El Instituto 10        ARCHEONAUTEN

 

 

The truth, doctor Bolt, what can you tell us about the truth?

   De waarheid! Was dat niet wat iedereen wel wilde weten? Wat iedereen bedacht, op eigen wijze, naar eigen gelijk?

 

 

Hij staat op straat, letterlijk en figuurlijk.

   Een seconde lang beseft Joachim Bolt dat hij van zijn imaginaire sokkel is gedonderd. Starend naar de gebroken stoeptegel belemmert hij haastige voetgangers in het voorbijgaan . Ze doen hun best om hem te ontwijken. Zo'n zonderlinge sta-in-de-weg kwam wel vaker op hun pad voor, maar lastig was het wel. Kon hij zich niet normaal gedragen?

   Bolt heeft op dat moment echter helemaal geen zin om zich normaal te gedragen. Integendeel. Hij voelt een sterke aandrang om dat stuk tegel uit het wegdek te grissen en door de glazen etalageruit te smijten waarlangs hij zojuist naar buiten gekomen is.  De gedachte aan het strand onder het plaveisel stemt hem evenwel milder.

   Zand erover. Zulke heetgebakerde handelingen luchten misschien even op maar uiteindelijk trek je toch aan het langste eind.

   Had hij zich maar net zo beheerst toen hij dat stukje schreef.

   De hoofdredactrice had hem altijd de vrije hand gegeven maar tegelijkertijd gewaarschuwd dat hij niets ten nadele van haar bladen mocht schrijven.

   Althans, dat beweert ze nu. Bolt kan zich daar niets van herinneren maar hij moet toegeven dat zijn opmerking over printers (dezelfde als in hun drukkerij) en kinderarbeid nogal overdreven was geweest. Heeft ze niet begrepen dat hij het ironisch bedoelde? Nou ja, het valt niet meer terug te draaien.

   Maar hij baalt wel. Het was een leuke baan geweest. Hij had verschillende rubrieken mogen verzorgen. Zijn gewraakte opmerking was verschenen in de rubriek ‘Ambiance’ waarin hij de afgelopen tijd geregeld over sociale misstanden en  milieuproblemen had geschreven. Daarnaast was hij verantwoordelijk geweest voor luchtiger stukjes zoals het te kakken zetten van ‘Bekende Nederlanders’ en een semi-therapeutische vraagbaak voor huwelijksproblemen onder het studentikoze pseudoniem Ellen de Enk-Wel.

   Al met al had het meer dan genoeg opgeleverd om aan zijn bescheiden wensen te kunnen voldoen.

   Daarvóór had hij minder verdiend maar wel véél meer vrije tijd gehad. Als lichtdrukker bij een klein ingenieursbureau had hij over een prettige kamer met veel boeken kunnen beschikken. Zeker de helft van zijn tijd had hij doorgebracht met lezen. Toen het bureau naar een andere locatie vertrok, besloot hij dat het tijd werd voor eigen productie.

 

Met het oog op de toekomst vraagt hij zich bekommerd af of hij gemakkelijk een nieuwe werkkring zal kunnen vinden. Hij heeft nog wel financiële reserves maar die zijn beperkt. Vroeger was er dat

kledingmagazijn, daar konden ze altijd wel iemand gebruiken. Maar erg naar zijn zin heeft hij het er nooit gehad. Zijn collega’s waren zonder twijfel allemaal gevluchte moslim flikkers die hem uitscholden voor kleurenblinde christenhond omdat hij het verschil niet zag tussen een groene kandora en een bruine thoub   

Als hij vroeg wat er precies mankeerde aan een kittel lieten ze hem smerige oorlogsfoto’s zien en noemden ze hem een kwaker. Zijn vrome  afdelingschef had hem thuis uitgenodigd om hem aan zijn dochter voor te stellen. De eikel!

   Nog altijd heeft hij de pest aan mensen die streven naar vereniging in gemeenschap, van welke aard dan ook. Omdat ze zichzelf beter vinden dan de rest? Allemaal uilenballen en steenezels.

   Ben ik dan de enige die doorheeft wat er mis is met de wereld?

   Zijn hoofdredactrice, pardon, ex-hoofdredactrice, heeft ook al eens geprobeerd hem te koppelen. Aan het Instituut, de wereldwijde denktank, waarvan ze meent dat de toekomst er gemaakt wordt. Maar hij was er in geslaagd om zich aan die toenadering te onttrekken en zij had niet langer aangedrongen.

   Het Instituut, L Instituto, was hem te sektarisch en te elitair.

   Toen hij nog sociale psychologie studeerde had hij zich er door aangetrokken gevoeld, het zelfs benaderd.

   Maar hij is afgewezen.

   Gelukkig maar. Naarmate hij de wereld en zichzelf beter heeft leren kennen, is hij steeds meer gaan geloven dat hij zich bij die club niet thuis zou hebben gevoeld. Het Instituut is in zijn ogen een krentenbol. En hij wil geen krent zijn.

   Hij wil vrij zijn, onafhankelijk, niet te traceren. Het liefst is hij onzichtbaar maar dan wel zó dat hij elk moment kan bepalen wanneer wel en wanneer niet. Een illusie. Hij heeft een BSN, een iPAD, een paspoort, hij is verzekerd en gaat wel eens naar een ander land. Hoe denkt hij in hemelsnaam onzichtbaar te kunnen zijn? Maar het beeld spreekt hem aan en in dromen steekt geen kwaad. Toch?

   Uit zijn ooghoeken ziet hij een collega, ex-collega, achter een venster in zijn richting naar buiten staren.

   Ik moet hier weg.

   Niet zo ver daar vandaan is een ijssalon waar hij geregeld een goed kop koffie heeft gedronken. Maar nu wordt hij vooral aangetrokken door troostrijke herinneringen aan die uitspanning. Lang geleden, toen hij nog op school zat, had hij een vriendje wiens vader er werkte. Soms gingen ze helpen, in de hoop op een versnapering, en dan kwamen ze in gangen en bergruimtes die voor de reguliere bezoeker ontoegankelijk waren. Voor zijn gesjouw met dozen vol bekers en biscuits werd hij altijd smakelijk beloond.

   Hij weet nog precies waar de schakelaars van de koelinstallaties zitten.

   Eenmaal gezeten aan de raamtafel geniet hij van de ‘orange float’ waarop hij zichzelf getrakteerd heeft. Voor zich uit starend door het venster dat hem scheidt van de tafeltjes op de stoep voor de zaak ziet hij ineens de naderende reflectie van een opdringerige klant – de meeste zitplaatsen zijn vrij – die luidruchtig een kop koffie op de tafel neerzet en hem aanstoot.

   “Kan je effe op mijn bakkie troost lette? Ken ik effe plassen.”

   Vóór hij de vrouw van middelbare leeftijd in natura ziet, heeft hij haar parfum al geroken. Dezelfde  weeë geur als van de hoofdredactrice. En nog voor hij kan reageren, is ze al op weg naar het toilet.

   Waar haalt die bitch het gore lef vandaan? Wie denkt ze dat ze voor zich heeft?!

   Getergd pakt Bolt zijn medicijn tevoorschijn en deponeert hij enkele tabletten in de dampende koffie die naast hem op tafel staat.

   De daad windt hem op en de opwinding geeft voldoening. Als hij opstaat van zijn stoel kan hij een wat ongecontroleerd danssprongetje niet onderdrukken. Daarbij breekt het riempje van een van zijn sandalen. Op één kousenvoet verlaat hij Grimaldi’s Gelateria. 

 

Tegen de tijd dat de hulpverleners verschijnen om – te laat, overigens – bijstand te verlenen aan de geëlektrocuteerde elektricien die bezig is geweest een storing in de koelinstallatie te verhelpen, is Bolt al onderweg naar de hotelkamer waar hij de afgelopen maanden goedkoop onderdak geniet. Hij vraagt zich af of er iets aan zijn geheugen scheelt. Hij is er vrijwel zeker van dat de schakelaar van de koelinstallatie in de uit-stand had gestaan toen hij hem omzette. En dat op een werkdag!

   Aangekomen bij het hotel krijgt Bolt een ingeving. In de hal loopt hij naar de telefooncabine en belt naar het lokale politiebureau. Op de verveelde vraag waarmee men hem van dienst kan zijn, vraagt hij om te worden doorverbonden met de afdeling zededelicten.

   “Hallo?”

   “Het zijn niet alleen mannen die geilen op kinderporno.”

   Hij noemt de naam van het blad waar hij is ontslagen.

   “Ga maar eens kijken bij de hoofdredactie.”

   Hij verbreekt de verbinding en gaat naar zijn kamer waar hij zich op zijn bed laat vallen. De dag was anders verlopen dan hij zich vanochtend had voorgesteld. Het is pas middag maar hij voelt zich uitgeput.

   Vandaag heeft hij geen medicijnen meer nodig.

   Gewoonlijk gaat hij nooit zo vroeg naar bed. Er knaagt iets maar hij is te moe om er aandacht aan te schenken. Zijn gedachten tollen rond en komen tot rust op een groot meer. Sail away.

 

Als Bolt wakker wordt is het nog licht en heeft hij honger. Hij verlaat zijn kamer en het hotel en begeeft zich naar de ‘Snek’ (voor de snelle trek). Knabbelend aan een broodje raadpleegt hij op zijn mobiel de lokale vacaturebanken. Onder de rubriek ‘zojuist geplaatst’ ziet hij dat er vraag is naar een ‘oproepservicekracht koeltechniek’ bij een bekende keten van ijssalons.

   IJs! Zou dat iets voor mij zijn?

   Totdat zijn blik valt op ‘journalistiek medewerker / tekstschrijver’ bij een soort historisch centrum . Nota bene hier in de stad! Daar hoeft hij niet lang over na te denken. Hij is wel geen journalist maar die advertenties staan altijd vol oneigenlijke voorwaarden en eufemismen (een lorreboer heet huisvuilbelader, een lokettist all-round baliemedewerker m/v). Bovendien heeft de oudheid zijn belangstelling (zolang die niet op dames slaat).

   Het is nu te laat maar morgenochtend zal hij zich bij dat instituut melden. In journalistieke kringen, zo weet hij, wordt het gewaardeerd als kandidaten hun belangstelling tonen door zichzelf persoonlijk te komen aanprijzen.

   Sollicitatiebrieven zijn zó NVP, daar doe ik niet aan mee.

   Zijn vingers tasten over de toetsen terwijl hij van zijn breezer nipt. Als vanzelf toetst hij opnieuw het nummer van het politiebureau in. Opnieuw vraagt een ongeschoolde stem wat hij wil. Hij moet even nadenken. Oh ja…

   “Bij de hoofdredactrice thuis moet je zijn.” Hij noemt het adres, verbreekt het contact en drinkt zijn flesje leeg.

   Voor hij teruggaat naar zijn hotelkamer besluit Bolt nog wat rond te slenteren in de stad. Deze zwoele avond voorspelt frivole scenes. Dat mannen zonder jas in hun kantoorpakken over straat gaan, is grappig om te zien. Met hun losgetrokken stropdassen tonen ze hun dagelijkse masochisme .

   Bolt bedenkt dat hij er zelf in zijn hemd met korte mouwen en spijkerbroek best stoer uitziet. Hij probeert zoveel mogelijk hem tegemoet lopende voetgangers in de ogen te kijken en geniet ervan als ze die neerslaan onder zijn dwingende blik. Hij is de beste!

   Waarschijnlijk zagen ze hem als een soort vrijgestelde, misschien zelfs als een steuntrekker. Dat maakt hem dan weer nijdig.

   Een stel keuvelende meiden in hun transparante zomerjurkjes stemmen hem milder. Vrouwen maken hem week. Zo baldadig als hij wordt van middelbare teven, zo gedwee laat hij zich lijmen door een appetijtelijk meisjeslijf. Wat dat betreft is hij niet anders dan de kantoorpakken. Met of zonder jas.

   Waarom vind ik altijd tangen op mijn pad?!

   De woede laait weer in hem op. Hij voelt sterke behoefte aan een uitlaatklep. Was er geen manier om zijn onvrede te spuien? Als hij omkijkt ziet hij een bejaarde fietser aankomen. Hij aarzelt niet. Met een brul en uitgespreide armen springt hij het wegdek op.

   De arme man schrikt daar zo hevig van dat hij geschokt zijn stuur naar rechts trekt terwijl de rest van zijn lichaam zo ver mogelijk van de stoep vandaan naar links overhelt. Daardoor verliest hij natuurlijk zijn evenwicht  en rolt even later de straat op. Een aansnellende automobilist heeft dat allemaal niet zo snel in de gaten en ramt het hoofd met het dunne witte haar op hetzelfde moment dat het de straatstenen raakt. 

   Bolt gaapt wat verwezen naar het gebeuren en doet een stapje terug. Alsof hij geen genoegen schept in de gevolgen van zijn sprong. Alsof het hem niets aangaat.

   Allerlei publiek snelt toe, uit sensatiezucht of om bijstand te verlenen. Het aantal omstanders dat hem opzij en achteruit duwt, neemt toe en de menigte tussen hem en het slachtoffer groeit. In de verte hoort hij al een politiesirene en het juiste ogenblik lijkt aangebroken om zich onopvallend te verwijderen. Bovendien heeft hij weer honger.

   Even later verorbert hij opnieuw een broodje in de ‘Snek’ (voor de snelle trek). In tegenstelling tot de meeste mensen, zo mijmert hij, voelt hij zich ontspannen als de druk rondom juist toeneemt. Waarschijnlijk zou hij een slechte wielrenner zijn en op het verkeerde moment derailleren.

   Hij kan beter teruggaan naar het hotel – morgen moet hij weer vroeg uit de veren – al voelt hij zich zo fris als een hoentje.  Graag zou hij nog wat rondslenteren, misschien wel de hele nacht doorstappen, het  lijkt hem niet verstandig.

   Beter een pilletje.

 

De volgende ochtend komt een wakkere Bolt op het voorgenomen tijdstip aan bij het Archeologisch Instituut. Hij noemt een naam die hij in de advertentie had zien staan en wordt terstond ontvangen. De persoon in kwestie is niet aanwezig maar haar pas aangetreden assistent/plaatsvervanger zal zo goed mogelijk de honneurs waarnemen. Koket biedt hij Bolt een zitplaats en een kop koffie aan en neemt plaats in de fauteuil tegenover hem.

   “Ik ga je verleden een beetje blootleggen,” grapt de jongeman. “Vertel me wie je bent.”

   Zonder zweem van ijdelheid schetst Bolt een bekwaam en deskundig beeld van zichzelf. Verhalen vertellen, dat kan hij. Zijn avonturen als een soort Indiana Jones maken grote indruk. Op de vraag of hij het een en ander kan staven, overhandigt hij zijn reisbeschrijvingen, al dan niet door hemzelf ondernomen (ontdekkingsreizen hadden hem altijd geboeid). Je kon het geen bewijs noemen maar het beantwoordde wel aan de functie-eis.

   De assistent legt uit dat het Archeologisch Instituut in de eerste plaats een voorlichtingsfunctie heeft, zowel naar de overheid toe, in verband met de verstrekking van subsidies, als jegens het Grote Publiek (Bolt kon de hoofdletters horen).

   “Er worden niet alleen internationale contacten onderhouden met oudheidkundige musea over de hele wereld, ook de media, de educatieve uitgevers, de universiteiten, hebben onze aandacht. De samenleving moet doordrongen worden van het onweerlegbare belang van het verleden. Geschiedenis is geen vuilnishoop! De toekomst van de wereld is geworteld in het internationale erfgoed, dat mag niemand ontgaan! ”

   En dat is precies de boodschap die de groep, waar Bolt eventueel, als hij het tenminste nog ziet zitten, deel van zal uitmaken, wordt verondersteld uit te dragen.

   “Kom maar mee, dan stel ik je voor aan de anderen.”

   Bolt verkneukelt zich. Alsof ik al ben aangenomen! Hij heeft zichzelf goed verkocht.

   De assistent gaat hem voor door de smalle gangen van het 19e eeuwse pand en loodst hem een ruimte binnen die vol staat met archiefkasten en tafels bedekt met paperassen en antieke computers.

   Bolt werpt er een vluchtige blik op. Maar zijn aandacht gaat naar iets anders uit. Half verscholen achter een van de archiefkasten hangt een poster van The Fountainhead van Ayn Rand. Het boek heeft zijn waardering voor de kunst geperverteerd. Evenals zijn visie op de loop van haar geschiedenis waarin ieder mens de ander lijkt te willen overtreffen in schoonheid en brille. Nog steeds wordt hij gekweld door de opdringerige gnoom met de Zachte Stem. Vereeuwiging van een bagatel ter meerdere glorie van … ja, van wat?

   Het nú is vergankelijk. Alles wat blijft zijn scherven, weerspiegelingen van een voorbije werkelijkheid, de voltooid verleden tijd. Dit universum is zo plat als een dubbeltje.

   De poster toont het silhouet van een jongmens met ruggelings gevouwen handen. Klaar voor een sprong in de tijd. Hij kent de afbeelding als zijn broekzak. Of liever zijn binnenzak, waarin hij hem sinds zijn studententijd bij zich draagt. Sinds hij tot de ontdekking kwam dat muziek licht kan breken.

   De heroïsche afbeelding vormt een dissonant te midden van de opgeprikte memo’s, toeristische ansichtkaarten en academische parafernalia. Toch moet ooit iemand een diepere motivatie hebben gehad om het hier een plaats te geven.

 

Bij één van de tafels staan drie mannen voor een breedbeeldscherm gebogen waarop Bolt een soort grottekening meent te zien. Eén van hen, een kale kop met zwarte baard, wendt zich vragend tot de assistent.  Deze fluistert hem wat toe en de man kijkt op. Vervolgens loopt hij met uitgestoken hand op Bolt af die wat aarzelend bij de deur is blijven staan.

   “Welkom bij de Archeonauten.” Onderzoekend neemt hij Bolt op, die geen moment aarzelt.

    “Bolt, Jason Bolt,” antwoordt hij gevat terwijl hij de hand schut.

   “Wat toevallig,” grijnst de baard en verklaart: “Wij reizen de hele wereld rond, op zoek naar archeologisch erfgoed. Vandaar.”

   Bolt vraagt zich af wat er nu van hem verwacht wordt maar de ander neemt hem bij de arm en vervolgt:

   “Wat we hier hebben is een kleitablet uit Irak, pas gevonden bij opgravingen in Al Hillah. We wachten nog op de vertaling van het schrift. Moet je zien.”

   Bolt vermoedt een soort test. Wat hem aanvankelijk een grotschildering had geleken, herkent hij nu als een tafereel dat sterk doet denken aan de oude afbeeldingen uit Ninivé in Mesopotamië. Daar heeft hij kort geleden over gelezen in een oudheidkundig tijdschrift dat hij zichzelf cadeau had gedaan.

   Hij besluit zich uit te sloven, buigt zich naar het scherm en kakelt:

   “Vermoedelijk uit de tijd van de klimaatsverandering in Eurazië, zo’n 5 à 6 eeuwen voor onze jaartelling. Gevangenen worden tot slaaf gemaakt en tewerk gesteld. Dat spijkerschrift ziet er trouwens net zo uit als op de stenen van het aquaduct in Jerwan.”

   Hij zei maar wat, maar het blijkt een schot in de roos. Met verholen ontzag kijken de mannen hem aan.

   “Wat doet u momenteel?”

   Bolt snatert iets over zijn recente schrijfwerk (maar niets over het conflict met de hoofdredactrice) en weidt uit over uiteenlopende redactionele werkzaamheden en zijn belangstelling voor middeleeuwse schilderkunst (je kunt nooit weten!). Aan hun gezichtsuitdrukking ziet Bolt dat hij indruk maakt op zijn gehoor.

   Met een onopvallend hoofdknikje in de richting van de assistent geeft de baard te kennen dat het zo wel goed is, hij weet genoeg. De assistent, die zich wat op de achtergrond heeft gehouden, voert Bolt weer door de gangen terug naar het kantoortje, waar nog enkele formaliteiten moeten worden vervuld, en neemt daarna afscheid van de sollicitant met de mededeling dat ze elkaar binnenkort mogelijk weer zullen zien.

   Voldaan loopt Bolt door de stad terug naar zijn hotel.

 

Nog steeds bijzonder ingenomen met zichzelf betreedt hij even later de lobby van het hotel.

   Zijn ontgoocheling is daarom des te groter als blijkt dat hij wordt opgewacht door een paar heren, die er geen twijfel over laten bestaan dat zij als ambtenaar in functie alle recht hebben om hem een paar vragen te stellen.

   At hij wel eens een broodje in De Snek? Waar was hij nog meer geweest, de afgelopen dagen? Zwierf hij vaker op één schoen over straat? 

   “Ontkennen heeft geen zin, de receptionist heeft u zien binnenkomen.”

   Bolt begrijpt dat hij niet zo onopvallend en onzichtbaar is geweest als hij gedacht had en kiest eieren voor zijn geld. Wat kunnen ze me trouwens maken. Hoe wisten ze trouwens dat hij in De Snek … Ineens dringt het tot hem door. Dat hij dáár met zijn mobiel de politie had gebeld. Stom! Hij wist hoe traceerbaar dat was.

   “Ik heb inderdaad melding gemaakt van een geval van kinderporno. Misschien ben ik wat voorbarig geweest.”

   De aanhouding heeft hem overrompeld. Beter vriendelijk blijven. Beetje verontschuldigen. Klootzakken.

    “Het zijn niet alleen maar vieze mannetjes die zich daaraan te buiten gaan.” Het klinkt heftiger dan bedoeld. Een valse beschuldiging is natuurlijk niet netjes maar in dit geval zou hopelijk aflopen met een sisser. Tenslotte ziet de toekomst er weer rooskleurig voor hem uit.

   “Laat maar zitten. Wat kunt u ons hierover vertellen?” Eén van de mannen houdt een lifetab onder zijn neus. Op de afbeelding herkent hij zichzelf. Met een sandaal in zijn hand. Gapend naar een lichaam op straat. Bloederige smurrie in plaats van een hoofd.

   Even houdt hij zijn adem in, maar herstelt zich, wil iets zeggen maar beseft tegelijkertijd elke zinloosheid.

   “Iemand heeft gisteren foto’s gemaakt van een verongelukte weggebruiker. Die zou van zijn fiets zijn geduwd door een man met een schoen in zijn hand. Dat bent ú toch, die daar staat?”

   “Ik heb hem niet aangeraakt! Alleen maar gezwaaid.”

   Hij klemt zijn kaken op elkaar. Hij heeft geen zin om zich tegenover deze hufters te verantwoorden.

   Hij went zich af om naar zijn kamer te gaan. De hufters versperren hem de weg.

   “U kunt maar beter even meegaan.”

   Wat even later nog aan Bolts onvrijwillig vertrek uit de lobby herinnert, is slechts de geur van emotionele armoede. Maar ook die is vergankelijk.