HET LEZEN VAN MAG4 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Stichting Vluchteling :    NL48 INGB 0000 0009 99       www.vluchteling.nl

De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 

 

 

                                                Eensch verlieten wij onszelve

                                                Op d’een of anderen Got

                                                Nu beschickt den yzeren Wyzer

                                                Over ’s menschens Lot

 

 

 

 

 

 

TEMPO DOELOE

Een polderjongen op patrouille

 

 

 

Tijdens het Europese imperialisme van de 19e eeuw vestigden koloniale gelukszoekers zich uit politieke en economische overweging steeds dieper landinwaarts. In de buitengewesten van Oost-Indië raakte de lokale besturen in toenemende mate gefrustreerd door het morele verval van Nederlandse ambtenaren. De daaropvolgende uitbreiding van de strijdkrachten tot een soort vreemdelingenlegioen onder aanvoering van Nederlandse officieren, het KNIL, diende de koloniale gezagsuitoefening te waarborgen door zo nodig krachtdadig op te treden. Ook in het tot dan toe onafhankelijke Atjeh waar rijke landbouwgronden lonkten en de zeeroverij welig tierde.

   De dertigjarige officier Anton Metsers schrijft aan zijn ouders over zijn belevenissen tijdens zijn patrouilles in het Atjeh van 1910 waar de rebellie dan goeddeels is gesmoord. 

 

 

                                                                        Samalanga, Juli 1912

 

Beste ouders

Zoals ik U in de laatste brief schreef krijgt U deze keer een beschrijving van verschillende avonturen, mij op patrouilles alsoo overkomen. Niet alles gebeurde op 1 patrouille natuurlijk, maar toch ziet ge eruit dat er heel wat op een patrouille gebeuren kan. Ik zou de schetsjes tesamen willen noemen:

Lief en leed in de rimboe.

I       Het vertrek.

        Als ik zoo’n week of 2, 3 thuis ben geweest, dan zeggen wij al tot elkaar: “Nu wordt ‘t weer tijd” en om mij te plagen, zegt Sien dan wel eens: “Ja, ga maar gauw op weg”, of ik zeg voor ’t zelfde doel bij haar: “Hè, ik wou dat ik maar weer eens op patrouille kon!” Nu, wij kennen elkaar te goed om niet te weten, dat dit maar plagen is! Dan, op een goede morgen kom ik thuis met de boodschap: “Maak de boel maar klaar, morgen ga ik weg.” Dan moeten worden mijn blikken ingepakt worden, waarbij natuurlijk niets vergeten mag worden, want alles wat meegaat, is noodig en onder de patrouille kan ik ‘t niet koopen. Het klaarleggen van al die bullen is ’t werk van Sien; de dwangarbeider zelf pakt in. Wat ik zooal meeneem? Wel, een verschooning, 1 deken, kussen, klamboe, veldbed, tent, kookpannetjes, kookketel, rijst, met de noodige groenten, gedroogd vleesch en idem visch, naaigereedschap, enz. enz. Alles wordt geborgen in 4 blikken, vroeger petroleumblikken, nu voorzien van deksel en gepromoveerd tot ‘bagagekoffer’ van de toewan luitenant poeti (wit). De tent en ’t veldbed worden apart tesamen gedragen. ’s Avonds piekert Sien, of ze niets heeft vergeten, waarop ik natuurlijk als ’t meest noodige help memoreren: tabak (voor sigaretten). Maar, altijd klopt alles, natuurlijk. Waarvoor heb ik anders een vrouw, nietwaar.

   ’s Morgens om kwart over 5 wekt de jongen me, en onder het ontbijten maakt hij mijn rimboeschoenen vast en draait mijn puttees om mijn beenen. ’t Begint licht te worden, en ik kijk al eens naar de lucht, of er wolken zijn of niet. Sien steekt haar hoofd om ’t hoekje van de deur, en vraagt of ik alles heb. Nu, dat moet ook kloppen; ik kijk naar de beren (dwangarbeiders) die mijn bagage komen halen, naar ’t kompas, horloge, tabak, steek een extra sigaar op, geef Sien en de meisjes (die intusschen tevoorschijn zijn gehaald) een extra zoen, sjort mijn klewang om en nagewuifd door vrouw en kroost ga ik even over zessen naar ’t station. De brigade is daar intusschen door den sergeant naar toe gebracht, en om 6.21 uur v.m. zet de tram zich in beweging. Nog een paar honderd meter kan ik Sien en Mies en Annetje zien wuiven, dan verdwijnt ons huisje achter een kampong en zoek ik een hoekje in de altijd leege wagen. Daar ga ik weer voor een dag of 10. De zon is intusschen opgekomen. Is de lucht wolkeloos, dan schijnt hij al spoedig met volle warmte en werpt een prachtig paarsche schijn op het hooge gebergte aan mijn rechterhand. Hoe vaak ik dat landschap nu al gezien heb, altijd weer treft het mij door zijn groote verscheidenheid. Uitgestrekte rijstvelden, kampongs met klapper-, pisang- en andere vruchten en loofbomen, pisangtuinen, pepertuinen, onbebouwde heuvelterreinen waar kudden sapies (ach, koeien) grazen, doorsneden door rivieren en beeken, en dan op den achtergrond ter eenen zijde dat trotsche, statige bergland terwijl aan de andere kant de zee zoo nu en dan zichtbaar is. Zoo heeft het landschap veel weg van dat bij Padang, het gedeelte dat waar daar de trein nog in de vlakte is. Maar wat men van de bewoners ziet, is geheel anders, hier en ginds. Daar langs de wegen vaak druk verkeer, dos à dos, voetgangers, grobaks (vrachtkarren) hier slechts enkele voetgangers, meest slenterende jonge kerels of slovende oude vrouwen, een enkele maal een oude heer met grijs baardje (zoo een, die ze vergeten hebben in de actietijd neer te leggen) met een gevolg van oude vrouwen en één jong meisje, meneers bini moeda (jonge echtgenote). Op de halteplaatsen dáár drukte en geschreeuw, maar ook veel handel. Hier ook wel geschreeuw maar minder drukte en hoogst zelden een vruchtenverkooper; en alles hier nog vuiler dan elders. Intusschen heb ik het weer uit een ander oogpunt om een andere reden dan om ’t natuurschoon bekeken. Is het prachtig weer, schijnt de zon helder, dan is het droog en lekker in het bosch, maar voordat we in het bosch zijn, moeten wij eenige uren loopen, en dan is die warmte meestal oorzaak, dat we oponthoud krijgen.

   Bijna ieder keer dat wij met zon op marsch gegaan zijn, en ik juist heerlijke schaduwboomen zie, ik mij al gelukwensch er deze keer doorgerold te zijn en me voorneem ze mijn menschen spoedig een rust te geven en ik mij nog eens overtuig dat alles opgesloten loopt, zie ik een opstopping in de kolonne en komt het bericht van achteren: dees of gene kan niet verder. Meestal is het een beer, soms een soldaat. En d Dan moet ik toch eerst doorloopen tot in de schaduw. Daarvandaan stuur ik dan een paar man onbevracht terug, om hem te halen, en eenige rust is spoedig meestal wel voldoende om hem door te laten loopen, maar langzamer. En dan is de marschsnelheid verbroken. Wij kunnen natuurlijk alleen logeeren bivakkeeren aan beekjes in ’t bosch, omdat water een eerste vereischte is. Tot een uur of 3, 4 kunnen wij wel doorloopen, maar dan moeten die het bivak betrokken worden opdat mijn menschen behoorlijk het bivak kunnen maken, en droog hout voor ’t koken kunnen halen, zich kunnen mandieën enz. met daglicht. Nu liggen die beekjes wel eens een paar uur van elkaar, en zoo kan een kort oponthoud oorzaak zijn, dat ik veel vroeger in bivak moet dan anders. En dit heeft natuurlijk invloed op alle volgende patrouille dagen. Is het echter een bewolkte lucht, liefst heel even regen, dan is ’t beter voor de eerste paar uur. Dan loopt alles vanzelf en veel sneller, en kunnen wij met gemak de verste beek van dien dag bereiken.

   Voordat we echter zoover zijn, moeten wij nog de trein uit. Bij Pendada, ongeveer kwart voor 8, gebeurt dat. Dan loop ik eerst naar de telefoon, die daar toevallig is, en bel Sien nog even op, zeg haar goedendag en Mies ook, die dat altijd oerleuk vindt. Intusschen is alles uitgeladen en nu gaan we pas goed en betoel op marsch.

II      Op marsch.

        Hoe wij marscheeren, schreef ik reeds. Een korporaal of sergeant met 2 man voor mij, dan ik, de brigade commandant, dan de fuseliers, daarachter de dwangarbeiders en achteraan een sergeant of korporaal met 4 à 6 man dekking trein. De spits loopt steeds met getrokken klewang. Alles is stil, niemand dan ik mag wat zeggen, tenzij ’t hoognodig is. U begrijpt, als men zoo een dag of 10 loopt van ’s morgens 6 ½  tot ’s middags +  3 uur, steeds zwijgend, door boschterrein waarin men niet verder kan zien dan een 10 pas, met als eenige conversatie enkele aanwijzingen aan den spits en als afwisseling klimmen, klauteren, dalen, glijden, door modder loopen, patjets van ’t lijf halen en weggooien, b rivieren overtrekken, door modder baggeren, struikelen over wortels en lianen, doorntakken van de kleeren trekken, over steenen klauteren, enz. enz. dat men dan heel wat kan afpiekeren.

   O, die gedachten! Ze zijn als het weer zoo veranderlijk en ze veranderen ook met het weer, met de moeilijkheden van de marsch, met al of niet gelukte jacht op de rebellen (de heerlijkste afwisseling) met de snelheid waarmee men vooruitkomt en met de duur der patrouille. Gaat alles goed, dan is de stemming opgewekt en zijn de droombeelden der gedachten ook vroolijk en heerlijk. Wat al toekomstplannen worden er dan gesmeed! Wat al onwaarschijnlijke maar heerlijke verrassingen worden er dan bij thuiskomst verwacht en daar op voortgeborduurd. Wat een geluk om hier de troep te leiden in plaats van thuis de mest te ruimen!

   Maar, vlot het niet, is ’t weer niet goed, dan kan de stemming zoo somber zijn. Dan wordt het beroep met desselfs aankleven verwenscht, andere dienstvakken benijd en verlangt men niet alleen naar verlof, neen, naar pensioen en zelfs naar ploeteren in Hollandsche stallen! Vooral als een gestadige regen eentonig neervalt, kletterend op takken, bladen en bamboehoed; alles met vocht en kou doordringend en de patjets bij trossen van de bomen vallen, van de weg een modderige glijbaan gemaakt wordt, kleine beekjes gevaarlijk stroomende rivieren worden, ja, dan wordt men somber. Dan voelt men, dat het geld, hier verdiend, toch zuur genoeg verdiend wordt, al is het levensgevaar tegen de vijand dan tot bijna nul gereduceerd. En moeizaam stapt men voort, want voort moet men, regen of geen regen. Wel kan ik beslissen, wanneer ik in bivak wil gaan, maar mijn plichtsgevoel en bij de terugmarsch het eten schrijven mij toch voor, een behoorlijke marsch te maken. En moet in de regen bivak betrokken worden, dan is ’t wel zuur, vooral voor mijn menschen. Zijn de tenten ( 1 voor mij, 1 voor de brigade en 1 voor de beeren) opgeslagen, dan kan ik mij verkleeden en in mijn tent blijven maar de anderen moeten hout zoeken om te kooken, hun kleeding drogen en wapens schoonmaken. Maar, ook al kan ik dan binnen blijven, gezellig kan een verblijf in een ruimte, ongeveer zoo groot als die onder een flinke tafel, niet genoemd worden. Men is gedoemd op om op ’t veldbed te blijven zitten, de kletterregen spat naar binnen en maakt alles nat, men wordt stijf van het kromzitten en is maar blij als ’t nacht is en de slaap vergetelheid brengt. Wanneer echter zoo onder na een regenbui het weer opklaart, alles weer droog wordt, en we bijvoorbeeld nog juist een moeilijke kalie rivier hebben kunnen overtrekken of een ander gelukje hebben gehad, bijvoorbeeld een toevallig ontmoet hert of varken, dan is alles weer vergeten, erkent men weer de vele voordeelen, die men toch heeft en zou men voor geen geld het heerlijke vrije bosch willen verruilen voor het muffige kantoor- of schoollokaal. Vooral zoo’n ontmoeting met een lekker stuk wild is zeer opwekkend, wanneer het die voor het beest doodelijk is afgeloopen (die ontmoeting, bedoel ik). Toch moet men oppassen, dat men door te zwaar piekeren niet geheel zijn omgeving, dus terreingesteldheid en marschrichting vergeet. Op ’t pad is dat niet erg, maar is men in ’t bosch aan ’t patrouilleren, moet er dus op ’t kompas geloopen worden, dan zou het kunnen gebeuren, dat men geheel verkeerd liep en verdwaalde. En al behoeft het dat nu niet direkt zoo erg te worden, dat men, als wel eens is gebeurd, zoo lang blijft dwalen, dat een gedeelte van honger sterft, toch is ook een paar dagen minder of geen eten niet aangenaam, terwijl het ’t respekt dat de menschen voor den Commandant moeten hebben, niet verhoogt. Maar, zooiets kan alleen gebeuren, wanneer men zijn hoofd kwijtraakt.

   Onlangs ging ik op een patrouille dwars door het terrein juist volgens ’t kompas in Westelijke richting naar een rivier. Een paar dagen tevoren was ik aan die rivier langs ruggen, rechts en links bochten volgende, in + 3 uur gekomen, waar ik nu vandaan kwam. Wij Ik gingen om 6.30 uur weg, en theoretisch langs de rechte lijn, dus kortste weg. ’t Was niet geen erg moeilijk terrein en de beren waren licht bevracht, want we gingen naar huis. Toch was het over éénen, voor ik aan de rivier kwam! Het moeilijkste is echter loopen langs kalies (riviertjes). Dat schreef ik, meen ik, vroeger ook al. In de tijdschriften ziet U vaak plaatjes van bergbeklimmers en nu ook van soldaten (Oostenrijk – Italië bijvoorbeeld) die klauteren langs en op rotsen. Dat kunnen wij dan ook in praktijk brengen. Maar kale rotsen is nog niet zoo erg, als rotsachtig met bosch begroeid terrein. Dan moet er nog gekapt worden, terwijl men aan het lage hout toch weer bijna geen steun heeft omdat de humus of aardlaag te dun is zoodat de wortels niet diep genoeg in de grond zitten om een mensch te houden. Volgt men de bedding van den stroom, dan noodzaken flinke watervallen toch weer de helling te nemen, en dan juist op de meest lastigste punten. Een heuvelland zooals de Blang Beroeksah is heerlijk overzichtelijk, maar, ook alleen op ’t oog. Op eenige afstand vloeien die zachtglooiende gelijkgetinte hellingen zoo gauw ineen, dat, wat men voor een groot, vlak veld houdt, dichtbij bezien een met kuilen en ravijnen doorsneden terreingedeelte blijkt; een op ’t oog prachtig doorloopende rug blijkt is 2, 3 maal door diepe ravijnen in verschillende deelen verdeeld, enz. Toch is zoo’n boomloos terrein heerlijk, wanneer men eenige dagen in het bosch heeft doorgebracht. ’t Brengt licht, ruimte, wind, droogte (als ’t niet regent, natuurlijk), en dan, kans op wild en vrij van patjets. Moet men er echter dagenlang doortrekken, dan maakt de zon dat men weer naar het bosch verlangt. Nergens is het zoo warm, dan in die alang-alang velden, omdat de warmte tusschen die zware overhangende grassen blijft hangen. Maar gelukkig hoeven wij er nooit zoo lang door te loopen hier. Al staat ons patrouilleterrein bekend als een van de zwaarste, misschien wel het zwaarste van Atjeh, ik mag het graag en vind het heerlijk. Wat ver, nu ja, maar dat is niet zoo erg. Toch zou een officier in Naarden bijvoorbeeld gek opkijken, als hij te voet met + 20 man werd uitgestuurd, om bijvoorbeeld in het terrein tusschen Maas en Rijn, daar bij Arnhem, te patrouilleren voor een dag of 10. En dan had hij nog goede wegen etc. ter beschikking!

III      Banjir.

        Wij waren op de terugmarsch. De 1e dag op de weg naar huis. ’t Was de tijd tusschen de regen natte en drooge moesson tijd. Zoo nu en dan was er een bui gevallen, maar op de heenmarsch waren wij gemakkelijk over de groote rivier (Kroeëng Beroeksah) gekomen, die ons van het patrouillegebied scheidde. Mijn plan was, om op dezelfde plaats weer de overgang te beproeven. ’t Had wel zoo nu en dan geregend, maar och, erg was het niet geweest, en daarbij, ook al was het water wat gestegen, de vorige maal kwam het nog niet tot aan het middel, dus kon er nu wat bij. Waren wij de rivier over, dan konden kwamen wij op de Blang en het was mijn bedoeling, wat vroeg daar in bivak te gaan om een hertje te verschalken. Om ongeveer 11 uur kwamen wij bij de rivier. Toen we nog hoog en boven waren (de alang-alang begon het bosch al te verdringen) zagen wij al reeds dat er een beetje banjir (hoog water) was.

   “Toch probeeren,” zei ik.

   Wij daalden af, en namen de waterstand met kennersoog (?) in oogenschouw op.

   “Zou ’t gaan?” vroeg ik den sergeant.

   “Nou, luitenant, misschien; er drijven nog geen boomen mee,” was ’t antwoord.

   Op vrij korte afstand  even stroomafwaarts lag een heele groote rotssteen waar de stroom gebroken werd. Daar konden wij eerst heen komen. ’t Lastigste zou ons blijkbaar aan de andere kant pas komen wachten. Vóórdat ik met de troep er over zou gaan trekken, besloot ik stroomsterkte en diepte te beproeven, door een paar onbevrachte beren er eerst in te laten gaan, die, elkaar steunend, die tevens een rotankabel, welke intusschen gesneden en gemaakt was, zouden overbrengen. Twee beren gingen in den stroom. Maar voor ze op de helft kwamen begonnen ze al te twijfelen weifelen. Zoodra er een probeerde om nog een stap verder te komen, dan raakte hij van de been en moest hij zich met moeite aan de andere vastgeklemd, staande houden, en weer uit die snelle stroom zien te komen. Dat lukte maar ternauwernood. Iets hooger op werd er nog eens door hen geprobeerd, maar toen sloeg het noodlot toe. Zij kwamen beiden in een kolk en verloren alle houvast, gingen kopje onder, en hadden in het natuurgeweld de rotankabel losgelaten. Wij haalden deze onverrichter zake terug. De beren waren verdweenen. Heel onfortuinlijk, maar dat soort dingen gebeuren.

   Mijn menschen waren erg geschrokken en ik wist dat ik ze geruststellen moest.

   “Eerst eten,” zei ik toen, hopende dat het water intusschen wat zou vallen.

   Onder ’t eten wees de sergeant mij echter op de regen, die wij in de verte konden zien vallen, juist op de bergen waar de rivier vandaan kwam. Ook boven ons pakten zich dreigende wolken samen. Het was dus zaak, hoe eer hoe beter er over te komen, wilden wij niet één of meer dagen afgesneden worden, of een reuzenomweg maken. Na ’t eten loofde ik een gulden uit, voor wie de kabel over zou brengen. Men ging nu systematischer te werk. Vier sterke beren en fuseliers gingen voorop, in carré-vorm, 2 voor, en 2 er vlak achter. 10 Meter achter hen weer 2 man, om de lijn op te houden; anderen stonden klaar, om op hun beurt af te volgen. Maar, dat was niet noodig. Weer werd dezelfde plaats bereikt als de vorige maal, maar dat was blijkbaar de grens. Verder kwam men niet. Een jonge kerel sloeg van de been en kon slechts met de grootste moeite worden tegengehouden door de anderen. Plotseling zagen wij eenige groote stukken hout, met de stroom mee komen drijven. Een stuk scheen in de richting van de voorste ploeg te gaan. Wij trachtten hun aandacht te trekken om er hun op te wijzen, maar het donderend geraas van het water, dat met groote snelheid tegen rotsblokken opsprong, om aan de andere zijde als een kleine waterval in een borrelende en bruisende kom neer te vallen storten, maakte onze kreten onverstaanbaar voor hen, die zich te midden van dat helsche lawaai bevonden. Toen ’t hout vlak bij hen was, keek er een met een gebaar van: “ ’t Gaat niet” naar mij. Twintig handen wezen toen naar ’t dreigend gevaar, en nog juist bijtijds gelukte het hun, er aan te ontkomen. Maar tevens gaven zij het toen op, en druipend en doodmoe kwamen zij aan land.

   Wat nu? In de nabijheid was geen betere plek, om ’t nog eens te probeeren. De stroom was veel te breed, om er een boom overheen te laten vallen. Na even rusten schoot het door mij heen dat hoogerop een eilandje moest zijn en daar wilde ik heen. De afstand tot dat eilandje was maar een paar Kilometer, maar wij moesten omhoog en omlaag door een zijriviertje. Doordat het water in de hoofdrivier zoo hoog stond, waren die zijriviertjes bij de monding wel diep maar stond er weinig stroom. De breedste maakte ons allen nat tot onder de oksels. Met ’t horloge in de mond en de tabak en lucifers en zakdoek in de bamboehoed, gingen wij over. Alsof men vond dat het nu toch niet meer hinderde, begon het uit de hemel ook te banjirren. Zoo’n echte tropische bui. Geen droppels, maar stralen schoten uit de wolken neer.

   Plotseling vonden wij een aardige grot, zoo groot als een flinke kamer; blijkbaar de plek waar de oproerkraaiers, die wij in Februari j.l. hier vlakbij hadden getroffen, plachten te slapen. Wij maakten van dat drooge plekje gebruik om even een sigaret te rollen, en daarop ging ‘t weer voorwaarts. Daar zagen wij het eilandje in ’t midden van de stroom. Een veel door dieren begaan pad voerde naar een punt bovenstrooms van het eiland, dus blijkbaar naar een vaste overgangsplaats. De stroom had hier een breedte van wel 100 Meter. Zoo als dat te doen gebruikelijk is, gingen wij 4 aan 4 over, waarbij ieder man zijn nevenman bij de gordel vasthield. De beren 2 aan 2, omdat ze maar 1 hand vrij hebben. De vleugelman van ’t voorste viertal had een stok om te peilen. Wel kwam het water tot aan over het middel en soms hooger, maar door de groote breedte en weinig verval was de stroomsnelheid hier niet zoo groot. Het eilandje bezorgde ons in ’t midden een ondieper gedeelte, dus rust. De benedenman van mijn groep sloeg van de been, door de losse steenen in ’t water, maar hij kreeg weer grond onder den voeten omdat wij bovenstrooms langs het eiland gingen. Met de 2e groep was ik overgegaan, en wachtte toen de andere op, met eenige menschen gereed om in geval van nood onmiddellijk te helpen. Behouden kwam bijna alles binnen over, behalve de dekking trein die achterbleven bij het eiland. De sergeant wilde ze gaan halen, maar ik wilde liever dat hij zou wachten. Toen kwamen ze alsnog en als om ons voor al ons werk te beloonen, hield tevens de regen op. Spoedig werd toen een bivakplaats gezocht, maar inplaats van vroeg in bivak te gaan, was het vrij laat, bij vijven geworden! En alles was door, doornat. Toch eindigde dien dag nog goed. Even voor we de bivakplaats bereikt hadden, en wij juist van de laatste heuvel zouden afdalen, riep een fuselier, in extase alle verbod van spreken vergetende: O, banyak sekalie menjankan! Het bleek dat hij een hert zag stappen, dat spoedig in ’t hout verdween.

   Terwijl de manschappen het bivak in orde maakten onder de Inlandse sergeant (panglima in den omgang genaamd), gingen den Europese sergeant en ik eens in ’t rond kijken, elk met een karabijn natuurlijk. Na een tweetal herten te hebben opgejaagd, die door een snelle vlucht duidelijk demonstreerden dat ze er niets voor voelden, door de Compagnie al te familiaar te worden opgepeuzeld, zagen wij op + 100 M. afstand een hert, dat zich een lekker plekje in hooge alang-alang had uitgezocht. Wij zagen alleen de kop. Wat te doen? Naderbij kruipen? Het beest zat in zulke hooge alang-alang, dat, al waren wij op 3 pas gekomen en hij liep weg, we nog niet hadden kunnen schieten.

   “Misschien komt hij er zoo uit,” zei de sergeant.

   Wij wachtten. Het beest schudde eens met den kop, en bleef liggen. ’t Begon te regenen en mijn maag te jeuken.

   “Weet je wat,” zei ik, “ik probeer eens of ik die kopschijf kan raken.”

   “ ’t Lukt niet, “ zei de sergeant.

   “Probeeren,” zei ik. “Dan ga ik daar in ’t boschje zitten, als hij dan wegloopt daarheen heb ik kans.”

   “Goed.” Hij weg.

   Ik knielde, hakte de alang-alang wat weg, legde aan, mikte en “pang”. ’t Hert schudde met de kop, bleef op zijn plaats. Aangelegd, “pang”. ’t Hert draaide zich eens om, en keek een andere kant uit. “Pang”. ’t Hert scheen eens op te staan en een eindje in nog dikkere alang-alang te dringen. De helft van de kop was onzichtbaar.

   “Dan leg ik nog lager aan,” dacht ik.

   Pang! ’t Hert springt op, draait mij heel onwelvoegelijk een zeker lichaamsdeel toe, springt neemt een reuzensprong en is dan voor mijn oogen verdwenen. Ook de alang-alang is stil. Ik ren er heen, worstel me (heusch geen baantje) door de alang-alang, en onder ’t zware gras, daar ligt mijn “schijf”. Ik had hem juist de strot doorboord. De sergeant kwam er ook bij. Spoedig waren de beren geroepen en ’s avonds rustten we bij een lekkere biefstuk – terwijl het bivak een zigeunerskamp leek door de vele vuurtjes waarop vleesch werd geroosterd – uit van de vermoeienissen van die Banjirdag.

IV      Een badak schieten.

        Zoo was ik dan al van de banjir op de jacht gekomen, en ik zal er dus maar mee doorgaan. Het is een zeer opwekkende sport, die ons hardt tegen vermoeienisschen, ’t oog scherpt en ’t wapen doet leren kennen. Men ziet niet altijd de dieren zelf, maar vaak bemerkt men hun tegenwoordigheid alleen aan ’t wuifen wuiven der bladeren of der alang-alang, of (maar dat is voor de ooren) men hoort ze alleen. Dan is ’t nog de vraag, wat of het is. Een goed jager weet dan direkt, dat of het olifanten zijn of apen, een hert die de boomen doen schudden; of het een hert is of een varken, dat zich in de alang-alang ophoudt. En is het geen van de gewone bewegingen, dan is verkennen door er heen te gaan een afdoend en noodzakelijk middel, want het kunnen ook menschen zijn. Het eenige nadeel is, dat een hartstochtelijk jager maar noode een beest laat loopen, en ook in streken, waar niet geschoten mag worden (vanwege het terrein afzoeken naar kwaadwilligen) direkt vuurt als er op wild gestoten wordt. Een tijdige waarschuwing (voor den afmarsch) is nauwelijks voldoende. ’t Beste is zoo iemand dan niet voor te laten loopen. Maar een groot voordeel is natuurlijk, dat ze leeren schieten op wat men zou kunnen noemen oorlogsdoelen.

   Wij waren aan het patrouilleeren, en scharrelden reeds een paar uur langs een smalle diep ingesneden beek stroomopwaarts met stijle, overhangende oevers. Wij waren al vrij hoog, vermoedelijk niet ver meer van de bron af, en telkens kwamen wij aan zijriviertjes, gootjes eigenlijk, maar elk op zijn beurt met stijle wanden en diepe bedding. Juist het terrein voor schuilplaatsen van rebellen, alles ging dus in de grootste stilte. Nu moet echter, behalve de hoofdstroom, ieder zijstroompje eveneens afgezocht worden. En aangezien ook de kleinste vaak een zeer lange loop hebben, begrijpt U, hoe ontzettend of dit ophoudt. Ik liet daarom, nu wij vrij dicht bij de waterscheiding waren, en dus die kleine dingen niet al te lang meer konden zijn, telkens bij de monding van zoo’n gootje de helft met de trein achter, en ging met de rest die zijstroom af op. Dit ging vlugger omdat de trein niet mee hoefde, en bovendien konden de anderen rusten. Weer kwamen wij aan zoo’n plek, waar langs een smal ravijn water vloeide, en deze keer stuurde ik den sergeant. Met de helft er in, terwijl ik zelf met de rest bleef wachten. Wij zaten op een plek, waar eenige groote steenen een drooge rustplaats boden. De sergeant was het watertje langs. Na eenigen tijd hoorden wij kraken van takken uit die richting komen, en ik dacht, dat de patrouille terugkwam. Van mijn standplaats kon ik onmogelijk ‘t ravijn bij het watertje inzien, alleen een paar beren, die meer stroomafwaarts zaten, konden dat, maar een omgevalle boom belemmerde hen het uitzicht. Na eenigen tijd oogenblikken van stilte hoorden wij plotseling veel geraas, alsof een groot wezen hard door het bosch liep. Met de korporaal (eerste jager) rende ik naar het ravijn, en onderweg zei een beer: “badaks, toewan.” Ik greep een karabijn van een van de fuseliers, en alles keek vol spanning naar boven, met gespitste ooren luisterende. De korporaal stootte mij aan en stak drie vingers op, het was een heel gezin. In de opwinding vergaf ik zijn vrijpostigheid. Daar klonk plotseling een schreeuw, en ’t geraas ging in de richting van het watertje. En ja, toen wij bij de omgevalle boom kwamen, zagen wij een badak met neus (een hoornachtig uitgroeisel boven de snuit) op ons afkomen. 2 Schoten klonken, de badaq, op die vriendelijke ontvangst niet voorbereid, zwenkte naar links. Zoo snel was alles niet gegaan, of toch had de korporaal nog geroepen: pas op de neus! Want, dat ding is veel geld waard. Daardoor hadden wij ook niet op de kop kunnen mikken. Toen het beest echter bij de bedding was, klonken weer twee schoten, en vlugger dan hij er opgeklommen was, rolde signeur weer terug in het ravijn, thans echter met zijn kop van ons vandaan (dus nu lag hij op de bodem). Nog was ’t dier niet dood, maar meerdere fuseliers waren nu toegesneld en schoten uit pure wellust mee. Mijn waarschuwing, niet noodeloos te schieten ging bijna verloren in de plotselinge, spijtige uitroep van den korporaal: O, ’t is een vrouwtje! Wat door de nieuwe houding natuurlijk aan ’t licht kwam. Toch hadden wij een neus gezien. De teleurstelling stond n.l. met die neus in verband, want inden regel hebben vrouwtjes geen neus. Maar spoedig hadden wij geconstateerd, dat ’t beest een vrouwtje was, en een neus had, zelfs 2, een grootere vooraan, en een kleinere achteraan. Volgens kenners zeer kostbare neuzen. Terwijl de fuseliers begonnen het beest verder te villen en schoon te maken, wachtten wij op de uitgezonden patrouille. Deze kwam vrij spoedig terug, had natuurlijk het schieten gehoord, en ook ’t spoor van een badak gezien. Het leek of dat de dieren ergens vanaf de overkant gekomen, de patrouille achterna waren geloopen, toen echter de menschen in den eigenlijke neus kregen en naar links waren uitgeweken, en daar voor rotsen waren gestuit. De ene was toen teruggegaan en was bij de omgevalle boom juist zijn vijanden tegen ’t lijf geloopen. De andere was verdwenen. Bij de nieuwaangekomenen was een fuselier, die reeds 7 badaks had geveld, en die verklaarde: de groote neus is minstens f 150,- waard. Samen waarschijnlijk f 200,-. Als ’t u belieft! Daar was de neus van Cyrano de Bergerac niets bij! Wat heerschte er een vreugde! Bovendien sneden de menschen stukken huid af, die ook een paar kwartjes waard waren, evenals de hoeven van de pooten. Ook de lever, ’t hart en stukken vleesch, die als grof rundvleesch smaken, werden meegenomen. De oude panglima stond er zoo somber bij te kijken, toen zei ik tot hem:

   “Kom, pang, neem jij geen stukje vleesch?”

   “Neen, luitenant,”was ’t antwoord, “ik ben niet gewend badakvleesch te eten!”

   “Man,” zeg ik, “ik eet het thuis elken dag.”

   Maar al was de ‘pang’ bevooroordeeld, ik liet me niet afschrikken. ’s Avonds at ik een badaklever bij mijn rijst, wat heel goed smaakte. Alleen had de beer, waarschijnlijk omdat het zoo’n groote lever van zoo’n groot beest was, het vlees in hompen gesneden zoo in de geest van de ‘sneedjes’ brood, die wij als jongen konden verwerken. Dat stond dus wat onbehouen, iets waarvan zich overigens niemand wat aantrok. Nu zult U vragen: waarom is dat ding zooveel geld waard? Wel, daar maken de Chineezen geneesmiddelen van. Hebben ze pijn en wrijven ze er met dat ding over, dan is de pijn weg; hebben ze ’t in de buik, dan maken zij er een aftreksel van en drinken dat. Ja, de geneeskracht (waarschijnlijk uit ’t animisme – zielsoverbrenging – voortgekomen) gaat zoo ver, dat een Amboneesch fuselier de tepels afsneed om die door de baby, die zijn 2e helft verwachtte, te laten bezuigen! Dan werd de kleine sterk! Het groote oponthoud en het rumoer, dat er gemaakt was, deden mij besluiten, ’t terreinafzoeken te staken, en een paar ruggen over te steken en aan een geheel andere beek te bivakkeeren. Jammer was het, dat we het kreng in ‘t water moesten laten liggen, daardoor was natuurlijk al ’t water benedenstrooms een maandje onbruikbaar. Maar ’t lieve dier was te groot om te versjouwen! Hij zal een lichaamsomvang van een groote hollandsche stier gehad hebben, met een reuzenkop, maar veel kortere pooten. De dikte van de pens was zoo groot, dat Het liggende beest reikte tot over boven mijn middel.

   Reeds onmiddellijk na het schieten berekende ieder, wat hij van de buit zou krijgen. De schattingen voor de geheele ontvangst varieerden tussen 150 en 200 gulden. Usance is, dat jager en commandant ’t meeste krijgen; de vaste jagers ook wat meer, als er veel wordt ontvangen. Met de sergeant besprak ik de zaak, en, daar ik schutter en commandant was, besliste ik, dat als er bijv. f 200.- werden ontvangen, mijn aandeel f 100.- zou zijn, hij met den eerste jager ieder f 30.- en de rest verdeeld zou worden naar zijn wil. Hier werd natuurlijk genoegen mee genomen. Wat al plannen werden er gemaakt! De stemming was natuurlijk buitengewoon opgewekt, allen ieder hoopte op het buitenkansje, dat bij thuiskomst hen tebeurt zou vallen. Mijn overpeinzingen waren ook van zeer opgewekten aard. Ik stelde mij het gezicht voor, dat Sien zou zetten, als ik het haar zou vertellen, bedacht, wat ik voor de meisjes en voor zou koopen. Op de terugmarsch kwamen wij een andere patrouille tegen, U begrijpt, hoe wij er werd opgesneden. De korporaal vertelde aan ieder die ’t wilde hooren, hoe hij de badak had geschoten en de toehoorders waren uitteraard vol respect en tevens jaloers. De brie Europese sergeant bij die brigade gaf ons nog eenige welgemeende raadgevingen, voordat wij weer van elkaar gingen. Met algemeene stemmen was uitgemaakt, dat de badakjager, (bovenbedoeld) die al 7 badaks had neergelegd, als ter zake kundige naar Kota Radja zou gaan, opdat wij de hoogste prijs voor het jachttropee zouden krijgen. In Peudada, de halte waar wij in de trein moesten stappen, kwamen de Chineezen al gauw op ons af. Ze boden f 125.- per kattie (zes ons), schatte het ding op 1 kattie, maar wij wilden niet loslaten. Toen vertelde er een in vertrouwen dat de prijs f 150.- per kattie was. Eén bleef aandringen, vroeg de volgende dag de taukee (hoofd van hun kongsie) mocht komen. Ik vond dat goed, maar zei er bij, dat we ’t ding naar Kota Radja zouden brengen. De volgende middag kwam de taukee; ik verwees hem naar den sergeant, die ’t ding bewaarde. Dien avond hoorde ik er nog niets van, maar de volgende morgen kreeg ik ’t bericht: de neuzen zijn nog geen half kattie en de Chinees wil er maar f 48.- voor geven. Groote beroering. Besloten werd, toch de kenner naar Kota Radja te zenden. Daar bood men f 40.- en tenslotte werd het ding voor f 45.- verkocht. Hier moesten de reiskosten nog af! …… Tenslotte kreeg ik f 7,50 als mijn aandeel! Wat bleek er tenslotte te zijn gebeurd te zijn? De neus was, voor de zekerheid, vervoerd met een stuk van de schedel er aan. Nu zit een stuk er buiten, maar natuurlijk ook een stuk (de kroon) er in. De sergeant had den Chinees het ding er uit laten halen en hier voor de zekerheid de met die operatie bekende Ambonees er bij laten halen, met gevolg, dat de Chinees (volgens verklaring ook uit Kota Radja) er voor ruim f 100.- van had afgesneden. Hij zal er wel voor gezorgd hebben, dat dit zoo weggeworpen is, dat hij het zelf gekregen heeft! Wat heeft Sien me daarover uitgefoeterd! Enfin, ’t was toch meegenomen en weer wat anders dan ’t alledaagsche. Daarbij had ik tevens geleerd, dat Chineezen ook zonder staart in staat zijn, den Hollander te bedriegen.

V      Goena-goena

        Op het gevaar af, dat U mij er van zult verdenken, dat ik geloof in spoken, plaats ik deze titel. Maar, U begrijpt, dat in deze rimboe niet elke patrouille vlot verloopt. We worden soms door ongeluk getroffen, dat ik alleen kan toeschrijven aan de stille kracht, waarover ik U eerder schreef. Ik kan slechts vertellen, van wat er gebeurd is; fantaseeren laat ik geheel na bij deze schetsjes.

   Met lekker weer, een licht wolkje voor de zon, gingen wij op marsch. Even voor wij in het bosch waren, bleef een beer achter omdat een touw van zijn vracht wat losgegaan, maar de sergeant zei: “Hij haalt ons wel weer in.” Hij stuurde de korporaal naar achteren, om hem te helpen, maar die kwam onverrichter zake terug. Het is wel goed, als ik U de korporaal even voorstel. Sarimanok heette hij volgens de papieren, en hij was pas kort bij het garnizoen. Hij zei nooit een woord, alsof hij zijn tong verloren was, en met die gele ogen van hem keek hij dwars door je heen. Ik liet hem geheel aan de sergeant, al kon die hem ook niet lijden, de korporaal was eerste jager en kon met stenen geruisloos doel treffen. Maar ik vertrouwde toch liever op mijn karabijn. Waarom hij de beer niet had kunnen vinden, is mij altijd een raadsel geweest.

   Juist hadden wij gegeten, en waren wij opnieuw op weg gegaan (ik maakte mij al illusie’s, zoo ver te zullen komen als nog nooit gebeurd was) toen ik ’t bericht kreeg: “een fuselier heeft buikpijn.” Den man was nog dicht bij mij, dus zei ik tegen hem: “volg maar met de achterspits.” “Ja, luitenant” was ’t antwoord. Het was een flinke fuselier, die beslist mee zou gaan, als ’t hem mogelijk was. Ik dacht, dat de man ’t gewoon in de buik had, met wat dunne ontlasting, dus veel trok ik mij er niet van aan. Na eenigen tijd kwam echter het bericht: “Hij kan niet verder, luitenant.” Ik terug, en toen bemerkte ik dat de man nog op dezelfde plaats lag waar ik hem had gelaten. Langs ’t smalle boschpad en langs den trein had ’t zoo lang geduurd voordat het bericht bij mij kwam. De man kromp van de pijn in de maag; deze voelde zoo hard als een kei. Een fuselier zei bemoedigend, dat niemand er obat (medicijn) voor had. De man kon niet loopen, lag te kermen. “Nou,” zei ik, “dan maar dragen in de tandoe”. “Dan wordt het over zessen, voor we daar met dien man zijn, luitenant,” waarschuwde de sergeant, “en als het morgen niet over is, zijn we nog verder van huis.” ’t Was zoo, en dus besloot ik aan een beek, die wij juist gepasscheerd waren, te bivakkeeren. ’t Was misschien 15 minuten loopen van de plek, waar de zieke lag, maar ’t duurde meer dan 1 uur, voordat de man er was!

   Niet alleen, dat we nu veel vroeger in bivak waren moeten gaan, maar bovendien was het een modderbeek. De oevers waren modderig, de steenen waren met een laag klei bedekt, zoodat we ’t water bij het mandieën direkt vuil maakten, en groote moeite hadden, met drooge voeten van de kant in ’t bivak te komen. De zieke leek ’s avonds wat beter, maar de volgende dag was hij verdwenen. De sergeant zei dat hij ’s nachts gerucht gehoord had, en  de Amboneesch tussen de bomen had zien lopen. Hij was achter hem aan gegaan maar was in het donker over een steen gestruikeld. Ik vond het een raar verhaaltje, als lichte slaper had ik niets gehoord. Maar zijn voet was flink gezwollen. “Erg bezeerd?” vroeg ik. “’t Zal wel gaan, luitenant,” zei hij. We waren op een geschikte plek om er naar te kijken. De panglima rukte en draaide aan de sergeant zijn voet, die deed wat zeer. Toen hij zich weer oprichtte, zag ik zijn gezicht vertrekken. Even later gingen wij echter weer op marsch. Toen we een tijdje geloopen hadden, zag ik toevallig, dat de sergeant – hij is een boom van een kerel – een pijnlijk gezicht trok. “Wij zullen hier even rusten, om te eten,” zei ik toen. “Graag, luitenant,” zei de sergeant. “Ziezoo”, dacht ik, “dan kan jou voet ook uitrusten”.

   Toen wij na de rust door zouden marcheeren, bleek het echter, dat zijn voet veel erger geworden was. De enkel was schijnbaar verzwikt. Daarom zou hij volgen bij de achterspits, terwijl ik besloot op de eerste de beste, daarvoor geschikte plaats, een in bivak te gaan. Aan welke eischen moet zoo’n bivakplaats voldoen? Bij water, een strook van + 30 Meter lang en 2 breed vrij vlak, liefst horizontaal, vrij van groote steenen en al te groote boomen. Het kwam niet in mij op, dat wij daarnaar tevergeefs naar zouden zoeken! Na een uur bleef ik eens wachten op de sergeant, een uur later kwam hij aan. Hij verklaarde, dat hij het gemakkelijkste kon klimmen dan l. Ik ging toen met eenige manschappen op verkenning naar boven, maar een uur later kwamen wij onverrichter zaken terug. Er was daar geen water. Om 3 uur waren wij op een plek waar doorgaan aan deze zijde niet mogelijk bleek. Het terrein werd al moeilijker en woester. Soms waren wij langs rotsmuren gekropen langs randjes van 2, 3 vingers breedte of met de voeten en handen in spleten van die diepte. Hoe de beren er kwamen, is mij nog een raadsel, en hoe de sergeant er moest komen, daar piekerde ik maar niet over. Wij konden nu niet verder, maar wel de stroom over, wat ik deed. De overkant scheen iets beter, ik besloot te wachten. Ik was inmiddels weer naar de oorspronkelijke oever teruggegaan. 4 Uur, nog geen sergeant. Een klein regenbuitje en ’t overtrekken van de rivier had ons doornat gemaakt. Daarbij zaten wij op + 1000 Meter boven de zee en in een winderig ravijn. Wij kregen het koud. Eenige fuseliers hadden kajoe damar, een harsrijke houtsoort, die dadelijk vlamt. Zij staken spaanders aan, om zich te warmen. Ik liet toen een paar vuurtjes maken, en stond mezelf ook te warmen en de eene sigaret na de andere te rooken. Half 5. “Wij moeten hier maar vannacht zoo blijven, luitenant,” zei de panglima. “Je kunt hier toch geen bivak maken,” zei ik. “Dan blijven we maar op de steenen zitten,” was ’t gemoedelijke antwoord, “voor toewan is er wel een plekje voor het veldbed. Dat hebben wij wel meer gedaan.” Nog wilde ik er niet aan. Daar vroeg een fuselier, of hij vast mocht gaan koken. “Goed,” zei ik. Om 5 uur ging ik met eenige fuseliers en de panglima weer ’t water over en keek nog eens aan de andere oever, volgde die een stuk. Een stuk zand van een 8 M.2 werd mij al aangewezen als een goed plekje voor mij. Zonder iets beters gevonden te hebben, kwamen wij weer bij de overgangsplaats terug. De sergeant was ook aangekomen en riep mij van de overzijde bemoedigend toe: “Ik kan niet meer, luitenant.” “Kom maar hier,” zei ik, “hier gaan we in bivak.” “Ik kan niet,” was ’t antwoord, en hij ging er bij zitten. Nou, ik liet eenvoudig alles overkomen, stuurde toen alle beren weer terug en met een man of 10 werd de sergeant over, of liever, door het water gebracht. Die zandplaat stond hem wel aan. Alleen was het te hopen dat het water niet hooger kwam, want dan liep de plek zeker onder. ’t Was intusschen half zes geworden. Alles ging druk in de weer, om zich zoo goed en zoo kwaad als het ging een bivakplaats in te richten. Voor Jansen en mij werd van mijn zeilen (stukken imitatieleer, waar mijn tent van gemaakt wordt) een tent gemaakt, en onderwijl vertelde hij, hoe hij er gekomen was. Hij rilde van de koorts, en kon haast niet meer op zijn beenen staan van vermoeienis. “Nou, luitenant,” zei hij, “nou ziet U wat men kan als men moet. Als ik in Samalanga die voet had gekregen en ze hadden gezegd: “loop nu eens naar het station,” dan zou ik het niet gekund hebben. Maar nu moest ik. Ik heb gekropen op handen en voeten. Als ’t zoo langs een rots ging, liet ik ’t door de menschen wat openkappen en dan liet ik me maar naar beneden glijden. In de tandoe ging heelemaal niet. Ze konden mij haast niet dragen, en zelf hadden ze moeite om er langs te komen. Moet U eens zien, luitenant, hoe ik er uit zie!” Ja, zijn kleeding en armen vertoonden alle sporen van dien tocht. Hij stak zijn behaarde armen uit, de mouwen waren door het kruipen opgestroopt, de armen zaten vol krabben en vuil, de broek was versleten en de man zat  onder het zand en vuil. Toen hij eindelijk zijn schoen uithad, bleek de voet bij de enkel en op de wreef zeer opgezwollen. Een oude dwangarbeider, een inlander Javaan, kon goed pitjitten (masseeren). Deze heeft hem toen ’s avonds zitten knijpen en wrijven, en wat hij toen geleden heeft, is met geen pen te beschrijven. Intusschen hadden wij nog een goed plekje gekregen en ik sliep dien nacht heerlijk, maar de fuseliers en dwangarbeiders zaten in ’t rond op de steenen. Zij maakten vuur, voor de kou, en door dat vuur knapten dan de steenen, net vuurwerk. De sergeant, die door den pijn niet kon slapen, kon daar den geheelen nacht van genieten! Gelukkig bleef het droog, want een tent hadden de menschen ook niet kunnen maken, natuurlijk. Voor hen was het dus een opluchting, toen den dag aanbrak.

   Die morgen, terwijl wij door zeer moeilijk, dichtbegroeid en steil terrein ons heenwerkten, voelde ik wat jeuk in mijn nek. Denkende, dat er een beestje tusschen de kraag was gekomen, wreef ik er over. ’t Werd erger, ik krabde, ’t ging lager, ik maakte slangachtige toeren om tusschen mijn schouderbladen komen te krabben. De heele marsch verder had ik helsche jeuk, en ik krabde als ik even kon, ondanks de welgemeende waarschuwing van de panglima. Toen we in bivak kwamen, gooide ik gauw jas en flanel uit, om te krabben, maar de pang waarschuwde nogmaals het niet te doen, want ’t kwam van een soort bladeren, (karbouwen bladeren – daoen katel) die dezelfde werking hebben als brandnetel in Holland. Zelfs krijgt men er wel koorts van. Doet men amonia op een gestoken plek, dan brandt het even een oogenblik erg, maar dan gaat ’t jeuken weg, zegt men. Mijn heele rug en nek zaten echter, door het wrijven en krabben, vol, zoodat ik weinig voor dat brandproces voelde. De lucht deed er goed aan, en toen de pang er wat vaseline op gesmeerd had, was het eenigen tijd zelfs lekker. Maar, baden kon ik mij niet, want water maakt het veel erger, en toen ik mijn nachtgoed aangedaan had, begon het jeuken weer, en ’s nachts was het een ware temptasie. Ook de volgende dagen en nachten lustte ik er van en weken daarna had ik na het mandieën moeite, om van mijn schouders en nek af te blijven. U begrijpt, hoe mijn stemming onder dat eeuwige jeuken werd!

   Ik wilde doorgaan tot bij aan de Kroeëng Peusangan, om daar dan een overgangsplaats te vinden en dan Blang Rakal te trachten te bereiken een post aan de groote Gajoeweg, misschien 2 uur gaans van de Kroeëng Peusangan af. Wij gingen dus op marsch, maar de moeilijkheden werden weer even groot als de vorige dag. Toen besloot ik, het gebergte maar te beklimmen, dan daar boven een voetpad op te zoeken, dat daar ergens moest zijn, en dat ons, langs de Peusangan, naar de spoorlijn zou voeren. ’t Eenige bezwaar was, dat wij nog maar voor 2 dagen eten hadden, en over dien afstand normaal 3 dagen, maar nu mischien wel 6 dagen zouden doen. Dus, kleine rantsoenen per dag! Met eenige menschen ging ik vooruit. Dat was een klim! U kunt mij gerust gelooven, als ik zeg dat + 500 Meter klimmen dwars door ’t bosch tegen die steile hellingen een zeer zwaar werk is en gelijk staat met een flinke marsch van een 25 K.M.!

   Bij het oversteken van de rivier viel een beer op zijn gezicht en aangezien een steen harder bleek dan zijn wang, had hij een gat in de wang onder het oog en de steen niet. Daar wij echter, vanwege den oorlog, geen pleisters meer kunnen krijgen en een hoofdverband zijn beide oogen zou dichtmaken, moest hij maar doorloopen, wat hij ook deed. ’s Avonds heeft hij er een “verbandje” om gehad, maar hij vond dat zoo onplezierig, dat hij er niet meer mee terugkwam, met gevolg dat ’t ging de wond zweren en de overigens magere vent een dikke koon kreeg, dat zijn oog er met gemak achter schuil ging. Enfin, ’t was maar een beer. ’t Ging later vanzelf over.

   Zoo nu en dan hield ik eens halt, want de sergeant kwam toch voorloopig niet. Ik ging met 2 man op verkenning uit, om te zien of de welke rug in de goede richting komt liep. Met ’t kompas in de hand gingen wij door ’t bosch. Een van de fuseliers was daar vroeger al eens geweest, en dacht het pad meer links te zullen vinden, dan ik volgens mijn kompas vermoedde. Volgens zijn aanwijzing zouden we er ook wel komen, maar meer later, dacht ik. Ik liet hem nu rustig voortloopen, naar zijn idee, maar zorgde dat hij telkens wat rechts aanhield. Nadat wij eenigen tijd door het bosch waren getrokken, kwamen wij aan een groot ravijn, aan onze kant + 400 M. diep, aan de andere zijde klom het gebergte wel 500 M. Er door moest een rivier stroomen, en nu was de kwestie: was dat de Kroeëng Peusangan, of de Kroeëng Beroeksah? Van ons standpunt was het niet te zien, of de stroom naar rechts of naar links ging. Schijnbaar kon het kompas wel uitkomst geven, maar die rivieren maken zulke groote en scherpe bochten. Daar ’t mij onverschillig was, of ik bij de Beroeksah of de Peusangan kwam, liet ik dalen. Een steile, gevaarlijke daling. Hooge boomen met wortels welke op de grond lagen, gaven ons gelegenheid langs die wortels naar beneden te klauteren. Ik dacht er maar niet aan hoe de sergeant hier zich naar beneden zou laten vallen. Halfweg bemerkte ik al, dat het de Beroeksah moest zijn. Wij daalden door verder en stonden spoedig allen behouden aan den oever. De groote rivier, stroomopwaarts meest + 50 M. breed en 1 M. diep op de waadbare plaatsen, had zich in dit deze hooge geberg bergketen een smal bed uitgeslepen. Kale Tusschen kale rotswanden liep stroomde het water met groote vaart door. Vaak was de breedte slechts enkele meters, zou men er zoo over springen; nergens was de stroom breeder dan 10 Meter. Wel wezen de sporen uit, dat het water soms meters hooger kwam. Wat zal het daar vreeselijk banjirren! De wanden waren ook tot op groote hoogten steil. Waar bij regen het water van het gebergte de hellingen omlaag kwam, waren nu een soort gruisbanen zichtbaar, voor ’t oog loodrecht. Ook in ’t de begroeide hellingen lagen vol rots- en rolsteenen. Deze laatste waren bij het dalen en klimmen, waartoe de moeilijkheden vaak dwongen, zeer gevaarlijk. Ik krijg liever een zoen, dan zoo’n ding op mijn kop! Veel grotten werden er gepasseerd en aan de overzijde waargenomen. Meestal vlak aan het water. Een was zoo diep en groot, dat er wel een 50 man in kon. Soms waren het ook groote holen, met gangen. Allen werden natuurlijk afgezocht. Een plek droeg nog de sporen van een vers kampement. Het was dus wat men noemt rebellenland. Nog niemand van het detachement was hier geweest.

   Het eerste, wat we met vreugde begroetten, was een geschikte beek om te bivakkeeren. En even later vonden wij het pad. Toen gingen wij gauw terug en op ’t punt waar wij de fuseliers hadden achtergelaten (wij hadden daar eerst nog gegeten) werden wij verrast door de sergeant. Hij was + 2 uur later dan wij aangekomen. ’t Klimmen ging wel, op de teenen kon hij steunen maar op de hiel heelemaal niet. Toen hij dan ook, om in ’t bivak te komen, steil moest dalen, maakte hij toch maar gebruik van de tandoe.

   Bij het houtzoeken voor het bivak, stuitten 2 fuseliers op een groep gajoeërs (menschen uit Gajoeland), en ze verstopten zich tussen de daoen katel, terwijl de opstandelingen in het bosch verdweenen.. Wat hadden die arme drommels een jeuk aan armen en beenen! Zij waagden er de brandpijn aan, of liever, dat werd niet gevraagd, ze werden eenvoudig “medisch behandeld” door den sergeant. ’s Nachts kwam het echter toch weer terug! Net als de gajoeërs. Ook de zwerende wang van de beer was alarmerend. Hij kon zo echt niet verder, maar ik wilde hem niet ook kwijtraken (die eerste beer heeft ons nooit ingehaald, die is vast van zijn vrijheid gaan genieten, net als de inlandse fuselier). De korporaal, Sarimanok, moest dan maar bij hem blijven, dan sloeg ik 2 vliegen in 1 klap, van die goena-goena griezel kon ik mij dan mooi ontdoen (hij gaf mij meer kriebels dan de karnouwen bladeren). Maar het zou zover echter niet komen. Die nacht werd ik mijn tent uitgelokt door kreten en een vreemd geraas. De sergeant was al buiten, maar hij kon niet loopen, dus ging ik alleen poolshoogte nemen. Het was de korporaal die steenen gooide naar omhoog tegen de bergwand, en de daardoor ontstane lawine van gruis en keien viel neer op de Gajoeërs. Die hadden ons omsingeld! Een fuselier kwam aangerend, het bloed droop van zijn klewang. Hij had twee koppen afgehakt en ik gaf hem twee knaaken, die had hij wel verdiend. Aan de kreten kon ik horen dat de rebellen een veilig heenkomen hadden gezocht, daar zouden we geen last meer van hebben, en ik besloot ze zonder sergeant niet achterna te gaan. Ik gaf de fuselier opdracht om de korporaal bij mij te brengen, maar hij kwam even later terug. “De korporaal is weg,” zei hij. Ik dacht dat de man het bosch in was en later weer zou opduiken, maar ik heb hem niet meer gezien. Toen moest ik een fuselier opofferen om bij de beer te blijven. De groep leek wel 10 negertjes, het werden er steeds minder.

   Bijna had de patrouille nog een grooter ongeluk getroffen. Onder het baden werd mij plotseling toegeschreeuwd “Oeler, oeler.” Ik zag nog niets, maar haastte mij toch opzij. Ik had onder een hooge wal gezeten, en op de struiken die daarop stonden groeiden, lag een groene slang van + 1 Meter lang, volgens de menschen zeer vergiftig! Nu ik weg was sloeg een fuselier het dier de ruggestreng door en even later namen de golven van de Peusangan het reptiel mede naar zee.

VI     Goede tijding

        Toen ik bij het volgende bivak uit de beek kwam van het baden, kwam een fuselier mij vertellen, dat hij op het pad bij het houtzoeken een blanke heer met zijn gevolg was tegen gekomen. Die waren om 9 uur van Blang Rakal gegaan. Dit pad ging naar Kroeëng Peusangan, deze kon daar doorwaad worden en dan ging er een goed pad naar Blang Rakal. Die meneer had geen tijd gehad even bij mij te komen. Wat een vreugd! Nu behoefden wij geen honger te leiden, want voor 2 dagen rantsoen was toch nog wel voldoende tot Blang Rakal! Om ons er aan te herinneren dat we nu eenmaal ongelukkig waren, kwam even later een ander fuselier met dikke wangen en oogen. Het leek wel een volle maan. De arme kerel was in de karbauwenbladen terecht gekomen, en alles was opgezwollen. De volgende morgen leek hij wel een Chinees, met van die spleetoogen! Na een heerlijk middagslaapje (een bijzonderheid op patrouille) was de sergeant ’s avonds lekker opgeknapt. Toen werd hij nog eens gemasseerd, en de volgende morgen ging het al veel beter. Langs het pad hield hij de marsch haast bij, tot de groote daling begon, want om bij de Kreoeen Peusangan te komen, moesten wij weer evenveel omlaag als wij de vorige dag omhoog waren gegaan. ’t Pad was nogal gemakkelijk. Bij de rivier vonden wij een zouthoudende bron (kaliezouten). Alle beesten schijnen van dat water te houden, en daar zij laden en lossen tegelijk, hing daar een vreeselijke beerputlucht en zakten wij tot over de enkels in de drek. De Kroeëng Peusangan is veel grooter dan de Kroeëng Beroeksah. Hier was hij + 150 Meter breed. En op de plek waar wij er door trokken wel 300 Meter. Het water kwam over het middel en de stroom en groote rolsteenen maakten het overtrekken niet gemakkelijk. Bij de minste banjir is die Kroeëng dan ook ondoorwaadbaar. Verscheidene fuseliers zijn hier helaas verdronken. Aan de andere oever gekomen, werd een plaats voor bivak aangewezen. Ik ging met eenige manschappen de omtrek verkennen, en toen wij terugkwamen, was de sergeant gearriveerd. ’t Was nog heel vroeg, + 11 uur, toch besloot ik maar in ‘t bivak te gaan om hem te laten rusten. De menschen waren aan ’t werk, toen er weer een vreemdeling aankwam. Dit was een Maleier, maar een heele meneer, gewapend met een jachtgeweer. Hij was om 9 uur van Blang Rakal gekomen met een goede 20 Gajoekoelies. Hij was opnemer bij een mijnbouw onderneming. De meneer, die men de vorige dag had gezien, was een geoloog. Hij raadde ons aan, naar Blang Rakal te gaan, ’t was maar 2 uur loopen. Eerst wilde ik het doen, maar de sergeant waarschuwde mij, dat het transport, dat om de 2 maal ‘s maands van Bireuën langs de Gajoeweg naar Takengon gaat en waaraan Blang Rakal zijn bestaan dankt, omdat daar een dag gerust wordt, dien dag in Blang Rakal moest zijn, hetgeen de Maleische opnemer bevestigde. Dan hadden ze daar geen plaats voor de menschen en konden wij beter wachten tot de volgende dag. De opnemer bleef wat met ons praten, want zijn koelies waren er nog niet. Om + 12 uur kwamen er een paar, bijna een uur later kwam de rest, toen duurde het wel een uur voor zij over waren, en daar zagen wij ze weer een heele tijd rusten. En de opnemer kan daar niets tegen doen. Die menschen zijn vrije koelie’s, treedt hij streng op, dan gaan ze eenvoudig weg, en laten hem met al zijn hebben en houwen in de rimboe zitten! Wel wordt een zachte druk door de bestuursambtenaar uitgeoefend, maar veel trekken zij zich daar ook niet van aan. Zij weten, dat ’t geen ‘moet’ is, en al looft men nog zoo veel uit, ze zijn nu eenmaal lui. Thuis behoeven ze niet te werken en hebben ze eten en kleeren, daar moet de vrouw voor zorgen. Waarom zouden ze zich nu inspannen om meer geld te krijgen? Dan vraagt de Compagnie ook meer belasting, denken ze. Wat In stilte dankte ik den hemel dat ik niet met die kerels moest werken. Neen, dan zijn onze kettinggangers, alias beren, duizend maal beter!

   Enfin, wij gingen toen afgeslankt op marsch naar Blang Rakal en toen wij daar om ongeveer 11 uur aankwamen, was de patrouille afgelopen. Maar nog zes weken later voelde de sergeant zijn verzwikte en daarna geforceerde voet!

 

Pa, U moet op de adressen zetten: Samalanga (Atjeh) Ned. Oost Indië, daarom is die door den censor geopende en teruggezonden brief niet doorgegaan. Enkel Samalanga is natuurlijk niet genoeg, en enkel Atjeh is voor Engelsche postlui blijkbaar waarschijnlijk ook onvoldoende. Op die brief stond alleen “Samalanga”

   Alles wel, vele kussen van en aan allen van Uw liefhebbende Sien en Anton (die schrijfkramp heeft!)

 

 

 

Anton Metsers werd voor korte tijd op non-actief gesteld. Het ‘zoekraken’ van kettinggangers moest worden ‘bestraft’ en hij kreeg een meer civiele functie toebedeeld: onder zijn leiding werd een brug gebouwd over de  Kroeëng Peusangan. Later werd hij overgeplaatst naar Bandoeng op Java. Begin jaren twintig verliet hij met pensioen de militaire dienst als kapitein en vestigde zich in het Zeeuwse Wissenkerke waar hij een melkveehouderij begon.

   De Atjehoorlog werd in 1914 door Nederland beëindigd verklaard. Voor de Atjehers zelf was dat pas in 1942 toen de Japanse landing met zich meebracht dat de Hollanders voorgoed werden verdreven.

 

 

 

 

 

De Nadivalaya Yantra is een van de grootste zonnewijzers ter wereld en maakt deel uit van het astronomisch observatorium in Jaipur, India, dat in de eerste helft van 18e eeuw werd gebouwd in opdracht van Maharadja Sawai Jai Singh.

 

 

 

 

ASTROLOGICA

De verbeelding aan de macht

 

 

In de loop van de tijd is het aanzien van de wereld drastisch veranderd. Maar niet overal in dezelfde mate. Waar huizen verrezen leken deze zichzelf te vermeerderen als bacteriekolonies op een petrischaal. Gehuchten werden dorpen werden steden, agglomeraties van menselijke activiteit, een stukje aardoppervlak bedekkend met een korst van beschaving. Elders leek de tijd stil te staan.

   De toeristenindustrie maakt thans gulzig gebruik van zulke anomalieën in het ruimtetijdcontinuüm en biedt Tijdreizen aan. Tegen een schappelijke prijs.

 

 

 

Het pad was stoffig. Haar voeten hadden dezelfde kleur als de rafelige sandalen waar ze uitstaken. Die ochtend had ze haar teennagels geverfd maar dat was niet meer te zien. Langs de kant van de weg stond een geit. Het beest had een open wond waarin ze iets zag bewegen. Er moest nog iemand zijn die dat wist want de geit was vastgebonden aan een tak van de vuurdoorn in de berm. Gingen ze de geit opeten of werd ze alleen maar gemolken?

   Amanda had best wel zin in een glas melk. Het was warm, maar dat was ze gewend. Het had maanden niet geregend, maar dat was normaal. De droge tijd. Ze had nog een fristi in haar rugzak maar die wilde ze voor straks bewaren. De brede rivier die twintig meter lager aan haar linkerzijde kalm voortkabbelde, had haar in zijn greep. Daar wilde ze heen, maar dan moest ze wel ergens naar beneden. Verderop zou wel een paadje zijn.

Ongeveer honderd meter van de weg af stond aan de andere zijde een hoog raamloos bouwwerk waar allerlei draden uitkwamen. Via houten palen liepen die draden in verschillende richtingen door het dorre land. In de schaduw van de toren hurkte een zwarte vrouw in een kleurig gewaad bij een stapel bakstenen. Met haar ene arm hield ze een hertje aan de borst terwijl ze in haar vrije hand een bijltje hield waarmee ze de stenen tot gruis hakte. Niets ging hier verloren, zelfs overtollige baksteen werd opnieuw gebruikt.

Uit de richting van de toren kwam een zoemend geluid. Elektriciteit. Maar toen Amanda omhoog keek zag ze een reusachtig wespennest hangen waar een wolk van hoornaars de lucht bijkans verduisterde. Goed nestmateriaal, de isolatie van die draden. Ze vroeg zich af wie de onvermijdelijke kortsluiting ging repareren.

   Nadat ze verder was gelopen, zag Amanda dat de helling naast de weg minder stijl werd. Het kostte haar weinig moeite om een paadje tussen de lage struiken door te vinden en naar de rivier af te dalen. Langs de oever vond ze een comfortabele plek in de schaduw van een paar grote bomen waar ze in het droge gras ging zitten. Het was weldadig. In de natte tijd zou deze plek onder water staan maar nu was alleen de weelderige vegetatie een verwijzing naar de halfjaarlijkse irrigatie.

   In de verte zag ze de grillige vormen van een exotische tempel. Daar zou ze straks heen gaan. Nu was ze lekker alleen. Ze rommelde wat in haar rugzak en dook de fristi op. En ze had ook nog een broodje. Evenals een Duitstalig tijdschrift, Sternzeit, dat ze de vorige avond uit de lounge van het hotel had meegenomen naar haar kamer. Voor ze was ingeslapen had ze een artikel over Mellie Uyldert gelezen dat haar geschokt had. Daar stond het: Uyldert vond dat hele bevolkingsgroepen inferieur waren en tegelijkertijd dat iemands persoonlijke kwaliteiten bepaald werden door de stand der sterren op het moment van geboorte. Hoe konden hele bevolkingsgroepen op het verkeerde moment geboren worden?

   Sternzeit. Dat deed haar aan Startrek denken. Ze pakte de tablet uit haar rugzak en nadat ze een paar foto’s had gemaakt van het idyllische plekje, startte ze het Emergente Universum op zoek naar de Kosmologische Samenhang. 

  

 

 

Sterrentijd is de tijdsduur waarmee de aarde exact één maal om haar as draait. We hebben geleerd dat de aarde in 24 uur om haar as draait, want een etmaal duurt 24 uur. Dat laatste is juist, maar tijdens die 24 uur is de aarde een klein stukje verschoven ten opzichte van de zon (want de aarde draait immers ook rond de zon). In werkelijkheid draait de aarde dus iets sneller om haar as: één omwenteling duurt 23 uur, 56 minuten en 3,45 seconden. Na enkele dagen lijkt de sterrenhemel om twaalf uur ‘s nachts nauwelijks veranderd, maar bekijk je op datzelfde tijdstip de hemelkoepel na een paar maanden, dan ziet het er heel anders uit (bij helder weer natuurlijk).

   De sterrentijd zegt dus iets over de tijd die verstreken is sinds de passage van het lentepunt  over de meridiaan. Met andere woorden, de tijdsduur tussen het moment dat de zon loodrecht boven de evenaar staat en bijvoorbeeld het moment van je geboorte (ongeacht waar dat was). Als de sterrentijd van je horoscoop bijvoorbeeld één uur en dertig minuten bedraagt, dan wil dat zeggen dat het lentepunt 1½ uur geleden over het exacte zuiden is gegaan, in westelijke richting.

   Het is nu interessant om zelf de waarde van de sterrentijd te berekenen voor een willekeurige dag en tijd. Daarmee kun je dan de huizen van de horoscoop zonder tabel berekenen (met behulp van de formules voor de Placidus huizenberekening).

 

 

 

Daarna volgde een niet meer te begrijpen verhandeling over berekeningen waarvan de zin haar ontging. Amanda besloot de mystieke wereld van sterrenwichelaars te verlaten en op zoek te gaan naar meer aardse realiteit.

 

  

 

 

Een jaar nadat Isaac Newton de omwenteling van de planeten rondom de zon (heliocentrisch model) verklaarde met behulp van zijn universele zwaartekrachtswet (1687) werd in Amber in de Indiase deelstaat Rajasthan een prinsje geboren. Jai Singh was de eerste zoon van Raja Bishan Singh, heerser van Kushwaha, die er zorg voor droeg dat het kind van jongs af aan zowel fysiek als geestelijk een goede opleiding kreeg.

   Na de vroege dood van zijn vader in 1699 werd Jai als 11-jarige de nieuwe Maharadja van Amber. Zijn moeder, Indra Kanwar, was zo verstandig om er op toe te zien dat hij zijn lessen bleef volgen. Zijn geschoolde leraren onderwezen hem in godsdienst, wijsbegeerte, kunst en architectuur. Bovendien werd de leergierige jongen ingewijd in oude hindoe verhandelingen over astronomie en wiskunde. De natuurwetenschappen boeiden hem zodanig dat ze hem prikkelden tot het ontwerpen van vernuftige constructies. Als 13-jarige bedacht hij een manier om de Hangende Tuinen van Amber van water te voorzien. Ook beheerste hij al op jonge leeftijd voldoende Sanskriet en Perzisch om zich toegang te verschaffen tot de Indiase en Islamitische wetenschappelijke traditie.

   Hoewel hij als hindoe ondergeschikt was aan de Grootmogol Aurangzeb, verkeerde Maharadja Jai Singh in een bevoorrechte positie van welstand en macht. Hij gaf zijn leraar Jagannatha Samrat opdracht om de oorspronkelijke Hè mathèmatikè syntaxis van Klaudios Ptolemaeus uit het Arabisch in het Sanskriet te vertalen. De ingewikkelde omwentelingsbanen in het geocentrisch model van het zonnestelsel had Ptolemaeus in de 2e eeuw berekend en het werk was in 827 in het Arabisch vertaald onder de naam Kitab al-Madjisti. Ondanks zijn onjuiste uitgangspunt dat de zon om de aarde zou draaien, was zijn ingenieuze model van ineendraaiende cirkels een nauwkeurige weergave van zijn waarnemingen.

   De Middeleeuwse Arabische en Perzische astronomen hadden het uitgangspunt van Ptolemaeus nooit in twijfel getrokken en probeerden met steeds preciezere waarnemingen het model te perfectioneren. Met behulp van steeds betere astronomische instrumenten werden in observatoria in Bagdad, Caïro en Nishapur nieuwe sterren in kaart gebracht en toegevoegd aan de catalogus van Ptolemaeus. Vergelijkbare inspanningen werden verricht in het islamitische Spanje met de Tabellen van Toledo, gevolgd door de Alphonsine Tabellen opgesteld in Sevilla door Arabische astronomen. Enkele jaren later werden onder leiding van Nasir al-Din al-Tusi in de sterrenwacht van Maragha de nog gedetailleerdere Tabellen van Il-Khanid gemaakt. Mede door de wetenschappelijke bijdrage van de kleinzoon van Dzjengis Khan werd de kennis van de Grieks-Arabische astronomische traditie tot in de Chinese Yuan-dynastie verspreid.

   Maar de belangstelling van Jai Singh ging vooral uit naar de uiterst accurate Tabellen van Ulugh Beg, die een kleine drie eeuwen eerder in het observatorium van Samarkand tot stand waren gekomen. Het leek hem bijzonder interessant om te zien of de posities van de sterrenbeelden in de tussentijd waren veranderd. Aanvankelijk gebruikte hij de kleine koperen instrumenten van de islamitische astronomen die verbonden waren aan het hof van de Mogol. Maar spoedig ontdekte hij dat de grootte van de instrumenten bepalend was voor hun accuratesse. Later besloot hij om het observatorium in Jaipur te laten bouwen. De reusachtige instrumenten werden opgetrokken uit steen en marmer en, indien nodig, voorzien van bronzen mechanieken. Met behulp van deze giganten kon hij zijn bescheiden ambitie gestalte geven: het perfectioneren van de Tabellen van Ulugh Beg en precies aflezen hoe laat het was.

   Al-Biruni, de beroemde historicus en astronoom uit de 11e eeuw, had al geconstateerd dat de grootte van de instrumenten bepalend was voor de waarneming: “Hoe groter het instrument, hoe nauwkeuriger de observatie.”  Jai Singh was een belezen man en zijn besluit om het woord bij de daad te voegen, had monumentale gevolgen. Grootmogol Aurangzeb was diep onder de indruk en beloonde zijn ondergeschikte met de superieure titel ‘Sawai’.

   Vrijwel zeker kreeg de Maharadja ook Franse en Engelse tabellen onder ogen. Deze waren heel uitgebreid want de Europese astronomen hadden immers beschikking over telescopen. In zijn Zij Mohammad Shahi maakte hij echter geen enkel gewag van het bestaan van optische instrumenten. Evenmin liet hij ergens doorschemeren of hij op de hoogte was van het heliocentrische wereldbeeld dat Europese astronomen hanteerden ter verklaring van de beweging der hemellichamen. Wellicht kwam dat doordat zijn contact met deze wetenschappers verliep via katholieke missionarissen en streng gelovige Christenen die niets moesten hebben van de ketterse opvattingen van Kopernikus, Gallileo en Kepler. Maharadja Sawai Jai Singh volhardde in de 1500 jaar oude opvatting van Ptolemaeus. Hij erkende dat de aarde bolvormig moest zijn want elke verplaatsing op aarde, ongeacht de richting, veroorzaakte een gelijkmatige verandering in de hoogte van de sterren en de tijd van hun opkomst. Bovendien realiseerde hij zich dat de afstand tot de hemel immens moest zijn. Waar men zich ook bevond, de sterrenbeelden veranderden niet. Afmetingen op aarde waren verwaarloosbaar in vergelijking met de afstanden tot de sterren.

 

 

 

Amanda verbaasde zich over de tolerantie van de islamitische mogolheersers om toe te staan dat een groot deel van de bevolking openlijk hindoe was. Ze had altijd gemeend dat de islam geen andere religies duldde, laat staan de afgoderij van ontelbare versies van Shiva, Vishnu en Devi. Hoe zat dat eigenlijk met die moslims?

 

 

 

 

Omar bin Khattab behoorde tot een invloedrijke familie binnen het stamverband van de Quraisj, de beheerders van de ka’aba in Mekka. Als zodanig kreeg hij een, voor zijn stam, bovengemiddelde opleiding – hij leerde lezen en schrijven – terwijl zijn hardvochtige vader hem opdroeg om in zijn vrije tijd voor de kamelen te zorgen. Ondanks zijn strenge opvoeding droeg Omar het hart op de tong. Rond 600 nam hij deel aan de worstelsessies op de jaarmarkten en zelden nam hij een blad voor de mond als zijn tegenstander hem niet beviel. Zijn gespierde gestalte en goed gesneden tongriem dwongen zoveel ontzag af dat hij zich onbehouwen kon gedragen.

   Net als de rest van zijn familie hield hij zich bezig met koophandel, waarin hij behoorlijk succesvol bleek te zijn. In de loop van de 7e eeuw bouwde de gewiekste zakenman een redelijk fortuin op. Hij was een man van aanzien, had verscheidene vrouwen en kinderen en een prima verstandhouding met zijn broers en zusters, vooral met Fatima.

   Herhaaldelijk had hij zich nogal minachtend uitgelaten over ene Mohammed bin Abdullah, een ander lid van de Quraisj. Die man kon niet eens lezen en schrijven, maar wel had hij anderen weten over te halen om de verzen die hij declameerde op te schrijven. Een Qoer’an noemde hij dat, de uitslover.

Omar wilde aanvankelijk niets weten van de verzen, maar toen hij merkte hoe verzot Fatima op ze was, kon hij niet nalaten er een blik op te werpen. Spoedig raakte hij zodanig in de ban van de meeslepende woorden van Mohammed dat hij besloot de man zijn respect te betuigen. In de traditie van de hogere kasten van Mekka waartoe Omar behoorde, werden woorden heel zorgvuldig gewogen en hij moest toegeven dat de woorden van Mohammed zo’n indruk op hem hadden gemaakt dat hij zich er helemaal aan wilde onderwerpen. Hij zou willen dat die woorden ook de zijne werden.

   De bewonderaars van Mohammed kregen het hard te verduren in Mekka. Verreweg de meeste stamleden voelden zich bedreigd door de populariteit van Mohammed en het fanatisme van zijn volgelingen. Van oudsher vereerden de Quraisj de vele goddelijke wezens die in de ka’aba die waren afgebeeld. Ze verwierpen de spirituele ideeën van Mohammed, vooral toen hij ze nogal provocerend in het openbaar begon te verkondigen. Na verloop van tijd voelden de bewonderaars van Mohammed, die zich Moslims waren gaan noemen, zich zo bedreigd dat ze de stad ontvluchtten. Een aantal trok over de Rode Zee naar Abessinië en korte tijd later vertrok een gezelschap met Umar en Mohammed naar Yanthrib (Medina). In deze stad werden ze minder vijandig bejegend en zelfs gesteund in de verspreiding van Mohammeds bevlogen boodschap.

   In de jaren daarop werden verschillende missionaire expedities ondernomen en Omar wist een aantal karavanen uit Mekka te overmeesteren waardoor de economie van Quraisj werd ontwricht.  Vanzelfsprekend leidde dit tot een ware oorlog. Een poging van de Quraisj-leiders om Yanthrib te bezetten, mislukte omdat de strijders onderling verdeeld leken te zijn. Na verscheidene gevechten en schermutselingen trokken de Moslims naar Mekka. Mohammeds reputatie was inmiddels zo gegroeid dat ze geen enkele weerstand ondervonden en de stad zonder bloedvergieten konden innemen. Het was 630.

Vier jaar later werd Omar bin Khattab de belangrijkste heerser van het Arabische Rijk. Tijdens zijn kalifaat werden de Perzen in het oosten teruggedrongen en gebieden in Noord Afrika en het Midden Oosten veroverd. De geharde militair beloofde zijn islamitische onderdanen een zachtmoedige en rechtvaardige regering. Hij besefte dat de belijdenis van Mohammeds gedachtengoed wel enige staatsstructuur kon gebruiken. Hij zag toe op een goede organisatie van de openbare gebedsdiensten, onder meer door de invoering van de Tarawih. Hij belastte Zaid bin Thabit met het verzamelen van alle heilige verzen en deze te bundelen in een boekvorm (Mashaf). En hij nam maatregelen om ervoor te zorgen dat de leer van de Heilige Koran uitvoerig werd verspreid. Honderden scholen werden opgericht waar, onder begeleiding van hooggekwalificeerde docenten, de teksten werden gelezen en uit het hoofd geleerd (enkv. madrassa). Hij beval dat overal in de veroverde gebieden moskeeën moesten verrijzen en de ka’aba liet hij restaureren en groter maken.

   Na enkele jaren begon het tot Omar door te dringen dat een strenge datering van zijn instructies bevorderlijk zou zijn voor de reorganisaties in zijn Rijk. Er was behoefte aan een kalender. Natuurlijk bestonden er wel kalenders, maar die leken hem ongeschikt. De Romeinse kalender was gedateerd en omslachtig en de Perzische kalender achtte hij ongeschikt voor Moslims. Daarop besloot hij dat er een islamitische kalender moest komen. De jaartelling zou beginnen in het jaar dat hij met Mohammed was vertrokken naar Yathrib (de hidjra) en dat jaar zou op hetzelfde moment beginnen als de Arabische Muharram, dat wil zeggen: ruim twee maanden vóór hun vertrek uit Mekka.

   De twaalf maanden waaruit het jaar was opgebouwd, begonnen telkens op de eerste avond dat de dunne maansikkel kort na zonsondergang in het westen met het blote oog weer zichtbaar was (geboorte van de nieuwe maan). Elke maand van de kalender telde 29 of 30 dagen, net als in de oude Arabische maankalender, maar er werd niet gecorrigeerd voor de jaargetijden. In ruim dertig jaar doorliep elke maand zo alle seizoenen. De weken bleven traditiegetrouw bestaan uit zeven dagen.

   Vanaf de 9e eeuw werden tabellen met een vooruitziend karakter opgenomen in de islamitische sterrenkundige handboeken (Zij’s). Volgens de tabellen van Ptolemaeus duurde een maanmaand gemiddeld 29½ dag. Door om de dertig jaar aan de laatste maand een extra dag toe te voegen, konden de schijngestalten van de maan voldoende nauwkeurig worden voorspeld. Officieel werden dergelijke kalenders echter niet toegestaan omdat ze in strijd waren met het verbod op schrikkeljaren.*

 

 

 

Daar was-ie weer, de maankalender. Waarom wordt dat achterlijk gevonden? Er is toch niks mis mee om de tijd door de loop van hemellichamen te bepalen? De zonkalender is natuurlijk veel praktischer maar naarmate je dichter bij de evenaar komt, zijn de seizoenen niet meer zo duidelijk te onderscheiden.  

   Kalenders gebaseerd op sterrentijd zijn in zekere zin superieur, al vereisen ze zo veel vaardigheid dat ze alleen door wiskundig onderlegde astrologen worden gebruikt. En dan alleen om een horoscoop te maken.

   Zon en maan regelen misschien  meer dan alleen getijden en ook de nabije planeten beïnvloeden wellicht de bewegingsrichting van de chromosomen tijdens de meiose. 

Als bovendien de sterren, die behalve ten opzichte van de aarde ook ten opzichte van elkaar vele lichtjaren verwijderd zijn, invloed hebben op ons bestaan, dan moeten astrologen in synchroniciteit geloven. Ook Jungiaanse of psychologische astrologie brengt niets nieuws onder de zon. Neem Algazel.

 

 

 

 

Eén van de belangrijkste oelama in Bagdad rond 1100 was ongetwijfeld Abu bin Ghazali (ook wel genoemd Algazel, niet te verwarren met de oryx of sabelantiloop). Zijn oprechte zoektocht naar ware kennis en rechtschapenheid ging gepaard met een wispelturige levenswandel. Als docent aan de Nizamiyyah Madrassa in Bagdad besefte hij dat de hoge ethische normen van een deugdzaam leven niet samengingen met het werken voor sultans, viziers en kaliefs. Profiteren van de rijkdom van de militaire en politieke elite betekende medeplichtigheid aan hun corrupte en onderdrukkende heerschappij en zou iemands vooruitzicht van verlossing in het hiernamaals in gevaar brengen. In 1095 zwoer hij geen les meer te zullen geven op een door de staat gesponsorde school (madrassa). Korte tijd was hij nog verbonden aan een kleine particuliere school (zawiya) maar stichtte een jaar later zijn eigen soefi-klooster (khanqah).

   Jarenlang leidde hij een zwervend bestaan terwijl hij zich verdiepte in het soefisme. Hij merkte dat zijn toewijding hem in een toestand van extase kon brengen die hem deed beseffen dat de Waarheid alom tegenwoordig was. De goddelijke waarachtigheid kon niet worden beredeneerd maar moest worden ontvangen. Een werkelijk rechtschapen mens werd als vanzelf vervuld met de Waarheid. Al die geleerden die zich hadden onderworpen aan de logica van Socrates hadden het bij het verkeerde eind.

 

 

 

 

Amanda heeft genoeg gelezen. Ze is tot de conclusie gekomen dat de leer van al- Ghazali lijnrecht staat tegenover de opvattingen die hebben geleid tot haar aanwezigheid op die plek, tot haar tablet, tot dit hele verhaal. Vreemd is het trouwens wel dat moeders er toe doen terwijl dochters worden doodgezwegen. Ze leunt achterover tegen de gladde boomstam en snuift de lucht van de rivier op. It’s a man’s world jengelt het in haar hoofd (but it would be nothing without a woman or a girl). Het ruikt heel vaag naar bederf, maar niet hinderlijk, eerder verfrissend. Hoe heette dat bruine water ook weer? Ze heeft het geweten maar is de naam vergeten. Het deed er ook niet toe. Ook het kabbelen van een naamloze rivier klinkt weldadig. Doezelend ziet ze een roze vogel langs de oever waden. Ineens is-ie verdwenen.

 

 

Ze bergt haar spullen in haar rugzak en begeeft zich langs de rivier in de richting van de tempel, waar de anderen moeten zijn. De contemplatieve wandeling en bescheiden picknick hebben haar goed gedaan maar nu heeft ze behoefte aan gezelschap.

   In de verte ziet ze iemand wuiven.

   Nadat ze de rivierloop een tijdlang heeft gevolgd, blijkt ze nog maar weinig te zijn opgeschoten. Het tempelcomplex ligt nog even ver verwijderd als een uur geleden en het is inmiddels geheel verlaten. Een beklemmend gevoel bekruipt haar. Door de hitte is de lucht niet meer zo helder. Dat is het natuurlijk, het is heiig, daarom zie ik niks!

   Ze vervolgt haar wandeling langs de rivier. De oever is goed begaanbaar, anderen waren haar voorgegaan, ze kan een vaag pad onderscheiden. Daarom ergert het haar dat de tempel maar niet dichterbij komt. Nog erger, de rivier lijkt hier een zijarm of een grote uitstulping te hebben, waardoor ze haar richting bijna een kwart slag moet wijzigen. Ik had van tevoren even op de kaart moeten kijken.

   Ze haalt haar tablet tevoorschijn maar merkt dat ze geen bereik heeft. Wat vreemd. Net ging het nog wel.

   Haar ongerustheid wordt er niet minder op als ze ziet dat de kromming van de oever zo ver gaat dat ze op haar schreden lijkt terug te keren. In plaats van naar de tempel toe loopt ze er nu van af.

   Het duistere brede water maakt haar angstig. Amanda merkt dat ze haar pas versneld heeft. Dat moet ik niet doen, het is te warm, dan krijg ik dorst en ik heb niets te drinken meer bij me.  

   Ze maant zichzelf tot kalmte. Waar is het pad gebleven waar ze had gelopen voordat ze naar de rivieroever was afgedaald? Ze tuurt in de richting waar ze meent dat het moet liggen. En dan ziet ze iets onverwachts.

   In de verte staat de rood-witte minivan van JoBo, de reisorganisatie. Iemand wuift naar haar. Ze hadden haar natuurlijk opgespoord via haar mobieltje. Of het nou ging om een reis naar het verleden of verdwalen in het heden, de moderne techniek staat voor niets!

   Toch haalt ze opgelucht adem. Ze kijkt op het schermpje van haar smartfoon: geen bereik!? Dus…

   Als ze weer opkijkt, is het busje verdwenen. Paniek. Alsof ze door de grond …

 

 

 

De roze vogel verschijnt weer. Het dier staat stokstijf en vliegt moeizaam op als Amanda overeind komt. Onwillekeurig kijkt ze op haar mobiel. Natuurlijk had ze bereik. Waar kwam zo’n visioen vandaan? Uit het niets. En het was allesbepalend. Wat ga je doen, terug of vooruit? Ze bedenkt dat ze haar vragen de wereld rond kan laten gaan, was draadloze digitale communicatie niet juist een vrouwelijke uitvinding, er was vast wel ergens iemand met een zinderend advies. Ze kon haar broer bellen. Vragen wat hij zou doen in haar plaats. Ze wist nu al dat ook hij een muntje zou opgooien. Niemand zou haar zekerheid kunnen geven over wat de juiste keus was. Hooguit een geloof aanpraten, waar ze sceptisch tegenaan zou kijken. Tijd om je verstand te gebruiken.

De grootste kans om iemand te ontmoeten, waar een ezeldrijver of een airconditioned minivan haar wellicht een lift zouden geven, was zonder twijfel het stoffige pad waarvan ze is afgedwaald. Het is duidelijk wat haar te doen staat. Waar je ook bent, in de wereld of in gedachten, logisch redeneren lijkt de enige constante onder de sterren.

 

 

 

De bus heeft oponthoud gehad. De chauffeur is een chauffeuse. Bij een wegcontrole is dat in verkeerde aarde gevallen. Iedereen moet uitstappen. De Kalasjnikovs dreigen het busje aan flarden te blazen. De passagiers zijn ontzet. Een man biedt aan om het stuur over te nemen. Er wordt langdurig – elke minuut lijkt een uur – onderhandeld in een taal die niemand lijkt te verstaan. Geblaf, gegrom. Dan mag iedereen instappen. De man achter het stuur maakt dat ze wegkomen.

 

 

 

 

 

 

De wereld zal blijven veranderen. Steeds sneller en sneller. Zodat de verschillen steeds grote worden. Verschillen in opvatting lijken op verschillen in tijd: met genoeg geduld valt alles te overbruggen. Tijd speelt geen rol meer. Alleen de gebeurtenis, of de projectie ervan op een willekeurig moment. Sommigen menen zelfs dat met de ouderdom het waarheidsgehalte van een gebeurtenis stijgt. De landing op de maan wordt daarmee bedrieglijker dan Mariahemelvaart en die laatste verliest haar essentie naast de vlucht van Icarus en zijn vader. Overeenkomstig wordt het opgooien van drie munten in de Yijing een grotere waarde toegekend dan het berekenen van p door Archimedes. En het absolute niets vóór de oerknal overtreft alles.

 

Amanda’s vader vraagt zich af waar de waarnemers vandaan komen als zijzelf de werkelijkheid creëren. Volgens de astrofysicus John Wheeler is het universum een zichzelf veroorzakend principe.

In Einsteins achtertuin door Amanda Gefter, Maven Publishing 2014.

Het Perzische rijk werd destijds door de islamitische Mogoldynastie geregeerd.
Bv. de Tabulæ Astronomicæ van Philippe de la Hire en de Historia Coelestis Brittanica van John Flamsteed.
De Zij Muhammad Shahi is een verzameling astronomische tabellen die werden opgesteld door Jai Singh en vernoemd naar zijn keizer, Muhammad Bahadur Shah (de opvolger van Aurangzeb).
Achteraf valt nauwelijks na te gaan of zijn toegewijde studies hebben geleid tot zijn manier van leven, of omgekeerd, dat zijn onafhankelijkheid en zwervend bestaan hem in staat stelden door te dringen tot wat in zijn ogen de essentie van de waarheid was.
De logische redenatie die door Socrates werd geïntroduceerd gaat uit van het causaliteitsbeginsel: als zus, dan zo. In De verwarring der filosofen zet Ghazali uiteen dat oorzakelijkheid een illusie is; de werkelijkheid is de alom aanwezige hand van Allah.

   Ver voor onze jaartelling waren mensen al geboeid door de regelmatige bewegingspatronen van de sterren aan het firmament. Sommigen namen de moeite om deze vast te leggen en te vergelijken met gebeurtenissen in hun eigen omgeving. Verondersteld werd dat de tekenen des hemels (macrokosmos) iets vertelden over het lot der mensen (microkosmos).

   Uit het aangeboren verlangen om de wereld rondom te verklaren, ontwikkelde men systemen om het eigen lot te kunnen beheersen. Meestal ging het om te helpen bij het maken van de juiste keuzes. Vaak hield het verband met het verwerken van verdriet en aanvaarding van verlies. Kracht en zelfvertrouwen werden versterkt door droom en verbeelding. Hoe heerlijker het hiernamaals en hoe fantastischer de goden en demonen, des te meer men zich op zijn en haar gemak voel(t)de.

   Voor de meeste mensen was geloven zonder meer voldoende en namen ze genoegen met gemeenschappelijke rituelen. Anderen hadden behoefte aan meer houvast in hun geloof en vonden die in de stand der sterren. In alle gevallen stond de juistheid van de veronderstelde lotsbestemming buiten kijf.

   Het individuele verlangen naar de zingeving van het eigen bestaan heeft geleid tot institutionalisering van de spirituele systemen in de vorm van talloze religies, sterrenwichelarij, alternatieve geneeswijzen en andere onzin.

 

 

 

 

  L & B ZWEEFTEEF                    FOUTE MANNEN

 

 

Dag Vanessa, wat is je probleem?

  Ehm … ja ik was van mezelf benieuwd eigenlijk waarom ik altijd op foute mannen val, ha.

  Ja huh, ik tref nooit goeie mannen, net altijd hele domme nare mannen, hè

Vanessa, hoe oud ben je?

                      Ik ben 31

Ik krijg door dat er bij jou blokkades zijn en dat het ook te maken heeft met een stukje verleren, maar je komt wel een man tegen waar je gelukkig mee zal worden

                      Ja …

Ik kan niet zeggen hoe lang dat gaat duren want dat is moeilijk, tijd voorspellen

                      Ja …

Maar leer je daar wel uit? Want ik heb het gevoel dat je dat wel weet, waar het aan ligt maar een beetje tegen beter weten in toch doorgaat met die foute mannen

                      Ja dat klopt

Ja hè

                      Ja …

Ik krijg door dat het wel divers is maar dat er toch raakvlakken zijn wat jou niet, ehm, gelukkig maakt eigenlijk en dat je ook niet jezelf kunt zijn

  Ja dat klopt helemaal, dat kan ik in geen enkele relatie

Ja en dat is heel herkenbaar bij al die mannen die op je pad komen, probeer wel daarover te praten met vertrouwde mensen want die heb je wel in je omgeving

                      Ja …

Niet generen om daar niet over te praten dan kom je er wel uit, ik heb het gevoel dat het niet lang zal duren dat je hier uit komt en dat je een keer ‘nee’ durft te zeggen, op een moment dat je heel snel ‘nee’ zegt dan heb je de foute man die op dat moment in je leven is, hoe sneller je dat doet hoe eerder je er van af komt, dus ga er niet langer mee door

                       Ja, dat doe ik ook

Je gaat er ook te lang in door met die relatie

                       Ja dat is waar

Ja je moet proberen wat sneller af te haken en hoe sneller je afhaakt hoe sneller je hier uitkomt, want het is een cirkel en je blokkeert het zelf door te lang door te gaan met die foute relatie

                       Ja

Oké

 

 

Bron: Astrolijn / Astro-TV

 

 

SYMBOLISCH EN ABSTRACT

Zin en de kunst van het rekenonderwijs*

 

 

Er zijn maar weinig mensen die een groot talent hebben om zowel symbolisch als abstract te kunnen denken. Dat lijkt onzin omdat de termen gemakkelijk door elkaar worden gehaald. Het verschil tussen symbolisch en abstract is dan ook subtiel, maar wel evident. Ongeveer zoals tussen een ontdekking en een uitvinding: een ontdekking is de onthulling van iets dat al bestaat en een uitvinding is de schepping van iets nieuws. Zo is een symbool een toevoeging aan de werkelijkheid en een abstractie juist de ontmanteling daarvan. Sommigen geven de voorkeur aan het laatste: de naakte waarheid. Anderen prefereren een gelaagde en rijk geschakeerde voorstelling van zaken. Beide visies zijn niet zozeer complementair, maar wel verschillend; zoals ook een haarscherpe analyse afwijkt van een caleidoscopisch perspectief, appels van peren, a’s van b’s. 

 

 

Ons denkvermogen omvat tientallen mentale vaardigheden waaronder logisch redeneren, het onthouden van begrippen, patronen herkennen en verbanden leggen. Men heeft altijd graag willen weten of deze vaardigheden aan bepaalde hersengebieden zijn gebonden. Met twee verschillende disciplines is dat inmiddels in kaart gebracht, de neurofysiologie en de pathologie. Uit fMRI-beelden van levende hersenen en uit gedragsonderzoek van mensen met hersenletsel is gebleken dat er een grote mate van overlap bestaat tussen uiteenlopende hersenfuncties maar ook dat er sprake is van zogenaamde kernlocaties.

   Door deze locaties in kaart te brengen heeft men afgeleid dat er een functioneel verschil is tussen de linker- en rechter hersenhelft (lateralisatie). De ene helft (meestal links) omvat de lineaire (stap voor stap), logische en analytische (ontledende) vaardigheden die gezamenlijk het begripsdenken worden genoemd. De andere helft omvat de associatieve, intuïtieve en meer holistische (omvattende) vaardigheden en staan als het beelddenken te boek. In de praktijk blijkt dat bij de meeste mensen de linkerhersenhelft en dus het begripsdenken dominant is.

   Mentale vaardigheden hebben een erfelijke basis, er ligt een genetisch patroon aan ten grondslag. Net als bij muzikaliteit, logisch redeneren, organisatievermogen, assertiviteit en creativiteit: iedereen beschikt erover maar we zijn niet allemaal even rijkelijk bedeeld. Iedereen is prima in staat om zowel een samenhangend geheel te herkennen als om de afzonderlijke onderdelen te benoemen. Maar bij som-migen is het analytisch/reducerend vermogen beter ontwikkeld en bij anderen juist de kunst van synthetisch/holistisch overzicht. Slechts een enkeling blinkt uit op beide terreinen.

  

Maatschappelijke stromingen ontwikkelen zich in samenhang met en als reactie op andere maatschappelijke stromingen. Dat geldt voor sociaaleconomische en politieke overtuigingen, voor wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en voor kunstrichtingen. Het is een aaneensluiting van oorzaak en gevolg.

 

Het symbolisme ontstond aan het eind van de 19e eeuw als reactie op het realisme. Het probeerde de herkenbare wereld uit te breiden met niet-zintuiglijk waarneembare elementen uit de fantasie en intuïtie van de kunstenaar. Deze werden als platonische ideeën toegevoegd aan het alledaagse zonder dat laatste tekort te doen.

   In de abstracte kunst van ruim honderd jaar later probeerde men juist om die alledaagse werkelijkheid zoveel mogelijk achterwege te laten. Het ging alleen nog om de verbeelding. De zintuiglijk waarneembare wereld werd ge- heel vervangen door een invoelbare, vermeende wereld. Geen willekeurige fantasie maar een (persoonlijke) intuïtieve voorstelling van de werkelijkheid.

   Deze twee verschillende visies lijken op de verschillen tussen het functioneren van de linker- en rechterhersenhelft. Het bedenken van totaalbeelden waarmee de werkelijkheid kan worden verrijkt (symbolen) vertoont overeenkomst met het beschreven beelddenken. Het ontleden van de werkelijkheid en deze ontdoen van alle franje lijkt sterk op het analytische begripsdenken.

   De analogie is niet toevallig.

   Van oudsher zijn beeldende kunstenaars symbooldenkers geweest die putten uit hun creativiteit en persoonlijke beleving, mentale vaardigheden die deel uitmaken van het beeldden-ken. In de 19e eeuw gingen de natuurwetenschappen maatschappelijk een steeds grotere rol spelen (industriële revolutie). Aan het begin van de 20e eeuw had het begripsdenken van de exacte wetenschappers een zodanige invloed in kunstzinnige kringen veroverd dat hier het abstracte denken werd omarmd. De werkelijkheid hoefde niet langer uitsluitend te worden voorzien van een goddelijk sausje maar kon ook worden teruggebracht tot zijn naturalistische essentie!

 

De verwantschap tussen symboliek en abstractie heeft in de loop der tijd geleid tot begripsvervaging waardoor ze gemakkelijker dreigden te worden omgewisseld. De kleur oranje staat in Nederland symbool voor onze nationale trots. Internationale sportevenementen en ons koningshuis zijn hiervan een voorbeeld. Het woord oranje is een samenvatting van deze tamelijk onschuldige vorm van nationalisme. Het gemak van hun onderlinge substitutie draagt bij aan hun schijnbare overeenkomst.

   Een ander voorbeeld geeft het verschil wellicht duidelijker weer.

   De regenboog staat symbool voor het levensgeluk van alle gezindten (van hemelse heerlijkheid t/m diversiteit van geaardheid). Met een eenvoudig kleurenspectrum wordt de alomvattende complexiteit van een zinvol en harmonieus bestaan gevat. Maar de regenboog is ook de fysieke abstractie van de spectrale samenstelling van wit licht (in combinatie met de kleurgevoeligheid van ons netvlies). De lineair opeenvolgende golflengtes vertonen maar een beperkt aantal kleuren (rood, oranje, geel, groen, blauw, violet). In werkelijkheid zijn er ook mengkleuren tussen rood en groen (bruintinten) en tussen rood en blauw (paarstinten; wat te denken van roze?). Met het eenvoudige kleurenspectrum wordt de werkelijkheid dus ook tekort gedaan!

   Deze muggenzifterij is kenmerkend voor zogenaamde beta’s, mensen die hun analytisch/reducerend vermogen vooral richten op de ‘natuurlijke’ wereld en de afzonderlijke kleuren relevanter vinden dan hun combinatie. De synthetisch/holistisch ingestelde alfa’s hebben meer affiniteit met ‘culturele’ interpretaties en beleven juist de samengestelde vereniging, de melange, als hoogste prioriteit. (Overigens is voor beta’s ‘cultuur’ een deel van de allesomvattende ‘natuur’)  

 

Iedereen is ermee bekend dat de een goed is in taal en de ander in rekenen. Dat begint al op de basisschool. Vroeger werd wel gezegd dat meiden beter zijn in taal en jongens in rekenen, maar dat durft niemand vol te houden, al zijn er wel aanwijzingen dat de hoeveelheid testosteron van invloed is op de prenatale ontwikkeling van het brein. Onderzoek naar de invloed daarvan op het reken- en taalvermogen wordt onvermijdelijk gekleurd door culturele vooringenomenheid en zou alleen in volledige afwezigheid van vooroordelen moeten plaatsvinden. Hetgeen menselijkerwijs onmogelijk is.

   Wel is aanvaardbaar dat de maatschappij ons verdeelt in alfa’s en beta’s.

 De verleiding is groot om het onderscheid tussen begripsdenken en beelddenken lineair te koppelen aan de maatschappelijke dichotomie in alfa’s en beta’s. Maar dan maken we de typische alfa-fout door een correlatie (samenhang) te interpreteren als een causaliteit (oorzaak-gevolg relatie).De meeste mensen mogen dan een afkeer hebben van rekensommen en wiskundige formules, dat wil niet zeggen dat ze ook allemaal beelddenkers zijn. Integendeel, het grootste deel van de bevolking heeft een dominante linker hersenhelft en kan worden gerekend tot de begripsdenkers.

   Volgens het Rijnlandmodel wordt het alfa-denken, behalve door cijfervrees en een voorkeur voor woorden, gekenmerkt door een meer intuïtieve benadering van de werkelijkheid. Het beta-denken wordt gekarakteriseerd door een objectieve, algemeen geldende interpretatie van de werkelijkheid en over het algemeen wantrouwen beta-denkers de nauwgezetheid van een talige beschrijving.

   Een neurologische verklaring voor het alfa- en beta-denken moet niet gezocht worden in de scheiding van de linker- en rechterhelft van de grote hersenen. Het gaat veel dieper.

   Hoewel de meeste mensen een dominante linkerhersenhelft hebben en een aversie tegen wiskundige formules betekent dit niet automatisch dat begripsdenkers allemaal alfa’s zijn. De verschillende centra voor taalvaardigheden liggen weliswaar in de linkerhelft van de grote hersenen (cortex) maar dat geldt ook voor de rekenvaardigheden en het rationele denken in het algemeen. Dominantie van de linker- of rechter hersenhelft (begripsdenken of beeld-denken) is van belang voor een pedagogische aanpak in het (basis)onderwijs, maar iemands psychologische en sociale status als alfa of beta wordt er niet zondermeer door bepaald. In de neiging tot alfa- of beta-denken spelen ook de dieper gelegen tussenhersenen een niet te verwaarlozen rol. De hier gevolgde signaal-route * is bepalend voor een overwegend intuïtieve dan wel een analytische perceptie.

    Daar komt de functionele asymmetrie (lateralisatie) van de cortex bovenop. De rationele, analytische linkerhelft is actief bij specifieke, individuele informatie terwijl de relationele, synthetische rechterhelft vooral werkzaam is bij  algemene overzichten. Hoe minder er sprake is van lateralisatie, oftewel hoe meer beide hersenhelften in balans zijn (minder dominantie van één helft), des te beter is men in staat een wiskundig probleem op te lossen. Met andere woorden, beta’s hebben een efficiëntere informatie uitwisseling tussen de cerebrale hersenhelften dan alfa’s. Bij de laatsten is er meer dominantie van één van de helften, afhankelijk of men een begrips- of een beelddenker is.

   Het verschil tussen alfa’s en beta’s hangt dus samen met de mate van dominantie tussen beide hersenhelften en de informatieverwerking van de emotie-organen. Dat leidt tot het zogenaamde symbooldenken (alfa) en abstractdenken (beta; niet te verwarren met abstractievermogen, dat is een afzonderlijke vaardigheid).

 

Mensen worden wel verdeeld in alfa’s en beta’s op grond van hun voorkeur voor talen, geschiedenis en godgeleerdheid enerzijds en exacte wetenschappen anderzijds. Alfa’s staan bekend als emotionele verhalenvertellers met een verzwakt gevoel voor moraliteit (politici) en een intuïtieve kijk op de wereld, sociaal vaardig maar met een grondige hekel aan getallen. Beta’s worden meer gezien als rationele en waarheidsgetrouwe maar wereldvreemde studiekoppen met een analytische blik op de wereld, technisch vaardig maar onhandig in de omgang. Het schisma tussen cijferangst (alfa) en woordvrees (beta) heeft te maken met een verschil tussen abstractdenken en symbooldenken. Symbolen zijn kwalitatieve begrippen, onafhankelijk van tijd. Getallen zijn ook symbolen maar rekenkundige bewerkingen vereisen wel tijd, waardoor het resultaat abstract wordt.

   Alfa’s prefereren een overwegend statisch wereldbeeld waarin alles min of meer onveranderlijk is. Beschavingen ontstaan en verdwijnen weer. Er is geen wezenlijke ontwikkeling. Alfa's kunnen zich uitstekend vinden in zo’n tijdloos wereldbeeld. Deze visie heeft geen probleem met abstracte rekenregels. Alles bestaat immers al. Beta’s daarentegen hebben een dynamisch tijdsbesef. Zij geloven in voortdurende verandering. Om ons heen lijkt niets zich tijdens een mensenleven veel aan te trekken van ons streven naar vooruitgang, maar op termijn is er wel degelijk sprake van evolutie. Daarom houden ze van rekenregels die betrekking hebben op ontwikkelingsprocessen, waarbij bestaande elementen veranderen in iets nieuws en waarbij tijd een onontbeerlijke factor is.

   Het onderscheid is opzettelijk zwartwit. In het echt is er een groot grijs gebied. Politici en juristen (overwegend alfa’s) hebben weinig benul van exacte wetenschappen, hackers en techneuten (overwegend bèta’s) houden niet van lezen (tenzij het over computers of auto’s gaat).

   Alfa’s hebben een heilig ontzag voor het stopcontact, bèta’s zijn contactgestoord. 

 

In de hersenen vinden twee fundamenteel verschillende processen van informatieverwerking plaats. Enerzijds is er de verwerking van de input door sensorische zintuigcellen naar de output van het motorisch systeem (waarneming leidt tot handeling). Anderzijds is er – ongetwijfeld als evolutionair uitvloeisel van die verwerking in de vorm van afweging, oordeel, verwachting en herinnering – de interne gedachtegang. Zonder te zijn waargenomen worden er beelden gevormd als symbolen van zingeving. En tellen kan ook zonder te verwijzen naar aantallen. Motiveren en calculeren zijn interne processen.

   Een periode van zeven weken duurt ruim anderhalve maand. Meer precies duurt het zeven maal zeven (49) dagen. Een getal vermenigvuldigd met zichzelf noemen we een kwadraat. Volgens klassieke landmeters is dat het oppervlak van een vierkant. Uitbreiding of verlies van terrein verandert daar niets aan. Een vierkant erf van 49 m2 heeft een zijkant van 7 m lengte. Als je de erfgrens in alle richtingen ietsje oprekt, wordt het oppervlak 50 m2. Nu wordt de lengte van de zijkant 5√2 m. Maar hoe groot is √2? (√2 meet de diagonaal van een eenheidsvierkant). Hoeveel is ietsje? 

  Een periode van 50 dagen duurt ook ruim anderhalve maand, ietsje langer dan zeven weken. Meer precies 1/7 week langer. Maar hoe groot is 1/7? Kun je een taart in zeven gelijke stukjes verdelen? 

  Het probleem is dat √2, 1/7, π en meer van dergelijke onmeetbare getallen tot stand komen door relaties tussen andere getallen. Relationele concepten vormen bij uitstek het terrein van de rechterhersenhelft terwijl verreweg de meeste mensen over een dominante linkerhelft beschikken. Om dat te compenseren – en cijferangst bij alfa’s weg te nemen – wordt men gemotiveerd met symbolen van zingeving. Geen god, demon of andere esoterie maar simpele wiskunde, voor iedereen.

  Zingeving is niet vanzelfsprekend in het (basis)onderwijs. Afgezien van wervende teksten over identiteit en levensbeschouwing wordt er in het curriculum nauwelijks aandacht aan besteed. De zin van je leven bepalen je ouders en de zin van rekenen is in handen van de docent. Maar die heeft dat zelf ook vaak niet door. Voor rekenen heb je tegenwoordig een machientje, dus wat voor zin heeft het nog om te leren rekenen?

   Deze karikatuur benadrukt de maatschappelijke acceptatie van het symbooldenken als norm en het abstractdenken als niet meer dan gedoogd. Juist daarom is het gewenst dat symbolen als √2, 1/7 en π worden verheven tot goddelijke proporties in plaats van ze te bagatelliseren als simpele rekenresultaten.

   De geringschatting jegens het abstractdenken stoelt, net als menig andere vorm van sociale discriminatie, op angst voor het onbekende. Reden te meer om zo vroeg mogelijk vertrouwd te raken met reken- en wiskundige begrippen. In tegenstelling tot taal en talige begrippen, waarmee men al vanaf de geboorte voortdurend wordt omringd, begint het rekenen stukje bij beetje pas na enkele jaren (na het voorbereidend tellen, vergelijken, ordenen e.d. meestal niet voor het 6e levensjaar). Het is daarom onontbeerlijk dat de ogenschijnlijk kinderachtige maar fundamentele rekenvaardigheden levenslang worden herhaald.

 

Zingeving is geen vak in (basis)onderwijs. Rekenen en taal, hoe de wereld in elkaar zit en waardoor dat zo is gekomen, dát leer je op school. Zingeving? Dat zoek je zelf maar uit. Natuurlijk bestaat er bijzonder onderwijs waar je verteld wordt wie je bent, waar je vandaan komt en wat de zin is van je bestaan. Maar hoe zit het met de zingeving van het getal?

 

Oefening door herhaling is onmiskenbaar zinvol. Door de steeds terugkerende mentale handeling wordt een (reken)vaardigheid als het ware ingesleten. Telkens als dezelfde hersencellen neurotransmitters afgeven, wordt het betreffende neurale netwerk sterker. Na verloop van tijd beklijven de vaardigheden in geheugencentra maar de opslag moet wel voortdurend worden onderhouden anders gaat ze verloren. Het schatten van aantallen en opdreunen van de tafels tot 10  moet net zo vanzelfsprekend zijn als onbeperkt tellen. Elektronische rekenhulpmiddelen zijn handig maar zonder elementaire rekenvaardigheden een handicap. Wat te doen als de batterij leeg is?

   Zelfs als wiskunde slechts een product is van ons corpusculaire brein en dat de reconstructie van de astro- en kernfysische werkelijkheid berust op een illusie *, dan nog is de heimelijke minachting voor computernerds en soortgelijke bollebozen onterecht. Daarvoor zijn de mathematische leerstellingen in onze natuurlijke en technologische omgeving te succesvol gebleken.

  Hoog tijd dat niemand er meer prat op gaat niets te snappen van (a + b)2 = a2 + 2ab + b2 en hoe je een iPad repareert. 

   

Rekenen vereist toewijding en concentratie. De bijbehorende hersenactiviteit vindt plaats in het werkgeheugen in de dorsolaterale prefrontale cortex. Door herhaling wordt dit deel van de hersenen vervolgens beter en sneller in het oplossen van het betreffende rekenprobleem, maar als er verder niets gebeurt, verdwijnt die vaardigheid weer na een paar dagen. Het meest verrassende is dat er, na intensief oefenen overdag, 's nachts tijdens de slaap ook veranderingen optreden in een ander hersengebied, de mediotemporale schors, die de locatie is van het midden-termijngeheugen. Die nieuwe structuren zorgen ervoor dat het oplossen van de problemen die de dag tevoren nog zoveel moeite kostten, nu met veel minder inspanning gepaard gaat. Het werkgeheugen vertoont daarbij minder activiteit omdat het middentermijngeheugen een groot deel van het werk heeft overgenomen.

   Op deze locatie worden nu nieuwe verbindingen gevormd en nieuwe neuronale structuren aangebracht. Dat is een dynamisch proces dat moet worden onderhouden en verder kan worden ontwikkeld. Want bedenk wel dat zonder herhaling die vaardigheden na een paar maanden weer helemaal zijn verdwenen.

   Daar stopt het nog proces niet. Door voortdurende oefening ontstaan er ook nieuwe structuren in andere hersengebieden. Onder andere in de intraparietale sulcus, een van de locaties van het langetermijngeheugen. Deze structuren zorgen ervoor dat de aangeleerde vaardigheden automatisch als routines kunnen worden uitgevoerd. Het aanbrengen van structuren in het langetermijngeheugen vereist evenwel heel veel oefening. 

 

 


Nederlandstalige literatuur

Gerjanne Dirksen. Breindidactiek. Synaps, 2014

Jan van de Craats. Waarom Daan en Sanne niet kunnen rekenen. Jan van de Craats,  2008 https://staff.fnwi.uva.nl/j.vandecraats/zwartboek.pdf

Jan van de Craats. Leren rekenen in de 21e eeuw. Didactief, 2015 https://didactiefonline.nl/blog/blonz/hersenen-en-rekenen

Henriette van Eerde. Rekenen-wiskunde en taal: een didactisch duo. Panama-Post, 2009  http://www.fisme.science.uu.nl/publicaties/literatuur/7214.pdf

Dick Swaab. Wij zijn ons brein. Contact, 2010

Over Wereld & Denken, zie: https://www.rijnlandmodel.nl/index.html?menu=alg

 

Engelstalige literatuur

Stanislas Dehaene. The number sense. Oxford University Press, 2011

Samuel Ichiye Hayakawa. Laguage in thought and action. Wadsworth Publ., 1989 https://archive.org/stream/in.ernet.dli.2015.30957/2015.30957.Language-In-Thought-And-Action_djvu.txt

George Lakoff & Rafael Nuñez. Where mathematics come from. Ingram Publ. Services, 2001

Charles Snow. The two cultures. Cambridge University Press, 2012

Steve Stockdale. General semantics. Steve Stockdale, 2009 https://thisisnotthat.com/tintdocs/HSGS-CN-course.pdf

Dit is een variatie op Robert Pirsigs Zen en de kunst van het Motoronderhoud waarin hij pleit voor het Inhumanisme. Het Inhumanisme wordt gedefinieerd als de uitgebreide praktische uitwerking van het humanisme, voortgekomen uit de ijverige toewijding aan het project van verlicht humanisme (Reza Negerstani in The Labour of the Inhuman).
In de evolutionair oudere tussenhersenen (diencephalon) liggen onder andere de basale ganglia (o.a. thalamus en putamen), de hippocampus en het limbische systeem. Op grond van hun functionaliteit worden ze ook wel emotie-organen genoemd. De basale ganglia worden in verband gebracht met een reflexieve reactie op de omgeving (intuïtief handelen) en de hippocampus speelt een abstraherende rol (prikkelt tot nadenken). De informatieverwerking en -opslag in het limbische systeem verloopt via de hippocampus of via de basale ganglia. Dat resulteert in twee manieren om met de werkelijkheid om te gaan: een primaire die dat doet met vaste scenario’s (intuïtief handelen) en een andere die de werkelijkheid eerst analyseert en rangschikt volgens een hiërarchische ordening (abstract denken). Beide systemen hebben hun eigen waarde. Verreweg de meeste mensen hebben een intuïtief, procedureel, gezond boerenverstand dat zorgt voor het behoud van sociaal-culturele verworvenheden. Een veel kleinere groep benadert de werkelijkheid voornamelijk analytisch en is verantwoordelijk voor de progressie op wetenschappelijk en technologisch gebied. Het zijn deze twee groepen die als alfa of beta worden gekwalificeerd. Dat het alfa-denken wordt gekenmerkt door cijfervrees komt dus waarschijnlijk door een geringere activiteit van de hippocampus in vergelijking met het beta-denken. Je zou kunnen zeggen dat bij alfa’s de basale ganglia een dominante rol spelen bij de informatieverwerking en –opslag terwijl dat bij de beta’s juist de hippocampus is.
Is wiskunde een eigenschap van het universum of een verzinsel van ons brein om orde te scheppen? Met andere woorden, bestaat de abstracte wereld van de wiskunde onafhankelijk van de menselijk geest of is wiskunde een symbolische weergave van universele wetmatigheden die als een soort natuurkundige taal wordt gebruikt? De tastbaarheid van onze technologische verworvenheden pleit duidelijk voor de authenticiteit van een wiskundige werkelijkheid. Met behulp van wiskundige formules kunnen niet alleen tal van verschijnselen nauwkeurig worden beschreven, er kunnen ook fenomenen mee voorspeld worden die zich nog niet hebben voorgedaan. Maar het authentieke bestaan van wiskunde is net zo onbewijsbaar als het wel of niet bestaan van God. Volgens het intuïtionisme van de Nederlandse wiskundige Bertus Brouwer wordt wiskunde geconstrueerd in onze hersenen. Dit wordt bevestigd door het bestaan van specifiek bij tellen en rekenen betrokken hersenlocaties en doordat wiskunde cultuurgebonden is. Of een rekenkundig algoritme nou meetrilt met de hemelse symfonie (resonantie) of dat het een model is van een werkelijkheid die we ‘an sich’ niet kunnen kennen (reconstructie), abstracties doen niet onder voor symbolen. Wiskunde hoort erbij al maakt dat alfa’s minder blij.

De quadrans komt oorspronkelijk uit Perzië. Het instrument werd gebruikt om de attitude (hoek) van een hemellichaam te meten. Daarmee kon zowel de tijd als de positie (breedtegraad) worden gemeten. In Europa stamt de oudste uit de 14e eeuw. Hoe groter hoe beter, daarom werden de nauwkeurigste hoekmeetinstrumenten in muren bevestigd.

 

 

El Instituto 7           ONTBINDING

 

 

 

Het was een internationaal gezelschap dat op het punt stond te vertrekken. Daar waren allereerst de mannen die van het Amerikaanse continent afkomstig waren en die in Antwerpen zulke betoverende muziek hadden gemaakt. Ook drie zwarte Afrikanen hadden besloten mee te gaan. De mannen en vrouwen waarmee zij in het ruim van de Conceptión de overtocht hadden gemaakt, zouden zich in de nabijheid van de Franse kustkolonie vestigen. De overige reisgenoten waren oorspronkelijk uit Europa afkomstig. Het waren toegewijde jongens en taaie kerels met ervaring in het handwerk dat ze op het schip hadden verricht. Harko was één van hen.

   Ze wachtten nog op Theodoor. De vertrouweling van de kapitein had nog maar weinig eelt op zijn handen en de vakkennis die hij aan boord had opgedaan, was beperkt. Toch was hij de drijvende kracht. Zonder zijn charme, zijn charisma, zonder die uitstraling waarmee hij anderen kon begeesteren, zonder zijn bescheiden leiderschap was deze onderneming wellicht nooit van de grond gekomen.

   De enige die ongevoelig leek te zijn geweest voor die innemende eigenschappen was de kok. Reinaldo Bolt was spoorloos verdwenen en niemand wist waarheen. Ook Fedde had geen idee, ondanks de communicatieve rol die de kapiteinsbediende had vervuld bij het samenstellen van de maaltijden.

   Sinds de dood van de jonge negerin, ondertussen overschaduwd door de heftige gebeurtenissen van de afgelopen weken, had de kok zich vreemd gedragen. Men had hem verantwoordelijk gesteld voor haar overlijden, per slot van rekening had hij de thee gezet. Maar door de recente ontwikkelingen was de kwestie naar de achtergrond verschoven. De kok was buiten beeld geraakt. En nu was hij weg.

   Theodoor zat daar niet mee. Maar die ‘wetenschapper’ Van den Berghe, die wilde hij voor vertrek nog wel even gedag zeggen. Als heelmeester had de man zich als een bekrompen charlatan gedragen, maar van planten had hij beslist verstand. De botanist had erg zijn best gedaan om hem te helpen met de verwerking van zijn verlies. Zijn opwekkende extracten hadden hun doel niet gemist.

   Johannes van den Berghe voelde zich beter dan ooit. De vegetatie was hier weelderig en grotendeels onbekend, precies wat hem voor ogen had gestaan. Hier zou hij nog enige tijd verblijven om daarna een expeditie naar het oerwoud verderop te ondernemen. Hij had grote verwachtingen van de planten die hij daar zou aantreffen en verzamelen.

   Het deed hem genoegen dat Theodoor de tijd had genomen om afscheid te nemen. De afgelopen weken waren zwaar geweest. Het ongelukkige voorval met de schipper had iedereen aangegrepen en eerdere sterfgevallen doen verbleken. De jongeman had hem toevertrouwd dat het leek alsof hij opnieuw een vader verloren had. Een luisterend oor, een troostend woord en vooral een aanzienlijk deel van zijn kruidenvoorraad hadden hem uiteindelijk over het verlies heen geholpen. Johannes was opgelucht dat het achter de rug was. Nu kon hij ongestoord zijn eigen weg gaan.

   Direct nadat Theodoor bij het wachtende gezelschap arriveerde, namen de mannen plaats in de sloepen en lieten zich naar het galjoen roeien dat hen naar het zuiden zou brengen, naar de monding van die enorme Amazone-rivier.

   Eenmaal aan boord zocht Theodoor in het vooronder een plekje tussen de trossen touw en stapels zeildoek. Hij was hondsmoe en hij hoopte eindelijk wat slaap te kunnen inhalen. Helaas belemmerde zijn uitputting hem om zich geestelijk te ontspannen. Door de geluiden aan boord werd hij voortdurend gewekt uit onrustige hazenslaapjes en zijn gedachten gingen dan onwillekeurig terug naar de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Zijn gepieker hield hem grotendeels wakker en deed hem verlangen naar de drankjes van Van den Berghe.

 

*

 

Kort nadat ze de Azoren achter zich hadden gelaten, werden de Conceptión en haar bemanning dagen achtereen door storm en regen geteisterd. Het schip was flink uit koers geraakt en vermoedelijk was de afstand naar de Caraïben nauwelijks geslonken. De kapitein had Theodoor op zijn kaarten laten zien waar ze zich volgens zijn berekening moesten bevinden. Tijdens een heldere nacht had hij met een octant de hoogte van de Loodsster gemeten. Dát en het aantal afgelegde zeemijlen gaven hem de indruk dat ze een flink stuk ten zuiden van de Azoren zaten. Waar precies durfde hij niet te zeggen. Volgens zijn inschatting zouden ze een wat westelijker koers moeten aanhouden.

   Daarna volgden bijna twee weken van toenemende saaiheid. Het weer was eentonig. Ze vorderden gestaag. De dagelijkse sleur viel Theodoor zwaarder dan de orkaan van weleer, waarin het schip met behulp van iedereen aan boord kon worden behouden van de ondergang. Was het stilte voor de storm?

   Het treurige verlies van de jonge slavin had niemand lang beziggehouden. Hijzelf had zich erg gestoord aan de onverschilligheid van de scheepsarts. Hij was er nog steeds van overtuigd dat Van den Berghe zijn plicht had verzuimd door de jonge vrouw niet eerst te onderzoeken alvorens een medicijn voor te schrijven. Maar de heelmeester had zijn schouders opgehaald en hem de rug toegekeerd. Geen van de slaven had het hem, Theodoor, overigens aangerekend en ook na het incident werd hij in hun midden geduld.

 

Op zekere dag hadden ze een pinas aan de horizon zien verschijnen. Onder Hollandse vlag koerste het eveneens in westelijke richting. Al van verre was duidelijk dat het ging om een volgeladen slavenschip. Stank en jammerklachten kwamen de Conceptión tegemoet. Om beroering onder de zwarten aan boord zoveel mogelijk te voorkomen, handhaafde Pieter op volle kracht zijn eigen koers (in plaats van het gebruikelijke uitwisselen van nieuwtjes).

   Een schip waarmee hij wél contact wilde maken, diende in tegenovergestelde richting te varen en zou minder diepgang moeten hebben: een slavenhandelaar die zijn buit verkocht had en er warmpjes bij zat. Maar zo’n schip kwamen ze niet tegen.

   In plaats daarvan werden ze ingehaald door een Frans fregat dat hen sommeerde langszij te komen. Gealarmeerd door de Portugese vlag had het Franse marineschip de Conceptión geënterd en waren er enkele officieren aan boord gekomen.

   De Fransen namen het zekere voor het onzekere. De Conceptión kon wel eens een spionageschip zijn, de Hollandse kapitein maakte een vrijgevochten indruk, Reinaldo Bolt had een verdachte achtergrond en wat hadden die negers aan boord te betekenen? Ze zouden het schip op sleeptouw nemen.

   Pieter Jacobz had zich in toenemende mate geërgerd aan de misplaatste verdachtmakingen van die, in zijn ogen, hooghartige Fransozen. Zijn nogal onstuimig protest wekte een nerveuze waakzaamheid op bij de jonge Franse officieren. Een paar matrozen van het fregat stonden al klaar om de geagiteerde kapitein in de boeien te slaan. Op hooghartige wijze gebaarde de commandeur dat Pieter zijn gemak moest houden. Dat had een averechtse uitwerking op de getergde schipper. Met gebalde vuist en woedende grimas stapte hij  op de commandeur af. Tot grote schrik een van de jonge officieren. De overspannen luitenant nam geen enkel risico en schoot Pieter van dichtbij door het hart.

 

Wat er daarna gebeurd was, kon Theodoor zich niet meer duidelijk herinneren. Iedereen was ontdaan, inclusief de Franse luitenant. Maar het kwaad kon niet worden teruggedraaid. Theodoor was te geschokt geweest om te zien hoe de bemanning reageerde. Hij hoorde hoe de luitenant door zijn collega’s werd uitgefoeterd. Sommige mannen kreunden maar de meesten waren met stomheid geslagen. De scheepsarts was neergeknield bij het lichaam van de schipper maar de uitdrukking op zijn gezicht maakte al snel duidelijk dat de kapitein niet meer viel te redden.

   Terwijl de Conceptión door het Franse slagschip naar de haven van Cayenne werd geleid, zwierf Theodoor rusteloos rond op het schip dat hij als zijn thuis was gaan beschouwen, zich er pijnlijk van bewust dat zijn lotsbestemming allesbehalve vast lag. Of zag hij dat verkeerd? Hij was veel gaan houden van de hedonistische schipper. Wat zou hij gedaan hebben als Pieter hem gevraagd had om als zakelijk adviseur aan boord te blijven? Nadat ze samen zo’n zelfingenomen slavenhandelaar van zijn bloedgeld hadden verlost? Hij wist het niet. Hij was op zoek naar het paradijs maar had hij dat niet al gevonden (en inmiddels weer verloren)?

   Aanvankelijk werden ze in Cayenne gedetineerd. Overweldigd door verdriet en in zichzelf gekeerd had hij weinig aandacht gehad voor zijn omgeving. Hij kon zich er tenminste niet veel meer van herinneren. Men had zijn instemming gevraagd om de stoffelijke resten van de kapitein op het katholieke kerkhofje ter aarde te bestellen. Met militaire egards. Na de begrafenis was iedereen gemaand op appel te komen. Er werd hen meegedeeld dat het schip in beslag was genomen maar dat zij vrij waren om te gaan en te staan waar ze wilden.

   Het kampement kende minder discipline dan Theodoor in een koloniale legerplaats verwacht had. De officieren gedroegen zich vrij nonchalant in tegenstelling tot de gespannen indruk die ze gemaakt hadden tijdens hun aanhouding. Eén van de matrozen had hem toevertrouwd dat bij een recente kaping van een Portugees schip nogal wat Frans bloed had gevloeid. Geen wonder dat ze licht ontvlambaar waren geweest . Maar hier hadden ze niets te vrezen.

   Tegen dit ongedwongen decor van Franse gemoedelijkheid en Indiaanse onderworpenheid kwam de bemanning van de Conceptión geleidelijk tot zichzelf en werden er her en der plannen gemaakt voor de toekomst. Van den Berghe was al druk in de weer met het verzamelen van inheemse plantjes. Ook de vrouwen waren op zoek gegaan naar kruiden, voor hun kookpotten, want natuurlijk hadden ze die culinaire taak weer ter hand genomen. Ze meden Van den Berghe die al direct had laten merken hun gezelschap niet op prijs te stellen. Reinaldo Bolt bemoeide zich met geen enkele kookkunst, gedroeg zich als een gijzelaar (hij was tenslotte gevangene) en zat dag in dag uit te dobbelen met andere bemanningsleden. De meesten van hen moesten trouwens niets hebben van dit ledige bestaan, de Franse kost viel tegen en de hygiëne liet zeer te wensen over.

 

*

 

Net als hier aan boord van het Franse galjoen trouwens. Theodoor was gewend geraakt aan een schoon schip. Onder leiding van Pieter Jacobz had iedereen op de Conceptión dagelijks zorggedragen voor een schoon schip, met schrobben, boenen, uitkrabben, afbikken en opkalefateren. De bemanning had zijn behoefte altijd gedaan in emmers die direct werden geleegd. Van elk bemanningslid werd verondersteld dat hij zichzelf en zijn werkplek schoonhield.

   Dat was op deze schuit wel anders. Toen hij aan boord kwam, had hij gezien dat de Fransen geen emmer gebruikten maar direct over de reling scheten. Wat nooit helemaal lukte, zo te ruiken. Hetgeen de Fransen weinig leek te deren.

   In het vooronder was het ronduit smerig.  Als hij niet naar een schuilplaats had verlangd, was hij weer aan dek gegaan. Hij had gehoopt benedendeks een rustig plekje te vinden maar kwam bedrogen uit. In het vooronder krioelde het van ongedierte en omdat veel spullen in het ruim niet gesjord waren, was het er tijdens het laveren een herrie van jewelste.

   Ondanks de stank was hij toch tussen de zeilen gekropen. Het was een wanordelijke stapel waar losse stukken touw tussen lagen die kriebelden tegen zijn benen. Hij merkte het nauwelijks. Hij piekerde over hoe het verder moest met zijn leven. Tegelijkertijd voelde hij zich lusteloos en zag hij het eigenlijk niet meer zitten. Juist nu, op weg naar het zuiden, viel hij ten prooi aan zwaarmoedigheid. De dood van Pieter Jacobz bleef door zijn hoofd spoken. Hij wist zeker dat de goddeloze schipper zich de afgelopen jaren niet aan de paasplicht had gehouden. Schuldbewust had hij zich afgevraagd of Pieter wel terecht in gewijde grond was begraven. De man was zonder twijfel een goed mens geweest en Theodoor had van hem gehouden als van een vader. Had hij juist daarom geaarzeld, toen hem gevraagd werd of de kapitein misschien belast was met erfzonde of anderszins mogelijk goddeloze gedachten had gekoesterd? Zijn geliefde surrogaat-vader zou er waarschijnlijk om hebben moeten lachen. Maar toch.

   Terwijl hij aan zijn jeukende been krabde, volgde Theodoor in gedachten de ontboezemingen van de schipper over de redenen van diens goddeloosheid. Het drong plotseling tot hem door dat die verhalen wel verzonnen konden zijn. Op hetzelfde moment bracht hij een hand vol maden tevoorschijn. Huiverend sloeg hij het zeil van zich af en zag het vergane kreng liggen. Het zag er niet naar uit dat de scheepsrat van de honger was omgekomen. De ware oorzaak interesseerde echter hem niet. IJlings schoof hij tussen de zeilen vandaan waarbij het kadaver in een wolk van wurmpjes en wriemelbeestjes over de grond rolde. Het satanische tafereel maakte hem klaarwakker.

   Hij besloot om weer aan dek te gaan al verwachtte hij daar geen frisse neus te halen.

   Tot zijn opluchting was men bezig het dek schoon te spuiten. Onder het toeziend oog van de commandant. Ze voeren dicht onder de kust die als een donker silhouet afstak tegen een vlammend schouwspel van de snel ondergaande zon. Spoedig zou alles donker zijn. Maar de geur van het vaste land gaf hem een nieuwe impuls. Bovendien had hij trek.

 

 

Zo droeg ook de commandant van het Franse galjoen, zonder het zelf te weten, zijn steentje bij aan de queeste van Theodoor op zoek naar zijn paradijs.

   In dienst van de Franse koning had de officier aan meerdere confrontaties met Portugese oorlogsschepen weten te ontsnappen en met succes een aantal Franse nederzettingen in de Amazonedelta kunnen bevoorraden. De Franse kolonisten die zich hier ophielden waren overwegend avontuurlijke vrijbuiters, op zoek naar goud of gewoon geluk. De meeste bewoners van de Franse kampementen waren Arowakken (laagland-indianen) die, in tegenstelling tot de grote blanke mannen, nauwelijks gekleed waren. Ze wekten spotlust en begeerte op, maar werden ook bewonderd want de inlanders hadden nauwelijks last van de myriaden muskieten (dank zij hun gebruik van annatto, een rode kleurstof waarmee ze zich insmeerden, maar dat wisten de gelaarsde en gespoorde vreemdelingen niet). Veel van de inheemse gewoonten werden overgenomen maar hun kolonistenkloffie – symbool van hun Christelijke beschaving – hielden ze aan.

   Het galjoen was voor de rede van één van de Franse nederzettingen langs de noordkust van de Amazonedelta voor anker gegaan en de commandant had voortvarend het verdere transport van het gezelschap ter hand genomen. De inbeslagname van de Conceptión en de moord op haar kapitein dienden te worden gecompenseerd, zoveel was hem wel duidelijk.

   Hij beval een aantal roeiboten in orde te maken en die te bemannen met indianen om het gezelschap stroomopwaarts te peddelen. Ook moest er een flinke voorraad proviand worden ingeslagen. De vaartuigen waren voorzien van opbouwen met dekzeilen om de tot passagiers gepromoveerde bemanningsleden van de Conceptión te beschermen tegen de meedogenloze omstandigheden op de tropische rivier. Het zou hen aan niets ontbreken. 

    Enkele dagen later, toen de mannen echt niet langer de lankmoedige zindelijkheid van de Franse kolonisten konden verdragen, vertrokken ze in de lange roeiboten op het troebele water van  de kolossale rivier. De commandant, die hen nakeek, zag het overgebleven reisgezelschap van de Conceptión in de westelijke verten van het dichte oerwoud uit het zicht verdwijnen.

 

 

 



 

 

 

Na het spectaculaire nieuws uit China dat een groep wetenschappers een middel heeft gevonden om tijdreizen mogelijk te maken, hebben wij ons in verbinding gesteld met de onderzoeksgroep die hierover gepubliceerd heeft. Het betreft een Indiaas-Chinees samenwerkingsverband dat volgens de laatste berichten inmiddels is ontbonden. We hebben zojuist gesproken met een van de voormalige Indiase medewerkers, dr Pacha. Hier volgt het integrale interview dat telefonisch heeft plaatsgevonden.

   Goede middag, doctor Pacha, eh …, sorry, goede avond. Allereerst hartelijk gefeliciteerd met deze buitengewone prestatie. Kunt u er wat meer over vertellen?

   “Noem mij geen u, ik heet Hasan. Ik maak geen deel meer uit van het team dus ik spreek alleen voor mijzelf..”

   Je bent erg moeilijk te verstaan. Kunt u vertellen waarom u … sorry, kun je vertellen waarom je geen lid meer bent van de onderzoeksgroep?

   “De overheid wil het onderzoek geheim houden. Ze willen het resultaat verfijnen om de korte termijn toekomst te manipuleren. Daar wil ik niet aan meedoen. Nu mag ik nergens meer aan meedoen.”

   Betekent dat dat u ... eh, je bent uitgerangeerd? Kun je toch nog iets meer vertellen over de resultaten van het onderzoek?

   Ik ben aan de kant geschoven maar ik ben nog niet dood. Ik weet wat ik weet. Ik neem aan dat jullie ons artikel gelezen hebben: Time traveling … … … … …ture. Dan begrij… … …lleen naar de toekomst. Vooralsnog… … … geen machi… … …  een cyclisch scheikundig proces, ongeveer als een Briggs-Rauscher oscillatie, je weet wel… … … in de hersenen. Die stoffen worde… …eurotransmitters … … … … … zo ongekend veel, dat had niemand verwacht.

   Ik ben bang dat de verbinding gestoord wordt, je valt geregeld weg. Heb je nog met anderen gesproken over het onderzoek?

   “Ik heb contact ge… … … … L Instituu… … …sproken met professor Haze… … niet zo duidelijk. Maar dat zal zeker nog eens gebeuren. Alles zit in mijn hoofd … … … … heb ik nog genoeg!”

   We moeten het hierbij laten. Hopelijk kunnen we op een ander tijdstip een betere verbinding krijgen. Hartelijk dank dat u de moeite hebt willen nemen om aan de lijn te komen.

 

Deze wat teleurstellende opening van zaken krijgt zeker een vervolg.

 

 

 



 

 

 

Margarita keek vanaf het grintstrand op San Lorenzo uit over de zee naar de schepen voor de rede van Callao. Ze fantaseerde dat ze bemanningslid was. Alle handen aan boord van zo’n schip speelden een rol. Er was een minimaal aantal nodig om de boot te besturen maar dat was zelden genoeg voor een reis. Ziekte en storm vereisten minstens het dubbele aantal. Helaas, bedacht ze, hadden haar handen weinig te bieden. Zij moest het van andere zaken hebben.

   Ze keek langs het strand waar enkele vissersboten op het droge waren getrokken. Zonder bemanning was een vissersbootje maar een dood ding. De vissers zaten op de keien en verorberden de zeevruchten die ze tussen de rotsblokken verzameld hadden. Een gevoel van walging trok door haar lichaam. Ze vroeg zich af waarom de mannen de weke inhoud van de schelpen zo lekker vonden. Zelf at ze liever bloedworst.

   Het had haar verbazend weinig moeite gekost om haar vader over te halen. Hij had met belangstelling geluisterd naar haar idee om met een groep mensen op het eiland te bivakkeren. Het leek hem een interessant plan. Om samen met een groep invloedrijke en financieel krachtige personen een ontwerp voor de wereldvrede op te stellen. Ze hoefde hem alleen maar liefjes aan te kijken. Waarop haar vader geamuseerd gereageerd had dat haar romantische voornemen goed paste in zijn eigen strategie om potentiële investeerders in te palmen. Dochterlief had, als je niet op haar handen lette, per slot van rekening de overtuigende charme waar mannen voor zwichtten.

   Wat wist zij van Theodoor Haase? Dat hij het huis had gebouwd waarin zij op het eiland logeerden. Een man die zich na een onwaarschijnlijke tocht over de Amazone uiteindelijk hier vlakbij had gevestigd. Een man die een geheim genootschap had opgericht met hetzelfde doel als zij had: een einde te maken aan zinloos bloedvergieten. Dat genootschap bestond nog steeds maar het zou wel wat nieuw bloed kunnen gebruiken. Nieuw bloed, dat was precies waar het om draaide!

   Ze zag dat één van de vissers was opgestaan en in haar richting liep. Ze kende hem wel, had hem eerder gezien op het marktplein van Callao waar hij de kop van een minder fortuinlijk haantje had afgebeten en het lijfje leeggedronken. Ze sidderde bij de herinnering. Hij was een jonge mesties, een kop kleiner dan zijzelf, maar breed en pezig. Hij kwam naar haar toe en bood haar een hand vol slakken aan. Hij had de beestjes al uit hun huisjes gehaald, ze hoefde ze alleen nog maar in haar mond te stoppen. Met een brutale blik keek hij haar verwachtingsvol aan. Ze huiverde. Zijn handen en armen waren met bandages omwikkeld, een gewoonte van de vissers om zich te beschermen bij het binnenhalen van de netten.

   Onwillekeurig moest Margarita denken aan de Amerikaan wiens wonden zij ooit uit liefde had schoongelikt maar die tegen zo veel liefde niet was opgewassen. Ze was hem niet vergeten. Amerikanen hadden een wreed soort onschuld. Ze gedroegen zich als heer en meester, alsof ze alles in de hand hadden, maar als je echt wat van ze wilde, gaven ze niet thuis.

   Zou die Charles die haar vader had uitgenodigd ook zo zijn?

   Toen ze haar handen uit haar mouwen stak om de schelpdieren in ontvangst te nemen, zag ze de jonge mesties verstijven. Maar van de gebruikelijke afschuw, waaraan ze gewend was, viel op zijn gezicht niets af te lezen. Hij bleef haar met een brutale, bijna gulzige blik aanstaren. Ze legde hem uit dat ze de slakken naar het gezelschap in het huis zou brengen. Met een gebaar maakte ze duidelijk dat hij op haar moest wachten tot ze terugkwam.

   Terwijl ze langs het strand omhoog liep, vroeg ze zich dromerig  af hoe de slakken bereid moesten worden zodat iedereen ze lekker zou vinden. Wat kon het schelen. Ze vermoedde dat haar vader en de kinderjuffrouw genoten van rauwe zeevruchten maar ze wist niet waaraan haar neven, die er ook waren, de voorkeur gaven. En de anderen van het gezelschap, meneer Grace en zijn schrandere assistent, die zakenvriend van haar vader, en de jonge Amerikaan, Charles… Ze had geen idee, ze moesten in de keuken maar iets verzinnen. Wat deed het er ook toe, ze wilde zo snel mogelijk terug naar het strand, naar…

 

Hij stond nog op vrijwel dezelfde plek waar ze hem had achtergelaten. Voordat hij haar opnieuw kon fixeren met zijn brutale, openhartige grijns, sleepte ze hem in de richting van één van de vissershutjes. De gedachte aan haar vader, haar familie, het hele gezelschap, was inmiddels verdrongen door een koortsig kloppen in haar borst, van haar bloed, in haar onderlijf.

   Even zag ze het gezicht van de jonge Amerikaan voor zich. Hij had een harde naam, Grint, of nee.… Flint! Die jongen zou het wel eens ver kunnen schoppen. Zijn slakken moesten vast gebakken worden; Amerikanen hielden niet van rauw.

   Ze schopte de deur van de verlaten hut open en trok de mesties mee naar binnen. Het rook er naar zeewier en nat hout. In de zwartgeblakerde schouw hing een ketel.

   Haar vaders zakenvrienden hadden haar welwillend aangehoord maar het was haar niet ontgaan dat ze haar plan belachelijk vonden. Alleen Flint had serieuze belangstelling getoond. Was dat uit idealisme geweest of had hij haar meer frustratie willen besparen?

   Wat er in de ketel zat, kon ze van hieruit niet zien. Alles wat ze zag was het bedje met de opgevulde wierzak waarop een visser ooit de nacht had doorgebracht. Achter het bed stond iets op de kale muur geschreven.

   Flint was een aardige jongen, maar ook een preutse Amerikaan. Ze kon hem niet om haar vinger winden (!) maar misschien wel naar haar hand zetten.

   Ze scheurde haar kleren van haar lijf en liet zich op het kleine bed vallen. Naakt lag ze op haar rug met haar hoofd over de rand aan de zijde waar de visser al met zijn broek omlaag naar haar lichaam keek. Alsof hij water zag branden. Heen en weer slingerend tussen devote aanbidding en geil verlangen strekte hij aarzelend zijn armen naar haar uit.

   De windsels rond zijn armen waren losgeraakt en hingen omlaag. Achterover liggend greep Margarita met haar vogelklauwtjes de uiteinden beet en trok de visser naar zich toe. Terwijl zij haar benen optrok en rug kromde, boog hij voorover, omvatte haar beide billen en zoog zich vast in haar schaamstreek.

   Zijn lid stootte tegen haar gezicht en zij nam het tussen haar tanden, beroerde het met haar tong en voelde het opzwellen tot in haar keel. Ze trok haar hoofd naar achteren en trok de paarse glans tussen haar lippen. Met haar vingers bewoog ze de voorhuid heen en weer.

   De mesties beleefde een intense hallucinatie. Zijn duik in de schoot van moeder aarde had hem omgetoverd in een uitgehongerde piranha die bloed rook. Begerig sabbelde hij aan alles wat binnen bereik van zijn lippen kwam, zorgvuldig vermijdend dat zijn tanden in het vlees beten. Hij was een zoete piranha, oh zo zoet…

   Zijn paarsrossige lichaamsvocht spoot tegen Margarita’s borsten en gezicht nadat zij niet langer haar bloeddorst had kunnen bedwingen. Met masserende vingers nam ze het restant van zijn vlees uit haar mond en wreef het schokkend langs haar wang. De mesties was gillend van ontzetting overeind gesprongen en stond kermend ineengedoken met beide handen voor zijn kruis terwijl het bloed tussen zijn vingers en langs zijn benen droop.

   Margarita dacht aan de afgebeten vogelkop terwijl ze het bloed in haar mond proefde. Ze zag Chamiku’s droefgeestige gezicht weer voor zich. Nadat ze het kindermeisje hadden thuisgebracht. Nadat ze op het strand verkracht was.

   Ze las de woorden op de kale wand achter het bed: el pescador pincha un oial y su almohada está cubierta con dientes afilados en zag het kunstgebit van de visser op het kussen liggen.

   Tijdens toekomstige vrijages met haar vaders zakenvrienden zou ze weemoedig terugdenken aan de eindeloze deining van haar genot. In dat visserskot op Isla San Lorenzo.

   Divertissement tijdens de lange aanloop naar de wereldvrede.  

 

 

 



 

 

Erik Hazepad is op weg naar huis. De indringende ontmoeting met zijn vader en de verwarrende bemoeienis van de bibliothecaresse hebben hem niet onberoerd gelaten. Hij is blij dat hij de wat stoffige grandeur van het boekenpaleis achter zich kan laten, hij geniet van de behendigheid waarmee hij zich door het stadse verkeer beweegt en hij ziet er naar uit om Mandy deelgenoot te maken van zijn belevenissen. Van de recente gebeurtenissen tijdens zijn speurtocht naar een verband tussen symbiose en stofwisseling. Hij vermoedt dat zo’n samenhang kan bijdragen de sociale coherentie op wereldschaal. Maar dat is nu niet aan de orde.

   Nog elke keer als hij op weg naar huis is, wordt hij overrompeld door het groeiende verlangen naar hun omhelzing. Ze houdt van zijn lichaam, iets dat hij nooit voor mogelijk heeft gehouden. Dat ze hém doet smullen, verrast háár weer op een aangename manier. Hij is er voor haar, zij is er voor hem. Ze houdt van zijn puurheid en soms kinderlijke onschuld. Hij bemint haar lach en zorgzaamheid. Zij schraagt zijn zelfvertrouwen. Ze geeft hem houvast als hij dreigt uit te glijden. Ze verschaft hem de geborgenheid van een thuishaven. Sinds die avond dat ze hem zo overrompelend heeft gekust, is Mandy de spil in zijn bestaan.

   Opgewonden zoekt hij naar de sleutel van zijn voordeur. Het voormalige winkelpand heeft geen riante hall zoals het statige huis waar hij ooit samen met Joachim Bolt de nacht doorhaalde. Bij zijn binnenkomst staat hij direct in de woonkamer. Dat op deze plek ooit aardappels en prei werden afgewogen, zou niet snel bij iemand opkomen, of het moest de ouderwetse groenteweegschaal zijn die terzijde voor één van de grote etalageramen van het hoekpand op een oosterse dekenkist is neergezet, ware het niet dat het splinternieuwe retro weegtoestel niet de indruk wekt ooit voor dat doel te zijn gebruikt. De ruimte wordt gedomineerd door het smaakvolle mozaïek van de tegelvloer. Vanwege de bovengemiddelde inkijk door de enorme etalageruiten had Erik gestaan op een stijlvolle postindustriële inrichting. Daarin pasten geen gordijnen. Jaren achtereen is het hem gelukt zijn poot stijf te houden maar de afgelopen strenge winter heeft hem van gedachten doen veranderen. Eigenlijk zijn gordijnen best knus.

   Mandy is aan de lange tafel in de weer met het raamtextiel van haar keus. Hij zet zijn tas op de bureaustoel naast de deur en loopt naar haar toe. De tafel is bedekt met lapjes, garen en allerlei naaispulletjes rondom haar elektrische machine. De gordijnstof heeft een motief van roze flamingo’s tegen de achtergrond van een rivierlandschap. Afwezig staart hij naar de vogels.

   “Mooi?” Ze kijkt hem vragend aan.

   Hij kust haar op haar neus.

   “Ik heb mijn vader ontmoet. Nou ja, die vreemdeling waarvan ik dacht dat het mijn vader was. Ik ben geadopteerd.”

   Ze kijkt hem onbewogen aan.

   “Maar dat vind jij niet erg. Want je hebt mij. Ook als je ‘ouders’ er niet meer zijn.”

   Hij hoort haar de aanhalingstekens plaatsen zonder ze te zien.

   “Een lijfelijk bezoek aan zo’n ouderwetse boekerij zit soms vol verrassingen. De juffrouw aan de balie was meer dan behulpzaam. Ik heb genoeg aanwijzingen voor wekenlange elektronische zwerftochten.” Erik zucht gelaten.

   Mandy staakt haar handwerk en staart enige tijd voor zich uit.

   “Je moet je allereerst afvragen waar je precies naar op zoek bent. Welke vraag of vragen wil je beantwoorden?”

   Hij ziet aan haar gezichtsuitdrukking dat ze een serieus antwoord verwacht. Het is niet de eerste keer dat ze hem dwingt om zijn hersenspinsels te rangschikken en uit te pluizen wat er toe doet en wat behoort tot de modieuze beuzelarij waarmee iedereen voortdurend bestookt wordt. Als hij zich een beetje inspant, zo heeft hij ervaren, werkt het als een geestelijke douche: de kul van de kunde scheiden.

   Veel mensen zijn op zoek naar de zin van het bestaan, zoals de brildrager op zoek is naar de bril, die op zijn neus zit. Andere mensen kijken niet verder dan hun neus lang is, ook als het om zaken gaat die iedereen aangaan. Veel mensen, de meeste mensen, geloven in een soort God, zonder zich af te vragen waarom. Maar het verenigt ze wel. God als bindmiddel?

   “Ik wil weten wie God is, of liever, wát God is. Soms denk ik dat er een wereldwijd complot bestaat en ik één van de weinige mensen ben die niet is ingewijd. Paranoia, vind je niet?”

   Grijnzend vervolgt hij: “Maar serieus. Misschien is het gemeenschappelijke bindmiddel tussen mensen wel het vertrouwen in iets hogers.”

   “Dan moeten ze er wel op vertrouwen dat de ander ook dat vertrouwen heeft,” merkt Mandy spits op. “Wat vind je trouwens van mijn keus?” Ze knikt naar de stof.

   “Trouw, dát is het bindmiddel,” vervolgt Erik zijn gedachtegang. “Ik moet mij verdiepen in de geschiedenis van trouw.”

   “Zal jij mij altijd trouw blijven, ook als ik uitgezakt en dement ben en jij voor mij moet zorgen terwijl je zelf nog alles kan?”

   “Zolang ik leef zal ik je niet in de steek laten. Dat is geen belofte, dat is een natuurwet van de ware liefde. En daar heeft God, wat mij betreft, niets mee te maken.”

   Hij loopt in de richting van zijn studeervertrek. “Van die flamingo’s krijg ik koppijn.”

   Mandy kijkt hem peinzend na. “Iemand vertrouwen is ook een kwestie van erkenning. Omarm me of laat me los.”  

 

Erik slikt een pilletje. Het cruisen op internet is een tweede natuur geworden. Al snel komt hij erachter dat trouw en liefde niets anders zijn dan culturele dogma’s die meestal betrekking hebben op huwelijk en gezin.

   Trouw is een slechte overlevingsstrategie en kan alleen bestaan door verwantenselectie: familievetes of ouders die zich opofferen voor een kind. Mannen die hun leven geven voor het vaderland en vrouwen die zich laten opsluiten in het klooster zijn slachtoffers van vrijwillig ondergane misleiding. Trouw en liefde moeten niet worden opgelegd, ze moeten van binnenuit komen. Ze moeten deel uitmaken van de ‘vrije wil’.

   Maar dat is toch de verkeerde benaming van een ingebakken hersenactiviteit?

   Trouw moet zodanig geprogrammeerd zijn dat we niet zonder kunnen. Maar dat zal nog wel even op zich laten wachten. Voorlopig lijken we veroordeeld tot trouweloosheid, daarvoor is de zogenaamde keuzevrijheid te groot. Het is natuurlijk niet zo dat de keuzemogelijkheden moeten worden beperkt. Maar als we eenmaal een keus hebben gemaakt, slaat de vrijheid om in verantwoordelijkheid. Trouw betekent liefdevolle verantwoordelijkheid voor een eerder gemaakte keuze.

   Waar ben ik eigenlijk mee bezig?

   Het begint tot Erik door te dringen dat trouw weliswaar een belangrijk bindmiddel vormt in de bestendiging van relaties, maar dat daar nog iets anders aan vooraf moet gaan. Een soort dwingende aantrekkingskracht. Het gaat niet om verliefdheid, althans niet om de betovering die twee stervelingen met elkaar verstrengelt. Het gaat om iets veel groters, om een mallemolen van onvoorstelbare proporties. Op de kermis heeft hij zich ook wel eens verbaasd over het succes van sommige attracties. Kennelijk bestaat er een onweerstaanbare drang om deel uit te maken van… ja, van wat? Is hij pedant genoeg om dat wonder te willen traceren? Of nog sterker, kán hij dat eigenlijk wel?

 

Er wordt gebeld. Het dringt niet tot hem door dat er niemand opendoet. Hij is te diep in gedachten over de vragen die hij zichzelf gesteld heeft. Opnieuw gaat de bel. Aanhoudend nu.

   Het dringt tot hem door, hij staat op, loopt naar de deur,  opent de deur.

   Dan staat hij oog in oog met Mandy en ze kijkt hem vreemd aan. Vaag ziet hij Joachim in de schaduw achter haar, maar hij schenkt hem geen aandacht. Zijn aandacht is geheel gericht op de spil van zijn bestaan, de essentie van wat hij liefheeft, de vrouw die hem bemint.

   Het licht verandert. Alsof alles wordt bedekt met een grauwsluier. Zij was toch binnen?

   “Ik ben nog wat vergeten. Hierna zal ik je niet meer lastigvallen.”

    Ze glipt langs hem heen de voormalige winkel in. Erik staart verloren in de leegte. Hij beseft dat er iets vreemds aan de hand is en vraagt zich af wat hem ontgaat Nu. Wat hem mogelijk al jaren is ontgaan.

   Als hij zich omdraait, is ze verdwenen. Alsof ze er nooit geweest is.

   Hoezo lastigvallen? Wat is er aan de hand?

   Heel even heeft hij het ijskoud. Hij beseft de verschrikkingen van zijn herwonnen vrijheid. Hoewel, herwonnen? Hij herinnert zich niet dat hij er iets voor heeft moeten doen. En vrijheid? Eenzaamheid kon je beter zeggen.

   Had hij het zich allemaal ingebeeld? Bestond  er helemaal geen Mandy?

   Hij is gaan zitten in de enige gemakkelijke stoel die in het midden van de kamer staat. Hij staart naar de tafel.

   Wat doen die gordijnen daar eigenlijk ?

   Zijn verstand is niet in staat tot enige logische gedachtegang. Hij voelt een sterke drang om de stad in te gaan, om mensen te ontmoeten. Maar wat heeft dat voor zin? Hij is doodmoe maar wordt ook steeds onrustiger. Hij wil opstaan maar zijn lichaam komt niet overeind. Hij concentreert zich nu op de tweeslachtigheid van zijn brein, op zijn onvermogen om zijn lichaam een eenvoudige opdracht te laten uitvoeren.

   Ik ben verlamd!?

Uiteindelijk lukt het hem om naar de badkamer te gaan zonder dat hij heeft besloten wat hij daar gaat doen. Met ronde ogen probeert hij zijn spiegelbeeld te overtuigen dat er niets aan het handje is. Zijn reflectie trekt een grimas bij wijze van bevestiging. Het lucht niet echt op. Hij doet een plas, wast zijn handen, drinkt een slokje water. Alles wat er toe doet, waar het uiteindelijk om draait, voor ieder mens op aarde … voor ons tweeën … shit…

   Terug in de kamer pakt Erik een pen en zijn journaal uit het antiek grenen ladekastje. Hij gaat aan de lange tafel zitten, schuift wat stof opzij en begint te schrijven.

 

 

 

 

DREAM A DAZZLING

Het repeteerverweer van Erik Hazepad

 

 

Muziek is in de eerste plaats een uitdrukking van verlangen. Het verlangen van schepper om de toehoorder te ontroeren, om het ‘mooi’ te vinden. Het verlangen naar maakbaarheid. Muziek is geluid dat door mensen wordt gemaakt. De intrinsieke maakbaarheid van muziek verhevigt het verlangen naar maakbaarheid. Vanaf de 2e helft van de 20e eeuw komt dat verlangen, wanhopiger dan ooit tevoren, tot uitdrukking in de rock ’n roll. Zolang er geen Nederlandse benaming van deze muzieksoort bestaat, zijn the lyrics  inalienably in English. De vocale boodschap betreft gewoonlijk het verlangen naar liefde. Zwartgallige en weemoedige uitbarstingen worden meer en meer ondersteund door harde ritmes (metal) en golvende harmonieën (symfonische rock). Commerciële belangen in de populaire muziek hebben het verlangen naar ontroering verdrongen door verlangen naar rijkdom en roem, aspecten van maakbaarheid bij uitstek. Het heeft de ontroering naar de achtergrond gedrongen, niet uitgeroeid.

 

 

Aware, aware my dream a dazzling

 

Speed of light

Speed of light                     STAGNATION

Speed of light

                                        Motion of melancholy

                                        Emotional constraint

 

Till future beats today my guardian angel holds

The sword of justice ramping raised to strike ere past

Beats yesterday

 

I’m a foster child, perhaps high-born

More plausible a trifling pawn

Tripping on colliding visions

         Of a troubled troubadour

A victim of some victory

In gloom alone ardour

See my rainbow orgy

Breaking through the hoar

By the time I dip my pencil

It has lost all of its colour

I am the ceiling, I am the floor

I am the key, I am the door

Behind which I am colossal

Invisible before the legendary tail spread out

My words remain obscure without

Without my crown a dazzling

Insignificant a dwarf

Easy to be overlooked

In ignorance ignored

Involuntarily incognito

A public secret yet

Extraordinarily out of proportion

Can’t tell head from tail no more!

I am the weft, I am the warp

I am a shipwreck on the shore

I am the failing commodore

Who struck the fatal chord

Beyond me lies the treasure

I’ve been trying to explore

The more ‘twas less than I was after:

To seize extravagance galore

 

 

                                              WORDS!

Don’t know what to say no more   WORDS!   No movement without music                                                                                                     WORDS!

                                                            Never approved my seclusion

MOTHER!                                           My delusions are worse

                                                         (who’s responsible for my birth?)

                                                                You were my Big Bang

        FATHER!                                               Extinct at last

                                                           (slackers never die out fast)

       

                                                        Adopted is something to be   

AM I ALONE TO BE FREE?                    Things go better with…

                                                                …out, out, out of the web

                                                      Into the glue, out of the black Into

                                                        the blue, I command myself

                                                                   To you…

 

I AM LOOKING FOR YOU                       Look at me, look at me

WHERE ARE YOU?                               I

                                                               am

                                                                        right

                                                                                   here

 

I share my dream a dazzling

 

Gourmandise

Banquet                             STARVATION

A treat

                                        Fixed emotion memory

                                        Frozen sigh of yore

 

Coagulated signs of what may come are

Death escaping, life embracing

Dazzling aloft

 

Still I’m a foundling, an orphan or

The child of unknown parents

They are still looking for

An arrow ‘cross the universe

A cross to mark the score

See my naked body

Gleaming through the gore

In excuse of my existence

I must die to be reborn

By the time the phoenix rises

It starts all over, evermore

I am the scabbard, I am the sword

I am the lady, I am the lord

Between me there’s no difference

Than there is ‘tween dying for

Something to live for and

Love I forbore to give

Apart I shall drift…

 

 

Schizofrenie is karakteristiek voor droefgeestige 20e eeuwse rockmuziek. Afgezien van het paradoxale streven om een zo groot mogelijk publiek deelgenoot te willen maken van persoonlijk leed dat men niemand toewenst, klinkt de jammerklacht van zelfmedelijden ook als een overwinningskreet. Dylan, Bowie, Townsend, Waters of Costello, ze zijn semantisch misschien interessant, op papier blijft het wat bloedeloos. Net als bij talloze collectieven domineert de vorm de inhoud. Zolang rijm en ritme van de vocalen maar naadloos aansluiten bij de hormonale samenklank van de gitaren, orgel, sax en drums. Rock ’n roll is emotie. Het is de wisselwerking tussen de schepper en zijn creatie, tussen de speler en zijn publiek, tussen de eenling en het establishment. Het is de ludieke revolte om een boze droom te beëindigen. Keer op keer op keer. Rock ’n roll is repeteerverweer.  

 

 

 

ALLE GODEN HETEN SHIVA

Mensen komen, mensen gaan, de hoop om niet te sterven blijft altijd bestaan

 

 

Halverwege de eerste helft van de 21e eeuw houdt Dr. Hazepad een lezing over het ontstaan van alle religies. Overtuigd van het bestaan van een universele samenhang zal hij zijn betoog ophangen aan de hindoestaanse metafoor voor eenheid van schepping en vernietiging, de god Shiva. Door zijn preoccupatie met zijn eigen gedachten en ervaringen wordt zijn mening meestal geridiculiseerd, hoewel hij hooguit kan worden beschuldigd van seksistisch taalgebruik. De ware boodschap blijft verhuld.

   De inhoud van zijn lezing staat onder embargo maar een tipje van de sluier kan geen kwaad. Toch?

 

 

De meest weerbarstige puber zal moeten toegeven – al wordt dit besef nog zo grondig verafschuwd – dat zij haar eigen bestaan volledig heeft te danken aan andere mensen. Vanaf het besluit tot haar verwekking, haar bescherming tegen alle mogelijke demonen en haar steeds heviger opborrelende verzet tégen het ouderlijk heelal, dat zich al heeft gevuld met schoolmeesters, klabakken en andere volwassen etters (de uitdijende overmacht aan betweters) wordt zij verscheurd door twijfel. In een spagaat van verlangen en afwijzing begint haar zoektocht naar een ijkpunt, een gids, een loodsster.

   Later, op de bokkenwagen door het doolhof der adolescentie, voert de wortel van de verloren vader of vorst haar radeloos in de richting van de leidster, Stella Maris, regelrecht in de armen van d’een of and’re god. Ons brein heeft nu eenmaal behoefte aan een bovenbaas. Het kinderbrein wil een volwassen brein, het volwassen brein wil een vorstelijk brein, en omdat een vorst ook maar een mens is, reikt iedereen naar den hoge.

 

Onze hersenen herbergen vele miljarden zenuwcellen (neuronen) die via talloze schakelingen (synapsen) met elkaar zijn verbonden. Door elk neuron kan een elektrisch stroompje (impuls) lopen waarmee een signaal wordt doorgegeven. Of er een impuls door een neuron gaat, wordt bepaald door de synapsen. Elke synaps is een soort schakelaar die aan of uit staat. De stand van de schakelaar hangt af van chemische processen ter plaatse. Primair worden die processen gestuurd door stoffen die in de synapsen zijn gemaakt (neurotransmitters), maar substanties die via het bloed worden aangevoerd (hormonen, drugs, gif) spelen ook een rol. De combinatie van neurotransmitters en stoffen van buitenaf bepalen hoe we denken, hoe we ons gedragen, wat we ons herinneren, wat we dromen.

   En niet in de laatste plaats, in welk universum we ons bevinden.

 

Het dierlijk brein is een overlevingsorgaan. Input vanuit de zintuigen wordt verwerkt tot gedrag dat is gericht op zelfbehoud en/of behoud van  naaste soortgenoten. Ons eigen brein is zodanig uitgebreid dat het bovendien aan alles een betekenis wil toekennen, alle waarnemingen wil verklaren. Als de lichte beweging van het wuivende gras niet door een tijger wordt veroorzaakt, moet er wel sprake zijn van iets anders. Djinns, demonen, goden en andere bovennatuurlijke griezels werden verzonnen om het onbegrijpelijke te kunnen verklaren1. Op alle continenten lieten mensen zich inspireren door de hallucinaties van heilige mannen. Sâdmoes en bokors, medicijnmannen en sjamanen, priesters en tovenaars, zij deden er alles aan om mensen te leren geloven. Daarbij maakten ze dankbaar gebruik van de gaven der natuur, zoals coca, datura, kalmoes en sali, vliegenzwam, kaalkopjes en ga zo maar door.2

 

Het dierlijk brein is een pleonasme. Planten, schimmels en microben bezitten geen brein. Het centrale besturingsmechaniek bestaat alleen bij dieren. Zelfs de eenvoudigste onder hen, zoals sponzen, poliepen en koralen, missen de echte hersens om er vandoor te gaan als er gevaar dreigt. Want dat is wat het brein doet, informatie verzamelen, voor- en nadelen afwegen en handelingen opwekken. Allemaal ten bate van het voortbestaan. Vastzittende organismen en microben hebben geen brein nodig, de eersten kunnen toch niet vluchten en microben  offeren zichzelf op door te delen. Alleen dieren met hersens doen aan zelfbehoud.

 

Met kernspinresonantie (NMR) kan een afbeelding gemaakt worden van een hersen-doorsnede. De foto toont de grijze cellichamen en witte uitlopers (axonen; verbindingen tussen de cellichamen). Met kernspintomografie (MRI) kan het functioneren van clusters hersencellen in zo’n doorsnede worden geregistreerd doordat in actieve gebieden de cellichamen meer zuurstof gebruiken en daardoor de samenstelling van het bloed ter plaatse verandert. De (bipolaire) watermoleculen zijn in de axonen op gelijke wijze georiënteerd (met de neus in dezelfde richting) waardoor  de verbindingen tussen de verschillende hersengebieden kunnen worden waargenomen.

   Met een elektro-encefalogram (EEG) worden de elektrische stroompjes tussen de celgroepen geregistreerd. Tot voor kort ging het om integrale registratie (hersengolven), tegenwoordig kunnen ook lokale  magnetische signalen worden gemeten (MEG). Het voordeel van deze technieken is de onmiddellijkheid ervan in tegenstelling tot de tragere kernspintomografie.

 

De menselijke hersens zijn zodanig uitgebreid dat ze in staat zijn tot functies die we dieren over het algemeen ontzeggen, zoals o.a. reflecteren, fantaseren, musiceren en samenzweren. Je inleven in de ander (empathie), zelfbewustzijn en het besef van de dood worden beschouwd als mentale eigenschappen die alleen in onze hersens worden opgewekt. Bovendien beschikt ons brein over een gigantische dataopslag (geheugen). Toch is ook die uitbreiding – mogelijk als een evolutionair nevenproduct –  een onderdeel van het overlevingsmechaniek en staat onze herinnering in dienst van zelfbehoud.3

   Dat zal niet iedereen beamen. Per slot van rekening kunnen we lachen om de dood zonder te sterven. Maar wie niets anders kan dan grappen maken over moord en doodslag zal dat te gelde maken om in leven te blijven. En nergens anders om.

 

Behalve uit miljarden neuronen bestaan  hersenen uit steunweefsel  (gliacellen; deze hebben bovendien een positief effect op de snelheid van signaaloverdracht) en transportweefsel (bloedvaten; o.a. voor toevoer van zuurstof en voedingsstoffen). De anatomisch herkenbare structuren van onze hersens weerspiegelen enigszins de fylogenetische stamboom van het dierenrijk. De hersenstam is een geavanceerde uitvoering van het brein van ongewervelde dieren zoals geleedpotigen en weekdieren en reguleert lichaamsfuncties waarop wij nauwelijks invloed kunnen uitoefenen (o.a. hartslag, ademhaling, spijsvertering). Tegen de achterzijde ervan liggen de kleine hersenen die een dominante rol spelen in de coördinatie van beweging en balans; ze nemen bij de gewervelde dieren (vertebraten) in omvang toe van vissen naar primaten. Boven de hersenstam en kleine hersenen ligt een aantal structuren dat met een verzamelnaam het limbisch systeem wordt genoemd. Alle zintuiglijke waarneming verloopt via dit systeem dat bij ons de emoties genereert. Het werkt bij alle zoogdieren op dezelfde wijze. De hersenschors (cortex) ligt hier als een muts overheen. Vanaf de amfibieën neemt de hersenschors bij de fylogenetische klassen van de vertebraten in dikte toe en is bij ons vooral aan de voorzijde (frontale kwabben) enorm toegenomen. De cortex is van belang voor het verzamelen en verwerken van cognitieve informatie. Hier ontwikkelen zich de leerprocessen en het bewustzijn.

    De evolutionaire gelaagdheid van ons brein wekt de verwachting dat recentere structuren de oudere domineren, maar niets is minder waar. Er bestaat juist een sterke onderlinge interactie die ons doen en laten op onvoorziene wijze bepalen. Hetzelfde geldt voor ogenschijnlijk gespiegelde hersenhelften. Hun functioneren is allesbehalve symmetrisch. Er zijn verschillende gebieden in de hersenen aan  te wijzen die overduidelijk geassocieerd kunnen worden met bepaalde functies zoals de visuele cortex en het spraakcentrum. Maar ons gedrag wordt bepaald door keuzes die we maken en daarbij speelt een groot aantal centra uit zowel de cortex (cognitie) als het limbisch systeem (emotie) een rol.

   Complexe gedachten die aan ogenschijnlijk eenvoudige beslissingen ten grondslag liggen, kunnen met MRI zichtbaar worden gemaakt als karakteristieke  patronen van actieve hersencentra. Dat geldt ook voor religieuze ervaringen en gedachten aan God. En ongeacht welke religie men aanhangt, de patronen zijn allemaal gelijk. Zelfs bij atheïsten die zich in het niet-bestaan van God verdiepen.

 

De evolutie van het leven op aarde kent een aantal sprongen die met natuurlijke selectie weinig van doen hebben. Het gaat om herhaaldelijke faseovergangen van individualiteit naar afhankelijkheid: van aparte chemische processen naar eenvoudige microben tijdens de abiogenese; van afzonderlijke microben naar celstructuur tijdens de endo-symbiose; van gescheiden eencelligen naar meercellige organismen; van individuele dieren naar staatvorming. Sommigen menen dat wij als jongste loot aan de evolutionaire levensboom in die laatste fase verkeren. Karakteristiek voor elke overgang  is het conflict tussen eigenbelang en samenwerking, een conflict dat bekend is uit de speltheorie en economische modellen. In de bio-evolutie gaat het om overleven. Het genetisch egoïsme van een individu zal zich verzetten tegen altruïstisch samengaan, maar soms leidt samenwerking tot meer overlevingskans. Zo wordt natuurlijke selectie af en toe onderbroken door een faseovergang.4

 

Het brein is een emergent orgaan bij uitstek. In zijn eenvoudigste vorm is de nieuwe eigenschap van het klontje cellen informatieverwerking. Naarmate de structuur complexer wordt, komen daar bij: informatieopslag (geheugen), opwekken van gevoelens (emoties), verwerven van kennis (cognitie) en mentale eigenschappen als empathisch vermogen en onderhandelen.

   Boven de materiële celstructuur ontstaat een nieuwe categorie van eigenschappen, de psyche, die het gedrag van het stoffelijke organisme stuurt. Er is sprake van een evolutionaire sprong van het organismale niveau naar het niveau van het spirituele, het onstoffelijke. Dat onstoffelijke is een realiteit, in die zin dat het door het organisme wordt opgewekt en mede het gedrag van dat organisme bepaalt.

   Bij mensen krijgt dat onstoffelijke een eigen identiteit in de vorm van ontwerpen, visioenen en religie. Of God werkelijk bestaat of tussen de oren zit, is niet relevant. Waar het om gaat, is dat in elk menselijk brein dezelfde zenuwcellen en neuronale verbindingen  actief worden zodra religieuze kwesties, God en moraliteit aan bod komen. De naam van God, om welke religie het gaat, wat juist of verkeerd wordt gevonden, dat zijn allemaal zaken die cultureel bepaald zijn, die overwegend door de naaste omgeving worden aangereikt, vooral door onze ouders. We hebben een aangeboren ontvankelijkheid voor normen en religieuze waarden, maar de naam van God wordt ons na de geboorte ingeprent zoals een kuiken uit het ei door de eerste de beste beweging krijgt ingeprent wie het moet volgen.

   In tegenstelling tot wat sommigen meenden en menen, namelijk dat er alleen voor de echte God een plaats in onze hersenen bestaat, doet het er niet toe hoe men God noemt, JHWH, Allah of Shiva. Of dat men beweert dat er geen God bestaat want ook dát is een overtuiging met hetzelfde neuronale patroon. En moraliteit, het besef van goed en kwaad, is helemaal niet aan religie gebonden maar gericht op zelfbehoud, behoud van de soort, behoud van het leven, enz. en in die volgorde. Het eventuele nemen van leven(s) laat men bij voorkeur aan anderen over.

 

De angst voor de dood zit diep geworteld in ons overlevingsorgaan en wordt veroorzaakt door een interne paradox tussen gevoel en verstand. In het limbisch systeem, het oude reptielenbrein, wordt bijna reflexmatig informatie verwerkt die betrekking heeft op levensbedreigende situaties en gericht is op zelfbehoud van het samenhangende geheel dat individu wordt genoemd. In de frontale lobben, onze denktank, bestaat het cognitieve besef van eindigheid en daarmee van onze eigen onontkoombare dood. De informatie afkomstig uit het limbisch systeem, ook wel omschreven als het gevoelscentrum, komt in conflict met het kille verstand  in de cortex en die touwtrekkerij leidt al snel tot een compromis: leven  na de dood. Zo’n interne overeenkomst is gunstig voor onze gemoedsrust, stimuleert ons groepsgevoel en draagt daarmee bij aan onze overlevingskans. De verschillende contexten die bedacht zijn om een ‘leven na de dood’ tot uitdrukking te brengen, kwamen tot stand door onze ontvankelijkheid voor opwindende verhalen over trots en verraad, liefde en jaloezie, vermetelheid en onderwerping. Om de puurheid van die gevoelens overtuigingskracht mee te geven, werd een overkoepelende moraliteit bedacht, de allesomvattende godheid van goed en kwaad, terwijl het ‘leven na de dood’ namen kreeg als hiernamaals, wedergeboorte, onderwereld of walhalla.

   Dat de godheid vele namen kreeg, is de charismatische vertellers niet aan te rekenen. Het is jammer dat de moraliteit die de verhalen zo spannend maakte, voor velen een onveranderlijk criterium van zelfbehoud is geworden. Met de sofistische belofte van een leven na de dood.

 

Tijdens haar adolescentie heeft onze puber uit het begin van dit betoog een mystieke ervaring. Vlak voor ze in slaap valt, voelt ze zich versmelten met het universum en beleeft het heelal als een deel van haarzelf. Ze weet niet zeker of ze nu opgaat in het grote geheel of dat de hele wereld binnen in haar is samengebald, maar het geeft haar het gelukzalige gevoel van totale onafhankelijkheid, waaraan ze zich volledig zou willen onderwerpen. Toch kan ze het gevoel niet vasthouden, alleen de herinnering blijft.

   Is dit God of ben ik gewoon moe?   

 

Het leggen van causale verbanden is een aangeboren neiging om een fenomeen te verklaren. Succes wordt beloond met de afgifte van dopamine wat een prettig gevoel genereert.
 
De mystieke ervaring kan worden opgewekt met behulp van drugs en meditatie. Religieuze verhalen ontstaan om anderen deelgenoot te maken van de persoonlijke ervaring. 
Uitbreiding van onze mentale eigenschappen veroorzaakt soms tegenstrijdige informatie die leidt tot onzekerheid en verlies van controle. Dit heeft een negatieve invloed op de fysieke en psychische gezondheid.. Vermijden van onzekerheid en behoud van controle zijn evolutionair voordelig.
Zie voor een Nederlandstalig overzicht van de evolutionaire faseovergangen http://korthof.blogspot.nl/2011/12/evolutionaire-transities-en-het.html
 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

André Aleman. Hersenspinsels. Atlas Contact, 2011

Bas van Egmond. Kopverkenningen. TIEM, 2014

Lone Frank. De vijfde revolutie. Maven Publishing, 2010

Harm Knoop. Leef je eigen mythe. Valkhof Pers, 2012

Oliver Sacks. Hallucinaties. Bezige Bij, 2012

Dick Swaab. Wij zijn ons brein. Atlas Contact, 2012

Martin Urban. Waarom de mens gelooft. Wereldbibliotheek, 2007

George Vaillant. Spirituele evolutie. Dutch Media Uitgevers, 2009

 

 

 

 

  L & B TOESTAND                   HET THEATER VAN ONS WEZEN

 

 

 

De toestand van het Zelf wortelt in de eigen hersenspinsels, zoals alles dat er door geleid wordt. De boodschap wordt verstuurd uit behoefte om zichzelf te beschermen en als het zich bedreigd weet, wordt de inhoud verstoord. Dit is altijd het geval, ook al zal elk Zelf zich door andere zaken bedreigd voelen. Wat het Zelf in zulke situaties denkt, is altijd anders. Dat leidt tot een valse vorm van generalisatie. Onder vergelijkbare omstandigheden reageert het Zelf veelal verschillend.

   De Ziel, daarentegen, reageert altijd op dezelfde manier. Zij reageert op alles dat herkend wordt als de waarheid en nergens anders op. Evenmin doet zij een poging om vast te stellen wat de waarheid is. Zij weet dat waarheid alles is wat Shiva heeft geschapen en weer kan afbreken. Zij maakt volledig deel uit van die schepping, omdat zij onlosmakelijk verbonden is met die goddelijke schepper en sloper.

   Deze toestand is Shiva’s wil. Opbouw en afbraak vallen samen. Hij schiep ons verstand door zijn regie en maakte ons daarmee tot eeuwig klankbord van zijn geest en wil. Zijn woorden kunnen alleen worden gesproken tussen wezens van gelijke orde. Vanzelfsprekend delen zijn schepselen de woorden met hem en op zijn wijze. Zijn woord is onaantastbaar, universeel en onbevooroordeeld. Zonder uitzondering of wijziging. Hierdoor en hiervoor zijn wij door hem gemaakt. Ons verstand kan in de war raken, maar het kan zichzelf niet begiftigen met iets dat niet bestaat. Daarom kan ons verstand de woorden nog wel horen, maar worden we in ons verlangen om ze uit te spreken soms wezenlijk belemmerd. Ons hele wezen bestaat bij de gratie van de vernietiging.

   Ons bestaan wordt bepaald door de wisselwerking tussen schepping en sloop. Ons wezen is volledig ontdaan van dit onderscheid. Het is een toestand waarin het verstand resoneert met de gehele werkelijkheid, inclusief ons Zelf en de Ziel. Hoe meer wij deze toestand beperken, hoe minder wij ons bewust zijn van onze eigen werkelijkheid, die pas volledig wordt in onze herkenning van de algehele werkelijkheid in de goddelijke samenhang met onszelf. Dit is onze werkelijkheid. Ontheilig die niet en deins er niet voor terug. Het is ons werkelijke thuis, onze ware tempel, ons wezenlijke zelf, onze ultieme toestand.

 

 

 

Vrij naar de oertekst van Helen Schucman: Een cursus in wonderen.

 

                    In de uitgestrektheid van de ruimtetijd

                                                  Werpt de kniesoor steentjes in het water

 

 

CROWN A DAZZLING

 

 

 

El Instituto 8           MYSTERICORDIA  

 

 

 

Waar Erik Hazepad het meest naar verlangt, is om er achter te komen waarnaar hij het meest  verlangt. Hij stelt zichzelf de vraag terwijl hij naar een oude tekenfilm kijkt, Aladin en de wonderlamp, een sprookje uit 1001 Nacht.

   Wat zou ik wensen?

   Hij herinnert zich dat hij ooit meende dat zijn grootste wens in vervulling was gegaan.

   Een Japanse gaststudent had hem gevraagd om bij hem thuis te komen eten. De stakker woonde nog maar kort in Nederland, sprak slecht Engels en was eenzaam. Om niet alleen te zijn, nodigde hij geregeld studiegenoten uit, maar altijd stelden ze elkaar teleur.

   Ooit had hij ook Erik uitgenodigd en deze was op zijn uitnodiging ingegaan. Een gratis maaltijd was nooit weg en Japans weer eens wat anders. Al wist hij dat zijn gastheer het in zijn brabbeltaaltje voornamelijk over computers zou hebben, nam Erik zich voor de eenzaat zoveel mogelijk over zijn gastland te vertellen.

   Uit dankbaarheid kreeg Erik die avond een darumapop cadeau, een Japans gelukssymbool. Om een wens te doen, moest hij in het blanco oogwit een paar pupillen tekenen. Hetgeen hij deed, kort nadat hij Mandy had ontmoet. Aan die eenzame Japanner had hij, ondankbare hork die hij was, nooit meer iets laten horen.

   Nu vraagt hij zich af of dat boeddhistische ritueel hem niet juist een loer heeft gedraaid. Zóoo Zen! Trouwens, zijn verlangen naar Mandy is niet meer zo overheersend als het jaren geleden geweest is. Hij is heel tevreden zonder haar. Vindt hijzelf. Eigenlijk is het wel comfortabel om met niemand anders rekening te hoeven houden. Hij kan eten en slapen wanner hij wil en via zijn computers heeft hij contact over de hele wereld.

   Van de myriade wensen die bij hem opkomen, is er geen één die duidelijk zijn voorkeur geniet. Of het zou iets moeten zijn dat onmogelijk is: antwoord hebben op alle vragen; onzichtbaar zijn; als een geest van de ene mens op de andere overspringen; reizen naar de toekomst. 

   Wat zou ik het liefste willen?

   Nu kan hij kan er om glimlachen: de hoop die hij als kind had dat zijn wereld nooit zou veranderen, zijn puberale doodswens aan het adres van zijn muitende vader, zijn dorst naar lof en bewondering tijdens zijn studie, een vaag verlangen, toch, om heel beroemd te zijn.

   Voor zijn negende verjaardag had hij tientallen wensen op zijn verlanglijstje gezet. Zonder bepaalde voorkeur. Toen al niet. Al was zijn claim op exotisch getinte knikkers algemeen bekend, zowel thuis als in zijn straat en op school. Ooit had een leerling uit een hogere klas, die bovendien bij hem in de straat woonde, al of niet opzettelijk, sommige van zijn knikkers verwisseld met ordinaire modellen. Dat heeft die smiecht geweten!

   Als de film is afgelopen stelt hij voor zichzelf vast dat de hoofdfiguren van oude sprookjes meestal gewone mensen zijn, vaak kinderen. Alleen fabeldichters hebben hun moralistische vertellingen opgehangen aan dieren met overigens nogal botte menselijke eigenschappen. Pas in de 20e eeuw krijgen ook de dierlijke romanfiguren wat meer nuance.

   Ooit heeft hij op zijn examenlijst naast de verplichte nummers een paar opmerkelijke boeken vermeld: een serie Bommelverhalen van Marten Toonder. Hij zou ze desgevraagd  tot zijn favorieten hebben gerekend.

   Nog steeds kan hij er ongeremd van genieten. Stiekem hoopt hij ooit nog eens de hand te leggen op Heer Bommel en het rookgordijn, waarin heer Olivier in het bezit komt van de verrukkelijkste tabak waarvan de rook hem onzichtbaar maakt. Niet dat dit veel verandert aan de normale stand van zaken, maar een miskent heer hunkert naar erkenning. En daarvoor moet hij gezien worden.

   Geleidelijk dringt het tot Erik door waar hij zelf eigenlijk het meest naar verlangt: om in stilte veel goeds te doen. Tegelijkertijd beseft hij dat hij dan helemaal niet onzichtbaar wil zijn. Niet omdat hij dan geen erkenning zou krijgen, die kan hem gestolen worden. Maar de solipsistische gedachte aan een denkbeeldig universum, een wereld die verdwijnt zodra hijzelf verdwenen is, acht hij onverenigbaar met zijn hele wezen. Zelfs als hij ervan overtuigd kon worden dat Mandy een fantoom is, dan nog zou hij nooit aanvaarden dat alles in zijn leven uit louter droombeelden bestaat.

 

Zijn leven lang heeft Erik Hazepad een weg gevolgd die hem de juiste leek, zowel voor hemzelf als voor anderen. Zijn levenswandel wordt door velen bewonderd, al kan enige afgunst sommigen niet worden ontzegd. Terecht verwijten die laatsten hem dat hij nooit iets zal doen waar hij geen zin in heeft. Dat hijzelf maar weinig plezier beleeft aan de vele goede werken die hij voor anderen verricht, ontgaat hen volledig.

   Jarenlang heeft hij zich ingezet voor de doelstellingen van het Instituut. Wat hem nooit heeft tegengestaan omdat hij een idealist is. Wie de gelegenheid krijgt om zijn ambities te verwezenlijken, hoor je niet klagen. Wat de doelen van het Instituut precies zijn, is niet zo eenvoudig uit te leggen. Je zou kunnen zeggen dat er gewerkt wordt aan een bio-navigatiesysteem van het menselijk bestaan: een soort routeplanner die geschikt is voor elk willekeurig individu onder alle (on)denkbare omstandigheden.

   Voor de praktijk van het Instituut betekent het dat alle informatie die voor het menselijke bestaan van belang kan zijn, dat wil zeggen alle denkbare informatie, verzameld moet worden alvorens deze kan worden verwerkt.

    Dat heeft tot uiteenlopende opvattingen geleid. Bijvoorbeeld over het aantal multiversa. Tegenwoordig huldigt men weer de opvatting dat er slechts één bepaalde werkelijkheid bestaat, met verschillende denkbare interpretaties. Volgens Erik is dat een hele verbetering na de ooit gehanteerde opvatting dat de werkelijkheid onbepaald zou zijn.

 

Op de universiteit neemt Erik een bijzondere positie in. Hij assisteert bij zowel geologische als archeologische practica maar doceren doet hij niet. De meeste studenten nemen aan dat hij alleen onderzoek doet en de sporadische doordenkers zien in hem de geniale zonderling die van veel onderwijstaken is vrijgesteld. Wat niet zover bezijden de waarheid is, alleen weten ze niet dat zijn onderzoek in dienst staat van het Instituut.

   De laatste tijd geeft hij soms gastcolleges over de coherente loop der gebeurtenissen, de onvermijdelijke invloed die elk voorval, hoe klein ook, heeft voor de toekomst. Met zijn collega Huby Moontrap is hij het eens dat de evolutie op aarde ook na het ontstaan van de mens  in volle glorie voortschrijdt. Alleen is het tempo van dat proces zo traag dat niemand het ziet. Dergelijke uitspraken ontlokt aan sommige studenten een heftige afwijzing. Wat hen betreft mogen het aardoppervlak en de meeste levensvormen het resultaat zijn van evolutie, dat geldt niet voor de mens! De mens is geschapen en zal hoogstwaarschijnlijk haar eigen ondergang tegemoet gaan. Einde discussie (zo die er al was).    

   Het standpunt is hardnekkig en neemt hand over hand toe. Erik heeft zijn verzet al geruime tijd opgegeven maar de laatste tijd heeft hij steeds vaker last van een soort spirituele jeuk. Zou het kunnen zijn dat de mensheid zich niet uniform in één bepaalde richting ontwikkelt maar zich splitst naar geestverwantschap? Zelfs al blijft Homo sapiens biologisch gesproken één soort, dan nog zouden er door spirituele isolatie subgroepen met een eigen werkelijkheid kunnen ontstaan. Om zo’n idee empirische te kunnen staven, moet hij echter nog een tijdje geduld hebben.

 

Van de conferentie in de nobertijnenabdij van Tongerlo herinnert Erik zich, naast zijn onmogelijke presentatie en dramatische afgang, nog iets anders dat hem had ontsteld. Hoewel hij zich goed had voorbereid op zijn presentatie, was hij bloednerveus geweest. Toch had een verhandeling van de spreker vóór hem zijn volledige aandacht gehad. Vooral omdat het betoog over een onderwerp ging waarover hij al eens eerder een stukje had gelezen en dat hij destijds als een eenzijdige speculatie terzijde had geschoven.

   Een samenvatting van dat stukje ligt vóór hem maar hij hoeft het niet in te zien om te weten wat er staat.

 

Iedereen heeft hem zichzelf wel eens gesteld. De vraag kan verschillend luiden, de strekking blijft hetzelfde. Waarom ben ik wie ik ben? Wat is de zin van mijn bestaan? Waar verlang ik het meeste naar?

   Veel mensen menen een bevredigend antwoord te vinden in de heilige geschriften (of zo wordt hen verteld), anderen zoeken het in drugs. Een enkeling verdiept zich in wijsgerige spitsvondigheden maar zal zich telkens weer bekocht voelen. De reden waarom deze vraag desondanks tekens weer de kop opsteekt, is vanwege ons pragmatische tijdsbesef.

   Of men nu van mening is dat de mens superieur is aan alle andere levensvormen, zijn levensduur is dat geenszins. Diverse organismen worden vele malen ouder dan de gemiddelde mens (evenals het omgekeerde overigens). Maar zelfs als wij duizend jaar oud konden worden, zou dat bij lange na niet genoeg zijn om bovenstaande vragen te beantwoorden. Daarvoor is een tijdsbesef nodig dat miljoenen jaren omvat.

   Mensen hebben inderdaad een streepje voor op alle andere levende wezens omdat alleen wij in staat zijn geschiedenis te schrijven. Maar daarmee komen we niet verder dan een paar duizend jaar dus het enige wat ons rest is geduld.

   Zoveel geduld ontbreekt mij [notitie Hazepad].

 

Vanaf het begin van zijn betoog had de spreker erop gewezen dat het mogelijk is om wat aan ons beperkte tijdsbesef te doen. Met behulp van neurofysiologische nanotechnologie waren al veelbelovende resultaten geboekt op het gebied van individuele tijdsbeleving. Hij herinnerde het aanwezige publiek aan het Chinees-Indiase onderzoek waarover de laatste tijd zoveel te doen is. Niet langer hoeven we ons neer te leggen bij Augustinus’ constatering dat de tijd ongrijpbaar is. De tijd is weldegelijk iets dat je naar je hand kunt zetten, als je maar weet hoe!

 

Een nanogel is een sferische e-pil vol nanobodies die variëren in grootte en vorm en overeenkomen in hun vermogen om andere moleculen te kunnen insluiten. De iriserende werking wordt veroorzaakt door clusters van verschillende typen nanomoleculen die het licht in het transparante bolletje op schitterende wijze breken. Dit neveneffect maakt de nanogel extra indrukwekkend.

   De hoofdrol is weggelegd voor de werking van de ingesloten stoffen in de nanodoosjes. Onder invloed van pH en temperatuur worden de pakketjes op verschillende locaties in het verteringskanaal geopend waarna de ingesloten stoffen achtereenvolgens vrijkomen. Sommige kleine moleculen worden direct door de darmwand opgenomen, andere via liposomen in darmcellen geïnjecteerd. Eiwitachtige stoffen prikkelen verschillende kliercellen in de wand van twaalfvingerige-  en dunne darm wat een ongekende manifestatie in het lichaam veroorzaakt.

   Het resultaat is een effectieve beïnvloeding van de neurotransmissies in het centrale zenuwstelsel waardoor het brein in een transcendente staat geraakt. Proefpersonen maken melding van buitenzintuiglijke ervaringen, reizen door ruimte en tijd, verpletterende inzichtelijkheid.

   Inwendig gebruik van de nanogel is niet zonder risico. Het product is onvoldoende getest op betrouwbaarheid en eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid zijn onbekend. Omdat er geen diagnostische toepassing is met een medische indicatie wordt de nanogel niet tot de farmaceutische producten gerekend en is dan ook niet geregistreerd.

   Van enige lichamelijke verslaving is niets bekend maar geestelijke verslaving lijkt niet uitgesloten.

 

Eriks smartwatch trilt om hem er aan te herinneren dat het tijd is om te lunchen.

   Op weg naar de uitgang schiet het hem weer te binnen. Voordat hij zijn smartwatch laat uitlezen door het digibord bij de receptie haast hij zich terug naar zijn kamer. Met het sleuteltje – nadat het lange tijd onopvallend in zijn jaszak verborgen zat, heeft hij het plotseling opgemerkt – maakt hij de privé-la onder zijn werkbank open. Na wat gerommel tussen de paperassen en paperclips vindt hij het: de nanogel, het transparante bolletje dat hem ooit door een vreemdeling was overhandigd. Het doet hem nog steeds aan een gewone stuiter denken. Maar het is geen glas, het voelt warmer aan, als een soort kunststof. De kleurige draden binnenin veranderen wederom van tint als hij het bolletje in zijn handpalm laat rollen.

   Hij kan de verleiding niet weerstaan om even aan het bolletje te likken. Het smaakt heel licht naar havermout. Het bolletje wordt niet plakkerig, het blijft helder doorschijnend.

   Dan wordt hij min of meer overvallen door een flashback.

 

Erik Hazepad zit aan zijn bureau in de ruime kamer die hij deelt met een aantal andere medewerkers van L Instituto. Vandaag hebben ze afgesproken dat dingen, universalia, niet langer bepaald mogen zijn. Ze mogen wel aanwijsbaar zijn. Het gaat te ver als iets niet meer geduid kan worden. Maar de werkelijkheid bestaat niet, hooguit een werkelijkheid.

   Op L Instituto worden alledaagse en mysterieuze fenomenen uit de hele wereld verzameld, onder de loep gelegd, op waarde geschat en gerubriceerd. Met behulp van geavanceerde technologieën wordt de onophoudelijke instroom van nieuwe kennis ingezet om de ultieme dromen van Homo sapiens te verwezenlijken. Iedereen is vrij om daaraan bij te dragen.

   Erik is het soort geleerde dat controleert wat andere geleerden hebben ontdekt. Soms merkt hij dat zijn collega’s kletskoek verkopen, stukjes overschrijven of zelf een verhaaltje verzinnen. Het meeste werk dat hij onder ogen krijgt, is gelukkig niet frauduleus, al is het zelden goed geschreven en al helemaal niet eclatant.

   Momenteel bekijkt hij het artikel dat hem op merkwaardige wijze bekend voorkomt maar waarvan hij zeker weet dat plagiaat geen rol speelt: het roept vragen op die hij niet eerder heeft gesteld. Waarom iemand de zin van het bestaan ontleent aan de keuzes die hij maakt en niet omgekeerd? De conclusie dat de beslissingen die men neemt en de doelen die men stelt synoniem zijn, wekt zijn wrevel. De suggestie dat de toekomst kan worden herinnerd als een extrapolatie van gebeurtenissen in het verleden doet de deur dicht. Maar een verwijzing naar technologische ontwikkelingen die in een vergevorderd stadium verkeren, maakt hem onrustig. Met een vaag gevoel van opwinding staart hij naar de afbeelding.

   Als het buiten donker begint te worden – in februari gaat de zon hier vroeg onder – besluit hij dat het tijd wordt om naar huis te gaan. Hij barst van de koppijn en voelt zich gefrustreerd door een weinig inspirerende werkdag.

 

 

 


 

 

Ik moet weer zijn ingedut.

   Hij staart naar het beeldscherm op zijn bureau. Ik heb niet eens mijn wachtwoord ingetoetst.

   De regen klettert tegen het raam. Hij ontdekt dat hij zijn jas al aan heeft en ziet dat de deur naar de gang open staat. Kennelijk was ik al op weg.

   Hij valt de laatste tijd steeds vaker in slaap achter zijn bureau. Als er niemand aanwezig is en het gebouw verlaten lijkt. Schoonmakers hebben hem ’s avonds wel eens alleen op zijn kamer aangetroffen maar houden zich aan de afspraak om Hazepad met rust te laten. Die verstrooide geleerde zit misschien wel het ei van een kolenbus uit te broeden; die gaan we niet storen.

   Soms weet Erik niet waar hij is als hij wakker wordt aan zijn werktafel. Hij woont in zijn hoofd. Alleen in zijn kamer. Alleen in de voormalige winkel, dan weet hij wel wie hij is en wat hem bezig houdt. In gedachten is hij niet aan plaats of tijd gebonden. Alleen zijn omgeving verandert voortdurend.

   Nadat hij zijn computer heeft uitgeschakeld, gaat Erik nu echt op huis aan.

 

 

Wat je doet, wordt overwegend bepaald door handelingen in opdracht van je brein. Niet zelden zijn die handelingen gelardeerd met onvoorziene acties want je hoofd is een vergaarbak van onvoltooide werkopdrachten.

   Erik Hazepad is in zijn boekenkast op zoek naar een populair werk uit zijn studententijd. Van ene Swaab. Zijn aandacht wordt even afgeleid door een sprookjesbundel (1001 Nacht?) uit zijn kindertijd. Hij herinnert zich talloze verhalen waarin mensen voor een bijkans onmogelijke keus worden geplaatst, spannende gebeurtenissen omdat de personages meestal niet weten welke gevolgen hun beslissingen kunnen hebben, opgewonden verbijstering als superhelden andere dingen doen dan hij, Erik, ooit zou hebben gedaan. Zoals een wens doen bij wijze van beloning voor een goede daad (een opvallend frequent fenomeen). Telkens opnieuw had het hem geërgerd dat er nooit gewenst werd om alles te kunnen wensen. Het blijft altijd beperkt tot rijkdom, macht of de hand van een prinses. Oninteressante zaken voor een echte tovenaar. Alhoewel, een prinses?

   Hij is weer terug bij af: wat is zijn diepste wens? Swaab kan wachten. Hoewel, de hersenonderzoeker constateerde ooit dat het hebben van een gemeenschappelijke vijand de sterkste prikkel voor het gemeenschapsgevoel is; een mechanisme waar vele wereldleiders misbruik van hebben gemaakt. Die bewering heeft destijds indruk op hem gemaakt.

   Erik vermoedt nu zelfs dat er niet eens sprake hoeft te zijn van een vijand die men bedreigend vindt. Een willekeurig medemens pesten lijkt een soort plaatsvervangend gedrag bij gebrek aan een echte vijand. Veel mensen zouden wensen dat het anders was, maar pesten is een automatisch gevolg van onze sociale betrokkenheid. Gewoonlijk willen slachtoffers alleen maar meedoen in plaats van pispaal spelen of te worden genegeerd. Hem heeft het nooit gehinderd dat hij er niet bij hoorde. Zijn diepste wens moet dus een andere zijn.

   Wraakzucht misschien? Veel mensen gaan gebukt onder de zware last van een witte walvis. Net als bij Ahab staat hun leven in het teken van de vernietiging van wat in hun ogen het kwaad is. Maar goed en kwaad zijn relatieve begrippen, zeker op een persoonlijk niveau. De ploert die zijn zwager vermoordt, is wellicht ook de liefhebbende broer van de voortdurend mishandelde echtgenote van het  slachtoffer. Ondanks diverse haatgevoelens – wie koestert ze niet? – voelt Erik zich opnieuw niet aangesproken.

   En weer bedenkt hij mistroostig dat zijn grootste wens op dat moment is om te weten wat hij het liefst zou willen. Hij beseft dat zijn verlangens voortdurend veranderen en dat zijn gedrag wordt aangestuurd door een onbeduidende drang om zich lekker te voelen. Hij speelt wat op zijn elektronisch toetsenbord, vrij naar Rachmaninov, maar heeft er snel genoeg van. Hij stort zich op The Trader van de Beach Boys, maar krijgt opeens ontzettende trek in een sigaret. Mandy! Samen genieten van iets moois is toch anders dan in je eentje je hoofd breken over je diepste verlangens. Maar hij verlangt niet terug, hij wil alleen begrijpen. En ook dat zal na verloop wel slijten, daarvan is hij overtuigd.

   Nu pas dringt het tot hem door dat alles wat hij doet niets anders is dan de inachtneming van zijn natuurlijke, sociale en cognitieve behoeften. Hij poept, neemt zijn post door, leest een tekst, wast zijn handen, snuit zijn neus, bladert in een boek van Giep Franzen ... als zijn telefoon gaat. Wie? Wat zijn allergrootste wens ook zijn mag, hij zal er zelf voor moeten zorgen dat-ie in vervulling gaat, van een sprookjesfee kan hier geen sprake zijn. Wie het ook mag zijn die nu nog belt – hoe laat is het eigenlijk? – heeft vast geen antwoord op zijn vraag.

   Wahwilikeggulluk?

   Zijn mobiel zwijgt. Dan hoort hij een zacht gegrinnik.

   En jij vond míj een rare snuiter?!

 

Wereldwijd is er een handjevol instellingen dat in stilte probeert veel goed te doen. Ironisch genoeg wordt die stilte – van buitenaf – bij het eerste succes al doorbroken. Zodra er iets ‘goeds’ wordt bereikt, lijkt hun anonimiteit te verdwijnen als sneeuw voor de zon. Iedereen verlangt een aandeel in de vrijgekomen resultaten en de financiële input wordt gewantrouwd zodat geldschieters zich schielijk terugtrekken. Internationale organisaties als de OECD en OLAF, die belast zijn met fraude- en corruptiebestrijding, spannen samen om de onderste steen boven te krijgen. Ondanks de wetenschap dat de kennisinnovatie van de eerdergenoemde instellingen een voorspoedige economische groei met zich mee kan brengen, wordt alles in het werk gesteld om de anonieme organisaties te corrumperen.

   Het Instituut – L Instituto – heeft zich vooralsnog kunnen onttrekken aan de aandacht van de jakhalzen van Big Business Sciences. De geruchten gaan dat de organisatie is ontstaan in de 18e eeuw in Peru en dat de initiatiefnemer een Nederlander was. Ene Theodoor Haase zou op verdachte wijze in Zuid Amerika een fortuin hebben vergaard dat hij heeft aangewend om een ideologisch netwerk te spannen. Dat de excentrieke Antwerpenaar daadwerkelijk bestaan heeft, blijkt uit een manuscript getiteld Misericordia (acte van barmhartigheid) dat onlangs is gevonden bij archeologische opgravingen op het eilandje San Lorenzo voor de Peruaanse kust. Het document maakt deel uit van een handgeschreven journaal vol sierlijke en kunstige letters en bevat onder meer een ideologische leidraad voor de geldelijke bestedingen van L Instituto. Bovendien maakt het journaal melding van een ontmoeting met de bijgelovige inheemse bevolking, wat enig licht werpt op de herkomst van Haase’s fortuin:

 

Ende also daghelijcks seer quaet weder gheweest was, derhalven niet en conden afdaelen, gingen wy opt overhooch geberchte, dat op vele plaetsen wit met snee bedeckt lach, aldaer wy den nacht bleven. Int leste als wy meynden door te gaen, quamen by ons 11. Indianen, wesende de overste die ons de voor-leden daghen hadde willen overvallen, ende ginghen onser vyven by haer, makende weder vrientschap, vereerende ons met gout ende silver, ende wy met hen eenighe Spiegelkens ende ander Paternosters, midts conditie dat zy ons op morghen eenighe verversinghe souden brenghen, dies wy des anderen daeghs quamen ende brachten ons visch voor tinnen lepels. Dan saghen wy den berghen vallen en in roock op gaen, oock wy en werden opt landt gesmeeten en gevoelden den grondt schud-den. De Wilden krysten of zy heel droncken in wirden, Pachakutik! Pachakutik! Dwelck horende, besloten wy oft wy in manghelingh van eenighe van haer wat cieraade soude connen becomen. Also den avont aen quam, wy verstonden tgoede succes hiervan.

   God Almachtigh, door wiens sonderlinghe genade sulcx uytgewrocht is, sy daerover in der eeuwigheyt gelooft ende gepresen, Amen.

 

Essentieel voor het succes van een onderneming als L Instituto is onbekendheid. Zodra men lucht krijgt van de grote sommen geld die gemoeid zijn met ontwikkeling en onderzoek op uiteenlopende gebieden, zijn de profiteurs en fiscale diensten er als de kippen bij en dijt de vriendenkring van de betrokken filantropen met astronomische snelheid uit. Enkele vergelijkbare idealistische organisaties zoals de UBS-bank in Zwitserland of het internationale Compassionate Action Network zullen door gebrek aan anonimiteit nooit de doelstellingen van L Instituto kunnen bereiken, laat staan evenaren.  

 

Terwijl hij naar de Mystericordia op zijn beeldscherm staart, hoort Erik nog een stuiptrekkend gegrinnik uit zijn mobiel komen voordat een geheimzinnige stilte intreedt. Dit mysterie wordt snel opgehelderd: in zijn zenuwen heeft hij op offline gedrukt.

   Is dit ironie of is dit ironie?

   Hij beseft dat bij L Instituto eigenlijk alleen maar rare snuiters werken. Maar wel aardige rare snuiters. Assertieve nerds, bescheiden genieën, boekenwurmen die een radio kunnen repareren en wiskundigen die Tournier lezen. Hij heeft er nooit bij stilgestaan dat hijzelf ook een snoeshaan wordt gevonden.

   Hij had zich laten overdonderen door een telefoontje! Sardonisch stemgeluid dat vaag bekend maar zonder gezicht door zijn hoofd zoemt, zinspelend op zijn autistische neiging tot paniek waardoor hij de verbinding heeft verbroken voordat er een gesprek op gang dreigt te komen.

 Ik ben gestoord! Maar wel prettig gestoord, ik werk immers bij L Instituto!

 Dat is het antwoord op de vraag die hem bezighoudt: zijn werk bij L Instituto is wat hij het liefste doet. Toch? Als iemand hem zou vragen waarnaar hij het meest verlangt, kan hij eenvoudig zeggen: mijn werk. Al klinkt dat knap debiel.

 

Als hij zijn versleten regenjas aanschiet, verbaast hij zich over zijn vastberadenheid. Door de grote etalageruit ziet hij een purperen donderkop zijn dreigende boodschap verkondigen. Een ogenblik licht zijn bleke tronie op in het vensterglas. In het spiegelbeeld ontmoet hij de geruststelling van een machtige aanwezigheid. Hij is eenzaam noch gevangen. Hij voelt zich king of the world. Pas bij de donderklap beseft hij dat hij alleen is in het duistere vertrek.

   Wat kan ik mij soms toch aanstellen.

   Met de deurkruk al in de hand aarzelt hij. Het sleuteltje!  Nadat het lange tijd onopvallend in zijn jaszak zat, heeft hij het ineens opgemerkt. Hij keert terug op zijn schreden en opent de bureaula. Na wat gerommel tussen oude foto's, wat achtergelaten lingerie van Mandy, een darumapop met uitgeknipte ogen en andere souvenirs waar hij nooit afstand van heeft kunnen doen, vindt hij het: de nanogel, het transparante bolletje dat hem ooit door een vreemdeling was overhandigd. Het doet hem nog steeds aan een gewone stuiter denken. Maar het is geen glas, het voelt warmer aan, als een soort kunststof. De kleurige draden binnenin veranderen wederom van tint als hij het bolletje in zijn handpalm laat rollen.

   Hij nijgt zijn hoofd en steekt zijn tong uit om even aan het bolletje te likken. Het smaakt naar havermout. Het bolletje wordt niet plakkerig, het blijft helder doorschijnend. Hij kan de verleiding niet langer weerstaan.

   Dan wordt hij overvallen door een flashforward.

 

Hij is onderweg naar de lift als hij een tengere gedaante door de klapdeuren halverwege de gang op hem af ziet komen. De getinte man van onbestemde leeftijd houdt zijn pas in en kijkt hem met schuine blik aan (alsof ze samen een geheimpje hebben). Hij steekt een vuist naar Erik uit en lispelt met nauwelijks verstaanbare stem:

   “ik heb er nog meer”

   Hij opent zijn vuist en legt de knikkers in Eriks hand.

   Erik staart naar de bolletjes. Ze zijn kleiner en egaler van kleur dan de stuiter die hij zich herinnert. Hij vraagt zich af of de mogelijkheden ook zijn veranderd.

   “?”

   Als hij opkijkt knikt de man (of jongen) hem bemoedigend toe.

   “Wat ik niet begrijp, de eerste keer dat je hier was, je ziet er nog precies hetzelfde uit. Hoe kan dat?”

   “Wij ontmoeten elkaar in de virtuele tijd. Daarin blijven wij dezelfde. Alleen de omgeving, het ruimtetijdcontinm, verandert.”

   Erik keert terug naar zijn kamer, opent de onderste lade van zijn bureau en legt de knikkers bij de verzameling die er al lag.

   “Voor elke pil een andere flash,” knort hij vergenoegd. Hij steekt één van de bolletjes in zijn mond en slikt het door.

 

 

 

 

 


 

 

Waar ben ik?

   Nog voor hij zijn ogen opent, weet Erik dat die vraag op verschillende manieren kan worden beantwoord. Hij is in zijn kamer in het Instituut, een plek die hem gegoten zit als een maatpak. Hij is niet thuis, thuis is alleen, hier is hij alleen maar een-zaam, een uniek mens tezamen met anderen die hun verstand gebruiken. Van hieruit kan hij zich met een willekeurig vervoermiddel naar  elke andere plek op aarde bewegen. Naar Tongerlo bijvoorbeeld, waar binnenkort een conferentie is waar hij naartoe zal gaan. Hij bevindt zich ook in het centrum van het universum, dat immers in alle richtingen met dezelfde astronomische snelheid uitdijt. Talloze lichtjaren hiervandaan zou de situatie niet anders zijn.

   En aan de randen van het waarneembare heelal? In de zogenaamde achtergrondruis?

 

 

 

In de lift komt hij weer tot zichzelf. In de duistere krochten van zijn onderbewustzijn is een naam opgedoken. Met één van de stukken die hij onlangs gelezen heeft, is hem hetzelfde overkomen: een naam die bekend klinkt maar het niet is.

   Onderweg naar zijn verdieping stopt de lift geregeld maar negens stapt er iemand in.

   “Het lijkt wel of hier alleen nog geesten rondwaren,” gromt Erik binnensmonds.

   Terug in zijn kamer opent hij een la van zijn bureau en rommelt wat tussen de paperassen en paperclips. Als hij de juiste USB-stick heeft gevonden, probeert hij zich de naam van het bestand voor de geest te halen. Scrollend op zijn laptop dringt het tot hem door dat hij niet weet waar hij naar zoekt. Hij laat de vele bestandsnamen de revue passeren zonder dat hij er één ziet die een belletje doet rinkelen. Wanhopig begint hij zijn brein te scannen.

...stofzuigendeanticonceptiemobieleritsbalpenpolshorlogegecomputerdemagnetronantbioticum...

   Hij opent een paar bestanden waarvan de naam hem bekend voorkomt zonder dat hij de inhoud herkent. Hij leest stukken die hij eerder heeft gelezen maar ze laten hem onverschillig. Nergens vindt hij wat hij zoekt en hij voelt zich steeds mistroostiger worden.

   Ik ben in een inrichting vol geesten op zoek naar een hersenschim.

   En dan ziet hij het. Plotseling. Onverwacht. Een naam die hij zich herinnert, een naam uit het verleden. Een naam die onverwacht opdook en even mysterieus weer verdween. Een naam die iedereen vergeten is maar die nog wel iets oproept dat bekend voorkomt. Als iets van vroeger.

    Of iets van morgen.

 

Het natte wegdek weerspiegelt de eenzame straatlantaarns als Erik op weg is naar huis. Voor de komende nacht heeft hij zichzelf  onbewust (?) belast met een dilemma. In zijn rugzak draagt hij een volledige uitdraai van Haase's journaal, inclusief zijn acte van barmhartigheid. In zijn jaszak trilt zijn mobieltje: de mysterieuze beller.

   “Bolt?

 

 

 

 

 

 

 

  L & B TIME-OUT                   WENSDROOM UIT WANHOOP

 

 

Als je dit leest, ben ik er niet meer. Het doet mij veel verdriet want ik weet dat je mij zult missen. Maar ik kan het lijden niet meer aan. Elk gezicht dat ik zie, elke zin die ik hoor, ze roepen herinneringen op die als vallende dominostenen door mijn hoofd razen. Alles wat ik meemaak blijft me bij, behalve de volgorde. 

 

 

De dokter noemt het hyperthymesia. Ze hebben mij antidepressiva gegeven. Bij gebrek aan beter. Soms helpt het, maar meestal zie ik flikkerende filmbeelden. Met mezelf in de hoofdrol.

 

Er is iets mis in mijn hersens. Wat het precies is, weet niemand, laat staan dat ze het kunnen verhelpen. Structurele verbindingsfouten tussen verschillende hersendelen, zeggen ze. Een storing in het limbische systeem, zeggen ze, vermoedelijk in de amygdala. De heren doctoren weten niet of het is aangeboren of pas op latere leeftijd is ontstaan. Op school had ik altijd grote moeite om iets te onthouden. En nu zie ik die juffen en schoolmeesters voor me alsof ik gisteren nog bij ze in de klas zat.

 

Het is niet erfelijk. Niemand in mijn familie heeft het. Ze zijn jaloers op mijn geheugen, de idioten. Ze hebben geen idee.  

 

Omdat niemand iets lijkt te kunnen doen om mij uit mijn lijden te verlossen, heb ik gekozen voor de vrieskist. Ooit weten ze misschien wat meer, dan kunnen ze me weer ontdooien. 

 

Iemand van DCO heeft beloofd om mijn lichaam in te vriezen en het transport met Alcor te regelen. Omdat het snel moet gebeuren, hebben we het zo geregeld dat ik van tevoren even bel. Dan kunnen we afspreken hoe lang ik heb vóór het fatale schot.

 

 

PS. Alles was voor niets.