HET LEZEN VAN MAG 7 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Milieudefensie:    NL68 TRIO 0198 0900 80        www.milieudefensie.nl

 De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 
 

 

 

ELEKTROMAGNETISCHE AANDRIJVING

 

 

 

SAMEN VOOR ONS EIGEN

Vrije jongens van de 'elektrische-tijd'

 

 

Tijd is een cyclisch proces, althans zo lijkt het. Zeker als het om een subtiel evenwicht gaat dat schommelt rond een punt. Zoals het geval is bij de mens die voortdurend wordt heen en weer geslingerd tussen mededogen en zelfzuchtigheid. De onvergetelijke leus van De Tegenpartij vat het menselijk dilemma van de samenwerking krachtig samen: bundeling van elkanders expertise om vervolgens zelf met de eer (en de poen) te kunnen strijken.

   De exploitatie van steenkool en de ontwikkeling van stoomaandrijving in het 18e eeuwse Engeland werd op logische wijze in de eeuw daarop voortgezet met de aanleg van een transportnetwerk van spoorwegen en door stoom aangedreven treinen. Omdat hiermee snelheden konden worden bereikt als nooit tevoren en trajecten werden afgelegd binnen een tot dan toe ongekend tijdbestek , was er bij de spoorwegen grote behoefte aan snelle berichtgeving.

   In 1800 bouwde een wetenschapper aan de universiteit van Pavia een proefopstelling die grote gevolgen zou hebben. De wetenschapper was graaf Alessandro Volta en de proefopstelling was een soort batterij waarmee voor het eerst een elektrische stroom kon worden opgewekt. Elektriciteit als fenomeen was al langer bekend maar pas na deze uitvinding werd in de loop van de 19e eeuw duidelijk dat elektriciteit kon stromen en daarbij een magnetisch veld opwekte. Dit inzicht gaf aanleiding tot de eerste stapjes op het gebied van de elektrische telegrafie. 

   In de 19e eeuw leidde veel natuurwetenschappelijk denkwerk tot praktische toepassingsmogelijkheden. De benodigde cognitieve vaardigheden waren zelden in één persoon verenigd. Bovendien vereisten de ontwerpen de handigheid van vakbekwame instrumentmakers die hun eigen inventiviteit inbrachten.

   Intellectueel eigendom door de toekenning van octrooi werd al sinds de late middeleeuwen in Europa toegepast. Aan het begin van de industriële revolutie werden de wettelijke regelingen in Engeland verscherpt en dat was maar goed ook want de nieuwe uitvindingen buitelden over elkaar heen. Voor de toekenning van een octrooi kon men niet volstaan met een beschrijving en tekeningen, hoe nauwkeurig ook. De eis om een werkend model te tonen, verschafte ook menig instrumentmaker gelegenheid om een graantje mee te pikken. Men moest bovendien over voldoende gelden beschikken of in elk geval veel vertrouwen hebben in de opbrengst van de eigen vinding, want het aanvragen van een octrooi was een kostbare (en niet zelden langdurige) aangelegenheid. 

 

 

In de eerste week van februari 1825 ontving de kunstschilder Samuel Morse tijdens zijn werkzaamheden in Washington D.C. het bericht dat zijn vrouw was opgenomen in het ziekenhuis. Zij was nog maar enkele weken daarvoor bevallen van hun derde zoon en Samuel reisde in grote spoed terug naar zijn woonplaats in New Haven, Connecticut. Daar bleek zijn vrouw inmiddels te zijn overleden en zelfs al te zijn begraven. In een vlaag van onbeschrijflijk verdriet besloot Samuel zich te gaan inzetten voor het bevorderen van een snellere berichtgeving.

   In het begin van de jaren dertig bezocht Morse verschillende Europese landen om zijn schilderkunst te verdiepen. Op de terugreis ontmoette hij de wetenschapper Charles Jackson die beweerde dat hij de elektrische telegraaf had uitgevonden en die hem de beginselen ervan uiteen zette. Met behulp van deze kennis (Jackson beschuldigde Morse er later van zijn idee te hebben gestolen) vond Samuel de seinsleutel uit om elektrische pulsen op te wekken. Het lukte hem echter niet om de signalen te versturen over een langere afstand dan een paar honderd meter. Pas met behulp van de chemicus Leonard Gale, die een persoonlijke vriend was van Joseph Henri, de uitvinder van het relais, lukte het om elektrische signalen over een grotere afstand te versturen. Samen met zijn vriend Alfred Vail, de eigenlijke ontwerper van de beroemde ‘Morse-code’, demonstreerde Samuel in 1838 zijn elektrische telegraaf. Maar de Amerikaanse overheid zag er geen brood in en stelde geen gelden beschikbaar.

 

In de winter van 1836 volgde de dertigjarige William Fothergill Cooke colleges anatomie aan de Universiteit van Heidelberg op kosten van zijn vader. In Heidelberg konden studenten met een kunstzinnig talent zich bekwamen in het vakkundig boetseren van anatomische wasmodellen en William had kunstzinnige talenten. Zijn vader, die als arts verbonden was aan de universiteit van Durham, hoopte dat William hem in de toekomst zou helpen met een demonstratieve ondersteuning van zijn colleges voor medische studenten in Durham.

   William Fothergill tekende graag en maakte schetsen van anatomische preparaten als hulpmiddel bij het maken van de wasmodellen. Via de nalatenschap van Petrus Koning, die een waar kunstenaar was geweest op het gebied van wasmodellen, wist William Fothergill een onbeschreven aantekenboek te bemachtigen dat ooit van de inmiddels opgeheven VOC was geweest. De blanco pagina’s van deze ‘Naamlyst’ kon hij uitstekend gebruiken voor het maken van schetsen van de preparaten. Maar het zou anders lopen.

   Begin maart van datzelfde jaar woonde William Fothergill in Heidelberg toevallig een natuurkunde college bij. Tijdens dit college werd een demonstratie gegeven van de elektromagnetische telegraaf die was ontworpen door de Russische uitvinder Baron Pavel Schilling. Deze demonstratie zou het leven van William Fothergill Cooke voorgoed veranderen.

 

Als jonge onderzoeker had Charles Wheatstone grote belangstelling aan de dag gelegd voor uiteenlopende natuurlijke fenomenen. Niet alleen verslond hij boeken over dat soort onderwerpen , ook was hij erg handig in het maken van dingen. Na het lezen van een boek over elektriciteit had hij als kind de batterij van Volta nagebouwd en als telg van een muzikale familie maakte hij verschillende muziekinstrumenten. In 1821 trok hij de aandacht met een geluidshow waarbij hij het publiek verraste met de ‘tover-lier’. Deze was opgehangen aan het plafond en met dunne stalen draden verbonden met een piano en enkele andere instrumenten in een kamer er boven. Als deze instrumenten bespeeld werden, leek het of de muziek afkomstig was van de lier zelf. De Deense natuurkundige Christian Oersted bezocht de show en stimuleerde Wheatstone om een stukje over zijn uitvinding te schrijven. Het zou Wheatstone’s eerste publicatie worden waarmee hij de aandacht van de wetenschappelijke wereld op zich vestigde. In de jaren daarna ontwikkelde Charles nog meer muziekinstrumenten, waaronder de populaire Engelse concertina, een klein soort trekharmonica.

   Met deze bezigheden had hij zoveel faam geoogst dat hij een aanstelling kreeg als professor aan de universiteit van Londen ook al miste hij een formele wetenschappelijke opleiding. Zijn verlegenheid belette het hem om les te geven aan grote groepen studenten maar de universiteit had zoveel vertrouwen in zijn experimentele genialiteit dat hij er de rest van zijn leven bleef werken. Een groot deel van zijn experimenten was gewijd aan de vraag hoe hij niet alleen muziek maar ook spraak door een draad kon geleiden.

 

In Heidelberg schreef William Cooke een brief aan zijn moeder waarin hij zich verontschuldigde voor het afbreken van zijn studie en voor zijn voorgenomen terugkeer naar Engeland. Hij had het licht gezien en was ervan overtuigd dat elektrische telegrafie de toekomst had. En hij was de man die daarvoor zou zorgen. Hij begreep ook, dat voordat het zover was, hij voorlopig een armlastig leven zou moeten leiden en hij vroeg zijn ouders om begrip en financiële steun.

   Terug in Londen besteedde William al zijn tijd aan het uitwerken van zijn telegrafische ideeën. Hij maakte nauwkeurige tekeningen van ontwerpen die hem voor ogen stonden en overhandigde zijn schetsboek aan John Moore, een klokkenmaker in de wijk Clerkenwell. Om zijn uitvinding onder de aandacht te brengen, schreef hij een pamflet waarin hij het idee presenteerde van een telegrafisch netwerk dat in samenhang met de uitbreiding van het spoorwegnetwerk een snelle communicatie kon bewerkstelligen voor politieke, commerciële en particuliere doeleinden. Na het lezen van een populair wetenschappelijk boek van Dionysius Lardner over de stoommachine had hij bedacht dat de spoorwegen spoedig behoefte zouden hebben aan een snelwerkend seinsysteem voor een veilige en efficiënte exploitatie.

    Hij bezocht natuurwetenschappelijke colleges aan de Universiteit van Londen en ontmoette er verschillende geleerden, waaronder Lardner en Faraday, en andere werknemers. Eén van hen was de curator Francis Kerby. Hij beheerde het instrumentarium en assisteerde bij de experimenten van Charles Wheatstone en Michael Faraday. Een andere natuurkundige die werkzaam was op de universiteit, William Ritchie, bracht Fothergill in contact met de zoon van Kerby, Frederick, die ook instrumentmaker was maar heel wat goedkoper dan de gerenommeerde John Moore. Frederick Kerby zou de komende jaren als de hoofdwerktuigkundige van William Fothergill Cooke een belangrijke bijdrage gaan leveren aan de ontwikkeling van de elektrische telegrafie.

 

Charles Wheatstone was op de universiteit van Londen uitsluitend belast met experimenteel werk. Zijn genialiteit was niet alleen van theoretische aard, hij was ook buitengewoon handig in het maken van proefopstellingen. De colleges van de schuchtere, licht autistische Wheatstone werden door zijn vriend Faraday gegeven. Het was Faraday die hem wees op het werk van de Amerikaan Joseph Henri toen hij zijn vriend Charles bezig zag met het uitleggen van een enorme lengte aan draden die elkaar niet mochten raken. Henri had een manier bedacht om de stroomdraden te isoleren zodat ze op een klos konden worden gewonden en zelfs een inductiestroom konden opwekken. Met deze kennis werkte Charles Wheatstone aan een eigen ontwerp van de elektrische telegrafie toen hij bezoek kreeg van William Fothergill Cooke.

   Nadat John Moore het door Cooke ontworpen apparaat in november 1837 had voltooid, toog William aan de slag om de bruikbaarheid te testen. Helaas bleek al spoedig dat het niet lukte om een signaal over een afstand langer dan 1500 meter te versturen. Hij zag in dat zijn technische kennis tekort schoot om dit probleem op te lossen en vertrouwde op het voorstel van zijn werktuigbouwkundige Kerby om de expertise van een geleerde professor in te roepen. Hij wende zich tot Peter Mark Roget, de secretaris van de Royal Society. Deze stelde voor dat hij zich zou laten adviseren door professor Wheatstone. Faraday zorgde voor een afspraak tussen Fothergill en Wheatstone.

   Cooke was niet weinig verrast toen hij vernam dat de contactgestoorde Wheatstone zich ook bezighield met de telegrafie en daarin zelfs behoorlijk ver gevorderd was. Het probleem om langere afstanden te overbruggen had hij zowaar al overwonnen. Cooke moest al zijn charme inzetten en een vorstelijke beloning in het vooruitzicht stellen om de bedeesde natuurkundige over te halen de krachten te bundelen. De technische en wetenschappelijke expertise liet hij over aan Wheatstone en zelf zou hij zorgen voor alle commerciële en organisatorische kanten om de elektrische telegrafie tot een succes te maken.

 

Alexander Bain kwam in 1837 naar Londen om zijn geluk te beproeven. Hij kon nauwelijks lezen of schrijven maar hij had een onstuimige belangstelling voor draaiende tandwielen en andere mechanieken. Hij was een tijdje in de leer geweest bij een klokkenmaker in Schotland maar meende dat een wereldstad hem meer te bieden had. In Londen verhuurde hij zichzelf als instrumentmaker bij John Moore in Clerkenwell, de wijk waar bijna alle klokkenmakers en instrumentenbouwers hun werkplaats hadden. 

   Daar ontmoette hij Frederick Kerby, die zich het lot aantrok van de ongeletterde en nauwelijks verstaanbare noorderling. Kerby arrangeerde verschillende ontmoetingen voor Bain waardoor deze uiteindelijk een redelijke baan kreeg bij de chronometermaker John Barwise. Bain bezocht tal van openbare lezingen en demonstraties over elektromagnetisme en verwerkte de opgedane kennis in zelfbedachte apparaten. Dat kostte geld en hij maakte schulden. Om hem een handje te helpen, stelde Frederick Kerby hem voor dat hij zijn diensten zou aanbieden aan Charles Wheatstone op de universiteit. Bain bezocht Wheatstone en verkocht hem zijn laatste uitvinding, een elektrische klok, voor vijf pond maar daar bleef het bij. Voor dat moment.

   Bain had al snel door dat een uitvinding veel geld kon opleveren als daar een octrooi voor was aangevraagd. Hij was dan ook behoorlijk in zijn wiek geschoten toen hij vernam dat Wheatstone de elektrische klok had gepresenteerd als een eigen bedenksel. Bain had daarvoor samen met Barwise al een octrooi aangevraagd, zodat Wheatstone zijn aanspraak moest intrekken.

 

Kort nadat William Cooke en Charles Wheatstone tot samenwerking hadden besloten, werd hun eerste telegrafieverbinding uitgeprobeerd langs een traject van de London & Birmingham Railway. Het experiment werd een technisch succes en Wheatstone verklaarde dat hij nog nooit eerder zo’n onstuimige sensatie had gevoeld als toen hij daar in zijn eentje in de verlaten ontvangstkamer de naalden van het telegrafieapparaat hoorde klikken en de woorden spelde die de boodschap vormden die Cooke hem van een kleine twee kilometer verderop stuurde.

   Ondanks het welslagen van het experiment was de leiding van de spoorwegmaatschappij minder enthousiast. Het bezwaar zat hem in de complexiteit van het systeem en de hoge kosten die het met zich meebracht. Maar Cooke zat niet stil. Hij onderhield contacten met verschillende andere spoorwegmaatschappijen terwijl Wheatstone een goedkoper en eenvoudiger systeem ontwikkelde. In 1838 vroegen Cooke en Wheatstone octrooi aan op dit verbeterde systeem waarbij het aantal naalden en daarmee ook het aantal verbindingskabels, wat de hoogste kosten met zich meebracht, sterk was gereduceerd. Cooke had ondertussen samen met zijn werktuigkundige Kerby verschillende signaleringssystemen uitgetest bij de Great Western Railway en halverwege 1839 bekostigde deze maatschappij een experiment met het verbeterde telegrafie systeem. Nu was het succes niet alleen technisch van aard maar besloot de Great Western Railway, spoedig gevolgd door andere maatschappijen, om meer telegrafische verbindingen aan te leggen en geleidelijk ontstond een steeds uitgebreider telegrafisch netwerk.

   Charles Wheatstone had evenmin stil gezeten. Hij had een apparaat ontwikkeld, de ABC-telegraaf, waarmee de berichten direct in letters op papier konden worden gedrukt. Deze werd in 1840 op het traject van de London & Blackwell Railway geïnstalleerd. Achteraf gezien was dit de eerste volmaakt werkende digitale telegraafverbinding die kan worden beschouwd als de voorloper van het internet.

 

Frederick Kerby was een toegewijd vakman. Hij bouwde instrumenten in opdracht van zowel Wheatstone als van Cooke, die voor de werking van hun gemeenschappelijke telegraaf onontbeerlijk waren. Hij was een zachtmoedig mens maar zijn aanvankelijke medeleven met Alexander Bain sloeg geleidelijk aan om in ergernis. De zucht van Bain naar erkenning en rijkdom stond hem tegen. Zelf was hij niet zo ambitieus en hij voelde geen behoefte om voor het bouwen van Cooke’s ontwerpen een hogere beloning te vragen.

   Dat veranderde na zijn huwelijk met Charlotte Warner in 1839. Zij vond dat Cooke haar man best wat meer kon betalen zodat hij niet voortdurend voor haar vader hoefde te werken. Maar de Cooke-Wheatstone telegraaf had nog niet het commerciële succes opgeleverd dat William Cooke ervan verwacht had. Zijn investeringen, of liever gezegd de giften van zijn ouders, waren aanzienlijk geweest en hij meende het zich niet te kunnen veroorloven om Frederick meer te betalen.  

   Door de grote verwachtingen die de telegrafie wekte, zowel via verhalen in de nieuwsbladen als bij de ontluikende industriële onderneminkjes, begon er ook bij Frederick enige ontevredenheid te dagen. Was hij niet ook een belangrijke schakel in het tot stand komen van deze innovatieve techniek? Dat hij zich ergerde aan de geldzucht van anderen kwam natuurlijk ook voort uit een gevoel van afgunst. Toch miste hij de agressiviteit om dit misnoegen om te zetten in een betere verdienste. Om wat extra inkomsten te bemachtigen, verkocht hij een aantal modellen van stoommachines en andere apparaten die zijn vader ooit gemaakt had. Ondertussen zon hij op nieuwe mogelijkheden.

   Het jaar daarvoor was een enigszins berooide Samuel Morse op bezoek geweest. Deze was naar Europa gereisd in de hoop daar meer erkenning en sponsors te vinden dan in de VS. In Frankrijk was het hem gelukt om zijn vinding te patenteren maar in Engeland bleek al een octrooi te bestaan op naam van Wheatstone en Cooke. Frederick Kerby was in bespreking geweest met zijn werkgever over een aanpassing in een van Cooke’s laatste ontwerpen. Morse was duidelijk ontstemd geweest dat Cooke en Wheatsone hem vóór waren geweest met de realisatie van een telegraafverbinding in Engeland. Hij, Samuel Morse, was al veel langer bezig met telegrafie en hij had een veel efficiëntere en vooral goedkopere methode ontwikkeld! Cooke haalde zijn schouders op in de wetenschap dat deze bluf hem niet kon deren maar Kerby vermoedde dat het gemor van de Amerikaan wel eens een kern van waarheid kon bevatten.

 

Tijdens interviews liet de wetenschapper Wheatstone zich geregeld ontvallen dat veel van de technische bedenksels uit zijn koker kwamen. In de berichtgeving werd dit vaak uitgelegd als zou Wheatstone de uitvinder zijn van de telegraaf. Dat was tegen het zere been van Cooke. Er werd een commissie ingesteld die moest bepalen wie het meeste recht op octrooi zou hebben en er werd besloten dat beide heren een gelijkwaardige aanspraak konden maken. Enige tijd daarna zou Wheatstone worden uitgekocht maar wel als technisch adviseur verbonden blijven aan het bedrijf dat door Cooke werd voortgezet.

   Door de chauvinistische aandacht die de Engelse nieuwsbladen schonken aan de vorderingen en potenties van de telegrafie, werd een groot publiek voorgelicht over de mogelijkheid om met bliksemsnelheid over grote afstanden berichten uit te wisselen. Toch kwamen de commerciële toepassingen slechts schoorvoetend op gang. Cooke schreef nota bene zelf een informatief en aanbevelend boek over telegrafie maar de zaken waren in 1843 in een financieel dieptepunt beland. Gelukkig kwam er uit onverwachte hoek gratis reclame voor de telegrafie.

   De geboorte van prins Alfred, de tweede zoon van koningin Victoria, werd op 6 augustus 1844 binnen drie kwartier aangekondigd in The Times en iedereen kon in de krant lezen hoe die snelle berichtgeving mogelijk was geweest. Een andere gebeurtenis betrof het verslag over een gesignaleerde moordenaar die in de veronderstelling was dat hij met de trein naar Londen was ontsnapt aan zijn achtervolgers in Slough. Zijn lange jas en breedgerande hoed waren onmiddellijk herkenbaar toen hij lang nadat zijn signalement per telegraaf was doorgestuurd in Londen arriveerde.

 

Alexander Bain ontwierp ondertussen verschillende apparaten waarmee hij telegrafisch tijdsignalen kon uitwisselen en de gepatenteerde ontwerpen tonen overtuigend zijn genialiteit. Ook op het gebied van isolatie van elektrische bedrading droeg hij zijn steentje bij. Daarnaast ontwikkelde hij een telegrafische printer die uiteindelijk leidde tot een uitvinding waarmee zwart-wit afbeeldingen konden worden verstuurd, een soort voorloper van de fax. Het chemische proces dat hij aanvankelijk gebruikte, verliep nogal traag maar ook dat wist hij te verbeteren.

   Bain vergaarde in de loop van de jaren veertig heel wat rijkdom met zijn octrooien en de oorspronkelijke herdersjongen was opgeklommen tot een respectabel en gefortuneerd heerschap. Hij woonde met zijn gezin in een groot huis aan de Thames in Hammersmith, een kleine voorstad van Londen. Er waren volop bediendes en de kinderen kregen les van een huisleraar. Hij werd alom geacht al had hij weinig vrienden. Wat hij tot stand had gebracht was vrijwel geheel het resultaat van zijn eigen inventiviteit en ijver. Als hij met iemand samenwerkte liep dat vroeg of laat altijd uit op ruzie. Hij was wat je noemt nogal onhandig in de omgang. En hij bleek uiteindelijk ook nogal onhandig met geld te zijn.

 

Tijdens de bemiddeling in het conflict tussen Wheatstone en Cooke over de vraag wie van hen de uitvinder van de telegrafie was, werd Frederick Kerby regelmatig gevraagd een toelichting te geven aan de hand van de instrumenten die hij voor één van beide heren gemaakt had. Langzaam maar zeker begon het tot de wat trage instrumentmaker door te dringen hoe cruciaal zijn bijdrage was geweest aan de ontwikkeling van de telegraaf in Engeland. Even afgezien van het feit dat hij slechts uitvoerde wat anderen hadden bedacht, kreeg hij het idee dat zijn vakmanschap uniek was geweest en achteraf gezien waren de ontwerpen ook weer niet zo bijzonder geweest.

   Voorts zag hij met lede ogen hoe die kinkel van een Alexander Bain fortuin maakte. Die apparaten van Bain zou hij zelf ook best kunnen maken en Frederick wist zeker dat ze dan beter zouden werken. Waarom zou Alexander zoveel geld verdienen en hij niet? Hij begreep ook wel dat Bain veel tijd nodig had om zijn ideeën vorm te geven en zijn uitvindingen aan de man te brengen. Daarom had hij zijn eigen diensten aangeboden in de hoop een kruimeltje mee te pikken van het fortuin dat de eigengereide Schot wist te vergaren. Maar Bain had geweigerd, hij hield niet van pottenkijkers en zeker niet als ze ook nog voor de concurrentie werkten.

   Begin jaren veertig raakte Kerby er steeds mee van overtuigd dat hij zijn geluk in de nieuwe wereld zou kunnen beproeven. In 1842 emigreerde hij met zijn vrouw naar de VS en melde zich bij Samuel Morse. Hij had het schetsboek met de futuristische ontwerpen van William Cooke meegenomen in de hoop dat het hem in zijn nieuwe bestaan van nut zou kunnen zijn. Morse had wel werk voor hem maar was ondertussen zo betrokken met de ontwikkeling van zijn eigen systeem dat hij niet veel aandacht schonk aan de bescheiden Engelsman. En dat was eigenlijk maar goed ook voor Fredericks gemoedrust. Na zijn klus voor Morse vertrok hij met zijn vrouw naar Canada waar ze een gezin stichtten. De voormalige instrumentmaker had zijn buik vol van de elektrische apparaten en werd schilder.   

 

Voordat Samuel Morse aan het eind van de jaren dertig terugkeerde in de Verenigde Staten had hij nog uitgebreid contact met Charles Wheatstone en gaf zijn oren en ogen goed de kost bij een technische verhandeling over het Engelse systeem. Maar eigenlijk, zo vond hij in elk geval zelf, was zijn systeem al voldoende volmaakt om grootschalig te worden toegepast. In 1840 werd hem in de VS octrooi verleend voor zijn telegraaf maar zakelijk succes liet nog op zich wachten.

   Enkele jaren later keerde zijn geluk en verleende het Congres hem voldoende financiële middelen om zijn uitvinding te exploiteren. Vanaf dat moment gingen de zaken steeds beter lopen. Met getrouwe vrienden en toegewijde deskundigen werd de Magnetic Telegraph Company opgericht waarmee een uitbreiding van het telegraafnetwerk in de VS tot stand kwam.

   Ondertussen roken steeds meer ondernemers hun kans en tegen 1850 waren er enkele tientallen telegrafie bedrijven in Amerika. Eén van die bedrijven werd geleid door Henri O’Reilly en Alexander Bain. Bain was naar Amerika getogen om nog meer fortuin te maken. Zijn vernieuwde elektrochemische telegraaf werkte sneller dan alles wat eerder op dit gebied was gemaakt en hij had het al met succes aan de Franse regering in Parijs gedemonstreerd. Terecht dat Bain met dit snelle apparaat voet aan de grond probeerde te krijgen in de Verenigde Staten van Amerika. Maar hij had buiten Morse gerekend.

   In 1854 besloot het Hooggerechtshof dat alle bedrijven die Morse’s systeem gebruikten hem licentierechten moesten gaan betalen. Met terugwerkende kracht. Het kapitaal van de Magnetic Telegraph Company nam enorm toe evenals de machtspositie van Samuel Morse. Alexander Bain raakte zijn investeringen kwijt terug in Engeland kon hij schulden niet betalen en werd failliet verklaard. Nadat ze het huis in Hammersmith moesten verlaten, liet hij zijn gezin in de steek, probeerde tevergeefs weer innovatie apparaten te maken, verhuurde zichzelf weer als instrumentmaker en sleet zijn laatste jaren als de eenvoudige boerenjongen die hij oorspronkelijk was.

 

Nadat hij door William Cooke was uitgekocht, bemoeide Charles Wheatstone zich nauwelijks meer met de technische ontwikkeling van de telegraaf. Hij bleef tot het einde van zijn leven verbonden aan Kings College in Londen waar hij met elektrische circuits bleef experimenteren.

   William Fothergill Cooke richtte in 1846 de Electric Telegraph Company op en gaf samen met John Lewis Ricardo leiding aan het bedrijf. Later zou Cooke zijn fortuin weer kwijtraken door onverstandige investeringen in de mijnbouw in het noorden van Wales.

   Vanaf de jaren vijftig van de negentiende eeuw namen de meeste landen van Europa het systeem van Samuel Morse over, behalve het Verenigd Koninkrijk (incluis de overzeese gebiedsdelen) dat vasthield aan het Wheatstone-Cooke ontwerp. Bij het intreden van de radiografische telegrafie werd de Morse-sleutel algemeen geaccepteerd. De bekabeling van de elektrische telegrafie werd in toenemende mate gebruikt voor de telefonie. Bekabeling ten behoeve van het versturen van elektrische alarm signalen bleef natuurlijk gehandhaafd.

   

 

 

 

L & B: STRESS            KLOKKIJKEN MAAKT ZIEK

 

Het wordt iedereen sterk afgeraden om voortdurend te kijken hoe laat het is. Wetenschappers hebben vastgesteld dat punctualiteit bij mensen naast stress en diabetes kan leiden tot hersenschimmen en waanbeelden. Gemeentelijke instellingen hebben het advies gekregen terughoudend om te gaan met het plaatsen van straatklokken.

 

 

 

De overheid voert al enige jaren een beleid dat is gericht op het ontmoedigen van klokkijken. Het stilletjes verwijderen van klokken uit de openbare ruimte is het gevolg van een uitgelekt rapport van het ministerie van economische zaken. Daarin wordt verwezen naar een publicatie van de hand van professor W. Taks, hoogleraar aan de hoofdstedelijke universiteit. In het artikel beschrijft

Taks een onderzoek naar de gevolgen van klokkijken bij vijftig plussers.

   Mannen en vrouwen met een drukke baan werden vergeleken met een overeenkomstige groep werklozen en vroeg-gepensioneerden. Gedurende een ruime periode van meerdere maanden werden de proefpersonen regelmatig getest op de hoeveelheid cortisol en glucose in hun bloed terwijl ze zelf door middel van vragenlijsten hun eetgewoonten bijhielden en vermeldden hoe vaak ze op de klok keken.

 

Het onderzoek toonde overduidelijk aan dat mensen met een drukke baan veel vaker klokkijken dan werklozen. Bij de niet-werkenden bleek dat het niveau aan cortisol en glucose in het bloed significant lager was dan bij de werknemers in actieve dienst. Bovendien bevestigden de vragenlijsten de hypothese dat mensen die arbeid verrichten vaker op de klok kijken en een grotere eetlust hebben dan pensionado’s. Uit aanvullend onderzoek bleek dat er een duidelijk verband bestaat tussen klokkijken, stress en het ontwikkelen van waanbeelden.

   Men kan zich afvragen of belastinggeld zou moeten worden besteed aan onderzoek dat weinig opzienbarende resultaten oplevert. Anderzijds zou nu wetenschappelijk zijn vastgesteld, wat iedereen al wist. Dat laatste is overigens nog maar de vraag. Met name in academische kringen wordt de conclusie in twijfel getrokken: het onderzoek levert slechts correlaties; er is geen aantoonbaar bewijs voor een causaal verband.

   Toch heeft de overheid gemeend dat de bevindingen van Taks haar beleid een legitieme ondersteuning verleent. Op vragen uit de tweede kamer over het verdwijnen van de zo vertrouwde straat klok werd naar het rapport verwezen en de conservatieve minister verklaarde dat nostalgische sentimenten de werkelijke vooruitgang tegenhielden

 

 

 

De ‘zelfopwindende’ klok (in conventionele houten kast uit 1908) is een product van de Amerikaanse Self Winding Clock Company (1886-1970). Elk uur werd de veer automatisch opgewonden door een elektromotor die gevoed werd door een batterij met een levens-duur van een jaar. Het bedrijf verkocht ‘exacte tijd’ door haar klokken elk uur telegrafisch te kalibreren via een moederklok die was verbonden met de US Naval Observatory.

 

 

 

ZELFZUCHTIGE OMHELZINGEN

Evolutie door selectie én samenwerking

  

 

Een volwassen mens bestaat uit ongeveer 100 biljoen cellen en een vergelijkbaar aantal vrije bacteriën die ervoor zorgen dat we gezond blijven (symbiose1). Cellen hebben een beperkte levensduur zodat ongeveer elke tien jaar vrijwel alle bouwstenen zijn vervangen. Sommigen vragen zich dan ook af of je dan nog wel hetzelfde individu bent. Het heeft wel iets van een stad, land of rijk, waarvan de bevolking door geboorte, dood en migratie voortdurend van samenstelling verandert maar niet van naam. Hoe zou men over duizend jaar ons huidige rijk noemen? De sociaaleconomische democratie van het Westen? Als er dan überhaupt nog mensen zijn, zal de maatschappijstructuur, het patroon van samenwerking en concurrentie2, onherkenbaar zijn veranderd.

   Het wordt hoog tijd dat aanhangers van de evolutietheorie zich gaan realiseren dat met louter natuurlijke selectie de complete ontwikkeling van het leven op aarde onvoldoende wordt verklaard. Er zijn namelijk tijdens die ontwikkeling momenten geweest waarop de strijd om de eigen individualiteit ondergeschikt werd gemaakt aan een streven naar saamhorigheid. Deze emergente overgangen vertonen opmerkelijke overeenkomsten en vonden maar een paar keer plaats. Daarbij ontstonden samenwerkingsvormen die bepalend waren voor de verdere loop van de evolutionaire geschiedenis.* In de toekomst zal die ontwikkeling niet anders zijn.

 

Toen een paar miljard jaar geleden de biosfeer3 van onze planeet geheel bestond uit louter prokaryoten4, zeg maar bacteriën, die zich tegoed deden aan mineralen, gassen en aan elkaar, was er uiteraard ook sprake van een strijd om het bestaan. Die verliep, net als bij natuurlijke selectie, steeds in het voordeel van die organismen die het beste waren aangepast aan de omstandigheden.* Net als bij natuurlijke selectie, maar een klein beetje anders, omdat ze nog geen echte seks hadden. Ze konden zich vermeerderen door te delen en hadden dus geen partner nodig. Er konden in korte tijd zeer grote concentraties ontstaan van vrijwel identieke organismen. Variatie ontstond vooral door spontane mutaties en mogelijk via zogenaamde horizontale uitwisseling van genetisch materiaal (seks zonder voortplanting).

    In dat homogene milieu ontstond door een wisselwerking tussen de individuele (vrijwel identieke) organismen en hun omgeving (dat waren ze overwegend zelf) een emergente complexiteit op een ‘hogere’ trede van de evolutionaire ladder. En wellicht gebeurde dat ook met organismen die minder op elkaar leken maar genetisch weinig van elkaar verschilden. Over hoe de samenvoeging van uiteenlopende vormen precies tot stand kwam, bestaan verschillende ideeën en vermoedelijk hebben die allemaal bestaansrecht. Een algemeen aanvaarde theorie is dat afzonderlijke eigenschappen als fotosynthese en andere vormen van energievoorziening een bijdrage hebben geleverd aan de cellen waaruit wij thans zijn opgebouwd en dat deze eigenschappen oorspronkelijk exclusief toebehoorden aan bepaalde typen bacteriën.5

    In de twee miljard jaar dat de prokaryoten het rijk voor zich alleen hadden, ontwikkelden zich ongetwijfeld een enorme verscheidenheid aan levensvormen, waarvan slechts enkele groepen zich hebben kunnen handhaven. Naast de talloze bacteriën zijn dat de blauwwieren en de archaea. De blauwwieren (cyanobacteriën) zijn in staat tot fotosynthese en sommige van hun voorouders werden via symbiogenese de chloroplasten in eukaryotische cellen waaruit het plantenrijk zou ontstaan. De archaea (oerbacteriën) hebben zich kunnen handhaven in extreme milieus (geisers en zoutpannen). Ze zijn eenvoudiger van bouw dan de meeste bacteriën en hechten, voor zover bekend, niet aan andere organismen.

 

Het is vooralsnog onduidelijk hoe het komt dat sommige organismen met een eigen genoom6  en identiteit hun individualiteit opgaven ten behoeve van een samenwerkingsverband, terwijl andere dat niet deden.* Tenslotte heeft het ontstaan van de eukaryoten7 niet geleid tot het verdwijnen van de prokaryoten; naast eencelligen bleven de bacteriën vrolijk tieren. Misschien ontstonden er nieuwe prokaryoten, we hebben het over periodes van vele miljoenen jaren. Misschien was de onderlinge genetische variatie tussen samenwerkende prokaryoten niet zo groot zodat de opoffering van de eigen identiteit in dienst stond van het voortbestaan van het genoom. Misschien speelde variatie in de horizontale uitwisseling van genen een rol, niet alleen in de prokaryotische evolutie maar ook in het ontstaan van de eukaryoten. Hypothetische overwegingen zijn er genoeg, maar waarvan kunnen we dan wel vrij zeker zijn?

   De prokaryotische evolutie was geen homogene gebeurtenis. De ontwikkeling kon in talloos veel verschillende omgevingen plaatsvinden. Elke afzonderlijke druppel water vormde een prokaryotisch ecosysteem waarbinnen de organismen ook zelf weer hun eigen omgeving vormden. In zo’n geïsoleerde ontwikkelingsomgeving kon de genetische expressie worden gestabiliseerd mits de wisselwerking tussen omgeving en individu voldoende gestructureerd en voorspelbaar was. Aangenomen dat er selectie plaatsvond op het niveau van het genoom – het zelfzuchtige erfdeel – dan zou natuurlijke selectie werkzaam kunnen zijn geweest bij het evolueren van de individuele bacteriën. Voor sommige bacteriën (of hun genoom) moet het voordelig geweest zijn om zich te onderwerpen aan een intensieve samenwerking terwijl dat bij andere niet gebeurde. Welk principe daaraan ten grondslag lag, is niet duidelijk.* 

   De geschiedenis werd bovendien herhaald bij de emergente overgangen van eencellige eukaryoten naar meercellige organismen (planten, dieren en schimmels ca. 600 miljoen jaar geleden) en bij het ontstaan van sociale kolonies. 8 ) Met dien verstande dat in het laatste geval vaak overtuigend sprake was van een hoge mate van genetische verwantschap en dat selectie op het niveau van het zelfzuchtige erfdeel voor de hand lag. Alleen in het geval van de mens was er misschien nog iets anders aan de hand.*

 

De emergente overgangen bestaan uit drie fasen, elk met een eigen dominant voortplantingssucces (fitness 9 ). De eerste fase is die van de individuele organismen, de tweede fase is de groepsfase en de derde de aggregatiefase waarin de oorspronkelijke individuen worden samengevoegd tot een nieuw organisme van grotere complexiteit. Het is goed denkbaar dat in de aggregatiefase iets tevoorschijn komt dat er nooit eerder was: een emergent verschijnsel dat als zodanig niet oorzakelijk verklaard kan worden. Het lijkt onmogelijk dat een ‘hoger’ organisme meer fitness kan hebben dan de veel talrijkere onderdelen waaruit het wordt opgebouwd. Maar het is juist de fitness van elk van die onderdelen waardoor het samenwerkingsverband gaat domineren. Over waarom het dominante voortplantingssucces tijdens de groepsfase bij de coöperatieven ligt en niet bij de egoïsten bestaat nog onenigheid.

   In de speltheorie kent men situaties waarin individuen willen samenwerken (coöperatieven) of niet (egoïsten). Samenwerking gaat ten koste van de eigen fitness en geeft een ander iets extra’s. Als dat andere organisme niet meedoet, krijgt het iets extra’s zonder dat het iets van de eigen fitness inlevert. Voor dat individu is het voordeliger om niet met anderen samen te werken. Voor een collectief zijn álle organismen echter beter af als ze wél samenwerken. Dit zal in de biologische context van de groepsfase alleen gebeuren als er voldoende verwantschap bestaat tussen de afzonderlijke organismen en als ze in staat zijn elkaar als collega of bedrieger te herkennen. Modellen voorspellen de samenwerking.* De vraag hoe herkenning in zijn werk ging bij prokaryoten of eencelligen blijft natuurlijk bestaan. Dát het gebeurde is een feit.

 

De interacties tussen meercellige organismen waren minstens zo gevarieerd als bij eencelligen en bacteriën. Niet alleen gebruikten ze elkaar als voedsel, maar ook als beschutting (nesten), hulp in de huishouding (opruimers) en verspreiding (klittende zaden). Ook hier konden samenwerkingsvormen ontstaan op basis van wederkerig voordeel (mutualisme) zowel tussen zeer uiteenlopende organismen als tussen genetisch verwante individuen binnen één soort. Er zijn talrijke symbiotische relaties ontstaan tussen meercellige organismen onderling, tussen eukaryoten onderling en tussen meercelligen en bacteriën. De bestendiging van de relaties met wederzijds voordeel werd in de hand gewerkt door een doorlopend contact tussen de individuen van verschillende soorten. Een paar willekeurige voorbeelden van symbiotische samenlevingsvormen zijn/waren korstmossen (plant & schimmel), bestuivende insecten (plant & dier) en elkaar imiterende anemoonvissen (het fenomeen dat verschillende giftige soorten elkaars signalen nabootsen, de mimicry van Muller, lijkt door het wederkerige karakter op mutualisme maar de soorten zijn niet direct van elkaar afhankelijk). De korstmossen speelden voor de evolutie van het leven op aarde een cruciale rol.10

   Zelfs evangelisten hebben weinig verzet geboden tegen de gedachte dat het leven op aarde ooit begon in water. Het beeld dat bij hen opdoemde was dat van slijkspringers en krabbetjes, dieren die in zee thuishoorden maar regelmatig op land konden worden aangetroffen. Die voorstelling suggereerde de (ontbrekende) schakel van water naar land. Maar dat beeld was onjuist. In de tijd dat organismen het land begonnen te veroveren, bestond dit nog volledig uit kale gesteentes. De fotosynthese van wieren en algen die in het water leefden had inmiddels voor de aanwezigheid van zuurstof in de atmosfeer gezorgd. Maar voedsel was er niet. Alleen wieren en algen zouden kunnen leven van de mineralen op het vaste land. Wortels, die nodig waren om opgeloste zouten tussen de kieren van het rots-oppervlak vandaan te halen, hoefden ze in water niet te hebben, en ontbraken dus. Draadvormige schimmels waren op het droge wel in staat mineralen te bemachtigen maar zij misten weer het vermogen – fotosynthese – om die zouten in geschikt voedsel om te zetten. Uit de wederzijdse behoefte werd het innige samenwerkingsverband tussen schimmel en alg geboren. Via deze symbiotische tussenstap konden fotosynthetische cellen vaste voet aan land krijgen en evolueren tot planten. Via dezelfde tussenstap kwam het broodnodige voedsel beschikbaar voor de eerste landdieren. Zonder die korstmossen zouden wij er niet zijn geweest.

   Dat was natuurlijk een gedachtegang die aanhangers van Het Grote Plan onmiddellijk zou aanspreken. Gedrag bestond immers alleen bij dieren, dus ook sociaal gedrag. Waarvoor was dan het bestaan van planten en schimmels nog nodig? Het antwoord werd nu duidelijk. Evenals het noodzakelijke bestaan van bacteriën en eencelligen om als bouwstenen te kunnen dienen voor wat komen ging.

   De ‘vrije’ prokaryoten en schimmels konden zich handhaven door zich te voeden met de afscheidingsproducten en resten van andere organismen en zouden daarmee een onmisbare functie gaan verrichten als schoonmakers. Talrijke bacteriën vonden een overlevingsplek op of in de aanzienlijk grotere (meercellige) eukaryoten door bescherming te bieden tegen ziekteverwekkers in ruil voor wat voedsel. Alleen bij voldoende overmacht konden/kunnen parasitaire bacteriën (ziekteverwekkers) schade toebrengen aan het gastorganisme.11

   Chloroplasten komen tegenwoordig alleen voor in eukaryoten met een celwand. Dierlijke cellen, die per definitie geen celwand hebben, zijn daarom niet in staat tot fotosynthese. Om toch gebruik te kunnen maken van het plantaardige vermogen om eenvoudige zouten om te zetten in koolhydraten zijn sommige dieren een innige samenwerking aangegaan met groene algen. Het gaat uitsluitend om dieren die in water leven (sommige eencellige diertjes, poliepen, zeeslakken en embryo’s van amfibieën).12

   Door de afwezigheid van een celwand konden sommige dierlijke cellen zich ontwikkelen tot spiervezels en zenuwen waarmee ze op hun omgeving konden reageren en zich zelfstandig konden verspreiden. Ze konden, kortom, gedrag vertonen. In veel gevallen was dat gedrag afgestemd op soortgenoten (seksuele voortplanting) en leefden soortgenoten in groepen (populaties; overigens is dat nog steeds het geval). Soms werd het groepsgedrag een wisselwerking van interacties en ontwikkelde zich sociaal gedrag (vandaag de dag bestaan er vele gradaties van sociaal gedrag, variërend van eenvoudige voortplantingsgroepen tot complexe hiërarchische gemeenschappen.

   Er ontstonden eusociale samenlevingsvormen zoals de statenvormende insecten en zoogdieren.8 Kenmerkend voor de staatvorming was een netwerk van intensieve onderlinge communicatie, zodanig dat de individuen zich onderwierpen aan het gemeenschapsbelang. Door hun grote verwantschap waren de dieren genetisch nagenoeg identiek (klonen). Individuele opoffering ten bate van de groep had geen nadelig gevolg voor het voortbestaan van dit gedrag. Het sociale gedrag lag immers verankerd in het erfelijk materiaal van hun soortgenoten.

   Bij de meeste sociale zoogdieren (walvissen, primaten) was/is dat laatste niet het geval. Het groepsgedrag komt bij deze dieren tot stand door een soort besef dat er individueel voordeel valt te halen als men elkaar helpt. Het sociale gedrag ligt verankerd in het brein. Daardoor konden bij sociale aapachtigen en mensachtigen geregeld conflicten tussen eigenbelang en groepsbelang komen bovendrijven. Alleen als de sociale afhankelijkheid groot genoeg was om het groepsbelang (van de kolonie; niet van de soort) te laten prevaleren, kon men overleven. En alleen als de kolonie(s) voldoende individuen omvatte, kon de soort voortbestaan.

 

 

Sinds het ontstaan van de meercellige organismen, zo’n 600 miljoen jaar geleden, is gebleken dat sociaal gedrag, het streven naar een hechte samenwerking binnen een populatie, evolutionair voordelig is. Statenvormende klonen bleken echter minder flexibel en manipulatief dan de neuronaal aangedreven primaten, met Homo sapiens als voorlopige eindbestemming. Voorlopig, want er is nog een lange weg te gaan voordat een emergent stadium wordt bereikt dat vergelijkbaar is met het ontstaan van archaea uit vrije polypeptiden en nucleïnezuurketens (ca. 3700 miljoen jaar geleden), het ontstaan van de eukaryoten uit de prokaryoten (ca. 1700 miljoen jaar geleden) en het ontstaan van meercellige uit eencellige organismen (ca. 600 miljoen jaar geleden). De tijdsduren suggereren een exponentieel verloop, zodat het volgende stadium wellicht spoedig aanbreekt.

   De superioriteit van Homo sapiens is allereerst te danken aan ons vermogen tot samenwerking (ook al zijn er talloze verhalen over helden die het alléén redden; zonder hen komen we er ook wel, maar zij niet zonder ons). In de loop van de 21e eeuw zullen we een toestand bereiken waarin een aanzienlijk deel van de mensheid elkaar zo innig elektronisch omhelst dat er een informatie-uitwisseling wordt gegenereerd die haar weerga niet kent. In verschillende regio’s zullen mensen zich fysiek en mentaal hebben verenigd met de voortbrengselen van de robotica en artificiële intelligentie

 

De menselijke soort bestaat pas een paar miljoen jaar en de fundamentele samenlevingsvorm en genetische verwantschap is ongeveer dezelfde als bij andere sociale primaten. Mensen onderhouden evenwel een veel groter aantal wederkerige relaties (onder andere ten behoeve van voedsel, genotmiddelen en seks) dan elk ander organisme. Bovendien heeft de moderne mens een wereldomvattend communicatienetwerk opgebouwd dat een grote draagwijdte voor de sociale interacties heeft. Ondanks het vermogen om een groot aantal individuen te herkennen en ondanks hun sociale afhankelijkheid kunnen profiteurs betrekkelijk gemakkelijk verloren gaan in een zee van anonieme andere individuen waardoor een vanzelfsprekende samenwerking voortdurend wordt ondermijnd. In tegenstelling tot eencelligen die zichzelf in koloniale samenlevingsvormen opofferen door te versmelten met egoïstische bedriegers (voorloper afweersysteem), zijn mensen niet geneigd tot dit soort altruïstische omhelzingen. Jezelf opofferen wordt onnozel gevonden, zeker als je daarmee

   De meest recente emergente overgang in de evolutie op aarde is nog maar net begonnen. Het betreft de ontwikkeling van robotica en kunstmatige intelligentie die uiteindelijk de aarde zal verbinden met andere hemellichamen in ons melkwegstelsel. Dit klinkt erg futuristisch (en dat is het ook; maar er ‘vliegt’ al een volledig functionerende sonde buiten ons zonnestelsel) en de realisatie ligt nog zover in het verschiet dat er nog weinig over te zeggen valt. Toch is het vrij zeker dat interstellaire reizen voor de mens niet zijn weggelegd. Daarvoor is hij/zij teveel het product van aardse evolutie. Maar de mens kan wel de technologische mogelijkheden tot stand brengen die de emergente ontwikkeling, begonnen tijdens de eerste seconde na de oerknal, voortzet.

 

 


Aanbevolen Nederlandstalige literatuur:

Robert Axelrod. De evolutie van samenwerking. Contact, 1990 Richard Dawkins.

Onze onsterfelijke genen. Atlas Contact BV, 1995 Dirk Draulans. Samen voor ons eigen. De Bezige Bij, 2012

James Lovelock. Gaia - de natuur als organisme. Bruna, 1980

Lynn Margulis. De symbiotische planeet. Contact, 1999

Henk Verhoeven. Oerganisatie. Maven Publishing, 2013

Peter Westbroek. De ontdekking van de aarde. Balans, 2012

Edward O. Wilson. Kijk op de natuur. Spectrum, 1998

Onder symbiose verstaat men gewoonlijk een wederzijds voordelig samenwerkingsverband, maar correcter is om onder symbiose elke soort van samenleven te verstaan. Wederzijds voordelig samenwerkingsverband heet dan mutualisme. Andere vormen van samenleven zijn: Gunstig voor het ene organisme (meestal de gast) maar nadelig voor het andere organisme (meestal de gastheer): parasitisme; gunstig voor het ene organisme en zonder nadeel voor de ander: commensalisme; ongunstig voor het ene organisme en zonder nadeel voor de ander: antibiose.
Onder concurrentie verstaat men gewoonlijk een wederzijdse nadelige beïnvloeding (wedijver). Het is een niet-symbiotische vorm van samenleven die interspecifiek (tussen soorten) in een ecologisch stabiele situatie tot een dynamisch evenwicht leidt. In intraspecifiek opzicht (binnen een soort) is het door de overerfbare (genetische) frequentie afhankelijke fitness de motor van de natuurlijke selectie. Andere niet-symbiotische relaties zijn die tussen predator en prooi. In meer algemene zin spreekt men liever van competitie dan van concurrentie.
Tijdens de organische evolutie op aarde zijn tal van samenlevingsvormen ontstaan. Individuele organismen verenigden zich niet alleen in bekende en minder bekende symbiotische relaties, zoals algen en schimmels in korstmossen en verschillende poliepen in kwalachtige kolonies, maar ook de evolutionaire reuzensprongen (van bijvoorbeeld bacterie naar pantoffeldiertje) zijn begonnen met het aaneensluiten van eenvoudige organismen om zo – op een hoger level – een complexer wezen te worden. Dat ging niet zonder slag of stoot.

In de jaren 90 van de vorige eeuw verschenen diverse publicaties van de hand van John Maynard Smith en Eörs Szathmáry over de Major Transitions in Evolution waarin zij een aantal cruciale momenten tijdens de evolutie onderscheiden die te maken hebben met een verandering van informatieoverdracht en niveau van complexiteit. Een aantal hiërarchische overgangen met toenemende verticale complexiteit tijdens de organismale evolutie zijn:

• Het ontstaan van eukaryoten in een wereld van prokaryoten

• Het ontstaan van meercellige organismen in een wereld van eencelligen

• Het ontstaan van koloniën in een wereld van solitaire individuen

Ervan uitgaande dat natuurlijke selectie ingrijpt op het niveau van het individu is er sprake van voortdurende verandering van dit selectie-niveau. Door een steeds intensievere verbondenheid integreren organismen van een ‘lager niveau’ tot een geheel nieuw organisme verschijnt op een ‘hoger niveau’.

Vergelijkbare overgangen met toenemende verticale complexiteit maar minder duidelijke hiërarchie zijn

• Het ontstaan van seksuele voortplanting in een wereld van aseksuele klonen

• Het ontstaan van menselijke communicatienetwerken in een wereld van apen

Kenmerkende eigenschappen van deze overgangen: 1) de oorspronkelijke vrije replicatie na de emergente overgang was alleen nog mogelijk in samenhang met het grotere geheel, 2) samenwerking maakte een taakverdeling mogelijk waardoor er specialisatie plaatsvond en 3) de onderlinge uitwisseling van informatie en informatieopslag veranderde ingrijpend.

Eén van de grootste problemen waar wetenschappers sindsdien mee worstelen betreft de individualiteit: hoe wordt deze opgegeven op niveau x en opnieuw verkregen op niveau x+1?

Hieronder volgt een fragment van Strijd en samenwerking tijdens evolutionaire transities van Richard Michod en Aurora Nedelcu. In: Moya, A., Font, E. (Eds.), Evolution: From Molecules to Ecosystems. Oxford University Press, Oxford (2003).

 

De kern van een evolutionaire transitie is dat de individuen van het lagere niveau (level x) als het ware afstand deden van hun aanspraak op zelfstandig voortplantingssucces (fitness) en hun groei en bloei geheel in dienst stellen van een nieuwe afdeling op hoger niveau (level x+1). Die fitness-overdracht van een lager naar een hoger niveau heeft geregeld plaatsgevonden tijdens de evolutie van samenwerking (…). Net zo lang totdat de groep evolueerde tot een nieuw individu – in de zin, dat het in staat was tot het zelfstandig opwekken van overdraagbare, genetische variatie van zijn voortplantingssucces (kortweg: verscheidenheid in fitness) – en door aanpassingen (adaptatie) werd beschermd tegen inwendige verwoestingen waardoor de kans op ontoereikend functioneren werd beperkt. (…) Tijdens evolutionaire transities verkregen de nieuwe, hogere afdelingen (bv. eukaryoten, meercellige organismen) hun emergente eigenschappen dank zij de interacties tussen lagere afdelingen (bv. cellen). Samenwerking was fundamenteel voor het ontstaan van een nieuwe, nog hogere fitness-unit omdat door die samenwerking (die wat kost) de fitness van een lager niveau werd overgeheveld naar het hogere niveau (ten bate van de groep).

Hoewel de lagere afdelingen uiteindelijk moesten samenwerken om een nieuwe, hogere afdeling samen te stellen, waren de wisselwerkingen met betrekking tot de fitness binnen de groep wellicht gebaseerd op welke soort interactie ook, variërend van nuttig (mutualisme) tot vijandig (competitie en uitbuiting). Maar zowel het wederzijds voordelige mutualisme als uitbuiting leden tot een conflictsituatie; bij uitbuiting was dat vanzelfsprekend, bij mutualisme omdat het, net bij alle andere vormen van samenwerking, de gelegenheid schiep om ‘de boel te belazeren’. Een fundamenteel aspect van het emergente verschijnen van een nieuwe, hogere afdeling was de bemiddeling in dit conflict tussen de lagere afdelingen, ten behoeve van de hogere afdeling. Dat leidde tot het versterken van de samenwerking tussen de lagere afdelingen.

Voordat de groep een zelfstandig individu werd, bracht samenwerking strijd met zich mee en de verleiding om schade aan te richten. De reikwijdte van de samenwerking en de hogere doelgerichtheid werden door de onenigheid tussen de selectie-eenheden beperkt. De mogelijkheid om te evolueren van een lager naar een hoger niveau hing af van het vinden van nieuwe en meer ingewikkelde vormen van samenwerking die de basis legden voor nieuwe aanpassingen (adaptaties) op het hogere niveau. Bemiddeling in die onenigheid heeft geleid tot grotere individualiteit en versterking van de erfelijkheid van fitness op het nieuwe level.(…)

Totdat de emergente manifestatie van het nieuwe level was afgerond (laten we zeggen met een structuur om de nieuwe, hogere afdeling te ‘huisvesten’) werden de interacties tussen de lagere afdelingen waarschijnlijk bepaald door het aantal afdelingen per volume-eenheid en/of het aantal interacties per tijdeenheid (frequentie); (…)

Eén van de meest basale gevolgen van frequentie-afhankelijke natuurlijke selectie is dat er geen enkel voordeel hoeft te zijn voor de individuen van de groep. Onder frequentie afhankelijke selectie hoeft, volgens de populatiegenetica, de gemiddelde fitness van de populatie niet toe te nemen. Het spel-theoretische ‘prisoners dilemma’ geeft een goed beeld van de intrinsieke grenzen van frequentie-afhankelijke selectie uitgedrukt in het handhaven van eigen welzijn en het vermogen om te evolueren. Volgens het prisoners dilemma laat natuurlijke selectie niet alleen na om de individuele fitness te maximaliseren, het minimaliseert deze juist!

Het dilemma van frequentie-afhankelijke selectie is dat hoewel de frequentie-afhankelijke interacties tussen de groepsleden de basis vormen voor de groepsfuncties op een hoger level, de frequentie-afhankelijke selectie niet per sé de groepsfitness hoeft te vergroten. Hoe kunnen frequentie-afhankelijke interacties dan wel de basis vormen van eenheden op een hoger niveau zonder dat ze een toename van de fitness van die eenheden tot gevolg hebben? De paradoxale frequentie-afhankelijkheid Vormt het fundamentele probleem dat via selectie op meerdere niveaus moet worden opgelost, zowel tijdens de evolutie binnen een soort als tijdens de transitie naar een nieuwe, hoger afdeling (higher-level unit of organization).

 

De biosfeer is het flinterdunne laagje rond de aarde dat het leven omvat. Andere aardsferen zijn de hydrosfeer (oceanen, zeeën en rivieren), de lithosfeer (de korst) en de atmosfeer (de lucht). Volgens de Gaia hypothese van James Lovelock kan door de synergetische zelfregulerende werking van de biosfeer de aarde worden opgevat als een als soort superorganisme. Al in de jaren 70 van de vorige eeuw beschreef hij samen met Lynn Margulis de homeostatische werking van de aardatmosfeer: “De aardatmosfeer verschilt in hoge mate van de dampkring van de andere planeten door haar samenstelling, zuurgraad, redox potentiaal en temperatuur door de hoeveelheid invallend zonlicht. Uit het fossielen-bestand kan worden afgeleid dat er al miljarden jaren lang een stabiele optimale conditie voor de biosfeer bestaat. Wij zijn van mening dat de karakteristieken van de aardatmosfeer als een bewijs kunnen gelden voor homeostase op planetaire schaal die door het leven op aarde in stand wordt gehouden.” In: Origins of life and evolution of biospheres Vol.5, pp 93-103. (1974).
Prokaryoten zijn eenvoudige levensvormen die nog niet beschikken over een celkern. Vermoed wordt dat ze ruim 3½ miljard jaar geleden zijn ontstaan uit repliceerbare biopolymeren (RNA) en peptiden (eiwitten). Dit proces van het ontstaan van eerste levensvormen uit niet levende materie noemt men abiogenese. De oudste prokaryoten behoren tot de archaea (oerbacteriën).
Natuurlijke selectie is het mechanisme waarop de organismale evolutie is gebaseerd. Charles Darwin introduceerde het concept op basis van uitgebreide waarnemingen (zonder kennis van genetica). Nakomeling door seksuele voortplanting zijn ongelijk en te talrijk om genoeg te kunnen eten. Daardoor overleven alleen de best aangepasten. De adaptatie-kenmerken liggen verankerd in het genoom (het erfelijk materiaal). Na meerdere generaties kan een betere aanpassing gaan domineren (en uiteindelijk tot een andere soort leiden). Het erfelijk materiaal kan ook spontaan veranderen (genetische mutatie). Dat speelt vooral een rol bij ongeslachtelijke voortplanting. Mutaties die voordeel opleveren voor de nakomelingen blijven behouden. Een betere aanpassing wil zeggen dat het voortplantingssucces toeneemt. Dit wordt fitness genoemd. Omdat het bij dit lange termijn proces gaat om grote aantallen veelvuldige herhalingen spreekt men in de wetenschappelijke literatuur ven frequentie afhankelijke fitness in plaats van natuurlijke selectie.
Het gaat hier om de symbiogenese of endosymbiontentheorie die veronderstelt dat de organellen in onze cellen (bv. mitochondria) oorspronkelijk zelfstandige organismen waren (aerobe bacteriën). Het idee werd in het begin van de vorige eeuw geïntroduceerd door de Russische botanicus Konstantin Mereschowski en een halve eeuw later verder uitgewerkt door de Amerikaanse biologe Lynn Margulis. Eén van de krachtigste ondersteuningen van de theorie is de aanwezigheid van DNA in celorganellen als mitochondriën en bladgroenkorrels dat afwijkt van het DNA in de celkern.
Het genoom is het totaal aan eigen erfelijk materiaal in de celkern. Het begrip werd in 1920 geïntroduceerd door de Duitse botanicus Hans Winkler en omvat het erfelijk materiaal (DNA) op de chromosomen in de celkern. Van veel organismen is inmiddels het genoom bekend. Dat wil zeggen dat de opeenvolging van de vier stikstofbasen in de lange DNA-ketens van het organisme (de genetische code) bekend is.
Opmerkelijk is dat bij evolutionaire transities de lagere afdelingen op de een of andere manier in vrijheid blijven voortbestaan. Naast de eusocialen zijn de einzelgangers gebleven, naast de meercellige planten, dieren en schimmels zijn de eencellige eukaryoten blijven voortbestaan en naast hen ook de bacteriën. De organische polymeren waaruit de laatsten vermoedelijk zijn voortgekomen, vinden we nauwelijks terug in vrije vorm. Die hebben vermoedelijk als voedingsbodem gediend. De eenvoudiger moleculen die er aan ten grondslag liggen zijn daarentegen weer talrijk. Vrije atomen en subatomaire deeltjes zijn onder natuurlijke omstandigheden op aarde relatief schaars maar elders in het heelal komen ze wellicht voor. Evenals in een veel jonger universum.
Eukaryoten zijn cellen met een kern. Wij zijn opgebouwd uit dergelijke cellen. Vermoed wordt dat ze ongeveer 1,7 miljard jaar geleden zijn ontstaan uit samenwerkingsverbanden tussen verschillende prokaryoten voor de vorming van celorganellen met een netwerk van eiwitten als omvattend cytoskelet (voor voedseltransport) waaruit door instulping het kernmembraan is ontstaan.

De vier grondvormen, waarvan vermoed wordt dat ze gezamenlijk geleid hebben tot het ontstaan van de eukaryotische cel, waren oorspronkelijk verschillende typen prokaryoten die in een niet-willekeurige volgorde zijn ‘samengesmolten’. Dit wordt beschreven door de seriële endosymbiosetheorie:

• Uit het samensmelten van anaerobe thermoacidofiele bacteriën met andere stammen ontwikkelde zich het nucleocytoplasma, het materiaal waaruit de kern van de eukaryotische cel is opgebouwd.

• Zuurstofminnende proteobacteriën werden opgenomen en verleenden geleidelijk hun diensten aan het geheel als energieleverancier in de vorm van mitochondriën.

• Spiraalvormige spirocheten zouden geannexeerd worden en evolueren tot flagellen en cilia, hoewel tegen dit idee nogal wat bezwaar bestaat.

• De bolvormige chloroxybacteriën die in staat waren tot fotosynthese zouden na inlijving zijn ‘gereduceerd’ tot organellen die als chloroplasten deel uitmaken van moderne plantencellen.

Met sociale kolonies wordt gedacht aan statenvormende insecten (termieten, bijen) en zoogdieren (molratten). Een karakteristiek kenmerk van deze gemeenschappen is dat de leden een gemeenschappelijke moeder hebben (de koningin) die zich als enig vrouwelijk exemplaar voortplant. De benodigde mannetjes kunnen afkomstig zijn uit de eigen gelederen (incest) of uit andere kolonies (vliegende insecten). Ook onze maatschappij wordt tegenwoordig tot de eusociale dieren gerekend. Niet alleen om voor de hand liggende redenen maar ook omdat van alle organismen die zich seksueel voortplanten onze soort de enige is waarvan de vrouwtjes (sorry; in biologische zin) vrijwel permanent vruchtbaar zijn. Van vergelijkbare kolonievorming is ook sprake bij samenwerkingsverbanden van sommige eencellige wieren en slijmzwammen en meercellige sponzen en poliepen.
Opmerkelijk is dat bij evolutionaire transities de lagere afdelingen op de een of andere manier in vrijheid blijven voortbestaan. Naast de eusocialen zijn de einzelgangers gebleven, naast de meercellige planten, dieren en schimmels zijn de eencellige eukaryoten blijven voortbestaan en naast hen ook de bacteriën. De organische polymeren waaruit de laatsten vermoedelijk zijn voortgekomen, vinden we nauwelijks terug in vrije vorm. Die hebben vermoedelijk als voedingsbodem gediend. De eenvoudiger moleculen die er aan ten grondslag liggen zijn daarentegen weer talrijk. Vrije atomen en subatomaire deeltjes zijn onder natuurlijke omstandigheden op aarde relatief schaars maar elders in het heelal komen ze wellicht voor. Evenals in een veel jonger universum.
Aristoteles formuleerde al vier verklarende principes:

• Oorzakelijke verklaringen. Bijvoorbeeld je hart klopt omdat het regelmatig geprikkeld wordt door het autonome zenuwstelsel of seksualiteit wordt opgewekt door hormonen.

• Materiële verklaringen. Bijvoorbeeld je hart klopt omdat het spierweefsel regelmatig samentrekt of seksualiteit is een aspect van de geslachtsorganen.

• Doelgerichte verklaringen. Bijvoorbeeld je hart klopt om je bloed rond te pompen of seksualiteit zorgt ervoor dat er nakomelingen worden verwekt.

• Formele verklaringen. Bijvoorbeeld je hart klopt omdat het genetisch is vastgelegd of seksualiteit ligt verankerd in de genen.

In een context van de ontwikkeling van levende wezens zouden die verklarende principes verder kunnen worden uitgebreid:

• Oorzakelijke verklaringen op korte termijn. Bijvoorbeeld de ontogenetische ontwikkeling van hart en seksualiteit.

• Oorzakelijke verklaringen op lange termijn. Bijvoorbeeld de evolutionaire ontwikkeling van hart en seksualiteit.

• Recursief oorzakelijke verklaringen. Bijvoorbeeld je hart klopt omdat het van brand- en zuurstof wordt voorzien via het bloed dat het naar zichzelf toe pompt of seksueel verlangen wordt versterkt tijdens orale stimulatie van de geslachtsorganen (fellatio en cunnilingus).

 

Met betrekking tot evolutionaire transities wordt meestal het oorzakelijke verklaringsmodel gehanteerd (mechanistische benadering) waarbij uitgegaan wordt van natuurlijke selectie (frequentie afhankelijke fitness) op achtereenvolgens verschillende niveaus: zodra selectie op het niveau van de hogere afdelingen gaat domineren over de selectie op het niveau van de lagere afdelingen is er sprake van een transitie. In de woorden van één van de pioniers op het gebied de Major Transition in Evolution, Eörs Szathmáry (2015):

   Multilevel selection, first without, then with, the collectives in focus is an important explanatory mechanism. Transitions are decomposed into phases of origin, maintenance, and transformation (i.e., further evolution) of the higher level units, which helps reduce the number of transitions in the revised list by two so that it is less top-heavy.

 

Soms wordt een recursief oorzakelijke verklaring gehanteerd (structuralistische benadering) waarbij uitgegaan wordt van een toename van de autonomie. Dat lijkt een doelgericht streven maar in feite gaat het om het resultaat van een aantal oorzakelijke mechanismen. In de woorden van het hoofd van het Instituut Evolutionaire Biologie van de Witten/Herbecke Universiteit in Duitsland, Bernd Rosslenbroich (2008):

   Pogingen om de macro-evolutionaire innovaties te verklaren zijn nog maar gedeeltelijk geslaagd. Het voorstel is dat eerst het patroon van de grote evolutionaire sprongen dient te worden begrepen voor het mogelijk is om het mechanisme achter dit proces verder te analyseren. De hypothese is dat de grote evolutionaire transities worden gekarakteriseerd door een toename van de organismale autonomie, in de zin van een verzelfstandiging of vrijmaking t.o.v. de omgeving. Toenemende autonomie wordt gedefinieerd als de evolutionaire verschuiving van de relatie tussen individu en omgeving., zodanig dat de invloed van de omgeving geleidelijk wordt verminderd en er een stabilisering wordt gegenereerd van naar zichzelf verwijzende, intrinsieke functies van het systeem. Dit wordt beschouwd als relatieve autonomie want heel veel relaties met de omgeving blijven intact. Eigenschappen van toenemende autonomie zijn ruimtelijke afscheiding, toename van homeostatische functies en lichaamsgrootte, internalisaties en een toename van fysiologische en gedragsmatige flexibiliteit (toename inwendige stabiliteit).

 

 

Korstmossen waren de eerste meercellige organismen die het land veroverden. Toen er eenmaal bodemvorming ontstond, volgden primitieve plantjes en herbivoren. Overigens waren de rotsen niet echt kaal maar bedekt met waterdruppeltjes waarin pro- en eukaryoten, die onbedoeld geholpen hebben bij de kolonisatie. Korstmossen hebben geen wortels en het schimmelweefsel is doorlaatbaar voor water met de daarin opgeloste mineralen. Verontreinigingen in regenwater leiden tot sterfte van het korstmos waardoor het een goede indicator is voor luchtverontreiniging.
Parasieten verhogen hun overlevingskans door de gastheer in leven te houden. Als dat niet lukt, gaan de (dodelijke) ziekteverwekkers bij het overlijden van de gastheer ook zelf te gronde. Infecties worden altijd veroorzaakt door parasieten. Dat kunnen wormpjes zijn (schistosomiasis), eencellige Plasmodium (malaria), bacterie (bv. Salmonella; veroorzaakt diarree) en virussen (bv. griep en AIDS). Virussen nemen overigens wel een aparte plaats in omdat ze zelf niet tot de levende organismen worden gerekend. Ze kunnen zich alleen met behulp van een specifieke levende cel vermeerderen. Die cel gaat te gronde bij het voortbrengen van een groot aantal nieuwe virussen. Virussen die in plaats van een cel een bacterie gebruiken om zich te vermeerderen, worden bacteriofagen genoemd. Bacteriofagen kunnen gebruikt worden om (schadelijke) bacteriën te bestrijden. Zie ook: https://mens-en-gezondheid.infonu.nl/diversen/184848-bacteriofaag-behandeling-en-fagentherapie-bij-infecties.html.
De zeeslakken Costasiella kuroshimae en Elysia chlorotica eten groene algen of groenwieren waarvan ze de bladgroenkorrels in hun lichaam opnemen (kleptoplastie) om te gebruiken voor fotosynthese. Sommige eencellige protisten zijn eveneens in staat tot kleptoplastie. Eieren en larven van amfibieën ( o.a. Ambistoma maculatum) kunnen door een symbiotische relatie met algen beter en sneller groeien. Ook zijn koraalriffen die hun afwisselende kleurenpracht ontlenen aan symbiotische algen (Symbiodinium) in de poliepen.

Een interessant artikel in dit verband is wellicht: Matthijs van Veelen, Julián García, David G. Rand en Martin A. Nowak: Direct reciprocity in structured populations. PNAS Early Edition (4 juni 2012).
Vraaggesprek met Matthijs van Veelen door medewerker Universiteit van Amsterdam: [Van Veelen werkt bij het Center for Research in Experimental Economics and Political Decision making (CREED) van de UvA. Recent trad hij toe tot De Jonge Akademie, het platform van topwetenschappers tussen de 25 en 45 jaar van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Op dit moment (2013) werkt hij als gastonderzoeker aan Harvard University in Cambridge (VS). Samen met onderzoeker Martin Nowak, hoofd van het Program for Evolutionary Dynamics (PED), onderzoekt hij de evolutionaire functie van samenwerking. ‘Wat is ons evolutionaire voordeel daarbij, waarom zou er zoiets bestaan als altruïsme?’]
Jullie theoretische uitgangspunt is de evolutionaire speltheorie. Wat houdt die in?
‘Het is een variant op de klassieke speltheorie, die in de Tweede Wereldoorlog is bedacht door econoom Oskar Morgenstern en wiskundige John von Neumann. De speltheorie probeert op een wiskundige, abstracte manier strategisch gedrag te beschrijven en is van grote invloed op verschillende vakgebieden. In de economie stelt de speltheorie dat de mens in strategische interacties rationeel handelt en voorspelt ze met wiskundige modellen welke beslissingen zij dan nemen. De evolutionaire speltheorie neemt niet de menselijke rationaliteit als vertrekpunt, maar mutatie en selectie: onverstandige acties verdwijnen volgens die theorie uiteindelijk vanzelf, dankzij het evolutionaire principe van de natuurlijke selectie.’
Over wat voor strategische interacties gaat het dan?
‘Voor het onderzoek naar de evolutie van samenwerking is het interessant als het individuele en het gezamenlijke belang in de interactie met elkaar op gespannen voet staan. Beide partijen zijn dan beter af als ze rekening met elkaar houden en samenwerken, terwijl ze tegelijkertijd blootstaan aan de verleiding om het eigenbelang na te streven. Beroemd is het prisoner's dilemma, waarin twee verdachten voor de keuze staan: bekennen of ontkennen. Als ze beiden ontkennen, gaan ze vrijuit. Dat is dus het verstandigst gezien vanuit het gezamenlijke belang. Maar omdat ze niet weten wat de ander doet, moeten ze een individuele afweging maken, en wie meewerkt, krijgt strafvermindering. Met de onzekerheid over wat de ander doet, kun je dan beter op safe spelen en bekennen. Want als jij ontkent terwijl de ander jou verlinkt, krijg jij de hoogste straf en gaat hij vrijuit!’
Waar raakt dat aan de evolutie?
‘De evolutietheorie stelt dat de natuur op individuele kenmerken selecteert. Daarvan uitgaande kun je volgens de speltheorie veronderstellen dat het selectiemechanisme van de survival of the fittest mensen ertoe aanzet om in strategische interacties voor zichzelf te kiezen.’
Kortom, altruïsme heeft evolutionair geen bestaansrecht?
‘Er zijn twee uitzonderingen. Samenwerken kan evolutionair wèl voordelig zijn in een strategische interactie tussen twee individuen in een populatiestructuur die hun genen delen. Een broer en een zus bijvoorbeeld, of twee individuen die om andere redenen op elkaar lijken. Als ik wat moet inleveren om mijn zus te helpen, kan dat op genetisch niveau een heel verstandige beslissing zijn. De tweede uitzondering is de herhaling: als twee partijen in de toekomst vaker met elkaar te maken krijgen, stelt dat hen in staat om elkaar met gelijke munt terug te betalen. Die dreiging dwingt hen in de coöperatieve richting. Kortom, ook in evolutionair opzicht krijgt altruïsme de ruimte: samenwerken kan onze overlevingskansen vergroten.’
Wat heeft het onderzoek opgeleverd?
‘Een overkoepelend theoretisch model dat de twee genoemde uitzonderingen met elkaar integreert. Daardoor kunnen we nog beter voorspellen hoe beslissingen in een strategische interactie eruit zien. Het model houdt rekening met populatiestructuur en herhaling, want als daarvan sprake is, kiezen mensen eerder voor samenwerking.’
Zijn er nog meer uitzonderingen?
‘Mensen werken waarschijnlijk ook eerder samen als een derde persoon de samenwerking goedkeurt en het juist afkeurt wanneer de samenwerking wordt afgebroken. Daar begint de moraal. Maar ons onderzoek naar de rol van de moraal staat nog in de kinderschoenen.’
Waarom?
‘Moraal is een complex begrip. Mensen gooien hun retorische vaardigheden in de strijd om hun gedrag en beslissingen te rechtvaardigen, vaak achteraf. Neem de tabaksindustrie. Die beschouwt de menselijke keuzevrijheid ongetwijfeld als een groot goed, maar haalt die waarschijnlijk vooral aan als argument om meer sigaretten aan de man te kunnen brengen. De moraal is vaak vervuild door eigenbelang. Dat maakt het ingewikkeld om die, in zuivere vorm, mee te nemen in ons theoretische model.’
Wat is de maatschappelijke relevantie van dit onderzoek?
‘Het zal niet direct leiden tot een oplossing voor de financiële crisis en de perverse bonuscultuur bij banken, maar heel veel maatschappelijke vraagstukken gaan over het spanningsveld tussen individuele en collectieve belangen. Neem politieke besluitvorming. Als we ons ervan bewust worden hoe politici in het debat de moraal misbruiken om hun eigen- of hun partijbelangen te behartigen, dan zal dat de kwaliteit van de besluitvorming uiteindelijk alleen maar ten goede komen.’
 
 

Speltheoretische modellen zijn zeer succesvol gebleken om de evolutie van samenwerking te begrijpen. Hieronder volgt het artikel Altruïsme uit eigenbelang van Sander van Doorn:

Een honingbij die een vijand steekt, offert zichzelf op om haar nestgenoten te verdedigen. Is dit een uitzondering op de regel dat evolutie leidt tot beter aangepaste individuen? Het antwoord komt van opgesloten criminelen, Hamiltons regel en ‘tit-for-tat’.
Na een lange carrière als criminelen zijn jij en je maat nu eindelijk opgepakt. Gisteren zijn jullie door een stel politieagenten gearresteerd op verdenking van handel in verdovende middelen. Tot overmaat van ramp brengen jullie vingerafdrukken je in verband met een onopgeloste woninginbraak die jullie een jaar geleden pleegden. Met zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel en één jaar voor woninginbraak, is dat alles bij elkaar genoeg om voor zeven jaar achter de tralies te verdwijnen. Toch kom je er, als je het slim speelt, misschien goed vanaf. Het bewijs dat de politie in handen heeft is flinterdun. Met een goede advocaat zal het jullie zeker lukken een veroordeling wegens handel in verdovende middelen te ontlopen. Dat weet de politie ook. Daarom hebben ze je gevraagd tegen je maat te getuigen. In ruil voor een belastende verklaring zul je niet worden vervolgd voor de woninginbraak. Wat doe je? Ga je hem verlinken of niet? En, minstens zo belangrijk, gaat hij jou verlinken of niet? Je kunt er namelijk vergif op innemen dat de politie je maat hetzelfde voorstel heeft gedaan.
Het gevangenendilemma als model voor altruïstisch gedrag
Wat is de beste keuze? Als de beide gevangenen zwijgen, gaan ze maar voor één jaar de cel in voor de woninginbraak. Als ze beiden praten worden ze allebei veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel. Zwijgen lijkt dus de beste en eerlijkste keuze vanuit het oogpunt van beide gevangenen samen. Maar kunnen ze elkaar wel vertrouwen?
   Dit dilemma is niet alleen interessant voor opgepakte criminelen, maar ook voor biologen die geïnteresseerd zijn in altruïstisch, of zelfopofferend gedrag. Altruïstisch gedrag komt voor in allerlei situaties. Een wilde hond gedraagt zich altruïstisch als hij zich fanatieker dan zijn groepsgenoten inzet bij de jacht op een gnoe: hij loopt daardoor zelf misschien een groter risico gewond te raken door de horens van de gnoe, maar verhoogt wel de kans dat de jacht voor de groep succesvol zal zijn. Ook een honingbij die een vijand van de kolonie steekt, gedraagt zich altruïstisch: zij offert door te steken haar eigen leven op, in het belang van de kolonie. En een vampiervleermuis gedraagt zich soms altruïstisch door voedsel te delen met een hongerige soortgenoot die het eens een nacht niet is gelukt een maaltje bloed te bemachtigen. Dat kan de redding betekenen van de hongerige vleermuis, maar het vergt wel een offer van het eigen voedsel.
   Uit de voorbeelden blijkt het al: altruïsten zijn individuen die de fitness van anderen in hun omgeving verhogen ten koste van hun eigen fitness. Die eigenschap maakt ze in veel opzichten vergelijkbaar met de gevangenen in het voorbeeld: zoals een altruïst de fitness van een ander kan verhogen ten koste van de eigen fitness, zo kan elk van de gevangenen de ander een langdurige gevangenisstraf besparen als hij tenminste bereid is daarvoor strafvermindering op te geven. Anders gezegd, als een gevangene ervoor kiest te zwijgen en de ander niet te verlinken, vertoont hij daarmee altruïstisch gedrag, net als de wilde hond die zich inzet voor de jacht, de honingbij die steekt, en de vampiervleermuis die bloed deelt. Net als de gevangenen, zijn ook de wilde honden, de bijen en de vampiervleermuizen als groep veel beter af wanneer elk individu zich altruïstisch gedraagt. Voor elk individu afzonderlijk is het tegelijkertijd aanlokkelijk om wel te profiteren van het altruïstische gedrag van anderen, maar zelf niets op te offeren voor het groepsbelang.
   De overeenkomst tussen biologische situaties waarin een individu zich wel of niet altruïstisch kan gedragen, en de situatie van de twee gevangenen is zo groot dat het dilemma van de gevangenen is uitgegroeid tot een standaardmodel voor altruïsme dat door vele biologen wordt bestudeerd. In de rest van dit artikel zullen we zien wat het gevangenendilemma ons kan leren over de algemene voors en tegens van altruïstisch gedrag en over de evolutie van altruïsme.
De beste keuze geeft de slechtste uitkomst
Wat zou er gebeuren, als de keuze om zich wel of niet altruïstisch te gedragen in het gevangenendilemma aan evolutie onderhevig zou zijn? Waarschijnlijk zou een gedrag ontstaan dat vergelijkbaar is met dat van een berekenende, egoïstische gevangene. Zo’n gevangene heeft alleen zijn eigen belang op het oog bij de beslissing of hij zijn maat zal verlinken of niet. Dat juist dit gedrag een voorspellende waarde heeft voor de uitkomst van evolutie, wordt verklaard doordat selectie ook werkt op verschillen in fitness tussen individuen, en niet op verschillen tussen groepen. Selectie is in die zin ook een ‘berekenend en egoïstisch’ proces.
   In een populatie waar erfelijke variatie bestaat in de neiging tot altruïstisch gedrag –sommige individuen zijn veel eerder geneigd zich voor de groep op te offeren dan anderen– zal uiteindelijk, onder invloed van natuurlijke selectie, alleen dat gedrag overblijven dat het individu zelf de hoogste fitness oplevert. De neiging tot altruïstisch gedag kan onder invloed van mutatie en selectie zolang veranderen totdat geen enkele nieuwe variant, die door mutatie zou kunnen ontstaan, een hogere fitness heeft dan de variant die al aanwezig is in de populatie. Het gedrag dat dan ontstaan is hoeft niet het gedrag te zijn dat de gemiddelde fitness van de groep maximaliseert. Sterker nog, in veel omstandigheden zal de keuze voor het eigen belang uiteindelijk voor elk individu in de groep nadelig uitpakken.
   Dit is zeker ook het geval in de situatie van de twee gevangenen. Als beide gevangenen alleen het eigen belang op het oog hebben, zullen ze ongetwijfeld beslissen mee te werken aan het voorstel van de politie. Immers, of de ander nu zwijgt of praat, elk van de gevangenen is zelf beter af als hij de ander verlinkt, want dat scheelt altijd één jaar gevangenisstraf voor de woninginbraak. Vanuit het oogpunt van elke gevangene afzonderlijk is praten dus een betere oplossing dan zwijgen. Maar als beide gevangenen op die manier redeneren, zullen ze beide praten, en zo beide veroordeeld worden tot zes jaar gevangenisstraf voor drugshandel. Dit is voor elk van beide een stuk nadeliger dan het ene jaar gevangenisstraf dat ze hadden moeten uitzitten als ze beide hadden gezwegen.
   Als we deze uitkomst van het gevangenendilemma doortrekken naar de biologie, moeten we tot de conclusie komen dat altruïsme niet zo snel zal kunnen ontstaan. Integendeel, het gevangenendilemma wekt juist de verwachting dat organismen zich juist niet altruïstisch zouden moeten gedragen, zelfs niet als dat gunstiger zou zijn voor het algemeen belang. We kunnen nu begrijpen waarom bijvoorbeeld bomen zo veel energie in hun stam investeren, terwijl ze met z’n allen ook minder hoog hadden kunnen groeien, en daarmee meer energie hadden kunnen besteden aan voortplanting. In de competitie om licht hebben bomen echter hun eigenbelang gevolgd, en daarmee hebben ze een kostbare wedloop in hoogtegroei ontketend.
   We kunnen nu ook begrijpen waarom we met ons allen onze huizen en inboedel moeten beveiligen en verzekeren tegen diefstal. We zouden met ons allen beter af zijn zonder sloten en verzekeringspremies, ware het niet dat we dan kwetsbaar zijn voor individuen die hun eigenbelang vooropstellen en een huis leegroven. Soortgelijke principes gaan op voor de exploitatie van prooidierpopulaties door roofdieren (denk ook aan overbevissing), voor de evolutie van zelfzuchtige genetische elementen, en eigenlijk voor al die situaties waarin het makkelijk is te bedenken hoe de wereld kan worden verbeterd zolang iedereen zijn gedrag maar zou veranderen.
Wanneer wél altruïsme?
Het gevangenen-dilemma stelt ons in staat te begrijpen waarom individuen zich vaak niet altruïstisch gedragen, en waarom eigenbelang vaak niet leidt tot een oplossing die optimaal is vanuit het oogpunt van alle individuen samen. Toch laten de voorbeelden van de wilde hond, de honingbij en de vampiervleermuis zien dat altruïstisch gedrag wel degelijk is ontstaan in sommige soorten. Hoe is dit mogelijk? Onder welke omstandigheden kan altruïstisch gedrag wel evolueren?
   Het antwoord op die vragen is niet alleen belangrijk voor ons begrip van al die soorten waar we wél altruïstisch gedrag waarnemen. Er is ook een fundamenteler belang. Altruïsme lijkt een drijvende kracht achter belangrijke evolutionaire overgangen, zoals de overgang tussen eencellige en meercellige organismen. Bij die overgang is een taakverdeling tussen cellen ontstaan, waarbij sommige cellen hun mogelijkheid tot reproductie hebben opgeven ten gunste van andere cellen – een waarlijk altruïstische daad!
   Veel onderzoek naar altruïstisch gedrag richt zich op twee factoren die onmisbaar lijken bij de evolutie van altruïsme: verwantschap en sociale structuur. Verwantschap is belangrijk, omdat het gedrag van verwanten lijkt op dat van jezelf: als je jezelf goed gedraagt, is de kans groot dat je goede gedrag aan je wordt terugbetaald door je familie. Sociale structuur is belangrijk, omdat je niet straffeloos lelijk kunt doen tegen individuen die je later nog eens tegen komt: als je jezelf goed gedraagt, pluk je daar misschien in de toekomst de vruchten van.
De zegeningen van een goed nest
Om de effecten van verwantschap op de evolutie van altruïsme te onderzoeken nemen we opnieuw het gevangenendilemma als uitgangspunt. We hebben gezien dat de oplossing van het gevangenendilemma eenvoudig is als beide gevangenen niet verwant zijn. De meest verstandige strategie is dan ‘altijd praten’, oftewel, ‘nooit zwijgen’. Waarom zou dit anders zijn als de gevangenen verwant zijn? Een mogelijk effect van verwantschap dat de uitkomst zou kunnen beïnvloeden, is dat verwanten op elkaar lijken. Die gelijkenis kan zijn ontstaan door gemeenschappelijke ervaringen (zoals een zelfde opvoeding), of doordat verwanten voor een deel hetzelfde erfelijk materiaal bezitten.
   Laten we ons eerst eens concentreren op een extreem geval. Stel je voor dat je in de gevangenis zit samen met je eeneiige tweelingbroer, en dat de keuze of je meewerkt met de politie volledig bepaald wordt door je genen. In dat geval weet je absoluut zeker dat, als jij zwijgt, je tweelingbroer ook zal zwijgen, en als jij praat, je tweelingbroer dat ook zal doen. Immers, jij en je tweelingbroer zijn genetisch identiek, en jullie keuze in het gevangenendilemma zal dus ook identiek zijn. Het gevangenendilemma heeft nu maar twee mogelijke uitkomsten. Als je zwijgt gaan jullie allebei één jaar de cel in; als je praat, krijgen jullie beide zes jaar gevangenisstraf. Het zal duidelijk zijn dat ‘zwijgen’ in dit geval de beste strategie is, en niet ‘praten’, zoals eerder.
   Hier zie je hoezeer verwantschap de voordelen van altruïstisch gedrag kan vergroten. Als individuen vooral optrekken met hun verwanten, zijn altruïsten opeens in het voordeel! Dat komt omdat altruïstische individuen uit altruïstische families komen. In die families is het goed toeven, want iedereen staat steeds met hulp klaar.
   Het bovenstaande voorbeeld is wat bijzonder, omdat eeneiige tweelingbroers voor honderd procent genetisch identiek zijn. Omdat het gedrag in het voorbeeld ook voor honderd procent door de genen wordt bepaald, is het absoluut zeker dat de keuzen van beide gevangenen overeen zullen komen. Als de gevangenen wel verwant zijn, maar geen eeneiige tweelingbroers, dan bestaat er slechts een kans dat ze beide identieke genen voor altruïstisch gedrag bezitten.
   Dat is belangrijk, want een altruïstisch individu kan dan niet langer met absolute zekerheid voorspellen of zijn familielid zich ook altruïstisch zal gedragen of niet. Iemand, die samen met zijn vader in de cel is beland, heeft bijvoorbeeld maar 50% kans dat zijn vader zich zal gedragen zoals hij. Immers, het erfelijk materiaal dat de keuze in het gevangenendilemma bepaalt kan zijn geërfd van de vader (in dat geval zullen vader en zoon zich identiek gedragen), maar ook van de moeder (in dat geval is het gedrag van de vader onvoorspelbaar, zoals bij een onverwante medegevangene).
   Of het in zo’n onzekere situatie nog steeds loont jezelf op te offeren voor je familielid, hangt af van drie factoren: 1) de verwantschapsgraad r tussen jou en je familielid, oftewel de kans dat jullie hetzelfde erfelijk materiaal van jullie gemeenschappelijke voorouders hebben geërfd, 2) de kosten s van het altruïstisch gedrag, en 3) de voordelen S voor je familielid. Wie het precies uitrekent, zal vinden dat altruïsme alleen kan evolueren als
s < r . S
In het getalvoorbeeld dat we tot nu toe gebruikten is s gelijk aan één jaar (de straf voor de woninginbraak), en S is gelijk aan zes jaar (de straf voor de drugshandel). Met die waarden kan altruïsme zichzelf pas terugbetalen zodra r > 1/6 . Met andere woorden, de gevangene moet zijn maat alleen beschermen als de verwantschapgraad tussen beiden groot genoeg is.
   De bioloog W. D. Hamilton heeft laten zien dat dit principe vaker opgaat. Altruïsme kan slechts evolueren als
DE KOSTEN VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JOU kleiner zijn dan DE VERWANTSCHAPGRAAD maal HET VOORDEEL VAN HET ALTRUISTISCH GEDRAG VOOR JE FAMILIELID
Deze formulering zegt in woorden precies hetzelfde als de bovenstaande wiskundige formule. Dit resultaat staat bekend als ‘Hamiltons regel’.
   Hamiltons regel kan verklaren waarom mieren, bijen en wespen zo vaak bijzondere samenwerkingsverbanden hebben ontwikkeld (denk aan mierennesten en sociale bijenkolonies). Deze insecten hebben een bijzonder genetisch systeem (vrouwtjes ontstaan uit bevruchte eieren, mannetjes uit onbevruchte eieren), wat ervoor zorgt dat de verwantschapsgraad tussen zussen hoger is dan normaal. Vanwege hun grote verwantschap zullen vrouwtjesbijen, –wespen en –mieren eerder geneigd zijn zich in te zetten voor een gezamenlijk doel, en dat heeft zich vertaald naar de evolutie van complexe samenlevingsvormen.
Wraak is zoet
In het geval van de twee gevangenen is het misschien niet zo waarschijnlijk, maar toch –stel je eens voor dat beide gevangenen er vanuit kunnen gaan dat ze ergens in de toekomst opnieuw in dezelfde situatie zullen belanden. Zou dit vooruitzicht misschien hun keuze op dit moment kunnen beïnvloeden? Waarschijnlijk zouden ze minder snel bereid zijn mee te werken met de politie. Als één van beiden z’n maat nu verlinkt, weet hij namelijk wel zeker dat z’n maat hem de volgende keer dat ze worden opgepakt, niet zal beschermen. Hij kan dus nu beter één jaar de cel in, om te voorkomen dat hij de volgende keer tot vijf jaar cel wordt veroordeeld.
   Dat deze redenering inderdaad leidt tot de meest rationele beslissing, is vast komen te staan na een origineel experiment uit de beginjaren van het computertijdperk. Robert Axelrod, een wetenschapper geïnteresseerd in politieke processen, was op het idee gekomen een toernooi te organiseren rond het gevangenendilemma. Hij vroeg gezaghebbende wiskundigen, economen en psychologen computerprogramma’s te bedenken die mee konden doen in het toernooi. Elk programma zou een serie gevangenendilemma’s moeten spelen tegen een ander programma. Het programma moest dus herhaaldelijk kiezen tussen zwijgen of praten, en mocht daarbij gebruik maken van de uitkomsten van de vorige dilemma’s in de serie. In het toernooi liet Axelrod elk ingediend programma spelen tegen alle andere, en hield de score bij. Het winnende programma bleek te zijn ingediend door Anatol Rapoport, een hoogleraar psychologie uit Toronto.
   De strategie van Rapoports programma is beroemd geworden onder de naam ‘tit-for-tat’. Tit-for-tat is briljant in zijn eenvoud: begin met zwijgen, en doe de volgende keren wat je tegenstander de vorige keer deed. Een tegenstander die ‘tit-for-tat’ speelt, zal steeds met je samen werken tot op het moment dat jij hem besluit te verlinken. Pas als jij je weer altruïstisch gedraagt, zal de ander bereid zijn opnieuw met je samen te werken. ‘Tit-for-tat’ begint coöperatief, maar steeds is op de achtergrond de dreiging van wraak aanwezig. Zolang de nadelige gevolgen van die wraak in de toekomst groter zijn dan het gewin dat je nu kunt behalen, loont het om altruïstisch te zijn.
   De vampiervleermuizen die we eerder tegenkwamen, gedragen zich op een manier die veel wegheeft van ‘tit-for-tat’. Elke vleermuis heeft een vaste slaapplaats, en dus ook vaste buren. Als een vleermuis eens een keer weigert voedsel te delen met een ander, is die ander ook minder geneigd bloed af te staan als de rollen eens zijn omgedraaid. Blijkbaar is een vampiervleermuis prima in staat bij te houden wie hem wel en wie hem niet in het verleden heeft geholpen.
Onzelfzuchtigheid of eigenbelang?
Bij elke evolutiebiologische verklaring van altruïsme zien we dat uiteindelijk zelfopofferend gedrag is terug te voeren op een weloverwogen afweging van de eigen belangen. Bij Hamiltons regel zien we dit terug in het belang van de verwantschapsgraad, als graadmeter voor de kans dat een altruïstische daad zal worden terugbetaald door je familielid. Bij ‘tit-for-tat’ is elk individu geneigd tot samenwerking om daarmee vergelding wegens zelfzuchtigheid te ontlopen. Maar, als het eigenbelang altijd op de achtergrond meespeelt, betekent dit dan niet dat altruïsme, in de zin van ware zelfopoffering, eigenlijk niet bestaat? Het antwoord op die vraag ligt buiten de evolutiebiologie. Wat hier is besproken laat alleen zien dat zelfs absolute egoïsten onder de juiste omstandigheden zullen besluiten tot zelfopoffering. Of het verhaal daarmee ophoudt, is stof voor persoonlijke overdenking.  
Onder fitness verstaat men de mate van geschiktheid van een organische structuur om de erfelijke eigenschappen door te kunnen geven aan een volgende generatie. Wetenschappelijke omschrijving: het relatieve, concurrerende vermogen tot voortplanting van een bepaald genotype in relatie tot adaptieve fysiologische, gedrags-ecologische en adaptieve morfologische karakteristieken, uitgedrukt en gekwantificeerd als het gemiddelde aantal overlevende nakomelingen van één genotype vergeleken met dat van een concurrerend genotype; een maat voor de bijdrage van een bepaald genotype aan achtereenvolgende generaties in relatie tot een ander genotype. (Onderzoek naar fitness-componenten speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de inzet van natuurlijke vijanden bij biologische bestrijding van plaaginsecten in de land- en tuinbouw en bij het inzetten van gewasbestuivers, bijvoorbeeld sluipwespen, Praon soorten en de aardhommel, Bombus terrestris).

 

El Instituto 14    SCHOKBEHANDELING

 

Peru is afgelopen woensdag getroffen door een zware aardbeving met een kracht van 7.8 op de schaal van Richter. Dat meldt de Amerikaanse geologische dienst USGS. Het epicentrum van de beving lag ten noorden van Lima nabij het dunbevolkte natuurreservaat Pacaya-Samiria. De schok werd honderden kilometers verderop gevoeld, onder meer in Ecuador en het noorden van Chili. In heel Peru werden nog geruime tijd naschokken geregistreerd.

   Over het aantal slachtoffers tast men nog in het duister. De materiele schade is enorm.

 

Als Erik zijn ogen opslaat wordt hij gegrepen door een vlaag van paniek. Hij ziet geen hand voor ogen wat hij onmiddellijk in verband brengt met de doffe pijn in zijn hoofd. Zijn gezicht voelt plakkerig aan en met zijn vingers voelt hij dat zijn bril is verdwenen. De gedachte dat hij zich daarover in zijn blindheid zorgen zou maken, verdrijft zijn paniekgevoel, bezorgt hem zelfs een korte lachstuip.

   Hij ligt op zijn rug. Een hoekige obstakel dwingt hem om zijn gewicht te verplaatsen. Wat tot zijn opluchting lukt. Hij zit gelukkig niet bekneld. Maar opstaan is geen optie, met een gestrekte arm kan hij het plafond aanraken. Is dat naar beneden gekomen of is hij omhoog geworpen?

   Plotseling schrikt hij wakker, zonder dat er veel veranderd is. Hij zal even zijn weggezakt maar hij heeft geen idee hoe lang. De klap op zijn hoofd moet flink zijn aangekomen, het liefst zou hij zich omdraaien en verder slapen. Hij wil de daad bij de gedachte voegen maar merkt dat de harde grond bezaaid is met gruis. Niet bepaald een plek waar je jezelf lekker neervlijt. Bovendien hoort hij een vaag gegrom.

   Hij draait zich op zijn buik om na te gaan hoeveel bewegingsruimte hij eigenlijk heeft. Als hij zijn hoofd opheft in de richting van het geluid ziet hij in de verte een uiterst zwak schijnsel. Het gegrom is verstomd en nu hoort hij een zwak maar doordringend gefluister. Kennelijk is daar zojuist iemand tot bewustzijn gekomen die zich nu ook afvraagt wat er gebeurd is. Hij tijgert in de richting van het vage schijnsel waar het gefluister, dat inmiddels wordt afgewisseld met gekreun, vandaan lijkt te komen.

   Tot zijn opluchting komt hij redelijk vooruit. Af en toe moet hij langs obstakels of ergens onderdoor kruipen. Bij de aanraking van zo’n hindernis hoort hij plotseling iets verzakken. Onmiddellijk is hij op zijn hoede. Beter nergens tegenaan stoten. Moeizaam schuifelt hij over hobbels waarop hij nauwelijks durft te steunen. Ingespannen kruipt hij door openingen die maar weinig ruimte laten. En dat alles op de tast. In het pikkedonker.

   Toch twijfelt hij geen moment aan de goede afloop. Het komt niet bij hem op dat er misschien geen uitweg is. Totdat hij merkt dat de gang waarin hij zich bevindt steeds nauwer wordt. Alleen door te wrikken komt hij er door. Maar dan stoot hij zijn hoofd keihard tegen een soort versperring. Het schijnsel is verdwenen. Hij hoort een ingehouden verwensing, “…domme!” maar beseft dat die van hemzelf afkomstig is.

   “Is daar iemnd?”

   Een kreukelige stem klinkt uit de richting waar hij daarnet het schijnsel nog gezien had.

  “Kzit vast.”

   Hij weet niet goed of het zijn eigen stem is of die van de ander. Hij voelt zich nu net zo opgesloten als degene die verderop in de duisternis beklemd zit. Hij durft zich niet meer te bewegen.

  Achterin de ruimte die vermoedelijk een kelder van het verwoeste museum is geweest, klinkt het doffe gerommel van vallende stenen en dichterbij hoort hij iets kraken. Eindelijk dringt het tot hem door dat zijn situatie tamelijk precair is. Als hij hieruit wil komen moet hij bewegen en als hij beweegt stoot hij wellicht iets om in deze duisternis. Zijn ingebakken optimisme voorziet de mogelijkheid om te ontsnappen maar uit drang om te overleven weigert zijn lichaam dienst. Dit was nog eens wat anders dan ‘het dilemma van de gevangene’, hoewel hij zich lelijk opgesloten voelt.

   Merkwaardigerwijs ondergaat hij zijn beklemming lijdzaam. In gedachte beleeft hij een vergelijkbare sensatie met die hij had in het vliegtuig onderweg naar deze fatale bestemming. Zijn vlucht werd getroffen door hevige turbulenties. Ook toen bekroop hem de ziekmakende sensatie dat zijn laatste uur geslagen had. En zoals altijd besefte hij achteraf dat het niet meer dan een storm in een glas water was geweest.

   Achteraf is makkelijk praten. Maar wat als er geen achteraf is?

   Onwillekeurig moet hij denken aan die keer dat hij zichzelf had ingesloten. Was het vakantie geweest? Tijdens het kamp had hij ’s nachts zo nodig gemoeten dat hij in het donker de eerste de beste deur had geopend om in een hoekje zijn blaas te legen. De deur was echter uit zichzelf dichtgevallen en hij kreeg hem met geen mogelijkheid meer open. Uit schaamte durfde hij niet te roepen. Uren later werd zijn eenzame opsluiting in de bezemkast opgeheven door een ijverige schoonmaker die de urinelucht weet aan ongewassen dweilen. Die traumatische herinnering verschaft hem desondanks moed, want niemand had hem werkelijk gemist en hij had zelfs nog kunnen aanschuiven voor het ontbijt. Achteraf was alles geweest zoals altijd en dat zou nu niet anders zijn. Toch?

   Wie of wat zich in de duisternis bevindt hervat ritselend enig teken van leven.

  “De boel is hier behoorlijk in elkaar gedonderd. Ik kan geen kant meer uit.”

   Het verbaast hem dat hij hier, aan de andere kant van de wereld, zijn eigen taal hoort mompelen. Dat kan maar één ding betekenen.

   “Bolt? Ben jij dat?”

   Het geritsel  is overgegaan in hees gefluister.

   “Ik weet niet wat ik doen moet. Proberen mezelf te bevrijden met de kans dat alles instort. Of wachten totdat iemand me hier uithaalt. Maar dan is het misschien te laat.”

   “Beweeg je niet. Ik kom naar je toe.”

  Met een omtrekkende beweging lukt het hem om langs de versperring te kruipen. Het is niet meer absoluut donker. Ergens komt een vaag schijnsel vandaan. Uiterst behoedzaam beweegt hij zich tussen de puinhopen door in de richting vanwaar hij meent voor het laatst Bolts gefluister te hebben gehoord. Dan ziet hij dat het zwakke licht afkomstig is van de wijzerplaat van zijn eigen horloge. Zijn gevoel voor richting is hij nu ook kwijt. Kwart over drie. Maar is dat mét of zonder tijdverschil? Ik weet het niet meer.

   “Waar ben je?”

   Vertwijfeld luistert hij of hij iets hoort. In de verte klinkt een onbestemd gestommel. Ergens lijkt water te stromen, een zangerig suizen en een rommelig geklots. Gebroken riolering? Ik ruik gelukkig niks. Maar geen stem, geen gefluister, geen zucht.

   “Ben je daar nog?”

   Niets.

   Hij houdt zijn arm op en laat het zwakke horlogelicht rondgaan. De reikwijdte is niet groot. Hij kan niet meer dan wat schemerige contouren onderscheiden. Ongelijk lopende balken wijzen op een instorting die de doorgang onmogelijk maakt.

   Hij draait zich op zijn rug maar wat hij boven zich ziet biedt geen soelaas. Hij huivert. Alleen aan één kant is een opening, ongeveer een halve meter boven hem. Als hij daar doorheen wil, zal hij zich moeten optrekken. En steun zoeken. En hopen dat er niets verschuift. De gedachte alleen al verlamt hem. Hij staart in het donker en blijft besluiteloos liggen.

   Ik moet daar doorheen. Als ik hier niet uitkom is het afgelopen. Hoe dan ook.

   Als kind heeft hij wel eens gebeden. Een vriendje had hem verteld hoe dat ging. Dat je je handen vouwt en je ogen dichtdoet en dan de Heer dankt voor je ‘dagelijks brood’ of vraagt om goed voor je ouders te zorgen. Voor je slapen gaat. Na een tijdje was hij ermee opgehouden. Zomaar.

   Ook nu bidt hij niet. Het komt niet eens bij hem op. Het idee om je lot te verbinden aan een zinsbegoocheling heeft hij al lang geleden afgezworen.

  Terwijl hij zich opduwt om over de balk te klauteren, beseft hij dat hij alleen maar kan hópen op een goede afloop, dat hij geen idee heeft hoe hij zijn gewicht moet verdelen of dat er zoiets als een beschermengel zou kunnen bestaan en dat dat er nu niet meer toe doet nu hij zelf het heft in handen neemt. Hij ‘valt’ door het gat.

   Er stort niets in. Het is gelukt.

   In het zwakke licht van zijn horloge doemen geen obstakels op. Hij kan verder. Even voelt hij een steek van opluchting, de euforie van een adrenalinestoot. Ik ga hier uitkomen!

   Maar dan hoort hij het gefluister weer. Uit de richting vanwaar hij gekomen is. Waar hij voor geen goud naar terug wil.

   “Ik weet dat je gek was op Mandy.”

   Een rilling gaat door hem heen. Het is waar, maar waarom zou dat er nú iets toe doen? In de duistere krochten van deze onderwereld komen spoken tevoorschijn die er niet horen te zijn. Toch?

   “Ik had me er niet mee moeten bemoeien. Ojé..”

   Een harde tik smoort de stem.

   “Hou je stil.”

   Hij weet niet wat hij verder zeggen moet. Helpen kan niet. Moed inspreken? Waarom iets beloven dat hij toch niet waar kan maken?

  Dan vervolgt de stem prevelend maar duidelijk verstaanbaar:

   “Ze is meegegaan naar Barbados …

   Ze was altijd op zoek naar iets …

   Ze had bij je moeten blijven …

  Ik heb haar vermoord.”

   De stem zwijgt. Een hele tijd blijft Erik gespannen luisteren, maar het gefluister komt niet terug. Hij begint zich zelfs af te vragen of het allemaal in zijn hoofd gebeurt. Maar dat kan toch niet? Hoe kan ik mij zoiets inbeelden?

   Het is benauwd geworden in de donkere ruimte. De grond voelt hier vochtig aan. Hij hoort iets schuren maar het klinkt niet naar een verzakking, meer een soort verschuiven. Hij schijnt met zijn horloge in de richting van het geluid en vangt een glimp op van iets dat kronkelend achter een balk verdwijnt. Getver, een slang. Wat moet hij doen, stil blijven liggen of verder gaan? Terug ga ik in geen geval.

   Hij besluit dat het geen zin heeft om te blijven wachten. Waarop zou ik moeten wachten? Totdat het gefluister weer begint? Totdat iets engs me hier gevonden heeft? Totdat de boel helemaal instort?

   Langzaam schuift hij over de grond. Er ligt hier minder puin dan waar hij eerst was. Hij voelt om zich heen meer ruimte. Maar dan stoot hij weer ergens tegenaan. Het is of hij blindemannetje speelt in een apenkooi. Alleen dít is bloedserieus. Hij moet ineens weer aan zijn kindertijd denken.

   Waarom kan het mij niet schelen dat ik ben geadopteerd? Het interesseert me niet wie mijn biologische ouders waren. Is dat niet gek?

   Barbados?

   Hij schrikt op als een dreunend geraas de grond doet trillen. Het is niet duidelijk of het een naschok is of iets anders. Een tijd lang blijft hij stil liggen, maar er volgt niets meer.

   Als er al een plaats is om de grond van zijn bestaan te overdenken, is het hier. Maar hij moet verder. Hij moet hier zo snel mogelijk vandaan. Vastberaden zet hij zijn verstand op nul en vervolgt verbeten scharrelend en stotend zijn zoektocht naar een uitweg uit de warboel waarin hij zich bevindt. Optimistisch als hij is, weet hij dat er ook aan deze duisternis een eind zal komen.

 

Het is nog niet voorbij. De urenlange kruip-door-sluip-door, het eindeloze wachten, precies weten hoe laat het is zonder te weten waar ter wereld dat zou gelden, wat kan hem dat eigenlijk schelen, maar het irriteert hem mateloos. De beurtelingse onverschilligheid en doodsangst en dromen van verdrongen spoken, hij beleeft het allemaal opnieuw tussen de gesteven lakens van het staatshospitaal in Lima.

   Totdat hij zich eindelijk na twee dagen weer een beetje uitgerust voelt. Zijn kwetsuren zijn oppervlakkig, wat schrammen en blauwe plekken. Alleen een hoofdwond baart wat zorgen, maar die krijgt hij volop sinds hij als enige overlevende onder het puin vandaan gekomen is.

   Niemand weet zijn naam precies en hijzelf kennelijk ook niet.

   “Erik Bolt?” Vragend kijkt hij naar de Aymaraanse zuster die zijn hoofd verbindt. Ze knikt hem vriendelijk toe en toetst iets in op een tablet. Hij ziet dat zijn eigen iPhone op het kastje naast het bed ligt. Die hebben ze zeker uit mijn zak gehaald. Dat brengt hem op het idee om naar huis te bellen. Het Instituut. Hij toetst een nummer in en wacht.

   “Moontrap …?”

   “Hazepad! Wot in de neem …?”


 

Op het moment dat Margarita met de Southern Pacific Arizona binnenreed, barstte er een hevig onweer los. De bliksemschichten waren zo talrijk dat ze de olielamp in de coupé dimde om huiverend het natuurgeweld in al zijn ontzaggelijkheid te ondergaan. Haar vader had voldoende middelen beschikbaar gesteld om zich geen zorgen te hoeven maken. Hij had een paar invloedrijke kennissen gevraagd er op toe te zien dat ze in haar missie zou slagen. Alleen Charles Flint had hij niet te pakken gekregen.

   Het telegram uit New York lag nog opengevouwen op de bank naast haar. Ze had, na een paar vergeefse pogingen om Charles te bereiken, een bericht gestuurd naar de handelsonderneming waar hij werkte toen ze hem leerde kennen. Het telegram dat ze daarna had ontvangen was ondertekend door een zekere Louis Schaefer, medewerker bij Grace Brothers. Hij zou haar van de trein halen en naar het hotel brengen waar Flint logeerde.

   Regelmatig werd het voorbijglijdende landschap door de bliksem gefixeerd tot een levensechte daguerreotypie en het daaropvolgende gerommel overstemde het gebonk van de ijzeren wielen. Een beetje naïef fantaseerde Margarita hoe binnenkort die elektriciteit uit de lucht zou worden geplukt om het menselijk geluksgevoel te stimuleren. Behaaglijk leunde ze achterover en liet zich dooreen husselen op het ritme van het stampende rijtuig. Zo’n soort uitvinding opsporen en benutten was haar Charles op het lijf geschreven.

   Wel een beetje sneu dat haar Moderne Prometheus alleen in haar verbeelding bestond. Het weerzien met Flint zou op een teleurstelling uitlopen.

 

Schaefer stond haar op het perron op te wachten toen ze uit de trein stapte. Ze had er geen idee van hoe hij eruit zou zien maar nadat de meeste reizigers het platform verlaten hadden, stapte hij, gekleed in de schreeuwerige Amerikaanse outfit van de geslaagde zakenman, op haar toe, sigaar tussen de tanden en hoed in de hand, en noemde grijnzend zijn naam. Ze voelde meteen mededogen (zoals de moederkloek mededogen voelt voor het weeskind) en ze liet zich gewillig naar zijn Duryea-automobiel (met elektromotor) leiden. Dat was nog eens wat anders dan de koetsjes waaraan ze gewend was!

   De soepele vering en zoemende motor ervaarde ze als een droom.

   “Valt een beetje tegen, hè? Na die opwindende treinreizen is dit soort verkeer nogal slaapverwekkend,” knipoogde Louis.

   Maar de gewaagde insinuatie ging aan haar voorbij. Ze werd volledig in beslag genomen door deze fantastische nieuwe wereld. Het kwam haar voor of ze in een tijdmachine waren gestapt en door het land van de toekomst reden. Overal zag ze reclameborden met futuristische aanprijzingen van elektrisch aangedreven huishoud comfort. Dit was het land van melk en honing!

  Louis pochte dat het Amerikaanse bureau voor patenten wel kon worden opgeheven. Na de fotografie, de gloeilamp en de telegrafie viel er immers niets meer uit te vinden. Toch?

   Een enorm hoofd sprak via een ballontekst over de ongekende toekomst die geopenbaard werd op een internationale expositie en ze had het visioen van een blije menigte deinend op de onhoorbare maat van een muzikale godheid.

   In deze wereld is alles groter dan … Meer dan … oh, hier wordt de toekomst gemaakt!

   Overrompeld door de lonkende welvaart had ze de neiging om Louis gelijk te geven. Tegelijkertijd vermoedde ze verhit dat er nog grootse dingen te gebeuren stonden. Reden te meer om haar voornemen om een soort broederschap van vermogenden op te richten snel te verwezenlijken, om gestalte te gaan geven aan een revival van verlichte vrijmetselaars in dit ‘land van hope en glory’.

   Met steun van haar vader had ze de Masoneria in Lima nieuw leven ingeblazen. Verscheidene bankiers en grootondernemers hadden ermee ingestemd om een broederband te vormen onder de naam El Instituto para la promoción de la dignidad humana a través de la intelectuel y moral, kortweg ‘Het Instituut’. Haar oorspronkelijke bedoeling was geweest om een financieel stuwmeer te ontwikkelen van waaruit men de gehele mensheid zou kunnen laven met voorspoed en geluk. De investeerders spraken liever over een onbaatzuchtig streven om iedereen (inclusief zichzelf) naar een hoger plan beschaving te tillen. Ze waren het erover eens dat daar heel wat wetenschappelijk onderzoek voor nodig zou zijn. En veel geld, natuurlijk. Hoe meer, hoe liever.

 

Uit de foyer van het hotel weerklonken gekscherende stemmen en instemmend gelach. Tegen het plafond hingen wolken sigarenrook die voornamelijk afkomstig waren van een gezelschap maatkostuums waarvan het zakelijk succes viel af te lezen. Charles Flint was één van hen.

   Toen Louis Schaefer haar de zaal binnenleidde, verstomde het gezelschap. Flint stond onmiddellijk op, liep glimlachend op haar toe en legde zijn handen stevig op haar schouders.

   “Je hebt een eigen kamer in dit hotel maar vannacht slaap je bij mij.”

   Louis was ondertussen naar de hoek gelopen waar de meeste mannen zich gereed maakten om te vertrekken. Niemand had iets gemerkt van Charles’ vrijpostigheid en Margarita liet niets van haar gêne blijken.

   “Dat gaat je goed af, die directheid. Nog bedankt voor je uitnodiging, maar niet heus.”

   Nadat hij destijds uit Lima was vertrokken had hij haar één briefje gestuurd met de mededeling dat hij zijn herinnering aan haar en haar intenties zou koesteren. Daarna niets.

   “Ik ben wie ik ben, ik zeg wat ik wil en ik doe wat ik zeg.”

   Terwijl hij haar ernstig aankeek trok hij een cheque uit zijn binnenzak en overhandigde die aan haar. Een korte blik op het bedrag deed haar hart sneller kloppen maar ze liet niets merken van haar verrukking. Een ogenblik had ze een visioen van een zwarte lap die uit de lucht viel, maar dat was even snel weer over.

   “Ik ga me even opfrissen. Wat is je kamernummer?”

Terwijl ze zich van Charles afwende om de trap op te gaan zag ze vanuit haar ooghoeken Louis en het grootste deel van het gezelschap naar de uitgang lopen. Hij stak zijn hand op bij wijze van groet. Ze knikte dankbaar.

 

Tussen de zijden lakens in Charles’ vorstelijke suite was Margarita even wakker geworden na de zoete bijslaap. Ze voelde Charles’ strelende vingers en kussende lippen nog op haar misvormde handen en getrimde schaamzone. Grenzeloze kaalslag door houtwinning of de aanleg van spoorwegen waren Flint niet vreemd, maar de ontbossing van haar venusheuvel had een spontane zaadlozing opgewekt. Haar lichaam was nog plakkerig. Met gesloten ogen zakte ze weer weg in de weldadige roes na het vervulde verlangen.

   Toen ze kort daarna opnieuw ontwaakte draaide ze zich naar hem om. Ze had gedroomd hoe hij haar weer wilde bezitten en voelde een vurige behoefte om hem te bevredigen.

   Maar zijn plek was leeg.

   Waar zijn zinnenprikkelende atletische lijf tussen de lakens had gelegen, waren deze teruggeslagen. De enige sporen van zijn recente aanwezigheid waren – afgezien van de overvloedige hoeveelheid sperma – zijn lichaamsafdruk in de matras en een envelop op het kussen. Het waren nu de stille getuigen van haar onweerstaanbare opwelling om over te geven. Ze hield het niet binnen.

   Nadat ze zo goed en zo kwaad als het ging zichzelf en het bed had verschoond, las ze de brief. Even nog had ze gehoopt op een toegewijde liefdesverklaring, maar de luttele regels lieten weinig ruimte voor twijfel. Charles Flint was een zakenman. Een man van transacties en speculaties. Met weinig woorden had hij haar op de hoogte gesteld van zijn zakelijke prioriteiten. Hij zou voorlopig geen kans zien om haar gezelschap te houden. Maar hij had het volste vertrouwen in haar. Haar missie zou zeker slagen.

   Ontgoocheld had Margarita beseft dat ze hem kwijt was. Dat hij haar überhaupt nooit had toebehoord. Ze had zichzelf maar wat wijsgemaakt. Het was allemaal een romantische illusie geweest. Haar opdracht, de opdracht die ze zichzelf had gesteld, was van een heel andere aard. Die was juist uitermate onzelfzuchtig.

 

De dagen en weken daarna hadden de succesvolle ontmoetingen met kapitaalkrachtige investeerders en Amerikaanse vertegenwoordigers van El Instituto  haar maar weinig voldoening geschonken. Ondanks de verwezenlijking van het visioen dat ze ooit op het strand van Isla San Lorenzo had gehad. Ondanks de herinnering aan de genotvolle omstrengeling door een van de machtigste mannen ter wereld (of misschien wel juist daardoor).

   Afwezig bekeek ze het beeldje dat hij haar gegeven had. Het deed haar denken aan Diana, de jachtgodin, die, zichzelf omarmend als ware ze haar eigen prooi, klaarstond voor de afsprong naar een belofteloze toekomst. Allemaal projectie natuurlijk. Het beurde haar niet op.

   Louis zocht haar regelmatig op om haar mee te nemen naar moderne evenementen, zoals bijvoorbeeld de expositie van rijwielen en een soort huishoudbeurs. Maar wat hij vroeger neerbuigend wel als haar kinderlijke opgetogenheid had bestempeld, miste hij nu erbarmelijk. Ze reageerde hooguit wat vlak op alleen de meest vooruitstrevende vindingen en voor de rest volharde ze in een mat soort onverschilligheid. Louis Schaefer trok zich haar lot persoonlijk aan.

   Hij vond haar somber en maakte zich zorgen. Hij probeerde Flint te bereiken maar die zat in Zuid Amerika. Hij wendde zich tot zijn collega’s maar die haalden hun schouders op. Ze was toch niet hun tante uit Peru. Hij zette haar op de trein naar de net geopende wereldtentoonstelling. Als een blik op de geëxposeerde toekomst haar niet zou opbeuren, dan zou ze zeker opgewekt raken in het schokkende rijtuig, meende Louis overtuigd. Maar bij haar terugkomst toonde ze geen enkele blijk van toegenomen levenslust. Ze bleef futloos en gedeprimeerd.

   Uiteindelijk besloot hij een specialist te raadplegen: dokter Zielsrust, de neuroloog.

   Silas Zielsrust had zijn (bij)naam te danken aan het succes van zijn behandeling. Hij gebruikte elektriciteit. Depressieve stemmingen waren volgens hem het gevolg van een soort ’bankroet van het zenuwstelsel’. De hersenen beschouwde hij als een menselijke accu die soms moest worden opgeladen om het psychologisch functioneren te herstellen. Een lege batterij – het ziektebeeld werd neurasthenie genoemd – kon met behulp van de shocktherapie weer gevuld worden.*

   Onder het mom van nog weer een elektrische noviteit troonde Scheafer zijn beschermelinge mee voor een bezoek aan de kliniek van de wonderdokter. In gezelschap van een staflid leidde Louis haar, in zijn rol als gids, langs een verzameling tentoongestelde massage apparaten. De arts nodigde haar uit om plaats te nemen op één ervan en in de gauwigheid zag ze op een bordje aan de muur dat het ging om een pulseermachine (Granville’s Hammer). De dokter vroeg haar de metalen staven met haar klauwtjes te omklemmen en schakelde het apparaat in.

   Een aangename sensatie doorvoer Margarita’s lichaam en toen Louis na korte tijd een vage glimlach op haar gezicht zag verschijnen, besefte hij dat zijn besluit om de kliniek te bezoeken een schot in de roos was geweest. Opgelucht droeg hij de zorg voor Margarita over aan de kliniek en nam afscheid. Lang genoeg was hij uit plichtsbesef haar chaperon gebleven. De hoogste tijd om zijn oude bezigheden in New York te hervatten.

   Kort nadat Schaefer was vertrokken kwam dokter Zielsrust door de gang aangelopen. Hij had begrepen dat een nieuwe patiënte aan zijn zorg was toevertrouwd en hij glimlachte haar vriendelijk toe. Hij hielp Margarita bij het afstijgen van de pulseermachine en nam haar mee naar de rustkamer die hij voor haar in gereedheid had laten maken.

   De klinische ruimte werd gedomineerd door een koperen bed dat getooid was met elektrische bedrading. De dokter nam plaats aan een tafel en nodigde haar uit om naast hem te komen zitten. Hij keek naar haar handen.

   Met die misvormde klauwtjes had ze zich nooit kunnen optrekken naar de extatische hoogten van de zelfbevrediging. Ik mag dan vogelpootjes hebben, het ontbreekt mij aan vleugels om de hemel tegemoet te vliegen. Licht spottend keek ze hem aan toen hij haar handen in de zijne nam. Ze keek neer op de grijporgaantjes in zijn mooie mannenhanden en toe weer naar zijn gezicht, zijn ogen, zijn mond.

   Silas Zielsrust had al heel wat vrouwen in zijn kliniek ontvangen die dank zij zijn elektrobehandeling weer als herboren naar huis waren gegaan. Dat hij daarbij ook nog een aantrekkelijke en charmante kerel was, had daar zeker toe bijgedragen. Hij was een bekwaam psycholoog met grote mensenkennis en hij wist zijn patiënten altijd precies op de juiste manier op hun gemak te stellen. Hij had haar het een en ander verteld maar vroeg zich toch af hoe hij was overgekomen. Helemaal zeker was hij nog niet van zijn zaak.

   “Ik sta geheel tot je beschikking. Je kunt hier zo lang blijven als je wilt. Het bed is heel bijzonder.”

   Hij leidde haar door de kamer naar het bed waarop hij haar neer liet zakken. Maar ze liet hem niet los. Terwijl ze achterover helde trok ze hem naar zich toe zodat hij zich wel over haar heen moest buigen. Hij voelde haar hete adem in zijn gezicht en wist nu zeker dat hij weer een aanwinst zou kunnen bijschrijven op zijn lijstje van succesvolle behandelingen. Terwijl hij zich overgaf aan zijn en haar driften greep Margarita opgewonden naar het koperen hoofdeinde van het bed. Daarbij stootte ze onbedoeld tegen een handgreep die de primitieve ECT-contraptie in werking stelde (de elektro-convulsie werkte echter niet therapeutisch als het bed zelf werd vastgegrepen, zoals nu het geval was).

   Met kracht werd Silas van haar afgeworpen en viel op de grond. Maar stond onmiddellijk weer op om de elektriciteit uit te schakelen. Hij was zich doodgeschrokken en vreesde het ergste. Margarita was buiten bewustzijn maar ze ademde nog wel. Uit haar ontspannen gelaatstrekken trok hij de conclusie dat de therapie – ook al was deze niet op de voorgeschreven wijze uitgevoerd – haar niettemin goed had gedaan.

   Het duurde heel wat uren voordat Margarita weer bij bewustzijn kwam. De kamer was leeg. De gordijnen waren gesloten maar in het schemerige licht meende ze de schaduwen van een duister verleden te ontwaren. Is dit de vissershut? Ben ik op San Lorenzo? Het was of haar geest een sprong terug in de tijd had gemaakt.

   Langzaam trokken de nevelen op maar haar tijdsgevoel was ontwricht en de ruimte herkende ze niet.

   Nadat hij haar alleen had gelaten, had dokter Zielsrust opdracht gegeven haar toe te dekken en te zorgen dat het haar aan niets ontbrak. Er stond eten en drinken op tafel. En tekenspullen: potloden en een schetsboek. Op de eerste bladzij schreef ze spontaan wat er in haar opkwam. Later voelde ze zich uitgeput en kroop ze weer in bed.

 

Weken later had Louis Schaefer zich in verbinding gesteld met Charles Flint – inmiddels teruggekeerd uit Zuid Amerika – om hem te laten weten waar hij Margarita had achtergelaten en waarom. De bankemployé liet er geen twijfel over bestaan wat hij van de hele situatie vond en steeg daarmee, zonder het zelf te weten, in Flints achting. Uit schuldgevoel over zijn onbetamelijke gedrag besloot Charles meteen een bezoek aan de kliniek te brengen. Zoals hem wel vaker overkwam als zijn gevoelens hun innerlijke strijd voerden, zag hij zijn vliegtuig gierend in een wolk van rook omlaag storten. Het visioen duurde maar kort.

   Zelfs bij het meest complexe fusieoverleg was hij zo gespannen niet geweest als bij het betreden van Zielsrusts kliniek. De dokter ontving hem persoonlijk en ging hem voor naar de lounge waar ze ruim zicht hadden op het gazon en de aanpalende landerijen. Silas had hem gerustgesteld: “Met Margarita gaat het goed” en hij wees naar het gazon waar patiënten en personeel, niet van elkaar te onderscheiden,  ontspannen rondliepen.

  “Ze gedijt hier uitstekend. Ze wil hier helemaal niet meer weg. Ik begrijp alleen niet waarom ze steeds naar het strand vraagt.” Een beetje bezorgd keek hij Charles aan maar die haalde opgelucht zijn schouders op.

   “Ik zal me niet verder opdringen. Het heeft geen zin om het verleden op te rakelen, wat jij? Gedane zaken nemen geen keer.” Mompelend wende Charles zich af met de bedoeling ook deze zaak zo snel mogelijk achter zich te laten.

   “Ogenblikje nog, meneer Flint. Ik wilde u vragen of u hier misschien chocola van kunt maken?” De arts toonde hem het schetsboek waarop Margarita na haar eerste ontwaken enkele zinnen had gekrabbeld. De grootondernemer boog zich met uitpuilende ogen over de tekst en er gleed een schaduw over zijn gezicht:

   el pescador pincha un oial y su almohada está cubierta con dientes afilados.*

   Het was iets waarover ze het wel eens hadden gehad. Een soort boodschap. Hij kon zich niet meer precies herinneren waar het over ging. Ach, het zou wel onzin zijn.

 

PSYCHE EN ELEKTRICITEIT door Joost Vijselaar, hoogleraar Geschiedenis van de Psychiatrie aan de Universiteit van Utrecht, 2007.

‘De magnetiseur is terug’ stond er onlangs met een kwinkslag boven een artikel in SCAN, een blad van het Utrechts Medisch Centrum. Het ging niet over strijkers of paranormale genezers, maar over een van de nieuwste therapeutische technieken toegepast bij depressies, de zogenaamde Transcraniële Magnetische Stimulatie (TMS). Bij TMS plaatst men een sterke elektromagneet op het hoofd van de patiënt. Door de snelle, krachtige pulsen van het magnetische veld worden - door de schedel heen - elektrische stroompjes in de hersenschors opgewekt, die op hun beurt circuits van zenuwcellen activeren of remmen. Omdat de linker, frontale hersenschors bij depressie vaak minder actief is, probeert men de werking ervan langs magnetische weg te stimuleren. Internationaal onderzoek heeft aangetoond dat dagelijkse behandeling met TMS gedurende meerdere weken een bescheiden, maar gunstig effect heeft op ernstig depressieve patiënten bij wie andere therapieën niet of onvoldoende aanslaan. Aangezien TMS geen vervelende bijverschijnselen kent (zoals geheugenstoornissen) en zonder narcose kan worden toegepast, zien sommigen het als een mogelijk alternatief voor de elektroshocktherapie die nog steeds als de meest effectieve behandeling van diepe depressies geldt.

   TMS maakt deel uit van een nieuwe generatie somatische behandelingen in de psychiatrie, die momenteel zeer in de belangstelling staat en die men aanduidt als ‘Therapeutic Brain Stimulation’.Bij deze therapieën beïnvloedt men door middel van elektrische of magnetische prikkeling de activiteit van bepaalde netwerken van zenuwen in het brein, die betrokken zouden zijn bij depressie of andere psychiatrische aandoeningen. Bij Vagus Nervus Stimulatie (VNS) bijvoorbeeld, een methode die in deVerenigde Staten al officieel is toegelaten, wordt de tiende hersenzenuw (die door de hals loopt) door een geïmplanteerde pacemaker en een dunne elektrode permanent gestimuleerd. In Zwitserland en de VS wekken artsen de laatste zes jaar met magnetische stimulatie kunstmatig epileptische insulten op, vergelijkbaar met de insulten die bij de elektroshock optreden. Deze experimentele magnetische convulsietherapie zou minder bijverschijnselen kennen dan de elektroconvulsietherapie. Onderzoekers en psychiaters hebben soms hoge verwachtingen ten aanzien van deze nieuwe technieken. Volgens één auteur staan we in de psychiatrie aan de vooravond van ‘de decennia van de stimulatie van het brein’.

   De experimenten met ‘therapeutische hersenstimulatie’ vormen het meest recente voorbeeld van de toepassing van elektriciteit (en magnetisme) bij de behandeling van mensen met psychiatrische ziekten. Al vanaf het begin van het onderzoek naar elektriciteit in de achttiende eeuw is er gespeculeerd over de heilzame toepassing van dit fysische verschijnsel bij zenuw- en geestesziekten en is elektriciteit in tal van gedaanten, op kleinere en grotere schaal bij psychiatrische behandelingen gebruikt. De elektrotherapie vormt zo een bijzonder boeiend spoor door de geschiedenis van de psychiatrie, mede omdat ze twee uitersten, materie en psyche, met elkaar verbindt. Al in de achttiende en negentiende eeuw veronderstelden sommige auteurs dat met elke nieuwe ontwikkeling op het gebied van de elektriciteit ook nieuwe medische en psychiatrische mogelijkheden werden gezien en bedacht. Historisch onderzoek naar het denken over en het gebruik van elektriciteit in de psychiatrie kan laten zien op welke wijze de psychiatrie vervlochten is met de bredere wetenschappelijke, technologische en maat-schappelijke context. Welke verbanden bestonden er tussen de cultuurgeschiedenis van de elektriciteit en die van de psychiatrie? In deze oratie zal ik die vraag aan de hand van een drietal voorbeelden uitwerken, namelijk rond de ‘medische elektriciteit’ in de achttiende eeuw, de elektrotherapie bij de neurasthenie in de late negentiende eeuw en tot slot rond de felle discussies over de elektroshocktherapie in de jaren 1975-1985.

 

‘Homo electricus’ of ‘de elektrische mens’

Zo’n driehonderd jaar geleden, in het begin van het jaar 1706, verbaasde Francis Hauksbee de beroemde Royal Society in Londen en haar voorzitter, Isaac Newton, met de demonstratie van een nieuw instrument en een onbekend fenomeen: een roterende vacuüm gezogen glazen bol, die van binnen oplichtte wanneer hij met de handen werd aangewreven. Het schijnsel was zo sterk dat er een boek bij te lezen was. Hauksbee meende dat een uit het glas afkomstige ‘electric spirit’ het licht teweegbracht. Het experiment bracht Newton, die worstelde met de aard van de zwaartekracht, tot het formuleren van een hypothese over het bestaan van een onweegbare, onzichtbare, maar stoffelijke ‘ether’. Dit etherisch medium zou niet alleen de drager zijn van de elektriciteit, maar eveneens van de zwaartekracht, het licht, de warmte, het magnetisme en bovendien van de prikkelgeleiding in de zenuwen. Het zou een ‘query’ of suggestie blijken die in de komende eeuw grote invloed uitoefende in de wetenschap en de geneeskunde.

   Het nieuwe instrument van Hauskbee, feitelijk de eerste elektriseermachine, stond aan de basis van de volgens tijdgenoten verbazingwekkend snelle ontwikkeling van de elektriciteitsleer. Was er in 1700 nog amper iets bekend over elektriciteit, in de volgende decennia ontdekten natuuronderzoekers in Engeland, Nederland en Frankrijk de positieve en de negatieve elektriciteit, de wetten van geleiding en isolatie en die van de aantrekking en de afstoting van elektrische ladingen. In de jaren zeventienveertig kwam de doorbraak dankzij de verbetering van de elektriseermachine, maar vooral door de uitvinding van de ‘Leidsche fles’, de eerste condensator, waarmee grote ladingen opgebouwd en lange tijd vastgehouden konden worden. Het was vervolgens Benjamin Franklin die rond 1750, mede geïnspireerd door het idee van Newtons ether, de eerste effectieve theorie over elektriciteit formuleerde. Elektriciteit groeide vanaf die tijd uit tot een centraal thema in de wetenschap, mede doordat elektrische ver-schijnselen zeer geschikt waren voor proefondervindelijk onderzoek.

   Van meet af aan was de mens zelf proefpersoon bij de experimenten met elektriciteit: men trok knetterende vonken van neuzen, liet haren te berge rijzen, toonde hoe geëlektriseerde mensen lichte koperen blaadjes aantrokken, of men liet de schok van een Leidsche fles door een ketting van mensen gaan. Juist deze spectaculaire en vermakelijke aspecten droegen bij tot de ongekende populariteit van de elektriciteit bij de veelal publieke genootschappen waarbinnen het onderzoek destijds gestalte kreeg. Daarnaast toonden ze aan hoe gevoelig mens en dier waren voor de inwerking van elektriciteit. Door een schok van de Leidse fles konden spieren verkrampen of kon de mens zelfs korte tijd het bewustzijn verliezen, zoals Benjamin Franklin ondervond.

   Als vanzelf diende zich zo het idee aan om ziekten met behulp van elektriciteit te behandelen. Nadat Duitse medici in 1745 voor het eerst op die mogelijkheid hadden gewezen, onderwierpen geleerden in Europa tal van kwalen aan wat men ‘medische elektriciteit’ ging noemen. Behalve dat elektriciteit naar men aannam door verhoging van de hartslag en het afscheiden van zweet, ziektes als reuma, jicht of koortsen zou genezen, leek het door zijn werking op de zenuwen vooral geschikt bij verlamming, krampen, afasie en dergelijke. Men wist er daadwerkelijk verlamde spieren mee in beweging te brengen. Hoewel velen hoge verwachtingen koesterden met betrekking tot de heilzaamheid van de elektriciteit, waren er anderen, zoals Franklin, die hun twijfel hadden over het effect van deze remedie.

   De effecten van elektriciteit op het menselijk lichaam gaven al vroeg voedsel aan ideeën over het mogelijk elektrische karakter van de zenuwen. Aanknopend bij de denkbeelden van Newton over een ether, elektriciteit en de zenuwgeleiding, wees zijn vriend en arts Richard Mead naar aanleiding van het elektriciteitsonderzoek rond 1745 op de mogelijke nauwe verwantschap tussen het fluïdum in de zenuwen en de elektriciteit. Algemeen werd in de tweede helft van de achttiende eeuw een bijzondere affiniteit verondersteld tussen de elektriciteit en zenuwen: sommigen zagen de zenuwvloeistof en elektriciteit als identiek, anderen meenden dat die vermengd waren, weer anderen namen aan dat zenuwen vooral zeer gevoelig waren voor elektriciteit. De ontdekking van elektrische lading in de atmosfeer in de gedaante van de bliksem en van het bestaan van elektrische vissen als de sidderaal, versterkten vervolgens het idee dat elektriciteit een essentiële rol zou spelen in de natuur. Martinus van Marum, de Nederlandse autoriteit in deze, sprak bijvoorbeeld van elektriciteit ‘...als het voornaamste verlevendigend beginsel in de natuur’.

   In zijn meest speculatieve gedaante had de elektriciteit in het achttiende-eeuwse beeld van de natuur een essentiële rol. Dankzij de draaiing van de hemellichamen en hun wrijving met de ether verkreeg de aardse atmosfeer zijn fluctuerende elektrische lading. De met de lucht ingeademde elektriciteit zou vervolgens door de hersenen gedistilleerd en aan de zenuwen afgegeven worden, waar dit etherische fluïdum (mede) verantwoordelijk zou zijn voor de prikkelgeleiding en volgens sommigen zelfs de levenskracht zou vormen. Als de verbindende schakel tussen ziel en sensatie, tussen wil en beweging, vormde het zo de brug tussen lichaam en geest. Ziekte ontstond in deze visie door een tekort of een teveel aan elektriciteit in de zenuwen of door onregelmatigheden in de geleiding. Aangezien het 9 zenuwstelsel in de 18-eeuwse fysiologie een steeds prominenter positie kreeg toebedeeld, zou vanuit dit perspectief elektriciteit een belangrijke functie als geneesmiddel kunnen vervullen.

   Al rond 1750 gaven auteurs over medische elektriciteit hoog op over de mogelijke effectiviteit van elektrotherapie bij zenuwziekten als hysterie, hypochondrie, spleen en vapeurs. De therapie had wat dat betreft de wind mee, immers volgens de opvatting van de meeste medici nam het aantal zenuwzieken in Europa hand over hand toe. Als oorzaak wees men de voortschrijdende beschaving aan. De veranderde levenswijze van de betere standen, meer comfort en luxe, toenemende romanlectuur en theaterbezoek, deelname aan de wetenschappen en heftiger passies maakten het zenuwstelsel overgevoelig en stelden het bloot aan genoemde kwalen. Naast andere, meer klassieke therapieën bood de moderne elektrische geneeskunde hier uitkomst. In mijn proefschrift heb ik in dit verband gewezen op het bestaan van een 18e eeuw discours over zenuwen, zenuwziekten en elektriciteit.

   Het was Benjamin Franklin die na zijn eigen ervaringen met de ‘schok’ van een Leidse fles de gedachte opperde om behalve zenuwzieken ook krankzinnigen met elektriciteit te behandelen. Als een van de eersten deed de Franse Abbé Bertholon daar in de jaren tachtig van de achttiende eeuw concrete ervaringen mee op. Niet alleen zouden zenuwkwalen als hysterie en hypochondrie met negatieve elektrisering van het hoofd te genezen zijn, de echte manie zou volgens Bertholon zonder risico succesvol behandeld kunnen worden met de ‘chocélectrique’:‘De elektrische ontlading, toegediend op het hoofd, is zonder meer heel geschikt om de onrust te kalmeren en de razernij te beteugelen, die eigen zijn aan dit soort ziekten.’ Omstreeks dezelfde tijd had in een Londens hospitaal de arts John Birch naar eigen zeggen succes bij de behandeling van diepe melancholie met elektriciteit. Een van zijn patiënten was na de dood van een kind tot diepe zwaarmoedigheid vervallen; hij sprak niet langer, verloor zijn belangstelling voor de omgeving en at en sliep matig.Al na zes kleine ‘schokken’ gericht op de hersenen, praatte de man weer met zijn vrouw en bracht hij de avond opgewekt door. Drie behandelingen verder kon hij weer aan het werk, drie maanden later was hij nog vrij van klachten. Een andere melancholicus vertrouwde Birch 10 toe dat de eerste ‘shocks’ hem onmiddellijk hadden bevrijd van zijn voornemen om zelfmoord te plegen. Experimenten als die van Bertholon en Birch hadden een incidenteel karakter, van elektrisering van krankzinnigen op grote schaal was geen sprake.

   Het demonstreren van de mogelijkheid om krankzinnigen met elektriciteit te genezen, was een van de bedoelingen waarmee de Italiaan Giovanni Aldini omstreeks 1803 Parijs bezocht.Aldini wilde er vooral de inzichten van zijn oom, de beroemde Luigi Galvani, verdedigen. Galvani meende door zijn bekende experimenten met de kikkerpoot het bestaan van een zelfstandige ‘dierlijke elektriciteit’ in zenuwen en spieren bewezen te hebben, een opvatting die werd bestreden door zijn landgenoot Volta. Na de succesvolle toepassing van de ‘galvanische elektriciteit’ op een tweetal melancholici in een krankzinnigengesticht van Bologna, stelde Aldini zich voor hoe deze nieuwe methode in andere inrichtingen geïntroduceerd zou worden om zo het lot van deze ‘meelijwekkende lijders’ te verbeteren.

   In Parijs zette Aldini deze ideeën uiteen tegenover niemand minder dan de beroemde Philippe Pinel. Als schepper van de zedenkundige behandeling (het eerste therapeutische regime in de psychiatrie) en dankzij zijn werk als clinicus en nosoloog, geldt Pinel als een van de grondleggers en grote hervormers van de psychiatrie. De Franse medicus toonde zich bijzonder geïnteresseerd - overigens ook in de wijze waarop Aldini met het ‘galvanisme’ de ledematen van lijken in beweging bracht, als bewijs van de invloed ervan op de levenskracht. De therapeutische aanwending van de elektriciteit raakte hier, zeker op symbolisch niveau, verbonden met het medische en filantropische streven om krankzinnigen in nieuwe, verbeterde gestichten te genezen, een verbintenis tussen psychiatrie en elektriciteit die een lang leven beschoren zou blijken.

   De onmiddellijke maatschappelijke betekenis van de elektriciteit – toen nog uitsluitend statische elektriciteit – was in de achttiende eeuw beperkt: men kon er bij wijze van spreken nog geen lamp permanent mee laten branden .De culturele en wetenschappelijke waarde was daarentegen groot: elektriciteit kon gelden als een zinnebeeld van de Verlichting. Het elektriciteitsonderzoek toonde hoe de mens dankzij de rede de raadsels van de natuur doorgrondde. Hij kon in het geval van de elektriciteit mogelijk zelfs de wetten van het leven op 11 het spoor komen. De nieuwe kennis van de elektriciteit kon tegelijkertijd overeenkomstig het ideaal van de Verlichting aangewend worden tot ‘heil van het menschdom’, door beveiliging tegen de bliksem, maar vooral als ‘medische elektriciteit’. Typerend voor dat laatste is de verbinding die de geneeskundige toepassing van elektriciteit bij Aldini aanging met het nieuwe ‘verlichte’ streven naar de lotsverbetering van krankzinnigen, de ‘redelozen’, voor wie men eerder alle hoop had laten varen. Ontwikkelingen in de natuurwetenschappen beïnvloedden zo in de achttiende eeuw het denken over de behandeling van psychiatrische patiënten. Bestond er in 1800 nog nauwelijks maatschappelijk bruikbare elektrische technologie, in de loop van de negentiende eeuw en vooral na 1870 veranderde dat totaal.

 

‘Het tijdperk der zenuwachtigheid’

In september 1882 gingen in het redactielokaal van de New York Times de eerste gloeilampen aan. Het was een licht ‘helder als de dag (…) waar men uren onder kon zitten en bij kon werken zonder dat men zich ervan bewust was dat het om kunstlicht ging…’, zoals de krant zelf met nauwelijks verholen verbazing berichtte. De lampen vormden onderdeel van het allereerste lichtnet, bestaande uit vierhonderd lampen aangesloten op de grootste dynamo ter wereld, in Pearlstreet in het zakencentrum van NewYork. Het systeem was ontwikkeld en aangelegd door Thomas Alva Edison, de drijvende kracht achter veel nieuwe elektrotechniek, waaronder de gloeilamp.

   De aanleg van het ‘Pearlstreet Station’ vormde een belangrijk markeringspunt, zeker als symbool, in het proces van elektricificatie. Met de ontwikkeling in de volgende jaren van betere generatoren, transformatoren en elektromotoren, de overgang van strikt lokale stroomopwekking naar regionale ‘elektriciteitscentrales’ en de vervanging van allerlei soorten stroom door één universele standaard, groeide de economische en maatschappelijke betekenis van het ‘witte goud’. Nadat eerst vooral openbare gelegenheden als theaters, stations en winkels elektrisch waren verlicht, werd in stad na stad elektrische straatverlichting geïntroduceerd, op tal van plaatsen gevolgd door de elektrische tram. De ‘elektrificatie’ veranderde niet alleen productiemethoden, maar legde de basis voor nieuwe bedrijven zoals de aluminiumindustrie, de moderne chemie en de elektrotechnische industrie zelf. Elektriciteit was daarmee een essentiële factor in wat men wel de tweede industriële revolutie noemt. De sociale en psychologische gevolgen van die ingrijpende modernisering waren volgens velen de oorzaak van de snelle verbreiding van een nieuwe ziekte: de ‘neurasthenie’, in hedendaagse termen, ‘de neurose’.

   Elektriciteit en neurasthenie waren van het begin af aan met elkaar verbonden. Als ziektebeeld was de neurasthenie voor het eerst onderscheiden en benoemd door een arts uit New York die in de jaren 1870 ook met Edison samenwerkte. Deze George M. Beard verwierf samen met zijn compagnon Rockwell rond 1870 internationaal naam als vernieuwer van de elektrotherapie. Anders dan in de vigerende vooral Duitse elektrotherapie, stonden zij in plaats van lokale, algemene elektrisering voor, waarbij niet een enkel lichaamsdeel of orgaan maar het gehele lichaam aan faradisatie of galvanisatie onderworpen werd. Deze techniek zou vooral algehele verzwakking opheffen door haar tonische, opwekkende invloed op stofwisseling en zenuwgestel. In de context van deze algemene elektrisering formuleerde Beard zijn idee van de neurasthenie. De vage, uiterst veelvormige klachten van pijn, duizeligheid, kramp, verlamming, angst, somberheid, obsessie, oververmoeidheid of overgevoeligheid waar hij in zijn particuliere praktijk mee te maken kreeg, hadden volgens Beard hun oorsprong in een uitputting van het zenuwstelsel, in ‘neurasthenie’, letterlijk het verlies van zenuwkracht. Het ging volgens hem zeker niet om een psychische maar om een somatische aandoening met een functioneel karakter, waarbij geen lichamelijk veranderingen aanwijsbaar waren.

   Bij neurasthenie sprak Beard van ‘nervous bankruptcy’: de betrokkenen verbruikten meer zenuwkracht dan ze aan reserves beschikbaar hadden. Behalve de batterij gebruikte Beard Edisons lichtnet als beeld: de krachtcentrale in zo’n netwerk was berekend op een beperkt aantal lampen, plaatste je er meer tussen dan werd de lichtsterkte geringer of vielen de lampen uit. ’This is the philosophy of modern nervousness’, zo onderstreepte hij. Juist in de snel moderniserende maatschappij nam het aantal functies van de mens toe, zonder dat hij daar evolutionair op berekend was. De ‘zenuwzwakte’ of de neurose was immers naar het oordeel van Beard een recent verschijnsel, onlosmakelijk verbonden met de ‘modern civilisation’, en wel die van de Verenigde Staten. Vijf factoren veroorzaakten in het bijzonder de toename van de ‘zenuwachtigheid’ en de ‘zenuwzwakte’, te weten de stoomkracht, de periodieke pers, de telegraaf, de wetenschappen en de intellectuele ontplooiing van de vrouw. ‘Alleen al de experimenten, uitvindingen en ontdekkingen van Edison, doen een constante en uitputtende aanslag op de zenuwkrachten van Europa en Amerika’, zo schreef hij in 1881 in American nervousness, its causes and consequences.

   Aangezien elektriciteit de zenuwkracht zou opwekken, prezen Beard en Rockwell de algemene elektrisering aan als voorkeurstherapie bij ‘zenuwzwakte’. De spoedige verbetering van die kwaal door elektrotherapie zou zelfs het onderscheidend kenmerk van de ziekte zijn. Beard meende overigens ook dat moderne elektrische techniek als de tram en de lift de belasting van het zenuwstelsel op termijn weer zou verminderen. De NewYorkse neuroloog en elektrotherapeut schiep met zijn neurasthenie-these een beeld en een theorie waarin hij technologische en maatschappelijke modernisering, zenuwzwakte en de elektrotherapie expliciet met elkaar in verband bracht.

   De neurasthenie mocht dan een Amerikaanse ziekte zijn, Beard voorzag dat met de ‘Amerikanisering’ van Europa, meer in het bijzonder van Duitsland, de neurasthenie ook daar aan een opmars zou beginnen. En inderdaad sloeg zijn ziekteconcept, inclusief zijn ‘sociologie’, vrijwel onmiddellijk aan in Duitsland, nadat Duitse neurologen al eerder zijn algemene elektrisering hadden omarmd. Beards ideeën leken de ogen van Duitse artsen te openen voor een tot dan toe onbenoemd verschijnsel. Medici haastten zich in het begin van de jaren tachtig te verklaren dat ook in Duitsland iedere arts tegenwoordig dagelijks met deze beschavingsziekte werd geconfronteerd. Na 1880 verscheen er een vloed aan literatuur over deze aandoening, sanatoria en kuuroorden voor zenuwlijders floreerden, evenals de particuliere praktijken van zenuwartsen. Dat elektrotherapie, naast de hydrotherapie, de voorkeur genoot bij de behandeling van de neurosen stond voor velen vast. Zoals studies als die van Radkau laten zien, verwierf de neurasthenie in deze jaren niet alleen een prominente plaats in de Duitse neurologie en psychiatrie, maar tevens in de bredere cultuur. De ‘zenuwachtigheid’ ging gelden als het wezenskenmerk van de eigen tijd. Net als in Beards werk vormden elektrische metaforen een integraal bestanddeel van die cultuur.

   De opkomst van de neurasthenie in Duitsland en de verwevenheid daarvan met elektriciteit als therapie en metafoor, kan – zoals ook Andreas Killen in zijn studie Berlin Electropolis beschrijft – niet los worden gezien van de elektrificatie van de samenleving. In dit proces speelde, naast de Verenigde Staten, juist Duitsland en vooral Berlijn een voorhoederol. De Duitse bedrijven Siemens (1847) en AEG (Algemeine Elektricitäts Gesellschaft 1887), beiden gevestigd in Berlijn, groeiden al voor 1900 uit tot de grootste elektrotechnische industrieën van de wereld. Berlijn, waar de eerste onderwijs- en onderzoeksinstituten voor elektrotechniek ontstonden, ‘elektrificeerde’ in hoog tempo. Het was de eerste stad die experimenteerde met de elektrische tram, terwijl het vanaf 1884 dankzij patenten van Edison voorzien werd van een lichtnet. De snelle industriële ontwikkeling van Duitsland na 1870 stoelde op de elektrificatie, de modernisering van de maatschappij en de elektriciteit waren er nauw met elkaar verknoopt.

   Elektriciteit vormde bovendien al vanaf de jaren veertig een centraal thema in de Duitse geneeskunde. Geleerden als Du Bois Reymond en Von Helmholtz toonden vanaf 1840 definitief de functie van elektriciteit in de zenuwen aan en legden daarmee de grondslag voor de moderne neuro- en elektrofysiologie. Mede gestimuleerd door deze inzichten en de voortschrijdende elektrotechniek kwam in Duitsland de elektrotherapie van de grond, in de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw gemarkeerd door de verschijning van grote handboeken als die van Benedikt en Erb. Hoewel deze nieuwe elektrotherapie een breed toepassingsgebied kende, lag er een sterk accent op de behandeling van zenuw- en hersenziekten. Dat men in de Duitse psychiatrie het adagium huldigde dat geestesziekten te herleiden waren tot hersenziekten, kan mogelijk deels verklaard worden uit de invloed van de elektrofysiologie- en therapie. Het was de combinatie van een optimistische ‘elektrische cultuur’ in Duitsland en de prominentie van de elektrofysiologie en elektrotherapie, die voorwaarden schiep voor de grote betekenis die de neurasthenie in Duitsland verkreeg.

  Overigens raakte de elektrotherapie al na 1890 geleidelijk over haar hoogtepunt heen. Typerend hiervoor is de geschiedenis van een Weense neuroloog in wiens vroege geschriften ook elektrische metaforen voorkwamen en die net als elke zenuwarts in die dagen de elektriseermachine bij zijn behandelingen gebruikte. Begin jaren negentig verbande hij het elektriseerapparaat naar de zolder, diep teleurgesteld door het uitblijven van resultaten, maar ook omdat hij geleidelijk ging inzien dat de effecten aan suggestie toe te schrijven waren. De therapie die de zenuwarts in kwestie - Sigmund Freud - vervolgens ontwikkelde, zou in de volgende eeuw de elektriciteit als therapie bij neurosen verdringen. Niet alleen zou de somatische aanpak van de neurasthenie overvleugeld worden door psychoanalyse en psychotherapie, ook zou de kwaal als neurose voortaan een veel psychologischer karakter toegeschreven krijgen.

   In de achttiende eeuw hadden ontwikkelingen in de natuurwetenschappen de achtergrond gevormd van de toepassing van elektriciteit bij ziekten, waaronder die van de geest. In het laatste kwart van de negentiende eeuw was deze wetenschappelijke factor zeker ook werkzaam (bijvoorbeeld in de elektrofysiologie), maar de populariteit van de elektrotherapie en de daarmee verbonden neurasthenie, laat zich vooral verklaren uit de maatschappelijke betekenis van de elektrificatie, als aspect van het grote moderniseringsproces. De snelle verandering van de samenleving, mede onder invloed van de elektrotechniek, achtte men verantwoordelijk voor de alom gesignaleerde toename van de zenuwzwakte, een kwaal die weer geduid kon worden met behulp van elektrische beelden. De groeiende aanwezigheid van elektriciteit in het dagelijkse leven en de verwachtingen en beelden die daarmee verbonden waren, vormden vervolgens weer een voedingsbodem voor de ‘elektrische geneeskunde’. Elektriciteit was een vloek en een zegen, oorzaak en remedie in één. Het werk van Beard laat zien hoe ontstaan, verklaring en behandeling van de neurasthenie aan de hand van elektrische metaforen in één perspectief bijeen konden worden gebracht. Binnen een ‘cultuur van de elektriciteit’ droeg dat in hoge mate bij aan de acceptatie van dit ziektebeeld.

 

Nationale Anti Shock Aktie

Op 28 september 1974 kwamen op de markt van het Duitse Kalkar, niet ver van de Nederlandse grens, zo’n tienduizend mensen, merendeels Nederlanders, samen om te protesteren tegen de voorgenomen bouw van een snelle kweekreactor. De massale demonstratie was een van de vele acties die in deze jaren plaats vonden tegen de overheidsplannen om nieuwe kerncentrales te ontwikkelen. De maatschappelijke behoefte aan elektriciteit was immers anno 1970 zo toegenomen dat gas en kolen op termijn niet meer volstonden als bronnen voor elektriciteitsopwekking en uitgeweken zou moeten worden naar kernenergie, mede in belang van het milieu.

   Een brede anti-kernenergiebeweging, waarin politieke partijen, milieuorganisaties en vakbonden verenigd waren, wist de Nederlandse publieke opinie zozeer aan haar kant te krijgen dat het kabinet de plannen in 1978 voorlopig bevroor en besloot tot een ‘Brede Maatschappelijke Discussie’.Zes jaar later bleek uit die discussie dat een maatschappelijk draagvlak voor de uitbreiding van kernenergie ontbrak. De zittende regering besloot desondanks tot de bouw van twee kerncentrales, een plan dat sneuvelde na de ramp in Tjernobyl. Ondertussen was wel het dumpen van radioactief afval in zee stopgezet en waren ideeën om dat afval in zoutkoepels op te slaan van tafel. Het protest en de publieke opinie hadden hier onmiskenbaar invloed op het Nederlandse energiebeleid.

   De kritiek op de kernenergie werd behalve door de gevaren van radioactiviteit, ingegeven door onvrede met de groeiende dominantie van de technologie in de samenleving. Die afkeer van technische oplossingen voor menselijke problemen, wellicht mede gedragen door twijfels over de moderniteit als zodanig, lag zeker ook ten grondslag aan de acties die in de zelfde tijd op een veel kleinere schaal werden gevoerd tegen het gebruik van elektriciteit in de psychiatrie.

   Achteraf gezien vormden twee speelfilms de opmaat tot de heftige publieke discussie over de elektroshocktherapie (ECT) die plaats vond tegen de achtergrond van de antipsychiatrische beweging van destijds. In februari 1975 ging Kind van de Zon in première, een Nederlandse speelfilm over psychiatrie. Lovende recensenten wezen één scène uit de film aan als ‘schokkend’, ‘akelig’ en ‘afschrikwekkend’, namelijk die waarin Anna, de hoofdpersoon, een elektroshock kreeg toegediend. Volgens de kranten ging het hier om een ‘discutabele’ behandelmethode die ‘niet zonder gevaar is’. Een jaar later maakte een groot publiek opnieuw indringend kennis met de elektroshocktherapie in de speelfilm One flew over the cuckoo’s nest. Angst, wraak, bestraffing en repressie karakteriseerden volgens de pers de toepassing van de therapie in deze film.

   Het feitelijke initiatief tot het verzet tegen de shockbehandeling ging uit van de NASA, de Nationale Anti Shock Aktie 120Volt, waarvan het eerste ‘manifest’ in 1976 in de ‘Gekken’ Krant verscheen. Regelrecht geïnspireerd door geslaagde acties tegen de elektroshock in de Amerikaanse staat Californië, bepleitte deze actiegroep een verbod van de elektroshocktherapie in Nederland, welbewust inspelend op de gevoelens die deze behandeling bij het publiek kon opwekken. In 1976 en 1977 zette de NASA een veelheid aan actiemiddelen in: men publiceerde een ‘zwarte lijst’ van ‘shockende’ psychiaters en ziekenhuizen, demonstreerde bij instellingen en plaatste paginagrote advertenties in het NRC en De Volkskrant.

   Van meet af aan kon de NASA rekenen op de sympathie van de media, die de psychiatrie als nooit tevoren in het centrum van de aandacht plaatsten. Tekenend voor de aanpak van veel journalisten was het programma ‘Onder behandeling’ dat de NCRV in april 1977 uitzond. Begeleid door beelden van ouderwetse shocks en van met elektriciteit bedwelmde varkens, vertelden patiënten over veelal negatieve, ontluisterende ervaringen met de shock:‘ Een hel, die je anderen wilt besparen’. Twee progressieve psychiaters lieten weten dat de ECT als behandeling ‘of eigenlijk als mishandeling’ zou moeten worden afgeschaft. Er diende gevangenisstraf te staan op het gebruik ervan. De uitzending maakte duidelijk dat ook sommige psychiaters de ECT stellig afwezen.

   De bezwaren tegen de elektroshockbehandeling richtten zich in de eerste plaats op de gevaren en de bijverschijnselen waarmee deze gepaard zou gaan. Naast risico’s als botbreuken en hartfalen, wees men in het bijzonder op het geheugenverlies en de mogelijke onomkeerbare hersenschade. Sommige patiënten zouden door een ECT een groot deel van hun schoolkennis kwijt zijn geraakt. In brieven in de ‘Gekken’ Krant getuigden velen van de hevige angsten die de behandeling opriep. De critici voerden voorts aan dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs bestond voor de positieve werking van de shock. Niemand kon ook uitleggen hoe de therapie werkte.

   De ECT was volgens de tegenstanders als ‘wrede en onmenselijke’ behandeling typerend voor de ‘autoritaire’ psychiatrie, die onmondige patiënten in inrichtingen onderwierp aan een onderdrukkend systeem van dwang, isolatie, een teveel aan medicijnen en als uiterste de elektroshock. De ECT symboliseerde het verwerpelijk geachte ‘medisch model’, dat gericht als het was op het lichaam slechts symptomen maskeerde en de onderliggende sociale problematiek stelselmatig ontkende. Psychotherapie en de behandeling in de groep grepen de wezenlijke oorzaken van de psychische problemen aan en vormden het bewezen alternatief voor het therapeutisch zwaktebod dat de ECT was. In die bezwaren kwam de essentie van het antipsychiatrische sentiment tot uitdrukking. Tenslotte was er de bij velen diepgevoelde aversie tegen het idee dat men elektrische stroom regelrecht op de hersenen toepaste. In deze tijd van protest tegen materialisme en consumentisme, technificatie en kernenergie, leek de biologische psychiatrie te delen in dezelfde banvloek, met de ECT als de extreme representant. De elek-troshock reduceerde de mens immers ook tot een machine, het was, zoals iemand opmerkte, alsof men een schop gaf tegen een kapotte televisie.

   Kijkt men nu naar de feitelijke situatie van de elektroshocktherapie rond 1975, dan blijkt dat het aantal behandelde patiënten in de voorafgaande vijftien jaar sterk was gedaald. Een steekproef uit 1970 wees uit dat 2% van de ontslagen patiënten een ECT had ondergaan. Die vermindering schreef men onder andere toe aan de opkomst van effectieve antidepressiva. In psychiatrische kringen bestond in Nederland en daarbuiten op de keper beschouwd een consensus over de therapie. De meeste psychiaters achtten de elektroshocktherapie feitelijk onmisbaar bij de behandeling van mensen met ernstige, zogenaamde vitale depressies. Het ging om een heel kleine groep patiënten die niet reageerde op psychotherapie en psychofarmaca en bij wie sprake was van diep lijden en een groot risico op suïcide. Onderzoek wees uit dat de ECT grotere kansen op verbetering bood dan antidepressiva. De moderne ECT diende dan wel, in tegenstelling tot vroeger en anders dan in de bekende speelfilms, te worden toegepast onder narcose, met spierverslappers om fracturen te voorkomen en onder toediening van extra zuurstof. Een totaal van tien tot twaalf behandelingen achtte men het uiterste. Risico’s werden zo tot aanvaardbare proporties teruggebracht, terwijl het de angst bij de patiënt zou verminderen. Dat er bij elke ECT geheugenstoornissen optraden weersprak niemand, maar deze zouden meestal van voorbijgaande aard zijn. In de afweging tussen het voortduren van de depressie en het suïciderisico enerzijds en de nadelen van de ECT koos men voor het laatste. Bovendien leefde sterk het besef dat het gebruik van deze ‘grove’ methode zorgvuldige afweging vroeg en als het even kon beperkt diende te worden.

   Uitgesproken verdedigers van de ECT bestempelden de door de NASA ontketende discussie als een hetze, die door emotionele en morele motieven zou zijn ingegeven en stoelde op een achterhaald idee van de therapie. Volgens hen wettigden de wetenschappelijke feiten de kritiek niet. De media zouden een tendentieus, negatief en verdraaid beeld uitdragen dat het publiek op het verkeerde been zette. Het verbieden van de ECT zou sommige depressieve patiënten doemen tot een langdurig, ‘ellendig’ verblijf in de inrichting en de risico’s op zelfdoding vergroten.

   De acties en de publiciteit misten hun uitwerking op de publieke meningsvorming niet. Enigszins triomfantelijk schreef de ‘Gekken’ krant in 1978: ‘Als er momenteel minder wordt geshockt, dan komt dat doordat zij (de NASA: JV) de shocktherapie in diskrediet hebben gebracht bij de publieke opinie en shockende artsen bang hebben gemaakt ermee door te gaan’. Psychiaters zeiden inderdaad te merken dat de angst voor de behandeling toenam en dat familie en patiënten ECT vaker afwezen. Onder het verplegend personeel groeide de weerstanden tegen de omstreden behandeling. Voor psychiaters leek er inmiddels moed voor nodig de toepassing van ECT te verdedigen of voort te zetten. Dat is er mede de verklaring voor dat in Nederland anno 1979 maar 46 patiënten een elektroshock ondergingen.

   Het kon niet anders of de heftige, publiekelijk uitgevochten controverse rond de elektroshock bracht ook de beroepsorganisaties en de politiek in beweging. Zo verklaarde het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie in februari 1978 dat de moderne elektroshock nog ‘steeds een doelmatige en vaak superieure behandeling’ zou zijn, waarvan het gebruik echter wel ‘met een groot aantal waarborgen’ omgeven moest worden. In 1976 en 1978 maakte de PvdA fractie de kwestie in de Tweede kamer aanhangig. Na een uitvoerig advies door een speciale commissie van de Gezondheidsraad kwam de staatssecretaris van Volksgezondheid uiteindelijk in juli 1984 naar buiten met een officieel regeringsstandpunt over de elektroshocktherapie dat op hoofdlijnen de instemming verkreeg van de Tweede Kamer.

   Hoe omstreden ook, de ECT diende volgens de staatsecretaris als effectieve therapie voor een zeer klein aantal gevallen van vitale depressie beschikbaar te blijven, anders zou die groep patiënten ernstig benadeeld worden. De behandeling, toe te passen op de moderne ‘indirecte’ manier en omgeven door alle denkbare voorzorgen, zou uitsluitend gegeven mogen worden met toestemming van de goed geïnformeerde patiënt en na toetsing door een externe psychiater. De bewindsman ging van de verwachting uit dat het aantal ECT’s binnen afzienbare termijn verder zou verminderen. In hun reactie lieten psychiaters blijken dat de beperking van de elektroshock hun te ver ging. Wetenschappelijke inzichten, maar ook de nood van patiënten, maakten huns inziens een ruimere toepassing noodzakelijk. Zij wezen naar Engeland en Scandinavië, waar niet tientallen, maar duizenden patiënten met ECT behandeld werden. Internationaal gezien leek Nederland, afgezien van een aantal Amerikaanse staten, op het punt van de ECT een uitzonderingspositie in te nemen.

   Die Nederlandse terughoudendheid was een direct uitvloeisel van het maatschappelijke en culturele klimaat. Al de betrokken officiële instanties, of het nu ging om de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, de Gezondheidsraad of de staatsecretaris voor Volksgezondheid, maakten onomwonden duidelijk dat grote restricties noodzakelijk waren wilde er überhaupt een maatschappelijk draagvlak voor de elektroshocktherapie blijven bestaan. De regering maakte hier nadrukkelijk een maatschappelijke afweging, rekening houdend met de ‘grote emotionele reacties’ en opvattingen van de patiëntenbeweging. Het publieke verzet maakte een vrij gebruik van deze behandeling ondenkbaar. In de recente geschiedenis zijn geen andere voorbeelden te vinden van therapieën die onder invloed van de publieke opinie, de media en de politiek zozeer aan banden zijn gelegd als de ECT in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De analogie met de maatschappelijke impact van de anti-kernenergiebeweging dringt zich hierbij op. In beide gevallen wisten naar verhouding kleine actiegroepen, gesteund door de publieke opinie, het beleid van de overheid en respectievelijk de energiebedrijven en de psychiatrische beroepsgroep bij te sturen.

   De elektroshocktherapie had daarbij, net als de kernenergie, een grote symboolwaarde. ECT gold als het schoolvoorbeeld van een onderdrukkende psychiatrie en van het medisch model dat de mens reduceerde tot een biologisch mechaniek dat met elektriciteit te beïnvloeden zou zijn. Het zou de individuele patiënt blootstellen aan onberekenbare gevaren. Op de achtergrond resoneerde behalve een instinctieve angst voor elektriciteit, net als bij de acties tegen de nucleaire energie ook de kritiek mee op de groeiende maatschappelijke rol van de technologie en de mogelijk schadelijke gevolgen daarvan voor mens en milieu. Elektriciteit, eventueel op te wekken door kernenergie en te gebruiken voor nodeloze huishoudelijke snufjes, was daar volledig mee verweven. Was elektrificatie aan het einde van de 19e eeuw nog te zien als zegen én vloek, in de jaren zeventig van de twintigste eeuw leken de schaduwkanten voor velen de overhand te krijgen.

   Het is tekenend voor de ontwikkeling van de psychiatrie in de afgelopen tien jaar dat de kritiek op de ECT, parallel aan de herleving van de biologische psychiatrie, vrijwel is verstomd. De therapie wordt op dit moment weer ruimer toegepast. De opkomst van de genoemde ‘therapeutic brain stimulation’, waarbij men zelfs elektrodes in de hersenen zelf plaatst, spreekt in deze boekdelen.

 

Besluit

Elektriciteit heeft in de loop van de afgelopen drie eeuwen een geweldige verandering in betekenis, gedaante en functie ondergaan. Wat bij de Royal Society in 1706 begon als een zeer bescheiden, intrigerend en onbegrepen fenomeen, is uitgegroeid tot een verschijnsel dat de moderne technologische levenswijze en wetenschap doordringt en schraagt, wat vooral bij grote stroomonderbrekingen duidelijk wordt. Kon men rond 1800 de elektriciteit nog identificeren met de levenskracht en met de samenhang in de kosmos, tegenwoordig kennen we het vooral in zijn alledaagse functionaliteit, ontdaan van hogere associaties. In de voorbije drie eeuwen is er voortdurend een verband gelegd tussen elektriciteit en de geest, met het zenuwstelsel als intermediair en in samenhang met elektrotherapie. Daarbij komen twee uitersten bij elkaar, het domein van de fysica en dat van de psyche. Het is de vraag of de spanning die nu tussen die twee uitersten ervaren wordt en de angst die daar mogelijk uit voortkomt, tegenwoordig misschien sterker gevoeld worden dan in de achttiende eeuw, toen elektriciteit nog ‘levensnabij’ was.

   De elektriciteit leverde daarbij in de loop der tijd een onuitputtelijk reservoir aan beelden, metaforen en symbolen op, zoals alledaagse begrippen als ‘overspanning’ of ‘ontlading’ al demonstreren. Op elektriciteit laten zich allerlei betekenissen en waarden projecteren. Behalve een reële, fysieke en soms zelfs dodelijke kracht en de drager van complexe en geraffineerde techniek, is het dus ook cultureel spelmateriaal.

   De historische wisselwerking tussen elektriciteit en de psychiatrie kan vanuit een veelheid van invalshoeken onderzocht worden, en werpt licht op de vraag hoe de psychiatrie als wetenschap en zorgpraktijk vervlochten is met andere wetenschappen, de technologie, de samenleving en de cultuur. In het voorafgaande heb ik laten zien hoe in de achttiende eeuw de medische elektriciteit, onder meer toegepast bij diepe melancholie, zijn oorsprong had in het verlichte natuuronderzoek. Elektriciteit was nuttig en een bron van hoop. Aan het einde van de negentiende eeuw vormde de grootschalige introductie van de elektrische technologie in de samenleving een wezenlijke achtergrond van de populariteit van de elektrotherapie en de neurasthenie. Elektriciteit gold als zegen en (in mindere mate) als vloek. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw keerde de publieke opinie zich tegen het gebruik van de elektroshock in de psychiatrie, mede uit verzet tegen het biologische en mechanistische ‘medisch model’. Men bekeek de elektriciteit nu met argwaan.

   Naast deze drie perspectieven op de beïnvloeding van de psychiatrie door respectievelijk de natuurwetenschappen, de maatschappelijke technologie en de publieke opinie, zijn er nog tal van andere invalshoeken bruikbaar bij het historisch onderzoek naar dit thema. Zo stond en staat de psychiatrie open voor ontwikkelingen in het denken over elektriciteit binnen de neurofysiologie. Ook de elektrische technieken in de gewone geneeskunde hadden hun weerslag op de psychiatrie, terwijl er naast de officiële geneeskunde en psychiatrie altijd irreguliere genezers, ‘kwakzalvers’, zijn geweest die elektriciteit gebruikten, om over het (dierlijk) magnetisme maar te zwijgen. Daarvan ging bij tijd en wijle eveneens invloed uit op de psychiatrie. En dan is er nog de verbeeldingswereld van patiënten waarin al heel vroeg elektriciteit, magnetisme en straling een rol speelden. Dat is op zichzelf weer veelzeggend voor de bredere culturele invloed van de elektriciteit.

   In de komende jaren wil ik een onderzoeksprogramma rond ‘psyche en elektriciteit’ tot ontwikkeling brengen waarin de genoemde invalhoeken en thema’s aan de orde komen. Een dergelijk project, dat de historische ontwikkeling van wetenschap in een bredere context plaatst, past naadloos in de opzet van het Descartes Centre for the History and Philosophy of the Sciences and the Humanities dat in september van dit jaar door de Universiteit Utrecht zal worden opgericht. Zowel binnen het Descartes Centre, als bij de researchmaster vergelijkende wetenschapsgeschiedenis (HCSSH) en het universitaire focus en massagebied ‘History and Philosophy of Science’, ligt het accent behalve op de maatschappelijke inbedding van wetenschap, op de vergelijking van wetenschappen en op de bestudering van hun grensvlakken en onderlinge wisselwerking. De psychiatrie is bij uitstek een wetenschap die open staat voor andere wetenschappen. Onderzoek naar de geschiedenis van de elektriciteit in de psychiatrie biedt de mogelijkheid om heel concreet de interactie na te gaan van de psychiatrie met onder meer de natuurkunde, de diergeneeskunde, de techniek, en de maatschappelijke aspecten van de elektriciteit. Bovendien komt het verband tussen de neurowetenschappen en de psychiatrie als vanzelf aan de orde, een thema dat in de geschiedschrijving weinig aandacht heeft gekregen. In dat kader ligt samenwerking met het Rudolf Magnus Instituut voor Neurowetenschappen en het Helmholtz Instituut, beide van de Universiteit Utrecht, voor de hand. En ‘psyche en elektriciteit’ vormt natuurlijk een prachtig onderwerp voor een tentoonstelling. Kortom, elektriciteit is - en dat wisten we al - een uitstekend medium voor uitwisseling en samenwerking

 

 

 

”De visser prikt een knoopsgat en zijn kussen wordt bedekt met scherpe tanden”

 

Zelfopwindbaar horloge door schokbeweging (mechanisch) of batterij (kwarts)

 

 

L & B: KANKERBOEF           ANIL POTTI BIEDT HOOP

 

 

 

Mijn methode om te kunnen voorspellen of een chemokuur zal aanslaan, is een succes. Zelfs als het genetische profiel van de patiënt in eerste instantie de indruk wekt dat de tumor mogelijk resistent is, kan ik nauwkeurig vaststellen welke genen aan of uit staan. Daaruit kan worden afgeleid hoe een tumor zal reageren op de behandeling.

 

Met name in het geval van patiënten met longkanker verschaft het genetisch profiel nu een betere prognose om de risico´s in te schatten, waarmee ik de behandeling specifieker op de patiënt kan afstemmen. De kleine groep patiënten die geen baat heeft bij de kuur kan bijtijds worden geselecteerd zodat ze niet onnodig hoeven te lijden (chemotherapie is geen pretje).

 

Dit onderzoek, waarbij een kleine tweehonderd patiënten waren betrokken, toont aan dat mijn methode significant nauwkeuriger voorspelt of bij individuele patiënten de ziekte zal terugkeren. Met behulp van deze methode kan met meer zekerheid een beslissing worden genomen met betrekking tot adjuvante chemotherapie.

 

  

Meesteroplichter Anil Potti publiceerde tussen 2006 en 2010 diverse wetenschappelijke artikelen over zijn revolutionaire methode.

  

 

ZAKHORLOGE MET INGEBOUWDE POLYGOONSCHIJF

 

 

 

AUTOMATENKETCHUP

De Evolutionair Stabiele Strategie van het Kapitalisme*

 

 

In de laatste eeuwen van het tweede millennium vond een nieuwe volksverhuizing plaats, vanuit Europa naar het Westen. Niet geremd door de cultuurhistorische belemmeringen van de Oude Wereld werden de Verenigde Staten van Amerika de bakermat van technologische groei en economische exploitatie. Sommige individuele initiatieven waren van dien aard dat ze onverbrekelijk verbonden bleven met de verdere ontwikkeling van de wereld.

    Door de industriële revolutie, als gevolg van kruisbestuiving tussen verschillende wetenschappelijke disciplines en vooral ook door het profijt van een groeiende markt voor praktische toepassingen die dit opleverde, vond er in de loop van de 19e eeuw en aan het begin van de 20e eeuw een schaalvergroting van ondernemingen plaats. Kleine bedrijfjes die veelal ontstonden rond één of meer octrooien werden samengevoegd uit synergetische overwegingen. Op den duur ontstonden zo steeds grotere ondernemingen met vestigingen verspreid over de aardbol. De zich uitbreidende markt was het gevolg van de enorme bevolkingsgroei en de toenemende verbetering van de infrastructuur (transport en communicatie).

   Deze ontwikkeling kon het beste gedijen in een maagdelijke omgeving als Amerika waar de (kapitalistische) samenleving niet alleen uit was op zelfverrijking maar ook op de instandhouding en groei van de markteconomie.

   Verschillende bedrijfjes die zich bezig hielden met de productie van de prikklok, een uitvinding van de juwelier Willard Bundy in 1888, werden aan het einde van de 19e eeuw samengevoegd onder de naam International Time Recording Company (ITR). De man die dit klusje klaarde was Charles Flint. In dezelfde tijd voegde hij ook een aantal bedrijfjes samen die zich bezig hielden met de productie van weegschalen en vleessnijmachines. De octrooien voor deze apparaten waren opgekocht door een paar zakenlui die één van deze bedrijfjes beheerden, de Computing Scale Company (CSC) en dat werd de nieuwe naam van het consortium. In het begin van de jaren tachtig vond mijningenieur Herman Hollerith de ponskaart uit. Na een succesvolle ontwikkeling van machines die gebruik maakten van deze ponskaarten voor het tellen en sorteren van data, begon hij in 1896 een eigen bedrijf onder de naam Tabulating Machine Company (TMC). In 1911 werd dit bedrijf overgenomen door Charles Flint die het koppelde aan de eerder gevormde bedrijven ITR en CSC. Deze fusie werd vervolgens omgedoopt tot de Computing Tabulating Recording Company (CTR). 

 

 

De aanvankelijke betovering van de tinkelende klanken die uit het speeldoosje kwamen, begonnen hem al gauw te vervelen en zijn vervoering sloeg om in teleurstelling. De metalige tonenreeks herhaalde zich voortdurend zodat er duidelijk een doods mechaniekje aan ten grondslag lag.

   Zijn eerste opwelling om het speelgoed overboord te gooien wist Charles te onderdrukken. Het was veel leuker om te kijken hoe het werkte. Het blikken geval liet zich makkelijk slopen.

   Een ronddraaiend trommeltje waarop pennetjes waren gesoldeerd. Eigenlijk was het ontzettend simpel. Hij had het trouwens kunnen weten want zulke mechanieken werden al een eeuwigheid geleden gemaakt voor de eenvoudige klokkenspelen.

   Bladerend in zijn encyclopedie las hij een intrigerend stukje over speeltrommels:

 

Bij het trommelspeelwerk wordt de muzikale informatie door middel van toon-stiften op een speeltrommel gestoken. Bij het ronddraaien van de trommel passeren de stiften, ook wel noten genoemd, een reeks lichters die via draden speelhamers van de klok trekken. De hamers vallen vervolgens terug op de klok, waarna ze door een veer weer van de klok worden teruggeduwd. In het traject tussen de lichter bij de speeltrommel en de hamer bij de klok bevindt zich de tuimelaar, een gehoekte hefboom, die het mogelijk maakt de trekrichting te veranderen.                                                                                                                                                                                                           (uit: L.J. Meilink-Hoedemaker: Jan Schol en de verloren tuimelaar)  

 

Het liedje uit de speeldoos zeurde nog na in zijn hoofd en in gedachten zag hij de speeltrommel voor zich die het melodietje kon voortbrengen. Het deed hem denken aan de populaire pianola’s en plotseling kreeg hij een idee. Haastig bladerde hij verder in zijn encyclopedie en vond wat hij zocht: 

Het automatische weefgetouw krijgt informatie over het te weven patroon door middel van een band waarin gaten zijn geponst. De band wordt in de machine gedaan en met een draaimechanisme op de juiste plaats gezet. Waar gaten in de band zijn geponst, kunnen stangen doorgelaten worden. Op plaatsen waar geen gat zit, worden de stangen door de band tegengehouden. Door de band te vervangen, kan een ander patroon geweven worden. De machine bespaart werk, werkt sneller en er worden minder fouten in de patronen gemaakt.

 

De uitvinding van Jacquard was al meer dan honderd jaar oud maar nog steeds werden er nieuwe toepassingen bedacht. Dus waarom niet in de speeldoos, of in het grote werk, de klokkentoren?

   Charles Flint rekte zich uit in zijn ligstoel op het dek van zijn jacht. Zijn verkoudheid was zo goed als over en hij had behoefte aan beweging. Zijn muzikale vrouw kon hoog of laag zingen (hij gniffelde om zijn eigen woordspeling) maar de tijd was rijp voor actie.

   Uitkijkend over de Caraïbische Zee snoof hij waarderend de guanogeur van het nabijgelegen Navassa op en bedacht dat hij zijn zaakjes goed voor mekaar had. Hij had zich tijdens zijn leven steeds ingespannen om kleine, vaak noodlijdende bedrijfjes samen te voegen, waardoor ze weer opleefden en hoewel men er tegenwoordig nogal laatdunkend over deed, beschouwde hij zichzelf met enige trots als de ‘godfather van de trusts’.

   Hij stond op en keek uit over een strakblauwe zee. Alleen aan de horizon zag hij wat cumuluswolken. De baai waar het jacht voor anker was gegaan, lag er uitnodigend bij en hij aarzelde niet toen hij vanaf de voorplecht het heldere water indook.

 

‘Meneer Flint! Meneer Flint!’

   Eén van de bemanningsleden, zo te horen was het Webster, hing over de reling.

   ‘We hebben contact met Washington.’

   Webster was in de eerste plaats machinist maar hij had een onstuitbare belangstelling voor alle technologische vruchten van zijn tijd. Mede door zijn enthousiasme was het schip uitgerust met moderne communicatieapparatuur zoals een radiotelegraaf en een kortegolfzender.

   Charles gebaarde dat hij de boodschap had begrepen. Hij zwom terug naar het jacht en klom aan boord. Kate, zijn echtgenote, stond klaar met de handdoek. Ze keek hem bezorgd aan maar ze zei niets. Met de handdoek om zijn hals begaf Charles zich naar de radiohut. Hij zette de koptelefoon op en liet Webster weten dat hij klaar was om het gesprek met Washington te voeren.

   ‘Hé, Sherburne, ouwe boef! Hoe gaat het?’

   Sherburne Hopkins behartigde al een tijdje een aantal van Flint’s belangen en ze gingen vriendschappelijk met elkaar om. Charles luisterde enige tijd, knikte en luisterde op-nieuw terwijl hij met een hand door zijn haar streek.

   ‘Verdraaid vervelend voor je. Maak je over mij geen zorgen, ik dacht niet dat mij iets an-ders valt te verwijten dan een gezonde hebzucht,’ grinnikte hij. ‘En ik was ook niet van plan naar Europa te gaan. Doe de groeten aan je vader en nogmaals, maak je geen zorgen om mij.’

   De verbinding werd verbroken. Charles wendde zich tot Webster.

   ‘Probeer Watson voor me te pakken te krijgen. Waarschijnlijk zit-ie in New York.’

   Terug aan dek liep hij naar de ligstoelen waar Kate het zich inmiddels ook gemakkelijk had gemaakt. Op een tafeltje tussen de stoelen stond een blad met ijsthee. Terwijl hij zichzelf inschonk sprak hij langs zijn neus weg dat het speeldoosje dat hij gekregen had een prul was, maar het had hem wel op een idee gebracht. En omdat ze niet reageerde voegde hij eraan toe:

   ‘Er is ingebroken bij Hopkins. Alle correspondentie is weg.’ 

   ‘Is dat erg?’

   Hij staarde in de verte. De cumuluswolken waren een stuk groter geworden. Het zag er eigenlijk best dreigend uit. Hij wilde er juist iets over zeggen toen hij de stuurman het bevel hoorde geven om het anker te lichten. Ze zouden terugvaren naar een beschutte plek langs de kust van Haïti.

   ‘De Oostenrijkse troonopvolger is vermoord. Volgens Sherburne kan dat nog heel wat gerotzooi geven in Europa’.

   ‘En dat vind jij erg?’ Kate keek hem quasi verontwaardigd aan. Ze doelde klaarblijkelijk op de belangstelling die Charles bij de verschillende Europese regeringen had gewekt voor de uitvinding van hun vrienden Wilbur en Orville Wright.

   ‘Zakelijk gezien kies ik geen partij,’ meesmuilde Charles, ‘maar Amerikanen met een Duitse naam wantrouw ik als de pest. Neem nou Heinz…’

   Hij hield zijn mond en verzonk in gedachten. Met respect had hij gezien hoe het imperium van Henry Heinz zich ontwikkelde. Eigenlijk was hij jaloers. Hijzelf had een consortium opgebouwd dat zijn wortels had in de inventiviteit van een handje vol geniale uitvinders. Maar Heinz was uitgegaan van eetbare producten - die er altijd al waren – en bedacht een menslievende manier om een zo groot mogelijk publiek te binden. Met menslievendheid bedoelde hij hygiënisch en smaakvol, niet alleen van de producten maar vooral ook van de werkomstandigheden. Het personeel mocht het aan niets ontbreken. Intrigerend.

 

Het jacht voer dicht onder de kust van Haïti en het zag er gelukkig naar uit dat ze het verwachte noodweer zou omzeilen. Er was geen reden om de beschutting van een haven op te zoeken, ze konden hier voor anker gaan of nog een tijdje blijven varen. Kate gaf de voorkeur aan het laatste.

   Toen er na verscheidene uren nog steeds geen verbinding tot stand gekomen was met Thomas Watson besloot Charles om een telegram op te stellen. Dat zou dan door middel van de internationaal erkende Morsecode kunnen worden verstuurd:

 

contact henry heinz in pittsburg - maakt wel honderd sauzen in eigen fles - maakt flessen in eigen glasfabriek - klus voor ctr - contact glenn curtiss in miami - heinz vloog nog nooit in watervliegtuig – vindt-ie leuk – denk na over speeldoos

 

Die laatste opdracht was wat cryptisch maar zou desondanks zijn doel niet missen: het zou topmanager Watson aan het denken zetten, een activiteit die Flints collega  had verheven tot zijn leidende motto: DENK NA!

   Dat had hij niet altijd gedaan en daar plukte hij nog steeds de wrange vruchten van.

 

Ooit was Thomas Watson als verkoper niet zo succesvol geweest. Hij had onder andere geprobeerd als colporteur muziekinstrumenten te slijten aan boerenbedrijven. Geruime tijd leverde hem dat een inkomen op waarvan hij kon leven. Het voornaamste was dat hij plezier had in het werk en tevreden was met de opbrengst.

   Dat veranderde toen het bij de boerenpummel die hij eigenlijk was, begon te dagen dat hij zich door zijn naïviteit lelijk had laten uitbuiten. Terwijl hij voor een mager uurloontje langs de dorpen zwierf, werkten meer ervaren verkopers op provisiebasis. Hij bedacht dat een stedelijke omgeving en een commissie in plaats van een uurloon meer geld in het laatje zouden brengen en hij toog naar de grote stad.

   In Buffalo ging Thomas met naaimachines langs de deur maar het ging al gelijk mis toen zijn handel gestolen werd terwijl hij zijn roes lag uit te slapen. Eén ding leerde hem dat wel: overmatig alcoholgebruik en geld verdienen gingen niet samen.

   Er volgde een moeizame periode van vallen en opstaan.

   Uiteindelijk scharrelde hij genoeg geld bij elkaar om een slagerijtje te beginnen. Maar het vooruitzicht van een kleinburgerlijk bestaan als middenstander, mits de zaak überhaupt een toekomst zou hebben, sprak hem toch niet aan en hij deed hem weer van de hand. De kassa, die hij al had aangeschaft, hoorde bij de inboedel en om de termijnbetaling over te laten schrijven op naam van de nieuwe eigenaar, nam hij contact op met het bedrijf waar hij de kassa gekocht had.

   Daar ontmoette hij de ervaren verkoper John Range, die hem onder zijn hoede nam.

   Range leerde hem kassa’s verkopen voor de National Cash Register Company (NCR). Hier geen schouderklopjes en hielenlikkerij, zoals gebruikelijk was in die tijd, maar goe-de voorlichting over het nut van een kassa voor een goede bedrijfsvoering en om diefstal van los geld te voorkomen. En natuurlijk waren de kassa’s van de NCR de beste.

   De twintigjarige Thomas had grote bewondering voor de ervaren verkoper van de NCR en toonde zich een voorbeeldige leerling. Binnen korte tijd verwierf hij een leidinggevende positie in Rochester. Zonder scrupules werden onder zijn leiding concurrerende firma’s verdacht gemaakt door ze te betichten van duistere manipulaties (waar hij zich dus zelf schuldig aan maakte) en werden hun producten afgekraakt. Watson ging zelfs zover dat hij onder zijn eigen naam gebruikte kassa’s ver beneden de gangbare prijs aanbood, enkel en alleen om de omvangrijke tweedehands sector in kasregisters de das om te doen.

   Met deze illegale maar niet ongebruikelijk activiteiten had hij zoveel succes dat hij een toppositie veroverde als rechterhand van de oprichter van de NCR, John Patterson. Het be-drijf werd echter aangeklaagd wegens het overtreden van de Sherman Antitrust Act en Thomas Watson werd als één van de verantwoordelijken veroordeeld tot een jaar gevan-genisstraf (hij zou nooit daadwerkelijk naar de gevangenis gaan; trouwens, de meeste za-kenlui hadden zijn handelswijze wel kunnen waarderen).

   De samenwerking met John Patterson beviel hem echter niet. Patterson betaalde zijn verkopers goed, maar als het even wat minder ging, vloog je er ook zo weer uit. Naast de-ze wat onberekenbare despoot voelde Watson zich niet op zijn gemak en hij besloot uit te kijken naar een andere werkomgeving. Toen hij vernam dat de CTR van Charles Flint op zoek was naar een manager aarzelde hij dan ook niet en bood zijn diensten aan. Dat was een gelukkige zet want in hetzelfde jaar dat Flint hem aannam, werd hij door Patterson ontslagen.

 

 

Vanaf het moment dat Thomas Watson de methodistenkerk in Leamington, Ontario binnenging, had hij het gevoel dat hij thuiskwam. Het sobere interieur deed hem sterk denken aan ‘zijn’ kerk van de afgelopen jaren in Dayton. Hij vermeed het om aandacht te trekken want de bruiloft was al begonnen; gelukkig waren er achterin de kerk nog lege plaatsen.

   Nadat hij Flints telegram had gelezen, had Watson even nagedacht. Hij had contact opgenomen met Pittsburg – zoals hem was opgedragen – en had vernomen dat Henry Heinz in Canada zat. Hij was onmiddellijk in zijn splinternieuwe Chevrolet Classis Six op weg gegaan naar het noorden en had in Cleveland tevergeefs geprobeerd Glenn Curtiss te pakken te krijgen. Zowel in Baddeck als in New York had men geen idee waar de vliegenier te bereiken was. Het leek erop dat de Amerikaanse regering, in verband met de spanningen in Europa, al zijn aandacht opeiste. Vandaar dat hij besloot de grens dan maar varend te passeren en in de haven had hij een boot gevonden die hem meenam naar de overkant van  het Erie-meer.

   In de omgeving van Leamington was het hem direct opgevallen wat een slimme zet het van die Duitse immigranten was geweest om juist hier een fabriek voor voedselverwerking te vestigen. In de wijde omtrek werden gewassen geteeld en dat waren overwegend tomaten en augurken. Te midden van die agrarische bedrijvigheid had Heinz zijn ketchupfabriek opgetrokken.

   Het werd hem al snel duidelijk dat de president directeur niet in zijn riante kantoor zat maar te gast was op de bruiloft van een van zijn jongere medewerkers. Watson vroeg zich af of de oude man soms kinds was geworden maar bedacht daarop dat Heinz gewoon een levensgenieter was. Welke rijkaard sluit zich nou op in een duf kantoor als je ook ergens feest kunt vieren?

   Vanaf zijn zitplaats achterin de kerk zag hij dat er veel jonge mensen aanwezig waren. Hij vermoedde dat het grijze hoofd met uitstaande bakkebaarden op de tweede rij toebehoorde aan de persoon voor wie hij was gekomen. Er zou straks wel een informeel moment komen waarop hij gepast kennis kon maken.

   Na de kerkelijke inzegening werd de feestelijke gebeurtenis voortgezet in een nabijgelegen uitspanning. Daar was hij op de oude man, die onmiskenbaar Henry Heinz moest zijn, toegestapt en had zich voorgesteld. De schrandere magnaat wist onmiddellijk wie hij voor zich had, tenslotte had Thomas Watson nogal een reputatie opgebouwd. Voor sommigen als schurk, voor anderen een held.

   ‘Ach, meneer Watson, wat leuk om u hier te treffen te midden van deze baldadige kinderen’. Heinz gebaarde opgewekt naar de stoeiende jeugd tussen de tafels.

   Thomas was op zijn hoede. De drukke kinderschare was hem niet ontgaan en het verbaasde hem dat er enige amusementswaarde aan zou kunnen worden ontleend. Maar de oude baas leek zeer vergenoegd.

   ‘Vertel op, man. Je hebt vast iets op je lever. Ha, ha’.

   ‘Inderdaad, meneer Heinz. Ik ben hier namens Flint. Maar laat ik u eerst feliciteren met het bruidspaar. Familie?’

   ‘Mijn bedrijf is één grote familie’. Henri Heinz keek hem nu ernstig aan. ‘Elk personeelslid beschouw ik als één van mijn kinderen en voor mijn kinderen wil ik alleen het beste. Je kunt een bedrijf voeren met verstand, en dat is wel zo verstandig (grinnik). Maar je moet een bedrijf ook voeren met je hart. Ik wil dat iedereen die voor mij werkt daar trots op is. En dat kan alleen als ze volledig achter het bedrijf staan, wat u?’

   Terugdenkend aan zijn avonturen bij de NCR van Patterson ontlokte aan Thomas de sterke neiging om hem gelijk te geven. De bittere competitieve stemming onder de verkopers en de bullebakkerige bruut Patterson lagen hem nog vers in het geheugen. 

   ‘Maar u bent hier namens Charles Flint’, hervatte de Pickle King, ‘Dan zult u wel een interessant ideetje hebben. Als het maar niet over fuseren gaat, hoop ik?’

   Thomas legde uit hoe het tellen en sorteren van de verschillende flessen geautomatiseerd zou kunnen worden en hij had alle aandacht die hem op dat moment haalbaar leek. De belangstelling van de president directeur was voldoende gewekt om er met zijn zoon Howard van gedachte over te gaan wisselen. Het gesprekje was afgelopen en de magnaat wenste zich weer aan zijn kinderen te wijden.

   Thomas vond dat hij daarmee (het gesprekje) niet alleen aan de wens van Flint had voldaan, maar dat hem tevens een gratis advies in de schoot was geworpen dat hij niet in de wind moest slaan. Het idee om in je bedrijfsvoering ook aandacht te hebben voor emotionele zaken moest nog wel rijpen maar zou hem geen windeieren leggen.

 

Later dat jaar, in oktober, organiseerde Howard Heinz samen met enkele vrienden van de familie een ‘surprise party’ ter gelegenheid van zijn vaders zeventigste verjaardag. Eén van de vele genodigden was Charles Flint.

   In de hoop dat het dit keer wel zou lukken om een vlucht met een watervliegtuigje te arrangeren, had hij zich in verbinding gesteld met de Curtiss Aeroplane Company. Maar opnieuw mislukte zijn poging om Henry Heinz te verrassen. De eerste wereldoorlog gooide ook nu weer roet in het eten.

   Pas in het voorjaar van 1919 slaagde Flint er eindelijk in om Henri Heinz te trakteren op een tocht met een vliegboot boven het Erie Meer, compleet met opstijgen vanaf en landen op het water. Helaas was er geen geschikte vliegkleding voorhanden. Desondanks genoot de oude man als een kind en kon er geen genoeg van krijgen.

   Eenmaal thuis in Pittsburg werd Heinz echter onwel. Korte tijd later overleed hij aan een longontsteking.

 

Na afloop van de begrafenisplechtigheid waar Flint en Watson uiteraard ook bij waren, trok de laatste de aandacht door uit zijn Classis Six een forse muziekdoos tevoorschijn te halen waaraan hij na enkele ingrepen de bemoedigende tonen van een populaire gospel ontlokte. Die frivoliteit werd over het algemeen met gemengde gevoelens ontvangen maar Charles Flint was enthousiast. Vooral toen Watson hem liet zien hoe het apparaat met behulp van verschillende ponsplaten over een meervoudig repertoire kon beschikken. Hij hoefde alleen maar een plaat te vervangen en er klonk een andere gospel, die hij daarna liet volgen door een requiem.

   ‘Hij kan ook vrolijke dansjes spelen, maar dat lijkt me nu niet zo gepast,’ verklaarde Thomas met een schuin oog naar de naaste familie van de gestorven ondernemer. ‘Het wordt wel een automatofoon genoemd. We hebben nu ook ponsbanden. Daar zit pas muziek in. Daar verwacht ik heel wat van.’

   Flint had ondertussen zijn aandacht verlegd naar de automobile.

   ‘Hoe lang doe je erover naar Washington?’

   ‘Nou, ik ben wel een paar uurtjes onderweg. Maar hij is wel comfortabel. En je bent veel vrijer dan met de trein. Meerijden?’

   Voordat hij kon reageren werd Charles afgeleid door een naderende vrouwenfiguur. Hij kon haar niet onmiddellijk thuisbrengen maar er was iets aan haar verschijning dat hem alarmeerde. Toen zag hij het.

   Wel verdomme … Margarita?

   Als een onverwachte golf in de branding buitelde de overweldigende herinnering door zijn hoofd. Zijn lijf, zijn leden, alles aan hem begon te tintelen. Het duurde maar even al leek het hem een eeuwigheid. Een korte blik op Watson leerde hem dat die niets had gemerkt. Onder het mompelen van een verontschuldiging wende hij zich af en liep de vrouw tegemoet.

   Met gemengde gevoelens dacht hij terug aan het lieftallige maar tegendraadse meisje dat hij in Peru had leren kennen. Hij was verrukt van haar geweest. Maar zo onderdanig en meegaand als ze in bed was, zo dwars en balorig was ze daarbuiten. Ze had hem zelfs opgezocht in de States toen hij allang uit Peru was vertrokken. Opnieuw was hij gevallen voor haar onweerstaanbare charme. Hij had haar geld gegeven, veel geld, om de wereld te behoeden voor groot onheil (wat dat dan ook wezen mocht). Meer tijd en aandacht had hij niet voor haar gehad. Met een lichte huivering vroeg hij zich af wat ze van hem wou.

Maar de vrouw liep hem straal voorbij. Al haar aandacht leek te zijn gericht op Watson die daar kennelijk nog geen vermoeden van had. Flint realiseerde zich dat de jonge vrouw natuurlijk Margarita nooit had kunnen zijn, daarvoor was het al te lang geleden. Het was zijn herinnering geweest aan die onhanteerbare Peruaanse die zo op zijn gemoed had weten te werken. Misschien een licht schuldgevoel? Hij schudde zijn hoofd.

   Achter zich hoorde hij de vrouw tekeer gaan tegen Watson. Niet geheel gespeend van leedvermaak draaide hij zich om en zag nog net hoe zij in de armen viel van zijn protegé. Een licht gevoel van jaloezie en ouderdomsbesef lardeerden de gedachten aan zijn somtijds onbezonnen idealisme en naïeve investeringen. Het leek wel een natuurwet: invloedrijke mannen vonden troost door zich over te geven aan een visioen, een hersenschim, een zinsbegoocheling. Het was veel meer dan seks, het temmen van de feeks. Het was de beteugeling van een droom. Het was de verovering.

   Hij stak een begripvolle hand op naar Watson die een verontschuldigend gebaar maakte nadat hij de dame had geholpen met instappen en vervolgens achter het stuur plaatsnam. De automatische koets draaide een halve slag en reed de oprijlaan uit. Flint keek de zelfrijdende wagen een beetje afgunstig na terwijl deze verdween in een wolk van stof.  

   Hij liep terug naar de receptie waar hij werd gefêteerd op een paar andere nationale noviteiten: een peulvormig flesje Coca Cola en een hotdog. Met Heinz’ tomatenketchup. Hij glimlachte ingetogen. De toekomst was begonnen. 

 

  

Charles Flint had de succesvolle maar nogal gewetenloze verkoper Thomas Watson aangetrokken om hem te helpen bij het leiden van de CTR. Dat was een meesterzet. Het bedrijf zou uitgroeien tot een gigant van wereldformaat dat in 1924 werd omgedoopt in International Business Machines Corporation (IBM). Paradoxaal genoeg is de veroordeelde crimineel Watson ook verantwoordelijk voor de hoge morele standaard bij IBM.

   Het bedrijf van Henry Heinz produceerde smaakmakers vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Onder leiding van zijn zoon Howard en kleinzoon Henry Heinz II groeide de zaak uit tot een multinationale voedselproducent met aandacht voor verantwoordelijke bedrijfsvoering. Oprechtheid, integriteit en een ondubbelzinnig morele standaard hebben altijd hoog in het vaandel gestaan.

   De Amerikaanse vrijmetselarij (freemasonry) kent vele invloedrijke figuren alsmede anonieme begunstigers die de organisatie van financiële middelen voorzagen om ideële netwerken te ontwikkelen, zoals Het Instituut. 

Een Evolutionair Stabiele Strategie (ESS) is een evolutionair evenwicht binnen een populatie waarbij het voor elk lid niet de moeite loont om een andere strategie te hanteren dan die welke door de meerderheid van de populatie wordt gehanteerd. Kortom, elk lid kan zich binnen een ESS maar beter conformeren. De Britse bioloog John Maynard Smith ontleende in 1973 het concept – equilibrium – aan de speltheorie en gaf het een plaatsje binnen de populatiebiologie.

 

Equilibrium

Het equilibrium (evenwicht) wordt, naar de wiskundige Nash die het begrip in 1950 in de speltheorie invoerde, ook vaak Nash-evenwicht genoemd. Van alle mogelijke uitkomsten van een ‘spel’ vormen de evenwichten een deelverzameling met het volgende kenmerk: gegeven de keuzen van de andere spelers, had geen van de spelers, door eenzijdig een andere keuze te maken, voor zichzelf een betere uitkomst kunnen realiseren. Als een spel een ‘oplossing’ heeft, moet het een equilibrium zijn. De speltheorie veronderstelt namelijk dat alle spelers rationeel zijn en van elkaar weten dat ze rationeel zijn.

   Als het spel een oplossing heeft, kan iedere speler van alle andere spelers verwachten dat zij de bijbehorende strategie zullen kiezen. Dat moet geen van de spelers een reden geven om alsnog een andere strategie te kiezen. Zulks zouden de andere spelers dan immers kunnen voorspellen.

   Niet alle spelen hebben een equilibrium, althans niet zolang alleen naar zogenaamde ‘zuivere strategieën’ wordt gekeken. Spelers kunnen echter ook gemengde strategieën volgen, waarbij zij hun keuze met behulp van een dobbelsteen bepalen. Een speler kan zichzelf bijvoorbeeld een kans van 40% geven dat hij strategie a, en van 60 % dat hij strategie b volgt. Als rekening wordt gehouden met gemengde strategieën, blij kt ieder spel tenminste één equilibriumuitkomst te hebben. Hieruit volgt echter niet dat ieder spel een oplossing heeft. We kunnen aantonen dat, als het spel een oplossing heeft, het een equilibrium moet zijn. Dat laat de mogelijkheid open dat sommige spelen wel tenminste één equilibrium hebben, maar geen oplossing. In het verleden hebben speltheoretici (onder wie Harsanyi) vaak oplossingsconcepten bepleit op grond van argumenten die uitgingen van de aanname dat de desbetreffende spelen een oplossing hadden. Zulke argumenten berusten op een petitio principii.

 

Speltheoretische inzichten

Sommige spelen hebben meer dan één equilibrium. Als een zuiver coördinatiespel, dat wil zeggen een spel waarin alle spelers precies dezelfde voorkeursordening over de mogelijke uitkomsten hebben, meer dan één equilibrium heeft, heeft dat spel geen oplossing. Thomas Schelling suggereerde in 1960 dat spelers van zo’n spel in de praktijk de strategie kiezen die er op de één of andere wijze het meest ‘uitspringt’: het principe van salience. Lewis ontwikkelde uit dit idee in 1969 zijn conventie theorie. Als de spelers zich herhaaldelijk in eenzelfde zuiver coördinatiespel met meer dan één equilibrium bevinden, en daarin al enkele malen strategieën hebben gekozen die tot een van die equilibria leidden, dan zal de gekozen strategie als zodanig eruit springen. Precedent is een vorm van salience. Zulke spelers zullen van elkaar gaan verwachten dat ze ook de volgende keer diezelfde strategie zullen kiezen, weten dat ze dat van elkaar verwachten, weten dat ze dat weten enzovoort. Zo’n patroon van wederkerige verwachtingen betreffende de te kiezen strategie is een conventie. Een vergelijkbare analyse is al bij David Hume te vinden.

   In veel gevallen zullen de spelers de equilibriumuitkomsten boven alle andere prefereren, maar betreffende die uitkomsten verschillende voorkeursordeningen hebben. Zo’n onzuiver coördinatiespel geeft aanleiding tot onderhandelingsgedrag. Een belangrijk onderdeel van de speltheorie is de onderhandelingstheorie. Om te bepalen wat de rationele keuze is in een onderhandelingsspel, moet allereerst vastgesteld worden welke uitkomst de spelers zonder onderlinge afstemming van hun keuzen hadden kunnen bereiken: de status quo, of de ‘natuurtoestand’. Concepties van het status quo punt verschillen in de manier waarop zij rekening houden met het vermogen van de spelers om elkaar schade toe te brengen en van dat vermogen in dreigementen gebruik te maken. Ook over de wijze waarop het onderhandelingsresultaat dat rationele spelers zullen bereiken vanuit het status quo punt kan worden bepaald, verschillen de meningen. De argumenten voor de rivaliserende oplossingen van het onderhandelingsspel blijken alle te berusten op de aanname dat er in elk geval een oplossing is. Dat is, zoals gezegd, een petitio principii.

   Van sommige evenwichten is het a priori onaannemelijk dat ze het resultaat kunnen zijn van rationele keuzen onder realistische omstandigheden. Dat is met name het geval wanneer een speler grote risico’s loopt als zijn partner zich vergist, of toch andere dan de aangenomen voorkeuren heeft. Een evenwicht dat ook in die gevallen aantrekkelijk blijft, wordt een ‘bevende hand evenwicht’ genoemd.

   Ook in de evolutietheorie worden speltheoretische inzichten gebruikt. Daarbij wordt dan niet uitgegaan van rationele spelers, maar van “spelers” die door een proces van natuurlijke selectie minder succesvolle strategieën verruilen voor meer succesvolle. Het centrale begrip in deze evolutietheoretische benadering is dat van de ‘evolutionair stabiele strategie’ (Smith 1982). Dat is een keuze die voldoet aan twee voorwaarden: de strategie is een minstens even goed “antwoord” op een gelijke keuze van de partner, en als er andere even goede antwoorden op deze keuze zijn, dan zijn die op zichzelf minder goede antwoorden dan de evolutionair stabiele strategie. Voor spelers die dezelfde handelingsalternatieven en voorkeursordeningen hebben, komt dit neer op een bevende hand evenwicht. Sociobiologen hebben aannemelijk gemaakt dat allerlei maatschappelijke normen (bijvoorbeeld wederkerige bijstand) en instituties (bijvoorbeeld eigendom) evolutionair stabiele strategieën zijn.

 

Speltheorie voor economen

Veel situaties in de economie kunnen beschouwd worden als een spel. Bedrijven in dezelfde markt concurreren door middel van prijzen of door middel van hun aanbod: niet voor niets is er in krantenberichten vaak sprake van ‘spelers’ in een markt. Bieders in een veiling – van kunstvoorwerpen, maar ook van openbare aanbestedingen van publieke projecten – spelen onderling een spel: men tracht te gissen wat andere bieders zullen doen, en probeert het eigen bod daaraan aan te passen. Ook in de politiek is er vaak sprake van een spel. Politieke partijen kiezen onderling posities om zoveel mogelijk stemmen te verwerven. Kiezers maken een inschatting van hoe andere kiezers zullen stemmen, en bepalen op basis daarvan hun eigen keuze. De speltheorie biedt een uitgebreid instrumentarium om dergelijke situaties wiskundig te modelleren en te analyseren. Het belangrijkste hierbij is de eerste fase: die van het modelleren. Dit betekent in de eerste plaats: vaststellen wie de spelers zijn. Vervolgens moet worden bepaald welke mogelijke acties en welke mogelijke strategieën een speler heeft. Het verschil tussen ‘actie’ en ‘strategie’ is vergelijkbaar met het verschil tussen het uitspelen van één kaart en het maken van een volledig speelplan in een spelletje bridge. Tenslotte moet bepaald worden welke uitbetalingen de spelers krijgen, afhankelijk van de gespeelde strategieën. Daarnaast moet ook nog vastgelegd worden welke informatie de spelers aan het begin van het spel hebben, en welke informatie ze gedurende het spel krijgen. Onzekerheid speelt hierbij in het algemeen een grote rol, zowel in de vorm van objectieve kanszetten – vergelijk met het delen van de kaarten aan het begin van een spelletje kaart – als in de vorm van subjectieve kansen, dat wil zeggen inschattingen van wat andere spelers gaan doen of gedaan hebben. De spelen die we op deze manier verkrijgen worden in het algemeen met de term niet-coöperatief aangeduid: ieder speler speelt voor zichzelf en bepaalt zijn eigen strategie. In de speltheorie gaat het om het maken van beslissingen. Als er een beslissing gemaakt wordt, heeft dit vaak gevolg(en) voor jezelf maar ook voor anderen. Denk aan het uitgeven van geld. Jouw hoeveelheid geld wordt minder en op hetzelfde moment wordt de hoeveelheid geld van de ontvanger juist meer. Het is dus belangrijk om te weten te komen welke beslissing de juiste is en/of welke beslissing het meeste zal opleveren. Om dit soort antwoorden te weten te komen, worden technieken uit de speltheorie gebruikt. De speltheorie kent vele begrippen en methodes.

   Het maken van een beslissing moet dus zo optimaal mogelijk gebeuren zodat het resultaat van de gemaakte beslissing het meeste oplevert. Dit resultaat wordt de payoff van de beslissing genoemd. Het vergelijken van resultaten van verschillende beslissingen is natuurlijk ingewikkeld, daarom krijgt elk resultaat zijn eigen waarde en dus zijn eigen payoff.

   Bekijk een situatie waarin twee personen allebei de meest optimale beslissing willen nemen. Zo’n situatie is eigenlijk een soort spel waarin allebei de spelers de hoogst mogelijke payoff willen verdienen als gevolg van hun beslissingen. Het kiezen voor een bepaalde beslissing is de zogenaamde strategie van een speler. Beide spelers hebben dus een eigen strategie om het spel te spelen en de spelers kunnen kiezen uit hun zogenaamde strategie ruimte.

   Om te weten te komen welke beslissing optimaal is voor beide spelers moet er eerst worden bepaald welke strategie het beste gekozen kan worden tegenover de strategie van de tegenspeler. De strategie van een speler is een best reply als het een hogere of even hoge payoff oplevert als de strategie van zijn tegenspeler. Als beide spelers hun best reply spelen, eindigt het spel in een evenwicht, het zogenaamde Nash evenwicht.

   De Trust Game gaat om vertrouwen hebben in elkaar en het vertrouwen van de andere speler eventueel belonen. De trustor kan bijvoorbeeld vertrouwen hebben in de trustee, maar de trustee hoeft niet ook gelijk vertrouwen te hebben in de trustor. Vertrouwen hebben in elkaar is dus een wisselwerking. Met dit spel is daarom onderzocht of het vertrouwen hebben in een speler ook daadwerkelijk wordt beloond door de andere speler. De Trust Game is een sequentieel spel bestaande uit twee rondes waarin keuzes worden gemaakt. Daarna is het resultaat van het gespeelde spel bekend in termen van payoff.

   De trustor kan kiezen om te spelen en vertrouwen te hebben of om niet te spelen en dus geen vertrouwen te hebben in de trustee. Wanneer de trustor vertrouwen heeft, kan de trustee vervolgens kiezen om samen te werken en de winst te delen, of om niet samen te werken en de winst voor zichzelf te houden. Er wordt een wraak parameter geïntroduceerd waarmee de trustors de trustee’s kunnen straffen. Deze straf uit zich in een lagere payoff voor de desbetreffende trustee. Dit spel is dus eerder een psychologisch of sociologisch model dan een economisch model. De spelers hanteren namelijk een norm die ontstaan is uit situaties waarin de trustee het risico liep om gestraft te worden door de trustor.

   De trustor kan er ook voor kiezen om vertrouwen te hebben in de trustee, terwijl de trustee op zijn beurt het vertrouwen van de trustor niet beloont. De trustor zou dan wraak willen nemen op de trustee. Deze wraak zorgt ervoor dat de payoff van de trustee in mindering wordt gebracht door de trustor wordt ondersteund met een morele code. Volgens deze morele code delen de trustors eerlijk de kosten om de trustee’s, die het vertrouwen van de trustor niet belonen, te straffen en de trustors wisselen uit welke trustee het vertrouwen in het verleden niet heeft beloond. Op deze manier weten de trustors welke trustee ze moeten vermijden in een volgend spel. Deze morele code is erg aantrekkelijk voor de trustors, echter sommige trustors zouden graag de kosten voor het delen van de informatie niet willen betalen. Dit deel van de trustors werkt dus niet mee aan de morele code. Het voordeel is dat ze een hogere payoff ontvangen, maar een nadeel ervan is dat ze niet weten welke trustee hun vertrouwen niet zal gaan belonen. Het andere deel van de trustors wil wel graag meewerken aan de morele code. Zij hebben dan dus wel toegang tot de informatie over de trustee’s, maar hun payoff wordt wel in mindering gebracht doordat zij hiervoor betalen.

 

 

 

 

De prikklok (1888) wordt het symbool van de moderne slavenarbeid.
Het fenomeen ontleent haar legitimiteit aan de misvatting die macht gelijkstelt aan recht.

 

 

L&B: iSLAM                  MOHAMMED, DE MUSICAL

 

  

Eindelijk is het zover. Na BINT, de muzikale show rondom de genetisch gemanipuleerde aardappel en ANNEKETANNEKE, de kermisattractie die zijn succes ontleende aan Het Achterhuis, is er nu MOHAMMED, een musical over het leven van de profeet.

 

Er zijn wel enkele voorwaarden gesteld aan de poperette over het leven van de profeet. Het dient allereerst een educatief karakter te hebben. De fictieve geleerde Abu Al-Razi, die een geleidelijke ontwikkeling van de mens predikt, moet jubelend ten onder gaan ten faveure van de schepping door de almachtige Allah. Dat jubelen zou in een musical geen probleem hoeven te zijn, ware het niet dat een tweede voorwaarde luidt dat er niet gezongen mag worden. Volgens de makers is dat een bagatel. Een musical zonder liedjes is volgens hen geen probleem. Zolang het maar geld oplevert. 

   Meer moeite hebben ze gehad met het vinden van een geschikte cast. Veel bekende musicalacteurs vielen af vanwege hun Westerse uitstraling. Favoriet voor de filmversie was de gevierde Britse komiek Sacha Cohen, maar hij is een Jood! Dat ging echt te ver. Ondanks protesten van de internationale toonkunstenaarsbond zijn de makers gezwicht voor protesten uit Islamitische hoek. Men heeft tenslotte gekozen voor Jonathan Banks. 

 

De Nederlandstalige theaterproductie had met dezelfde problemen te kampen. Cabaretier Michel Wertheim werd gevraagd, maar die laat zich niet meer zien. De Vlaamse stand-up comedian Philippe Geubels leek een prima alternatief (hoe minder de profeet is te verstaan hoe beter) maar die wist het productieteam ervan te overtuigen dat Stijn Keuleers een betere keus zou zijn. Waarvan acte. 

   De première is wel even opgeschort in verband met een dreigement van PVV-ideoloog Martin Bosma dat elke ode aan geitenneukers kan rekenen op een gewelddadige sabotage van de voorstelling door de slagersbond. Zo dreigt opnieuw het vrije woord het zwijgen te worden opgelegd door de belangenbehartiging van een collectief. 

   Niettemin zal het hooggeëerd publiek binnenkort worden gefêteerd op een triomf van liberaal ondernemerschap. De cd is inmiddels in de winkel verkrijgbaar, inclusief de instrumentale hit ‘عائشة، سحب البرقع الخاص بك. Smakeloosheid loont.   

 

http://www.mohammeddemusical.com

DE ‘DOM’ VAN MEKKA

 

 

HOMO DOMITOR, MENSENTEMMER

Onderwerping van de wereld

 

 

 

Over de geschiedenis van de mens is veel gespeculeerd, gefilosofeerd, ondersteboven gehaald en afgestraft. Wie het wéét mag het zeggen. Wat we wéten is dat we er zijn, en wat ís, heeft een geschiedenis. Toch?

   Sommigen menen dat alles altijd bij het oude blijft, dat elke verandering bedrieglijk is. Als een dolle schroef: hij draait wel maar klikt telkens terug. Een mens wordt geboren en gaat dood. Telkens weer opnieuw. Er verandert niets. De geschiedenis als een voortdurende herhaling van dezelfde zetten. Deze mensen treden in het voetspoor van Parmenides die al meer dan vijfhonderd jaar vóór onze jaartelling beweerde dat de zintuiglijke waarneming ons een loer draait.

   Anderen vermoeden dat er weldegelijk vooruitgang is, zelfs als we die niet waarnemen. Zoals het verdampen van water: dat zie je ook niet direct gebeuren. Ons leven duurt te kort om op de geologische tijdschaal enige verandering te kunnen onderscheiden. Maar de rivier die stroomt door de tijd is volgens Heraclitus nooit dezelfde.

   Het ontstaan van de Homo sapiens trekt veel aandacht, evenals het uitzwermen van de mens over de wereldbol. Maar hoe komt het eigenlijk dat slechts een betrekkelijk kleine groep vanuit Europa de rest van de mensheid heeft onderworpen? Ongetwijfeld is hier sprake van een evolutionaire tussenstand, in de toekomst ziet de wereld er wellicht heel anders uit. Toch is ook de toekomst schatplichtig aan de Homo domitor van onze tijd. En die woont in het westen.

 

 

In de ontwikkelingsgeschiedenis van de aarde zijn de apen van alle zoogdieren het laatst verschenen. Uit versteeningen kan worden afgeleid, dat breedneuzen nooit ergens anders leefden dan in Zuid-Amerika. De smalneuzen hadden vroeger een veel uitgestrekter woongebied dan tegenwoordig.  Zij moeten zelfs geleefd hebben in Frankrijk, in Zwitserland en in Zuid-Duitschland.

   Veel opzien maakte eenige jaren geleden de vondst op Java van de overblijfselen van een wezen, dat nog voor den een voor een mensch, door den ander voor een aap wordt gehouden. Uit den vorm van het dijbeen blijkt dat het rechtop liep. Ook de andere deelen, die bewaard zijn gebleven, eenige kiezen en het schedeldak, doen zien, dat het wezen, waarvan zij afkomstig zijn, veel meer op een mensch leek, dan de hoogste nu levende apen. De ontdekker noemde het Pithecanthrópus eréctus, d.i. rechtop lopende aapmensch.*

  

Citaat uit Beknopt Leerboek der Dierkunde door Dr O. Schmeil, Thieme, Zutphen, 1909. Voor Nederland bewerkt door Dr P.G. Buekers. Dit dierkundeboek was in de eerste helft van de 20e eeuw een karakteristiek biologisch leerboek in het voortgezet onderwijs. Pithecanthropus erectus was de Java-mens die Eugène Dubois ruim een decennium eerder had gevonden. Buekers schreef in zijn Voorrede: ‘Darwins (…) dogma “alles is aanpassing” dwingt ons dan ook niet langer om van alles een, vaak gewrongen, verklaring te geven.’ Uit het citaat blijkt dat Buekers tot de velen behoorde die Darwins evolutieleer niet hadden begrepen. In het leerboek wordt verder nergens iets over de evolutietheorie vermeld.

Meer over de evolutie van de mensachtigen, zie https://nl.wikibooks.org/wiki/Evolutie/De_menselijke_evolutie

   Voor wie geïnteresseerd is in de evolutie van de mens, is Sapiens van Yuval Noah Harari (De Bezige Bij, 2017) een zeer lezenswaardig boek

 

Er bestaat weinig twijfel over dat Afrika de bakermat is van Homo sapiens. De oudste fossielen zijn gevonden op dat continent en worden op meerdere honderdduizenden jaren gedateerd. Vermoedelijk migreerden de moderne mensachtigen vanuit Afrika naar het noorden en verspreidden zich langs de kustlijnen en rivieren in oostelijke en westelijke richtingen. Deze migraties verliepen over een zeer lange periode van duizenden eeuwen. Mensachtigen van dezelfde soort raakten door de enorme onderlinge afstanden van elkaar gescheiden en daarmee biologisch geïsoleerd. Niet lang genoeg om verschillende soorten te worden, maar wel om verschillende raskenmerken te ontwikkelen. Het is denkbaar dat ondernemingslust en onverschrokkenheid een genetische component hebben. Wellicht waren dergelijke factoren sterker vertegenwoordigd bij mensen die wegtrokken. Aannemelijker is dat deze mensen in de strijd om het bestaan het onderspit dolven en moesten vluchten.

   Verschillen in sociaal-culturele ontwikkeling tussen de bevolkingsgroepen correleerden met hun woonplaats en de soorten levende wezens die daar voorkwamen (voedingsgewassen, huisdieren, ziekteverwekkers). Of men zich  ergens vestigde of bleef rondzwerven, hing van de geografische omstandigheden af. Aanwijzingen die duiden op bodembewerking en langdurige vestiging zijn tussen dertienduizend en vijftienduizend jaar oud. De snelheid van de bevolkingsaanwas werd in hoge mate beïnvloed door de uitgestrektheid en vruchtbaarheid van het land en door de strijd die werd geleverd om zich daar te kunnen handhaven.

   De voordelen van een thuisbasis hadden een onderwerpend en dominerend effect op andere mensen in de regio. Nomadische groepen sloten zich vrijwillig aan of werden overmeesterd. Binnen de thuisbasis ontwikkelden zich machtsstructuren, culminerend in een despoot die aanbeden werd als een God. Binnen deze theocratische samenlevingen, die overal ontstonden, waren allen onderworpen aan en eigendom van de hoogste leider.

 

 

In alle gewesten waar den Mensch zich konde bevinden, vondt hij boomooft en kruiden, zoó dat, op welk een plek gronds van den bewoonbaren Aardbol een Mensch gebooren of geplaatst werd, daar vond hij , of hem natuurlijk eigen spijze van ooft en veldgewas, of zijn vernuft bereidde zich zelven ook voedsel uit allerlei dierlijke wezens, die de plaats daar hij zich bevondt, opleverde. Het is immers nog heden in onze dagen alzoo, dat de onderscheiden volkeren, die den Aardbodem bewonen, hun voedsel zoeken in die voortbrengsels van het land en van die Dieren, die in dat Gewest gevonden worden: en die in andere Gewesten door geen Mensch, dan in nood, zouden gebruikt worden.*

 

Citaat uit Natuurlyke historie van Holland. Deel 4 door J. le Francq van Berkhey, Yntema en Tieboel, Amster-dam, 1769. In dit leerboek wordt uitgebreid ingegaan op herkauwend vee, met name runderen. Nederland is wereldvermaard geworden met superieure melkkoeien. In het klassieke Chinese rijk was rundvee, en daarmee ook zuivel, onbekend.

De relatie tussen de mens en andere organismen zoals planten en dieren is van buitengewone betekenis geweest op zijn verdere culturele ontwikkeling ter plaatse.

 

De dominante mens, de mens die uiteindelijk alle andere mensen in de wereld zou onderwerpen, Homo domitor, ontstond op het continent dat men later de naam Europa zou geven. Historici hebben geprobeerd dat te verklaren maar dreigen gemakkelijk correlaties met causaliteit te verwarren, te meer daar gebeurtenissen in het verleden nu eenmaal niet experimenteel toetsbaar zijn.

   Maar sommige gebeurtenissen waren uniek.

   Zowel biologische als culturele factoren hebben een rol gespeeld, al kan men van de biologische niet aantonen dat ze elders nooit hebben plaatsgevonden (het gaat o.a. om de relatie tussen mens en dier). De bevolking van Europa werd allengs sterker door selectie en door vermenging met andere populaties na langdurige periodes van isolatie.

   Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld na de grote volksverhuizingen in het eerste millennium. Selectie van de sterkste individuen vond plaats door voedselschaarste, oorlog en ziekte. Zwangere vrouwen kwamen om van de honger (die moesten tenslotte voor twee eten) en mannen verloren het leven in de strijd met andere mannen. Babysterfte en ziekte kwam onder beide seksen in gelijke mate voor. Europeanen werden aanvankelijk vooral getroffen door pokken en dysenterie, later in hoge mate door de pest. Van de (levend) geboren kinderen werd hooguit een kwart volwassen en in staat zichzelf voort te planten.1

Moderne berekeningen op grond van demografische modellen laten zien dat in de Romeinse wereld gemiddeld één op de drie levend geboren kinderen stierf voor de eerste verjaardag. Voordat een kind tien jaar oud was, was de helft van zijn leeftijdgenoten al overleden. Antieke literaire bronnen bevestigen dit gruwelijke beeld. Zo had Cornelia, de moeder van de beroemde hervormers Tiberius en Gaius Gracchus (2e eeuw bc), twaalf kinderen van wie er slechts drie volwassen werden. Een leraar van keizer Marcus Aurelius (2e eeuw ad) werd nog zwaarder getroffen. Van zijn vijf levend geboren kinderen bleef alleen zijn dochter Gratia in leven. Zijn andere kinderen stierven zo jong dat geen van hen een broertje of zusje gekend heeft: nog voor het volgende kind geboren werd, was het eerdere al gestorven. Daarentegen lezen wij niets over de dood van kinderen in het gezin van de redenaar Cicero: zijn dochter Tullia en zijn zoon Marcus bereikten beiden de volwassenheid. Het demografische ‘regime’ was dus niet alleen hard, maar ook bijzonder grillig. In de steden was de sterfte waarschijnlijk hoger dan op het platteland, maar er lijkt geen onderscheid te hebben bestaan tussen de elite en het volk. De dood trof kinderen uit alle geledingen van de samenleving met – zeker in een tijd van geringe kennis van ziekten en epi-demieën – een hoge mate van willekeur. (http://www.isgeschiedenis.nl)

 

Ten noorden van de Middellandse Zee werden feodale despoten van hun goddelijkheid ontdaan en ontstond er een scheiding tussen kerk (God) en staat (despoot). Deze gebeurtenis aan het begin van het 2e millennium staat bekend als het Concordaat van Worms (1122). Het was wellicht de voornaamste culturele aanzet tot de vorming van Homo domitor. De Joods-Christelijke traditie had in het eerste millennium al bij brede lagen van de bevolking geleid tot het besef en de aanvaarding van persoonlijk eigendom, hetgeen gepaard ging met de ontwikkeling van een burgerlijk bestuur in de vorm van ‘gemeenten’ en de kiem van een ‘onafhankelijke’ rechtspraak.2

Het Concordaat van Worms bepaalde dat de leider van de Christelijke wereld (de Paus) niet langer kon worden aangesteld daar een wereldlijke leider (destijds de keizer van Rooms Duitse rijk), maar door kerkelijke functionarissen (bisschoppen) moest worden benoemd. Die politieke keuze leek aanvankelijk niet zoveel te betekenen (het was allemaal familie) maar leidde wel tot een steeds grotere onafhankelijkheid tussen spirituele en economische beslissingen.

In Arm en rijk, waarom sommige landen erg rijk zijn en andere erg arm (Spectrum,1998) schetst David Landes de economische wereldgeschiedenis en probeert hij duidelijk te maken waarom juist het Westen rijk werd terwijl andere landen arm bleven.

   De tijd was rijp voor de grootste revolutie sinds de ‘ontdekking’ van de landbouw, namelijk het internationale handelsverkeer en de uitwisseling van kennis. Ondanks de dominante rol die het kerkelijk gezag behield op het spirituele vlak, deden in toenemende mate tegendraadse, onafhankelijke geesten van zich horen, die zich van dat gezag weinig aantrokken.3 De overwegend agrarische bevolking was weliswaar arm maar kon in vrijheid handelen en ze bestond over het algemeen niet – zoals vaak onterecht gedacht wordt – uit geknechte slachtoffers van een feodaal systeem. De persoonlijke inbreng van ‘gewone mensen’ werd een factor van betekenis in een samenleving met een meer gelaagde bestuursvorm waardoor deze een steeds complexere structuur kreeg. Veel ingewikkelder dan de simpele top-bottom bestuursvorm die werd toegepast in streken waar nog altijd de gehele bevolking het onderworpen eigendom was van de hoogste leider. Bovendien was het feodalisme erfelijk bepaald waardoor deze situatie generaties lang kon standhouden.

Voor wie meer wil weten over de niet zo duistere middeleeuwen is De ontdekking van de Middeleeuwen: Geschiedenis van een illusie door Peter Readts (Wereldbibliotheek, 2011) een aanrader.

   Op de lagere bestuurs- en organisatieniveaus zoals die in Europa ontstonden, kon iedereen met voldoende capaciteiten en ambitie een leidende positie veroveren. Daardoor werden die gemeenschappen steeds emergenter.4

Niet elke gelaagdheid leidt vanzelf tot emergentie. Een kastensysteem dat potentiële zelfontwikkeling vrijwel tenietdoet door vanzelfsprekende delegatie en blokkering van individuele ontplooiing (wie als een dubbeltje geboren is …) is de onderliggende laag volledig schatplichtig (zelfs door geboorte) aan de bovenliggende. Daarmee wordt elke motivatie die kan leiden tot de ontwikkeling van emergente structuren in de kiem gesmoord. In een samenleving waarin de afzonderlijke bevolkingsgroepen zichzelf verder kunnen helpen, is binnen elke laag wel sprake van mogelijke positieve terugkoppeling, kenmerkend voor de complexe structuur van een emergente samenleving.

   Veel omvangrijker en ingrijpender dan met karavanen van trek- en lastdieren over land mogelijk was geweest, werd de wereld ontsloten met steeds snellere en grotere zeeschepen die voortbewogen op de wind en vele tonnen lading konden dragen. Waarom andere zeevarende rijken (zoals China) minder succesvol waren dan de Europeanen wordt wel geweten aan de zelfingenomenheid van de heersende elite en hun gebrek aan belangstelling voor de rest van de wereld. Dank zij de goudzucht en zendingsdrang van de gezagsgetrouwe katholieken en de arbeidzaamheid en het tijdsbesef van de schraperige calvinisten, penetreerden Europese handelaren menig wereldrijk om het leeg te zuigen en te infuseren met de christelijke moraal.

   Daarin zijn ze redelijk geslaagd, vooral toen vanuit het protestantse noorden van Europa de eerste technologische revolutie haar invloed deed gelden.5 Op dit moment is er geen volk op aarde dat zich aan die dominantie kan onttrekken, al was het maar om als ‘educatief' amusement te fungeren, in musea of op tv.

De eerste technologische revolutie is vooral bekend geworden als ‘de industriële revolutie’ en is vooral te danken aan de combinatie van een aantal innovatieve ontwikkelingen op het gebied van mechanische aandrijving, fossiele brandstof, metaalbewerking en transport. De tweede technologische revolutie vond in de tweede helft van de 20e eeuw plaats op het gebied van de elektronica en communicatie. In de 20e eeuw vonden eveneens twee ‘groene revoluties’ plaats: de ontwikkeling van kunstmest en insecticiden en tegen het einde van de eeuw de biotechnologie.

 

 

Alsoo voor desen, beminde Leser, gheen vreemde landen door onse Nederlandtsche Natie op ghesocht hebben gheweest, om aldaer haren coophandel te dryven, haer altoos ghenoeghende met de ghemeyne profyten die zy in Spaengien deden, niet teghenstaende de ghedurighe arresten van hare schepen, confiscatie van goederen, vanckenissen der Coopluyden ende Schipperen, onder ’t decxel datse quamen van vyanden landen, datse vande Inquisitie gheexamineert moesten werden, oft datse de Coningh in zynen dienst van doene hadde, welcke dienst haer opgheleyt worde, sonder daer van eenichsins gheloont te worden, tot haeren grooten achterdeel, nochtans hopende altoos sulcks eens ophouden soude, hebben haer tot den Iare 1594. in die selue eenvoudigheyt onderhouden, ende siende sulcks niet ende verminderde: maer daghelijcks vermeerderende was, om zyne Armade te onderhouden ende stercken: Soo ist dat eenige Coopluyden, haer moeyende hare voorleden schade, ende de toecomende voorsiende, hebben een compaengie  ghesloten om vier Schepen nae Oost-Indien toe te rusten, van waer jaerlijcks in Portugael grooten rijckdom inghebracht worde, om te sien oft zy aldaer eenighen vasten handel met de Indianen ende Eylanders, daer de Portugesen geen gebiet hadden, souden connen becomen, hopende door den seluen de continuele overlasten van de Spaengiaerden te ontvlieden, ende de Speceryen, Droogheryen, Coopmanschappen, daer van den Stapel in Spaengien is, alhier te brenghen, tot groot voordeel vande gheunieerde Nederlanden, ende tot profyt vanden ghemeynen  Coopman.* 

 

Inleidende woorden uit de Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië van Cornelis Houtman in 1598. Het betreft de eerste Nederlandse expeditie naar Indië voor het (voordelig) inkopen van specerijen.

 

Het mag duidelijk zijn dat de voornaamste drijfveer van de zeevarende Europeanen op het materiele vlak lag. Rijkdom, daar ging het om. Dat doet niets af aan hun oprechte overtuiging dat de goddeloze inboorlingen nooit naar de hemel zouden gaan, tenzij ze zich bekeerden. Het is bijna aandoenlijk hoe dit naïeve superioriteitsgevoel geleid heeft tot het hand in hand gaan van zendingsdrang en koopmansgeest. Het materiële werd gekoppeld aan het spirituele om zo het leegroven en uitbuiten moreel aanvaardbaar te maken voor het thuisfront.

   De katholieke kolonisten hechtten wat meer waarde aan het spirituele, voor de calvinisten lag de nadruk op de handel, maar alle Christenen geloofden in de morele plicht van de Grote Zendingsopdracht. Natuurlijk waren er ook Christenen die geloofden in een tolerante God. Die vraagtekens plaatsten bij die mondiale expansiedrang (voor zover ze daarvan kennis hadden) en die in eigen land de kommer en kwel van onmondige bedienden onder het juk van een steeds rijker wordende koopmansadel betreurden. Maar ook zij geloofden in het motto: de mens wikt, God beschikt.

   Het katholicisme werd buiten Europa vooral uitgedragen door de Portugezen. Met de vernietigende aardbeving van Lissabon in 1755 kwam daaraan abrupt een einde. Voor protestante landen als Nederland en Engeland werd de zending weliswaar opgedragen door de overheid (niet door de Paus) maar die was natuurlijk meer geïnteresseerd in economisch voordeel dan in het redden van zieltjes. Het scheepspersoneel, van ketelbink tot adelborst, voer wel bij de kapitale opbrengsten van de buit en neigden waarschijnlijk meer naar ‘ieder voor zich en God voor ons allen’ dan dat ze de behoefte voelden om hun persoonlijke God op te dringen aan de inwoners van hun koloniale bestemmingen. Elkaar probeerden de Hollanders en de Engelsen zoveel mogelijk te dwarsbomen, waardoor uiteindelijk alleen de laatsten overbleven. Hun bemoeienissen in Noord Amerika leidde misschien wel tot de belangrijkste voedingsbodem van het liberale denken  dat de rest van de wereld op de knieën dwong.

 

  

Maar de mensen, wier leven op aarde kort is, zijn niet in staat met hun zinnen de toestanden van vroegere eeuwen en bij andere volken, waarvan ze geen ervaring hebben, in overeenstemming te brengen met de toestanden van thans, waarvan ze wel ervaring hebben, maar bij één lichaam of op één dag of in één huis kunnen ze gemakkelijk zien, wat voor ieder lichaamsdeel, of ieder ogenblik, iedere plaats of iedere persoon past, en daarom nemen ze aan genen aanstoot, maar hier schikken ze zich.*

 

Uit Confessiones van Augustinus, vertaald door A. Sizoo, 1948.

 

Wetenschap en techniek bereikten in de 20e eeuw hun hoogtepunt in de Verenigde Staten van Amerika. Maar daar is heel wat aan vooraf gegaan. Zoals tal van innovaties: de ontwikkeling van taal en muziek, het uitbouwen van een thuishonk als macht-centrum, de invoering van geld, het ontwikkelen van afbeeldingen, symboliek en geschreven taal, de ontdekking van wiskunde en logisch redeneren. Eerst moesten we leren praten, lezen, schrijven en rekenen voordat we ook maar iets konden begrijpen van de wereld om ons heen. Het begin van die technologie: een stok rechtop in de grond plaatsen en de lengte van de schaduw zien veranderen, een zonnewijzer, dat moest wel een vingerwijzing zijn van God. Maar van welke? Het Christendom bestond in elk geval nog niet.

   Is het mogelijk om visies die elkaar lijken uit te sluiten, te verenigen?  Zoals fysici de materie kunnen beschrijven als deeltjes of als golven, net wat hen het beste uitkomt, en zonder dat de één meer gelijk heeft dan de ander.

   Kan het zijn dat God er tegelijkertijd wel en niet is? God kan immers alles. Maar godvrezende gelovigen ontkennen dat God er niet is. Misschien is God niet nu, maar in de toekomst. Anderen weten juist zeker dat God er toen was en er dus nog steeds moet zijn. En hoeveel goden zijn er dan eigenlijk?

 

  

Een internationale archeologische expeditie naar het meer Issyk Kul, hoog in de bergen van Kyrgyz (Rusland) heeft het bestaan bewezen van een beschaving van 25 eeuwen geleden. De expeditie resulteerde in sensationele vondsten, waaronder gouden munten en sierraden, bronzen strijdbijlen en een prachtig versierde ketel. In de omgeving van de verdronken stad doorkruisten Indo-Arische nomadenvolkeren het land. De Grote Zijderoute liep langs de kust van Issyk Kul en in de buurt zijn overblijfselen gevonden van menige wereldreligie – Boeddhisme, Jodendom, Christendom en Islam.*

 

Vrij naar een artikel uit de Russische krant RIA Novosti, 27 december 2007. De expeditie stond onder leiding van de historicus Vladimir Ploskikh, vicepresident van het Nationaal Wetenschappelijk Instituut van Kyrkyz.

 

Gedurende het eerste millennium vond er een culturele kruisbestuiving plaats tussen de verschillende rijken in Azië, Europa en Noord Afrika, waardoor opvattingen en uitvindingen uit hun betrekkelijke isolement werden getild om elders te worden ingebed. Byzantijnse geleerden maakten via de Perzen kennis met wiskundige begrippen als het getal 0 en p. Euraziatische steppenomaden introduceerden de beheersing van het paardrijden. Romeinen en Christenen leerden van de Ottomanen nieuwe middelen kennen om ziektes te genezen en genot te ervaren. Kruidenmengsels ten behoeve van vuurwapens bereiken Europa vanuit het Oosten. Door gedwongen arbeid bij Romeinen en Arabieren werd de slavenhandel in toenemende mate getolereerd (al vonden sommige Christenen het ongepast om die zielige schepselen voor hun karretje te spannen, al was dat tot ver in de 19e eeuw wettelijk toegestaan).

   De eeuwenlange handelsbetrekkingen rondom de Middellandse Zee hebben beslist bijgedragen aan het uitwisselen van kennis en ideeën. Feniciërs en Corinthiërs maakten al vóór onze jaartelling gebruik van ingewikkelde instrumenten om hun positie op zee te bepalen aan de hand van hemellichamen.6 Hun schepen werden voortgedreven met behulp van roeikracht en vierkante razeilen. Later werden ze verdrongen door de numerieke overmacht en agressie van de Romeinse galeien. Navigatiemiddelen als het astrolabium en het kompas werden vanuit de Arabische wereld verspreid en waren aan het begin van het tweede millennium de voornaamste instrumenten voor een redelijke plaatsbepaling. Zowel de Moren als de Italiaanse maritieme republieken maakten er gebruik van.7 Dwarse tuigages werden vervangen door langsgetuigde latijnzeilen8 om scherper voor de wind te kunnen varen. Uiteindelijk waren Christelijke kruisvaarders in het voordeel omdat die ook nog gebruik maakten van nocturlabia waarmee ze ’s nachts konden navigeren.9

De Moren beheersten vooral het westelijk deel van de Middellandse Zee; met de Italiaanse maritieme republieken worden onder andere stadstaten bedoeld als Venetië, Genua en Pisa.
Dit is een voorbeeld van technologische innovatie. Met sterker wisselende winden is het nodig om ‘scherper aan de wind te zeilen’. Met langsgetuigde latijnzeilen werkt(e) dat beter dan met dwarse tuigages.
Alweer zo'n technologische innovatie: een nocturlabium is een verbeterde versie van het astrolabium. Het stelde de kruisvaarders in staat op zee uit handen te blijven van de Moren. Dr John Pryer, deskundige op het gebied van de kruistochten en historicus aan de Universiteit van Sydney, citeert hierover uit Arabische bron in Logistics of Warfare in the Age of the Crusades, Ashgate Publishing (2006).
Een innovatieve transformatie van een gebogen oppervlak naar een plat vlak werd ontwikkeld in de 16e eeuw door Gerard de Cremer, ook wel Gerardus Mercator, met zijn zogenaamde mercatorprojectie. Een kaartprojectie waarbij de meridianen steeds loodrecht op de parallellen staan. De projectie wordt nog steeds toegepast en is zeer nuttig voor de scheepvaart maar veroorzaakt wel oppervlaktevervormingen waardoor gebieden nabij de polen veel groter lijken dan gebieden nabij de evenaar.

   Met de combinatie van steeds betere navigatie instrumenten, meer geavanceerde kaartprojecties10 en schepen voorzien van een wandrust11, werden in een betrekkelijk kort tijdsbestek halverwege het tweede millennium alle wereldzeeën van onze aardbol doorkruist.

Waarschijnlijk beschikten ze over metalen apparaten die waren uitgerust met een tandwielconstructie waarmee astronomische tijdsberekeningen konden worden uitgevoerd om redelijk nauwkeurig hun positie op zee te bepalen. Een dergelijk mechanisme werd in 1901 gevonden in een scheepswrak nabij het Griekse eiland Antikythera. Het apparaat stamt vermoedelijk uit de 2e eeuw voor Chr.
Het wandrust is een zware dwarsbalk die aan weerszijden buitenboord steekt en waaraan het wand is bevestigd. Door toepassing ervan kan de tuigage hoger worden.

 

  

Vertwijfelde papen, die God niet en roecken, maer ghemac en alle wellusticheit soecken* 

  

Uit Refereinen van Anna Bijns tussen 1526 en 1567. De streng katholieke woordkunstenares was fel gekant tegen de reformatie en was het oneens met de protestante opvatting dat men zich ook zonder tussenkomst van een kerkdienaar tot God kon wenden.

 

Roekeloosheid heeft een negatieve klank maar wie geen risico wil lopen, moet maar in zijn hol blijven. Natuurlijk blijf je niet achter als het onbekende lokt. Voorwaarts of bij de pakken neer, sterven doen we allemaal, onherroepelijk, maar liever laat dan vroeg. 

  Geborgen in de kneuterige schoot van een geïsoleerde samenleving ben je niet van plan om je te onderwerpen aan het gespuis dat zomaar komt binnenvallen. Ze doen net of ze thuis zijn. Maar dit is jouw huis. Toch? 

   De vreemdeling die bezit neemt, is van alle tijden. Zo zit de onderwerping van de wereld in elkaar.

Zelfs de wisselwerking tussen zogenaamd gelijkwaardige groepen wordt gereguleerd door overheersen en overheerst worden. We noemen dat ‘beheersing’.

   Ons sociale karakter komt niet alleen voort uit onze behoefte aan gezelschap maar ook uit ons vermogen tot onderwerping. Het maakt ons oppermachtig.

 

 

Niemandt, dan de gene, die onkundigh en onervaren in saken is, kan loghenen dat Asia het edelste van alle lantschappen, die dese onse aerdtsche Globe oft bol begrijpt, noch is, en eertijdts van ’t begin der dingen geweest heeft; vermits dit deel de vermakelijcke lusthoven, van Godts handt geplant, die men gemenelijck het Paradijs noemt, en ’t eerste van alle andere landen d’eerste menschen, en onse ouders in haer schoot ontfangen en gequeeckt heeft; en ’t welck, door de voortplanting van ’t menschelijck geslacht haer voortplanting deur d’overige deelen van de weerelt wijdt en breet verspreyt heeft. Dit heeft de eerste de seden, Godtsdienst en plichtelijckheden, de rechte middel van te leven, de letteren, en d’andere wetenschappen geleert en ingestelt. Eindelijck, dit heeft Godts zoon self, de voorspraeck en Salighmaker van ’t menschelijck geslacht in een menschelijcke gedaente gedraghen.* 

 

Eerste regels van het voorwoord bij de atlas van ’t Sinesche Ryck in het Seste deel van de Nieuwe Atlas oft Toonneel des Aerdrijcx, uitgegeven door Joan Blaeu in 1648.

 

Het is een misverstand dat mensen vroeger geloofden in een platte aarde. Dat fabeltje is in de eerste helft van de 19e eeuw in het leven geroepen door Washington Irving met zijn populaire verhandeling over de ontdekking van Amerika: A History of the Life and Voyages of Christopher Columbus. Feitelijk was men in de oudheid al bekend met een gekromd aardoppervlak, terwijl sommigen zelfs een complete bolvorm veronderstelden.12 

De hoofdbibliothecaris van Alexandrië, Eratostenes, had zelfs een manier ontdekt om de omtrek van de bolvormige aarde te berekenen. Door om 12 uur ’s middags de schaduwlengte te meten van een hoge toren in Alexandrië en te bepalen hoe die zich verhoudt tot de afstand naar de zuidelijk gelegen stad Syene, waar op dat tijdstip de zon loodrecht aan de hemel staat, kon hij met wat eenvoudige wiskunde berekenen hoe groot die omtrek zou zijn. Zie: http://www.betavak.nl/aarde.htm

   Wereldkaarten die gemaakt werden aan het begin van onze jaartelling gingen uit van een gekromd aardoppervlak. De kaarten van Claudius Ptolemaeus uit de 2e eeuw geven een redelijk nauwkeurige weergave van grote delen van Europa, Afrika en Azië rond de kreeftkeerkring. Verder naar het noorden en zuiden wijken zijn kaarten steeds meer af van de moderne exemplaren. De plattegronden zijn overspannen met een netwerk van meridianen en paralellen waaruit de projectie van een gekromd naar een plat vlak kan worden afgeleid. Ptolemaeus beschrijft in de Geographia welk wiskundig model hij daarbij hanteerde. Hij paste een coördinatensysteem toe van 0o bij de evenaar naar 90o bij de noordpool en zijn 0-meridiaan loopt door de Canarische eilanden (het meest westelijke deel van de bekende wereld in zijn tijd) met ertegenover de 180o-meridiaan aan de uiterste rand van het Chinese rijk, zonder dat hij daar een duidelijke kustlijn aangaf. Waarschijnlijk waren zijn kaarten gebaseerd op een samenstelling van gegevens van uiteenlopende herkomst, waaronder reisverslagen vol misvattingen en overgetekende oude kaarten, inclusief hun fouten.

   Globaal mag de kaart herkenbare contouren van de destijds bekende wereld laten zien, toch is er sprake van een aanzienlijke vertekening. Dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat voor een nauwkeurige weergave van de verschillende coördinaten een perfect werkend uurwerk nodig is (een fout van een paar minuten in oost-west richting betekende een fout van tientallen kilometers). Bovendien was men afhankelijk van het weer om zich deugdelijk op de zon en sterren te kunnen oriënteren en mocht je de tel niet kwijtraken bij het aantal afgelegde passen.13 

Als afstandsmaat werd de mijl gehanteerd: 1000 passen (milia passuum).

  Toch blijken de latere portolaankaarten dermate nauwkeurig te zijn dat het waarschijnlijk is dat ze op de oorspronkelijke Byzantijnse kaarten en projectiemodellen van Ptolemeaus zijn gebaseerd.14

Uit onderzoek van Shell blijkt dat de middeleeuwse zeekaarten de perfectie van wiskundige modellen herbergen: Roel Nicolai. A critical review of the hypothesis of medieval origin for portolan cards. Diss. Utrecht University, 2014.

 

 

Den 8 Martij 1600. waren sy op de drie Schepen noch sterck in alles 147 Man, ende verloren den 12 dito uyt haer ghesichte ende Compagnie den Vice-Admirael Pieter de Lint. De 21 dito des morghens saghen sy Landt, daer sy seer dicht op liepen, tot ontrent een half mijle, ende vernamen dat het was ’t vaste Landt van Chili: ’t was een schoon ende pleysant Landt om aen te sien, synde op veel plaetsen bebouwt, ende sy saghender veel volcks vergaren op het punt, al te Peerde rijdende. Dit was de hoeck van La Imperiael, een Stadt die te landewaert in geleghen is. Dan daer afwendende, werden sy ten Westen van haer een Eylandt siende, ontrent 5. of 6 mijlen in Zee, daer sy nae toe liepen, ende hebbenter tegen den avondt aen de Oost-zijde op 14 vadem goede anckergrondt gheset. Dit was ‘t Eylandt La Mocha, dat soo tamelijck groot is, ende in’t midden een hoogh gheberghte heeft, met een keep midden door ghaende, daer een versch Rivierken af-loopt: maer van de voet van desen Bergh, tot aen’t Water toe, ist al vlak ende effen Landt.

De Generael heeft de Sloep aen landt gesonden, om te sien of sy met vrientschap konden handelen; daer toe gebruyckende een Man, genaemt Jan Claessz. die verwesen was aen een vreemt Landt geset te worden. Dese ging alleen op’t Eylandt met eenige schenckagien van Messen, Yser, ende Paternosters, welcke de Inwoonders seer vriendelijck ontfingen, maer wesen dat het nu te laet was, ende dat hy op morghen  soude weder komen. Sy vermoeden dat hier wel Dictualie soude te bekomen zijn, want sagender veel Schapen ende ander Vee gaen weyden, ende ’t was een schoon ende wel ghebauwt Landt.* 

 

Uit het reisverslag van Olivier van Noort: Wonderlijcke Voyagie, by de Hollanders gedaen, door de Strate Magalanes, ende voorts den gantschen kloot des Aertbodems om, met vier Shepen: onder den Admirael Olivier van Noort, uytghevaren Anno 1598.

 

Exploratiegedrag is een duur woord voor alle activiteiten van mens en dier die verbetering van het eigen welzijn beogen. Zelfzuchtige behoeftebevrediging, dus. Bij de meeste dieren blijven de inspanningen beperkt tot het zoeken naar eten, beschutting en een partner om mee te paren. Als aan deze wensen voldaan is, verlangen mensen ook nog wel naar aanzien en zelfverwerkelijking, maar de aandrang blijft zelfzuchtig, op het eigen ‘ik’ gericht.15

Mensen zijn sociale wezens. Dat wil zeggen dat ze niet alleen naar partners verlangen om te paren, maar ook om hen te kunnen domineren of om door hen geleid te worden of om er een kaartje mee te leggen of om … vul maar in. Onbaatzuchtige mensen kunnen net zo min zonder anderen. Welke zin heeft anders hun onbaatzuchtigheid? Altruïsme is, net als egoïsme, iets dat in je eigen wezen zit en waaraan je moet voldoen. Aanhangers van determinisme zien daarin misschien een godsbewijs, anderen plaatsen het liever in het rijtje aangeboren eigenschappen en opgelopen infecties: het kan iedereen overkomen, kwestie van lot.

   Eerder een genoegen dan een behoefte (voor wie de smaak te pakken heeft een verslavend drug) is de trots om bij een groep te horen, om deel te zijn van een natie: de nationale trots. Gemeenschappen die persoonlijke initiatieven aanmoedigen, kweken saamhorigheid en collectieve synergie: de geboorte van de emergente samenleving, een maatschappij waarin het materiële en het spirituele elkaar versterken.16

Zowel binnen de afzonderlijke bevolkingslagen als binnen de samenleving als geheel is sprake van een zelfversterkend effect met betrekking tot vooruitgang. In het produceren-distribueren-consumeren, maar ook binnen die processen afzonderlijk: voortdurende innovatie in het productieproces waarbinnen allen ook consument zijn; distribueren om zowel het produceren als het consumeren te bevorderen; consumeren om weer beter te kunnen produceren en distribueren; enz. In een (democratische) consumentenmaatschappij wordt elk nieuw gedachtengoed gebruikt om die spiraal te op te stuwen. Zo kan het gebeuren dat niemand meer naakt rondloopt of dat iedereen stimulerende middelen gebruikt.

   Nationalisme staat in een kwade reuk (vgl. separatisme en patriotisme) vanwege de vaak superieure afkeer van het vreemde. Toch is die angst voor de ander een noodzakelijke voorwaarde om de identiteit van de eigen plek te bevorderen en benadrukken. Het lijkt wel of nationalisme een stimulans is voor progressie. Wie wordt verzwolgen door schuldgevoel en zelfverwijt komt geen stap verder. Pas als de angst omhelst wordt, emergeert een samenleving waarop je trots mag zijn. We hebben nog een lange weg te gaan maar dat is nooit anders geweest.

 

 

Nog geen twintig jaar geleden werd ontdekt dat de wereld door een brillenglas duidelijker zichtbaar wordt. Voor wie nagenoeg blind en hulpeloos zijn weg zocht, is er nu weer hoop … Zo kort geleden nog, dat zoiets heilzaams werd uitgedacht … Lang niet alles wat wij ons bedenken is al uitgedacht. Elke dag valt er wel een nieuwe gedachte te bedenken, iets nieuws te vinden dat nog niet eerder zichtbaar was.* 

 

Vrij naar Giordano van Pisa tijdens een preek in de Santa Maria Novella in Florence in 1306 waarin hij zijn lof betuigde over het uitvinden van uitvinden. In: Lynn White. Medieval Reiligion and Technology. University of California Press, 1978.

 

Tegenstellingen in Europa tussen het versnipperde maar nog alom aanwezige feodale stelsel, stimuleerden de ontwikkeling van het bankwezen en kapitaalmobiliteit ten behoeve van de vooruitgang (vernieuwingen).2 Waarschijnlijk was dit verweven met de moderniseringen binnen landbouw, verkeer en nijverheid. Vooral met de Europese plundering en uitbuiting van overzeese gebieden werden enorme rijkdommen gegenereerd (slavenhandel en slavernij). Investeringen in innovatieve technologieën leidden al spoedig tot industriële beleggingen en binnen de kortste keren verliepen de ontwikkelingen zo snel dat van een revolutie kon worden gesproken. En niet van één. Het opkomende tij van de industriële technologie spoelde in golven over de wereld. Eerst met ijzer en steenkool, dan met pigment en pillen en kunstmest en bestrijdingsmiddelen, en daarna met transistors en chips en transgene organismen en wat niet al…

   Ondertussen correleerde deze ontwikkelingen met een gigantische bevolkingsgroei zodat in het begin van het derde millennium de teller op 7 miljard stond.17 De exponentiële groei van de wereldbevolking zou tot een Malthusiaanse catastrofe kunnen leiden, hetgeen Dan Brown gretig annexeerde als plot in zijn bestseller Inferno. Hij hield daarbij geen rekening met het (gelukkige) vermogen van mensen om hun eigen gedrag te sturen.18

Ter vergelijking: er zijn nog ongeveer 300 000 walvissen op aarde, 1 miljoen primaten (zonder mens), 52 miljard kippen, 400 miljard bomen, 10 biljard mieren en 5 quintiljoen bacteriën.
Groeicurves hebben de vorm van een S: de aanvankelijk geleidelijke groei gaat over in een steeds sterkere toename om daarna weer geleidelijk af te nemen. Als die afname het gevolg is van voedseltekort en ernstige milieuverontreiniging treedt er massale sterfte op. De verwachting is dat Homo sapiens een overlevingsstrategie zal volgen waardoor de bevolkingsaanwas stabiliseert op ca. 10 miljard in 2050. (http://pduinker.home.xs4all.nl/Problemen/Wereldbevolking/)

   In de oudheid zal de lokale bevolkingsaanwas ongetwijfeld geleid hebben tot schaarste van de eerste levensbehoeften maar, afgezien van de gevolgen van misoogsten en oprukkende woestijnen, zijn er geen aanwijzingen voor migraties als gevolg van voedseltekorten in een minder ver verleden. Overal ter wereld waren kennelijk steeds voldoende gedomesticeerde planten en dieren beschikbaar al waren dat niet overal dezelfde.19 Wel werden er vanaf het tweede millennium nogal wat organismen, al of niet opzettelijk, verspreid. Amerikaanse gewassen als mais en aardappel werden als voedselbron naar Europa gehaald. Paarden werden over de Atlantische Oceaan verscheept om in Amerika de dominantie van de kolonisten te waarborgen. Dat laatste werd bespoedigd door de microben die ze meedroegen en waar ze zelf voldoende afweer tegen hadden. Maar de Amerikaanse inlanders hadden nooit eerder kennis gemaakt met de Europese ziekteverwekkers. Zij stierven bij bosjes aan mazelen, tyfus en tbc. Wel zadelden zij hun overheersers op hun beurt weer op met nare geslachtziekten, waarvan de hypocriete zeevaarders vooral elkaar de schuld gaven. Noord-Afrikaans suikerriet gedijde beter in de Cariben en rubberbomen verhuisden van Amerika naar Azië. Kortom, Homo domitor deed zijn naam eer aan. Alleen het Australische continent bleef aanvankelijk20 van vreemde smetten vrij. De Aboriginals deden dan ook niet aan landbouw, ze leefden als jagende nomaden.   

Met uitzondering van Australië (Aboriginals waren jagers/verzamelaars) werden op alle continenten grasachtige gewassen gecultiveerd voor de behoefte aan zetmeel en plantaardig eiwit (graan in Europa, rijst in Azië, mais in Amerika, gierst in Afrika en Azië, teff in Afrika) en werd er vee gehouden ten behoeve van vet en dierlijk eiwit (altijd hoefdieren). Vrijwel overal ter wereld werd bovendien gevist; dat correleert met het feit dat mensen zich meestal vestigden aan de oevers van rivieren of meren of langs de kusten.
Sinds de 19e eeuw wordt Australië keer op keer getroffen door ecologische rampen (introductie van nieuwe organismen, zoals konijnen, cactussen, kevers, padden) die door nieuwe bewoners (kolonisten) werden veroorzaakt.

   De Westerse expansiedrift in de vorm van kolonialisme en interventie in ontwikkelingslanden werd in de vorige eeuw geleidelijk steeds meer gezien als een uiting van de morele invloed van het Darwinisme. Het recht van de sterkste vond men in toenemende mate ethisch verwerpelijk.

 

 

En de antithese tusschen de Christelijke religie en de Evolutie-leer ligt volstrekt niet alleen in de beweerde opkomst van de mensch uit den Chimpansee, maar veel pricipiëeler in de beide heel het leven beheerschende vragen: Vooreerst of de sterkere zich over het zwakkere te ontfermen heeft, of wel het zwakkere niet mag maar moet verpletteren. En voorts in die andere vraag naar soort of individu, die in de korte tegenstelling van Selectie der Evolutie met de Electie der Schrift haar scherpste uitdrukking vindt. Selectie doelt op soortbehoud, Electie is verkiezing van personen.*

 

Citaat uit de redevoering van Abraham Kuyper tijdens de overdracht van het rectoraat aan de VU in 1899. (http://www.neocalvinisme.nl/ak/broch/akevol.html). De Calvinist Kuyper stond niet onwelwillend tegenover de evolutieleer zolang deze de mens maar onbesproken liet (als de Schepping Gods}

 

De opvatting van Abraham Kuyper, de calvinistische klokkenist der kleine luyden, dat darwinistische evolutie en goddelijke voorzienigheid elkaar uitsluiten, wordt tegenwoordig niet meer gedeeld. Niettemin is de huidige Homo domitor door de bank genomen een zwakkeling. De meesten van ons hebben een gevaarlijke voorliefde voor de middelmaat. Grote delen van het ‘vrije westen’ hebben al twee generaties lang geen andere ontberingen gekend dan de autoloze zondag, (tijdelijke) stroomstoringen en liefdesverdriet. Waarschijnlijk zullen wij wonderwel bestand blijken te zijn tegen schaarste, doodslag en vervuiling. Maar de meesten van ons zullen altijd naar de pijpen blijven dansen van slechts een handjevol soortgenoten. En misschien is dat wel een teken van grote beschaving.

 

 

In Tierra del Fuego lijkt het nauwelijks mogelijk om de politieke toestand van het land te verbeteren zolang er geen stamhoofd verschijnt met genoeg macht om zich te verzekeren van een nuttige aanwinst, zoals gedomesticeerde dieren. Nu is het zo dat als iemand een lapje stof krijgt, dit onmiddellijk aan stukken gescheurd en verdeeld wordt. Niemand wordt rijker dan een ander. Aan de andere kant valt het moeilijk voor te stellen hoe een leider aan de macht kan komen zolang hij geen bezit heeft waarmee hij zijn superioriteit duidelijk kan maken en zijn macht kan uitbreiden.* 

 * 

 

Waar groepen heersen worden andere groepen onderdrukt. Analoog aan zeestromen – hun onderlinge wisselwerking houdt hen in stand en hun invloed op het klimaat is cruciaal* – vormen spirituele stromingen wellicht de ‘motor’ voor het ontstaan van Homo domitor.

   Duizenden jaren werd de verspreiding van menselijke nederzettingen vooral gestuurd door natuurlijke factoren, zoals geologische of klimatologische veranderingen en voedselschaarste. Bevolkingstoename in vruchtbare gebieden leidde eeuwenlang tot overmeestering van gemeenschappen en samensmelting onder invloed van fysieke (oorlog) en psychologische (migratie) factoren. De ontstane rijken werden zonder uitzondering despotisch geregeerd.

   De traditie van fysieke tirannie veranderde in Europa tijdens het tweede millennium geleidelijk in een meer spirituele overheersing. In het voorzien van de behoefte aan sociale erkenning speelden ruwweg een drietal beproevingen een rol, namelijk het geloof, de inwijding en de logische redenatie.

   Allereerst was er de onmiskenbare invloedsfeer van de Bijbel, met name het Oude Testament. Om aan de zucht naar zingeving te voldoen reikte de machtige arm van de Rooms Katholieke Kerk tot in de kleinste hoekjes op aarde. Je zou kunnen zeggen dat de mensen dat aan hun eigen go(e)dgelovigheid hadden te wijten maar de Kerk kende geen enkele terughoudendheid. Dat leidde tot tal van - al dan niet vruchtdragende - zijscheuten aan de Roomse stam, waarvan sommige het zaad van verzet droegen. Daaruit ontwikkelde zich halverwege het millennium het Protestantisme, dat vooral goed bleek te gedijen in de gematigde streken terwijl het Katholicisme in overwegend Mediterrane richting werd teruggedrongen, waar het ooit (in de subtropen) was ontstaan.

   Naast hermetische genootschappen wier kennis wortelde in het oude Egypte wemelde het van talloze esoterische groeperingen binnen de Roomse kloostermuren, de centra waar kennis werd bewaard en doorgegeven. Natuurlijk wantrouwde de Kerk die subversievelingen zodat zij een geheim en ondergedoken bestaan leidden. Dit in tegenstelling tot de geleerde alchimisten en astrologen, die zich in dienst stelden van de geneeskunde en oorlogvoering. Hun (vak)kennis amalgameerde met die van de ingewijden in de Pythagorische numerologie en werd aangewend bij uiteenlopende nijverheden (glasblazen, pottenbakken, verven, smeden, e.d.).

   De numerologie lag aan de basis van de wiskunde en de ingewijden geloofden in de magische betekenis van getallen die werden beschouwd als versleutelde symbolen van verborgen kennis. Net zoals de ingewijden in de Kabbala geloofden dat de grote waarheid van de wereld geopenbaard kon worden via de geheime betekenis van letters en woorden in oude (heilige) geschriften.

   Het Jodendom (en in geringere mate de Islam) verspreidde al tijdens het 1e millennium de boodschap van het Oude Testament (via Talmoed en Koran). Dat had onbedoeld (?) vooral invloed op de verspreiding van de Kabbala onder niet-Joodse intelligentsia. Ingewijden zouden onbegrensde kennis kunnen verwerven en daarmee macht over de wereld krijgen. Wat natuurlijk niet door de katholieke kerk werd toegejuicht. Daarom gaven ingewijden slechts gematigd ruchtbaarheid aan hun kennis en hielden zich over het algemeen gedeisd.

   Veel esoterische genootschappen ontwikkelden zich uit zijscheuten aan de Roomse stam waarvan de ingewijden de macht van de Roomse kerk ooit hoopten te overtreffen en dus door diezelfde kerk verboden of zelfs vervolgd werden. Andere werden wellicht doodgezwegen maar door logische redenatie kon uit de kabbalistische, numerologische en alchimistische kennis een soort wetenschappelijke methodologie worden geabstraheerd (bv Jezuïeten).*

   Door onder andere de bevolkingstoename raakte in de renaissance genoemde kennis verder verspreid onder de bevolking zodat steeds meer getalenteerde individuen buiten de kloosters hun belezenheid en kundigheid uitdroegen. Vooral op het gebied van gezondheid, omdat dat iedereen aanging. Maar ook op gebieden die te maken hadden met een beter begrip van de werkelijkheid. Die naturalistische kijk op de wereld verdrong weliswaar de esoterie naar de achtergrond maar liet de go(e)dgelovigheid nagenoeg ongemoeid, zodat het zich zonder veel tegenstand van de katholieke kerk uiteindelijk kon ontwikkelen tot moderne wetenschap. Wat daar zeker ook toe bijgedragen heeft is de stroom aan technologische hulpmiddelen die sinds de renaissance op gang kwam en in de 20e tot een explosieve uitbarsting kwam.

 

 

Menig Westers geleerde heeft elementen uit de Aziatische cultuur willen adapteren ter verbetering van de eigen beschaving. Voorheen waren de ideële en de dagelijkse praktijk in de Westerse cultuur sterk gescheiden. Nu worden zakelijkheid en innovatie gestimuleerd teneinde ideeën te realiseren en het stoffelijke en onstoffelijke in harmonie te brengen. Dat is volgens mij precies de ontwikkelingslijn van ons oude gedachtengoed. Het Confucianisme en Chinese meditatie boeddhisme (zen) proberen eveneens het ideële en praktische te verenigen.*

 

 

Men heeft herhaaldelijk geprobeerd wetenschap, geloof en politiek te verenigen door ze te rekenen tot verschillende denkcategorieën of gedachtenniveaus. Zo zou men op wetenschappelijke gronden de evolutietheorie kunnen aanvaarden en tegelijkertijd – op een ander denkniveau – kunnen geloven in de schepping. De stoffelijke praktijk van de technologie (gebaseerd op de wetenschap) dankt zijn ontwikkeling aan het causaliteitsbeginsel (de logische redenatie over oorzaak en gevolg) en de macht van het ideële geloof is gebaseerd op doelgerichtheid (zin van het bestaan; leven na de dood). Kennelijk is het in onze christelijke samenleving mogelijk dat binnen één individu de pijl van de tijd verschillende richtingen kan hebben.

   Aan het begin van de 20e eeuw was de verwachting dat door de technologische ontwikkelingen het secularisme in Europa een grote vlucht zou maken. Dat viel echter tegen. Het Christendom mocht dan misschien aan faam inboeten, de nieuwe ‘atheïsten’ zochten hun religieuze heil bij tal van esoterische genootschappen (van vrijmetselarij tot new age). Veel wetenschappers bleven onverminderd in God geloven terwijl met name in Amerika aan het eind van de 20e eeuw de Bijbelse boodschap leek te zegenvieren ten koste van het ‘verlichte’ denken. Zonder daarbij overigens de technologische vruchten van de natuurwetenschap te versmaden.

   Het Westerse denken beruste aan het begin van het 3e millennium op een ernstige paradox: veel inwoners van Europese en Amerikaanse landen zouden er niet raar van opkijken als Google binnenkort een mobiele telefoon op de markt brengt waarmee een rechtstreekse verbinding met God gemaakt kan worden. Op school wordt men vanaf de vroegste instroom in oorzakelijkheid onderwezen maar dat weerhoudt de meesten er niet van om te geloven in de Voorbestemming en de Hemel.

   Het is niet zo dat verdere wetenschappelijke ontplooiing en technologische groei niet kunnen samengaan met religie, maar als het spirituele denken een teleologisch (doelgericht) karakter heeft, kunnen wetenschappelijke en technische ontwikkelingen wel daardoor worden afgeremd. Het logische concept van oorzaak en gevolg (causaliteitsbeginsel) sluit veel beter aan bij natuurgodsdiensten zoals Sjamanisme en Voorouderverering. Door machtige wereldreligies als Christendom, Jodendom en Islam hebben ze echter het predicaat primitief opgehangen gekregen.

   Desondanks is met name Voorouderverering wijd verspreid over de wereld, o.a. in Azië en Afrika. Het geloof dat men verantwoording moet afleggen aan de (geest van) de voorouders in plaats van aan een heer van de eindtijd sluit veel beter aan bij de naturalistische denkwijze dan het evangelie van de monotheïstische godsdiensten dat doen. Waar men het dagelijkse bestaan allereerst opvat als het resultaat van de vorige dag in plaats van een voorbereiding op de laatste dag (dag des oordeels) hebben wetenschappelijke en technologische innovaties de toekomst. Ook met het oog op de economische verschuivingen lijkt het daarom aannemelijk dat Homo domitor in de 22e eeuw een Aziaat zal zijn.

 

 

Door de steeds beter wordende economische prestaties en de toename van de welvaart ondergaat China nu dezelfde sensatie als het Westen in de Renaissance doormaakte: de herontdekking van zijn rijke verleden en de ontwikkeling van nieuwe culturele perspectieven.*

 

 

In de 21e eeuw plukken we zowel de zoete als de bittere vruchten van de exponentiële bevolkingsgroei. Was de aanwas sinds de renaissance ogenschijnlijk constant, vanaf het begin van de 20e eeuw nam deze spectaculair toe. Halverwege de vorige eeuw was de wereldbevolking 2x zo groot als aan het begin diezelfde eeuw en momenteel, op nog geen kwart van de 21e eeuw, is het totale aantal mensen ruim 4x zo groot.

   De exponentiële bevolkingsgroei wordt door velen beschouwd als de voornaamste oorzaak van alle ellende in de wereld. Niemand zal ontkennen dat de dominante positie die de mens op aarde inneemt in toenemende mate heeft geleid tot ecologische veranderingen. Het is een illusie om te verwachten dat het ecologisch evenwicht kan worden hersteld zonder de oorzaak van de storing weg te nemen. De belasting van de totale biosfeer ten behoeve van de voortdurend uitbreidende menselijke soort is onvermijdelijk en lijkt onstuitbaar. Het zal ten koste gaan van wat er was, zoals de toekomst ten koste gaat van het verleden.

   Doordat mensen dichter opeen wonen is wereldwijd de netto empathie toegenomen. Mensen (groepen) die elkaar nooit in levende lijve ontmoeten, hebben nu veel vaker gemeenschappelijke kennissen, waardoor ze minder vreemd zijn voor elkaar en elkaar minder snel vijandig zullen bejegenen. Tegelijkertijd krijgen we veel vaker de kans om samen te werken zodat coöperatief gedrag toeneemt. Dit alles heeft een positieve invloed op zowel de technologische ontwikkelingen als op de economische groei die op hun beurt zowel elkaar als de samenwerking positief beïnvloeden. Er is dus een soort verstrengelde positieve feedback die verantwoordelijk is voor de spectaculaire toename van informatie-uitwisseling en het vestigen van de macht bij het mondiale marktmechanisme. De toekomstige Homo domitor mag van Aziatische origine zijn, hij/zij beheerst de wereld vooral dank zij een zakelijke abstractie.

   Ooit was de leeuwentemmer in het circus één van de hoofdattracties. Het vermogen om de koning der dieren op de knieën te dwingen werd alom als een prestatie van formaat beschouwd. Thans staat de mensentemmer voor het voetlicht. Door de eeuwen heen is hij van uiterlijk veranderd van een fysieke overheerser in een commercieel en technofiel genie. Uiteindelijk is Homo domitor elke mens die zijn ego ondergeschikt maakt aan de technologie die hij zelf voortbrengt.

 

 

De verschuiving van autoriteit van mensen naar algoritmen gebeurt overal om ons heen, niet als gevolg van een of andere zwaarwegende overheidsbeslissing, maar door een vloedgolf van alledaagse persoonlijke keuzes.*

 

Landen in Europa, West Azië en Noord Afrika werden in het 1e millennium met harde hand geregeerd in naam van God of Allah. Overal sijpelt Joodse wijsheid* doorheen doordat het Jiddische erfgoed diffuus aanwezig is als enige cultuur zonder duidelijke thuisbasis.

   Daarvoor, ten tijde van het Romeinse rijk, stond de mens zelf veel meer centraal en was er feitelijk sprake van een humanistischer samenleving.

   Voor de ontwikkeling van Homo domitor kunnen we in het 2e millennium de volgende cruciale gebeurtenissen onderscheiden:

 

  1. Scheiding tussen Kerk en Staat (Concordaat van Worms, 1122); geleidelijk afschaffing theocratie
  2. Protestantse Reformatie (Luther, Calvijn, 16e eeuw); vervolging niet-katholieken (Joden en protestanten)
  3. Collectieve burgerinitiatieven (vanaf middeleeuwen, gilden en landbouwcoöperaties)
  4. Expansie uit zendingsdrang (vanaf kruistochten 11e-13e eeuw) en economisch gewin (Europese kolonisatie vanaf 15e eeuw)
  5. Liberalisme (emancipatie burger sinds 18e eeuw); Franse – en industriële revolutie; verlichting en geloof in maakbaarheid van de wereld (regulering van ongebreideld liberalisme)

 

Het regime van Homo domitor cultiveert de tweeslachtigheid: hoogmoed en onderwerping, geloof en wetenschap, eigenbelang en naastenliefde, ambitie en apathie, stuurmanskunst en nabootsing, eigenheid en mimicri, navigatoria en navolging, ondernemingszin en slavernij, vrijheid en verantwoordelijkheid, waarheid en bedrog.

   Na vele generaties zal het schisma de mensheid verdelen in 'de Kluit' en 'de Vrije Buitelingen'. De eerste groep vormt een zeer hecht netwerk van individuen voor wie zelfverwerkelijking ondergeschikt is aan de verwerkelijking van de groep, de Kluit dus. Voor de Vrije Buitelingen blijft zelfverwerkelijking een individuele aangelegenheid (aldus Dr Hasan Pacha in het Kaleidoscopisch Archief).

   Na verloop van (geologische) tijd zullen de leden van de Kluit volledig opgaan in het 'superorganisme' dat zich intergalactisch in verbinding zal stellen met overeenkomstige 'Kluiten'. De ons meer vertrouwde Vrije Buitelingen blijven onverstoorbaar aan de weg timmeren.

   Baajes kennen we allemaal maar Homo domitor is een groep, een gemeenschap. Homo domitor is bovengemiddeld bekwaam in het uitwisselen van informatie teneinde sociale netwerken te bouwen en onderhouden. Men zal hem eerder aantreffen in de Kluit dan onder de Vrije Buitelingen.

 

Uit het reisverslag van Charles Darwin: Journal of Researches (Voyage of the Beagle). Colburn, London, 1839. Volgens de jonge Darwin hadden de 'Vuurlanders' de hoogst mogelijke graad van beschaving bereikt door elke vorm van superioriteit af te wijzen.
Golfstromen worden in eerste instantie veroorzaakt door mondiale temperatuurverschillen. Zo beweegt de zeestroom langs West Europa bijvoorbeeld vanuit het warme zuiden naar het koude noorden en loopt de zeestroom langs het oosten van Noord Amerika in tegenovergestelde richting. Een deel van onze warme golfstroom wordt door Caribische windsystemen aangezet en steekt aan het oppervlak van de Atlantische oceaan over naar het noordoosten. Ter hoogte van Groenland is de golfstroom zodanig afgekoeld dat het water naar omlaag zakt (koud water is zwaarder dan warm water) en over de oceaanbodem terugstroomt in zuidelijke richting waar het water weer geleidelijk opwarmt en omhoog komt. Het polaire smeltwater neemt de plaats in van de onderduikende golfstroom en vormt zo het begin van de koude golfstroom langs de oostkust van Amerika. Deze warmte-gestuurde stromingsketen wordt ook op gang gehouden door het zoutgehalte van het zeewater. Zout water is zwaarder dan water zonder zout en zakt daarom naar de bodem terwijl het zoete water aan het oppervlak blijft (in warme gebieden met veel verdamping wordt het oppervlaktewater zouter). Als het smeltwater nabij Groenland toeneemt, kan het de aandrijving van de golfstromen nadelig beïnvloeden. Zie onder andere:

https://www.natuurkunde.nl/artikelen/1143/de-oceaan-als-lopende-band

https://big.nl/zo-werken-zeestromen-als-de-aarde-opwarmt-krijgen-wij-het-kouder/

https://www.vwkweb.nl/userfiles/ws_vrij_klimaat/371_klimaat_in_het_brandpunt_agulhaslek.pdf

https://www.scientias.nl/kans-warme-golfstroom-stilvalt-is-groter-dan-gedacht/

Om vervolging van esoterische genootschappen door de Katholieke kerk kracht bij te zetten werden ze beschuldigd van satanisme en hekserij. Vrijmetselaars en Jezuïeten werden in een zodanig kwaad daglicht geplaatst dat het volk niets met hen te maken wilde hebben, hen de schuld gaf van hun misère en blij was van hen verlost te worden. De vrijmetselarij wordt anno 2000 nog door velen beschouwd als een elitaire mannenclub met geheimzinnige gebaren en rituelen.
De Chinese filosoof Liang Qichao sprak in het begin van de vorige eeuw zijn enthousiasme uit over de herontdekking van het boeddhisme in China. In: William Theodore Bary et al., eds. Sources of Chinese Tradition. New York, Columbia University Press, 1960.
Kishore Mahbubani. De eeuw van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2008
Yuval Noah Harari. Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst. Thomas Rap, 2017.
Onder Joodse wijsheid versta ik de door rabbi’s opgetekende, bediscussieerde en doorgegeven combinatie van Bijbelkennis, (natuur)wetenschappelijke kennis en sociaaleconomische kennis die door elke Joodse deelgemeenschap al dan niet bewust werd uitgedragen.

 

Amsterdams horloge in notenhouten kast, ca. 1750

  

 

 

 

 

TIJDREIZIGERS IN LEIDEN

De klok die achteruit liep

 

 

De Leidse universiteit, kweekvijver en groeiakker van geniale geesten – Huygens, Boerhave en Hugo de Vries, Einstein en Oort, de gebroeders Tinbergen, Van ’t Hoff en Lorentz, Huizinga en Hazepad – heeft zijn geboorte in 1575 te danken aan de waardering van vrijheidsstrijder en voormalig stadhouder Willem de Zwijger voor de onverzettelijke oranjegezindheid van de Calvinisten. Het heldenepos Gysbregt van Aemstel (1637) van de renaissancedichter Joost van den Vondel herinnert aan zulk onverzettelijk godsvertrouwen ten tijde van (Spaanse) stadsbelegeringen. Het beleg van Leiden vormt het decor van The clock that went backward (1881) van de hand van de Amerikaanse journalist E.P. Mitchell. Het is de eerste publicatie over tijdreizen en verscheen 14 jaar vóór The Time Machine van H.G. Wells. Hieronder een Nederlandse vertaling.

  

 

Er stond een rij Italiaanse populieren voor het huis van mijn oudtante Gertrude, aan de oever van de rivier de Sheepscot,  vlakbij haar monding in de Atlantische Oceaan. Verrassend genoeg had mijn tante wel wat weg van die bomen. Ze vertoonde dezelfde bleekheid die hen onderscheidde van hun donkerder soortgenoten. Ze had een rijzig postuur, strenge gelaatstrekken en ze was heel slank. Haar kleding hing altijd strak om haar lijf. Ik weet zeker dat als het de goden ooit zou believen haar het lot van de nimf Daphne te laten ondergaan [die ze veranderd hadden in een laurier], mijn tante onopvallend haar plekje zou hebben ingenomen in die sombere rij droefgeestige populieren.

   Sommige van mijn vroegste herinneringen gaan over mijn eerbiedwaardige bloedverwante. Zowel tijdens haar leven als na haar dood speelde zij een belangrijke rol gedurende de gebeurtenissen die ik nu ga vertellen: gebeurtenissen die voor zover ik weet in de geschiedenis van de mensheid hun weerga niet kennen.

   Plichtsgetrouw brachten mijn neef Harry en ikzelf geregeld een bezoek aan tante Gertrude in Maine en dan vroegen we ons altijd af hoe oud tante precies was. Was ze al een jaar of zestig of zag ze er gewoon zo oud uit? We hadden geen enkel aanknopingspunt; alles was mogelijk. De oude dame had zich omringd met antieke spulletjes. Daardoor leek ze volledig in het verleden te leven. Soms als ze wat spraakzamer was, bij haar tweede kopje thee of op het pleintje waar de populieren hun slanke schaduw naar het oosten wierpen, vertelde ze wel eens iets over haar zogenaamde voorouders. Ik zeg zogenaamd, want we geloofden eigenlijk niet dat ze voorouders had.

   Een stamboom is eigenlijk iets stoms. Maar vooruit, hier is die van tante Gertrude, in zijn meest basale vorm.

   Haar betovergrootmoeder (1599-1642) was de Hollandse echtgenote van een strenge Calvinist met wie ze in 1632 Leiden was ontvlucht en aan boord van de Ann  was overgestoken naar Plymouth. Deze pelgrimsvrouw had een dochter, tante Gertrude’s overgrootmoeder (1640-1718). In het begin van de vorige eeuw woonde zij in het oosten van Massachusetts waar ze door de Penobscot-indianen werd vermoord tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog. Haar achtergebleven dochter (1680-1776) was getuige van de bevrijding van deze gebieden en droeg haar steentje bij aan de bevolkingsaanwas van de nieuwe republiek met niet minder dan negentien dappere zonen en bevallige dochters. Eén van de laatsten (1735-1802) trouwde met een scheepskapitein uit Wiscasset, Maine, die handel dreef in de Caraïben en met wie ze het ruime sop koos. Ze leden twee keer schipbreuk – eenmaal bij het huidige Seguin eiland, voor de kust van Maine, en eenmaal bij San Salvador. Op San Salvador werd tante Gertrude geboren.

   Het aanhoren van haar familiegeschiedenis verveelde ons mateloos. We namen het een en ander met de nodige korrels zout, niet in de laatste plaats door de genadeloze hardnekkigheid waarmee ze de genoemde data in onze oren knoopte. Zoals ik al liet doorschemeren, hechtten we weinig waarde aan tantes voorouders. Haar hele stamboom leek ons hoogst onwaarschijnlijk. Wat ons betrof waren haar praatjes over grootmoeders en oma’s niets anders dan hersenspinsels en speelde tante Gertrude eigenlijk zelf de hoofdrol in de eindeloze avonturen die ze aan hen toeschreef, allemaal als gevolg van het ontvallen van haar generatiegenoten die inmiddels hun levenswandel hadden beëindigd.

 

Op het onderste bordes van de oude trap in het herenhuis stond een oudhollandse staande klok. De 2½ meter hoge kast was gemaakt van donkerrood hout (geen mahonie) en op karakteristieke wijze met zilver ingelegd. Het was geen alledaags meubelstuk. Ongeveer honderd jaar geleden had klokkenmaker Cary, een hardwerkende en competente vakman, in Brunswick een goedlopende zaak gedreven. Er waren maar weinig welgestelde huishoudens in de omgeving waar een klok van Cary ontbrak. Maar nog voordat de ambachtsman in Brunswick was geboren, had tante Gertrudes klok al sinds twee eeuwen de uren en minuten aangegeven. Het apparaat was in werking gesteld toen ten tijde van het Leids Ontzet Willem de Zwijger de dijken had doorgestoken. De naam van de klokkenmaker, Jan Lipperdam, en het bouwjaar, 1572 waren midden op de wijzerplaat in grote zwarte letters en cijfers te lezen. Cary’s meesterwerken waren middelmatig en modern in vergelijking met deze oude aristocraat. De volle Hollandse maan was zo geraffineerd boven het landschap met windmolens en polders geschilderd dat ook de schijngestalten werden getoond. Een geoefende hand had aan de bovenzijde een grimmig ogend ornament uitgesneden, een doodshoofd dat zat vastgepind door een tweezijdig zwaard. Net als alle uurwerken uit de 16e eeuw had de klok geen slinger. Een eenvoudig lepel- echappement reguleerde het zakken van de gewichten naar de bodem van de hoge kast.

   Maar de gewichten waren nooit in beweging. Al die jaren dat Harry en ik in Maine kwamen, zagen we dat de wijzers van de oude klok op kwart over drie stonden, net als de eerste keer dat we er naar keken. De volle maan hing voortdurend in het laatste kwartier, net zo bewegingloos als het doodshoofd erboven. Er was iets geheimzinnigs aan het bevroren mechaniek en de verstilde wijzers. Tante Gertrude vertelde ons dat de klok het nooit meer gedaan had sinds hij door de bliksem was getroffen. Ze liet ons aan de zijkant bovenin de kast een zwart holte zien, met een gapende kloof van boven naar beneden over een lengte van bijna een meter. Deze uitleg stelde ons verre van tevreden. Het verklaarde niet waarom ze zo bits reageerde  toen wij voorstelden om de klokkenmaker uit de stad te laten komen, of waarom ze zich zo vreemd opgewonden gedroeg toen ze Harry op een trapleer zag staan, met een geleende sleutel in zijn hand, op het punt om zelf het vastgelopen mechaniek te inspecteren.

   Op een nacht in augustus, toen we al wat ouder waren, werd ik gewekt door een geluid in de gang. Ik schudde mijn neef wakker. “Er is Iemand in het huis,” fluisterde ik.

   We glipten onze kamer uit en slopen de trap af. Van beneden kwam een zwak licht. We hielden onze adem in en daalden geruisloos af naar het tweede bordes. Harry greep mijn arm. Hij wees over de trapleuning naar beneden en trok me tegelijkertijd terug in de schaduw.

   We waren getuige van een merkwaardig schouwspel.

   Tante Gertrude stond op een stoel voor de oude klok. In haar witte nachtpon en met haar witte slaapmuts op leek ze spookachtig veel op een besneeuwde populier. Toevallig kraakte de vloer van het bordes een beetje. Ze draaide zich abrupt in onze richting en tuurde aandachtig in de duisternis waarbij ze een kaars omhoog hield die haar bleke gezicht hel verlichtte. Ze zag er jaren ouder uit dan toen ik haar welterusten had gewenst. Een paar minuten lang stond ze onbeweeglijk en hield met trillende arm de kaars omhoog. Toen zette ze, klaarblijkelijk gerustgesteld, het licht op een plank en keerde zich weer naar de klok.

   Daarop zagen we de oude dame vanachter het front een sleutel tevoorschijn pakken waarna ze het mechaniek begon op te winden. We konden haar ingespannen horen ademen. Met haar handen aan weerszijden van de kast hield ze haar gezicht vlakbij de wijzerplaat alsof ze deze ongerust bestudeerde. In deze houding bleef ze lange tijd staan. Tenslotte hoorden we haar een zucht van verlichting slaken terwijl haar gezicht even half in onze richting draaide. Ik zal de wilde vreugde die van haar gezicht uitstraalde niet snel vergeten.

   De wijzers van de klok bewogen; ze liepen achteruit.

   Tante Gertrude sloeg haar beide armen om de behuizing en drukte er met haar verlepte wangen tegenaan. Ze kuste hem keer op keer. Ze liefkoosde hem op talloze manieren alsof het om een levende minnaar ging. Ze knuffelde hem en sprak tegen hem. Woorden die we konden horen maar die we niet begrepen.  De wijzers bleven achteruit lopen.

   Plotseling deinsde ze met een kreet achterover. De klok stond stil. Een ogenblik zagen we haar lange lijf op de stoel wankelen. In een krampachtig gebaar van angst en wanhoop strekte ze haar armen uit, kon ze nog net de minutenwijzer met een zwiep terugzetten in zijn oude stand op kwart over drie,  en viel toen ongenadig zwaar tegen de grond.

 

II

 

Volgens haar testament liet tante Gertrude aan mij haar banktegoed, gasaandelen, huis, spoorwegobligaties en stadspenningen na. Harry kreeg de klok. We vonden dat toentertijd een heel oneerlijke verdeling, des te meer verwonderlijk omdat haar voorkeur schijnbaar altijd naar mijn neef was uitgegaan. Met nuchtere ernst onderwierpen we het antieke uurwerk aan een grondig onderzoek, beklopten we de houten behuizing op zoek naar geheime laadjes en staken we zelfs een breinaald in het eenvoudige mechaniek, vermoedend dat we zo de kwestie konden ophelderen want die rare tante van ons zou daar wel enigerlei codicil of ander document hebben verstopt. We vonden niets.

   Haar nalatenschap voorzag ook in een studiebeurs voor ons beide aan de Universiteit van Leiden. We verlieten de militaire academie waar we weinig hadden geleerd over oorlogsstrategie en heel veel over stijf rechtop staan en marcheren, en boekten onmiddellijk een overtocht. De klok namen we mee. Hij heeft maandenlang in een hoek van onze kamer gestaan, in de Breestraat.

   Terug op zijn geboortegrond bleef het product van Jan Lipperdams vakmanschap als van ouds halsstarrig op kwart over drie staan. De klokkenmaker lag al bijna driehonderd jaar onder de zoden en geen van zijn opvolgers in Leiden had het uurwerk aan de praat kunnen krijgen.

   Zonder al te veel moeite leerden we genoeg Nederlands om ons verstaanbaar te maken onder de dorpsbewoners, de professoren en met diegenen van de zo’n achthonderd medestudenten waar we gemeenzaam mee omgingen. In eerste instantie lijkt deze taal heel moeilijk maar eigenlijk is het niets anders dan een soort opgeblazen Engels. Denk er even over na en het schiet je te binnen, net zoals je bij een eenvoudig cryptogram eerst de afzonderlijk woorden doorneemt om ze vervolgens op de juiste plaats te zetten.

   Nadat we voldoende talenkennis hadden verworven en aan de nieuwe omgeving gewend waren geraakt, hielden we ons bezig met alledaagse zaken. Harry wijdde zich ijverig aan de studie der sociologie, met bijzondere aandacht voor de rondborstige en niet onaardige Leidse maagdekens. Ikzelf verdiepte mij in de wijsbegeerte.

   Buiten onze respectievelijke studies hadden we veelal dezelfde interesses. We ontdekten dat tot onze verbazing nog geen één op de twintig studenten ook maar enige belangstelling had voor het roemruchte verleden van de stad of wist van de gebeurtenissen waarom de universiteit zelf was gesticht door Willem van Oranje. In schril contrast met de algemeen heersende onverschilligheid stond het enthousiasme van professor Van Stopp, mijn mentor in de troebele wereld van de speculatieve filosofie.

   Dit voorname Hegeliaanse heerschap was een gortdroog oud mannetje met een kalotje op zijn schedel en gelaatstrekken die mij vreemd genoeg aan tante Gertrude deden denken. Hij zou makkelijk voor haar broer hebben kunnen doorgaan. Toen we op een keer samen in het Stadhuis het portret bekeken van burgemeester Van der Werf, de held van het beleg, zei ik dat tegen hem. De professor moest lachen. “Ik zal je nog een ander buitengewoon toeval laten zien,” zei hij en daarop ging hij mij voor door de hal naar het grote schilderij van het beleg, van Warmers, en wees naar een van de burgers die de stad verdedigden. En inderdaad. Van Stopp had zijn zoon kunnen zijn; de burger had tante Gertrude’s vader kunnen zijn.

   De professor scheen ons wel te mogen. We gingen vaak bij hem op bezoek in zijn oude woning aan het Rapenburg, een van de weinige huizen van vóór 1574. Hij vergezelde ons tijdens wandelingen door de prachtige buitenwijken, langs kaarsrechte wegen met aan weerszijden populieren die ons herinnerden aan de oevers van de Sheepscot. Hij nam ons mee naar het hoogste punt van de verwoeste toren in het centrum  van de stad en wees ons Schielands Hoge Zeedijk in de verte. Vanaf dezelfde kantelen waar drie eeuwen geleden kommervolle blikken hadden gadegeslagen hoe de watergeuzen onder aanvoering van admiraal Boisot langzaam naderden over de ondergelopen polders, toonde hij ons de fameuze Landscheiding die was doorgestoken opdat de Zeeuwen van Boisot zich met het binnenstromende water konden laten meevoeren om onder het vaandel van de prins de uitgehongerden van proviand te voorzien. Hij liet ons het hoofdkwartier zien van de Spanjool Valdez in Leiderdorp en vertelde ons hoe in de nacht van de eerste oktober de weergoden zorgden voor een hevige noordwester die het water zo hoog opstuwde dat ondieptes verdwenen en de vloot vooruit blies tussen Zoeterwoude en kasteel Zwieten precies in de richting van de muren van de Schans Lammen, het laatste bolwerk van de belegeraars en de laatste hindernis op weg naar hulpverlening aan de uitgemergelde stadsbewoners. Daarna liet hij ons zien waar ’s nachts, vlak vóór ze de aftocht bliezen, het paapse bezettingsleger uit Lammen een enorme bres in de Leidse stadsmuur had geslagen, vlakbij de Koepoort.

   “Nee maar!” ontbrandde Harry, geheel in de ban van de professors woorden, “dat had de doorslag van het beleg gegeven.”

   De professor zei niets. Met gevouwen armen keek hij mijn neef strak aan.

   “Immers,” ging Harry verder, “als die plek niet in de gaten was gehouden en de verdediging van de bres bezweken was onder een nachtelijke stormaanval vanuit Lammen, dan zou de stad in vlammen zijn opgegaan en het volk zou onder de ogen van admiraal Boisot en de watergeuzen zijn afgeslacht. Wie verdedigden dat gat?”

   Traag antwoordde Van Stopp, elk woord zorgvuldig afwegend:

   “In de analen staat vermeld dat tijdens de laatste nacht van het beleg een granaat onder de stadsmuur tot ontploffing wordt gebracht; er staat niets in over de verdediging of wie die op zich had genomen. Toch was geen van de overlevenden aan iemand meer dank verschuldigd dan aan deze onbekende held. Werd hij stom toevallig met dat onverwachte gevaar geconfronteerd? Stel je voor dat hij was bezweken. Met de val van Leiden zou het laatste vleugje hoop van de Prins van Oranje en de vrije Staten van Holland en Zeeland zijn weggenomen. Philips II zou opnieuw zijn tirannie hebben gevestigd. Het begin van godsdienstvrijheid en zelfbestuur door het volk zou voor wie weet hoeveel eeuwen zijn opgeschort. Wie weet, misschien zou er zonder de Verenigde Nederlanden wel nooit een republiek der Verenigde Staten van Amerika zijn gekomen?  De stichting van onze universiteit, de kweekplaats van Hugo de Groot, Jozef Scaliger, Jacob Arminius en René Descartes, is te danken aan het succes waarmee deze held het gat in de muur heeft verdedigd. Aan hem danken we onze aanwezigheid alhier. Sterker nog, aan hem heb je te danken dat je sowieso bestaat. Je voorouders komen uit Leiden; hij heeft er voor gezorgd dat ze die nacht niet zijn afgeslacht.

   Zijn vervoering en vaderlandsliefde deed de kleine professor opzwellen. Harry’s ogen glinsterden en zijn wangen werden rood.

   “Ga naar huis, jongens,” zei Van Stopp, “en dank God op je knieën dat toen de burgers van Leiden ingespannen in de richting van Zoeterwoude uitkeken naar de watergeuzen, er tenminste één flinke kerel met waakzame blik  bij de stadsmuur stond, even voorbij de Koepoort!”

 

III

 

Op een regenachtige avond in de herfst van ons derde jaar in Leiden werden we in de Breestraat door professor Van Stopp met een bezoek vereerd. Ik had de oude heer nog niet eerder zo opgetogen meegemaakt. Hij was aan één stuk door aan het woord. Afwisselend besprak hij goed gehumeurd de plaatselijke roddels, het wereldnieuws, de wetenschap, de dichtkunst en de wijsbegeerte. Ik probeerde zijn aandacht op Hegel te vestigen met wiens ideeën over complexiteit en wederzijdse afhankelijkheid ik op dat moment worstelde.

   “Je vat nog niet hoe het Zelf terugkeert tot zichzelf via het niet-Zelf,” zei hij glimlachend. “Maak je geen zorgen, dat komt vanzelf.”

   Harry was stil en in gedachten verzonken. Zijn zwijgzaamheid kreeg na een tijdje zelfs vat op de professor. De conversatie verslapte en een hele tijd werd er geen woord gesproken. Af en toe lichtte het en hoorde we in de verte het onweer rommelen.

   “Jullie klok staat stil,” merkte de professor plotseling op. “Loopt-ie wel eens?”

   “Voor zover wij weten niet,” antwoordde ik. Hoewel, één keer, maar toen liep-ie achteruit. Dat was toe tante Gertrude …”

   Op dat moment zag ik Harry’s vermanende blik. Ik lachte en stamelde:  “De oude klok is stuk. Hij doet het niet meer.”

   “Alleen achteruit?” zei de professor onbewogen, zonder dat hij mijn gêne leek op te merken. “Nou, waarom zou een klok niet achteruit mogen lopen? Waarom zou de Tijd zelf zich niet kunnen omdraaien en op zijn schreden terugkeren?”

   Hij leek op een antwoord te wachten. Maar dat had ik niet.

   “Ik meende dat je inmiddels voldoende vertrouwd was met Hegel,” vervolgde hij, “om te erkennen dat elke toestand zijn eigen tegenhanger omvat. Tijd is een toestand, geen noodzakelijkheid. De volgorde waarmee de toekomst na het heden komt en het heden na het verleden is op zichzelf gezien zuiver willekeurig. Gisteren, vandaag, morgen; de natuurlijke gang van zaken kan evengoed omgekeerd zijn: morgen, vandaag, gisteren.”

   Een snerpende donderslag onderbrak de professors bespiegelingen.

   “Dagen worden gemaakt doordat de aarde van het westen naar het oosten om haar as draait. Ik denk dat je je wel een toestand kunt voorstellen waarbij de draaiing van het westen naar het oosten gaat om zo als het ware de omwentelingen van voorbije tijden af te winden. Maar heb je voldoende verbeeldingskracht  om je voor te stellen dat de Tijd zichzelf afwindt; Tijd die terugvloeit in plaats van voort stroomt; het verleden ontvouwend terwijl de toekomst terugwijkt; eeuwen achtereen; de loop der gebeurtenissen volgend naar het begin en niet, zoals nu, naar het einde?”

   “Maar,” wierp ik tegen, “wat ons betreft weten we dat …”

   “Weten!” riep Van Stopp met stijgende hoon. “Gebruik toch je fantasie. Laat gaan, die rationele betweters en hun gedachteloze napraters. Je bent ongelooflijk zeker van je plaats hier in het heelal. Je miezerige persoontje lijkt stevig verankerd in deze Totaliteit. Toch ga je vanavond naar bed om te dromen over het toekomstige of voorbije leven van mannen, vrouwen, kinderen, of dieren. Hoe kun je weten of jijzelf niet op dit ogenblik, met je zelfingenomen 19e eeuwse denkwijze, niets anders bent dan een toekomstig schepsel in de droom van, laten we zeggen, de een of andere wijsgeer uit de 16e eeuw? Hoe weet je of je niet iets anders bent dan een verleden wezen in de droom van de een of andere Hegeliaan in de 26e eeuw? Hoe weet je, mijn beste jongen, dat je niet zal verdwijnen naar de 16e eeuw of naar 2060 zodra de dromer wakker wordt?”

   Een antwoord had geen zin want de kwestie was puur metafysisch. Harry geeuwde. Ik stond op en liep naar het raam. Professor Van Stopp begaf zich naar de klok.

   “Ach, beste kinderen,” sprak hij, “het verloop van de menselijke geschiedenis ligt niet vast. Verleden, heden en toekomst zijn onlosmakelijk met elkaar verweven. Wie zal zeggen of deze oude klok niet terecht achteruit loopt?”

   Een donderslag deed het huis op haar grondvesten schudden. Het onweer had ons inmiddels bereikt.

   Na de verblindende flits klom professor Van Stopp op een stoel vóór de hoge staande klok. Meer dan ooit zag zijn gelaat er net zo uit als dat van tante Gertrude. Hij stond in dezelfde houding als zij had gestaan in dat laatste kwartier dat we haar de klok hadden zien opwinden.

   Harry en ik dachten allebei hetzelfde.

   “Stop!” riepen we uit, toen hij de veer begon op te winden. “Het kan uw einde zijn als u …”

   De professors dorre gelaatstrekken straalden net zo’n vreemde verrukking uit als die van tante Gertrude destijds.

   “Inderdaad,” zei hij, “het kan het einde zijn; maar misschien ook wel het begin. Verleden, heden, toekomst, allemaal met elkaar verweven! De schietspoel gaat heen en weer, voorwaarts en terug …”

   Hij had de klok opgewonden.  De wijzers draaiden met een ongelooflijke snelheid in het rond. Achteruit. Dit rondtollen veroorzaakte een maalstroom waarin we leken te worden meegezogen. Eeuwen werden samengebald tot minuten terwijl levens werden beëindigd bij elke tik. Van Stopp stond met uitgestrekte armen te wankelen op zijn stoel. Een enorme donderslag deed het huis opnieuw  schudden. Op hetzelfde moment vloog er een verblindende vuurbal over ons heen die de kamer met zwaveldamp vulde en sloeg de klok. Van Stopp werd ter aarde geworpen. De wijzers hielden op met ronddraaien.

 

IV

  

Het donderende onweer klonk als zwaar kanonvuur. De flikkerende bliksemschichten leken op de flakkerende gloed van een inferno. Met onze handen voor de ogen renden Harry en ik naar buiten. De nacht tegemoet.

  Onder een rode hemel haastten mensen zich naar het Stadhuis. Oplaaiende vlammen ter hoogte van de Burchttoren  gaven ons te kennen dat het hart van de stad in brand stond. De mensen die we tegenkwamen, zagen er verwilderd en uitgehongerd uit. Van alle kanten hoorden we onsamenhangend geweeklaag en wanhopig gemor. “Paardenvlees voor vijf gulden per pond,” zei iemand, “en brood voor drie knaken.” “Hoezo brood?” wierp een oude vrouw in het midden: :het is acht weken geleden sinds ik een kruimel heb gezien.” “Mijn verlamde kleinkindje is gisteravond heengegaan.” “Weet je wat Gekke Betje, de wasvrouw, heeft gedaan? Ze was uitgehongerd. Toen haar baby doodging”, hebben zij en haar man … “

   Het toenemende kanongebulder maakt een einde aan deze ontboezeming. Terwijl we onze weg naar de Burcht voortzetten, kwamen we af en toe wat soldaten tegen en menig burger met een verbeten oogopslag onder hun breedgerande vilten hoed.

   “Er is brood zat, ginds, waar het buskruit is, evenals amnestie. Vanochtend heeft Valdez opnieuw een aflaat afgevuurd.”

   Onmiddellijk werd de spreker door een opgewonden menigte omringd. “Maar de vloot dan!” riepen ze uit.

   “De vloot is vastgelopen op de Groene Polder. Boisot mag dan hopen op zeewind voordat de honger en ziekte al onze zonen heeft weggenomen, maar zijn ark zal geen touwlengte dichterbij komen. Dood door pest, dood door verhongering,  De pest, uithongering, verbranding en geweervuur, dat is wat de burgemeester ons te bieden heeft, in ruil voor zijn eer en de kroon voor Oranje.”

   “Hij vraagt ons,” zei een uit de kluiten gewassen burger, “nog slechts vierentwintig uur stand te houden, en ondertussen te bidden dat er een zeewind mag opsteken.”

   “Och ja!” grijnsde de eerste spreker spottend. “Bid maar. Er ligt brood genoeg opgesloten in de kelder van Pieter Adriaanszoon van der Werf. Ik verzeker jullie dat hem dat zo’n geweldig sterke maag geeft om zich te verzetten tegen de Meest Katholieke Koning.”

   Een meisje met blonde vlechten wurmde zich door de menigte heen en ging voor de nijdas staan. “Beste mensen,” zei het meisje, “luister niet naar hem. Hij is een verrader met een Spaans hart. Ik ben Pieters dochter. Wij hebben geen brood. We hebben net als jullie moutkoeken en koolzaad gegeten totdat alles op was. Daarna hebben we de blaadjes geplukt van lindebomen en wilgen in onze tuin en die opgegeten We hebben zelfs distels gegeten en onkruid dat tussen de stenen langs het kanaal groeit. Die lafaard is een leugenaar.”

   Niettemin had de insinuatie effect geboekt. De samenscholing, inmiddels uitgegroeid tot een menigte, deinde in de richting van het huis van de burgemeester. Een schurk hief zijn hand op om het meisje uit de weg te slaan. Op het moment dat het hondsvot zijn medebetogers even voor de voeten liep, dook Harry, snakkend naar adem en gloeiend van woede, naast het meisje op en schreeuwde uitdagend en in keurig Engels naar de snel terugtrekkende menigte.

   Uiterst openhartig legde ze haar armen om Harry’s nek en kuste hem.

   “Dank je wel,” zei ze. “Jij bent een oprechte kerel. Mijn naam is Gertrui van der Werf.”

   Harry zocht verwoed in zijn vocabulaire naar de juiste Hollandse woorden, maar het meisje gaf hem geen kans voor plichtplegingen. “Ze willen mijn vader kwaad doen;” en ze haastte zich voor ons uit door enkele zeer nauwe straatjes naar een driehoekige marktplaats die overschaduwd werd door een kerk met twee torenspitsen. “Daar staat-ie,” riep ze uit, “op de stoep voor de Hooglandse Kerk.”

  Er heerste grote opwinding op de markt. Zowel de hevige brand die aan de andere zijde van de kerk woedde als het gebulder van het Spaanse en Waalse kanonvuur buiten de muren klonk minder dreigend dan het gebrul van dat enorme aantal wanhopig om brood schreiende mensen dat hen door slechts een enkel woord van hun leider gebracht zou kunnen worden. “Geef je over aan de koning,” schreeuwden ze, “of we sturen als bewijs van de Leidse overgave je lijk naar Lammen.”

   Een grote man, een halve kop uitstekend boven de burgers tegenover hem en met zo’n donkere gelaatskleur dat we ons afvroegen hoe hij Gertrui’s vader kon zijn, hoorde het dreigement stilzwijgend aan. Toen de burgemeester sprak, moest het gepeupel wel luisteren, of het wilde of niet.

   “Wat vraagt ge mij, vrienden? Dat we onze belofte breken en Leiden afstaan aan de Spanjaard? Dat zou ons tot een veel gruwelijker lot verdoemen dan uithongering. Ik heb een eed gezworen! Neem mijn leven, als ge dat wilt. Ik kan maar één keer gedood worden, hetzij door jullie, hetzij door de vijand of door de hand van God. Laat ons verhongeren, als het niet anders kan, de honger welkom heten omdat ze minder schandelijk is dan ontering. Uw dreigementen brengen mij niet van mijn stuk; als gij dan door mijn dood geholpen zijt, slaat de handen aan dit lichaam. Hier, neem mijn zwaard en steek het in mijn borst. Snijdt mijn vlees  in stukken en deel het uit zo ver als mogelijk is, opdat het uw honger moge stillen. Verwacht geen overgave zolang ik nog in leven ben.”

   De menigte hulde zich in een weifelend stilzwijgen. Daarop hoorden we gemompel om ons heen. De stem van het meisje wier hand Harry mijns inziens nog steeds nodeloos vasthield klonk er helder bovenuit.

   “Voelen jullie de zeewind? Eindelijk! Op naar de toren! Wie het eerste komt kan de door de maan beschenen zeilen van de prinselijke schepen nog aanschouwen.”

   Het plotseling in beweging komen van de menigte in de richting van de Burchttoren scheidde mij van mijn neef en zijn gezelschap; tevergeefs zwierf ik enkele uren door de straten om hen te zoeken. Overal zag ik getuigenissen van de straf die dit kloekmoedige volk aan de rand van de wanhoop had gebracht. Een man met een hongerige blik in zijn ogen zat een magere rat achterna langs de oever van het kanaal. Met de lijkjes van twee baby’tjes in haar armen, zat een jonge moeder in de deuropening waardoor haar echtgenoot en haar vader naar buiten werden gedragen; ze waren zojuist gesneuveld bij de muren. Midden in een verlaten straat passeerde ik een stapel onbegraven lijken die twee keer zo hoog was als ikzelf. De pest was hen beter gezind geweest dan de Spanjool want zij sloeg tenminste toe zonder verraderlijke beloftes te doen.

   Tegen de ochtend was de wind aangewakkerd tot een storm. Niemand sliep in Leiden, er was geen sprake meer van overgave, niet langer maakte men zich zorgen over de verdediging. Eenieder die ik ontmoette prevelde de volgende woorden: “Met de ochtendzon komen de schepen.”

   En kwamen de schepen ook met de ochtendzon? De geschiedenis zegt van wel, maar ik was er niet bij. Ik weet alleen dat vóór de dagenraad de storm omsloeg in een hevig onweer en dat tegelijkertijd een doffe explosie, zwaarder dan een donderslag, de stad deed schudden. Ik bevond me in het gedrang dat vanaf de Burchtheuvel uitkeek naar de eerste tekenen van het naderende ontzettingsleger. Door de schok werd elke hoop van ieders gezicht gevaagd. “Ze hebben de muur opgeblazen!” Maar waar? Ik drong naar voren tot ik de burgemeester tussen de anderen zag staan. “Snel!” fluisterde ik. “Het is tussen de Koepoort en de Bourgondische toren.” Hij wierp me een zoekende blik toe en schreed vervolgens zonder aanstalten om de algemene paniek te sussen met grote stappen weg. Ik volgde hem op de hielen.

   Het was een flinke spurt van ongeveer achthonderd meter naar de muur in kwestie. Toen we de Koepoort bereikten, zagen we het volgende:

   Waar de muur gestaan had gaapte een enorme opening naar het moerasgebied erachter: in de gracht, daarbuiten en beneden hen, blikte een wirwar van mannen omhoog, mannen die met een duivelse krachtinspanning probeerden de bres te bereiken, nu eens een metertje naderend en dan weer teruggeslagen; op de verbrijzelde vestingwal vormde een handjevol soldaten en burgers een levende muur waar het metselwerk was tekort geschoten; niet meer dan een dubbele handvol vrouwen en meisjes reikten de verdedigers stenen aan en emmers met behalve kokend water ook pek en olie en ongebluste kalk en sommigen wierpen in teer gedrenkte brandende hoepels rond de nek van Spanjolen in de gracht; mijn neef Harry voerde de mannen aan en gaf hen aanwijzingen; Gertrui, de burgemeestersdochter, vuurde de vrouwen aan en gaf hen moed.

   Maar wat vooral mijn aandacht trok, was de hectische bedrijvigheid van een kleine donker geklede gestalte die met een reusachtige opscheplepel gesmolten lood uitgoot over de hoofden van de aanvallende partij. Toen hij zich omkeerde naar het vuur en de ketel die hem van zijn munitie voorzag, werd zijn gelaat duidelijk zichtbaar. Verrast slaakte ik een gil: degene die gesmolten lood serveerde was Professor Van Stopp.

   Op mijn plotselinge uitroep keerde burgermeester Van der Werf zich naar mij om. “Wie is dat?” vroeg ik. “Die man bij de ketel?”

   “Dat,” antwoordde Van der Werf, “is de broer van mijn vrouw. De klokkenmaker Jan Lipperdam.”

   Nog voor we goed en wel doorhadden wat er gebeurd was bij de bres was het allemaal voorbij. De Spanjolen, die de stenen muur en het metselwerk hadden omvergeworpen, kregen de levende muur niet klein. Zelfs hun toestand in de gracht bleek onhoudbaar; ze werden weggejaagd en de duisternis ingedreven. Op dat moment voelde ik een scherpe pijn in mijn linker arm. Terwijl we naar de strijd keken, moet een verdwaald projectiel mij geraakt hebben.

   “Aan wie hebben we dit te danken?” vroeg de burgermeester. “Wie heeft vandaag met koene blik de wacht gehouden, terwijl de rest van ons gespannen uitkeek naar de dag van morgen als een stel blinde dwazen?”

   Hand in hand met mijn neef kwam Gertrui van der Werf trots naar voren. “Vader,” zei het meisje, “hij heeft mijn leven gered.”

   “Dat betekent veel voor mij,” zei de burgermeester, “maar het betekent nog veel meer. Hij heeft ook Leiden gered en hij heeft Holland gered.”

   Ik voelde me duizelig. De gezichten om me heen leken onwerkelijk. Waarom waren we hier met deze mensen? Waarom hield het donderen en bliksemen maar niet op? Waarom had klokkenmaker Jan Lipperdam het gezicht van Professor Van Stopp? “Harry!” zei ik, “kom, we gaan terug naar onze kamers.”

   Maar ook al stak hij hartelijk zijn hand uit, zijn andere hand hield nog steeds die van het meisje vast, en hij kwam niet van zijn plaats. Een golf van misselijkheid overviel mij. Mijn hoofd tolde en het beeld van de bres en haar verdedigers vervaagden. 

 

V

 

Drie dagen later zat ik met mijn arm in het verband op mijn gangbare plek in Van Stopps collegezaal. De plaats naast mij was leeg.

   “Er is heel wat gezegd en geschreven,” sprak de Hegeliaanse professor op zijn gebruikelijke toonloze en gejaagde wijze, “over de invloed van de zestiende eeuw op de negentiende,” onderwijl zijn aantekeningen raadplegend. “Voor zover ik weet heeft geen enkele filosoof de invloed van de negentiende eeuw op de zestiende bestudeerd. Als oorzaak leidt tot een gevolg, kan een gevolg dan ook geen oorzaak opwekken? Verlopen de erfelijkheidswetten, in tegenstelling tot alle andere wetten in ons spirituele en materiële universum, slechts in één richting? Heeft de afstammeling alles te danken aan zijn voorouder en de voorouder niets aan zijn afstammeling? Zou onze lotsbestemming, het doel van ons bestaan dat per definitie in de toekomst ligt, ons niet evengoed naar het verleden kunnen brengen?”

   Ik keerde terug naar mijn appartement in de Breestraat waar de zwijgende klok nog mijn enige gezelschap was.

 

 

 

***

 

 

 

 

DE HOOGSTE TIJD1

Herkomst van de uitdrukking is onbekend. Mogelijk was het oorspronkelijk een verwijzing naar de verwachte ontmoeting met de Hoogste. Op het sterfbed.

Circadiaanse ritmes, biologische klokken en de tijdillusie

  

 

Met Heb je even voor mij? wordt een beroep gedaan op persoonlijke TIJD  (en aandacht) waarvan je je kunt afvragen wat er mee gebeurt als er niemand komt opdagen. Heb je even voor mij? Iedereen weet wat er wordt bedoeld: kun je wat tijd met mij delen.

   Tijd beleef je samen. We beseffen het nauwelijks maar dat is de wijze waarop we tijd gewoonlijk ervaren. Dat is ook het voornaamste bestaansrecht van de talloze uurwerken, horloges en andere dagelijkse tijdduiders. In volledige afzondering blijkt ons tijdsbesef ernstig verstoord te raken. Al na enkele uren in een isoleercel komt de geschatte duur van het isolement uit op de helft van de werkelijke tijd die in beslotenheid is doorgebracht. Slaapgebrek vertraagt de biologische klok en versnelt de tijdsbeleving.

   Het bevestigd de idee dat onze opvatting over circulaire tijd een culturele (aangeleerde) component heeft die vrij eenvoudig valt te manipuleren. Dit in tegenstelling tot de gangbare opvatting over lineaire tijd. De meeste mensen kunnen zich onmogelijk voorstellen dat objectieve tijd een illusie is.*

 

 

Joachim Bolt was in de totale duisternis onder de puinhopen van het Peruaanse museum zijn gevoel voor ruimtetijd volledig kwijtgeraakt. Zoals kinderen soms denken te kunnen verdwijnen door hun ogen te sluiten, verplaatste hij zichzelf in gedachten naar de catacomben van het oudheidkundig instituut en verdween voorgoed in het archief.

   Anders dan bij ingesloten mijnwerkers en verdwaalde grottoeristen zou er nooit meer een spoor van hem worden teruggevonden. Dat wordt wel geweten aan zijn eigenzinnige gedrag om een uitgang te vinden. Daarbij zou hij juist steeds dieper in de duisternis van de ruimtetijd zijn opgegaan.

   Anderen vermoeden dat hij, net als de tijd zelf, een illusie was, ontsproten aan het brein van Erik Hazepad, en nooit heeft bestaan.

 

 

 In 1972 liet de Franse speleoloog Michel Siffre zich een half jaar opsluiten in een comfortabel ingerichte grot in Texas. De bedoeling was om meer inzicht te krijgen in het bioritme van de mens. Tijdens zijn verblijf in de klokloze ruimte verloor Siffre geleidelijk aan zijn gevoel voor de juiste tijd. Toen hij na zes maanden naar buiten kwam, dacht hij dat er pas drie waren verstreken.*

    Die ingrijpende invloed van afzondering op onze tijdbeleving werd later bevestigd door een vergelijkbaar experiment. In 1989 bracht de Italiaanse binnenhuisarchitecte Stefania Follini vier maanden door in een ondergrondse kamer zonder dat ze enige kennis had van het opkomen en ondergaan van de zon. Na verloop van tijd stopte haar menstruatiecyclus en bij haar eerste betreden van de buitenlucht na ruim 130 dagen meende ze dat er pas twee maanden voorbij waren sinds ze de grotkamer was binnen gegaan.

   Voor mensen die langdurig worden opgesloten, verloopt de tijd steeds sneller. Onderzoekers hebben vastgesteld dat mensen die langdurig worden afgezonderd van hun omgeving een waak-slaap ritme ontwikkelen volgens een 48-uurs cyclus.2

In: Human Physiology by R.F. Schmidt & G. Thews (eds.) p.154. Springer-Verlag, Berlin, 1983.

    Met deze en vergelijkbare onderzoeken is onweerlegbaar aangetoond dat de mens een interne klok heeft en dat deze behoorlijk achterloopt met het normale dag-nachtritme op aarde.  

 

Sinds het prille begin van het leven op aarde hebben organismen een ingebouwd metronoom dat hen instaat stelt  in de maat te blijven met ritmische processen. In een micromilieu zijn dergelijke processen talrijk en variëren van cyclische veranderingen van zuurgraad en temperatuur, potentiaalverschil en concentratie van opgeloste stoffen, stroming en voedsel. Op mondiale schaal komen daarbij de invloed van hemellichamen zoals de getijden en het dag-nachtritme. Door de intensieve straling van de zon zou dat laatste spoedig een overheersende rol gaan spelen.

    UV heeft een schadelijke invloed op het correct doorgeven van genetische informatie. Het tast de blauwdruk aan die nodig is voor het maken van de juiste eiwitten. De oorspronkelijke archaea en bacteriën vormden enzymen die instaat waren onder invloed van ultraviolet licht reparaties aan het DNA (de blauwdruk) te verrichten. Primitieve levensvormen met zulke enzymen hadden het voordeel dat geschikte eiwitten ook in volgende generaties gehandhaafd bleven. Een essentieel evolutionair principe. Erfelijke factoren die coderen voor dergelijke enzymen noemen we reparatiegenen.

    Lang voordat de UV- straling minder intensief werd door de vorming van de ozonlaag is het zichtbare daglicht een cruciale rol gaan spelen bij het tot stand komen van een circadiaanse ritme3. Door kleine modificaties in structuur kan namelijk het absorptievermogen van lichtgevoelige moleculen verschuiven van ultraviolet naar blauw licht. De enzymen die onder invloed van zichtbaar licht zijn gevormd, reguleren de werking van een aantal zogenaamde klokgenen die door positieve en negatieve feedback de concentratie van eiwitachtige stoffen cyclisch variëren over een periode van circa 24 uur*. Net als reparatiegenen zijn deze klokgenen te vinden in elk DNA, dus in elke cel, van blauwwier tot primaat.

Het onderzoek naar mechanismen betreffende circadiaanse ritmes liggen op het terrein van de chronobiologie. Circadiaans is afgeleid van circa diem oftewel ongeveer een etmaal. De basis van de chronobiologie werd gelegd in de 18e eeuw door de Fransman De Mairan die aantoonde dat de bladbeweging van een plant op het dag-nachtritme onveranderlijk doorging bij afwezigheid van licht. Hetgeen een aanwijzing was voor het bestaan van een inwendige klok.

    Bij de eenvoudige blauwwieren (prokaryoten) die al miljarden jaren de oceanen bevolken en met de productie van zuurstof op aarde zijn begonnen, is de biologische klok veel overzichtelijker dan bij planten en dieren. Hun 24-uursritme staat nog niet onder invloed van licht (autonoom) en wordt geregeld door drie eiwitten die voortdurend in elkaar grijpen en weer loslaten als radertjes in een klok. Het ritme is onafhankelijk van licht (autonoom) en heeft zich waarschijnlijk door natuurlijke selectie aangepast aan het dag-nacht ritme op aarde. Vermoed wordt dat dit systeem ten grondslag ligt aan de interne ritmes in complexere levensvormen die later ontstaan zijn (eukaryoten)  

    In de loop van de evolutie is het cellulaire mechanisme uitgebreid om stabilisatie van het circadiaanse ritme tijdens groei te garanderen4. In meercellige organismen vormen de lichaamscellen zogenaamde ‘perifere’ klokken. Bij dieren (en mensen) worden die klokken gesynchroniseerd en dagelijks gelijkgezet door signalen afkomstig van de suprachiasmatische kernen (SCN) in de hypothalamus. Er is geen zintuigelijke waarneming van de tijd. Ons tijdbesef is volledig gebaseerd op de cyclische processen zoals hierboven beschreven. Geen wonder dat de tijd langdurig als een louter cyclisch proces werd beschouwd.

De cellulaire bio-klok bevat minstens twee oscillatoren: een eiwitsynthese- en een eiwitmodificatie-oscillator. Aan de hand van een wiskundig model kon worden aangetoond dat de combinatie ervoor zorgt dat de klok goed blijft lopen onder verschillende groeiconditie Stabiliteit voor het genereren van circadiaanse ritmes komt tot stand door de koppeling van genetische transcriptie-translatie cyclus aan een eiwit-fosforyleringscyclus.

 

Het circadiaanse ritme is ruwweg onafhankelijk van uitwendige prikkels. Het voorziet in een eigen behoefte,  maar het kan worden gereset met de uitwendige prikkel. Het is niet vanzelfsprekend dat de metronoom synchroon loopt met de te volgen cyclus. Een regelmatige correctie is gewenst. De talrijke organismen waarbij de bioklok onjuist was afgestemd op het omgevingsritme zijn eenvoudig uitgestorven. Evolutie is vooral doodgaan, verteerd worden, van de aardbodem verdwijnen.

   Het vernuft van Homo sapiens zal ons vast en zeker in staat stellen van deze historische ontwikkeling af te wijken.

 

De voortbeweging van licht door de ruimtetijd wordt beschouwd als een constante (lichtsnelheid). Alles wat zich als zodanig (met die snelheid) voortbeweegt is tijdloos (een hypothetische klok met de snelheid van het licht staat stil). Alles dat niet zo snel gaat (trager is) bevindt zich in de tijddimensie (kent wel tijd). Je zou evengoed kunnen zeggen dat licht (en elke andere elektromagnetische golfbeweging) stilstaat in de ruimtetijd en dat wij bewegen met die absolute snelheid. De omkering van het uitdijende heelal. Wij vallen met de snelheid van het licht in de diepte. Roodverschuiving wordt veroorzaakt door een tragere valbeweging van verre stelsels. De achtergrondruis is niet de echo van de oerknal maar van de branding van een kosmische oceaan. Voor GPS en elektrisch licht maakt het niet uit, aardse producten hebben een aardse dimensie, een afwijking wordt pas merkbaar over een afstand van lichtjaren. Hoe je het ook wendt of keert, zonder emergentie (het licht gaat mij op) is het universum een absurditeit.

 

Onze innige relatie met licht komt tot uitdrukking in een grootschalig Europees onderzoek. Inwoners van het voormalige Oost Duitsland (waar de zon vroeger opkomt) staan ongeveer een halfuur eerder op en gaan gemiddeld een half uur eerder naar bed gaan dan hun landgenoten in het westen. Terwijl al die mensen wel naar hetzelfde achtuurjournaal kijken. Het maatschappelijke ritme is dus niet allesbepalend voor de biologische klok. 

 

 Alles kost tijd, en – laat de clichés maar rollen – tijd kost geld. Toch wordt er niet altijd op een paar  centen meer of minder gelet als het om de tijd gaat.

    De kosten voor de ontwikkeling van een atoomklok die sinds de oerknal nog geen seconde zou zijn afgeweken, moeten astronomisch geweest zijn.* De klok werd ontwikkeld door het National Institute of Standards and Technology (NIST) dat wordt gefinancierd door de Amerikaanse overheid en het internationale bedrijfsleven. De innovatieve opbrengst van de investering ligt allereerst op het gebied van moderne communicatie.

    Dat geld geen belemmering hoeft te zijn als het gaat om het vastleggen van tijd wordt ook door particulieren bewezen. The Long Now Foundation, een club van gefortuneerde (en wellicht excentrieke) idealisten, ontwikkelt uiteenlopende projecten die het zeer-lange-termijn-denken moeten stimuleren. Eén van die projecten is een klok die is ontworpen om ten minste tienduizend jaar lang de juiste tijd aan te geven.* Zoals een ruimtefoto van onze planeet beeldbepalend werd voor de milieubeweging, zo moet de klok het icoon worden van ons tijdbesef en de gedachte dat er nog een verre toekomst voor ons ligt.

    Voor onze dagelijkse beleving van tijd zijn die hoge nauwkeurigheid en verre toekomst nog niet erg relevant. De meeste mensen zijn al heel tevreden met een beetje zonlicht als ze opstaan  en een vrije dag in het vooruitzicht.

 

 De tijdrekening is in alle culturen traditioneel gebaseerd op de omwentelingen van hemellichamen. Het uur van de dag en de tijd van het jaar worden afgeleid uit de stand van de zon en sterren en soms kunnen ook de positie en schijngestalten van de maan een rol spelen. Hoe die tijdrekening uiteindelijk vorm krijgt, ligt veel minder vast en wordt bepaald door pragmatisme, creativiteit en technologische beschikbaarheid.

    We zijn gewend aan de afspraak dat de zon om 12 uur ‘s middags het hoogst aan de hemel staat, maar die afspraak is net zo willekeurig als het begin van de jaartelling bij de geboorte van Christus te leggen. Zo begint de islamitische jaartelling met de reis van Mohammed uit Mekka naar Medina (hidjra) en telt men de jaren in Thailand vanaf de dood van Siddharta Boeddha. Voor sommigen valt het jaar 0 samen met de stichting van Rome of van een keizerlijke dynastie, anderen hanteren liever het veronderstelde tijdstip van de schepping van de wereld. Atheïstisch getinte zielen geven natuurlijk de voorkeur aan de oerknal als startpunt.

    Wat de hoogste zonnestand betreft, is het wellicht logisch om die midden op de dag te plaatsen, maar dat wil niet zeggen dat dan ook de klok moet starten (waar begin je op een cirkel?). Het probleem is alleen dat iedereen dat zo gewend is en het niet anders wil, waar ook ter wereld. Zo hebben die ellendige tijdzones hun intrede gemaakt. Met alle problemen van dien.5   

    Vandaag de dag zou waarschijnlijk niemand op het idee komen om via een 12-tallig stelsel op een ronde schijf een etmaal in gelijke partjes te verdelen. Het digitale horloge laat (zonder omslag van het kloklezen) zien hoe laat het is en kan dat bovendien veel nauwkeuriger. Het 10-tallig stelsel (zoals de Franse revolutionairen ooit voorstonden) zou voor de hand liggen maar wordt om praktische redenen (niet alles is gedigitaliseerd) nog niet toegepast.

    Afhankelijk van de cultuur waarin ze ontstonden, vertonen kalenders meer variatie. De ijkpunten zijn hetzelfde. Overal ter wereld kent men een hoogste zonnestand, tussen de keerkringen 2x, bij ons 1x per jaar (365¼ dagen). Om die periode overzichtelijker te maken is hij verdeeld in weken en maanden, maar de respectievelijke lengtes van 7 en tussen de 28 en 31 dagen is volkomen arbitrair.

    Een constante maandlengte van 28 dagen komt overeen met de gemiddelde lengte van de menstruatiecyclus en evenals met het gemiddelde tussen de siderische- en synodische maanomloop. Zo’n minder willekeurige maandlengte betekent 13 maanden in een jaar en om de 10 jaar een schrikkeljaar (net als nu is de deling onvolledig wat met een afwijkend schrikkeljaar kan worden gecompenseerd).

    Volgens onze huidige kalender kan de 1e van de maand op een willekeurige weekdag vallen. Vermoed wordt dat de oeroude en religieus getinte weeklengte van 7 dagen overeenkomt met een menselijk bioritme. Op grond daarvan valt de huidige weeklengte aan te bevelen. Dan kan elke maand ook met dezelfde dag beginnen.

    Een week hoeft echter niet een geheel aantal malen in een maand te passen (dat is nu ook niet het geval). Uit sociaaleconomische overwegingen zou een week van acht dagen (met 3 recreatieve dagen) wellicht te verkiezen zijn boven een 4-daagse werkweek. Dat zou dan wel op internationale schaal moeten plaatsvinden omdat anders het sociaaleconomische verkeer wel erg uit de pas raakt. Maar misschien is dat nog helemaal niet zo erg. Waar het om gaat is dat kalenders ook maar kunstgrepen zijn en geenszins onherroepelijk.

   Het begin van een jaartelling is net zo arbitrair als de positie van de 0-meridiaan ten behoeve van de aardse tijdzones. Er zijn nooit meer/betere argumenten denkbaar om dat te doen dan er zijn om dat te laten. Alleen zodra men zich niet meer op aarde bevindt, kan een andere tijdregistratie handig zijn. Op Mars is het dag/nacht ritme maar een paar procent trager dan op aarde zodat men daarvoor nog geen correctie heeft gehanteerd. Bij een langer verblijf zouden uurwerken gebruikt kunnen worden die iets trager lopen. Omdat een jaar op Mars ongeveer 1,8 x langer duurt dan op aarde is er inmiddels wel een Mars-kalender ontwikkeld, de zogenaamde Darische kalender die begint op 11 maart 1609 toen Kepler zijn idee over de elliptische planetenbanen publiceerde.

    Lastiger wordt het om een logische tijdrekening te hanteren op één van de manen van Jupiter of tijdens intergalactische ruimtereizen. Een biologisch gerelateerd dag/nacht ritme zal niet zo moeilijk zijn om te realiseren, voor de jaartelling zal men waarschijnlijk vasthouden aan aardse tradities. Of zal men met de seconde als tijdseenheid uitgaan van de oerknal als beginpunt?

    Er bestaan al voorstellen voor algemene invoering van een universele tijd naast de huidige zonnetijd.* De laatste is verantwoordelijk voor de verschillende tijdzones op aarde en de jaarlijkse aanpassing van zomer- naar wintertijd en vice versa. De nadelen zijn overwegend van biologische aard, de voordelen vooral economisch. Toch is het slechts een kwestie van gewenning dat op de ene plaats op aarde de zon om tien minuten over negen het hoogst aan de hemel staat en op een andere plaats om half vier ’s nachts (in plaats van overal om ongeveer 12 uur ’s middags). Het probleem rond de invoering van een dergelijke universele tijdvoering is voornamelijk politiek. Wie krijgt de nieuwe 0-meridiaan toegewezen? Die kan maar het beste langs de internationale datumgrens lopen, zodat de hoogste zonnestand om 12 uur ’s middags alleen nog op een schip op de Pacific kan worden ervaren. Nieuwe attractie?

 

“Wakker worden is een heftige verandering voor je lichaam. Daarom begint je biologische klok al een paar uur van tevoren met de voorbereiding. Maar als je midden in dat proces opstaat, is je lichaam er nog niet klaar voor. De meeste hartaanvallen vinden om die reden op maandagmorgen plaats. Dat heeft te maken met het feit dat veel (avond-) mensen in het weekend uitslapen. Op maandag hebben ze extra moeite om uit bed te komen.” Aldus professor A. Kalsbeek (AMC-UvA). 

 

Visualisatie van de signalen veroorzaakte grote opwinding bij het onderzoeksteam van Dr Pacha in Delhi. De beelden waren wat vreemd vlekkerig maar toonden onmiskenbaar de weelderige vegetatie van tropisch regenwoud.

   “Brazilië,” constateerde de botanicus in het team na enige tijd.  

  Ineens dook er een halfnaakte indiaan op en even later nog een aantal. Ze leken in een rituele trance maakten ritmische bewegingen. Plotseling stormde er één in beeld met opgeheven arm. In zijn hand een klein soort kromzwaard. De uitzending stopte abrupt. 

 

Het is jammer dat we maar één woord hebben voor ‘de tijd’. Het leidt tot spraakverwarring en draagt bij aan de ongrijpbaarheid van het fenomeen. Iedereen weet wat er met de tijd wordt bedoeld maar niemand weet wat het precies is. We volstaan met adjectieven als cyclisch, lineair, objectief en vulgair. Cyclisch voor de kloktijd, lineair voor de thermodynamische tijd (die maar één richting kent), objectief voor de fysische tijd (t; die geen verleden of toekomst kent) en vulgair voor de tijd zoals we die beleven. Maar dat ‘opknippen’ is verwarrend en dat maakt het mysterie alleen maar groter.

   De heilige graal van de natuurkunde is sinds halverwege de vorige eeuw een formule die de vier fundamentele krachten omvat. Voor de elektromagnetische kracht en de sterke- en zwakke kernkracht is dat inmiddels gelukt (het standaardmodel) maar de zwaartekracht past daar niet in. De algemene relativiteitstheorie (wereld van het grote) leek onverenigbaar met de kwantummechanica (wereld van het kleine).6

In de jaren 70 van de vorige eeuw leidde de ontwikkeling op het gebied van zwarte gaten en de snaartheorie tot een (hernieuwde) behoefte aan een overkoepelende theorie. https://www.fysica.nl/media/files/Verlinde_-_NTvN_maart_2015.pdf

   De natuurkundigen Archibald Wheeler en Bryce DeWitt lukte het in de jaren zestig van de vorige eeuw om de zwaartekracht met de andere drie fundamentele krachten in één universele formule samen te brengen. Die prestatie werd echter genegeerd omdat de tijd uit de vergelijking was verdwenen. Alleen kwantumverstrengeling zou een oplossing kunnen bieden.

   Nu die verstrengeling experimenteel is aangetoond,7  krijgt de Wheeler-DeWitt-vergelijking de erkenning die het verdient. Tijd is geen fundamenteel maar een emergent fenomeen dat ontstaat uit kwantumverstrengeling.

In 2015 publiceerden medewerkers van het Kavli Instituut voor Nanowetenschappen in Delft in Nature hun proefopstelling waarmee het bestaan van kwantumverstrengeling werd aangetoond. https://newscientist.nl/nieuws/ronald-hanson-bewijst-quantumverstrengeling/

   Voor de fysicus Julian Barbour wordt hiermee bevestigd dat tijd een product is van ons brein. Alleen verandering is wat we waarnemen. Verandering, die door de fysica werd geformaliseerd als beweging: een ruimtelijke verplaatsing in de tijd. Maar die tijd is eigenlijk een zinsbegoocheling De voortdurend in dezelfde richting stromende beweging van verleden naar toekomst is een neuronale interpretatie van een veranderende omgeving. Om organismen die hersens hebben, zoals wijzelf, te helpen overleven. Objectieve tijd bestaat helemaal niet.8

   Volgens Barbour is ons universum opgebouwd uit een eindeloze reeks van nu-momenten, waar wij ons langs lijken te bewegen. Elk nu-moment bevat een bepaalde configuratie van alles wat er is in het heelal en al die nu-momenten bestaan allemaal tegelijkertijd. Dat betekent overigens ook dat het thermodynamische éénrichtingsverkeer van de tijd niet langer geldt. Naast de altijd toenemende entropie heeft Barbour daarom ook de entaxie geïntroduceerd, die voortdurend afneemt.

In de Jaren 80 van de vorige eeuw publiceerde Julian Harbour zijn ideeën over tijd als een illusie. Hij ging daarbij uit van onder meer de opvatting van Ernst Mach dat we de abstractie tijd schets kennen doordat dingen veranderen. Barbour heeft aangetoond hoe de onderlinge verhouding van beweging als een notie van tijd kan worden ingebouwd in de grondbeginselen van dynamica en algemene relativiteit. Zijn theorie over een statisch en tijdloos kwantumuniversum heeft hij beschreven in het nog niet vertaalde The end of time (Orion Publ. Co, 2000).https://www.youtube.com/watch?v=WKsNraFxPwk

 

Het concept van onveranderlijke beweging bestond al maar haar wiskundige formalisering is te danken aan het inzicht van Isaac Newton: vt = v0 (de snelheid [velocitatum] van de beweging is na een willekeurige tijd t [tempus] gelijk aan de beginsnelheid). Hij anticipeerde daarmee op ideeën van Griekse natuurfilosofen onder wie ooit een geniaal (maar wellicht onjuist) concept is ontstaan: snelheid. Oftewel (voort)beweging gedurende een bepaalde tijd: v = s/t waarbij s [spatium] staat voor de afgelegde weg. Via deze gedachtegang werd de lineaire tijd formeel ingevoerd.

   Als kleinste fragment van periodieke tijdseenheden (dag, maand jaar) is de seconde tot fundamentele eenheid van lineaire tijd benoemd. Het kortste stukje lineaire tijd duurt iets minder dan 5½ x 10-44 seconde en is de hoeveelheid tijd die licht nodig heeft om een afstand gelijk aan 1 plancklengte (de kleinst denkbare lengte; ca 1,6 x 10-35 meter) af te leggen. Het zijn deze onvoorstelbaar kleine fragmenten die Julian Barbour nu-momenten noemt en waarmee hij zijn universum, genaamd Platonia, heeft gevuld.

   Voor wie de realiteit van lineaire, fysieke tijd wel aanvaardt, rijst de vraag  of deze eindeloos is, dan wel een begin- en eindpunt heeft. Daarover wordt verschillend gedacht. Sommigen geloven in een begin door schepping, anderen prefereren een oerknal; sommigen verwachten als eindpunt een laatste oordeel, anderen hopen op een soort syntropische zelfverwerkelijking van alle levende materie aan het einde van het heelal. Dat fysieke tijd echt bestaat, trekt men over het algemeen niet in twijfel. Dat de tijd maar in één richting beweegt vinden de meesten ook vanzelfsprekend. De relatie met entropie is minder algemeen bekend en dat deze in een uitdijend heelal alleen maar kan toenemen, zal maar weinig mensen storen. Omdat het onder astrofysici onduidelijk is waarom de entropie in het jonge heelal zo laag was en bovendien niet past in Barbours Platonia, is de entaxie geïntroduceerd. Daarmee worden ook de nu-momenten met een hoge mate van orde in het heelal vertegenwoordigd.  

   Het begrip ruimtetijd, met tijd als 4e dimensie, wordt in wetenschappelijke kringen algemeen erkend. De wiskundige bouwstenen van de ruimtetijd zijn coördinaten (vier in elk punt). In de kwantumfysica zijn theorieën ontwikkeld die de grondslag van zelfs de meest elementaire bouwstenen proberen te verduidelijken. Op kwantumniveau wordt de ruimtetijd gevormd uit niet-lokale informatie, d.w.z. verstrengelde stukjes informatie (qubits). Met verstrengeling wordt bedoeld dat die informatie wordt gedeeld door verschillende punten in de ruimtetijd. De hoeveelheid informatie die kan worden gedeeld, de temporale verstrengelingsentropie, is maximaal naarmate de punten in de ruimtetijd het verst van ons verwijderd zijn en wordt 0 op het moment dat we ‘nu’ noemen. Een dergelijke emergente tijd kan echter alleen bestaan in de abstracte beslotenheid van complexe wiskundige formules. In onze aardse hersenen is er geen plaats voor. Een echte voorstelling kun je er niet van maken.

 

Waar we ook geen voorstelling van kunnen maken is ons Zelf. Dat is zo gek nog niet, want juist als ons Zelf, ons bewustzijn, zich uit alle macht probeert bewust te maken van zichzelf, is er sprake van een recursief proces, een poging om het droste-effect te doorgronden. Dat hoeven overigens geen ijdele pogingen te zijn. Als je de tijd maar niet uit het oog verliest. Volgens de Bhagavad Gita is het Zelf echter tijdloos, onafhankelijk van onze geboorte en onze dood. Ons Zelf lijkt samen te vallen met de tijd, eeuwigdurend en onbegrensd. Is Tijd eigenlijk een zich steeds herhalende projectie van je Zelf?*  

De Bhagavad Gita is een onderdeel van de Mahabharata en beschrijft hoe de hoofdpersoon Arjuna wordt verscheurd door twijfel omdat hij midden in een oorlog zit. Zijn plicht dwingt hem om tegen zijn eigen familie en vrienden te vechten, maar hij zou nog liever zelfmoord plegen. Ten einde raad zoekt Arjuna steun bij Krishna, zijn wagenmenner. Het advies van Krishna aan Arjuna hoe hij dit conflict tegemoet dient te treden, wordt door sommigen nog altijd als de hoogste wijsheid ooit opgevat.http://www.opwegmetdebhagavadgita.nl

 

Hoe het is om te leven volgens een cyclus die veel langer duurt dan een paar dagen of maanden is even moeilijk voor te stellen als een kleur die je nog nooit gezien hebt of een absoluut ‘gevoel’ voor tijd. Toch zijn er heel wat organismen op aarde die leven volgens een dergelijk infradiaan ritme.

   In het Sumatraanse regenwoud leven de penisplanten (Amorphophallus titanum) die maar eens in de drie jaar bloeien en fonteinbamboes (Fargesia nitida) doen er meer dan honderd jaar over voor zij weer in staat zijn tot geslachtelijke voortplanting.

   Veel dieren kennen een zogenaamde diapauze, een hormonaal geregelde stilstand in de ontwikkeling die vooral voorkomt bij insecten en andere geleedpotigen. Sommige soorten kunnen jarenlang als pop overleven alvorens ze als volwassen dier tevoorschijn komen. Over welke uitwendige prikkel(s) daarbij precies een rol speelt of spelen, tast men nog in het duister. De poppen van  Prodoxus y-inversus werden blootgesteld aan veranderende warmte-, vochtigheid- en lichtcondities alvorens de vlindertjes na negentien jaar voor de dag kwamen.

   De larven van kevers en cicaden kunnen langdurig onder de grond leven om na jaren tamelijk onverwacht als volwassen dier het luchtruim te kiezen. Al heeft een volwassen huisboktor (Hylotrupes bajulus) maar een paar weken de tijd om van de buitenlucht te genieten en nageslacht te verwekken, de larven kunnen wel tien jaar lang gangetjes knagen in naaldhout. De serenades van zangcicaden dienen ervoor dat partners elkaar kunnen vinden. Daar hebben ze hooguit een paar weken de tijd voor. De jonge cicaden leven enkele decimeters onder de grond en komen pas na dertien (Magicicad tredecim) of zeventien (Magicicada septemdecim) jaar naar boven om te paren. Dat doen ze dan wel allemaal tegelijk.* Waardoor de synchroniciteit van de larven precies getriggerd wordt, is onbekend.

Periodieke cicaden zijn insecten die onder de grond leven. Eens in de dertien of zeventien jaar komen ze tegelijkertijd boven de grond om zich voort te planten. Dertien en zeventien, twee keer een priemgetal. Priemgetallen zijn gehele getallen die alleen deelbaar zijn door 1 en door zichzelf. Geleerden zijn het er niet over eens – is dit toeval of zit er een diepere betekenis achter?https://capibaras.wordpress.com/2016/06/06/de-zeventienjarige-cicade/

 

De hierboven beschreven voorbeelden van infradiane ritmes zijn herhalingen van vrijwel identieke gebeurtenissen. Maar ook de opeenvolging van minder exacte kopieën kan men tot een cyclus rekenen, zoals de herhaling van historische patronen. En daarbij hoeft op lange termijn de tussenliggende periode evenmin constant te zijn. Integendeel. Naarmate men verder teruggaat in de tijd kan deze juist steeds langer worden.

   Het gaat hier om zogenaamde emergente cycli, waarbij telkens de voorwaardelijke condities worden gecreëerd die nodig zijn om iets nieuws te laten ontstaan. Onze huidige hoogstaande technologie zou niet bestaan zonder de ontwikkeling van de stoommachine om elektriciteit op te wekken in de 18e/19e eeuw. Hetgeen op zich weer nooit mogelijk was geweest zonder de exploitatie van delfstoffen als steenkool, die we op hun beurt weer hebben te danken aan de rijke plantengroei in een ver verleden.

   Ook op andere wijze hebben wij ons bestaan aan de planten te danken. Homo sapiens zou er nooit geweest zijn als er geen zoogdieren waren ontstaan (ca. 200 miljoen jaar geleden). En zoogdieren zouden niet bestaan hebben als er geen amniota (op het lande levende viervoeters) zouden zijn ontstaan (ca 320 miljoen jaar geleden). Die weer op hun beurt het land hebben kunnen bevolken dankzij de eerdere kolonisatie ervan door planten (ca. 450 miljoen jaar geleden), zodat er genoeg te eten was.

   En over nog langere perioden: meercellige organismen ontstonden ca. 600 miljoen jaar geleden dankzij de eencellige eukaryoten vóór hen die op hun beurt ca. 2 miljard jaar geleden door endosymbiose voortkwamen uit bacteriën , die op hun beurt ruim 3½ miljard jaar geleden  zijn ontstaan uit complexe molecuulstructuren (abiogenese), al weten we nog steeds niet hoe.

   Zelfs op kosmische schaal kunnen de transities kort na de oerknal als emergente cycli worden opgevat. Het enige verschil is dat hier de tussenliggende periodes steeds langer worden in plaats van omgekeerd.

 

Tenslotte kan ik NU constateren dat alles wat hierna komt is te danken aan wat hieraan vooraf ging.

 


 Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

George van Hal. Elastisch universum. Fontaine Uitgeverij, 2016

Gerard ’t Hooft. De bouwstenen van de schepping. Bert Bakker, 2013

Jean Lefort. Tellen van tijd. Kalenders door de eeuwen heen. Veen Magazines, 2004

René Meijer. De ether bestaat! Inleiding tot de filognosie. Aadhar, Enschede, 2008

Ilya Prigogine. Het einde van de zekerheden. Uitgeverij Terra-Lannoo, 1996

Till Roenneberg. Het innerlijk uurwerk. Alles over bioritmes. Babel & Voss, 2012

Carlo Rovelli. Het mysterie van de tijd. Prometeus, 2018

Zie ook: http://www.theorderoftime.com/ned/wetenschap/tijdwetenschappen.html

 


"Mevrouw, kunt u mij misschien helpen? Mijn moeder weet niet dat ik hier ben en ik moet echt naar huis. Ze zal het eten al wel klaar hebben en ik mag niet te laat komen." In de stem van de vraagster klinkt paniek door. Op deze vroege maandagmorgen staat ze met haar jas al in haar handen voor mij. Op haar trui zitten vlekken en het tasje dat ze op de balie van de receptie heeft gezet, puilt uit. Ik zie oude foto's, talloze zakdoekjes, een rol pepermunt en drie boeken zitten. "Echt mevrouw, u moét me helpen. Mijn moeder wordt kwaad als ik te laat ben." Haar blik is angstig. De vrouw is gisteren 93 jaar geworden."Tijd bestaat niet. Het is een schepping van de geest. Het heden heeft geen betekenis." Zo begint professor Maarten van Buuren zijn lezing over `tijd' in het bomvolle Utrechts Academiegebouw. Wie bij de uitgang van het gebouw naar boven kijkt ziet de klok van de Domkerk. Het is acht uur. Althans dat lijkt het in ieder geval te zijn.

De ziel schept tijd

Van Buuren heeft er duidelijk plezier in een lezing te geven over een begrip dat niet meer of minder is dan een dimensie van de geest. De ziel schept de tijd, aldus kerkvader Augustinus (354-430 n. Chr.), die in zijn beroemde boek Confessiones worstelt met het tijdsbegrip. Hij stelt dat er alleen een heden is, waarbinnen drie tijden bestaan: het verleden, heden en de toekomst. Tijd is een distentio animi. Een uitgestrektheid van de geest die bij de mens ontstaat door herinneringen aan het verleden, de aanschouwing van het heden en de verwachtingen voor de toekomst. De twintigste-eeuwse filosoof Husserl borduurt verder op Augustinus. De grondlegger van de fenomenologie meent dat tijd een bewustzijnsverschijnsel is. Dat bewustzijn is intentioneel. Een soort actieradius waarbij de mens terug reikt naar het verleden en vooruit reikt naar de toekomst. Het heden is hiermee een uitrekking van het nu.

Flexibele geest

In het verzorgingstehuis waar ik gedurende mijn eerste studiejaren een bijbaan had, leek het vol te zitten met mensen wier geest nog slechts uitstrekte tot het verleden. Het heden bestond uit de herinnering aan wat geweest was. Ze leefden in een schemergebied tussen het kristalheldere verleden en een nu dat ze niet meer begrepen. De verwarring werd compleet wanneer een vreemde man in een wit uniform zei dat er `straks' gegeten ging worden. Want wat was straks? En wie was die rare vent? Wat moest hij van hen? Hier was iets niet pluis. Hoog tijd om maar eens op te stappen. Ze hadden geen idee waarheen. Want waar waren ze in vredesnaam? Vast in hun herinneringen was de verleden tijd heden en toekomst geworden. Er werd wat afgelopen in de lange gangen van het huis. Sommige ouderen met hun jas al aan. De bestemming? Naar dat wat al geweest is graag. En wel direct. Bovenstaande bewijst dat het tijdsbegrip van Augustinus en Husserl een flexibele geest vereist. Een geest die moeiteloos de deuren naar het verleden en de toekomst kan openen. Wanneer Van Buuren dit zegt, moet ik terugdenken aan de 93-jarige dame die op die maandag zo wanhopig voor mij stond. De scharnieren van haar geest terminaal aangetast door de roest. Ze begon te huilen en snikkend biechtte ze op dat ze de weg kwijt was. "Dat geeft niets mevrouw," stelde ik haar gerust. "Maar mijn moeder dan?" vroeg ze me. Ik twijfelde. Moest ik haar nog verdrietiger maken door te zeggen dat die al lang dood was? Ik besloot de deur naar het heden niet te openen. "Uw moeder weet dat u hier bent vandaag. Wij koken voor u. Geen zorgen." En de vrouw liep opgelucht weg.

 

 


In 1962 was u net 23 jaar oud. Wat bracht u ertoe om in volledige afzondering 63 dagen onder de grond te kruipen?

Ik was een ervaren geoloog, moet u weten. In 1961 ontdekten we ongeveer 70 km ten noorden van Nice een ondergrondse gletsjer in de Alpen. Aanvankelijk wilde ik een geologische expeditie uitrusten om de gletsjer twee weken onder de grond te bestuderen. Maar een paar maanden later bedacht ik dat 14 dagen nauwelijks iets zouden opleveren. Ik had minstens 2 maanden nodig. Zo kwam ik op het idee – het idee van mijn leven. Ik besloot om net te doen of ik een beest was, zonder horloge, in het donker, zonder enige besef van tijd.

In plaats van grotten begon u de tijd te bestuderen.

Ja, ik heb een eenvoudige wetenschappelijke werkwijze bedacht. De medewerkers die ik bij de ingang van de grot had gezet, zou ik bellen zodra ik wakker werd, als ik ging eten en vlak voor ik ging slapen. Mijn medewerkers konden mij altijd bellen, maar wel zonder te laten weten hoe laat het daarbuiten was. Zonder het te weten heb ik de grondslagen gelegd voor de chronobiologie van de mens. Al in 1922 had men ontdekt dat ratten een biologische klok hebben. Mijn experiment liet zien dat mensen, net als lagere zoogdieren, ook een lichaamsklok hebben.

Tijdens uw eerste verblijf onder de grond was het stervenskoud en de vochtigheid bedroeg 98%. Wat deed u toen zoal?

Mijn uitrusting was onder de maat en mijn tentje was volgestouwd met spullen. Ik had voortdurend natte voeten en een lichaamstemperatuur onder de 34O. Ik doodde de tijd met lezen, schrijven en grotonderzoek. Ik lag vaak te denken aan mijn toekomst. Elke keer als ik contact had met de buitenwereld deed ik ook een paar metingen. Allereerst nam ik mijn pols op. In de tweede plaats deed ik een psychologische test. Dan moest ik tellen van 1 tot 120 met de snelheid van één cijfer per seconde. Met die test deden we een belangrijke ontdekking: het kostte me vijf minuten om tot 120 te tellen. Anders gezegd, geestelijk beleefde ik vijf minuten alsof het er twee waren.

Psychologe Elizabeth Loftus heeft een experiment gedaan waarin ze mensen een film van een bankoverval liet zien en vervolgens vroeg hoe lang ze dachten dat die geduurd had. Ze bleken een overschatting te maken van 500%. Kennelijk is onze subjectieve tijdbeleving heel variabel. Hoe beleefde u het verstrijken van de tijd, zonder dat u een klok had?

Mijn gevoel voor tijd was hopeloos in de war. Op 16 juli was ik in de grot afgedaald en ik had me voorgenomen om het experiment op 14 september te beëindigen. Toen ik van de medewerkers buiten hoorde dat die laatste dag was aangebroken, dacht ik dat het pas 20 augustus was. Ik dacht dat ik nog een maand in de grot te gaan had. Mijn tijdbeleving was gehalveerd.

Heeft u enig idee wat de oorzaak is van zo’n enorm verschil tussen psychologische tijd en de klok?

Met dat vraagstuk heb ik me de afgelopen 40 jaar beziggehouden. Ik geloof dat als je helemaal omringd bent door duisternis – het was pikkedonker in de grot, ik had alleen een zaklantaarn – is je geheugen niet in staat om de tijd vast te houden. Je vergeet de dingen. Na één of twee dagen weet je niet meer wat je een paar dagen geleden hebt gedaan. De enige veranderingen die je meemaakt zijn ontwaken en naar bed gaan. Verder is alles compleet zwart. Net één lange saaie dag.

Dit soort isolatie experimenten zouden net zo makkelijk in een laboratorium kunnen worden uitgevoerd. Waarom heeft u ze altijd liever onder de grond willen doen?

Een laboratorium is een prima plek voor dit soort experimenten, maar je moet wel over gemotiveerde mensen beschikken. Het valt niet mee om mensen te vragen een paar maanden lab capsule door te brengen. Tussen 1962 en 1972 heeft een Duitse professor meer dan 150 isolatie experimenten verricht in een kunstmatige ondergrondse bunker, maar dat waren steeds kortdurende proeven, van niet langer dan een maand. De mensen die wij vroegen ondergronds te gaan, waren in de eerste plaats grotonderzoeker en dus geïnteresseerd in grotten en konden dus dank zij hun motivatie langer afgezonderd blijven.

Toen u onder de grond zat, volledig verstoken van elke vorm van tijdmeting, kon u slapen wanneer u maar wilde en precies net zo lang als u wilde. Je zou kunnen zeggen dat u op volmaakte wijze kon slapen. Hoe was dat?

Ik sliep perfect! Mijn lichaam bepaalde wanneer het wilde slapen en wilde eten. Dat is een belangrijk resultaat. We hebben aangetoond dat mijn slaap/waak cyclus geen 24 uur was zoals mensen normaal hebben, maar iets langer – ongeveer 24 uur en 30 minuten. Maar het voornaamste is dat we hebben bewezen dat er onafhankelijk van het natuurlijk dag/nacht ritme op aarde een interne klok bestaat. Tijdens mijn verdere experimenten bleken tot mijn verrassing ook anderen die zich in een grot lieten opsluiten een langere cyclus van meer dan 24 uur te vertonen. In feite raakten ze gewend aan een cyclus van 48 uur: ze bleven 36 uur achtereen actief en sliepen vervolgens 12 tot 14 uur. Toen we dat ontdekt hadden, kreeg ik heel wat subsidie van het Franse leger. Ze wilden dat ik zou uitzoeken hoe een militair te velde zijn waakzaamheid zou kunnen verdubbelen.

Wat heeft u gevonden?

Na mijzelf heb ik vier maanden een andere man in de grot gezet en daarna drie maanden een vrouw. In 1966 heeft weer een andere man zes maanden onder de grond gezeten en daarna hebben we nog twee experimenten van elk vier maanden gedaan. We hebben verschillende slaapstadia onderzocht – het stadium van de snelle oogbewegingen (REM), als je droomt, en de trage slaap – en toen deden we nog een ontdekking. We lieten zien dat er een correlatie is tussen de tijd dat iemand wakker is en hoeveel hij de volgende nacht droomt. Elke tien minuten dat men langer op is, krijgt men ruwweg een minuut extra REM slaap. We vonden ook dat hoe meer je droomt hoe korter je reactietijd is tijdens de eerstvolgende waakperiode. Na deze ontdekking heeft het Franse leger geprobeerd drugs te vinden die de droomtijd kunnen verlengen, in de hoop soldaten te kunnen kweken die dagen van wel 30 uur of nog langer zouden aankunnen.

Tien jaar na uw eerste proefneming met tijd-isolatie ging u weer zelf ondergronds, in Midnight Cave bij Del Rio in Texas, ditmaal voor 205 dagen. Waarom ging u opnieuw?

Twee redenen. Ten eerste was ik benieuwd naar het effect van veroudering op tijdbeleving. De bedoeling was om elke tien of vijftien jaar een proef te nemen om te zien of er iets verandert in de manier waarop mijn hersens tijd waarnemen. In de tweede plaats, iedereen die onder de grond had gezeten kreeg een 48 uurs cyclus, behalve ik. Ik had besloten om zes maanden onder de grond te blijven in een poging om de 48 uurs cyclus te krijgen.

Hoe komt het dat men zo’n 48 uurs cyclus krijgt?

Ik heb geen idee. Ik ben geen theoreticus. De 48 uurs cyclus is een feit. Op grond van mijn waarnemingen weet ik dat het zo is, maar niemand weet wat de reden is van zo’n grote verandering van het slaap-waak ritme. En nu de Koude Oorlog voorbij is, kost het meer moeite om het onderzoek te financieren. De vraag is inmiddels voorgelegd aan wiskundigen en fysiologen.

U deed in 1962 uw eerste ondergrondse isolatie experiment, hetzelfde jaar waarin het belang van schuilkelders door de Cuba Crisis tot de wereld doordrong en nog geen jaar na de lancering van Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte. Waren die twee gebeurtenissen van invloed op ons denken over een leven onder de grond?

Ik had de tijd mee. Tijdens de Koude Oorlog wisten we nog niets over de menselijke slaap cyclus in de ruimte. Afgezien van de ‘space-race’ tussen de Amerikanen en de Russen was Frankrijk net begonnen met de gebruikmaking van atoomonderzeeboten. Bij de Franse marine had men geen idee hoe het slaapritme van de bemanning het beste kon worden geregeld. Waarschijnlijk is dat de rede waarom ik zoveel financiële steun ontving. NASA onderzocht mijn eerste experiment van 1962 en leverde geld voor een eersteklas wiskundige analyse.

Wat is het toch met dat ondergrondse, dat het ons tegelijkertijd fascineert en angst aanjaagt?

Het is donker. Je hebt verlichting nodig. En als het licht uitgaat, ben je er geweest. In de middeleeuwen dacht men dat grotten werden bewoond door demonen. Maar tegelijkertijd bieden grotten ons hoop. We gaan er naar binnen om mineralen en schatten te zoeken en ze behoren tot de laatste plekken op aarde waar je nog avonturen kunt beleven en nieuwe ontdekkingen kunt doen.

U luidde het nieuwe millennium in met foie gras en champagne op bijna 1000 meter onder de grond in Glamouse Cave, maar u was 3½ dag te laat. Op uw 61e verjaardag was u er ook niet bij. Waarom duurde het bijna 3 decennia voordat u besloot om weer onder de grond te gaan?

Toen ik in 1972 uit de Midnight Cave kwam, had ik een schuld van $ 100.000,- De kosten om mijn experimenten van Frankrijk naar Texas te verhuizen had ik ernstig onderschat en ik moest mijn chronobiologisch onderzoek staken. Heel wat gegevens van dat experiment moeten nog wiskundig worden geanalyseerd. In 1999 besloot ik weer af te dalen in een grot in Zuid Frankrijk. Tijdens mijn verblijf van twee maanden onder de grond bestudeerde ik de invloed van ouderdom op het circadiaanse ritme. Ik volgde het voorbeeld van John Glenn die als 77-jarige de ruimte weer inging.

Ik heb begrepen dat u werkt aan een “permanente meetopstelling voor ondergrondse opsluitingen en chronobiologische experimenten”. Waarmee bent u nog meer bezig?

Met de grotexperimenten is het afgelopen. Je kunt dat soort proeven niet meer doen. Ik was jong toen we ermee begonnen en we namen alle risico’s voor onze rekening. Tegenwoordig worden er grenzen gesteld aan onderzoekers. Er zijn nu ethische commissies. Hier is een voorbeeld. In 1964 was er een microfoontje aangebracht op het hoofd van de man die na mij onder de grond ging. Op een keer vroegen we ons af of hij al 33 uur lag te slapen of dat hij misschien dood was. Het was de eerste keer dat we iemand zo lang hadden zien slapen. Ik stond op het punt om in de grot af te dalen om te kijken wat er aan de hand was. En toen, na 34 uur, hoorden we hem snurken en wisten we dat hij nog in leven was. En een paar minuten later belde hij ons om zijn pols op te nemen. Tegenwoordig zou een arts hem wakker hebben gemaakt omdat het anders veel te gevaarlijk wordt gevonden.

Is het u ooit gelukt om een 48-uurscyclus te krijgen?

Ja. Tijdens het experiment in Texas in 1972 heb ik twee maal een 48-uurs cyclus gehad, maar niet de hele tijd. Ik zou 36 uur aaneengesloten wakker zijn geweest en daarna 12 uur hebben geslapen. Voor mij was er geen verschil tussen zulke lange dagen en de dagen die gewoon 24 uur duurden. Ik heb elke cyclus in mijn dagboek in de grot bijgehouden maar ik heb geen enkele aanwijzing gevonden dat ik die dagen anders heb beleefd. Soms sliep ik 2 uur, soms 18 uur, voor mij was er geen verschil. Die gewaarwording is van grote betekenis. Het gaat om het beleven van tijd. Het gaat om de menselijke psyche. Wat is tijd? We weten het niet.


Michel Siffre heeft zijn wetenschappelijke basis in Parijs. Hij heeft verschillende boeken geschreven, waaronder Beyond Time (McGraw-Hill, 1964) en Découvertes dans le grottes mayas (Arthaud, 1993).

Joshua Foer is freelance wetenschapsjournalist en de auteur van Moonwalking with Einstein: the art and science of remembering everything (Penguin, 2011), in het Nederlands uitgegeven als Het geheugenpaleis (Bezige Bij, 2012).

 

 


Hoe genereren de zenuwcellen van de klok in onze hersenen nu precies de “tijd” waarmee ons gedrag, de optimale werking van onze organen, en onze stofwisseling, een endogeen ritme met een periodiciteit van ongeveer 24 uur krijgt? Net als voor de meeste andere lichaamsprocessen ligt de blauwdruk voor het biologisch horloge dat ons dag-nacht ritme regelt, opgeslagen in de genen in ons DNA. Ik heb u zojuist al verteld dat de beide Cry genen werken als klokgenen. Het zal u echter niet verbazen dat, net als in een horloge, twee radertjes niet voldoende zijn om het uurwerk te laten lopen. We kennen inmiddels een tiental zoogdier klokgenen. Ik zal mij voor het uitleggen van het moleculaire principe van de circadiane klok beperken tot de meest essentiële componenten (zie ook Figuur 7).

Figuur 7. Schematische weergave van het moleculaire raderwerk van de circadiane klok.

Laten we beginnen bij de Cry genen, waarbij ik voor het gemak even geen onderscheid maak tussen de Cry1 en Cry2 genen. Omdat het DNA de kern niet kan verlaten en de kern niet beschikt over de middelen om eiwitten te produceren, moet de informatie in de Cry genen eerst worden overgeschreven in kleine boodschapper RNA moleculen die naar het cytoplasma kunnen verhuizen. Dit proces, dat we zeer toepasselijk transcriptie noemen, kan alleen plaatsvinden wanneer zogenaamde transcriptie-activator eiwitten binden aan een karakteristiek stukje DNA aan het begin van het gen, de promoter genaamd. De cel beschikt over een groot arsenaal van transcriptie-activatoren die al naar gelang de behoefte van de cel een specifieke set genen kunnen aanschakelen. Transcriptie van de Cry genen wordt verzorgd door een complex van twee eiwitten, te weten CLOCK en een eiwit dat luistert naar de naam BMAL1, maar waarvan ik u de betekenis van de afkorting verder zal besparen. Dit complex bindt aan een DNA structuur die we E-box noemen, waarna Cry boodschapper RNA wordt aangemaakt. In het cytoplasma aangekomen wordt het Cry boodschapper RNA gebruikt als matrijs voor de productie van CRY eiwitten. Tot zover onderscheiden de Cry genen zich niet van alle andere genen in de cel, dus wat maakt een Cry gen nu een klokgen? De clou van het verhaal is dat wanneer er voldoende CRY eiwit is gevormd, het eiwit naar de kern verhuist en er voor zorgt dat de CLOCK/BMAL1 transcriptiefactor wordt geïnactiveerd. Het gevolg is dat er geen nieuw Cry boodschapper RNA, en dus ook geen nieuw CRY eiwit meer wordt gevormd. Hierdoor begint de CRY eiwitconcentratie terug te lopen totdat de CLOCK/BMAL1 transcriptiefactor niet langer wordt geremd en de cyclus opnieuw kan beginnen. Door dit proces van negatieve terugkoppeling ontstaat een heuse moleculaire oscillator met een periodiciteit van ongeveer 24 uur. Verder verkrijgt het systeem robuustheid doordat ook de aanmaak van Bmal1 boodschapper RNA ritmisch verloopt met een fase die tegenovergesteld is aan die van de Cry genen. Wanneer de Cry genen aan staan, staat het Bmal1 gen uit, en omgekeerd.

Het moge duidelijk zijn dat deze beschrijving een oversimplificatie is van het moleculaire uurwerk. Zo zijn er nog twee eiwitten, luisterend naar de toepasselijke naam Period (PER) 1 en 2 die een soortgelijke rol als de CRY eiwitten spelen en er een complex mee kunnen vormen. Vervolgonderzoek van Inês Chaves, Roel Janssens en Filippo Tamanini heeft laten zien welke domeinen in CRY1 verantwoordelijk zijn voor transport van het eiwit van het cytoplasma naar de kern en voor de binding met andere klokeiwitten, zoals het PER2 eiwit en het CLOCK/BMAL1 complex|10. Verder zijn Monika Bajek en Andre Eker er recent in geslaagd om de staarten van de CRY1 en CRY2 door bacteriën in grote hoeveelheden te laten produceren en daarna te zuiveren. Zij hebben vervolgens laten zien dat er nog andere eiwitten aan de staart van de CRY eiwitten kunnen binden, hetgeen uiteindelijk kan leiden tot de ontdekking van tot nu toe onbekende functies van de CRY1 en CRY2 eiwitten, dan wel nieuwe klokeiwitten.

Net zoals een auto alleen maar kan rijden wanneer de versnellingsbak de motor verbindt met de wielen, zou de circadiane klok van weinig nut zijn als hij niet zou zijn gekoppeld aan klokgestuurde lichaamsfuncties. Hiertoe bevat ons DNA nog een groot aantal zogenaamde klok-gecontroleerde genen die ook ritmisch aan en uit worden gezet door de CLOCK/BMAL1 en CRY eiwitten. Deze klok-gecontroleerde genen zorgen voor de aanmaak van eiwitten die bijvoorbeeld bloeddruk, hartslagfrequentie, energiehuishouding, slaap en hormoonafgifte regelen.

Zie voor de volledige inaugurele rede van Bert van der Horst https:<https://repub.eur.nl/pub/15780/

 

 

 


Het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology (NIST) heeft de atoomklok nog preciezer gemaakt. Onlangs ging het nog om een afwijking van één seconde per vijf miljard jaar, maar dat is nu teruggebracht naar één seconde in 15 miljard jaar.

Door Krijn Soeteman, nieuwsredacteur Tweakers.

Het tweaken van een dergelijk precisie-instrument is geen sinecure, schrijft de organisatie op haar site. De klok werkt door het verschil in energieniveau van de elektronen in de kern van het element strontium te meten. Na de aanpassing is de klok goed genoeg om kleine verschillen in het verstrijken van de tijd te meten op verschillende hoogtes. Dat verschil komt door het verschil in zwaartekracht en is al meetbaar met de klok bij twee centimeter hoogteverschil. Dit effect, gravitatonele tijddiletatie, is een kant van Einsteins relativiteitstheorie en werd al eerder gemeten bij een groter verschil in afstand tot het centrum van de aarde. De laatste keer in 2010 lukte het onderzoekers om dit vast te stellen bij minimaal 33 centimeter.

Om de klok preciezer te maken, plaatsten de onderzoekers supergevoelige thermometers in de vacuümkamer van de klok. Op die manier kunnen de fouten in metingen en berekeningen beter gecorrigeerd worden met betrekking tot de warmte uit de omgeving, de zogenaamde zwarte straling. Het elektrische veld van zwarte straling wijzigt de reactie van de atomen op het laserlicht, waardoor de meting niet precies genoeg is, als daarvoor niet wordt gecorrigeerd.

Toch gaat ook deze precisie de onderzoekers niet ver genoeg. Als het verschil in tijd nog preciezer gemeten kan worden, dat wil zeggen bij een centimeter hoogteverschil, dan kan de vorm van de aarde nog beter bepaald worden. Een van de onderzoekers zegt zelfs tegen de LA Times dat als de klok nog eens duizend keer preciezer gemaakt kan worden, we de 'symfonie van het heelal' kunnen horen, bijvoorbeeld de verandering in ruimtetijd als een ver weg gelegen sterrenstelsel ontploft. Iets dichter bij huis is deze relativistische geodesie ook van belang bij de ontwikkeling van gps-achtige navigatiesystemen.

In de klok worden een paar duizend strontium-atomen in een dertig bij dertig micrometer-kolom bij elkaar gehouden. De kolom bestaat uit 400 cirkelvormige regionen die gevormd worden door de lasers. De trillingen van de atomen kunnen zo heel precies gemeten worden door het netwerk van lasers waar ze in gevangen zitten. De klok 'tikt' met 430 biljoen trillingen per seconde.

 

 


De 10.000-jaar klok is een mechanisch uurwerk dat is ontworpen om 10 eeuwen lang de tijd aan te geven. De bouw van de klok behoort tot één van de projecten van de Long Now Foundation.

Over de klok, zie:https://www.youtube.com/watch?v=w9uM6BBKfO8

Over de Foundation, zie bv: https://www.ted.com/talks/stewart_brand_on_the_long_now


Spanje zit in dezelfde tijdzone als Polen en Hongarije, maar ligt geografisch op één lijn met Marokko en Engeland. Spanjaarden slapen daardoor bijna een uur korter en hebben relatief langere werkdagen dan hun Europese buren. Dat heeft een nadelige invloed op het maatschappelijk leven in Spanje.

De oorzaak heeft niets met de zonnestand te maken en stamt uit 1942. Toen heeft Franco de tijdzone aangepast aan die van Nazi-Duitsland uit loyaliteit met Hitler. Het veranderen van de tijdzone heeft wel vaker een politieke grond. Na de annexatie van de Krim door Rusland in 2014 is de klok op het schiereiland een uur vooruit gezet en de zomertijd daar afgeschaft.


Universele tijd (UTC) wordt ook wel gecoördineerde wereldtijd genoemd en is praktisch gelijk aan Greenwich Mean Time GMT. Hier volgt een interview van Sophie Wilkinson (journaliste) met Steve Hanke (hoogleraar JHU in Baltimore) die samen met collega Richard Henry in 2016 de Hanke-Henry Permanent Calender introduceerde.

Hoi, Steve. Hoe willekeurig zijn onze tijdzones momenteel?

“In 1870 had de stad Saint Louis in Missouri zes tijdzones. In Amerikaanse steden en dorpen werden toen 75 verschillende treintijden aangehouden. En de tijd-ruimtecompressie was een chaos, omdat je natuurlijk dingen moet plannen. In 1883 nam Amerika, voornamelijk op aandringen van de verschillende spoorbedrijven, standaard treintijden aan en kregen we daardoor de vier tijdzones die we nu nog steeds hebben in de VS. Hetzelfde geldt voor Duitsland: daar hadden ze vijf verschillende tijdzones, totdat in 1891 de negentig jarige generaal Helmuth von Moltke in zijn laatste grote toespraak in het parlement beweerde dat de enige reden dat hij twee oorlogen had gewonnen was dat hij werkte met een geconsolideerd en verenigd tijdsysteem voor de spoorwegen en logistiek om de troepen te bevoorraden en verplaatsen. Begin jaren zeventig stapten alle piloten en vliegvelden voor de veiligheid over naar de universele tijd. Maar we zitten nu in een ander tijdperk waarin we een enorme tijd-ruimtecompressie zien met het internet. Dus hebben we een heleboel universele tijd die wordt gebruikt zonder dat we ons dat realiseren.”

Maar een nieuwe tijdzone voor het internet heeft niks met veiligheid te maken, toch?

“Het is geen veiligheidsprobleem, maar een coördinatieprobleem. En universele tijd wordt nu al door allerlei mensen gebruikt om praktische redenen. En toen de spoorwegen en piloten nieuwe tijdzones nodig hadden, vroegen ze daar geen toestemming voor, maar deden ze het gewoon, omdat het nodig was.”

Wat is er mis met onze huidige tijdzones?

“Een heel simpel voorbeeld is wanneer je een internationale vergadering of conference call in wil plannen. De fouten en misverstanden die daarbij zo vaak gemaakt worden kosten erg veel tijd en geld.”

Is dat niet een beetje een luxeprobleem?

“Ik denk dat UTC over het algemeen handel en commerciële activiteiten makkelijker maakt, en dat is altijd goed, omdat een stabiele economie tot vrede en welvaart leidt. Maar historisch gezien is er wel altijd onenigheid geweest over wie de tijd bepaalt. Parijs vond het maar niks dat Greenwich de Mean Time opeiste, en veel voormalige kolonies verzetten zich tegen veranderingen in hun tijdzones.”

Tijdzones zoals ze er nu uitzien.

Je zou wel kunnen zeggen dat vooral de technische industrie profiteert van UTC, en dat het lastig is voor mensen in de landbouw en productie.

“Er zitten twee lagen aan. Een daarvan is dat er over tijd gepraat moet worden, omdat dat ertoe zal leiden dat mensen al spontaan het voor de hand liggende systeem [universele tijd] gaan gebruiken. Maar punt twee is dat we twee systemen nodig zullen hebben: je moet een universele tijd hebben voor iedereen, dat zal dan de algemene tijd zijn en het anker zijn, maar je moet daarbovenop ook een werktijdzone hebben. Dus als de zon op z'n hoogst staat, dan ga je lunchen, maar dit zal op verschillende tijden zijn afhankelijk van in welk werelddeel je woont.”

Hoe makkelijk is het om UTC in te voeren?

“Als mensen er eenmaal over na gaan denken, dan is het makkelijk te begrijpen. Als we naar universele tijd gaan, dan zal de werktijdzone een beetje worden opgeschoond – misschien hebben we dan wel 24 werktijdzones verspreid over de wereld. Een winkel in Londen gaat open om negen uur 's ochtends en sluit om vijf uur 's avonds in zonnetijd, maar in universele tijd open je in New York om twee uur 's middags. De overgang is makkelijk te doen, er zijn landen die overgestapt zijn van het Brits-Amerikaanse maatsysteem naar het metrische systeem, en dat is een veel grotere overgang dan naar universele tijd.”

Maar we lijken nu veel meer geobsedeerd te zijn door tijd dan we toen waren door meetsystemen.

“Laten we even aannemen dat dit waar is – dan zou ik zeggen dat het juist makkelijk is om over te stappen; doordat mensen meer geïnteresseerd en geobsedeerd zijn door tijd, is het waarschijnlijk makkelijker om het te veranderen. Henry belde een keertje zijn bejaarde moeder in Toronto op een zomerdag en vroeg aan haar: ‘Hoe is het weer?' Zij antwoordde: 'Het is erg heet, het is bijna dertig graden vandaag' – en hij kon het niet geloven, omdat ze zo oud was en toch zonder het zich te realiseren de overstap had gemaakt van Fahrenheit naar Celsius.”

Denk je dat er verder nog obstakels zijn op de weg naar UTC?

“Ik denk niet dat de obstakels al te groot zijn. Ik geloof in de marktwerking, en ik zie graag dat dingen spontaan en vrijwillig worden opgepakt, en ik denk dat als het logisch is, dat er veel voordelen aan zitten. Al vrij snel zullen jij en ik hierover praten en dan vraag je aan mij: Hoe heb je dat geflikt, moest je naar de Verenigde Naties of naar de politici in Washington? En dan kan ik zeggen: Nee, mensen zijn hier zelf mee begonnen.”

Er zijn wel eerder pogingen geweest om een andere manier van tijd meten in te voeren. In 1999 introduceerde Swatch de Internet Time, waar een dag werd gemeten in duizend ''beats''. Horloges die dat jaar werden verkocht zouden twee tijden aangeven; eentje die de zonnetijd aangaf, en eentje in de zogenaamde internettijd. Maar Swatch is daar in 2001 gestopt. Waarom zal UTC wel blijvend zijn?

“Ik denk niet dat Swatch het aantrekkelijk heeft gebracht. Maar het heeft er wel voor gezorgd dat meer mensen nadenken en praten over de manier waarop we tijd meten. Ik denk dat bedrijven achter de trend aan zullen hobbelen, omdat mensen eerst spontaan UTC gaan gebruiken. Maar horlogebedrijven zullen een fortuin verdienen aan 24-uurshorloges.”

Denk je dat bedrijven als Apple of Google zich realiseren dat ze geld kunnen verdienen aan UTC?

“Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, omdat ik niet met hen daarover gesproken heb. Maar dit zijn slimme mensen, ik ga ervan uit dat ze mij binnenkort wel zullen bellen.”

Ze zijn slim en ze zijn rijk. Misschien moet je UTC een keertje aan ze pitchen. Want dit lijkt me niet iets dat één staatshoofd kan invoeren.

“Er zijn natuurlijk wel staatshoofden die graag grote en gewaagde dingen doen, en als een staatshoofd genoeg invloed heeft, zou het best kunnen werken. China, India, of Rusland zouden het kunnen doen.”

En hoe denk je over de culturele significantie van tijd? Zoals Kanye West die tweette dat hij niet wil werken met iemand die hij niet mag bellen om drie uur 's nachts – dat zou niks meer betekenen in UTC.

“Mensen worden door universele tijd afgeschrikt, die zeggen dingen als: ‘Ik wil dat niet, want ik wil niet werken als het donker is of slapen als het licht is,’ –maar wie zou dat wel willen? Dat heeft niks te maken met universele tijd! Als universele tijd ingevoerd wordt, moeten mensen er alsnog over nadenken of degene die ze proberen te bereiken wakker zal zijn of niet.”

Dus in een ideale wereld zouden UTC en zonnetijd naast elkaar bestaan?

“Ja, en het is een natuurlijk verschijnsel. Vanuit een astronomisch oogpunt is de tijd in de wereld nu overal hetzelfde.”

Bedankt, Steve!

 

 

 

 

L&B: TIJD                 REISFOLDER NAAR DE TOEKOMST

 

 

  

Ruimte en tijd, volgens velen de fundamenten van ons universum, hebben eigenlijk niets met elkaar te maken.

 

Een woordvoerder van het Technologisch Instituut in Delhi heeft ons laten weten dat een speciale onderzoeksgroep, onder leiding van de vermaarde Hasan Pacha, heeft vastgesteld dat tijd een neurologisch fenomeen is en zonder brein eenvoudig niet bestaat. Zoals ruimte een verzamelnaam is voor de talloze vormen van energie – sinds de popularisering van Einsteins relatie E = mc2 weet iedereen dat ook massa een vorm van energie is, zijn verleden en toekomst – het heden bestaat eigenlijk ook niet – manifestaties van dezelfde neurologische conditie: het tijdsbesef.

 

Dat betekent overigens niet, aldus de woordvoerder, dat de tijd geen begripsbepalend onderdeel van de fysische werkelijkheid kan zijn. Zoals bijvoorbeeld in het aantal meters (ruimte) per seconde (tijd) als men het heeft over de lichtsnelheid. Uit de relativiteitstheorie van, alweer, Einstein kan worden afgeleid dat het er niet toe doet of men zich met deze (absolute) snelheid naar elkaar toe of van elkaar af beweegt, de onderlinge beweging blijft steeds dezelfde. Even onvoorstelbaar – maar wiskundig onweerlegbaar – als tijdreizen.

 

Dr. Pacha beweert een mentale techniek te hebben ontwikkeld die ons in staat moet stellen zowel de Franse Revolutie bij te wonen als de kolonisatie van Mars mee te maken. Net zo eenvoudig als de huidige vliegreizen naar Parijs of Florida. Of hiervan al in de nabije toekomst sprake zal zijn, valt te betwijfelen. Tot nu toe is het vooral Pacha zelf die de ‘pros en cons’ van het tijdreizen proefondervindelijk uitprobeert. De experimenten zijn nog volop aan de gang en er zijn nog heel wat hobbels te slechten. Maar de vooruitzichten zijn veelbelovend, aldus een woordvoerder.

 

http://www.rhetoricadispuuttau.nl/staut/jaargang-43/tijd-is-een-illusie/

http://zwartekat.com/tijdiseenillusie.php