El Instituto 9           MOUSEION

 

 

The past, mister Bolt, what do you think of the past?

   Het verleden. Hemeltje. Dat hing er maar helemaal van af hoe ver je terugging in de tijd. Uit analyses van recente gebeurtenissen kon je misschien iets zeggen over morgen, maar verder terug... niemand weet hoe het werkelijke gegaan is, al wat rest zijn hypotheses.

   Soms kun je beter zwijgen..   

 

 

Joachim Bolt laat zijn blikken glijden langs de objecten die in de lange galerij staan opgesteld. Hij is de enige aanwezige, geen levend wezen verder te bekennen. Tegen het licht in ziet hij het silhouet en reliëf van de beelden uit het verleden. De verbeelding van vroeger, daar houdt hij van. Beelden van het verleden. Wortels van NU.

   Terugkijkend door de gang, tegen het licht in, ziet hij het heden, ziet hij zichzelf.

   De toekomst en het verleden beginnen altijd precies gelijk, namelijk nu!

   Hij houdt niet van kunst, kunst kan hem gestolen worden. Wat hem aantrekt in die oude voorwerpen die hier staan uitgestald, is de weerspiegeling van de zielenroerselen en samenleving van de makers ervan. Die is niet anders als van hedendaagse kunstenaars – maak het zoals je vindt dat het moet worden – maar het product vormt telkens een nieuw fundament voor het volgende. Keer op keer. Het heden bestaat uit het totaal van verledens.

   Het grootste deel van de collectie, misschien wel alles, werd trouwens niet gemaakt uit sentimentele of reflectieve overwegingen, daarvan is Bolt overtuigd. Ooit waren het allemaal gebruiksvoorwerpen, hetzij voor huishoudelijke bezigheden zoals voedsel bereiden en opslaan, dan wel voor rituele doeleinden om alledaagse demonen te behagen. Voor de gemoedsrust. Religie noemen ze dat.

   De vitrines zijn gevuld met een eindeloze hoeveelheid keramiek, kruiken, potten, beeldjes, borden. Allemaal bewerkt met afbeeldingen van hetzelfde thema: de copulatie. Een vruchtbaar onderwerp, scheppen en herscheppen, de rest is ijdelheid.

   Die afbeeldingen lijken trouwens zo op elkaar dat ze door één en dezelfde persoon gemaakt zouden kunnen zijn.

   Bolts aandacht wordt getrokken door een levensgroot beeld van een hermafrodiet met een enorme erectie. ‘Rituele demon van de vruchtbaarheidscultuur’ leest hij op het bordje. Verderop staan er nog meer. Het lijkt hier wel een freakshow. Zonder aarzelen haalt Bolt een spuitbus tevoorschijn en plaatst een zwart balkje over de ogen van het beeld.

   Hij kan het niet laten.

   Hij zou zichzelf moeten beheersen maar soms kan hij het niet onderdrukken: de ergernis.

   Dat is mijn demon: een vurig paard dat zich losrukt en op hol slaat.

  

Het beeld is de enige levendige herinnering uit zijn vroege jeugd. De plaat hing achter de bar van ‘De Hitsige Hengst’. Als hij zich in de box omhoog trok, hing de plaat recht tegenover hem. Als hij op de schoot zat van een stamgast keek hij recht in het opgesperde paardenoog. Als hij spelend op de houten vloer werd omver gestoten door een haastige klant, dan viel zijn blik onveranderlijk op de getergde uitdrukking van het steigerende beest. Zijn vader moest altijd lachen om die uitdrukking: getergd. Het deed hem denken aan een afgeknepen pisbuis, ha ha ha! Zijn moeder vond dat grof maar toch moest ze lachen. Net als al die andere vrouwen. Moeders genoeg maar geen moederliefde. Zijn moeder was er voor iedereen behalve voor hemzelf. Zijn vader… Het snikhete eiland…

   Rillend schudt Bolt de plaaggeest van zich af en concentreert zich op zijn omgeving.     

   Wonderlijk dat je door het verleden kunt lopen zonder eraan te denken. Merkwaardig trouwens dat sommige vitrines gewoon open zijn. Je kunt het verleden zo in je zak stoppen.

   Als hij een doorgang passeert, bevindt hij zich opnieuw in een verlaten galerij. Maar deze is anders. Het enige licht is afkomstig van twee spots die zijn gericht op één van de wanden waardoor de verder lege ruimte in een schemerige gloed is gehuld. Ook de verlichte wand is donker, maar de duisternis is van een andere aard. Het is als glanzend antraciet, zowel brokkelig als glad, een naakte rotswand die is opgenomen in het interieur. De tijd staat stil. Vingerwijzing zonder vingers, schrifttekens zonder letters. Als hij er naartoe loopt ziet hij de tekens bewegen, alsof er water langs de wand stroomt. Maar het enige wat hij hoort is zijn eigen ademhaling. Het gesteente is zo droog als een kapot horloge. Hij wil de tekens aanraken maar dat wordt verhinderd door een afscheiding. Wel kijken maar aanraken niet, zegt het bordje. Oeroud jachttafereel? Samenwerking is de sleutel, zegt het bordje. Hij kan zijn ogen er niet van af houden. Zijn blik wordt de rots in gezogen.

 

Hij rukt zich los van het hypnotiserende tableau en keert terug naar de lange galerij. Tegenover de corridor bevindt zich een poort die toegang geeft tot een ruimte vol tafels waarop platte vitrines hun schatten tonen. Vooral langs de wanden staat een collectie uitgestald van schedeltjes en botjes, scherven en potjes, kleitabletten en inscripties… Plotseling kippenvel. De figuren op een platte steen vol krassen en putjes doen hem denken aan beelden uit de Almagest, een hellenistisch astronomieboek uit het begin van onze jaartelling. De meeste putjes vormen een grote boog. Er tegenover zit een groepje van zeven (Plejaden?). Verschillende lijnen lopen vanuit een punt onder de boog. Een korte lijn staat daar dwars op en vanuit een snijpunt loopt weer een lijn naar de rand van het tablet. Volgens de toelichting zijn de krassen drie eeuwen oud en is de betekenis waarschijnlijk van religieuze aard.

   Bolt zucht. Hij kijkt op zijn horloge. Tijd voor de hernieuwde kennismaking.

   Sinds zijn studententijd, jaren geleden, had hij Hazepad niet meer gezien. Ze hadden best veel met elkaar opgetrokken al volgden ze verschillende studies. Niet dat hijzelf ooit een diploma had gehaald, daarvoor was hij te wispelturig geweest en bovendien had hij nogal rigoureus zijn oude leventje vaarwel gezegd. Totdat hij vorige week zijn studiemakker in een opwelling had gebeld. Nou ja, niet echt een opwelling. Hij had Eriks doen en laten wel een beetje gevolgd, wist dat hij ondertussen iets bij El Instituto deed en herinnerde hem als iemand met een grote fascinatie voor tijd. Precies wat hij zocht.

   Terwijl hij, op weg naar de centrale hal, zich een weg baant langs het deel van de collectie dat afkomstig is uit de privé verzameling van de familie Meiggs, bekruipt hem het gevoel zélf deel uit te maken van de oudheidkundige kunstschatten. Eigenlijk was hij ook niets anders dan een interessant reliek in de herinnering van een ander. Werd hij door het verleden ingehaald?

 

 


 

 

In de schemering van de ondergaande zon keek Margarita uit over de haciënda van haar vader. Ze kon de helderste sterren al zien twinkelen en spoedig zou de volle maanschijf boven de purperen schaduwen van de Andes tevoorschijn komen. Haar vaders paarden, die hij het liefst zoveel mogelijk uit de weg ging, stonden dicht bijeen en bereidden zich met gebogen hoofd voor op de komende nachtrust. Het lome tafereel weerspiegelde haar berusting dat ze dit zou gaan missen.

   Er waren meerdere treinwagons nodig geweest om de gouden kunstvoorwerpen naar de kust te vervoeren. De waardevolle lading was inmiddels onderweg naar de Verenigde Staten en zij zou zelf spoedig volgen.

   Daarover had ze gemengde gevoelens. Enerzijds was ze erg gehecht aan de plek waar ze was opgegroeid, het ruige landschap en haar trotse bewoners. Aan de andere kant lokte dat land waar voor geld alles te koop was. En de rijkdom die haar wachtte zou ze goed weten te benutten. Wat dat betreft had haar vader al de nodige maatregelen genomen en zij hoefde zich alleen nog maar tot de juiste personen en instanties te wenden.

   De eerste manestralen verlichtten de bijgebouwen waar nog volop activiteit heerste. Ze zag Chamiku nog rondscharrelen op het erf. Margarita besefte dat ze de ‘kinderjuf’ waarschijnlijk het meest zou missen. Chamiku, die ze zo zoet gewroken had in de vissershut op het strand van San Lorenzo.

   Wel bizar hoe de krassen in het hout van die hut haar onbewust op het spoor hadden gezet van Haase’s graf. Als die schets niet in haar hoofd was blijven rondspoken, had ze tijdens haar zwerftochten over het eiland die rotsspleet waarschijnlijk niet opgemerkt. Daarachter had ze de ruïnes aangetroffen van wat leek op een soort tombe. Met enige moeite had ze zich langs een opening naar binnen gewurmd. Doordat de holte in de steenstapeling aan de bovenzijde vrij breed was, zag ze direct de keramieken urn en kon ze de inscripties in de grafkamer lezen. Ze was bang geweest dat de urn vol as zat maar tot haar verbazing was hij gevuld geweest met manuscripten.

   Waaronder de kaart.

   Natuurlijk had ze de documenten zorgvuldig bestudeerd. Helaas kon ze de taal niet lezen maar ze herkende zijn naam: Theodoor Haase. De kaart had ze gekopieerd voordat ze hem samen met de manuscripten aan de bibliotheek had overgedragen. Daar werkte een professor die er bijzonder blij mee was. Deze geleerde was evenmin te beroerd geweest om haar in te wijden in Haase’s fundamenten van een ideale wereld, zoals hij die had beschreven in de documenten. Over zijn ‘kring van utopisten’. Over el Instituto.

   Met de replica van de plattegrond was ze naar haar vader gegaan. Die genoot niet alleen van zijn dochters geestdrift maar kreeg zelf algauw zoveel belangstelling dat hij haar hielp met het organiseren van een expeditie. Onder de grootste geheimhouding, zonder dat de rest van de familie op de hoogte was, werd een onderneming op touw gezet om met behulp van de kaart de mogelijke nalatenschap te vinden van de vermaarde Gouden Man, El Hombre Dorado.

   Terwijl Margarita omhoog keek en zag hoe het sterrenlicht werd gebleekt door het schijnsel van de rijzende maan hoorde ze vanuit de kraal het gedempte gezang van een paardenjongen.

   esta noche las estrellas se ven muy diferentes

   Volgens de 16e eeuwse legende bewezen de oorspronkelijke Muisca indianen regelmatig rituele eer aan hun zonnegod. Voorgegaan door de hogepriester die zichzelf geheel met goudstof had bedekt (de vergulde) wierpen ze de prachtigste gouden snuisterijen, versierd met smaragd en jade in de kratermeren.

   Hoewel deze rituelen volgens de overlevering veel noordelijker zouden hebben plaatsgevonden dan de aangegeven locatie op Haase’s kaart, wilde Margerita’s vader wel een gokje wagen. Tenslotte had hij een reputatie hoog te houden en bovendien was de legendarische schat nooit gevonden. Wie niet waagt, die niet wint.

   Dat het waagstuk hem geen windeieren had opgeleverd, betekende voor Margarita werk aan de winkel. Als tegenprestatie voor zijn risicovolle investering zou zij een paar ludieke zaakjes voor hem regelen met een zekere Mr. Gould in San Fransisco. Naast het verzekeren en beleggen van de bijkans grenzeloze aanwas aan rijkdom ging het haar toch vooral om het verwezenlijken van de plannen waar ze al enige tijd mee rondliep. Haase’s kring, el Instituto, was een grandioze opstap. Zelf had ze een paar namen van haar vader meegekregen: Flagler, Harkness en natuurlijk Flint. En ze had pas iets gelezen over een succesvolle uitvinder met de naam Charles Brush. Allemaal mannen met geld, connecties en wellicht enig idealisme. Dat leken haar voorlopig voldoende opties om het oorspronkelijke circuit van Theodoor Haase nieuw leven in te blazen.

   De enorme bal was inmiddels in volle glorie boven de bergkam verrezen en zette het landschap in een feeëriek schijnsel. Zowel zonderling als huiveringwekkend. Het grootste geheim, dat al werd de rijzende maan steeds kleiner het toch even licht bleef, had Chamiku haar verklapt. Die maan werd helemaal niet kleiner, dat leek alleen maar zo. De dingen zijn niet altijd wat ze lijken.

   Chamiku was haar moeder. Dat wist ze zeker. Eigenlijk kon het haar niet schelen of haar vader wist dat zij dat wist. Het zou helemaal niets uitmaken. Altijd zou ze door het ‘kindermeisje’ liefdevol zijn opgevoed, ook al had haar echte moeder haar gebaard. Wat deed het er dus toe? Sommige mensen konden daar zó sentimenteel over doen. Haar moeder had haar in elk geval meer meegegeven dan alleen mitochondriaal DNA.

 

 



 

 

Als Erik Hazepad ’s nachts arriveert op Jorge Chavez, de internationale luchthaven van Peru, is hij geradbraakt. Zijn voornemen om zich tijdens de non-stop vlucht te ontspannen, was meedogenloos de grond in geboord door uitgelaten voetbalsupporters, een praatziek echtpaar dat hem gesmeekt had tussen hen in plaats te willen nemen omdat de man liever aan het gangpad zat en zij bij het raampje, en een onophoudelijk krijsende baby die hij niet kon zien maar horen des te meer.

   Als hij eindelijk de uitgang van de aankomsthal heeft bereikt, wordt hij bestormd door taxichauffeurs maar hij heeft zijn zinnen gezet op de bus en wimpelt ze genadeloos af. Hij weet de weg, heeft zich van te voren terdege op de hoogte gesteld, de bus naar zijn hotel in Miraflores vertrekt om zes uur. Ondanks zijn vermoeidheid wordt hij bewogen door rusteloosheid. Van slapen zal wel niet veel komen, vandaag. Jetlag.

   Het is nog pikdonker, zo voor zonsopgang. The darkest hour is always just before the dawn jengelt het door zijn hoofd. Crosby…, Stills…?

   Eenmaal in de bus gezeten valt hij nog bijna in slaap. Maar gelukkig net niet. Hij is er al, hier moet hij er uit. De lucht is koel, de sterren stralen, de straten zijn stil. Zoals gewoonlijk probeert hij in het firmament een bekende constellatie te ontdekken maar geeft het op. The stars look very different today.

   Bij het hotel aangekomen blijkt de voordeur gesloten. Herhaaldelijk bellen heeft pas resultaat als het licht begint te worden. Opkomend ongenoegen wordt gedempt door de onstuimige indruk die een onbekende omgeving altijd op hem maakt en de receptioniste is allercharmantst. Ze overhandigt hem zijn kamersleutel met de liefste glimlach die hij zich kan herinneren. In de lift wordt hij overweldigd door haar zalige geur. Als ze hem voorgaat in zijn kamer wil hij nog maar één ding. Naar bed.

   In de spiegel ziet hij een verkreukelde gestalte. De spleetogen achter het donkere montuur een slaan afwijzende blik op de verwarde zwarte haardos. Hij komt tot zichzelf.

   De geruisloze intimiteit van de kamer, de weldadige streling van de lakens en zijn mentale matheid vormen een ideale combinatie. Hij valt onmiddellijk in slaap en wordt pas in de middag wakker, nog ruim op tijd voor zijn afspraak met Bolt maar heel anders dan hij deze uren in Lima had willen doorbrengen. In plaats daarvan had hij gedroomd van zijn schooltijd. De leswijziging die hij was vergeten en de reprimande van zijn lievelingsdocent die daarvan het gevolg was geweest. Hij herinnerde zich vooral de opgewonden spanning voor de pauze, de geheime afspraak met een paar klasgenoten, de overtreding van het rookverbod.  

   Stiekem een sigaretje roken.

  

Diezelfde namiddag dwaalt Joachim langs de historische taferelen in de centrale hal van het Peruaanse Archeon. De uitgebeelde seksuele verbondenheid van de Matsés met hun leefomgeving en familie windt hem op. Het aanstippen van lichaamsopeningen met kikkerslijm spreekt hem niet zo aan, maar dat de mannen elkaar met een rietje tabakspoeder in de neus blazen wekt een sterk verlangen in hem op.

   Hoe lang was het weer geleden? Peinzend loopt hij in de richting van de uitgang. Onwillekeurig gaan zijn gedachten naar Hazepad. De oude welteverstaan, Eriks vader. Die man was zo’n magistrale muzikant geweest dat hij hem, Joachim, voor het eerst van zijn leven kleuren had laten zien. Alleen door op zijn fluit te blazen. En hij had hem leren roken. Dat ook.

   De gedachtenis aan die keer dat hij, eigenlijk uit nieuwsgierigheid, in zijn eentje het concert van Eriks vader had bezocht, is grotendeels gehuld in psychedelische wolkenflarden en zwarte gaten. Hij was daar en hij was er ook niet. Het was als zwart-wit, hoe leg je uit hoe dat smaakt? Hoe beschrijf je een kleur die niemand kent? Het is of je reikt naar een hologram. Ongrijpbaar.

   Kolkend verlangen en melancholie. Er was iets gebeurd … schimmige beelden van later die avond. Er werd gevochten. Hij had bemind. Eriks vader was zijn vader geweest. En ineens verdwenen.

   Het plotselinge besef dat je alles wéét. Wakker worden op een grauwe sofa. Alles weg.   

   

Schokschouderend steekt Joachim in het rokershol bij de vestibule een peuk op en inhaleert diep. Het genoegen van de mentale kick is van korte duur. Zijn droge keel schreeuwt om verkoeling. Binnen heeft hij een restauratie gezien.

   Daar zullen ze zeker ijs serveren.

Als hij de centrale hal opnieuw doorkruist, ziet hij vanuit zijn ooghoeken dat Erik Hazepad is gearriveerd en belangstellend een collectie keramische kikkers staat te bekijken. Bolt wendt zich af. Hij wordt bevangen door een gevoel van onzekerheid. Dan herstelt hij zich. Hij draait zich naar Erik terwijl hij een stenen kleinood uit zijn zak pakt. Met uitgestoken hand loopt hij zijn oude studievriend tegemoet.

   “Ha die Haas.” Hij overhandigt hem een klein vrouwenbeeldje met de woorden:

   “Pacha’s mama. Vierduizend jaar oud.”

   Eriks blik gaat van het kleinood in zijn hand naar de geloken ogen en ostentatieve neusgaten tegenover hem. Het lange gezicht is dikker geworden maar de tergende grijns nog hetzelfde. Zijn vroegere studiemaat is nauwelijks veranderd.

   “Man, dat kan je niet maken! “

   Joachim kijkt hem vermakelijk aan. “Op jouw bureau komt het beter tot zijn recht dan in een stoffig museum.” Hij houdt zijn adem in. “De dood als zin van het bestaan.”

   “Inderdaad,” Erik glimlacht, “zonder dood geen evolutie. De ontwikkelingsgeschiedenis van het leven bij de gratie van haar vergankelijkheid.”

   “Mensen houden niet van dood,” snuift Joachim laatdunkend, “mensen houden meer van God dan van de evolutie.”

   Erik kijkt hem onderzoekend aan. Gelooft hij dat nou zelf? Of juist niet?

   “De geschiedenis die hier getoond wordt,” met een wijds armgebaar betrekt Joachim de hen omringende oudheidkundige collectie in zijn betoog, “is misschien ook wel verzonnen. Was jij erbij? Dat die culturen vroeger echt bestaan hebben, dat moeten we maar geloven. Maar waarom eigenlijk?”

   “Omdat de wetenschap … “ probeert Erik voorzichtig.

   “Geleerden zijn het vaak oneens,” valt Joachim hem in de rede. Hij vervolgt: “Dit museum staat wellicht vol kunstschatten die hooguit honderd jaar oud zijn. Het waarheidsgehalte van deze brochure is niet groter als dat van de Bijbel of de Bharata.”

   “Dan. Niet groter dan.”

   “Wat … ? ”

   Er gebeurt iets verontrustends onder zijn voeten maar hij is zo in de ban van zijn eigen gedachten dat hij het niet merkt.

   “Je bent wie je bent door wat er werkelijk is gebeurd. Niet door wat anderen BEWEREN dat er is gebeurd!”

   Een zingende galm glijdt door de hal en even lijken ze te zweven. Ploffende stofwolkjes hebben nu ook Joachims aandacht getrokken.

   De plafondhoge blusinstallatie treedt in werking.

   Dromen duren luttele seconden, de droomtijd een eeuwigheid.

   Erik laat zich plat op de grond vallen.

   Bolt schreeuwt:

   “De waarheid is … ”

   Op dat moment klinkt er vanuit de catacomben een oorverdovende knal. Een brede scheur schiet als een bliksemschicht door de glanzende plavuizenvloer van de centrale hal en scheidt de mannen van het hart van de zaal. Daar, waar het pronkstuk van de pre-Peruviaanse Mayoruna cultuur als voornaamste blikvanger van de expositie had gefungeerd, gaapt nu een groot gat, omringd door gekantelde en scheefgezakte vitrinekasten vol opeengestapelde kikkers, alsof ze met een welhaast wanhopig doch vruchteloos paringsritueel de aardverschuiving hadden willen bezweren.

    

 



 

 

In een heel andere tijd en aan de andere kant van de wereld zocht een dichter inspiratie langs de oevers van La Bonnelle, een zijriviertje van de Marne, toen hij in de verte een exotisch uitgedoste ruiter te paard zag naderen.

   Tis een vreemd’ling zeker, die verdwaald is zeker. ‘Kzal eens even vragen naar zijn naam.

   Toen de Zuiderling hem dicht genoeg genaderd was, bleek deze gelukkig de taal voldoende meester te zijn.

“Salum aleikum. Mijn naam is Salah Marouni. Is daar Langres?” Hij wees in de richting van de stadsmuren waarachter de torens van de kathedraal oprezen.

  Op enige afstand daarvandaan, langs het Lac de la Liez, bevond zich op dat moment een in een lange witte pij gehulde monnik die het scherm van een geheel niet in die tijd passende televiewer bestudeerde. Het beeld, dat kennelijk iets eerder was opgenomen, toonde een ruiter te paard en leek wel op een scene uit een Amerikaanse western. Maar het landschap was onmiskenbaar Europees, met de 12e eeuwse kathedraal Saint-Mammès in de verte. Tevreden mompelt de witte jurk in zijn kap:

   “Het is precies zoals te verwachten viel. Geen wonder. Het is immers allemaal al gebeurd.”