El Instituto 6           ADDERWINDE

 

 

 

Margaret (Margarita) Meiggs behoorde tot een van de rijkste families van Peru in de tweede helft van de 19e eeuw. Er bestond een duistere verwantschap tussen haar familie en het imperium van de gebroeders Grace, diplomatieke zakenlui, door de Ierse hongersnood verdreven uit hun vaderland en op zoek gegaan naar een beter bestaan in Zuid Amerika. In Lima hadden ze uiteindelijk hun bestemming gevonden.

   Opgegroeid in de beschermde omgeving van haar vaders uitgestrekte haciënda was ze niets tekort gekomen en had ze het vanzelfsprekend gevonden dat iedereen voor haar klaar stond. Ze was verwend maar dat kon ze goed maskeren. Rokkenjagers zaten achter haar aan omdat ze, ondanks haar gehavende handen, een mooi meisje was. En dat wist ze. Ze wist ook dat eerbare echtgenoten op haar gesteld waren omdat ze voorkomend, meelevend en lieftallig was. Jongelui liepen met haar weg vanwege haar tomeloze energie en oude mannetjes genoten van haar opgewekte charme. Ze joeg velen het hoofd op hol, sommigen meer dan anderen, af en toe met fatale gevolgen.

   Wat echter niemand bevroedde, wat ze aan niemand liet merken, was haar heimelijke angst voor de toekomst. Een soort innerlijk smeulen. Ze was bang dat het vuur vanbinnen ooit zou oplaaien en of het zuiverend dan wel verzengend zou zijn, zou nog moeten blijken. Ze was er niet gerust op.

   Andere meisjes van haar leeftijd en maatschappelijke positie zouden in die geestestoestand waarschijnlijk toetreden tot een kloostergemeenschap, in de hoop door meditatie en gebed hun eigen lot in goede banen te leiden. Zo niet Margarita. Ze vond dat een zielig soort vluchtgedrag dat ze veroordeelde. Ze beschouwde het als een poging om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen en de status quo te gedogen. Bidden kon altijd nog. Zij was meer gebaad met iets concreets, zo meende ze, pedant als ze was.

 

Terwijl ze in de brandende zon de zilte zeelucht opsnoof, voelde ze opnieuw de greep van een onontkoombare drift. De vissersbootjes in de baai van Callao vervulden haar met een vreemd mengsel van verlangen en zwaarmoedigheid.

   Ze had haar blik van het eiland afgewend en keek naar de bedrijvigheid op het water. Het enthousiasme waarmee een visvrouw met een wuivend gebaar haar waar aanprees, vestigde een ogenblik Margarita’s aandacht op de kramen langs de kade. Ze was slim genoeg om te beseffen, dat, ondanks alle vriendelijke woorden en goede bedoelingen, er voor de oorspronkelijke bevolking, voor de mensen bij wie de kolonisten zogezegd te gast waren, weinig hoop in het verschiet lag. Het was haar niet ontgaan dat de lokale bevolking het steeds moeilijker kreeg onder het juk van haar eigen familie.

   Terwijl het henzelf juist steeds meer voor de wind ging.

   Ze wende haar gezicht weer naar de zee. Haar blik zocht en vond, voorbij de vele schepen die in de haven en voor de kust lagen, opnieuw het eiland San Lorenzo, waar ze jaren geleden met haar familie had gepicknickt. Ze had genoten, die dag. Het ongerepte eiland herinnerde haar aan een puurheid die in haar beleving op het vaste land voortdurend werd bezwangerd met koloniale schuldgevoelens en hedonisme. Het eiland was haar graal.

   Het bevreemde haar dat ze er nooit meer was geweest. Dat zou ze toch weer eens moeten doen. Gelijk vroeg ze zich af hoe het mogelijk was dat ze zich zojuist nog het lot van de Indianen had aangetrokken en nu alweer bezig was met plannetjes voor haar eigen genoegens.

   Plotseling klonk achter haar rug een bekende stem die haar licht deed huiveren.

   “Señorita Miguez, wat een geweldig genoegen u hier te treffen.” De jongeman had zich met gebogen knieën en uitgespreide armen als een baltsende hoendervogel achterovergebogen en terwijl Margarita zich met een quasi verbaasde glimlach omdraaide, keek hij hoopvol naar haar op. Alfredo Mussganz maakte haar al jaren het hof en al was hij niet bijster snugger, volharding kon hem niet worden ontzegd. Het lag ook niet in de lijn der verwachting dat Margarita ineens onaardig zou zijn. Alfredo’s rare gewoonte om haar naam te verspaansen ergerde haar, maar dat was nog geen aanleiding om hem te negeren. Tenslotte noemde ook niemand haar Margaret. Was Miguez trouwens niet de achternaam van Estra, haar liefdevolle kinderjuffrouw?

   “Alfredo! Ik had jou hier op de markt niet verwacht. Zullen we samen verder lopen?”

    Ze had het niet kunnen laten om licht spottend te verwijzen naar zijn minachting voor het plebs maar het leek haar verstandig om dat onmiddellijk te laten volgen door een uitnodiging. De bloedrode bloem in Alfredo’s revers was veel te groot, bescheidenheid behoorde niet tot zijn deugden. In deze omgeving die gedomineerd werd door visafslag, havenvertier en zeestrijdkrachten, wilde hij duidelijk kenbaar maken dat hij als gefortuneerde landjonker met de juiste egards bejegend wenste te worden. Margarita stak haar arm door de zijne en trok hem zachtjes mee in de richting van een vishal.

   “Ik heb ontzettende zin in sardines. Zullen we daar wat halen?”

   Alfredo’s ontzetting was voelbaar en ze begreep dat ze ver genoeg was gegaan met haar plagerij.

   "Of wil je mij liever thuisbrengen?" Haar vraag werd opgevat als een verzoek en opgelucht verklaarde Alfredo zijn aanwezigheid.

   "Ik heb zojuist een bespreking gehad op het hoofdkwartier van de marine. Ik zag U hier staan. Het is mij een eer om U thuis te brengen. Mijn sjees staat verderop."

   Hij leidde haar in de richting waar ze zijn vervoermiddel vermoedde. Margarita liet zich gewillig meevoeren, met haar gedachten ondertussen bij heel andere zaken. Het kostte haar geen moeite om zich geestelijk bezig te houden met zaken die haar echt interesseerden en tegelijkertijd de onderhoudend bedoelde woorden van haar aanbidder met onderdanige glimlachjes te beantwoorden. De voorstelling in haar hoofd werd steeds duidelijker nu ze besloten had dat het eiland waarnaar ze zojuist nog had staan uitkijken een hoofdrol zou gaan spelen. Ze moest het er maar eens met haar vader over hebben.

   Haar vader. Levensgenieter, scharrelaar. Deed iets met bielzen en rails. Hij wekte in haar een spagaat aan gevoelens op. Ze was trots op zijn geestdriftige ondernemingszin en benijdde hem om het gemak waarmee hij anderen kon overtuigen van zijn gelijk. Zijn gedachteloze investeringen in landroof en uitbuiting ergerden haar. Ze verfoeide het gemak waarmee hij ‘zinloze’ emoties negeerde, zoals verdriet, schaamte en spijt. Ze bewonderde zijn hardheid en haatte zijn onverschilligheid. Hij gaf haar de kriebels.

   Maar ze dankte aan hem wel haar luxe leventje.

   Met een half oor luisterde ze naar het onbeduidende gebabbel van haar chaperon. Hij had het over de tijdrovende organisatie die het brandmerken van het vee met zich meebracht. Ze vroeg zich af of hij haar handen, of wat er van over was, wel eens had gezien. Haar linkerhand was zodanig aangetast dat hij gedeeltelijk geamputeerd had moeten worden, de brandwonden aan haar rechterhand waren minder ernstig geweest, maar toch…

   Haar gedachten gingen onwillekeurig terug naar de nachtmerrie … haar graaiende handen om haar zusje te redden uit de vlammenzee … Het ogenblik, in haar geheugen gegrift, als het eindelijk lukt. De angstdromen die haar ’s nachts folteren met het beeld van een half gesmolten gezichtje, als van een gebruikte sierkaars, met een begin van verkoling… Haar handen voelt ze niet. Zelfs haar gevoel voelt ze niet. Alleen afschuw.

   “Daar staat-ie.” Alfredo gebaarde naar zijn rijtuigje en Margarita besefte dat ze een fractie van een seconde zijn aanwezigheid was vergeten. Ze gunde Alfredo een dankbare glimlach en liet zich door hem helpen plaats te nemen. Daarbij moest ze haar handen gebruiken maar haar hoffelijke begeleider liet niets merken. Ze vermoedde dat Alfredo haar handen niet eens gezien had, zo was hij opgegaan in zijn galanterie.

 

De misvormingen waren menig vrijer een doorn in het oog geweest. Of de streling van die vogelpootjes hen tegenstond of dat een liefdevol huishouden met zulke klauwtjes ondenkbaar was, wat er ook in hen omging, zij hadden haar daarna gemeden.

   Dat de meeste jongelui haar links lieten liggen, vond ze niet echt leuk. Wat ze erger vond, was dat haar verminking werd gebagatelliseerd. Zo als die knappe Amerikaan (op wie zij echt verliefd was geweest) zich had uitgesloofd om te doen alsof ze niets mankeerde. Hij was een man van de wereld, hij zou wel zorgen voor een paar nieuwe (handen), hij kende een specialist in de States…

   Omdat hij echt om haar leek te geven, had ze zich aan hem gegeven. Hij op zijn beurt werd gekweld door het idee dat ze hem nooit zou vergeven als hij haar ontrouw was. De inspanning die het hem kostte om zijn hartstocht te beheersen, greep hem echter sterker aan dan hij had voorzien: op verschillende plaatsen van zijn lichaam ontstond een jeukerige uitslag. Vooral op zijn voorhoofd en handen verscheen een bloederig eczeem en zijn biechtvader had het al over stigmata.

   Margarita, die het katholicisme niet meer serieus nam, vond dat onzin. Zij had de handen van haar geliefde in de hare genomen en het bloed van de wonden gelikt.

   Die symbolische handeling had bij de adolescente jongedame een hemelse sensatie opgewekt. Haar liefde was diep! Maar de Amerikaan had schielijk zijn handen teruggetrokken en haar geschokt aangestaard, zo diep ging zijn liefde niet.

   Na zijn vertrek naar San Francisco, waar zijn thuis was en waar genezing wachtte, werd Margarita verscheurd door onverenigbare gevoelens. Enerzijds werd ze door verdriet verteerd en at ze nauwelijks, anderzijds was ze vervuld van hoop dat haar liefde genezing zou vinden en gedroeg ze zich dagen achtereen tomeloos opgewekt.

   Het had een jaar geduurd voor ze haar evenwicht hervond.

 

Haar Amerikaanse avontuurtje behoorde (voorlopig) tot het verleden. Andere herinneringen bleven haar echter plagen. Telkens als ze, zoals nu, in volle vaart over de weg vloog – het paardje voor de sjees had een stevige draf ingezet – flitsten de beelden van het ongeval aan haar voorbij.

   In weerwil van de vele chagras en huachos op zijn haciënda had Margarita’s vader een hekel aan paarden. Hij kon ze wel bewonderen, zolang ze maar niet te dicht bij hem in de buurt kwamen. Dat was best een handicap want daardoor had hij nooit leren paardrijden en was hij voor zijn talrijke uitstapjes afhankelijk van een rijtuig met menner. Zijn weerzin tegen strontbeesten in het algemeen had ongetwijfeld bijgedragen aan zijn ontzag voor stoomlocomotieven en andere wonderen der techniek. De Europese uitvinding van een gemotoriseerde koets trok dan ook onmiddellijk zijn aandacht en spoedig liet hij zo’n ‘automobile’ naar Lima verschepen.

   Eindelijk zou hij op pad kunnen gaan zonder dat eeuwige gedoe om eerst een voerman te vinden en een stalknecht om de  paarden in te spannen en een paard dat de kar wilde trekken, enzovoort. De automobile reed op benzine, hij hoefde alleen voor voldoende brandstof te zorgen. En hard ging het ook, vooral vanaf een hellinkje. Margarita’s vader was bijzonder in zijn nopjes.

   Op de dag van het ongeval was hij met beide dochters uit rijden gegaan. De oudste naast hem op de bok, de kleine achterin de laadbak. Naast het extra vat benzine had hij een zitje gemaakt waarin het meisje stevig werd vastgesnoerd. Met de wind in de haren stoven ze door het arcadische landschap.

   Margarita rilt bij de gedachte aan de rit. Zij, ineengedoken naast haar kolossale vader, de knokkels van haar nog gave handjes wit van de kracht waarmee ze de zitting stevig vast houdt, haar kleine zusje diep in de achterbak met een uitdrukking op haar gezicht dat ze het geweldig spannend en ook een beetje eng vindt. En dan de schok, zelf ligt ze naast het voertuig in de berm, haar vader rolt nog over de weg, er is kabaal, razend geloei, ze ziet vlammen. Geen zusje. Ze werpt zichzelf naar de achterkant van de berg schroot, in de bak zit haar zusje, stevig vastgebonden zodat ze er niet uit zal vallen, ze krijgt haar niet los, ze rukt en trekt, het vuur verschroeit haar haar, haar wenkbrauwen, haar handen. Na een eeuwigheid heeft ze haar zusje los. Maar het hoeft niet meer. Zij hoeft niet meer. Ze hoeft het nooit meer te zien.

   Maar toch gebeurt het telkens weer.

   Haar vader was buiten bewustzijn geweest. Hij had niet kunnen helpen. Hij had haar handen (wat er van over was) pas veel later gezien. Net als zijzelf, trouwens. Het helingsproces had maanden in beslag genomen en elke keer als de bandages, kompressen of windsels werden vervangen, had ze geweigerd te kijken. Het waren haar handen niet meer. Ze hadden gefaald.

   Margarita herinnerde zich nog de bladeren die kort na het ongeval om de stompen waren gewikkeld. Ze waren van het kruipkruid uit de tuin met geneeskrachtige planten. Chamiku, het kindermeisje – ze werd een meisje genoemd, ook al was ze een volwassen vrouw – gebruikte het kruid voor haar vaginale stoombaden in de hoop dat ze dan na een verkrachting nooit meer zwanger zou worden. De kinderen noemden het adderwinde, vanwege de zigzag tekening op de kronkelende stengel. Als het verband eraf was, zouden haar vingertoppen veranderd zijn in slangenkoppen.

   Haar vader had haar gerustgesteld. Afgezien van een gevoel van dankbaarheid voor het verlies van maar één dochter, had hij niets anders aan het ongeluk overgehouden dan een grondige hekel aan gemotoriseerde koetsjes en slecht onderhouden karresporen. Hij was weer bekeerd tot paard en wagen. 

 

 

 

 


 

 

 

 Terug aan boord van de Conceptión

 

 

De mannen en vrouwen die in het ‘slavenruim’ van de Conceptión woonden, hadden hun betrekkelijke vrijheid aan boord benut om hun eigen levensstijl zoveel mogelijk voort te zetten. Dat betekende onder meer dat de vrouwen het eten zelf klaar maakten. De nieuwe scheepskok had opdracht gekregen om ze regelmatig van de nodige ingrediënten te voorzien en zodoende beschikten ze over voldoende etenswaar om de inhoud van hun pannen en kooktoestellen genoeglijk te laten pruttelen.

   Sinds het vertrek uit Saint-Louis was Theodoor af en toe uit nieuwsgierigheid in het ruim afgedaald. Soms had hij, zo onopvallend mogelijk, een tijdje in hun midden vertoefd. Hij merkte dat ze aanvankelijk bang voor hem waren. Na enige tijd leken ze zijn aanwezigheid te negeren en had hij geboeid hun bezigheden bestudeerd.

   Het zijn net gewone mensen en tegelijkertijd ook weer niet.

   Broeken en hemden, zoals de overwegend Europese bemanning droeg, kenden ze niet. Ze waren vrijwel naakt, ook de vrouwen, met alleen een rok rondom hun onderlichaam. Sommigen droegen een soort sjerp en een hoofdtooi van iets dat hem aan rafelig scheepstouw deed denken. De meesten hadden opzettelijk aangebrachte littekens op hun bovenlichaam, zelfs in hun gezicht. Theodoor huiverde bij de gedachte aan het snijden in het zachte vlees. Vaak waren het evenwijdige kerven maar bij een aantal mannen zag hij spiralen op hun wangen. Het viel Theodoor op dat juist deze mannen voortdurend in de weer waren terwijl de anderen op hun strozakken lagen of tamelijk luidruchtig met elkaar zaten te praten. Hij kon hun taal niet verstaan en vroeg zich af of de klanken die ze uitstootten wel een echte taal was.

   De zogenaamde ‘vrije slaaf’ had hem verzekerd dat ze weldegelijk met elkaar spraken. Nadat ze Afrika achter zich hadden gelaten, had de schipper langzaam maar zeker het vertrouwen van de tolk gewonnen. Aanvankelijk had de zwarte man aangezeten aan de maaltijd in de kajuit maar na een tijdje maakte hij duidelijk dat hij de voorkeur gaf aan het eten van de zwarte vrouwen. Als het de kapitein om het even was, at hij liever in het ruim.

   Na hun vertrek uit Saint-Louis werd Van den Berghe dagenlang geplaagd door zijn kwaal, waardoor hij de maaltijd aan zich voorbij liet gaan. Juist vanaf het moment dat de tolk had laten weten liever in het ruim te willen eten, was de dokter weer beter. In zijn naïviteit had Theodoor daar nog niets achter gezocht.

   De tolk had uitgelegd dat hij niet iedereen even goed kon verstaan. Net zoals Theodoor nauwelijks Spaans sprak, beheersten niet alle negers het Swahili. Elke stam had een eigen taal. Evenals kenmerkende tatoeages, trouwens. Zo kwam Theodoor erachter dat de ‘spiralen’ tot een andere stam behoorden en ooit gevangen waren genomen door de ‘strepen’. Het waren slaven in het kwadraat.

 

Tijdens een officiersvergadering waarbij zowel de ‘vrije slaaf’ als de dokter aanwezig waren, had de slaventolk zijn bezorgdheid uitgesproken over het lot dat hen te wachten stond. Had de kapitein er wel aan gedacht dat deze mannen en vrouwen zoveel vrijheid genoten dat hij ze straks niet meer als slaaf zou kunnen verkopen?

   Daar had Pieter zeker aan gedacht. De afgelopen dagen had hij aan niets anders kunnen denken. Hij had ‘de lading’ in zijn waarde gelaten om het verlies tijdens de reis te minimaliseren. Nu moest er iets worden verzonnen om zijn menslievendheid te compenseren. Er moesten per slot van rekening pegels komen. Voor proviand en voor soldij. Het was niet de bedoeling dat hij erop zou toeleggen. Terwijl hij zijn glas leegdronk, stelde hij vast:

   “Ik denk dat ik enige moeite zal moeten doen om een geschikte koper te vinden.”

   Vragend keek hij in de richting van Theodoor en deze begreep meteen dat er weer een lumineus idee van hem verwacht werd. Hij had dit zien aankomen en over het probleem nagedacht. In de haven van Saint-Louis had hij zijn ogen en oren goed de kost gegeven. Verbijsterd was hij getuige geweest van het laden van de slavenschepen. Alsof de gewaarwording zijn morele besef aantastte, werd hij tijdens zijn gang door het havenkwartier vervuld met een soort boosaardigheid die hij van zichzelf niet kende. Hier werd de kiem gelegd voor een plan. Maar dit keer was het wel een heel doortrapt plan.

   “De hebzucht van de slavenhandelaren is ongekend. Elk plekje in de ruimen van hun schepen wordt gereserveerd voor hun lading. Zelfs het meeste boordgeschut is verwijderd om plaats te maken voor meer handel. Ik denk dat er ook voor henzelf nauwelijks nog plek is.”

   Veelbetekenend keek hij rond. Van den Berghe trok een grimas die Theodoor abusievelijk opvatte als een blijk van minachting voor zulke inhaligheid. In plaats van de weerzin die het beeld van zoveel nikkers op één schip bij de dokter opriep. Hij snoof verongelijkt:

   “Als de slavenhandelaren hun lading hebben verkocht, hebben ze tenminste geld. Ons schip zit tjokvol. Die zwarten weten ook wel dat het in hun eigen belang is om te helpen, als we weer zo’n storm krijgen als vorige week. We hebben puur geluk gehad dat we niet zijn verzopen.”

   Grommend stond Van den Berghe op van tafel en verliet onder afwijzend gemompel de kajuit terwijl de schipper een nieuwe fles open maakte. Een beetje verbouwereerd nam Theodoor weer het woord:

   “De Afrikanen zullen beseffen waar hun belangen liggen. Dat hebben ze tijdens de orkaan ook bewezen. En als de handel is verkocht zitten de slavenschepen inderdaad goed bij kas.”

   Hij keek de schipper aan en vroeg zich af of zijn idee wel in goede aarde zou vallen.

   “Die nieuwe kanonnen hebben een grotere vuurkracht dan we dachten. Met andere woorden, het zal een makkie zijn om ze van hun rijkdom te verlossen.”

   Pieter Jacobz, ondertussen licht beneveld, had met toenemende verwondering geluisterd. Maar nu maakte zijn verbluftheid plaats voor geestdrift.

   “Beroving!” Onmiddellijk gevolgd door een onthutst “Je bedoelt dat we ze gaan beroven?”

   “Ik noem het liever verlossen,” verbeterde Theodoor.

   “Verlossing! Dat is een goeie! We zullen ze verlossen van hun bloedgeld.”

   De schipper was Theodoor zo langzamerhand als zijn protegé gaan beschouwen en zijn waardering was in de loop van de reis zo groot geworden dat hij zich liet meeslepen door jongensachtige overmoed. Hij vond het een opwindend vooruitzicht dat zijn tandeloze windjammer zich zou ontpoppen als een vlijmscherp zwaard van Damocles. In een slappe tweestrijd werd de goedmoedige schipper overmand door een merkwaardig soort fatalistische levenslust. Hij zag het wel zitten.

 

Nadat ze de Azoren achter zich hadden gelaten, was Theodoor afgedaald in het slavenruim. Terwijl er net een maaltijd werd rondgebracht, had hij de aandacht van één van de vrouwen getrokken. Ze reikte hem met neergeslagen ogen een kom warme gries aan die zo lekker rook dat het water hem in de mond liep. Zulke gastvrijheid was hem in het slavenruim nog niet eerder ten deel gevallen. Hij nam gretig een hap van het gerecht dat hij herkende als de smakelijke stoofschotel die hij geregeld in Saint-Louis had gegeten. Het overtrof zelfs zijn verwachting. Hij had niet geweten dat al die tijd de zinnenprikkelende Afrikaanse keuken zo dichtbij was geweest. Vlak onder zijn voeten in dit broeierige scheepsruim!

   Hoe wijs de schipper was, drong diep tot hem door en hij prees zichzelf gelukkig dat hij hem niet had teleurgesteld. Nooit kon hij hebben bevroed dat het door hemzelf voorgestelde profijtbeginsel tot dit culinaire genoegen zou leiden.

   Misschien kon hij ook een kom gries voor de kapitein krijgen? Hij grinnikte bij de gedachte dat de goddeloze Jacobz dezelfde levensstijl had als de door hem verachte paapse Brabanders. Onhandig gebaarde hij dat hij een extra kom mee naar boven wilde nemen waarbij hij wat van het verrukkelijke voedsel morste. De vrouw met de neergeslagen ogen wilde zich bukken om zijn geknoei op te ruimen maar ze stokte. Met een vertrokken gezicht hield ze haar handen tegen haar buik en knakte lichtelijk voorover. Het was duidelijk dat ze buikpijn had. Aan het voedsel kon het niet liggen, niemand anders leek ergens last van te hebben. Ze glimlachte verontschuldigend terwijl ze een extra kom overhandigde. Kennelijk was de kramp van korte duur. Toch leek het Theodoor raadzaam om de dokter te informeren.

   Van den Berghe had echter meer aandacht voor zijn eigen ingewanden.

 

 

De kookkunst van Reinaldo Bolt was misschien nooit tot bloei gekomen als hij niet als kind – toen hij nog luisterde naar de naam Rimme – noodgedwongen voor zijn jongere broertjes en zusjes had moeten zorgen.

   Zijn vader werkte als bakker in de porseleinfabriek van Meissen totdat hij bij een bedrijfsongeval om het leven kwam. Sindsdien ging zijn moeder nogal eens de hort op en vertrouwde haar oudste zoon de zorg voor het huishouden toe. In weerwil van zijn jonge leeftijd deed hij dat boven verwachting en lukte het hem om dagelijks een smakelijke en gevarieerde hap te brouwen.

   Totdat zijn moeder met syfilis werd besmet en haar seksuele escapades definitief tot het verleden behoorden. Nu ze de deur niet meer uitging, kon zij zo goed en zo kwaad als het ging het huishouden weer overnemen terwijl hij, Rimme, allerlei baantjes buitenshuis had om voor de broodnodige centjes te zorgen. De barbiers en chirurgijns kostten hem handen vol geld maar de behandelingen hadden een averechtse uitwerking op de gezondheid van zijn moeder. Het aderlaten en purgeren, de kwikhoudende zalven en rooksessies met cinnaber, ze maakten haar alleen maar zieker. Het huishouden zou zeker geheel verslonst zijn als de oudste kinderen niet allemaal hun steentje hadden bijgedragen. Maar hoe iedereen ook zijn best deed, moeder werd er niet beter op.

   Tenslotte was ze gestorven.

   Na haar verscheiden had Rimme het ouderlijk huis verlaten (de zorg was overgegaan in de handen van zijn één jaar jongere broer). Ondanks de inspanningen van de apostolische vicaris om jongelui binnen de prefectuur te houden, had hij kans gezien de douanebarrières bij de stadspoort te omzeilen. Hij had zich aangesloten bij een reizend theatergezelschap. Niet omdat er in hem een toneelspeler sluimerde maar vanwege zijn kookkunst en het komische talentje waar hij smoorverliefd op was geworden. Ze zou hem korte tijd later een zoon schenken.

   Ironisch genoeg vertoonde het meisje op zeker moment dezelfde ziekteverschijnselen als zijn moeder had gehad. Dat vervulde de jonge vader met een razernij waar hij geen raad mee wist. Gelukkig trad er bij háár na behandeling wel verbetering op. De heelmeester vertrouwde hem toe dat hij zich verdiept had in het werk van Theophrastus von Hohenheim (Paracelsus) en dat Rimme’s moeder waarschijnlijk vergiftigd was. Kwikzouten waren hartstikke gevaarlijk! Alleen in heel geringe hoeveelheden konden ze geneeskrachtig zijn!

   “Als de kwaal niet afneemt dan intensiveren die allopaten juist hun doseringen,” snoof deze vroege pionier van de homeopathie minachtend. “Sneu voor uw moeder. En voor u, natuurlijk. Maar zo gaat het meestal.”*

   Ondanks die troostende woorden kon Rimme zijn verbolgenheid niet onderdrukken en hij verliet het theatergezelschap en zijn trouweloze vrouw (en kindje). Hij zwierf in zuidelijke richting, werkte afwisselend in keukens, hospitalen en wijnkelders om uiteindelijk in bij Don Alfonso als koksmaat te beginnen.

   Hij liet zich Reinaldo noemen en maakte gestadig carrière binnen de keukenhiërarchie, niet in de laatste plaats vanwege zijn beminnelijke maar manipulatieve omgang met de vele Afrikaanse slaven die daar werkten.

   De fatale tirade, die volgens zijn werkgever zo beledigend was geweest dat het hem zijn baan kostte, had betrekking gehad op één van de hofartsen van de godsdienstwaanzinnige koningin Maria I, bijgenaamd de Vrome. De zelfingenomen geneesheer was één van de genodigden van de Don en hij had het nodig gevonden om de keukens te inspecteren. Bij die controle had Reinaldo hem herkend als één van de chirurgijns die zijn moeder vermoord hadden en in een vlaag van razernij had hij hem verrot gescholden. Klaarblijkelijk had de man, net als hijzelf, een carrière opgebouwd in Portugal. De heelmeester had een betere startpositie gehad en het dienovereenkomstig verder geschopt. De kok was er nog goed vanaf gekomen dat hij slechts de laan werd uitgestuurd.

 

Reinaldo Bolt had dankbaar gebruik gemaakt van het aanbod om als scheepskok op de Conceptión zijn onafwendbare noodlot op het vasteland te ontlopen. Met die opgeblazen likkepot van een kapitein kon hij zijn voordeel doen, zo meende hij. Tijdens zijn culinaire loopbaan had hij geleerd om met eenvoudige middelen een voedzame en vooral smakelijke maaltijd te bereiden. Het was niet de bedoeling om in de eerstvolgende haven aan de kant te worden gezet. Het schip zou naar de Caraïben varen. Nou, daar was voor een kok van zijn kaliber vast een mooie toekomst weggelegd. Hij had gehoord dat daar door rijke planters gastronomische evenementen werden georganiseerd waarvoor ze uitsluitend Europese cuisiniers aantrokken. Vermoedelijk werd die voorstelling van zaken sterk overdreven, maar waar rook was, was vuur.

   Die mooie jongen waar de kapitein zo op gesteld was, die Theodoor, leek hem een arrogante kwal maar met die knul had hij verder niets te maken. Wat-ie precies aan boord deed was niet duidelijk. Soms zat-ie hout te hakken, dan weer te smoezen met die Maya’s of wat het waren. Liefje van de schipper? Het zou hem worst wezen. Hij had hem vroeger wel eens uitgenodigd in de kombuis, maar die jongen had iets … hij gaf hem een onbehagelijk gevoel.

   En dan was er de pillendraaier. Wat at die man weinig! Hij had hem al een paar keer een maaltijd in zijn hut gebracht maar als de vaat werd opgehaald, bleek hij zijn eten nauwelijks te hebben aangeraakt. Aan het voedsel lag het niet, daarover was geen twijfel mogelijk. Die Van den Berghe leek hem trouwens wel een moderne dokter, met al zijn instrumenten en potten vol gedroogde kruiden. In elk geval niet zo’n koninklijke hofbarbier vanwege wie hij had gevreesd voor zijn eigen hachje.

   Toen hij bij gelegenheid Van den Berghe had verteld over zijn zere kies, had deze in zijn mond gekeken en hem gevraagd wat hij wilde, snijden of zuigen? Wat een vraag! Maar vooruit, dat zo’n moderne wetenschapper nog gebruik maakte van de barbierse methode van het mes was hem vergeven; hij had hem tenslotte de gedroogde bloemetjes gegeven die hij in zijn mond moest houden. Ging zijn adem nog lekker ruiken ook. Bij de Don had hij de dure kruiden vaak in stoofschotels gebruikt maar hier aan boord moest hij er heel zuinig mee omspringen. En nu kreeg hij ze zomaar voor niets! Wat een beetje kiespijn al niet kon opleveren.

 

Johannes van den Berghe had de kok ook wat gedroogde klimlelie meegegeven, met het verzoek om die regelmatig te vermalen en door zijn eten te mengen. Dat was goed tegen de buikklachten waar hij last van had. Nee nee, aan de kok lag het niet, het was iets in de lucht, sinds die wilden aan boord waren. Al moest hij toegeven dat hij er als kind al last van had gehad en dat het in zijn familie vaker voorkwam. Herfsttijloos had altijd goed geholpen.

   Maar met een verdubbeling van het scheepsvolk was de atmosfeer inderdaad wat bedompt. Bovendien had menig bemanningslid zich al sinds hun vertrek uit Lissabon bij hem gemeld met venusziektes. De zwerende pisbuizen behandelde hij met een dunne staaf waarmee hij inwendig een flinke hoeveelheid kwikzalf aanbracht. Ook de spaense pokken smeerde hij in met zalf. Dat ging gemakkelijker al bleef het een smerig werkje. Of ze genazen wist hij niet, hij zag ze zelden terug.

   Maar die zwarten mankeerden nooit wat. En als dat wel zo was, wat dan nog?

   Theodoor had hem verteld dat één van de vrouwtjes aan buikklachten leed en de jonge man had hem gevraagd om haar te onderzoeken. In plaats daarvan, had hij Theodoor naar de kombuis verwezen met de boodschap dat de kok van hem een prima medicijn tegen buikklachten had gekregen. Hij gebruikte het zelf ook.

   Nooit zou hij zich te midden van die wilden begeven.

   De kok leek hem trouwens een wispelturig figuur. Zo dankbaar als hij was geweest voor het medicijn tegen de kiespijn, zo vijandig gedroeg hij zich de laatste keer toen hij hem zijn eten had gebracht. Zouden de kruidnagels niet hebben gewerkt?

 

Heel zorgvuldig had Reinaldo Bolt de gedroogde klimlelie vermalen zoals de heelmeester hem gevraagd had. ‘Regelmatig’ had hij opgevat als ‘even kleine stukjes’ in plaats van ‘verdeeld over een langere periode’ zoals Van den Berghe had bedoeld. Een misverstand dat voor de esculaap gunstig zou uitpakken.

   Nadat hem was opgedragen dat een deel van het medicijn moest worden gereserveerd voor Theodoor (ten behoeven van het negerinnetje) had hij de helft van het vermalen kruid met kokend water overgoten en er een aftreksel van gemaakt.

   De dampen hadden hem koppijn bezorgd zodat hij om een remedie had gevraagd. Van den Berghe had uit het verhitte gezicht van de kok afgeleid dat een aderlating op zijn plaats was. Bij het ontwaren van de scalpel was Reinaldo echter woedend opgestapt, onder het uitroepen van verwensingen.

   Dat Van den Berghe dezelfde barbierse methoden hanteerde als die verachtelijke chirurgijns, drukte loodzwaar op zijn gemoed. Hij was geheel vervuld van wraakgevoelens. Het restant van de klimlelie had hij versnipperd in de grote ketel. Dezelfde waarin hij het eten voor de gehele bemanning bereidde. Daarvan kreeg iedereen zijn portie maar de hoeveelheid vermalen kruid was zo gering dat niemand er iets van zou merken, zo meende hij. Ook de dokter niet. Zijn buikklachten zouden niet verminderen, zijn pijn zou niet overgaan. Ook al had hij, de kok, precies gedaan wat hem gevraagd was. Rot op, zeg.

 

Theodoor bracht het medicinale aftreksel naar het ruim waar hij het overhandigde aan de vrouw met de buikklachten.

   “Dit is een medicijn van onze scheepsarts. De kok heeft het gemaakt. Drink het als thee, dan word je weer beter.”

   De genezende werking viel echter tegen. Sterker nog, de krampen werden juist heviger.

   In de veronderstelling dat dit bij het genezingsproces hoorde – sommige middelen maakten je eerst gewoonweg nog zieker dan je al was voordat er verbetering optrad – had hij de zieke slavin geadviseerd om meer ‘thee’ te drinken.

   ’s Nachts had de vrouw een miskraam. Ze bleek vier maanden zwanger. Haar toestand verslechterde snel. Ondanks de toegewijde zorg van haar ‘familie’ overleed ze een paar uur later.

   Als Johannes van den Berghe haar persoonlijk had onderzocht, zou hij geweten hebben dat ze in verwachting was geweest. Een blanke patiënte zou hij in dat geval nooit klimlelie hebben voorgeschreven.

   Maar de dokter was van het drama in het ruim niet op de hoogte gesteld, het voorval had zich te snel voltrokken. Bovendien had hij last van indigestie gehad.

 

Het moet voor de kok nogal een schok geweest zijn dat Johannes van den Berghe hem persoonlijk opzocht in de kombuis, om hem te bedanken. Het middel had uitstekend geholpen, zijn klachten ware geheel verdwenen.

   Een aantal bemanningsleden dat leed aan reumatische pijnen en artritis bemerkte in diezelfde tijd dat de pijn in botten en gewrichten plotseling was verdwenen. Een geringe hoeveelheid van de giftige klimlelie had – onbedoeld, maar geheel in overeenstemming met het door Bolts gehuldigde principe van Paracelsus – juist een helende werking.

  

 

 


 

 

 De eerste dagen dat hij door zijn onbaatzuchtige weldoener werd verzorgd, kwam Hasan Pacha af en toe ijlend bij bewustzijn. Op diverse plaatsen hadden de blessures ontstekingen veroorzaakt, zijn koortsige lichaam worstelde zich door een moeizaam genezingsproces. Zijn verhitte geest baarde flarden van gedachten, voordat hij weer wegzonk in een roezige schemering.

   Later werd hij zich meer bewust van zijn omgeving en van zijn eigen erbarmelijke toestand. Vooral van de honger. Eten kon hij nauwelijks, alleen heel dun voedsel door een rietje. Dat aanvankelijk zowel zijn ontlasting als urine nog rood van het bloed was, zag alleen zijn verzorger. Die man moest een heilige zijn, hij was dag en nacht aan zijn zijde, sprak hem bemoedigend toe, hield de wacht.

   Nog later kregen zijn gedachten meer samenhang, ze werden coherenter. Langzaam maar zeker werd hij bevangen door koortsachtige ideeën. Over hoe de wereld in elkaar stak en wat hij daaraan ging doen. De voornaamste oorzaak van zijn geestverruiming was trouwens een medicijn dat hem werd toegediend

  

Het besef dat stigmatiseren misschien wel het krachtigste instrument was om sociale groepen tegen elkaar op te zetten, fascineerde Hasan mateloos. Hij realiseerde zich dat, in tegenstelling tot de machiavellistische adviezen aan een alleenheerser, het meest effectieve brandmerken een democratisch proces was. Alle leden van een maatschappelijke groepering voelden een onderhuids onbehagen tegenover ‘de ander’ en wie in staat was de haat te mobiliseren, zat gebeiteld. Na legalisering van het kwaad was het de vraag om welk kwaad het eigenlijk ging. Kon de heersende morele opvatting niet het gevolg zijn van iets dergelijks in het verleden? Wie bepaalde eigenlijk dat baby’s dezelfde rechten moesten hebben als bejaarden, dat bezit diefstal zou zijn of dat onder het plaveisel de woestijn lag?

   De maatschappelijke bewustwording van dergelijke ethische kwesties werkte trouwens in twee richtingen. Hasan herinnerde zich hoe Ilya, die een nazaat was van de Asjkenazim,  in woede was ontstoken toen hij tijdens een onbeduidend ruzietje werd uitgescholden voor Jood. Hasan wist niet dat ‘Jood’ een scheldwoord was totdat hij Ilya’s reactie zag.

   Tal van denkbeelden hoopten zich op in zijn benevelde brein, grepen ineen tot een spectaculaire voorstelling, alles werd hem plotseling duidelijk: zijn vermoeden dat de beschaving voortschrijdt met een morele schaatsbeweging – links, rechts, links, rechts, enzoverder – die, kaatsend tussen persoonlijke vrijheid en collectief bedrog, tussen caleidoscopisch vuurwerk en conservatief drijfzand, tussen een hallucinerend visioen en slaafse zakelijkheid, steeds sneller en heftiger wordt, terwijl de voorgang juist tot stilstand lijkt te komen; het stuiteren neemt ten slotte zo sterk toe dat het wereldwijde netwerk van genie en causerie plaatselijk lijkt te condenseren tot een emergente entiteit.

   Af en toe namen zijn ijlgedachten een nog krankzinniger vorm aan en was hij ervan overtuigd de oplossing voor tijdreizen te hebben gevonden. Het was zo simpel dat alleen een koortsdroom hem op zo’n idee had kunnen brengen. Een fractie later werd die notie weer verdrongen door nieuwe ingevingen. 

   Vlak voordat hij weer in katzwijm viel, had Hasan nog een vreemde gedachte. Met die gaffeltong van mij kan ik misschien wel wichelen. De rossige nevel vulde tenslotte zijn hersenpan volledig. Maar zijn geheugen bleef intact.

 

Naarmate Hasan meer instaat was om zich vrijer te bewegen, rond te lopen, stukjes te wandelen in de omgeving, liep hij geregeld in de richting van het havengebied. In die vertrouwde omgeving van pakhuizen en loodsen zocht en vond hij zijn oude plekje en na een aantal van zulke escapades besloot hij in een opwelling daar te blijven.

   Net als vroeger vond hij in het nijvere havengebied genoeg van zijn gading om overeind te blijven. Veel had hij niet nodig. Door zijn karige dieet had hij altijd honger maar was daar ook aan gewend geraakt. De koele opslagplaatsen boden voldoende leeftocht en beschutting aan de talrijke daklozen. Daar voelde hij zich thuis.

   Het was bij hem opgekomen om terug te gaan naar zijn ouderlijk huis. Als overtuigd moslim zou zijn vader de verloren zoon met open armen ontvangen. Om hem vervolgens elke vorm van vrijheid te ontzeggen. Nee, toch maar niet, die weg was heilloos. Nog afgezien van de lange zwerftocht die hij voor de boeg zou hebben.

   Alleen had hij wel medische hulp nodig. Hij was niet van plan hier te creperen zoals de op sterven na doden die hij doorlopend in duistere hoekjes gewaarwerd. Door verschillende lotgenoten getipt, had hij zich naar een kraam begeven waar gemene aandoeningen werden behandeld. Daar had hij kruiden en zalfjes gekregen maar ook het advies om naar het nabije hospitaal te gaan, waar een afdeling speciaal voor arme sloebers als hij was ingericht. Die raad had hij na enige aarzeling opgevolgd en daarmee een nog ongekend nieuw toekomstperspectief geopend.

 

Op het moment dat Hasan definitief uit het ziekenhuis werd ontslagen zakte de doemsdagklok met vijf minuten van zeven naar twaalf voor middernacht (ondergang van de mensheid). Het tijdstip dat het symbolische uurwerk aangaf, had natuurlijk niets te maken met Hasans genezing, daarvoor was hij nog te onbeduidend. Als men werkelijk in de toekomst had kunnen kijken – wat Hasan van plan was tot reële mogelijkheid te promoveren – zou de klok, elke klok, wellicht zijn afgeschaft.

   De adolescent Hasan fantaseerde graag over symbolen. In de esculaap die hij zo vaak in het hospitaal gezien had, wond de slang die zich langs de pijl van de tijd en wierp geregeld zijn huid af om eeuwig jong te blijven. Of de drie-eenheid die al in prehistorische culturen werd afgebeeld: in het vredesvaandel van Roerich – een rode cirkel in een wit veld met drie rode bollen – zag hij verleden, heden en toekomst, omgeven door een ring van eeuwigheid. Het moderne ‘ban-de-bom’ teken was in zijn ogen een uitgebluste swastika (als een opgebrand vuurwerk-molentje) en de tekens van de dierenriem deden hem stuk voor stuk denken aan de dood.

   Zijn preoccupatie met tijd dwong hem voortdurend na te denken over een tijdonafhankelijke beweging langs de tijd-as. Niet bepaald een onderwerp voor aan de borreltafel. Op het IIT waren maar een paar zonderlingen met wie hij zijn obsessie durfde te delen. Maar de kern van de zaak moest toch uit hemzelf komen.

   Terwijl de meeste studenten opgewonden debatteerden over de politieke schermutselingen met Pakistan of hun agressie uitleefden op het hockeyveld bracht Hasan zijn tijd door met lezen. Nog altijd genoot hij van science fiction maar science fact was nu verplichte kost geworden en serieuze romans versmaadde hij evenmin. Tijdens het lezen van Hesse’s Siddhartha besefte hij plotseling dat het niet de buitenkant was die hij moest veranderen, maar de binnenkant. Met andere woorden, niet de tijd aflezen van een of ander uurwerk, maar zijn eigen innerlijke klok was het die hij moest omzetten. Maar hoe?

   Op het IIT kwam hij geregeld op een onderzoeksafdeling waar een paar gasten experimenteerden met coatings van holle moleculen. Als zulke deklagen zich hechtten aan een kern, bijvoorbeeld aan een zandkorrel, dan kwam er na verloop van tijd een kleurig bolletje tevoorschijn. Hoe groot zo’n bolletje kon worden en wat het nut ervan kon zijn, was niet aan de orde. De aanblik van die schitterende knikkertjes had op Hasan echter grote indruk gemaakt.

   Cirkels en bolvormen werden al eeuwenlang opgevat als tekens van goddelijke perfectie en hadden daarmee het beeld van de werkelijke loop der dingen danig vertroebeld. Toch was ook hij niet ongevoelig voor het archetypische karakter van deze symbolen. Lag daarin wellicht een antwoord besloten? Wat was de vraag ook weer?

 

Dit soort monologisch gepieker leverden hem uiteindelijk de bakens waarlangs zijn zoektocht naar het tijdreizen zou verlopen. Met de voortschrijdende innovaties in de nanotechnologie en het scherpere inzicht in de hersenwerking  ontwikkelden zich allengs een vaag plan, een ruwe schets, een volle prullenbak, een grof ontwerp, grove verwensingen, slapeloosheid, eczeem, een nieuw idee, een propositie, bijval. Bewonderende bijval. Gejuich…  Als je ergens zo intens naar gezocht hebt… en dan vind je het… !

 

 

Het is zover.

   Heel veel inspanning heeft het hem niet eens gekost. Het was meer een kwestie van het juiste perspectief. Toen hij dat eenmaal had gevonden, ging de rest als vanzelf. Nou ja, hij had natuurlijk ongekend koppig moeten zijn, zijn poot stijf houden en volharden in zijn afwijkende visie.

   Het was niet de zogenaamde ‘buitentijd’, de tijd van de omgeving, die hij naar zijn hand moest zetten, maar de innerlijke tijd, de tijd van de beleving! Het resultaat was zodoende geen technologisch wonder geworden, maar een chemisch proces. Geen tijdmachine maar een pilletje. Nou ja, een dikke pil, ongeveer zo groot als een knikker. Een toverbal.

 

 

Deze volgeling van Paracelsus en voorloper van Hahnemann gebruikte guaiacum (pokhout) bij de behandeling van syfilis. De hars van de Zuid Amerikaanse Guajacum officinale bevat een scala aan werkzame stoffen met ontsteking werende en bloedzuiverende capaciteiten.