DE ONDERSTEBOVEN BERG*

Geloof in wetenschap of wetenschappelijk geloof

 

Kleine oorzaken hebben soms grote gevolgen (chaostheorie) en grote zaken kunnen zonder het kleine helemaal niet ontstaan (emergentietheorie). Volgens die laatste opvatting is onze wereld ooit begonnen in een primordiaal beginpunt en heeft zich laag voor laag verder ontwikkeld. De eerste lagen zijn bekend als de hypothetische ontwikkelingsfasen van het uitdijende heelal (inflatie, afkoeling en samenklontering in een fractie van een seconde), het ontstaan van de lichte atomen na een paar honderdduizend jaar, stervorming en hun vernietiging waardoor het ontstaan grote moleculen, planeetvorming, ontstaan van leven, eerst fragmentarisch en microbieel, later meercellig inclusief afweer, daarna staten- en netwerkvorming. Al die lagen zijn emergente verschijningen, bestaan bij gratie van de onderliggende éenvoudiger’ lage waaruit ze zijn opgebouwd. Het geheel vormt een kleine 14 miljard jaar oud bouwwerk dat langs een verticale tijd-as als een ondersteboven berg kan worden voorgesteld.
                                                                                                   
 

  

 

Mijn academisch gevormde collegae begrijpen niets van mijn geloof. Ware ik agnost of atheïst dan zouden ze het nog wel snappen (al zijn de meesten het daarmee oneens). Maar mijn afwijzing van God en van elke religieuze boodschap gaat zelfs de meeste evolutionisten te ver. Want in de grond zijn ook zij gelovigen, vaak zelfs in deïstische zin. Mijn geloof heeft echter betrekking op het bestaan zelf. Ik geloof in het emergente bestaan. De ondersteboven berg.

 

 

Kenmerkend voor de denkende mens is het verlangen om de wereld te kennen. De wereld rondom en de wereld vanbinnen. De wereld van het grote en van het kleine. De wereld van vroeger en in het verschiet. De waarneembare en onzichtbare wereld.

   In die laatste, wellicht grootste wereld, zijn we volledig op ons verstand aangewezen. Het is de wereld van de ratio en die schiet soms tekort. Gelukkig biedt onze fantasie dan uitkomst met mooie, niet verifieerbare maar beloftevolle verhalen. De onzichtbare wereld omvat namelijk niet alleen de oorsprong maar ook het einddoel.

   Het scheppingsverhaal voorziet in een behoefte om de oorsprong te kennen. De resterende religieuze boodschap (het leeuwendeel) gaat over de vraag waarom we er eigenlijk zijn, de zin van het bestaan (het doel dus). Om te scoren moet je in een god geloven.

   Met overweldigende suprematie heeft de mensheid haar lot toevertrouwd in handen van een imaginair wezen dat buiten de werkelijkheid staat maar er ‘echt wel’ is. De Waarheid.

    In het voorlijke Europa begonnen sommige ‘verlichte’ denkers in de 19e eeuw aan die waarheid te twijfelen en hun gedachtegoed heeft zich over een vrij groot deel van de mensheid verspreid. Toch is nog zeker 90% van de wereldbevolking geneigd om te vertrouwen op een ‘hoger’ wezen en het bestaan van een hiernamaals onder het mom ‘wat heeft het anders allemaal voor zin?’ Dat die zin ook inherent aan het bestaan zelf kan zijn, bestaat alleen in de gedachten van hen die er verder geen woord aan vuil willen maken. De zin van het bestaan is het bestaan. Over en uit.

 

We hebben de neiging om de bron van onbekende natuurverschijnselen toe te kennen aan wezens die iets van ons willen. De gewekte argwaan heeft zich als overlevingsstrategie evolutionair ontwikkeld van aanvankelijke schuilplaats tot onderzoekslaboratorium. Het uitwisselen van informatie heeft onze nieuwsgierigheid enorm geprikkeld. De hardgrondige motivatie om de wereld te kennen, richt zich ook op het innerlijk, het IK. Dat kan leiden tot mystieke visioenen van een alomtegenwoordig wezen dat wordt gezien als de bron van alles, als de almachtige Schepper. Door het uitdragen van de particuliere beleving verspreidt het religieuze vuur zich weldadig over de sociale groep.

 

Evolutionisten wordt niet zelden verweten dat ze God overbodig hebben gemaakt. In tegenstelling tot de Joodse en Islamitische religies staat het Christendom vrij tolerant tegenover evolutie, zowel van het leven op aarde als in de kosmos. Het Vaticaan acht de oerknaltheorie wetenschappelijk aanvaardbaar en de langdurige ontstaansgeschiedenis van hedendaagse organismen uit een oersoep wordt alleen nog door Bijbelvaste Creationisten bestreden.

   Evolutietheorieën worden in kerkelijke kring beschouwd als wetenschappelijke interpretaties van de werkelijkheid en die behoren tot een andere (denk)categorie dan de godsdienstige interpretaties. Evolutie en Schepping kunnen best naast elkaar bestaan als we beseffen dat ze tot verschillende denkdivisies behoren.1

   Niet iedereen is het met deze polderopvatting eens (ooit bedacht door katholieke jezuïeten met een hang naar wiskunde en filosofisch naturalisme). Wiskunde, tegenwoordig onderdeel van de exacte wetenschappen, heeft lange tijd de status gehad van een filosofisch systeem dat, net als de kabbala, inzicht zou verschaffen in de aard van God. Alles wat men nodig heeft is toewijding en verstand. Als na de renaissance het empirische experiment steeds meer veld wint, blijkt de wiskundige formulering onontbeerlijk voor het voorspellende karakter dat experimenteren tot wetenschap verheft. De wiskundige ‘taal’ is universeel, objectief en nauwkeurig zodat uiteenlopende disciplines zonder mankeren informatie kunnen uitwisselen. Theoretisch tot stand gekomen voorspellingen kunnen via die wiskundige ‘taal’ door waarneming of experiment op juistheid gecontroleerd worden. Bijbelse profeten en goddelijke boodschappers moet je, daarentegen, op hun woord geloven.

   Onder wiskundig ingestelde geesten is vóór de Verlichting nauwelijks sprake van atheïsme. In de vorige eeuw neemt het aantal seculiere humanisten onder hen sterk toe maar velen volharden in hun geloof in God. De wiskundige Gödel meent zelfs met zijn onvolledigheidsstellingen het bestaan van God te hebben aangetoond.

   Nog steeds houdt menig exacte wetenschapper halsstarrig vast aan zijn of haar geloof in God. Met concepten als ‘God van de gaten’ en ‘Intelligent ontwerp’ wordt de moderne wetenschap verbonden met het klassieke godsgeloof. Dat komt niet doordat wetenschappelijke verklaringen tekortschieten of atheïsme wordt geassocieerd met immoraliteit, maar door een gebrek aan fantasie. Deïsten kunnen geen voorstelling maken van iets waarvan zij zich geen voorstelling kunnen maken en noemen het dan maar God. Hun God is een beetje (maar niet precies) als de kristallen bol waarin de waarzegger een toekomstig tafereel waarneemt. Het blijft een persoonlijke projectie van nieuwe kennis, vroege herinneringen en immaterieel erfgoed. Probeer daar maar eens een niet-goddelijke boodschap van te maken.

 

Uit het tweespleten experiment, waarbij elektronen zich als deeltje of als golf presenteren, kan men concluderen dat ze hun omgeving ‘kennen’ en weten wanneer ze zich als golf dan wel als deeltje moeten gedragen. Volgens de wiskunde van de kwantumfysica beperkt de golffunctie van een deeltje – dus zijn ‘kennis’ van de werkelijkheid – zich niet tot zijn directe omgeving maar is ‘non-lokaal’, d.w.z. betrokken op de werkelijkheid als geheel. Het betreft hier ‘verstrengelde’ kwantumdeeltjes die op ver uit elkaar gelegen plaatsen elkaar toch beïnvloeden. Deze ‘spookachtige werking op afstand’ is voer voor go(e)dgelovigen.2

 

De vraag valt niet te beantwoorden of de wereld (mens, leven, universum) is geschapen dan wel het resultaat van evolutie is. Zij die in Schepping geloven verwijzen naar de Heilige Schrift en evolutionisten beroepen zich op de talrijke naturalistische aanwijzingen. Toegegeven, de laatsten bestaan ‘slechts’ uit waarnemingen, experimenteel bewijs is niet voorhanden. Dat is voor veel kritische geesten aanleiding geweest om zich als agnost te presenteren: het valt eenvoudig niet te bewijzen of God wel of niet bestaat.

   Typisch de houding van iemand die geen keus kan maken tussen, wat mij betreft, twee gelijkwaardige visies. Alsof het om een politieke coalitie gaat waarbij men rekening moet houden met de gehele samenleving. Alsof het geloof in God géén particuliere aangelegenheid is, alsof wat jij gelooft een ander wat aangaat. Dat academisch onderlegde evolutionisten toegeven dat er misschien toch een God is, vind ik een lafhartig standpunt dat zichzelf ondergraaft: waarom zou je in evolutie geloven als er toch een God is?

   God is vaak een excuus. Niet zozeer als lapmiddel om zaken die niet te begrijpen zijn toch een plaats te kunnen geven, maar als strohalm om uiting te geven aan het verlangen naar een soort sluitende begroting, met behulp van een transcendente kracht die aan alles ten grondslag zou liggen. Dit is gewoon een kwestie van semantiek; of je het God of Iets noemt, komt op hetzelfde neer.

 

Het verlangen naar God is het gevolg van een diepe behoefte om deel uit te maken van een groep en tegelijkertijd het eigen IK (de ziel?) te ontdekken. In esoterisch opzicht wil men ergens bij horen (ingewijd worden) en in exoterische zin blijft men individueel investeren in de eigen identiteit. Als dat zelfonderzoek tot een logisch stappenplan leidt, kunnen anderen daar zelfs inspiratie uit putten. In de kern is het verschil tussen geloof en wetenschap niets anders dan het verschil tussen de groep en de enkeling en louter het gevolg van onze neiging tot conformisme.

 

Bij herhaling ontstaan er zaken die voordien volslagen onbekend waren. Ter verduidelijking een recent voorbeeld uit onze culturele geschiedenis: de impact van de sociale media. Een halve eeuw geleden niet alleen onbestaanbaar maar ook onvoorstelbaar. In de toekomst zal het lijken of dat verschijnsel ooit uit het niets tevoorschijn kwam, een zogenaamd emergent verschijnsel. Een beter voorbeeld is wellicht het schrift. Nu vanzelfsprekend en onmisbaar maar ooit een verborgen potentie.

   Nu terugkijkend in een ver verleden kunnen we verschillende van dergelijke momenten noemen: het ontstaan van de mens (uit dieren); het ontstaan van meercellige organismen (uit ééncelligen); het ontstaan van replicatie (uit abiotische moleculen). Dat laatste is essentieel voor het ontstaan van leven en hoeft maar één keer te zijn gebeurd (met één bepaalde combinatie van factoren op één plaats op aarde), waarna het zich als een kettingreactie over onze planeet verspreid kan hebben.

   Emergente verschijnselen lijken uit het niets op te duiken om zich vervolgens als een olievlek te verspreiden. Na hun ‘pop-up’ vindt een zichzelf versterkende expansie plaats. Een grafische weergave van die verspreiding in de tijd zou eruitzien als een bergwortel (een verdikking van de aardkorst onder een berg om het wegzakken in de viskeuze mantel te voorkomen): de afgeplatte vorm van een omgekeerde berg.

   Overeenkomst met de oerknal en inflatietheorie is niet toevallig. De ruimte zelf is een emergent verschijnsel, een opwelling uit de alomtegenwoordige en eindeloze oceaan van qubits (minuscule eenheden van kwantuminformatie) waaruit ons universum is voortgekomen. Natuurlijk valt dat (nog) niet te falsificeren (net zo min als het geloof in God), maar schraging van een theorie door wiskundige afleiding wekt meer vertrouwen dan haar bevestiging in oude geschriften.

   Helaas, de esoterische zweepslagen van Pythagorische numerologen en Euclidische taoïsten zijn nog levendig te horen. Anderzijds is het ook niet zo dat een wiskundige onderbouwing automatisch betekent dat de propositie van een theorie juist is. Wiskunde levert slechts een verificatie op van de metingen. Met de notaties F(t) = F0 + wt en r’= r – Vt had Galilei kunnen aantonen dat de aarde om de zon draait maar evengoed had hij het toenmalige geocentrische wereldbeeld van de kerk ermee kunnen bevestigen. Dank zij het literaire ontzag voor bèta is de rotatieformule voor de meeste mensen echter even onleesbaar als bladmuziek.

 

Wereldreligies als Christendom en Islam zijn onveranderlijk en onaantastbaar. Twee kenmerken die voor de wetenschap dodelijk zijn. Aan elke bewering moet worden getwijfeld en iedere stelling moet door iedereen telkens opnieuw kunnen worden getoetst en eventueel worden verworpen. Het wetenschappelijk bouwwerk is voortdurend aan verandering onderhevig. Onder gelovigen roept deze verandering een collectieve doodsangst op. Aan de beginselen van het geloof valt niet te tornen, die zijn, oh ironie, al eeuwen geleden vastgelegd. Het wereldbeeld van de onveranderlijkheid biedt een schuilplaats, benauwend maar beschermend tegelijkertijd. Verandering  daarentegen weerspiegelt een soort vrijheid maar maakt ook kwetsbaar en onzeker. Deze overdrachtelijke claustrofobie versus agorafobie ligt wellicht ten grondslag aan de scheiding der geesten.

 

De ethiek of moraliteitsleer is een afdeling van de wijsbegeerte waarin wordt nagedacht over ons handelen (gedrag). Daarin staat de vraag centraal wat de ‘norm’ is, de zedelijke toetssteen van dat handelen. Gaat het om het doel (utilitarisme) of om de middelen (deontologie)? Wie bepaalt de norm? 

   Van oudsher veronderstelt men dat het bestaan van God o.i.d. een vereiste is om het verschil tussen goed en kwaad te kunnen onderscheiden. Dat er zo’n verschil bestaat wordt zwijgend aangenomen. Wat de één goed noemt ervaren anderen als nadelig. Goed en kwaad zijn uitwisselbaar. Ze ontberen een objectief bestaansrecht. Met andere woorden, het verschil tussen goed en kwaad wordt bepaald door ideologie.

   De zedelijke toetssteen is uiteindelijk de dood, waarbij men in het midden laat om wiens dood het dan gaat. Van het individu of van de groep? Of van een andere groep? De mensheid? Het leven? Het heelal?

   Het emergente universum borrelt op als een fontein waarvan uit elke druppel opnieuw een fontein opborrelt, level na level. Een gyroscopisch acrobatenbouwwerk waar geen gravitatie vat op heeft. Een ijsfontein, spottend met evenwicht. Steeds hoger, steeds breder.

   De ondersteboven berg.

   De ontologie of zijnsleer is een afdeling van de wijsbegeerte waarin wordt nagedacht over het bestaan (het zijnde). Een ontologisch argument is een logische redenatie voor het bestaan van God. Volgens het ontologisch argument van Alvin Plantinga, een van de meest vooraanstaande verdedigers van het Christendom, is God een oneindig groot wezen dat in elk denkbare wereld maximale uitmuntendheid bezit.3 Aan een dergelijk allesomvattend begrip kun je evenwel elk (on)denkbaar attribuut toekennen, waardoor het geen enkele betekenis meer heeft. Bovendien zou een oneindig groot wezen in elk denkbare wereld tegelijkertijd ook oneindig klein moeten zijn. Is dat in logische zin nog wel samenhangend?

   Mijn ontologisch argument is dat ‘het bestaan’ zowel een ‘zijnde’ is als een eigenschap van dat ‘zijnde’, namelijk ‘zin’. Het emergente bestaan is dus eigenlijk een pleonasme. Niettemin noem ik het zo om de zingeving ervan te benadrukken: de zin van het bestaan is het bestaan. Zin is een emergente eigenschap van Zijn.

   De vraag ´wat is de zin van het bestaan´ is een zinloze vraag. Toch heeft iedereen zijn of haar eigen zedelijke toetssteen, ongeacht of men in een hiernamaals gelooft of in niets. Dat geloof is echter net zo intiem als het sterven zelf. Net zo min als je de dood met anderen wenst te delen, behoor je je geloof te delen. Je geloof behoort uitsluitend jou toe.

   Voor Christenen en Moslims, Joden en Hindoestanen, Humanisten, Boeddhisten of welke levensbeschouwing ook, is dit de omgekeerde wereld: je belijdt je geloof toch met gelijkgezinden? Wie het onderscheid tussen goed en kwaad ontkent, zoals bijvoorbeeld Joel Marks in Ethics without Morals (2014; helaas alleen Engelstalig), wordt door collectieve gelovigen het liefst ondersteboven opgehangen.

 

Wat is de zin van het bestaan? Wie ben IK en waarom? Hoe dichterbij, hoe ongrijpbaarder: de eigen Zelf, het IK. Een minuscuul partje van het universum en tegelijkertijd allesomvattend. Ondoorgrondelijk en universeel, zichzelf herhalend tot in het oneindige. De religieuze ervaring die deze afdaling naar de ziel bij velen opwekt, is een persoonlijke beleving die per definitie niet met anderen gedeeld kan worden. In tegenstelling tot de wetenschappelijke (naturalistische) waarneming, die juist door anderen op dezelfde objectieve wijze moet plaatsvinden om aanvaard te kunnen worden.

 

Ik heb geprobeerd duidelijk te maken waarin ik geloof, namelijk dat transcendentie en immanentie van een zodanige particuliere spiritualiteit getuigen dat je ze met niemand hoort te delen. Dat is duidelijk in strijd met elkaar. Als ik werkelijk geloof wat ik zeg, zou ik het niet zeggen of wat ik zeg is niet wat ik geloof. Hoe zit dat?

   Het delen van een gedachte is niet hetzelfde als iemand overtuigen van de waarheid. Het eerste behoort tot het domein van geloofsvrijheid, het tweede is een aspect van werving (en wat dies meer zij). Iemand opzadelen met jouw (onbewezen) ideeën ontneemt de ander weer een sprankje twijfel. Voor de meeste mensen klinkt dat juist positief maar twijfel is het voorportaal van geestelijke groei en inzicht en dat kan maar beter voldoende ruimte hebben om andere gedachten toe te laten*.

   Kunst en wetenschap zouden zonder twijfel geen ontwikkeling kennen. Impressionisten, symbolisten en abstracten zouden nooit bestaan hebben. Het wetenschappelijk denken zou zijn blijven steken in het bijgeloof en vooroordeel van vóór het empirisme in de renaissance. Een bedenkelijk lichtpuntje: er zou niemand meer zijn om zich zorgen te maken over klimaatsveranderingen. Twijfel is het hoogste goed van de intellectuele mens. Dubito, ergo cogito.

 

 

Het beeld van ‘de ondersteboven berg’ is gebaseerd op het model van de hiërarchische complexiteit: de werkelijkheid als ontwikkelingsproces begint met een singulariteit en dijt uit via immateriële, materiële, biotische en spirituele ‘lagen’ met een toenemende uitgebreidheid omdat ze eenvoudig onbestaanbaar zijn zonder de onderliggende niveaus. Het is een feitelijke uitbreiding van de oude fylogenetische stambomen van het leven, met dien verstande dat overal in het universum biotische ontwikkeling plaatsvindt.

   Voor meer informatie:

   Hubert van Belle. Modellen van de gelaagde werkelijkheid: http://www.vub.ac.be/CLEA/dissemination/groups-archive/vzw_worldviews/publications/vanbelle-werkelijkheid.html

   Jan van der Veken. Nieuwheid denken. Uitgeverij Acco, 2008

   André de Vries. De emergentie en evolutie van drie werelden. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen, 2009: http://www.rug.nl/research/portal/files/14636643/10_thesis.pdf

 

 

Voor uitgebreide Nederlandstalige informatie over de historische relatie tussen geloof en wetenschap, zie:

www.kuleuven.be/thomas/page/geloof-en-wetenschap/

  Anselm en Michael Grün, God en kwantumfysica: Twee kanten van dezelfde medaille, Altiora Averbode 2016.

Alvin Plantinga. Het echte conflict. Wetenschap, religie en naturalisme. Buijten en Schipperheijn, 2014.

In relatie tot/met anderen kan de twijfel over het eigen libido, het gebrek aan zelfvertrouwen en ongelijkwaardigheidsgevoel er toe leiden dat men zich ongelukkig voelt. Zie over deze relationele twijfel bijvoorbeeld:

http://www.psychologisch.nu/content/wanneer-twijfel-de-liefde-bedreigt