa?”

   “Nee hoor jongen,” stelde zijn moeder hem gerust. “Ik kom allen eens kijken hoe het met je gaat.”

   Sneeuwwitjes moeder was ooit gevallen voor de vader van de toen nog piepjonge Emile. Ze had de peuter een warm hart toegedragen maar het was vooral de melancholische oogopslag van zijn vader geweest waaraan ze geen weerstand had kunnen bieden. En de warme stem waarmee hij het droeve lied zong over zijn veel te vroeg overleden jonge vrouw. Van een man die zo oprecht verdriet kon tonen, wilde ze wel een kindje hebben. Hoewel het leven haar niet had gegeven wat ze ervan verwacht had, hield ze dapper vol. Evenals Emile geloofde ze dat een godvruchtig en hardwerkend bestaan op aarde haar ooit toegang zou verschaffen tot het koninkrijk Gods.

   Maar ondertussen had ze kennis gemaakt met de graaf. Dit keer was er zeker geen sprake geweest van een of ander vooropgezet, ‘hoger’ plan. Graaf Kruitvat was in de buurt geweest en had zich spontaan naar Het Gerecht begeven waar Emile's vader zich geregeld van zijn muzikale bijverdienste kweet. En waar hij die artistieke bezigheid juist op dat moment verrichtte. Terwijl zijn blauwe engel hem juist een verse voorraad appelen voor de markt kwam brengen. Toeval of voorbeschikking? Het gepeupel zou er wellicht de voorzienigheid Gods in herkennen, maar de graaf behoorde tot een andere categorie. Hij zag het als niets anders dan een toevallige samenloop van omstandigheden. Waarvan hij onbevangen gebruik maakte.

   De kennismaking tussen Gabriël en Emile’s stiefmoeder had verregaande gevolgen waarvan Emile noch zijn vader weet hadden. Tijdens de samenzweerderige bijeenkomsten in de herberg had Antoinette zich tegenover de edelman als een rebelse volksvrouw gedragen en haar man had geen enkel benul gehad van haar werkelijke intenties. Die waren namelijk verre van revolutionair en sterk seksueel gericht. En hoewel haar onweerstaanbare graaf het niet slim vond, was ze vastbesloten geweest dit keer Emile even gedag te zeggen. Het gevaar van haar dubbelleven had haar in zijn ban.

   “Zijn dat de klokken waaraan je werkt? Je hebt er al heel wat gemaakt.”

   Ze knikte met haar hoofd naar de plank boven Emile's werkbank en woog één van de groen geëmailleerde appelvormige uurwerken op haar hand.

   “Ze zijn niet zo zwaar als ik verwacht had. Weet jij trouwens of de graaf er is? Ik moet hem een brief geven. Van je vader.”

   Verward bevestigde Emile dat hij bezig was de laatste hand te leggen aan de montage van zijn precisie-instrumenten. Dat hij er al veel meer gemaakt had. Dat ze nog leeg waren. Dat de graaf pas één bol met kruid had gevuld.

   “Het is bijna klaar. Deze duurt ook niet lang meer.”

   Trots toonde hij haar het Christus-kruis dat hij op één van de bollen had gegraveerd, zonder te merken dat zijn moeder werd afgeleid door een nieuwe bezoeker.

   “Deze is voor Sneeuwwitje. Van Léon. Ik ga hem vullen met fondant.”

   Dat drong nog net tot haar door voordat ze zich van hem afwendde, al vroeg ze zich wel af wie Léon was. Maar de nieuwe bezoeker was niemand minder dan graaf Kruitvat die nu al haar aandacht opeiste. Hij knipoogde naar haar en zij wendde zich weer tot Emile.

   “Ik ben even weg. In verband met die brief, weet je wel. Ik kom zo nog even kijken.”

   In het kielzog van de graaf verliet ze de werkplaats door een andere deur dan ze was binnengekomen.

 

Léon had besloten dat hij zo snel mogelijk officier wilde worden. Hoe eerder hij de sabel had, des te sneller kon naar huis. Om voor zijn moeder te zorgen en voor de rest van het gezin. Alexander was altijd een paar dagen per week naar huis en tijdens de vakanties had Léon helemaal het rijk alleen. Als hij zijn tijd goed besteedde konden ze gelijktijdig afstuderen. Over minder dan een jaar.

   Terwijl hij de wiskundige formules in zijn hoofd repeteerde en bovengenoemde beslissing bij zichzelf bekrachtigde, marcheerde hij over het uitgestrekte terrein voor het schoolgebouw om toch voldoende frisse lucht binnen te krijgen. In de verte kwam hem een venter tegemoet die een kar voortduwde. Dat lijkt wel... nee, hij is het echt!

   “U bent het. Ik dacht u al te herkennen. Ik wist niet dat u hier ook fruit verkocht.”

   Geschrokken richtte Louis zijn blik op het uniform maar toen hij Léon herkende leek hij te ontspannen en met een strakke grimas op zijn gezicht hijgde hij:

   “Gabriel, eh, Alexanders oom heeft gevraagd me dit fruit naar ‘t bestuursgebouw naast de school te brengen. Straks ik ga weer, eh, bij hem langs, we hebben afgesproken. Waarom jij hier, verdomme? Oh, je gaat naar die school. Merde! Je voelt wat beter, eh, nu?“

   Léon was nog steeds niet gewend aan zijn manier van praten. Sprak hij bewust onaangepast of was hij gewoon maf, net zoals zijn zoon? Hij wist het niet. Een blik op de lading gaf evenwel uitslag. Die man staat stijf van de zenuwen. Tussen het fruit had hij één van Emile’s uurwerken herkend.

   “Ik voel me best. En ja, ik zit daar op school. Weet je wat, geef mij die kar maar, dan duw ik die wel naar de school. Goeie oefening voor me. Kunt u alvast terug naar de graaf.”

   Louis kneep zijn ogen dicht en balde zijn vuisten. Het aanbod stond hem niet tegen. Geinig om die koninklijke cadet voor een republikeins karretje te spannen (ook al weet-ie dat zelf niet). Hij spreidde zijn vingers. Weliswaar was het nog wat vroeg voor zijn afspraak met Gabriel maar die zou er geen bezwaar tegen hebben als hij nu al kwam opdagen. Hij graaide wat tussen het fruit, gaf Léon een appel - geheel overbodig natuurlijk nu deze de hele kar van hem overnam -  en stak de rest tussen zijn kleren.

   Vloekend spoedde Louis zich terug naar het broeinest van de onruststokers, de apotheek van graaf Kruitvat, naast de werkplaats waar zijn zoon de klokkenmaker zulke verrassende uurwerken fabriceerde. Hij baalde ervan dat de tijdbom niet zou worden afgeleverd bij de infiltrant in het bestuursgebouw, die hem zou doorspelen naar de ‘paardenknecht’. In plaats daarvan moest er een nieuwe route worden uitgestippeld. Niets aan de hand, alleen wat oponthoud.

 

“Wat was dat voor geklets over een brief?”

   Gabriël zat nog te frunniken aan de touwtjes en haakjes van haar korset toen ze zich nogal abrupt omdraaide en zich op hem stortte.

   “Ik moest toch wat tegen die jongen zeggen.”

   Ze verdacht hem ervan dat hij opzettelijk treuzelde. Hij wist inmiddels toch wel hoe ze steeds meer naar hem verlangde? Ze stak haar tong in zijn oor en lispelde:

   “Trek de boel gewoon los. En schiet een beetje op.”

   De eerste keer dat hij met haar man naar hun huisje in het dorp was gekomen had ze onmiddellijk GEWETEN. Geweten dat ze elkaar tot de draad zouden beminnen. Hij was de rijpe appel waar ze haar leven lang naar verlangd had om haar tanden in te zetten. Het rijdier van haar dromen.

   De graaf had er ook geen gras over laten groeien. Hij was misschien niet meer zo hitsig als in zijn jonge jaren, maar mocht een tochtige merrie zich uit eigen beweging aanbieden dan wist hij van wanten. Haar zaadvragende oogopslag zou haar verlangen nog hebben verraden aan de meest stoïcijnse droogstoppel, laat staan aan de wellustige edelman.

   Met het grootste gemak had hij hun eerste rendez-vous geregeld maar sindsdien leek hun hartstocht geen gelijke tred te houden. Haar seksuele verlangen nam gaandeweg toe terwijl hij in gedachten juist steeds vaker elders leek te vertoeven. Zijn seksuele inspanningen en erotische ambities werden belemmerd door de organisatorische rompslomp van zijn republikeinse idealen. Tegenwoordig waren zijn gedachten meer bij de appels van de klokkenmaker dan bij die van haar.

   “Je man komt straks het spul in de werkplaats ophalen voor onze cel bij de prefect. Het duurt nog wel even voor hij weer terug is.”

   Daar had je weer zoiets. Lagen ze net lekker te vrijen, begon hij over haar man. Als ze wilde dat hij zijn aandacht op haar richtte dan moest ze die trekken. Ze streelde en likte hem waar ze maar kon en merkte dat ze steeds driftiger werden. Hij voelde zich als een ballonvaarder opstijgen naar de hemel en zij explodeerde als een granaat onder hem.

 

Terwijl hij de volgeladen handkar over het gras voortduwde in de richting van het bestuursgebouw moest Léon toegeven dat hij zichzelf had overschat. Het was zwaar werk en hij moest om de haverklap stoppen om op adem te komen. Jongens nog kleiner dan hijzelf had hij karren zien duwen die beslist zwaarder beladen waren dan deze en hij was blij dat ze hem niet zagen ploeteren, in zijn smetteloze kadettenuniform. Zo fris zou dat er straks trouwens niet meer uitzien. Voor Emile's vader was de afstand misschien in een uur te overbruggen geweest maar de jonge student zou er wel twee keer zo lang over doen.

   Zonder dat daarvoor een speciale reden was staarde Léon tijdens een van zijn adempauzes langdurig naar de mand met appels op de kar en plotseling herkende hij één van Emile's uurwerken. Uit het doorzichtige gedrag van Louis had hij wel begrepen dat deze de tijdbom onder zijn jas had verstopt, maar dat er nog meer tussen het fruit lagen had hij niet verwacht. Geschokt vroeg hij zich af waarmee hij bezig was. Liep hij hier een kar vol bommen te duwen? Was hij bezig een revolutionaire cel te bevoorraden? Hij zou natuurlijk kunnen doen alsof hij niets had gezien, maar als er iemand anders onraad bespeurde of als er in het ergste geval in het bestuursgebouw een bom zou ontploffen, dan kon hij die snelle afronding van zijn studie wel op zijn buik schrijven. De voltallige leiding van de militaire academie zat in het bestuursgebouw, dus als het daar mis ging, lag de hele school plat. Natuurlijk was Alexander juist weer een paar dagen met vakantie zodat hij zich bij hem niet kon beklagen over het onverantwoordelijke gedrag van zijn oom. Althans, hij vermoedde dat graaf Kruitvat erachter zat.

   Verschillende zaken tegen elkaar afwegend, besloot Léon dat zijn persoonlijke omstandigheden, en die van zijn familie, de hoogste prioriteit hadden. Hij vond dat hij zijn vondst moest rapporteren, hetgeen betekende dat de appels geconfisqueerd en gecontroleerd (op hun explosieve lading) moesten worden, dat hun bestemming moest worden uitgezocht (iemand van het keukenpersoneel?) en dat de leverancier aan de tand gevoeld diende te worden. Léon zou ze in elk geval een hint kunnen geven waar ze die fruitventer misschien konden vinden. Hij wilde niet zo ver gaan om Emile en zijn vader te verraden, maar het adres van de apotheek achtte hij onvermijdelijk.

 

Het geheime rendez-vous tussen Gabriël en Antoinette was na verloop van tijd een beetje afgestompt maar ze bleven elkaar desondanks ontmoeten. Het genoegen dat ze er allebei aan beleefden was onweerstaanbaar genoeg om het risico te nemen dat ze gesnapt zouden worden. Haar orgastische hoogtepunten beleefde Antoinette allereerst door de gedachte dat Louis elk moment kon binnenstormen en dat Emile vlakbij in de werkplaats van niets wist. Daarnaast had ze het gevoel grote macht uit te oefenen op de aristocraat, dat ze zijn meerdere was en dat ze hem kon laten koppeltje duikelen als een marionet.

   Direct na de coïtus werd ze vervuld met een diep gevoel van sereniteit. Het was een van de zeldzame momenten dat ze naar haar dochter verlangde. Een lichte onrust beving haar. Ze was heks en godin in één. Mefistola. De wereld lag aan haar voeten. Ze kon krijgen wat ze wou, alleen de klok terugzetten was er niet bij. Gabriël had haar gevraagd om haar tong in zijn anus te steken, maar ze had geweigerd.

   “Ik moet aan de tijd denken *. Van jouw goddelijke rozenknop raak ik te zeer bedwelmd. Leen me je koninklijke scepter, dan zal ik je laten rijzen tot in de zevende hemel.”

   Maar haar onvoorwaardelijke overgave was geknakt toen hij haar kwalificatie van zijn viriliteit als zijnde goddelijk had gecorrigeerd als gewoon menselijk, eventueel bovenmenselijk, maar zeker niet als de eigenschap van iets onbestaanbaars als God. Ze merkte dat hij ergens door gekwetst was en had zijn koningsstaf gekust en geprezen. Maar ook dat was een verkeerde woordkeus gebleken. Hij had een republikeinse knuppel, zo corrigeerde hij haar. En dat was de spreekwoordelijke druppel geweest.

 

Onderweg naar de apotheek was Louis in één van de smalle straatjes bij een kraam blijven hangen waar hij genoot van de goedkope bakkerswijn die er stiekem werd geserveerd. Een beetje wrevelig vroeg hij zich af waarom hij op het allerlaatste moment de bom vanonder de stapel appels op de handkar had weggenomen en onder zijn hemd verstopt. Ik kon die jongen er niet mee opschepen. Dat verdriet dat hij om zijn dooie vader had… Ik zou er zo een lied over kunnen maken. Ben ik hier wel geschikt voor?

   Hij haalde de appelklok tussen zijn kleren vandaan en kraste er onhandig een kruis op. Opdat er geen ongelukken gebeuren.

   De gedachten dwarrelden door zijn schedel en de drank maakte hem weemoedig. Hij hief zijn hoofd op in een vergeefse poging blauwe lucht te zien. Achterover hangend staarde hij naar het groezelige ondergoed dat tussen de grauwe gevels te drogen hing (tenminste genoeg goed om een deel ervan te wassen, oordeelde hij schamper, of zouden ze de hele dag in bed blijven?) en hoorde hij hoe de straatventers tevergeefs het dronkenmansgebral en kindergeschrei trachtten te overstemmen.

   Ik heb een zoon maar ik ben geen vader. Eigenlijk ben ik een egoïstische verrader. De melancholie zorgde ervoor dat zijn gedachten als vanzelf gingen rijmen. Het baantje dat hij Emile had bezorgd, was niet een keus van zijn zoon geweest. Hij had zélf die keus gemaakt. Emile interesseerde zich niet voor politiek. Emile had alleen belangstelling voor klokken. Ze wilden misschien wel allebei de tijd naar hun hand zetten, maar elk van hen op zijn eigen manier.

   Het is nog niet te laat om het jong te verrassen. Het wordt tijd dat Emile gaat verkassen. De meester had Louis verteld dat een vuurwerkmaker, eh, uurwerkmaker bij hen in de buurt hem had laten weten het ontzettend druk te hebben. De klandizie werd steeds ongeduldiger en hij kwam handen tekort. Dat succes had hij vooral te danken aan de precisie-instrumenten die hij voor het leger maakte en zijn vakmanschap dreigde hem noodlottig te worden als hij niet aan de vraag tegemoet zou kunnen blijven komen. Had de meester begrepen. Kortom, was dat niet iets voor Emile? De voorbereidingen van de revolutie zouden tenslotte niet eeuwig in de werkplaats blijven plaatsvinden. Met die voorbereidingen zou het toch zeker een keer afgelopen zijn. Dat zag hij, Louis, toch zeker ook wel in? En als de bom eenmaal barstte kon Emile maar beter ergens anders zijn. Nietwaar?

   Berouwvol kwam Louis tot een besluit en begaf zich naar de werkplaats. De wemelende massa ging hem eerbiedig uit de weg. Zijn gang was wankel maar zijn blik vastberaden. Hij had iets goed te maken.

 

Het liefdesnest van graaf Kruitvat domineerde de kamer. Zijn herinnering aan degene met wie hij het bed deelde vóór Louis' blauwe engel was vaag. Het damasten bedlinnen stamde in elk geval niet uit die tijd. Het was nieuw geweest toen hij Antoinette hier de eerste keer had ontvangen. Het had op haar, die een krappe boeren bedstee gewend was, zo’n overweldigende indruk gemaakt dat hun liefdesspel als een reis om de wereld werd. Zijn hemelbed een apenkooi.

   De graaf was een hartstochtelijk minnaar die zijn liefdesbroodje graag belegde met rosbief. Zonder echte verliefdheid raakte zijn appetijt evenwel snel gestild. Het was alsof vadertje tijd hem een loer draaide, vanwege zijn leeftijd, de tijd waarin hij leefde en het tijdsverloop van de gebeurtenissen waarin hij de spil vormde. Hij verloor zijn aandacht zoals zij de zijne.

   Hun orgasmen waren allang niet meer een middel om volledige overgave aan de ander tot uitdrukking te brengen. Ze waren doel op zich geworden.

   Alles wees erop dat het deze keer voor het laatst zou zijn dat ze elkaar beminden. Vlak voordat Antoinette haar hoogtepunt zou bereiken en Gabriël op het punt stond zijn zaadlozing te krijgen, werd hun aandacht afgeleid door gestommel op de trap.

   “Godverdomme. Daar is je man al. Ik had hem nog lang niet verwacht.”

   De graaf was prompt over zijn hoogtepunt heen en al zijn aandacht was gericht op de geluiden buiten de deur. Ook Antoinette had, alsof ze klaarkwam, haar ogen opengesperd in een poging om elk geluid thuis te brengen. Het gestamp in de gang leek haar afkomstig van meer dan één paar laarzen. Toch had ze zich al redelijk gefatsoeneerd en haar korset en wat andere spulletjes in een tas gedaan, toen er op deur werd geklopt.

   “Vlug, achterin die kast is een deur naar de gang die naar de werkplaats leidt,” fluisterde de graaf. De aanvankelijk ontstelde Antoinette greep resoluut haar tas en verdween in de kast. Met een gevoel van kille berusting besefte ze dat ze deze kamer nooit meer zou betreden. Terwijl Gabriël de deur sloot, hoorde ze hem in een poging ontstemd te klinken, snauwerig brommen:

   “Wat is er aan de hand? Wie waagt het mijn rust te verstoren?”

   “In naam van de koning! Doe open de deur. Alstublieft!”

   “Oh. Ogenblik.” De graaf rommelde wat, schoot een paar sloffen aan, liep naar de deur en ontsloot deze. Hij ontwaarde twee ferme jongens uit de heffe des volks in politionele uitmonstering, compleet met sabel.

   ”Laat dit een serieuze zaak zijn. Ik lag net lekker te knorren.” Gabriël was vertrouwd met het jargon van de ordehandhavers.

   “Excuseer, edele heer,” verontschuldigden zij zich. “We hebben opdracht dit pand te doorzoeken. Er zou zich hier een schurk ophouden.” En na een vluchtige blik in de kamer en een lichte buiging: “Maar dat is natuurlijk onzin. Nogmaals excuus dat we U gestoord hebben.”

   Ondertussen was Antoinette stilletjes de verborgen trap achter de kast afgedaald en via de voormalige personeelsgangen in het atelier aangekomen.

   De werkplaats was leeg.

   Op weg naar de uitgang kwam ze langs Emile’s werktafel en viel haar blik op de appelklokken die hij gemaakt had. In gedachten bleef ze staan en pakte de laatste op rij van de plank. Hij was zwaarder dan ze verwacht had.

   Ha! Emile heeft hem al gevuld met suikergoed. Als ik hem vast meeneem kan ik die meid eens verrassen en hoeft dat joch niet helemaal naar huis te komen.

   Ze bekeek de bol vol bewondering maar verstrakte toen ze het kruis zag.

   Hm. Dat valt me van hem tegen. Een beetje slordig.

   Ze werd opgeschrikt door een geluid in het midden van de werkplaats en stopte de klok snel in haar tas. Tot haar opluchting zag ze de kat op de tafel van de meester. Snel liep ze naar de deur en verliet het pand.

   Om er nooit meer terug te keren.

 

Emile had zijn laatste hand gelegd aan het kruis voor zijn stiefzuster en vond dat hij nu wel een verzetje verdiende. Hij had zich gelukkig geprijsd dat hij de kans had gekregen om zijn creatieve en technische vaardigheden in deze werkplaats te kunnen botvieren maar hij verlangde nog steeds naar een aanstelling in het atelier van een echte horlogier. Hij kon niet zeggen waarom, het was een esoterisch verlangen, maar daarom niet minder waar. Hij verliet zijn werkplek met het voornemen om naar de klokkenmakersbuurt te wandelen, toen zijn vader plotseling binnenkwam.

   “Papa! Ik had je nog niet verwacht. Jezus Christus! Er is toch niets met ma? Ze was nog…”

   Maar Louis gebaarde de jongen te zwijgen en met een twinkeling in zijn ogen stelde hij hem gerust. “Emile, jongen, dacht al dat je er wel even uit wilde. Wat eten? 'k heb geld.”

   Hij liep naar Emile’s werkplek met de jongen in zijn kielzog. Op tafel stond de appelklok voor Sneeuwwitje waar Emile zojuist de laatste hand aan had gelegd. Hij nam de tijdbom tussen zijn kleren vandaan, plaatste hem aan het eind van de rij appelklokken op de plank en knikte naar de tafel.

   “Neem je klok mee. ‘k zal je wat laten zien. Tijd voor verandering.”

   Even later stonden ze buiten. De stank van afval was er niet minder dan binnen. Door de poort verderop zag Emile de drukte op straat. Sjiek volk, schooiers, politiemannen, allerhande verkopers die hun waar luidkeels aanprezen. Het kloppend hart van de stad. Daar wilde hij heen. Zijn vader leek zijn gedachten te raden.

   “Op weg naar de horlogerieën? Snap 't. De meester zei 't al.”

   Zijn vader streek hem liefhebbend door zijn haar. Hij bloosde. Was hij zo'n open boek?

   “De werkplaats is geweldig, alleen ...”

   “Kan niet tippen aan 't atelier van d' horlogier. Kom mee.”

   Louis nam zijn zoon bij de arm en leidde hem door de smalle steeg. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een paar grenadiers het portaal naast de apotheek binnengaan, maar daar besteedde hij verder geen aandacht aan. De privéaangelegenheden van Gabriel gingen hem niet aan. Bij een van de kramen kochten ze brood en worst en Emile kreeg te horen wat hij al wist: de graaf was een gulle werkgever. Hij was ook heel blij geweest met de kans om zijn talenten te ontwikkelen. Maar het verlangen bleef knagen: de wens om bij een echte klokkenmaker in dienst te treden.

   Eenmaal aangekomen in de buurt waar zoveel horlogemakers hun winkel en werkplaats hadden gevestigd, zonk de moed hem in de schoenen. De straten waren veel breder en langs de straat reden koetsjes met rijke lui. Was hier wel plek voor een heikneuter als hij? Ook al had hij nog zoveel talent, zoals de meester beweerde?

   Maar zijn vader trok hem een steeg in die hem meer vertrouwd voorkwam. Al stonk het er minder dan achter de apotheek. Hier waren de achteruitgangen van de horlogewerkplaatsen en bij een van de deuren zag hij zowaar juist de meester naar buiten komen die hen vriendelijk toeknikte.

   “Zo, jullie komen als geroepen. De baas hier is teneinde raad. Emile, jongen, ik zal je missen. Maar ik weet zeker dat hier een mooie loopbaan voor je ligt. Kom nog eens langs als je tijd hebt.”

   Hij klopte de jongen op zijn schouder en stak zijn hand op naar Louis.

   “Wij zien elkaar binnenkort.”

   Binnen was het een drukte van belang. Anders dan op zijn voormalige werkplek zou Emile hier voortdurend in gezelschap zijn van echte mecaniciens die hem de kneepjes van het vak konden leren. Hier zou hij een echte gezel kunnen worden. Bovendien kon hij er blijven. Als hij genoegen nam met een plekje op de zolder waar nog een paar jonge gasten woonden dan hoefde hij niet op zoek naar een woonruimte. Emile was opgetogen en sloeg dankbaar zijn arm om zijn vader. Het was eindelijk tot hem doorgedrongen dat dit allemaal voor hem bekokstoofd was.

   De aanraking vervulde Louis met warmte en tevreden stelde hij vast dat hij een juiste beslissing had genomen.

   Aan die waarheid hing echter wel een prijskaartje.

 

 

*

 

 

 

Léons voornemen om zich niet langer te laten afleiden door puberale verlangens of kinderlijke fantasieën hadden alles te maken met zijn voornemen om zo snel mogelijk af te studeren. Nu Alexander een paar dagen met vakantie was had hij de kamer helemaal voor zichzelf zodat hij zich volledige kon overgeven aan zijn studie. Tot hij zijn ogen niet meer kon openhouden.

   Sneeuwwitje stond oog in oog met de koning van het bos. Ze konden elkaar goed zien in het licht van de maan, maar geen van beiden voelde zich bedreigd of aangedaan. Het hert ging door met zijn geknabbel aan de schors van de jonge sparren en Sneeuwwitje vervolgde haar nachtelijke zoektocht naar cantharellen.

   Met het droombeeld van de bleke bosnimf tegenover het statige edelhert werd Léon wakker tussen zijn wis- en natuurkunde boeken. Hij had zich voorgenomen om door keiharde studie zijn officiersopleiding zo snel mogelijk af te ronden maar tegelijkertijd vroeg hij zich af hoe zijn ware verlangen ooit werkelijkheid kon worden. Kon hij ervoor zorgen dat iedereen trots op hem was? Bestond er ergens ter wereld ook maar iets dat leek op zijn droombeelden van de toekomst? Ooit had hij Alexanders oom iets horen mompelen over Holbachs afwijzing van goddelijke beschikking en zijn twijfel aan het bestaan van de vrije wil. Zijn hartstocht en verlangen mochten dan het gevolg zijn van het hem door de natuur geschonken temperament, voor hun verwezenlijking zou hij volledig aangewezen zijn op toevalligheden en gebeurtenissen die niet waren te voorzien of te voorkomen. Het leek wel of graaf Kruitvat zijn flamboyante levenswijze niet alleen weet aan zijn eigen natuur maar ook aan al datgene wat zich aan begeerlijkheden aandiende.

   Afwachten tot er iets van zijn gading voorbijkwam, dat was niets voor Léon. Hij dacht dat hij zijn droom had begrepen. Zodra hij een kans zag om te imponeren (edelhert) zou hij die grijpen. Te beginnen met zijn officiersopleiding. De onschuld van zijn jeugd (Sneeuwwitje) was hij inmiddels wel ontgroeid. De herinnering eraan bleef altijd bestaan. Net als die aan zijn vader.

 

 

Enkele jaren nadat Léon zijn sabel had verworven en zelfs al in rangen was bevorderd, luisterden hij en Alexander in hun burgerkloffie naar het lied van de optredende artiest in Het Gerecht. Met Alexanders oom, die zonder pruik en kousenbanden er alleen maar oud en afgeleefd uitzag, zaten ze onopvallend tussen het gewone publiek. Er hing en vreemde spanning. Onduidelijk was of dat kwam van de politieke onrust of werd veroorzaakt door de weemoedige klanken. De meeste aanwezigen zaten er nogal bedrukt bij.

   Léon was met Alexander naar het dorp geweest. Op zoek naar het huisje. Ze hadden het niet teruggevonden. Het enige wat ervan restte was een ruïne. Op de terugweg had hij moeten overgeven.

   De graaf pinkte een traantje weg. De klokkenmakersloopbaan van zijn protegé (Emile) verliep voorspoedig, de voortgang ervan leek even onstuitbaar als de tijd zelf. Wat niet gezegd kon worden van de rest van de familie. Hij miste Emile’s moeder. Hij miste Antoinette.

   Maar zijn verdriet was minder dan dat van de zanger op het podium, die de zaal telkens weer in vervoering bracht met zijn ode aan de voorbije tijd, zijn treurzang over de verbroken band tussen vader en kind, zijn meeslepende lyriek over verloren onschuld. Louis, de verder naamloze vader van de excellente klokkenmaker en de droombeeldige Sneeuwwitje. Dat hij zijn vrouw niet minder miste dan zijn dochter had ook hem verbaasd. Het verleden bleek duurzamer dan verwacht.

 

Léon staart strak voor zich uit. Met zijn gedachten mijlen ver weg, bij het slachtveld waar hij zich heeft onderscheiden. Op het podium zet Louis een nieuw lied in. Een paar komische noten uit Mozarts Toverfluit. Als de klanken vanaf het podium tot hem doordringen, herkent hij de muziek. Opnieuw dwalen zijn gedachten in ruimte en tijd. Maar minder ver in afstand en verder terug in de tijd. Nog eenmaal heeft hij een visioen van de witte nimf voor de deur van haar huisje. Totdat het beeld vervaagt en plaatsmaakt voor een brandende ruïne. Met daar omheen het platgetrapte struikgewas, de met bloed besmeurde grond, een afgerukte hand… Abrupt staat hij op en verlaat Het Gerecht.

 

 

*

 

 

Zijn tumultueuze loopbaan voerde Leon vaak naar verre oorden maar als hij in de hoofdstad was kon hij zijn verlangen om een bezoek te brengen aan de horlogemakersbuurt niet altijd weerstaan. Dat bracht hem ertoe op zekere dag de zaak te inspecteren waarvan de liberale nouveaux riche zo hoog opgaf. Het atelier van de nieuwe klokkenmaker.

   Toen Emile hem bij deze laatste ontmoeting vertelde over zijn vergissing, liet Léon niets merken van zijn ontsteltenis. Stram haalde hij zijn schouders op.

   “Gedane zaken nemen geen keer.”

   Maar inwendig vervloekte hij zijn romantische gevoelens, zijn kinderlijke hartstocht en blinde vertrouwen in de naïeve revolutionairen. De sprookjesachtige muziek die hem ooit betoverd had met zeepbellen en viooltjes.

   Hij koesterde geen wraakgevoelens, was niet uit op vergelding. Iedereen maakt fouten, zonder boze opzet.

   Bij het lezen van de profetisch gebleken klassieken was hem dat herhaaldelijk opgevallen. Onwillekeurig moest hij denken aan de spot van Aristophanes om de schuld van het geweld te leggen bij de onbedoelde slachtoffers ervan. En kon je de mooie zus van Castor en Pollux* de wereldbrand verwijten, omdat ze er zo leuk uitzag? Bellen blazen is voor kleine kinderen. Luchtschepen zullen de wereld veroveren.

   Terwijl hij zijn tanden zette in de appel die Emile hem bij wijze van troost had aangeboden, nam hij zich plechtig voor om er alles aan te doen het tegenovergestelde te verwezenlijken. Ik haan zal victorie kraaien zonder de onnozelaar te kwetsen. Trouwhartigheid verdient geen straf, hooguit onthouding van beloning.

 

Op verzoek van Léon zou Emile de overgebleven ‘lege’ klokken voorzien hebben van een speeldoosmechaniekje waarmee de charmante officier diverse vrouwenhartjes veroverde. Het ontwerp inspireerde de toekomstige strateeg bovendien tot het regiment luchtgrenadiers, die de vijandige troepen bestookten met handgranaten vanuit luchtschepen. Gezien de doelen die hij nastreefde en de omstandigheden waaronder dat gebeurde, kun je zeggen: hij leefde nog lang en gelukkig.

 

Nadat ze hun theorie-examen met goed gevolg hadden afgelegd, ontvingen Leon en Alexander de felbegeerde officiersdegen en vervolgden de (praktijk)opleiding in het zuiden van het land. Leon maakte een bliksemcarrière. Dankzij ambitie, mazzel en listige moed werd hij reeds na enkele jaren bevelhebber over een bataljon nationale vrijwilligers en mede door de binnenlandse omwenteling klom hij binnen tien jaar op tot brigadegeneraal. Ondanks de republikeinse omwenteling werd hij in het zadel geholpen als opvolger van de onthoofde koning en op vijfendertig jarige leeftijd kroonde hij zichzelf tot keizer.

Napoleon Bonaparte verwekte bij verschillende vrouwen een aantal kinderen die geen belangwekkende rol in de vaderlandse politiek zouden spelen (zijn enige wettige zoon verwierf wel een adellijke titel!).

Alexandre des Mazis ontvluchte Frankrijk in 1792 om aan het begin van de 19e eeuw terug te keren in Parijs waar de keizer zich over zijn oude vriend ontfermde.

Olympe de Gouges onderscheidde zich als vrouw en overtuigd feministe tijdens de Franse Revolutie. Vanwege haar royalistische sympathieën werd ze in 1793 onthoofd.

Koning Lodewijk XVI en koningin Marie Antoinette ondergingen in 1793 hetzelfde lot. Van een eventuele aanslag in 1785 is niets bekend.

Baron d’Holbach was een vertegenwoordiger van de Verlichting en atheïst. Zijn beruchte Systême de la Nature verscheen in 1770 en werd van hogerhand verboden. Als maître d’hotel van de Franse filosofie verleende de welgestelde wetenschapper steun aan rebelse schrijvers en ontving hij geestverwanten bij hem thuis, waaronder Diderot en Rousseau. Hij stierf, waarschijnlijk door verdriet (zijn vriend Diderot was enkele jaren eerder overleden) en ingewandsstoornissen, aan het begin van de revolutie, in 1789.

De overige personages zijn verdwenen in de anonimiteit van de loop der gebeurtenissen in dit universum; het enige dat we kennen.  

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Philipp Blom. Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting. Bezige Bij, 2010

Martin Bril. De kleine keizer. Prometheus, 2008

Hendrik Chappuis & August Blaauw. Napoleon. Kluitman, 1911 (http://www.gutenberg.org/files/27883/27883-h/27883-h.htm)

Joke van Leeuwen. Feest van het begin. Querido, 2012

Allen Kurzweil. Een kastje met curiosa. Spectrum, 1992

Hilary Mantel. Een veiliger oord. Signatuur, 2014

Jeanette Winterson. Passie. Bert Bakker, 1991

Marianne is nog altijd het nationale embleem van de Franse Republiek die tijdens de Revolutie werd uitgeroepen: la Raison, la Liberté et la Republique.

Baron d’Holbach was een vertegenwoordiger van de Verlichting en atheïst. Zijn beruchte Systême de la Nature verscheen in 1770 en werd van hogerhand verboden. Als maître d’hotel van de Franse filosofie verleende de welgestelde wetenschapper steun aan rebelse schrijvers en ontving hij geestverwanten bij hem thuis, waaronder Diderot en Rousseau. Hieronder volgen enkele Nederlandse vertalingen van zijn werk, afkomstig van https://verbodengeschriften.nl/html/baron-dholbach-uit-le-bon-sens.html en https://verbodengeschriften.nl/html/het-christendom-ontsluierd.html

 

Variatie op Romeinen 8:18: Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.

 

 

De zus van Castor en Pollux was de schone Helena. Haar ontvoering was aanleiding voor de vorming van een alliantie van Griekse staten om Troje te vernietigen.
Met fellatio en cunnilingus wordt de causale relatie omgekeerd: doel wordt oorzaak. Bij intensieve orale bevrediging kan de spirituele ‘Pijl van de Tijd’ zelfs worden gekeerd.

Doelgerichte orale seksuele stimulatie komt algemeen voor bij mensen en is exclusief voor Homo sapiens (een rudimentaire handelswijze is alleen bij vleermuizen waargenomen). Verondersteld wordt dat het gedrag samenhangt met een specifieke cerebrale ontwikkeling van de hersenschors. Het intensiveert de seksuele drang en verhoogt daarmee de kans op bevruchting.