El Instituto 1           MISDIENARENDROOM

 

 

Daer is één pleck op dees aartcloot waer ick sterven sal en dood syn

Op dat yland van Sint Laurens sal myn letsten rustpleck syn

 

 

Isla San Lorenzo. Volgens Theodoor Haase het paradijs op aarde. In de tijd dat de Europeanen het bestaan van Amerika nog niet kenden, begroeven de Inca’s er hun koningen. De rotsformaties toonden een landschap zonder fratsen, dat wil zeggen zonder de weelderige vegetatie die sinds mensenheugenis de hellingen van het vaste land bedekte. Onberoerd door de tijd behield het eilandje voor de kust van Lima zijn strenge uitstraling.

   Als een Cisterciënzer klooster.

   Het was er goed vissen. Uitwerpselen van zeeleeuwen, pinguïns en pelikanen bedekten de rotsachtige bodem. Gebrek aan zoet water had mensen ervan weerhouden om zich er permanent te vestigen. Alleen de doden bleven achter op dit boomloze kerkhof. En een enkele zonderling.

   De Britse natuurvorser Darwin bezocht het eiland tijdens zijn reis met de Beagle en verbleef enige tijd op de plek waar Haase in het begin van de achttiende eeuw zijn nederzetting had gebouwd. Het lege huis en de kleine tuin werden nog steeds onderhouden door de lokale vissers. Zwijgzame mannen die er soms overnachtten vanwege het vergaarbekken dat Haase had aangelegd en waarin altijd wel wat regenwater stond. Ze bezochten de plek omdat het huis aangename beschutting bood als ze op de veranda hun gebakken visjes aten en bij zonsondergang genoten van het uitzicht op de baai en de hellingen van de Andes in de verte.

   Spaanse kolonisten hadden nooit veel waardering getoond voor schoonheid, noch die van de natuur noch die van een niet-katholieke cultuur. Theodoor Haase was echter van Nederlandse origine. Nou stonden die botte Hollanders ook niet bekend als traditionele voorvechters van het werelderfgoed – een begrip dat pas na de tweede wereldoorlog in de twintigste eeuw, toen de beschikbare wereldbol zienderogen begon te krimpen, werd geïntroduceerd – maar Theodoor was Vlaming, én romanticus.

   Een uitputtende maar vergeefse zoektocht naar het paradijs op aarde had hem naar het land van el hombre dorado gebracht. Lijdzaam had hij zich gevestigd in de omgeving van Lima waar hij de rest van zijn leven doorbracht als welgestelde kluizenaar en vriendelijke kolonist. Men vond hem innemend maar ook ongenaakbaar zodat niemand hem uit de weg ging maar ook niet uit eigen beweging opzocht. Hij was begaan met het lot van de oorspronkelijke bewoners van Lima, die door de meeste Europeanen als tweederangs burgers werden behandeld. Tegelijkertijd was hij een welgestelde volksplanter die het aan niets ontbrak.

   Spiritueel leidde hij een dubbelleven. Enerzijds de vrome zonderling die zijn lot bepaald zag door een Christelijke God, anderzijds een onafhankelijk zoeker naar de Waarheid in heidense mystieke fantasieën. Hij zal 2 of 3 jaar oud geweest zijn toen de ‘zoete fee’ zich voor het eerst aan hem openbaarde. Lonkend, in al haar zachtheid, vanaf haar stenen troon. In haar verenigde zich zijn doodsverlangen en ultieme seksuele hoogtepunt. De zoete fee had hem in haar ban. Tegelijkertijd was hij bang om zijn libido te verliezen. Zijn leven lang zou hij zich verzetten tegen het lokkende voorgeborchte van de moederkut. De ingeprente vrees voor een goddelijke afwijzing van zijn aanspraak op een plekje in de hemel was te groot.

 

Theodoor Haase. De zoveelste speelbal in Gods flipperkast. Zijn persoontje zou in de anonimiteit van de geschiedenis zijn verdwenen, ware het niet dat door een samenloop van omstandigheden de onnozele romanticus en onbeduidende zakenman op termijn een sleutelrol zou gaan spelen in de wereldgeschiedenis. Ongeveer zoals Angela Malerba, wier naam alleen nog in de historische analen voorkomt omdat Napoleon Bonaparte haar kleinzoon was.

   Ongeveer. Want de erfenis van de man die de eerste prikkel gaf tot de oprichting van El Instituto is heel wat minder bekend dan die van de kleine korporaal.

   In het verborgene zou Het Instituut echter van doorslaggevende betekenis zijn voor de verdere loop der gebeurtenissen.

 

Geboren in Antwerpen als enig kind van een succesvolle en desondanks gerespecteerde reder en regent leek Theodoor Haase voorbestemd om in de sporen van zijn autoritaire vader te treden.

   Zijn vader. Een man van aanzien. Stelde hem geregeld op de proef maar liet hem nooit in zijn eentje de kastanjes uit het vuur halen. Aan de hand van de immer met een lakense cape omhulde scheepsmagnaat voelde de jongen zich trots en geborgen. Als hij later groot was, wilde hij ook zo zijn.

   Evenals zijn verwekker beschikte Theodoor over een natuurlijke charme waardoor hij iedereen onmiddellijk voor zich innam. Van jongs af aan vergezelde hij zijn vader, zowel naar het Godshuis als naar het handelskantoor aan de haven, waardoor hij al snel tot de slotsom kwam dat de zin van het leven bestond uit arglistig onderhandelen en vrome toewijding.

   Hij blonk spoedig uit in beide.

   Maar soms kriebelde het. Dan beklemde hem een onvrede die hij niet goed duiden kon. Als hij op heldere dagen uitkeek over de rede van de Scheldestad werd hij soms overvallen door een gevoel van haat. Dan verfoeide hij de voorspelbare voortzetting van zijn brave jongensjaren. Als hij rondzwierf tussen de barakken bij de haven welde af en toe verlangen op om dingen stuk te maken. Dan schrok hij van het ontzag op de gezichten van zijn vaders lossers en laders als ze hem ontwaarden tussen de kisten en vaten op de kade. Dan voelde hij zich betrapt al had hij niets gedaan.

   Hoe zeker was hij eigenlijk van zijn toekomst?

   De rituele spelregels voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst drukten op zijn geweten. Soms verdacht hij zijn vader van schraperigheid. Ze waren rijk genoeg, over de toekomst hoefde ze zich geen zorgen te maken, waarom dan toch altijd het onderste uit de kan?

   De plaats van handeling, meestal een benauwd en somber kantoortje, begon hem tegen te staan. Steeds meer voelde hij zich verwant met de aanmonsterende zeelieden, die per slot van rekening voor het ruime sop gekomen waren. Zijn heimelijke bewondering voor die vrijheidshelden kon hij maar met moeite onderdrukken. Bedeesd was hij getuige van de transacties in de duistere krochten van de bedompte pakhuizen. Niet zelden gelegen aan een nauw straatje waar een frisse wind weinig kans maakte om de lauwe strontlucht tussen de hoge gevels te verdrijven.

   Was dit het decor voor de rest van zijn leven?

   Liever liep hij over de kade. Wandelend langs de Schelde. Mijmerend onder de wolkenluchten.

   Kinderen rondom het havengebied bemoeiden zich niet met hem. Ze wantrouwden zijn frisse verschijning. Te netjes gekleed, hij stonk niet eens. Ze waren niet bang voor hem – als hij wat zei klonk het vriendelijk, innemend zelfs – maar dat wekte juist hun argwaan. Ze lieten hem met rust, zochten zeker geen toenadering.

   Eenzaam was hij niet, hij had genoeg aan zichzelf.

   Zijn vader nam hem wel eens mee naar een zakenrelatie met een zoon van Theodoors leeftijd. De eerste kennismaking had de jongen in verwarring gebracht toen hij merkte dat hij werd gekoeioneerd en als een indringer werd beschouwd. Het bevestigde zijn vermoeden dat zijn leeftijdgenoten hem niet moesten, als een vuilgestelde uit de leprozerie. Hij vermeed zoveel mogelijk elk contact met andere jongens, gaf de voorkeur aan eigenzinnige zwerftochten, langs veld en dreef en in zijn hoofd.

   Hij vroeg zich af waarom men in heiligdommen zoals de kerk of zijn vaders kabinet de voorkeur gaf aan walmende kaarsen boven stralend zonlicht. Het verhullende karakter van de duisternis woog tenslotte niet op tegen het ware gezicht Gods, zo meende de jongen naïef maar oprecht.

   De alomtegenwoordige schemering en de bedompte luchten binnenshuis dreven hem geregeld naar de buitenplaatsen waar hij uren kon rondhangen langs de oevers van de rivier. Ongehinderd door het gejakker en gekrioel, het  gegrom en geraas van hondenkarren, van bedelmonniken, van paard-en-wagens, van visventers die in de smalle straatjes van het stadscentrum luidkeels hun riekende waar aanprezen, van hongerige kinderen op zoek naar iets eetbaars in de goot, ongehinderd door al dat grootstedelijk straatrumoer rende hij langs het open water en genoot van de landelijke weidsheid. Vaak was het winderig en motregende het. Maar de lucht was hier tenminste niet bezwangerd met kakdampen die opstegen uit de open riolen langs de gevels. Waar lamme zatlappen en ratten vochten om een uitgebraakte korst met een zweem van eetbaarheid. Hier traanden zijn ogen niet door de vettige rook die op vochtige dagen tussen de huizen bleef hangen; hier traanden zijn ogen door de ontroering die de voortsnellende wolken en het klotsende water in hem opwekten.

   Dan kon hij springen en dansen als een losgeslagen taliereep in de aanwakkerende wind.

   Ook bij rustig weer vervulde de vrijheid van het open veld hem met hernieuwde levenslust. In het licht van de lage zon kreeg het water van de Schelde een paarse glans en de zeewind boetseerde rossige kopjes op het oppervlak. Hij sprong over sloten en struinde door het drassige land. De gedachte dat hij deed wat niet mocht, wond hem op. Hij beet op zijn wang en proefde de metallische tinteling op zijn tong. Oh, hij haatte zijn vader. En zijn moeder?

   Volgens zijn vader was er maar één moeder, Moeder Maria, de moeder van God. Zijn eigen moeder was voor de dagelijkse rompslomp. Zij veegde de vloer van zijn vaders kantoor, zij kookte hun eten, zij verstelde hun kleed. Toen hij klein was knuffelde ze hem wel eens. Zijn moeder was handig, lief en afstandelijk. Als een terreinknecht, onmisbaar maar op de achtergrond, zoals het hoorde.

   De Vlaamse burgerlijkheid beknelde de jonge Theodoor als het wollen ondergoed dat zijn moeder elke week vol huiselijke toewijding schrobde in haar tobbe. De geborgenheid schrijnde en jeukte als hij langs de Schelde holde zodat hij al zijn kleren wel zou willen uitgooien. Maar de status van zijn warme manteltje belette hem om zichzelf te zijn.

   Als hij terugkeerde op zijn dagelijkse schreden werd hij geplaagd door schaamte. Dankbaar zou hij moeten zijn, in plaats van zo balorig. Dankbaar voor de zorgzame aandacht die hem ten deel viel. Dankbaar dat hij gedoopt was, dat hij een kind Gods was en dat hem een plaats wachtte in Zijn eeuwige hemelrijk (mits hij regelmatig te biecht ging).

   Het waren bekende bezweringen, maar die simpele woorden hielden hem wel in het gareel.

 

Op één van zijn langere omzwervingen door het rivierenland merkte Theodoor plotseling dat hij midden in een park stond. Vermoedelijk was hij in de tuin van een nabijgelegen abdij beland. Hij was zo in gedachten verzonken geweest dat de gecultiveerde omgeving hem niet direct was opgevallen. Een langgerekte pauwenkreet had hem uit zijn mijmeringen gewekt. Het modderige pad was hier met zand bestrooid en in plaats van het her en der verspreide struikgewas zag hij hoge en goed onderhouden hagen. Op een heuvelachtige verhoging halverwege het gazon stond de imposante pauwenhaan in al zijn pracht. Was dit het hof van Eden?  

   Vanachter een reusachtige populier trad een witte gedaante tevoorschijn. Terwijl hij op hem toeliep zag Theodoor dat hij het witte habijt van de Cisterciënzer orde droeg. De jonge kloosterling zag er een beetje vreemd uit.

   Met een glimlach keek de novice hem aan en sprak de gedenkwaardige woorden:

   “De visser prikt een knoopsgat en zijn kussen wordt bedekt met scherpe tanden.”

   Een schaduw gleed over zijn glimlach. Met opgewonden weerzin gromde hij:

   “Ze heeft de kop er levend afgebeten.”  

   Theodoor dacht dat hij hem verkeerd had verstaan. Hij wilde net vragen wat de novice bedoelde toen deze naar het struikgewas wees met de kreet “Een pad! Hij kiest ’t hazenpad”, en zich op handen en voeten in aangewezen richting verwijderde.

   Meer had Theodoor niet nodig. Het platte gezicht en de brede mond met dikke lippen waren hem al opgevallen. Dit was duidelijk een idioot. Teleurgesteld keerde hij terug op zijn schreden, de mongool achterlatend in zijn eigen gedroomde paradijs.

   In de verte klonk de aankondiging van het Angelus.

 

 

 


 

 

 

Erik Hazepad buigt zich over de vitrinekast met keramische amfibieën in het Museo Larco in Lima en vraagt zich verwonderd af waarom dit oeroude handwerk hem doet denken aan de beeldjes die hij in Azië heeft gezien.

   Kijk ik hier naar een voorbeeld van interculturele beïnvloeding (en hoe heeft die ooit kunnen plaatsvinden) of zijn dit gewoon archetypische kunstvormen?

   Terwijl hij rondwandelt in dit heiligdom vol oudheden raadpleegt hij voortdurend zijn horloge. Hij gaat iemand ontmoeten van wie hij eeuwen niets meer gehoord heeft. Joachim Bolt.  Hoe noemden ze hem ook weer? Kwaker? Kikker? Bolt, met wie hij vroeger altijd ging stappen (en die mogelijk zijn meisje heeft gekaapt), werkt tegenwoordig als redacteur bij een oudheidkundig tijdschrift. Hij heeft hem gevraagd naar Lima te komen om de nalatenschap van een zekere Theodoor Haase te onderzoeken. En misschien nog wel meer.

 

Toeval? Erik is op geen enkele manier gelovig, maar deze hereniging is wel een buitengewone samenloop van omstandigheden. Het rare telefoontje dat hij nog maar een week geleden per ongeluk (?) heeft weggedrukt – juist als hij een boek van Giep Franzen over motivatie zit door te bladeren – wordt later die avond herhaald. Natuurlijk heeft hij het karakteristieke stemgeluid van zijn vroegere studiegenoot herkend, maar hij is zo geschrokken om die na jaren weer te horen dat hij de verbinding opnieuw (per ongeluk?) heeft verbroken. Bolt was destijds van de ene op de andere dag verdwenen. Net als Mandy. De gedachte aan vroeger overvalt hem met een intens gevoel van verlatenheid. Ze hadden hem in de steek gelaten. Had hij hun nagedachtenis niet voor eeuwig verdoemd?

   Nieuwsgierigheid en professionele belangstelling hebben zijn haat echter verschrompeld tot een rekwisiet dat niet meer aandringt. Hij belt terug. Al snel gaat het gesprek over hun dagelijkse bezigheden. Als Joachim – hij noemt zichzelf tegenwoordig Jason – hem vertelt over zijn connecties met een archeologisch onderzoeksteam in Brussel, begint bij Erik de euforie door te breken. Hij heeft de documenten uit Haase’s graf op San Lorenzo net gelezen en zit nu ongegeneerd uiteen te zetten hoe hij de wortels van El Instituto meent te kunnen blootleggen. Joachim, Jason, vertelt hem op zijn beurt over de opgravingen in Pachacamac en zodra Erik en passant el hombre dorado noemt, stelt Jason hem voor om naar Lima te komen.  

 

Terwijl Erik door de vrijwel verlaten zalen slentert, herkent hij met een schok de afgewende gestalte tussen de talrijke uitstalkasten gevuld met erotisch keramiek. Alsof hij voelt dat Erik hem ontdekt heeft, draait Bolt zich om. Hij is geen steek veranderd. Met uitgestoken hand komt hij naar hem toe en overhandigt hem kwakend een klein vrouwenbeeldje:

   “Pacha’s mama. Vierduizend jaar oud.”

 

 

 


 

 

 

Naarmate Theodoor ouder werd, maakte hij zich geleidelijk los uit de leidsels van zijn strenge maar bedachtzame vader. Het marchanderen werd helemaal aan hem toevertrouwd zodat zijn vader zich volledig kon bezighouden met de tegenvallende scheepsexploitatie. Kapers en schipbreuk hadden gezorgd voor ernstige verliezen en de schulden liepen op.

   Ondertussen ging hij steeds meer zijn eigen gang. Aangetrokken door de charme van jonge artiesten had Theodoor zich in zijn vrije tijd onledig gehouden met de kunsthandel en als impresario vertegenwoordigde hij een stel veelbelovende muzikanten. Zijn grootste bewondering ging uit naar het lieftallige zangeresje dat onder begeleiding van haar Portugese echtgenoot Emanuel, die het klavecimbel bespeelde, zelfgeschreven liederen ten gehore bracht. Hij verkocht hun bladmuziek in kringen waar de jonge freules als vanzelfsprekend muziekonderwijs genoten.

   Te midden van zijn artistieke vriendenkring voelde Theodoor zich op zijn plaats. Hun behuizingen waren net zo somber als alle andere in de stad, maar hij verkoos hun lichtzinnige bandeloosheid en libertijnse sympathieën boven de kille degelijkheid van de kooplui en kruideniers uit zijn eigen milieu. Onweerstaanbaar werd hij aangetrokken door hun uitingen van kritiek op de hem vertrouwde en zelfingenomen bourgeoisie (waar hij zelf toe behoorde). Hij ontmoette vrijzinnige geesten in gelegenheden waar de muziek anders klonk dan hij gewend was en waar de kostgangers ongebruikelijke kleding droegen. Vaak waren het etablissementen in de buurt van de haven, die door buitenlandse zeevaarders werden bezocht. De eerste keer was hij slechts uit nieuwsgierigheid een dergelijke gelegenheid binnengegaan maar zijn entree in deze kringen zou zijn leven een drastische wending geven.

   De openhartigheid waarmee sommige kroeggangers het gezag van de heilige kerk aan de kaak stelden, schokte hem. Tegelijkertijd werd hij geboeid door hun manier van argumenteren. Hij herkende de charmante overredingskracht van enkele cafébezoekers als ze andere aanwezigen trachtten te overtuigen van hun gelijk of ongelijk (dat deed er eigenlijk niet toe). Het was precies dezelfde charme waarmee hijzelf eenvoudigweg een goede koop sloot! Het deed er niet toe of je een partij Frans porselein aanprees of een verlichte opvatting . Als je het maar ernst was. Hier voelde hij zich echt thuis.

   Het duurde even voor hij in de gaten kreeg dat de meeste aanwezigen lid waren van een gilde. Er waren gildes van schilders, van beeldhouwers, muzikanten of dichters, maar de leden leken geen van allen tevreden met hun sociale positie. Het waren allemaal gewaardeerde kunstenaars maar hun opdrachtgevers hadden geen idee van hun heimelijke verlangens. In hardvochtige bewoordingen gaven sommigen blijk van hun maatschappelijke onvrede. Deze raddraaiers beklaagden zich over de beknotting van hun persoonlijke vrijheid door de burgerlijke ‘fatsoenregeltjes’. Ze werden niet tegengesproken.

   Deze hang naar ongebondenheid prikkelde Theodoors sluimerende verlangen naar iets waar hij nog geen naam voor had. Dat onbestemde gevoel dreef hem steeds vaker naar de ateliers en etablissementen waar de ‘artiesten’ samenkwamen.

   Dat bleef niet onopgemerkt.

   Zelf had hij geen artistieke ambities. Hij was zich ooit te buiten gegaan aan wat aanstellerige rijmelarij en bij wijze van tijdverdrijf tekende hij nog altijd de houterige poppetjes uit zijn kindertijd. Alleen zijn deelname aan het koor, het zingen van de liturgische gezangen toen hij nog misdienaar was, had hem bevrediging gegeven.

   Zijn gebrek aan kunstvaardigheid was niemand ontgaan. Een achterdochtige steenhouwer had hem zelfs beschuldigd van spionage voor de stadsarchivaris. Maar dat werd door niemand serieus genomen. De meesten gingen hem, mede door hun eigengereide zelfverzekerdheid, niet uit de weg. Hij werd gedoogd. Bovendien was zijn commerciële talent ook doorgedrongen in de obscure havenkroegen en maakte men maar al te graag gebruik van zijn handelsgeest.

 

Door zijn regelmatige kroegbezoek raakte Theodoor in een persoonlijk conflict. Enerzijds genoot hij van het gezelschap van zijn vrienden die op hun beurt graag gebruik maakten van zijn commerciële gaven, anderzijds begon de sleur van het zakendoen hem steeds meer tegen te staan. Het marchanderen ging hem te gemakkelijk af, het was een soort vanzelfsprekendheid geworden. Nauwelijks hoefde hij er nog bij na te denken hoe hij onwillige (ver)kopers de baas kon zijn en boekhouden had hem altijd al verveeld.

   Het vermoeden dat God grotere plannen met hem had, knaagde aan zijn ziel. Zijn vader had altijd het volste vertrouwen in hem gehad, maar het begon op te vallen dat hij foutjes maakte. Het schipperen liet hij soms na waardoor een financieel voordeeltje de mist in ging. Dan werd hij op het matje geroepen om zich tegenover zijn vader verantwoorden. Of hij maar wilde uitleggen waarom door zijn toedoen, of liever, door zijn verzuim, een gunstige handelstransactie was mislukt.  

   Daar kwam nog bij dat de gezondheid van zijn vader sterk achteruitging. Gaandeweg was de aan lager wal geraakte reder overgeleverd aan de (medische) zorgen van zijn vrouw en zijn zoon. Ontstekingen teisterden zijn lichaam, hij takelde zienderogen af. Van de chirurgijn – die tevens huisvriend was – had de familie een kruidenpasta gekregen om de zweren te behandelen. Niemand vond het leuk om dat te doen en of het nu uit schuldbesef was of uit vaderliefde, Theodoor had deze taak op zich genomen. Vol overgave smeerde hij de zalf op de wonden.

   Het licht in huis werd buitengesloten, de ontstoken ogen van de reder knipperden zelfs bij kaarslicht. Omdat zijn moeder al genoeg te doen had, was het Theodoor die zich over de patiënt ontfermde. Voor het eerst zag hij een aarsgat. Hij had een smadelijke holte verwacht, maar het had eerder iets mopperigs, als een pruilend mondje. Hij schaamde zich voor zijn vaders kwetsbaarheid.

   De wonden werden akeliger, de stank beroerder.

   De somberheid in huis benauwde Theodoor als vanouds, dreef hem af en toe naar buiten. Dan liep hij langs de rivier en dacht na over zijn toekomst. Hij zat gevangen, klem tussen een onbestemd verlangen en de zorg voor zijn bazige vader. Schuldbewust hunkerde hij naar vertier en gezelschap in de havenkroegen. Hij wilde dat alles anders was, al wist hij niet goed hoe anders.

   Deed hij aanvankelijk zijn best om zijn ouweheer niet teleur te stellen, na verloop van tijd kon hij zelfs dát niet meer opbrengen. De kooplieden met wie hij zaken deed, merkten dat hij er niet meer op uit was om een winstgevende overeenkomst te sluiten. Het viel hen echter niet mee om daar van te profiteren. Een gunstige prijsmarge mocht hem dan koud laten, zijn aandacht voor de kwaliteit van een product was er niet minder op geworden. De kleur van het omhulsel, de structuur van de stof, de klank van het houtwerk, dát interesseerde de knul. Daar wilde die steenezel zelfs op toeleggen. Alleen het beste was goed genoeg, middelmatig spul dat zijn vader groot gemaakt had, konden ze vergeten.

   Ondertussen bezocht hij reikhalzend de ateliers en muziekgelegenheden. Stortte zich in de felle debatten over het maatschappelijk en kerkelijk belang van de schone kunsten. Nam deel aan discussies die plaats vonden in openbare ruimtes waar het bier rijkelijk vloeide. Discussies die niet zelden uitwaaierden in een sprankelend vuurwerk van eruditie en kwinkslagen. Het aanstekelijke uitgangspunt van elke woordenwisseling loste op in de overvloed van heildronken op ieders welzijn.

Steeds minder tijd bracht hij door aan de zijde van zijn zieke vader. Voortdurend was hij te vinden in de kringen van zijn kunstzinnige vrinden. Niet zelden in gezelschap van het lieftallige zangeresje. Ze heette Rosita, zag er uit als de Madonna van zijn meest aanbeden devotieprentje, rook naar de scheepsruimen van de VOC en zong als een nachtegaal.
   Kortom, hij was smoorverliefd op de vrouw van Emanuel.

   Theodoor was er de man niet naar om iets van zijn hunkering te laten merken. Hij was goed in staat zijn zelfbeheersing te bewaren, zelfs in haar aanwezigheid, al viel hem dat nog zo zwaar. Hij weigerde haar zijn liefde te verklaren uit vrees daarmee iets heiligs te verbreken. Betrof dat haar huwelijkse belofte of was het iets anders?
   Misschien moest ze hem wel helemaal niet.

   Soms had hij vreselijke visioenen, waarin hij haar zijn liefde betuigde en waarop zij hem in zijn gezicht uitlachte. Een keer had hij gedroomd dat hij haar, in het bijzijn van de veel oudere Emanuel, probeerde te zoenen. Ze had hem toen, in zijn droom, zo onheilspellend aangekeken dat hij met een schok was ontwaakt. Was het haar echtgenoot geweest of haar afwijzing die knaagde aan zijn onderbewuste?
   Wellicht met uitzondering van Emanuel, had iedereen, Rosita incluis, allang in de gaten dat Theodoor ‘gevoelens voor haar had’. Toch liet niemand iets merken. Zijn vrienden niet omdat ze niet wisten om wat voor gevoelens het precies ging. Hijzelf niet uit angst dat zijn charismatische charme haar zou overhalen om voor hem net zulke gevoelens te koesteren als hij voor haar had. En niemand wilde Emanuel voor het hoofd stoten.
  Theodoor fantaseerde dat Rosita zich uit eigen beweging aan hem zou geven. Dat gebeurde natuurlijk niet, daarvoor was zij veel te fatsoenlijk. Ironisch genoeg hoopte hij dat ze iets zou doen wat hij juist zou veroordelen en hij besefte zijn dilemma.
  Er was geen uitweg. Er was maar één uitweg. Weg!

 Zijn vader stierf, eindelijk, na doorwaakte nachten van toegewijde zorg en bedrukte dagen van angstig afwachten – maar wel op een tijdstip dat zijn moeder en de bevriende chirurgijn, die al praktisch bij hen inwoonde, net even ergens anders waren. Alleen Theodoor zat naast het bed en hield zijn vaders hand vast toen deze de laatste adem uitblies.

   De jongen was verdrietig maar vooral ook opgelucht. Weken achtereen had hij het aangetaste lijf verzorgd; zijn moeder ontlast en zijn vader verschoond. Nu konden de luiken weer open, kon het zonlicht dat zijn vader niet had kunnen verdragen weer binnenstromen. 

   Hij verliet het huis om de chirurgijn op de hoogte te stellen zodat deze de nodige maatregelen kon treffen. Wat hij daarna zou gaan doen, was nog in nevelen gehuld. Het had hem lichtelijk verbaasd om zijn moeder bij de chirurgijn aan te treffen maar lang had hij er niet bij stilgestaan. Hij had zijn boodschap gedaan, zijn taak zat erop, hij wilde alleen nog wat lopen.

   Zijn gemoed deinde op golven van rouw en opluchting. Het voelde of hij als een vogel naar de hemel vloog om even later als een lijk op de grond te kwakken. Evenzeer schaamde hij zich voor zijn dubbelhartigheid. Hij kon droefheid veinzen maar God in de hemel kende zijn troost.

   Eindelijk was hij vrij om te gaan waar hij wilde, al wist hij niet waarheen. Benijdenswaardig was de zwakzinnige monnik aan wie het menselijk leed ongemerkt voorbij ging. Wist hij veel. Bijna struikelde hij over de zwerfteef  die voor zijn voeten langs glipte om een kronkelende aal uit de goot te vissen. De paling was van een viskar gegleden en voordat de venter zijn handel kon terugeisen had de vrouw er haar tanden ingezet. De wereld was een tranendal.

 

Zwartgallig zwierf hij doelloos door de straten, onbewust op weg naar het water, waar zijn kroegmaat Adalbert juist inspiratie zocht en zich over hem ontfermde.

   Adalbert was een dichter van onbestemde leeftijd met een zwak voor jonge en, zoals hij verontschuldigd toelichtte, veelbelovende mannen (ze hoefden niet per se over kunstzinnige talenten te beschikken).

   Theodoor had grootte bewondering voor de eenvoud waarmee hij zowel de natuur als zijn gevoel kon verwoorden. Speciaal voor hem had de dichter feilloos de woorden gevonden waarmee hij Theodoors gemoedstoestand van de afgelopen tijd had vereeuwigd:

 

          De avond ruist door de akkerlanden

          En draagt met enen zoeten zucht

          Uit mijne warme stille handen

          De geuren naar de verre lucht,

          Naar – naar ik weet niet wat

 

          De avondwind begint te waaien

          Ik voel hem aan mijn lijf, mijn haar,

          De fluisterende bomen zwaaien

          En buigen al maar samen naar –

          Naar ik – ik weet niet wat

 

          De avond waait aan mijne wangen –

          Ik bijt de kleine bloemen stuk

          En voel een nameloos verlangen

          Naar een vrucht – een vrouw – naar ’n groot geluk

          Naar – God ik weet niet wat! *

             

Adalbert nam Theodoor mee naar één van de gelegenheden die zij regelmatig bezochten. Willoos had de jongeman zich laten leiden door de arm die om zijn schouder was geslagen. Toegegeven, landloperij zou zijn eenzaamheid alleen maar verergeren, gezelschap was de beste remedie melancholie.

   In het etablissement hing een ingetogen sfeer. Op een of andere manier was het bericht van het overlijden van Theodoors vader hem vooruitgesneld. Aan de lange tafel zag hij bekende gezichten. Rosita was er niet bij. Emanuel greep hem bij een hand en gebaarde hem naast hem te komen zitten. Bewogen door zijn ernstige blik en bemoedigende schouderklopjes liet Theodoor zich neerzakken, Adalbert nam aan zijn andere zijde plaats en wenkte om drank.

   “Die indiaanse zeelui gaan zo dadelijk muziek maken.”

   Emanuel knikte in de richting van een paar donkere mannen met platte neuzen die Theodoor nog nooit gezien had.

   “Ik heb ze verteld van je verlies, of ze er rekening mee willen houden.”

   Terwijl hij met een paar gulzige slokken zijn eerste pul half leeg dronk en zich de beminnelijke woorden van Adalbert en de bezorgde blikken van Emanuel liet welgevallen, gluurde Theodoor in de richting van de musici. De instrumenten die hij vanaf zijn plaats kon onderscheiden, leken op fluiten en hij zag ook een soort trommel, maar zijn aandacht werd vooral getrokken door de grijzige vogel die voor hen op de tafel zat. Het beest leek op een duif, maar zijn snavel was enorm en wat hem nog het meest verbaasde was de onverstoorbaarheid waarmee de vogel vlakbij die indianen rondscharrelde. Toen ze opstonden om hun muzikale acte de présence te geven, hupte het beest zowaar op een van hun schouders en bleef daar gewoon zitten! Bovendien droeg die muzikant een instrument dat niet op tafel had gelegen. Daarvoor was het veel te groot. Het zag er uit als een bundel pijpen van verschillende lengte en de langste leek wel een wandelstok. Om op de grond te steunen? Theodoor zag dat de man de pijpen tegen zijn mond drukte.

   Toen de muziek begon kantelde het lokaal.

   Rond de tenoren bewoog een kabbelende melodie vol melancholische fluister op het sobere ritme van een soort tamboerijn. De muziek leek wel vloeibaar.

   Zoiets ontroerends had Theodoor nog nooit gehoord. Tranen vulden zijn ogen.

   Muziek.

   De nabijheid van vrienden, de dood van zijn vader

   Muziek.

   Een belofte van vrijheid, schaamte, extase

   Muziek.

   Rosita voegde zich bij hen…. Rosita?!

  

De betovering werd niet zozeer verbroken, hij werd alleen anders, instigeerde hem om op te staan en zich naar de muzikanten te begeven. Deze hadden juist hun spel beëindigd en namen hun oude plaatsen aan de lange tafel weer in. Theodoor plofte neer op de bank tegenover hen en wees naar de papegaai.

   “Kan hij ook zingen?”

   De indianen keken hem verwonderd aan.

   “Beter dan jij kan denken.”

   Zijn brein raasde op dat moment zodanig dat hij zich afvroeg of ze bedoelden dat de vogel beter kon zingen dan bijvoorbeeld Rosita of dat het antwoord refereerde aan zijn geestelijke gesteldheid op dat moment. Hij grinnikte bij die gedachte.

   “Waar komen jullie vandaan?”

   De bespeler van de toyo – hij wist toen nog niet dat het enorme instrument zo heette – bleek de enige te zijn die een beetje Nederlands sprak.

   “Wij zijn van opuesto globo, overkant wereld. Wij varen, jaren. Haddegedat?”.

   “Marineros,” voegde hij er met een armgebaar naar zijn maten aan toe. Theodoor knikte en bleef geboeid naar de vogel kijken. Het beest liep parmantig heen en weer op de tafel terwijl het brabbelende geluidjes maakte.

   “Het lijkt wel of hij praat.” Hij keek vragend naar de man aan de andere kant van de tafel. Met de doordringende blik van iemand die een wereldschokkende mededeling gaat doen, antwoordde deze

   “Si. Praten. Todos de vleugels praten bij ons. En casa”. Of de andere marineros hem hadden begrepen, kon hij niet zeggen, maar ze grijsden instemmend.

   Theodoor was verbijsterd. Als deze zeelieden afkomstig waren uit een land waar vogels konden praten, dan moest dat wel het Paradijs zijn. Hun muziek had hem niet alleen geroerd door zijn eigen geestesgesteldheid, hun muziek was werkelijk goddelijk.

   “Hoe heet jullie schip?! Eh.., el nombre de barco?”

   Nog voor de indiaan antwoordde, had Theodoor zijn besluit genomen. Hij zou op dat schip aanmonsteren. Op weg naar het Paradijs!

 

Het galjoen Conceptión – volgens sommigen eerder een uit de kluiten gewassen kraak met een lage voorplecht – stond onder bevel van kapitein Pieter Jacobz. Hij was de laatste loot van een voorname familie uit het noorden. Al vroeg had hij het geborgen patriciërsmilieu ingeruild voor een avontuurlijker leven bij de grote vaart. In de ogen van Theodoor was hij een innemend figuur met sofistische neigingen: als het ging over zijn eigen levensverhaal kon hij onderhoudend fantaseren. Hij beweerde als scheepsjongen te hebben gevaren op de Delft, een van de elf schepen van de Nassause vloot onder bevel van admiraal ‘l Hermite. Tijdens schermutselingen met de Spanjaarden voor de kust van de nieuwe wereld zou hij gevangen genomen zijn. Omdat hij goed Spaans sprak, wilden zijn overmeesteraars graag gebruik maken van zijn ervaring als navigator. Welbeschouwd was Nederland niet meer dan een opstandige provincie en de Hollandse varensgast leek geen vijandelijke gevoelens te koesteren.

   Jacobz was geliefd, een getapte gast onder de bemanning en alom gewaardeerd door zijn meerderen. Door het veelvuldig creperen van Spaanse officieren in hun strijd met andere kolonisten en opstandige indianen, dan wel als gevolg van de Koorts en het voortdurende gebrek aan vers voedsel, had Jacobz snel carrière gemaakt. Sinds zijn bevordering tot kapitein had hij zonder onderbreking het bevel over een schip gevoerd.

   Theodoor wilde het liefst zo snel mogelijk vertrekken, zonder afscheid nemen. Zijn vrienden hadden daar begrip voor en lieten hem met rust. Zijn moeder had al weken in de gaten, dat haar kind de haardstee ging verlaten en nu het zover was, kwam de aap uit de mouw.  De chirurgijn was niet zomaar een huisvriend geweest. Ze zou bij hem intrekken en Theodoor moest de zaken van zijn vader afhandelen.

   Maar dat vertikte hij. Als die chirurgijn een weduwe kon strikken, kon hij ook haar nalatenschap afhandelen. Ze zochten het maar uit. Hij geen zin meer om nog langer in hun nabijheid te verblijven.

   De enige die hij nog één keer wilde zien, was Rosita. Maar zij leek van de aardbodem te zijn verdwenen.

 

Pieter Jacobz toonde zich terughoudend toen Theodoor verzocht om onmiddellijk te mogen aanmonsteren. Eerst wilde hij wel eens weten wat die charmante jongeman bezielde dat hij een hard en onzeker zeemansleven verkoos boven zijn maatschappelijke  positie (hij kon wel zien dat Theodoor niet armlastig was) en reputatie (de familie Haase werd alom gerespecteerd in het havenkwartier).

   Avontuur was geen optie, zo vond hij. En liefdesverdriet evenmin.  Aan de andere kant was hij beslist ingenomen met het vooruitzicht van een Nederlandssprekende tafelgenoot en de goede naam van rederij Haase liet hem niet onberoerd.

   Uiteindelijk gunde de kapitein hem het voordeel van de twijfel en zwichtte voor zijn charme.  Theodoor zou binnenkort als handelsattaché met de Conceptión uitvaren.

 

Ze zouden ’s middags vertrekken. Theodoor had al vroeg zijn bagage naar het schip laten brengen. In een euforische stemming had hij toch nog afscheid genomen van zijn moeder. Ze had hem laten beloven goed op zichzelf te passen, en geen onverstandige dingen te doen, en zich dagelijks te wassen, en zich niet in te laten met het schorem op zo’n schip, en vanuit elke haven die ze aandeden een brief te sturen… Hij had nauwelijks naar haar goed bedoelde raadgevingen en smeekbeden geluisterd. Vluchtig had hij de chirurgijn een hand gegeven en was hals over kop in het rijtuig gesprongen dat hem naar de kade reed.

   Een geestdriftige rusteloosheid had hem overmand naarmate het vertrek dichterbij kwam.

   Vanaf het voorschip nam hij zijn toekomstige omgeving op: het glanzende houtwerk dat grotendeels schuilging onder dikke trossen, de vettige zeilen die klaarlagen om te worden gehesen, de onbehouwen bemanningsleden die met een angstaanjagende overgave de Conceptión gereed maakten voor vertrek, de vaten met voedsel en vers water die aan boord werden gebracht…

   Hiervandaan kon hij een groot deel van de kade overzien. Niet alleen vanwege hún vertrek waren er veel lieden in de weer, ook het lossen van een schip dat net gearriveerd was, zorgde voor de nodige drukte.

   En plotseling zag hij haar. Alsof ze uit het niets was opgedoemd, stond ze daar. Rosita!

   Hij wilde zwaaien maar bedacht dat de loopplank nog niet was ingehaald en dat het wel een beetje stom stond om te doen alsof hij niet meer van het schip af kon. Dus haastte hij zich van boord en holde naar haar toe. Toen pas zag hij zijn vrienden. Adalbert. Emanuel. Ze kwamen hem een behouden vaart toewensen. Rosita legde een hand op zijn arm en kuste hem op de lippen.

   Hij voelde de grond onder zijn voeten verdwijnen….  maar deed of er niets aan de hand was, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

   “Alles goed?” Adalbert omhelsde hem. Kennelijk had hij toch iets laten merken.

   Emanuel sloeg hem op de schouder en wenste hem een goede vaart.

   “We zien je wel weer eens verschijnen. Zorg goed voor jezelf.”

   Met een waas voor zijn ogen (waren het tranen?) beklom Theodoor de loopplank en liep terug naar de voorplecht. Er zat iets in zijn keel. Het was afgelopen. Zijn oude leven was voorbij, zijn verlangen naar Rosita… Nu kon hij niet meer terug, de loopplank werd binnengehaald.

   Ze zwaaide naar hem. Ze zwaaiden nadat de trossen werden losgegooid en de kloof tussen het schip en de kade groter en groter werd. Alleen háár zag hij. En alleen háár zou hij nog lang voor zich zien.

   Hij was zestien jaar. Zijn leven was begonnen. Met afscheid.

 

 

 Het gedicht ‘Verlangen’ werd geschreven door C.S. Adama van Scheltema en is afkomstig uit de bundel ‘Eenzame Liedjes’ (1906)
.