PSEUDOLOGICA

De zin en onzin van het alternatief

  

 

Hoe de werkelijkheid écht in elkaar zit, wie wij zijn, hoe wij functioneren en wat onze relatie met God is, dát en nog veel meer zouden we allemaal wel willen weten. Daarom laten wij sinds mensenheugenis ons oor graag han-gen naar de welsprekende en charismatische medemens die ons dat uit de doeken doet. De apostelen van weleer en de profeten van nu, zij verkondigen dezelfde religieus-therapeutische boodschap: liefde en vergeving leiden naar eenheid. Wie werkt aan het wonder van zelfacceptatie zal door psychologische recapitulatie zinvol evolue-ren tot het innerlijke juweel dat altijd al flonkerde maar nog niet straalde. Oftewel, werk aan jezelf en vind God.

   Niet iedereen is het daar mee eens.

  

 

 

Het panoramaraam bood uitzicht op de Caribische Zee, maar het uitgestrekte zicht op de scheidingsgrens tussen hemel en aarde kon haar niet behagen. Amanda zat verveeld onderuit in haar relaxfauteuil en dacht aan Papa Tan. Nooit eerder had ze iemand ontmoet die zo charismatisch was en tegelijkertijd zo angstaanjagend. Papa Tan was een duivel die zei dat hij God was, Onze Lieve Heer met bokkenpoten. Ze ergerde zich aan de clichés van haar christelijke opvoeding en zocht naar alternatieve metaforen. Een veganist met de muil van een carnivoor. Een vluchteling op oorlogspad, Een geflipte transgender. Kortom, een vat vol tegenstelling, om nog maar een cliché te gebruiken.

   Papa Tan had haar zelf toevertrouwd dat hij eigenlijk Mama Tan was maar dat de Bajans zo’n openbaring aanstootgevend zouden vinden en het zijn (haar) gezag zou aantasten, de verlichte ideeën die hij verkondigde ten spijt. Door de zichzelf opgelegde seksuele schizofrenie was zijn boodschap simpel en tegelijk complex. Je moest je eigen weg volgen maar wel langs het pad dat hij had vrijgemaakt. Dat wist hij echter met zoveel esprit over te brengen dat zij er, samen met de honderden andere volgelingen, geen weerstand aan kon bieden en werd meegezogen in de slipstream van zijn missie. Gemagnetiseerd.

   Of het nu lag aan een soort oververzadiging bij haarzelf of aan een behoefte aan ontspanning bij de sekteleider, zo nu en dan verzwakte zijn aantrekkingskracht en werd Amanda op zichzelf teruggeworpen. Zoals nu. Dan vroeg ze zich vertwijfeld af hoe ze in de ban van dat wanschepsel verzeild was geraakt en niet bij machte was zichzelf te bevrijden.

   Op zo’n moment bleek het provinciaaltje best in staat tot analytisch denken. Haar zoektocht naar de zin van het bestaan was al lang geleden begonnen. Eigenlijk al toen ze nog thuis woonde. De dorpsgemeenschap, waar haar ouders elkaar hadden leren kennen en zich toe rekenden, kon haar niet de voldoening geven die het zichzelf had verschaft. De stilte rondom haar vrouwwording en seksueel ontluiken, de verwijten van verdorvenheid en het gebrek aan geborgenheid schiepen een kloof. Ze vervreemde van haar geboortestreek naarmate ze vaker en langduriger in de Randstad verbleef. Totdat ze helemaal niet meer huiswaarts keerde.

   Een blauwe maandag studeerde ze antropologie in Leiden waar ze samenwoonde met de evenwichtige Annelies die psychologie en criminologie ‘deed’. Eindeloos voerden ze adolescente discussies over god en wetenschap, de zin van het bestaan en het innerlijke ZELF. En vooral over relaties en seks. Ze waren het zelden eens.

   En al waren ze eigenlijk tegenpolen, uiterlijk leken ze wel een tweeling. Slaperige studiegenoten werden makkelijk misleid als ze Annelies in de bibliotheek zagen zitten. Maar in plaats van met haar neus in de boeken zat Amanda liever in de kroeg – bij gelegenheid gaf ze zich uit voor haar kamergenote; wie zag het verschil? – waar ze aanpapte met beloftevolle nerds. Nergens anders kon ze haar (geestelijke) dorst beter lessen dan aan de bar van Pardoeza in Leiden of tijdens besloten bacchanalen in de Haagse Kunstkring.

   Daar moet ze hem toen ontmoet hebben, kikker of pad (die stomme bijnamen) en zij het beminnelijke prinsesje (gatver). Ze kon het zich allemaal niet zo goed meer herinneren. Haar leven werd toen beheerst door dromen en drugs. Als de wolkenflarden boven de Caribische zee dreven de memoires in haar geest. Voortdurend veranderende, vloeibare gedachten. Ze zocht iets, maar wat precies wist ze niet meer.

   Haar vader had nog geprobeerd haar leven in goede banen te leiden. Met de belofte van een aanstelling als touroperator bij een plaatselijk reisbureau had hij haar naar huis gelokt. Haar directe chef bleek echter een griezelige viespeuk, die iets heel anders met haar voorhad dan hij haar go(e)dgelovige vader had voorgehouden. Een tochtstroom vol jeugdherinnering verkilde haar een ogenblik. De schijnheilige zwartrok die haar ouders waarschuwde voor Satans disco, potenrammers bij haar in de straat, brand in het AZC. De hele omgeving daar was besmet. Binnen de kortste keren was ze terug in Leiden, zonder door te hebben dat het virus haar al te pakken had. De inwendige wervelwind die haar aanspoorde om gangbare omgangsvormen om te woelen.

   Ze had gehoopt in haar kamergenote een medestandster te vinden, een ‘partner in crime’, maar Annelies liet zich niet zo gemakkelijk meetronen. Die volgde haar eigen weg, ook door het schimmige studentenleven van weleer. Soms gingen ze samen op jacht maar meestal was Amanda alleen met haar onrust.

   Ze verruilde haar studie voor avontuurlijke zwerftochten en probeerde op tal van manieren aan haar gerief te komen. Maar waar ze ook ging en wat ze ook deed, de ware bezieling bleef uit. Soms kon ze een tijdje nagenieten van de ervaringen die ze had meegemaakt maar na verloop van tijd begon het weer te jeuken. No satisfaction.

   Was het toeval dat haar weerzien met Bolt werd begeleid door rockmuziek uit de jaren 60? Terugkijkend had het iets satanisch maar ook dat was toepasselijk geweest. Hoe dan ook, Bolt had haar niet alleen herkend, hij had haar zelfs een baantje aangeboden. Als gezelschapsdame!

   Daar had ze wel even van staan kijken. Wat wilde hij van haar? Een trip naar de Cariben zag ze wel zitten, maar wat zouden ze dan gaan doen? Toen hij zijn aanstellingsbrief uit Bridgetown liet zien, was ze om. Haar zoektocht naar het innerlijke ZELF kon evengoed doorgaan onder het genot van zelfgestookte rum en calypsodansen. Toch?

 

 

De stille ruimte van je innerlijke ZELF

 

God, oftewel je fundamentele ZELF, is niet een ‘iets’, het heeft geen afmetingen, geen vorm. De beste manier om het in woorden te vatten is door te zeggen wat het wat het niet is… en dan blijft over wat het is … wat niet genoemd kan worden … maar gekend kan worden. Het kan echter niet in conceptuele zin gekend worden, want ‘concept’ is alweer een benaming, een vorm.

   Het kan simpelweg gekend worden, in de stille ruimte van de innerlijke rust die in iedereen te vinden is, onder het mentale rumoer – ongeacht hoe lawaaiig, hoe turbulent dat mentale rumoer ook zijn mag en ongeacht hoe zwaar het egoïstische ZELF ook is. In iedereen is het fundamentele ZELF niets anders dan de innerlijke rust… van puur bewustzijn… je fundamentele ZELF. De essentie, jouw essentie, is onlosmakelijk verbonden met de essentie van het hele universum.

   Zijn dit slechts woorden? Jazeker, maar de woorden geven een aanwijzing van wat het ZELF is, ze kunnen het niet definiëren… kunnen het niet precies uitleggen …maken zelfs geen aanstalten om het uit te leggen.

   Als je mij vraagt, ‘alsjeblieft, vertel me wat meer, ik begrijp het nog niet helemaal’, dan is dat niet mogelijk. Mijn woorden geven slechts een vingerwijzing en de uitleg van een vingerwijzing heeft geen zin! Maar, zeg je, je wilt begrijpen wat het inhoudt dus vraag je wat de vingerwijzing betekent, in plaats van dat je de aanwijzing aanvaardt. Je verstand wil de richtingwijzer analyseren: kijk eens naar die wegwijzer, laten we hem gaan onderzoeken, pak de microscoop erbij…!

   Wat ik hiermee zeggen wil is dat het verstand het ZELF niet kan vatten! Aanvaard mijn bewering als een vingerwijzing, niet als een verklaring van het universum, want dat is onmogelijk.

   Maar de woorden kunnen werken, de prachtige woorden van wie dan ook, of welke andere woorden hier ook mogen opkomen, ze wijzen allemaal naar de dimensie van het vormloze, het ZELF dat jij bent. Dus waar het werkelijk naartoe wijst, waar al deze woorden naartoe wijzen, is de dimensie van de innerlijke stilte, die bruist van leven, maar niettemin stil is. Extreem wakker, maar stil… onder deze gedachten, tussen de gedachten in… tussen de regels… daar ligt het canvas waarop het hele fenomenale bestaan geschilderd is.

 

Eckhart Tolle over ‘Jezelf Zijn’  

 

Hier zat ze nu. Het feestje was voorbij en iedereen leek haar te zijn vergeten.

   Ze wist nog wel hoe het allemaal was begonnen. Die jongen, Bolt dus, had destijds zo’n onbeholpen indruk op haar gemaakt dat ze hem later, veel later, bij hun weerzien niet direct herkende. Was die brutale charmeur dezelfde als de in zichzelf gekeerde verlegen nerd uit haar studententijd? Hij had haar gevraagd met hem mee te gaan en zij had het smekende tuiten van zijn lippen niet kunnen weerstaan. Ongeveer net zoals de afbeelding van een hamburger dwingender kan zijn dan het uiteindelijke broodje warm vlees.

   De vleselijke genietingen op de oversteek naar de Cariben en het betrekken van de door Bolts werkgever toegewezen woning – een smaakvolle expatvilla in een van de betere buitenwijken van Bridgetown – waren een beloftevolle start geweest. Zijn innemendheid en belangstelling hadden haar verrast en opgewonden, zoveel had ze niet verwacht, alsof ze op een reünie alsnog tot schoolkoningin gekozen werd, zoals in Carrie van Stephen King. Zonder dat het allemaal weer van haar afgenomen werd en zij hem met haar magie moest straffen.

   Maanden lang had ze genoten van de toewijding en het eerbetoon die haar ten deel vielen als de gade van de alom gerespecteerde geneesheer-directeur Bolt van het hoofdstedelijke hospitaal. De arts zelf schiep er behagen in om zijn helende talenten op haar uit te proberen en zij was maar al te graag zijn hulpbehoevende patiënt. Als ze maar even samen waren speelden ze doktertje. Omgekeerd nam zij het heft in handen en was hij degene die verpleegd moest worden. Een rol die hem op het lijf geschreven leek.

   Steeds vaker kroop Bolt in de huid van de lijder en liet zich vleselijk troosten. Totdat Amanda merkte dat haar geneeskracht niet sterk genoeg was, de zieke naar rust verlangde en het hospitaal aan hem trok. Zijn werk werd een rivaal om rekening mee te houden en te laat kreeg ze door dat sexual healing hier niet meer baatte.

   Bolts tanende charme was, voor zover zij kon weten, niet het gevolg van een tover-spreuk. Kennelijk eiste de verantwoordelijkheid van zijn aanstelling zoveel aandacht van hem op dat er steeds minder voor háár overbleef. Samen een uitstapje maken behoorde allang tot het verleden, ’s nachts kwam hij naar bed als zij sliep en hij was alweer vertrokken als ze wakker werd. Langzaam maar zeker begon het tot haar door te dringen dat ze weer helemaal op zichzelf was aangewezen, van het laaiende vuur was niet veel over dan een volle asla, hoogste tijd om in actie te komen. Maar de fut was eruit.

   Ze staarde naar haar handen en vroeg zich af wat voor vogels het waren die ze in de tuin had zien rondscharrelen. Dat kon ze opzoeken op haar laptop. Ze keek door het venster maar natuurlijk viel er nu niets te bespeuren. Langs de kust zag ze een nevelige helling, de bomen en struiken vormden in de mist één vlek, het vage vergezicht was als een schimmige herinnering. Net als de gebeurtenissen destijds in Leiden. Er was iets met die Bolt, ze kon er de vinger niet achter krijgen, hij verdween soms ineens, zoals hij nu verdween uit haar gedachten. Er liep een man door de tuin. Alsof hij overstak van de ene naar de andere kant. Dat was hier zeker gebruikelijk.

   Ze besloot haar laptop in te schakelen. Eens zien of ze kon vinden wat voor dieren hier eigenlijk leefden. Na ‘fauna barbados’ te hebben ingetoetst keek ze op naar het scherm maar schrok op van het plotseling opduikende gezicht voor het raam. Boven het donkere gelaat met de opengesperde ogen troonde een verwilderde bos zwart haar. Het was alweer verdwenen voor ze van de schrik bekomen was. Ze moest denken aan een gedenkwaardige scene uit Mulholland Drive van David Lynch: de verwezenlijking van een nachtmerrie. Bij het raam was niets verontrustends meer te zien. Ook deze vogel was gevlogen voordat ze wist met wie of wat ze te maken had. Die onverhoedse tronie had in elk geval haar verveling verjaagd.

   De lusteloosheid was weg. Haar gedachten waren weer helemaal bij Papa Tan en zijn Obeah-mannen (voodoopraktijkassistenten). Het was louter toeval geweest dat ze destijds die ‘kerk’ was binnengegaan (althans, dat dacht ze). De aanwezige ingewijden, een stuk of vijftien, wilden haar liever niet in hun midden, maar Papa Tan had zich over haar ontfermd. Ze mocht de healing bijwonen.

   Er was een jongen die op school niet scoorde, had last van woedeaanvallen en leed aan bedplassen. De bijeenkomst was geheel geweid aan de uitdrijving van de demonen die in het kind huisden. Ze zag hoe de jongen langzaam het bewustzijn leek te verliezen maar na afloop opgewekt de kerk verliet.

   De grote indruk die dat op haar had gemaakt was Papa Tan niet ontgaan. Welwillend had hij haar verteld over zijn wijze van genezing. Het ging allemaal terug naar de ge-dwongen migraties uit Afrika. De slaven die de overtocht hadden overleefd introduceerden oeroude geneeswijzen die op verschillende Caribische eilanden onuitroeibaar waren gebleken. En terecht. De katholieke heelmeesters met hun aderlatingen, zalvende praatjes en hoge rekeningen hadden het Afrikaanse erfgoed vooral aangemoedigd.

   Tan vertelde haar dat ze als meisje was opgegroeid op een zendingspost maar aan haar lot was overgelaten toen deze werd opgeheven. Bij de lokale familie die haar had opgenomen leerde ze de genezende werking van spiritueel curatieve kruiden (muti) en dans (malopo) kennen. Ze bleek aanleg te hebben. Mannen die haar aanraakten kregen een weldadig gevoel, waaruit sommigen van hen extravagante conclusies trokken. Gebruikte zakdoekjes, haarlokken, vinger- en teennagels, ze vonden gretig aftrek. Wellicht hadden haar afzonderlijke lichaamsdelen zelf als curatief medicijn veel geld kunnen opbrengen (muti-moord) als de plaatselijke Sanusi (kruidenvrouwtje en waarzegster) zich niet over haar had ontfermd.

   Het was een even gruwelijk als fascinerend verhaal geweest en geen moment had Amanda het willen opvatten als een van de fantastische verzinsels en sprookjes uit haar jeugd. Dat kwam door de verwantschap die ze voelde met Tan. Ook al vond ze hem/haar eng, ze waren allebei slachtoffer van een door mannen overheerste samenleving. Althans, zo voelde het. Joachim maakte haar geil als boter maar eigenlijk kon ze hem niet luchten of zien. Zoveel leek nu het geval. Tanya had haar de ogen geopend, als meisje was ze spiritueel misbruikt door miskenning en geestelijke verwaarlozing. Papa Tan wist waarover hij het had, zei ze. Als man.

   Amanda had geen idee of Papa Tan nu ook een mannelijk geslacht had en hoe hij met de Obeah-mannen omging die hem/haar omringden. Misschien waren dat ook wel allemaal vrouwen (geweest). Hoe het ook zij, ze hadden haar in hun merkwaardige macht en ze wist niet of ze dat fijn of afschuwelijk moest vinden.

 

 

In het westen zijn we gewend dat ons welbevinden (gezondheid en ziekte) wordt bepaald door de wetenschappelijke methode. Geloof in God is daarbij toegestaan zolang deze niet interfereert door bv. handoplegging, gebedsgenezing en duiveluitdrijving.

   Niet iedereen is het daar mee eens. Voor orthodoxe christenen, joden en moslims is God wel degelijk allesbepalend. Hindoes hanteren vooral de wijdverbreide opvatting van een harmonieuze balans tussen lichaam en geest en hechten belang aan een goede relatie tussen het stoffelijke en het spirituele. Nadruk op de geestelijke wereld (voorouders, demonen) heeft wortels die ver teruggaan in de tijd.

   Het succes van de grote monotheïstische religies heeft de overlevering van magische bezweringen en tover-spreuken grotendeels uitgewist, maar sommige incantaties uit de oudheid zijn bewaard gebleven. De Udug-Hul bezweringen behoren tot de oudste en zijn vanuit Mesopotamië in verschillende Afrikaanse regio’s terechtgekomen. Via de trans-Atlantische slavenhandel hebben sommige mondelinge overleveringen ervan de Cariben bereikt.

   Wie zich door God voelt afgewezen, kan altijd nog tovenaarsleerling worden.

 

 

De tovenaar van Barbados

 

Professor Baluru is zelfbenoemd deskundige op het gebied van Barbadiaanse voodoospreuken. Al meer dan twintig jaar krijgen zijn cliënten binnen drie dagen waar voor hun geld en in tegenstelling tot veel andere experts heeft hij louter tevreden klanten die niet terug hoeven te komen voor een vervolgbehandeling. Na de gratis reading om een goede diagnose te stellen zal hij de juiste rituele offers brengen onder het uiten van de geëigende bezweringen om ervoor te zorgen dat de betovering binnen hooguit drie dagen definitief werkzaam is. Zonder onverwachte extra kosten.

   De voodoospreuken van Barbados vormen een krachtige en effectieve bezwering die je helpt om het je naar je zin te maken. De liefdesspreuk werkt snel, met een maximale wachttijd van slechts enkele dagen en garandeert geluk voor de rest van je leven. Ongeacht wat de oorzaak is van jullie ruzie of scheiding zal Baluru’s ritueel en zijn bezwering de breuk herstellen. Dus als je problemen hebt met je liefdesleven en je relatie uit elkaar dreigt te vallen, is alles wat je hoeft te doen die spreuk te laten inwerken om je gebroken hart te helen of je verloren liefde terug te winnen. De bezwering is internationaal befaamd en zeer krachtig. Iedereen is vol lof want Professor Baluru heeft nooit iemand laten zitten. Hij wil iedereen graag helpen om met volle teugen van een gelukkig leven te kunnen genieten.

   Er bestaan heel wat surrogaatspreuken die averechts werken. De magisters kosten je handen vol geld en zadelen je op met alleen maar meer ellende. Het zijn oplichters of onervaren amateurs die onterecht beweren de kneepjes van het vak te beheersen maar schromelijk tekortschieten. De voodooliefdesspreuk daarentegen heeft uitgewezen er op doeltreffende wijze voor te zorgen dat de band met degene die je liefhebt ongebroken blijft voor de rest van je leven.

   Sommige mensen geloven niet in toverspreuken omdat ze duivels zouden zijn en er niets goeds uit voort zou kunnen komen. Maar je toekomst hangt ervan af, je lot wordt er door bepaald en decennia lang hebben ze niemand teleurgesteld, zijn er geen klachten, hebben ze menigeen geholpen om relaties te herstellen, partners te herenigen en gebroken harten te helen. Overal ter wereld getuigen tevreden gebruikers van het grote geluk dat de voodooliefdesspreuk hen heeft gebracht. Het enige duivelse is de kwaadsprekerij van ongelovigen.

   Tijdens de rituelen speelt Baluru een centrale rol in de communicatie met vooroudergeesten en andere spirits. Hij zorgt ervoor dat alles op de juiste wijze verloopt om het gewenste doel te bereiken. Zijn bekwaamheid staat buiten kijf en iedereen waardeert de manier waarop hij met zijn cliënten omgaat. Voodoospreuken maak je niet eenvoudig ongedaan maar Baluru’s jarenlange ervaring in de omgang met geesten die hem leiden staat ervoor garant dat niemand dat ook maar zou willen. Niemand heeft ooit spijt gehad van de bezweringen.

 

 

 

 

In Amanda’s ogen was Papa Tan een onweerstaanbare griezel. Maar waar ze geen moment bij stilstond was hoe zij op hem overkwam. Als hij haar verteld had dat hij haar vooral zag als een incarnatie van de Heilige Geest, een Goddelijk Bewustzijn dat sinds het begin der tijden overal aanwezig is, zou ze raar hebben opgekeken. Maar Papa Tan hield die gedachte voor zich. ‘Gedachten’ waren zo-ie-zo niet zijn ding. ‘Gedachten’ hadden het als een vijandig autonoom wezen op je geluksgevoel voorzien. Als je ze de vrije loop liet was elk welbehagen in een mum van tijd opgedroogd. Dan restte er alleen moreel gepieker en onvrede.

 

 

 

Gedachten zijn geen waarheid

 

Geen enkele gedachte kan de totaliteit omvatten. Er bestaan geen concepten of wiskundige formules die een verklaring geven voor de oneindigheid. De werkelijkheid is een aaneengesloten geheel maar door ons denken wordt die werkelijkheid in stukjes geknipt. Dat heeft fundamentele misvattingen tot gevolg, zoals de veronderstelling dat er afzonderlijke gebeurtenissen bestaan, onafhankelijk, zonder oorzaak en gevolg.

   Elke gedachte houdt een gezichtspunt in, er ligt een subjectieve visie in opgesloten. En die subjectiviteit betekent automatisch een beperking. Daarom strookt de gedachte niet met de objectieve werkelijkheid, de gedachte is niet absoluut waar. Alleen de totaliteit is waar maar die kan niet worden uitgesproken of gedacht. Vanuit een standpunt dat boven de beperkingen van het menselijk verstand uitstijgt, gebeurt alles op één en hetzelfde moment, het nu. Alles wat ooit geweest is of zal zijn, staat buiten de tijd. De tijd is een mentale constructie. De werkelijkheid is een tijdloos NU.

   Als illustratie van absolute en relatieve waarheid kun je denken kun je denken aan de zonsopgang en zonsondergang. Als we zeggen dat de zon in de ochtend opkomt en ’s avonds ondergaat, is dat alleen in relatieve zin waar. Maar absoluut gezien is het niet waar. Alleen vanuit het beperkte gezichtspunt van een waarnemer op of nabij het aardoppervlak komt de zon op of gaat hij onder. Wie zich verder weg van de aarde in de ruimte begeeft, zal zien dat de zon niet opkomt of ondergaat maar voortdurend schijnt.

   En zelfs al zijn we ons dat laatste niet steeds zo bewust kunnen we het toch over de zonsopgang en-ondergang blijven spreken, de schoonheid ervan blijven zien, er afbeeldingen van maken en gedichten over schrijven. Al weten we dat het om een relatieve en geen absolute waarheid gaat.

   Het idee van ‘mijn leven’ is natuurlijk ook een beperkt, door het denken geschapen standpunt en als zodanig een relatieve waarheid. Want jij en je leven zijn niet twee verschillende dingen maar vormen één geheel.

 

Uit: Eckhart Tolle. Een Nieuwe Aarde

 

 

 

Papa Tan was opgegroeid in Ethiopië. Zelf kon hij/zij zich er niet veel meer van herinneren, daarvoor was het te lang geleden. Alleen wat losse flarden uit haar jeugd kwamen soms onaangekondigd bovendrijven in de oceaan van haar geheugen. Zoals de sombere uitdrukking op het gezicht van het vrouwtje van wie ze (met haar vriendinnetjes) altijd snoep kreeg als ze vers gevangen visjes kwamen brengen of de wegstuivende rode krabbetjes langs de oever van het meer als ze naar de boten liep. Het bleef een raadsel waarom zulke onbeduidendheden zich vastzetten in je hersens. Het was erger dan (kauw)gom in je haren of bloed in je broekje …

   Toch gek dat je onreinheid en afzondering, zelfs al is het maar tijdelijk, lijdzaam kon ondergaan terwijl de gebrekkige hygiëne, de vernedering en onterechte boetedoening haar nog altijd furieus maakte. Bloed in haar broekje …

   Dát was ze natuurlijk niet vergeten: de verkrachtingen. Omdat ze er ‘anders’ uitzag.

   Haar bleke huid en blonde kroeshaar vonden sommige mannen onweerstaanbaar. Er werd beweerd dat ze hen onkwetsbaar kon maken, misschien zelfs onsterfelijk. Dat kon haast niet anders, zo’n lieftallig meisje met het verscheurende uiterlijk van een leeuw!

   Wat de mensen ook zeiden was dat ze er zelf om gevraagd had. Had ze er maar niet zo uit moeten zien. Ze geloofde dan ook dat haar ‘schoonheid’ niet iets van haarzelf was en dat ze de mannen niets mocht ontzeggen.

   En dat ze haar mond niet te ver mocht openen.

   Want dat was raar. Haar blonde lokken en violette irissen mochten dan onweerstaanbaar zijn, de vlijmscherpe, dubbele rij haaientanden waren dat duidelijk niet. Haar gebit moest ze verborgen houden achter haar volle meisjeslippen. Dan was ze begeerlijker dan Aïda (wie dat dan ook wezen mocht).

   Ze liet de molestaties gelaten over zich heen komen als een vervelend maar verplicht soort van corvee. De meeste tijd was ze een klein meisje – weliswaar met een speciale status – dat speelde met haar leeftijdgenootjes, hielp in de huishouding, visjes ving of gewoon ging zwemmen in het meer. De verhalen dat albinootjes wel werden opgegeten had ze nooit geloofd en bovendien was ze niet zó wit. De meeste tijd droeg ze een soort grauwe angst met zich mee, maar slechts heel af en toe stak die echt de kop op.

   De belangrijkste zakenman in het dorp had een ernstige ziekte opgelopen en het ge-rucht ging dat zij hem kon genezen. Of liever, een stuk van haar. Hij hoefde alleen maar een arm of been. Als hij die opat werd hij vast weer beter. Dat was wel een enge gedacht.

   Maar gelukkig ging de zakenman dood voordat haar zo’n onherstelbare mutilatie werd toegebracht en de meeste mannen vonden dat maar goed ook. Haar aantrekkelijkheid zou er zeer onder hebben geleden als ze met maar één arm of been door het leven had moeten gaan. Als ze het überhaupt had overleefd.

   Na verloop van tijd verschrompelde haar doodsangst tot een zweem van beklemming als na een nachtmerrie. Als was het maar een boze droom. Ze was een heel bijzonder meisje. Eigenlijk zelfs uitverkoren. Ze kon de mannen iets geven dat ze zelf niet hadden. En dat geen van de andere meisjes hadden!

   Totdat ze er aan het begin van haar puberteit genoeg van had. De man in kwestie die na zijn seksuele botvieringen haar dwong hem nog eens af te zuigen zou spoedig merken hoe onkwetsbaar hij wel niet was.

   Nadat ze de harde stomp in haar mond met één knauw had stukgebeten, was er een ware bloeddorst in haar gevaren.

   In dezelfde periode dat de vijandigheid tussen de opgroeiende puber en haar omgeving wederzijds werd, raakte Tanya onder invloed van de Pinkstergemeente. Het lucratieve genootschap bood precies het juiste surrogaat voor haar ontluikende bitterheid en manipulatiedrang. De lokale priester die zich als mentor over haar ontfermd had, hielp haar ook aan een snelle carrièregang.

   Ze klom op tot een bevoorrechte positie maar genoot als ‘wit wijfje’ weinig aanzien bij de overige leden van de congregatie. Nadat ze haar uiterlijk door zelfmutilatie en tatoeëringen had proberen te verduisteren, waardoor het juist in een angstaanjagend masker veranderde, bleef men haar halsstarrig ontlopen alsof ze een of andere besmettelijke ziekte had.

   Het sociale isolement waarin ze zichzelf had gemanoeuvreerd beviel haar net zo slecht als de vijandige dorpsgemeenschap die ze was ontvlucht. En ook de plaatselijke Pinksterkerk was haar liever kwijt dan rijk. Zodra de priester die haar had binnengehaald gevraagd werd om een opstartingsproject in West Indië te begeleiden, had deze voorgesteld dat zij hem zou begeleiden, waarmee iedereen van harte had ingestemd. Ook zij, al had ze nog geen idee wat West Indië precies inhield. Als ze toen geweten had dat het om een eiland in de Caribische Zee zou gaan, waar een groot aantal van haar voorouders waren verhangen of verhandeld en waar hun bijgelovige vooroordelen een gretige voedingsbodem hadden gevonden, dan had ze wellicht een andere keus gemaakt.

   Toen haar mentor –hij sukkelde al langere tijd met zijn gezondheid – toch nog onver-wacht werd geveld door een combinatie van verschillende parasitaire wormziektes (schistosomiasis en dracunculiasis) en een aanval van schroefwormvliegen, was het spoedig een uitgemaakte zaak dat Tanya als zijn plaatsvervanger – substituut? surrogaat? – het grote werk zou gaan verspreiden. Het vooruitzicht dat ze aan de andere kant van de wereld de christelijke glossolalie naast zich neer zou kunnen leggen, met andere woorden, het vooruitzicht dat ze eventueel haar eigen weg zou kunnen gaan, hield ze voor zichzelf. En, zoals gezegd, men zag haar liever gaan dan blijven. Haar mentor, als hij al iets vermoedde, liet niets blijken, het godsbestuur was onontkoombaar. Haar driften – bloeddorst, zelfhaat – en de eeuwenlang opgehoopte volksvertellingen – bijgeloof, vooroordeel – zou ze toch nooit kunnen ontlopen, waarheen ze ook ging.

 

 

Obeah op Barbados

 

De Afrikaanse mensenhandel door louche Europese kooplieden was de bron van waaruit de Nieuwe Wereld overspoeld werd met – bij afwezigheid van verstandige medicijnmannen en ‘wijze vrouwen’ – ongecontroleerde buitennatuurlijke kennis (magie). Tovenaarsleerlingen verkondigden over middelen te beschikken tegen elke kwaal, variërend van teenwratten tot ludduvuddu en platzak. Deze alternatieve geneeswijze door Obeah-mannen (en vrouwen) werd door de koloniale slavenhouders beschouwd als hekserij en is al sinds de 18e eeuw in grote delen van West Indië streng verboden.

   Niettemin is Obeah op Barbados nooit uitgeroeid. De volksmagie heeft daar juist, ondanks de fanatieke vervolgingen onder leiding van de Europese plantagebazen, een geheel eigen, onheilspellende, ontwikkeling doorgemaakt. De kolonisten waren vooral beducht voor de fetisjen waarmee, zo ging het geloof, via telekinetische weg de vreselijkste ellende kon worden toegebracht. De clandestiene handel in tovermiddelen is echter nooit met succes aan banden gelegd. In talloze winkeltjes en kramen op het platteland, maar ook in Bridgetown, zijn Obeah-objecten verkrijgbaar en de beoefenaren van Obeah hebben altijd hun gang kunnen gaan.

   Als gevolg van de illegaliteit hebben zich excessen kunnen ontwikkelen die het daglicht niet goed kunnen verdragen. Dingen waarover men liever niet praat. Er verdwijnen mensen. Er worden fetisjen aangeboden van bedenkelijke herkomst, naast ongewassen kledingstukken ook menselijke lichaamsdelen. Tijdens rituelen wordt bloed gedronken.

   Van oudsher is Obeah voor de lokale bevolking de methode geweest om eigen welzijn te verbeteren. Daarbij werd/wordt geen enkel middel geschuwd. Bovendien is het collectieve geheugen van de lokale bevolking doordrongen met een geloof in zwarte magie en wantrouwen tegen witte mensen. Eén van de demonen die door middel van Obeah wordt bezworen, Ouwe Hiek, is eigenlijk de incarnatie van het kwaad dat elk sprankje hoop de grond in boort. Incognito kan Ouwe Hiek zich schuilhouden in iedereen met een witte huid. Alleen als de machtige heks zich daarvan ontdoet kan ze toeslaan. Maar is dan ook op haar kwetsbaarst.

   Tijdens de slavernij was Obeah gericht tegen de Europese slavenmeesters. Tegenwoordig is het allereerst een vorm van volksgeneeskunst. Toch is het beoefenen van Obeah in delen van het Caraïbische gebied nog altijd illegaal. Sommige politici pleiten voor het intrekken van de wetgeving tegen deze religieuze praktijk, maar tot nu toe tevergeefs. Voormalig premier van Jamaica, Edward Seaga, is ervan overtuigd dat legalisering geen enkel verschil zal maken voor het dagelijks leven op de eilanden.

 

 

 

Overtuigd als ze waren dat de werkelijkheid inwisselbaar is voor een willekeurig verzinsel, op voorwaarde van voldoende immanente logica, hadden zowel Tanya (de latere Papa Tan) als Amanda (de vereenzaamde bijslaap van Bolt) zich voorgenomen om, voor zover de praktische omstandigheden dat toelieten, te streven naar authenticiteit en precies te doen wat niemand van hen verwachtte: vreemd gaan. Bij wijze van spreken.

   Lange tijd had Amanda zich niet zo cool en relaxed gevoeld als in het gezelschap van Papa Tan. Tanya op haar beurt ervoer de band met Amanda veel intenser dan bij haar gebruikelijke relatie met kerkgangers en volgelingen. Het was of ze een verloren familielid had teruggevonden. Ze waren bloedzusters, zo voelde het.

   In Tans privévertrekken van de Obeah-kerk was Amanda ondertussen kind aan huis. De afkeer die ze had van de voodoodokter werd ruimschoots gecompenseerd door het meisje binnenin. Hun geestverwantschap was zo sterk dat ze geen bijeenkomst meer oversloeg en zich in de ogen van anderen opwierp als een vertrouwelinge van de grote tovenaar. De haaientanden en gezichtstatoeages vond ze nog steeds weerzinwekkend maar in de violette ogen zag ze het voormalige albinonegerinnetje. Uit de diepte van die paarse poelen borrelde dezelfde verlatenheid op als ze zich uit haar eigen jeugd herinnerde. Verstoten en aan hun lot overgelaten. En dat lot had hen nu samengebracht.

   Het ging nooit over niemendalletjes als ze onder elkaar waren, al zou niet iemand die ze zo hoorde praten de indruk krijgen dat het over iets anders ging dan vroeger. Terwijl de essentie van hun kout wel degelijk de nabije toekomst betrof. Amanda vertelde over de avonturen die ze met haar kamergenote in Leiden had meegemaakt. Waarmee ze maar wilde zeggen dat ze weer contact met Annelies moest zoeken. En Tan lichtte soms een tip van de sluier die over de zwarte pinksterkerk lag om duidelijk te maken hoe deze haar greep op de lokale overheid versterkte. Ze vertelde over de geneeskrachtige werking die zou uitgaan van bloed zuigen. Vooral als dit bloed afkomstig was uit vers weefsel van gezonde kindertjes. Maar ook volwassen mannen waren een krachtige medicinale bron …

   Dat kon Amanda grinnikend beamen, al had ze er wel een ander beeld bij. Een stukje gefileerd dijbeen van Bolt op haar bord was niet iets wat haar erg opwond. Ze kon soms zijn bloed wel drinken maar dat was overdrachtelijk bedoeld. Toch? Een plotseling opdoemend visioen uit Bram Stokers Dracula van een door vampiers belaagde jonge vrouw deed haar onwillekeurig denken aan de zedelijke dwangbuis uit haar puberteit. Het keurslijf van vroeger zat nog steeds veel te strak.

   Hun gesprekken gingen vaak over de mannen in hun leven. Over hun afhankelijkheid van degenen die meestal de dienst uitmaakten, mannen én (onderdrukte) vrouwen. Over het harmonicaverkeer met de andere sekse, het afwisselende afstoten en aantrekken. Nog steeds voelde Amanda de geilheid maar Joachim kon wat haar betrof stikken. Joachim Bolt was een fantoom. Het werd tijd om die ballon door te prikken.

   Wat ze zich daarbij precies had voorgesteld had ze, terwijl ze vanuit haar relaxfauteuil door het panoramaraam naar de zee tuurde, niet meer zo duidelijk voor ogen. De palmen langs het verre strand kon ze in de opkomende schemering nauwelijks meer onderscheiden. De gestalte van Papa Tan onder de overhangende Toetoeroetoe-boom herkende ze daarentegen onmiddellijk. Details waren niet meer te onderscheiden maar de kaarsrechte houding en de opgestoken rastavlechten liet er geen twijfel over bestaan. Ze bespeurde zelfs de lichte welving ter hoogte van de borstkas.

   Op hetzelfde moment naderde de vertrouwde figuur van Joachim Bolt die zich, na een korte aarzeling, in de richting van Tan begaf. Tot Amanda’s verbazing wekte hun ontmoeting de indruk dat ze geen vreemden voor elkaar waren.

   Kennen ze elkaar of heb ik haar capaciteiten als spellcaster onderschat?

   Na een korte gedachtewisseling daalden de twee samen de heuvel af in de richting van de zee en verdwenen tussen de schaduwen. Amanda staarde in het duister zonder iets te zien. Kippenvel en angstzweet.

   In de verte jankte een sirene. Honden in de buurt begonnen spontaan mee te huilen. Alles hangt met alles samen, zelfs als het toeval is. Het hangt er maar van af door wiens geest het wordt geregistreerd.

   Later zag ze Tan in het licht van de buitenlantaarns het huis weer naderen. Alleen. Op korte afstand bleef hij/zij een tijdlang stilstaan, kijkend in de richting van het grote raam. Amanda was onzichtbaar. Ze had geen lamp ontstoken. Stilletjes keek ze vanuit haar relaxfauteuil door het grote raam naar buiten. Ze had een besluit genomen maar bleef zitten waar ze zat. Ook toen de starende gestalte buiten zich afwende en uit haar gezichtsveld verdween, bleef ze onbeweeglijk zitten.

   Ze hoorde niets meer. De uitdrukking ‘de stilte was bijna voelbaar’ ging hier niet op. De stilte was namelijk echt voelbaar. Alsof ze helemaal was ingepakt in een gewatteerd ski-jack. Geen wonder dat ze het zowel warm als koud had.

   Eindelijk stond ze op en pakte haar tas. Ze liep naar de voordeur en verliet het huis.

   Ze zou er niet meer terugkeren.

 

 

Medisch kannibalisme

 

 

Het consumeren van menselijk weefsel (kannibalisme of antropofagie) is wijd verbreid en van alle tijden. In veel gevallen is er sprake van een nijpend voedselgebrek (belegeringen; hongerwinters) en gaat het om puur overleven (schipbreuk, natuurramp). Ook diepe emoties als woede, liefde en respect kunnen de aanleiding zijn om medemensen op te eten (overwonnen vijanden; overleden ouders). Immers, lichaamssappen verzinnebeelden niet zelden de essentie en terugkeer van het leven. Daarnaast is er overal op de wereld ritueel kannibalisme (geweest?).

   Kannibalisme uit lust of dwaasheid is pervers en onaanvaardbaar. Wat wel overal wordt geaccepteerd is het gebruik van menselijk weefsel om kwalen te bestrijden (transplantaties; bloedtransfusie). Vaak gaat dat veel verder dan algemeen bekend is .Nog niet zo lang geleden was het in het westen (Europa, VS) gebruikelijk om vers vlees en vermalen beenderen van lijken als geneeskrachtig middel aan te wenden tegen tal van kwalen. Het drinken van bloed, liefst sijpelend uit het nog warme lichaam, zou een effectieve remedie zijn tegen de heilige ziekte (epilepsie). Beoefenaren van medisch vampirisme beschouwen bloed als het levenselixer bij uitstek. Niet alleen vroeger.

   Ook in deze eeuw wordt geregeld melding gemaakt van recent kannibalisme. In Taiwan en Hong Kong is soep verkrijgbaar, getrokken van dode baby’s en foetussen (daar wordt je stoer van!) en in Beijing werd in 2003 een man gearresteerd voor het opgraven van 30 lijken om soep van te koken om zijn zieke vrouw te genezen. Verschillende Zuid Afrikaanse medicijnmannen staan erom bekend om mensenvlees voor te schrijven tegen uiteenlopende kwalen. In Burundi en Tanzania alleen al zijn de afgelopen jaren tientallen albino’s vermoord om hun lichaamsdelen te gebruiken als geneesmiddelen. Het idee dat de consumptie van mensenvlees medicinale effecten zou hebben, staat niet alleen in de historische reisverslagen van Americo Vespucci naar Oceanië en de Nieuwe Wereld. Volgens een intern rapport van de WHO uit 2011 wordt in de binnenlanden van Zuid Amerika nog steeds veelvuldig maar in stilte handel gedreven in menselijke resten voor medische doeleinden. En de alternatieve aanhang van de facebook-generatie belijdt het eten van verse moederkoek als de nieuwste gezondheidsrage. Een koekje van eigen vlees. Of van een ander, want niet iedereen beschikt over een placenta.

   Het zal niemand verbazen dat in West Indië, waar het schimmige gedachtengoed van medicijnmannen en kruidendokters door de Afrikaanse slaven werd meegebracht, kinderroof, grafschennis en ontvoering zonder verzoek om losgeld aan de orde van de dag zijn. De betrokken overheden willen daar zo min mogelijk ruchtbaarheid aan geven. Het klinkt zo primitief.

 

 

Wat is de waarheid en wat is verzonnen? Dat willen we allemaal wel weten! Sommigen gaan te rade bij de wetenschap, die stoelt op objectieve kennis en toetsing. Maar altijd met een marge van waarschijnlijkheid, gerede twijfel. Anderen kiezen voor geloof, gebaseerd op fantasie en overredingskracht. Met 100% zekerheid. Geen twijfel mogelijk. Tussenwegen lopen over drijfzand.

   Waar sta jij?

 

 

Gerelateerde Engelstalige literatuur

Kerth Barker. Cannibalism, blood drinking & high-adapt satanism. Createspace Independent Publishing Platform, 2014

David Soulsby. Human cannibalism. Createspace Independent Publishing Platform, 2017

Hans Staden. True history. An account of cannibal captivity in Brazil. Duke University Press, 2008

Amerigo Vespucci. The Mundus Novus in Translation. Princeton University Press, 2016

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

Stéphanie van den Eynde. Europese verbeelding van kannibalisme in de Nieuwe Wereld. Proefschrift, K.U. Leuven, 2016

Eckhart Tolle. De stilte spreekt. Ankh-Hermes, 2016