DE WACHTKAMER

Er zijn nog 110 674 350 005 wachtenden voor u

 

 

Het Emergente Universum vertoont overeenkomsten met het magisch universum van William S. Burroughs, alleen verwarde de chaosmagiër synergie met syncretisch occultisme. Hij meende dat de (menselijke) wil de belangrijkste stuwende kracht is in dit universum. Het standpunt dat telekinese en andere wilsopleggingen berusten op esoterische onzin werd krachtig door hem bestreden. Hij was ervan overtuigd dat alles een reden, een doel heeft. In het Emergente Universum wordt het bestaan van onzin niet ontkend, maar wel wordt bestreden dat onzin ook van betekenis is voor een zinvol bestaan.

   De cut-up methode van Brion Gysin en Burroughs ligt ten grondslag aan de assemblage die in het Emergente Universum is toegepast. De essentie van emergentie wordt benadrukt door het mozaische karakter van een MAGazine. Om met Edgar Allen Poe te spreken: “To originate, is carefully, patiently, and understandingly to combine” (1836).

 

 

Ik ben vast vooruit gereisd. Om te kijken wat er komen gaat. Je wil toch weten wat je te wachten staat, nietwaar?

   Ik heb ook in de achter(r)uit gekeken. Het is best lastig als je ondertussen ook nog goed moet opletten waar je je op dat moment beweegt. Maar het is handig voor de oriëntatie. Geschiedenis is een waardevolle gids op mijn reis door de tijd. De grote lijn is door extrapolatie uit te zetten. Al moet je er rekening mee houden dat in detail de zaken een onvoorspelbare loop kunnen nemen. Die kleine verschillen kunnen grote gevolgen hebben. Maar dat betreft eigenlijk alleen uiterlijkheden. De essentie blijft uiteindelijk dezelfde. Achter een schijnbare willekeur schuilt een synergetische doelgerichtheid.

   Dat heen en weer reizen in de tijd heeft in elk geval één ding duidelijk gemaakt. De motor van de evolutie is niet zozeer een selectieproces à la Darwin maar veeleer het gevolg van symbiose. Samenwerking draagt meer bij aan de algemene evolutionaire ontwikkeling dan uitsluiting. De juiste combinatie om tot geschikte samenwerking te komen is wel onderhevig aan een selectieproces maar als het emergente omslagpunt bereikt wordt is dat een irreversibel omslagpunt.

 

In het dorp waar ik ben opgegroeid was religie even vanzelfsprekend als de dagelijkse rijst (ik heb gelukkig nooit honger hoeven lijden). Bij de meeste dorpsbewoners stond nooit kip op tafel (hindoes eten vegetarisch). Mijn moeder gebruikte nooit reuzel en niemand dronk alcohol. Ik dronk mijn eerste biertje in een bar op Katendrecht onder het genot van Vietnamese worstjes (nem chua) en Kaapse animeermeisjes.

   Taal is de grootste barrière als je wilt aarden in de wereld. Niet geloof, traditie, eetgewoontes en taboes. Gelukkig heeft dat mij nooit in de weg gestaan. Ik heb geen moeite om te weten wat iemand bezielt, al kan ik mijzelf minder goed uitdrukken. In ben wat je zou kunnen noemen pantapathisch, dat wil zeggen dat ik niet alleen weet wat mensen denken maar ook wat er in andere wezens en zelfs in levenloze dingen omgaat. Het is mogelijk dat ik het me allemaal inbeeld maar het blijkt toevallig wel altijd te kloppen. Dus is het logischerwijs geen toeval.

 

In Het Transgalactisch Liftershandboek van Douglas Adams (Fontein, 1980) introduceert de auteur een robot die alles weet. Al die kennis maakt de metalen man zo mistroostig dat het bestaan hem zwaar te moede is. Hij kan echter geen zelfmoord plegen want hij is geen levend wezen.

   Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden komt de robot (Theo; Melvin de originele versie) op een kosmisch rotsblok terecht dat eindeloos door het heelal zwerft. Na vele miljoenen of miljarden jaren – voor het menselijk inlevingvermogen maakt zo’n factor duizend niet veel uit – hervindt hij eindelijk weer gezelschap, maar wat er ondertussen in dat brein is omgegaan blijft onvermeld.

   Theo doet sterk denken aan de Alwetende die de meeste mensen op aarde tot hun God hebben verheven. Eenzaam zwevend in de ruimte, op de hoogte van alles wat er gaande is zonder zich veel aan te trekken van alles wat er waar dan ook gebeurt. Er is alleen maar treurnis (en anders hebben ze Hem echt niet nodig). Theologen herkennen zich hier natuurlijk niet in want God is niet van ijzer.

 

 

Ik zit hier nu, in wat je een wachtkamer zou kunnen noemen, aantekeningen te maken aan de hand van ideeën en concepten uit de wereld om mij heen die ik oppik uit de boeken van anderen. Zij staan rij aan rij in eindeloze schappen langs de wanden van dit lokaal. Ik weet niet hoeveel tijd ik heb voor ik aan de beurt ben. Dus lees ik maar zo’n beetje in het wilde weg wat me interessant lijkt. Wachten duurt vaak langer als je niets te doen hebt dan wanneer je bezig bent. Zelfs als je iets doet wat je niet leuk vindt, zoals het lezen van iets dat absoluut niet boeit. Als je maar blijft lezen.

   Hoe lang de tijd duurt wordt bepaald door tussentijdse gebeurtenissen, zoals het tikken van een klok, het vallen van de (domino)stenen, de verplaatsing van een schaduw. En de letters, woorden, zinnen die zich aaneenrijgen tot een openbaring waar je wellicht niet op zat te wachten.

   Maar als er niets verandert staat de tijd stil.

   Je kunt het natuurlijk ook omkeren. Als je zelf niets verandert vliegt de tijd aan je voorbij. Maar dan ga je alleen maar achteruit en dat is me te kleingeestig. De toekomst, nieuwe werelden, dat avontuur wil ik mezelf niet ontzeggen. Al zal dat niet altijd een prettige belevenis zijn, maar is gewoon doodgaan dat wel?

   Soms vraag ik me af of de geest ook los van het lichaam kan bestaan. Kun je voortbestaan in een soort microchip? Gaat je ziel (wat dat dan ook mag zijn) wel naar het hiernamaals als je lichaam wegrot of vergaat tot rook en as? Reïncarnatie bestaat wellicht alleen zolang het lichaam intact blijft. Straks is de toekomst aan de cryonauten die zo slim waren zich in te laten vriezen voor hun lichaam het zou laten afweten. Of aan vampiers die door verse lichaamssappen te nuttigen het differentiatieproces van hun cellen kunnen omkeren tijdens een soort winterslaap.

   Maar ach, als je niet dood gaat is er ook niets meer om voor te sterven. Dan is je bestaan pas echt zinloos geworden.

 

“I’ve crossed oceans of time to find you” zijn de woorden die Bram Stoker’s Dracula (Archibald Constable & Co., 1897) mompelt als hij zijn geliefde na vier eeuwen weer in zijn armen sluit. Voor veel mensen is dat onweerstaanbare romantiek maar feitelijk is de onsterfelijke bloedzuiger niets anders dan de verpersoonlijking van de eeuwige ziekteverwekker die het leven uit je wegzuigt en je tegelijkertijd tot nieuwe besmettingsbron promoveert. Want ooit, heel lang geleden, besloot een groep microben dat het beter was om samen te werken. En later, maar nog steeds heel lang geleden, besloot een groep ééncelligen dat het beter was om samen te werken. Toen ze, na een hele lange tijd, de verpersoonlijking werden van de mens, wilden de meesten liever niet herinnerd worden aan hun nederige afkomst. Aan hun oorspronkelijke wereld waar het nog altijd wemelde van individuele microben en ééncelligen die eertijds niet bij een groep hadden willen horen en daar nu op terugkwamen. Omdat niemand hen meer wilde, zochten ze het in geraffineerde verlokkingen. Velen vielen voor hun charmes. Zouden er genoeg blijven bestaan om de estafette voort te zetten?

 

Wat er precies bedoeld wordt met die laatste cryptische zin in het kader schreeuwt om een toelichting. Volgens mij hoopt iedereen heimelijk dat we op een of andere manier blijven bestaan. In de herinnering van anderen, in de voortzetting van nageslacht, in de nalatenschap van doet er niet toe wat zolang het ons verscheiden maar iets minder absoluut maakt. Het stokje doorgeven, zogezegd.

   Onsterfelijkheid was al een thema in het Gilgamesj-epos, meer dan 4000 jaar geleden, en recenter noemde Yuval Harari het in Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst (2017) nog een van de belangrijkste doelstellingen van de mens. Ik denk niet alleen dat hij gelijk heeft, ik weet zeker dat er al vergaande ontwikkelingen zijn om onze levensduur te verlengen. Ik verwacht niet dat onze organen eeuwig kunnen functioneren maar ik vertrouw wel op technologische substitutie. Als we het trotseren van de tijd en ruimte, radioactieve en kosmische straling en extreme gravitatie niet aan cybernetische androïden willen overlaten, zullen we toch moeten kiezen. Voor de Kluyt of voor de Buytelingen. Maar daarover later meer.

   De nanogels die ik met een heel ander doel voor ogen heb ontwikkeld blijken de levensduur aan-merkelijk te verlengen. Een interessante bijkomstigheid. Ik heb geen idee hoe het komt. Er zijn nog wel wat storende bijwerkingen. Ik snap het wel, tenslotte komt onsterfelijkheid ook neer op het temmen van de tijd.

 

Harry Mulisch heeft negen jaar voor zijn dood op het Spaanse eiland Lanzarote gezien dat daar De Tijd Zelf (Bezige Bij, 2011) woont. Vier miljard jaar geleden moet het hele aardoppervlak er uit hebben gezien als deze “voorwereldlijke zwarte lavastromen, die er zacht uitzien maar steenhard zijn”. Tegen dit antediluviale decor steken de futuristische bouwsels van César Manrique zowel af als dat ze er in opgaan: een sterker tijdcontrast is niet te schilderen. Het samenspel van zwarte glooiingen en witte welvingen benadrukt de menselijke superioriteit veel meer dan de hoekige staalconstructies en betonblokken waarmee we de natuur ooit onze wil oplegden.

   Toch springt de gestolde tijd op het vulkanische eiland alleen maar meer in het oog. Het kwarts in de zandverstuivingen op de Veluwe is ook al vele miljoenen jaren oud. Het heeft alleen een andere route gevolgd (erosie en sedimentatie) dan het oorspronkelijke stollingsgesteente. De mineralen die wij kennen hebben een cyclus doorlopen. Tevoorschijn gekomen uit tientallen kilometers diepe aardlagen tijdens erupties en de oceanische spreiding tussen tektonische platen vervolgen ze hun reis langs het aardoppervlak om honderd miljoen jaar later in de subductiezone weer in de diepte te verdwijnen. Door de hoge druk en radioactiviteit is het daar zo warm dat de atomaire bestanddelen zich herschikken en elders weer als mineraal aan het oppervlak kan komen. De aardkorst wordt voortdurend gerecycled. Onze tijdschaal is echter van een andere orde.

 

Er zit iets in die wachtkamer dat nauwelijks opvalt. Maar als je beter kijkt kun je het zien bewegen. Misschien zou je het kunnen filmen. Gewoonlijk maakte een camera 25 beelden per seconde. Maar als je één beeld per jaar zou schieten, dan zie je bij het afdraaien van de film op het scherm in één minuut 1500 jaar voorbij denderen. Desondanks zie ik nog steeds niets bijzonders in de wachtkamer. Ik zou niet een beeld per jaar moeten maken, maar om de duizend jaar! En zelfs dan zou het nog 10 minuten duren om een eiland als Lanzarote te zien verschijnen.

   Tegenover mij zie ik een dichtbij-opname van een brij patroon. Antonie van Leeuwenhoek (textielhandelaar in Delft) is ook ooit begonnen met een loep om de kwaliteit van zijn stoffen te controleren. Maar terwijl ik naar de close-up staar verschijnt er ineens een dinosaurus in een antediluviaal landschap. Dat is nog eens wat anders dan de ‘kleine diertgens’, zo’n autostereogram. De geschiedenis vanaf 1674 (Van Leeuwenhoeks ontdekking van eencelligen) via 1838 (Charles Wheastones uitvinding van de stereoscoop) naar 1991 (autostereogrammen verschijnen op de markt) zou met de high-speed camera (één beeldje / 1000 jaar) niet worden waargenomen. Ons hele bestaan sinds de laatste ijstijd zou met een paar beeldjes zijn vervlogen. We zouden hooguit nog kunnen zien hoe we ooit in Afrika naar het noorden trokken. Denk daar maar aan als je geduld weer op de proef gesteld wordt.

   Ondertussen zit ik hier te wachten terwijl in mijn lichaam een hevige strijd woedt. Minuscule diertjes die de wereld al bevolkten toen de dino’s nog niet eens bestonden vreten zich een weg door mijn lichaam alsof ik de berg van rijstebrij ben rondom hun luilekkerland. Behalve wat koorts merk ik er niet veel van dank zei het cellulaire leger dat ik mijn afweersysteem noem. Als nietsontziende samoerai soldaten hebben zij zich in de strijd geworpen om mijn lichaam te behouden. Dat is pas altruïsme: miljoenen cellen die zich opofferen voor het behoud van één collectief! “Waer werd oprechter trouw…?” Maar alle gekheid op een stokje, zoiets kan niet alleen door natuurlijke selectie zijn ontstaan. De zelfopoffering van ‘killer-T’s’ vereist een andere verklaring. Kun je bij samoerai nog van eer spreken (al schiet mijn empathie hier tekort), bij de individuele cellen van het afweersysteem is iets anders aan de hand: ze zijn onsterfelijk! Natuurlijke selectie is gebaseerd op geslachtelijke voortplanting maar eencelligen kunnen zich ook gewoon delen. En dat doen de moedercellen van ons afweersysteem dus ook. Zij blijven lekker thuis terwijl hun afgesplitste kinderen op oorlogspad worden gestuurd.

   De cellen van ons afweersysteem stammen uit een tijd dat de wereld werd bevolkt door alleen maar bacteriën, virussen en eencelligen, bijna een miljard jaar geleden (stel je die oorlogen eens voor!). Sommige eencelligen hadden al snel door dat ze door samen te werken sterker stonden. Ze hadden wel wat meer tijd nodig om tot een werkzame taakverdeling te komen maar door die differentiatie kwamen er naast algen en schimmels ook meercellige dieren tot ontwikkeling, ongeveer 600 miljoen jaar geleden. Hun samenwerking was zo hecht dat de cellen elkaars DNA gingen nabootsen en toen ze daar in slaagden konden ze niet meer zonder elkaar (“liefde heeft ons voortgebracht… of zoiets”). De alliantie werd verdedigd tegen hongerige buitenstaanders (microben) door het legertje cellen dat we nu ons afweersysteem noemen. Na honderden miljoenen jaren zijn ze nu een stukje van mijzelf, voel ik de hitte van de strijd en wacht ik mijn beurt af voor wat extra munitie.

 

In H.G. Wells' The War of the Worlds (Heinemann, 1898) wordt onze wereld gekoloniseerd door buitenaardse griezels die zich voeden met mensenbloed. Op hun eigen planeet waren deze wezens nooit in contact gekomen met de talloze aardse microben zodat sommige stammen zich razendsnel konden vermeerderen in de organen van de oorspronkelijke Mars-bewoners. De (Europese) mensheid wordt gered door dodelijke ziektekiemen net zoals des-tijds Europeanen de bewoners van de Nieuwe Wereld overmeesterden zo’n bacteriële alliantie.

   De menselijke afweer tegen infecties is sterk geëvolueerd door selectie als gevolg van een intensievere omgang met andere soorten (domesticatie ca. 12 000 jaar geleden) en een exponentiële toename van de eigen soort (pandemieën 2e millennium). Succesvolle bestrijding van bacteriële infecties is tegenwoordig vooral te danken aan een symbiotische relatie met schimmels (antibiotica). Succesvolle bestrijding van virale infecties is alleen mogelijk door vaccinatie en te danken aan de technologische co-evolutie.

 

De spirituele informatie waarvoor ons brein gevoelig is verschilt in essentie niet van de materiële informatie waarvoor ons afweersysteem gevoelig is. Culturele evolutie ontwikkeld zich analoog aan de biologische evolutie door de verspreiding van ideeën. Als het idee aanslaat wordt het geïmplementeerd in de populatie. Als er onvoldoende draagvlak voor is verdwijnt het vanzelf. Ideeënstrijd is vergelijkbaar met de ‘strijd’ tussen erfelijke eigenschappen (genen): degene die de drager de meeste overlevingskansen biedt blijft bestaan, anders gaan ze ten onder. In die zin hebben ideeën dus weinig te maken met de waarheid. Het lijkt er meer op dat de waarheid bepaald wordt door die ideeën die het beste aanslaan. Dat lijkt iets willekeurigs te hebben maar dat is het alleen in de ogen van de verliezers. Het idee dat de schoonheid van de natuur (wat wij in de natuur als schoonheid ervaren, wat dat dan ook mag zijn) in strijd is met de evolutiegedachte, het idee dat alleen een God schoonheid op aarde kan hebben gebracht zoals alleen God leven kan hebben geschapen, zal versterven volgens een natuurlijk proces omdat het niet langer gevoed wordt. Een droogbloemenboeket met pauwenveer in plaats van een brandend kaarsje. In de wachtkamer is niets heilig.

De Levende Natuur van Heimans & Thijsse vermeldt in 1916 dat van de vele grassoorten in ons land slechts enkele een Hollandse naam hebben. “Zoo hebben wij wel allen de proef genomen of een mouwkruiper zijn klimtoeren ook in onze mouw verrichten wilde en als onze kiel niet al te wijd was, hebben wij last genoeg gehad, om den indringer er aan stukken en brokken weer uit te halen.” De kafnaalden van deze grassoort zijn voorzien van minuscule weerhaakjes waardoor ze vanzelf één kant op bewegen (bv. in oren en vacht). Dit ogenschijnlijk doelgerichte ‘gedrag’ van de grasaren om de zaden via dieren te verspreiden is willekeurig ontstaan en bestaat omdat het werkt (naast al die andere grassoorten die gebruik-maken van andere verspreidingswijzen). Dat de baldadige schooljongens ze tijdens een schoolreisje tussen het beddengoed van de hitsige docente Frans hadden verstopt veranderde de schoolcarrière en verdere levensloop van één van hen maar had geen enkele in-vloed op de emergente evolutie.

 

De ontginning van de natuur is feitelijk al met het domesticeren van planten en dieren zo’n 12 000 jaar geleden begonnen. Sinds de industrialisering is de versnelling van dat proces zodanig toegenomen dat men de cultuur steeds meer als een opponent in plaats van een bevordering van de natuur is gaan beschouwen. Het gevolg is dat de traditionele zingeving door religie (cultuur) wordt verdrongen door de zingevende werking van natuurbeleving. Van oudsher verantwoordde men zich aan de hand van een door de kerk voorgeschreven moraal. Secularisering heeft het individuele verlangen naar een morele standaard niet weggenomen. Er is een blijvende behoefte aan een overstijgend perspectief op de betekenis en zin van het bestaan. Velen hebben zich overgegeven aan de spiritualiteit waarbij ze het goddelijke eenvoudig hebben vervangen door het ‘innerlijke zelf’. Anderen hebben zingeving gezocht in de natuur. Volgens de biophilia hypothese die stelt dat de mens en de natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, heeft de natuur intrinsieke waarde. Die eigenwaarde van de natuur heeft in de ogen van menig niet-gelovige de Heilige Geest van de troon gestoten.*

 

Een psalm voor dit heelal

Leo Vroman

 

Systeem! hoe graag met U alleen

verklein ik in mijn droom Uw blote

heelal tot knuffelbare grootte

en koester U door mij heen!

Hoe dolgraag schurkt mijn oude huid

flink langs Uw Tijdeloos Begin,

zaait er mijn dood verleden in

en zuigt er mijn toekomst uit!

Maar ach ik zit hier met mijn wit

vel vol beeld- en tegenspraak

en weet niet wat het scheelt:

eerst stond er niets, en nu weer dit,

ik weet het niet en schrijf maar raak

en toch is dit Uw beeld

Gij doet mij schrijven want ik maak

per ongeluk Uw beeld

Gij schrijft mij nooit, ik schrijf te vaak

en heb U weer verveeld.

 

Cliché of niet, onder de sterrenhemel beseft een mens zijn nietigheid. Je kunt je problemen relativeren door naar de sterren te kijken. Een blik op het ontzagwekkende uitspansel dooft de egocentrische blik naar binnen. Ontzag kan leiden tot zelftranscendentie, het overstijgen van het individuele zelf, het begrijpen dat je een deel bent van iets groters, de maatschappij, de wereld, het heelal. Helaas kan het ook leiden tot passief nihilisme, het buitensluiten van alles dat niet is gericht op de eigen wereld, het wegzinken in een moeras van futloze genotszucht. Het angstgevoel dat met ontzag gepaard gaat kan appelleren aan een vermoeden van ondergeschiktheid of medeverantwoordelijkheid. De grens tussen atheïsme en diep religieus is van spinrag.

   De amygdalae, kerngebieden in het limbisch systeem, reguleren angstgevoelens en spelen dus een rol bij normatieve overwegingen. Dat is het geval bij het bepalen van de kans dat een gebeurtenis kan plaatsvinden, gerelateerd aan de overlevingskans. De opwekking van emoties is het gevolg van endorfineproductie die zowel binnen het limbisch systeem als daarbuiten (hypofyse) kan plaatsvinden. Subtiele verschillen in de balans tussen affiniteit en weerzin kunnen gekoppeld aan dezelfde zintuigelijke waarneming een radicaal andersoortig ontzag genereren: God of Systeem.

 

In The Electronic Revolution (1970) suggereerde William S. Burroughs dat taal dezelfde eigenschappen heeft als virussen. Beide kunnen worden opgevat als pakketjes informatie en geen van beide kan functioneren zonder gastheer. Eenmaal geïmplanteerd gaan ze zich vermenigvuldigen, woorden worden ideeën, die zich van mens tot mens verspreiden. Tijdens dat proces vinden mutaties plaats. Ideeën veranderen van vorm, worden aangepast, evolueren en worden sterker, of ze gaan te gronde.

   Manipulatie van informatie kan dienen om geruchten te verspreiden, om andersdenkenden in diskrediet te brengen, rellen te veroorzaken en associatiepatronen die het menselijk denken eigen zijn te beïnvloeden. De maatschappelijke draagwijdte van de sociale media werd door Burroughs een halve eeuw geleden haarscherp voorzien.

   De besmettelijkheid van informatie (taal of virus) wordt uitgedrukt met het reproductiegetal R. In het algoritme (R = D.I.V.A) is R recht evenredig met de duur van de besmettelijke periode (D), de kans op informatieoverdracht (I), vatbaarheid (V) en afscherming tegen overdracht (A). De toegepaste wiskunde om uitbraakanalyses te beschrijven is te vinden in Adam Kucharsti’s Viraal (2021).

   De eenheid van informatie, ook wel bit genoemd, is de kleinst mogelijke vorm van informatie. In het binaire stelsel zijn daarvan al verschillende sequenties mogelijk (00, 01, 10, 11) waardoor de uiteindelijke optionele streng al snel eindeloos veel mogelijkheden biedt. Stel je voor dat die streng vanuit het primordiale begin (oerknal) tot een soort uitdijende kluwen is opgerold, met de gelaagdheid van een toverbal zonder dat de afzonderlijke lagen kunnen worden onderscheiden. In een multidimensionaal universum kunnen stukjes van de streng gekopieerd, gevarieerd en verspreid worden, waarbij sommige meer kans hebben om te (blijven) bestaan dan andere. Het besmettelijke informatiepatroon is aldus niet alleen cultureel (meme) of biologisch (gen) van aard, maar het heeft ook astrofysische proporties. De herhaalbaarheid van stervorming door samenklitten van materie wordt toegeschreven aan gravitatiekrachten maar vertoont opmerkelijke overeenkomsten met verspreiding door reproductie. Hetzelfde geldt voor materievorming uit subatomaire deeltjes. De repeterende assemblage is mogelijk door de uitwisselbaarheid van de onderdelen. Net als in de industrie.

   Dat laatste kan dan ook worden gezien als een herhaling van eerdere evoluties, de technologische of transorganische evolutie waarvan wij aan de vooravond staan.

 

Ik ben vrij zeker van de toekomst. Ik ben er immers zelf geweest. De toekomst die wij tegemoet gaan wordt door onszelf gecreëerd. Ze is het onontkoombare resultaat van onze vrije wil, van ons vermogen om te kiezen tussen handelen en niet-handelen, de paradoxale uitkomst van individueel verlangen en verantwoordelijkheid. Onze toekomst is de maatschappelijke (netto)resultante. De mensheid is gedoemd om keuzes te maken. Keuzes tussen overleven en hedonisme. Tussen verantwoordelijkheid en vrijheid. Tussen libertarisme en incompatibilisme. Volgens het determinisme gebeurt alles met een reden, elke gebeurtenis wordt noodzakelijk veroorzaakt door andere gebeurtenissen die eraan vooraf gaan. Er is dus geen ruimte voor alternatieve mogelijkheden, aangezien alles op een noodzakelijke manier veroorzaakt wordt. Ook keuzevrijheid.*

   Anderen zien de toekomst wellicht heel anders. De tijd die de mensheid heeft toebedeeld gekregen is trouwens zo gering dat deze nauwelijks wordt waargenomen tijdens de voorbijsnellende eonen van het aardse bestaan. Als je die wilt zien, klik dan hier. Maar je hoeft dat niet te doen. Je kunt het ook laten. Nu kun je nog kiezen.

   Voor veel mensen is school overigens de enige wachtkamer, een plek waar je feiten van meningen leert onderscheiden. Menigeen haakt echter vroegtijdig af. Uit ongeduld, ongeloof, wantrouwen of uit een zucht naar vrijheid voor het te laat is. Uitwijkmogelijkheden zoals contemplatieve ruimtes van religieuze of spirituele aard verkiezen helaas fictie boven naturalisme (non-fictie). De ware aard van het emergente universum wordt hen onthouden.    

 

Gebedshuizen zouden ideale wachtkamers kunnen zijn, ware het niet dat ze het stadium van de kleuterschool nauwelijks zijn ontstegen. Voor wie gelooft in een leven na de dood is het aardse bestaan niets anders dan een voorportaal van het hiernamaals. Men verblijft hier in lijdzame afwachting of onverzadigbaar epicurisme tot men aan de beurt is.

   Geduld (wachtkracht) en verveling (geeuwzucht) worden gekenmerkt door een gebrek aan handelen. Waar wachtkracht het nut impliceert van de dingen die gaan komen, duidt geeuwzucht op een gevoel van zinloosheid, een afkeer van het bestaan. Het oeverloos geleuter, het vluchten in hedonisme en amusement, het scheppen van een context in plaats van deze te ondergaan en er op af te stemmen, al die acties om je lekker bij te voelen (seks, drugs en rock & roll) leveren uiteindelijk hetzelfde op als wu wei. Met als enige verschil de wachttijd. 

 

 


Bronnen:

Douglas Adams. Het Transgalactisch Liftershandboek. Fontein, 1980

Joe Ambrose. CUT-UP! Lulu.com, 2014

Adam Kucharsti. Viraal. Waarom dingen zich verspreiden - en waarom ze stoppen. Nieuwezijds, 2021

Harry Mulisch. De Tijd Zelf. Bezige Bij, 2011

Nick Muller. Gedichten die mannen aan het huilen maken. Prometheus, 2015

Peter Snook. The Complete Works of Edgar Allan Poe. J.A.Harrison, 1902

Matthew Stevens. The magical Ununiverse of William Burroughs. Mandrake of Oxford, 2014

Kuba Szutkovski. Neurofilosofie en Compatibilisme. Universiteit van Tilburg, 2013 

Yoo-Ah Kim & Theresa Przytycka. De Taal van een Virus. Science 6526, pp 233-234, 2021 (https://science.sciencemag.org/content/371/6526)