HET LEZEN VAN MAG1 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Natuur & Milieu:    NL39 TRIO 0198 0809 99  www.natuurenmilieu.nl

Het magazine komt op een groot scherm het best tot zijn recht 

 

De 10 000 jaar klok van de ‘Long Now’ toont in de toekomst het verleden toen

de Tijd gevangen werd genomen door een eeuwig Heden

 

 

 

This thing all things devours;

Birds, beasts, trees, flowers;

Gnaws iron, bites steel;

Grinds hard stones to meal;

Slays king, ruins town,

And beats mountain down.

 

Gollum’s Last Riddle, The Hobbit by JRR Tolkien

 

Na het inleidende tikken van de tijd volgt (binnenkort) This is the Future (Owl City), Only Time (Enya), Time (Pink Floyd), I Never Thought I’d Live to be a Hundred/Million (Moody Blues), Fly Like an Eagle (Steve Miller Band) and Long Time Gone (Crosby, Stills & Nash)

 

INHOUDSOVERZICHT TEKSTEN MAG9 

 

-DE TOEKOMST KAN WACHTEN (paranoïde tijdgeest)

- DE PACHANOTEN (Pacha's onvoltooide berichten uit andere tijden)

- IJSTIJD (hoe veerkrachtig is de aarde?)

- SUMMIT DUN COUNTIN (absurdistische hoogvliegers)

- KLIMAATHUIVER (de bedriegelijke manipulaties van een academische klimaatontkenner)

- SUBJECTIVITIJD (duimzuigerij over tijdsbesef)

- EMERGENTE EVOLUTIE (ontwikkeling van complex additieve systemen)

- GEESTELIJKE BINDINGEN (de waanzin van het geloof)

- ICONOLOGICA (Amanda's zoektocht naar de zin van het bestaan)

- DARWIN IN CYBERIË (aankondigingen van de transorganische evolutie)

- GODSDIENSTWAANZIN (over sektarische zelfdoding in Jonestown)

- DE HELLEVEEG VAN BUCHENWALD (terugblik van een Gorgoonse zuster op haar leven halverwege de 20e eeuw. Door de Witte Monnik in de val gelokt)

- ()

 

 

 

 

L&B: ZEITGEIST                  DE TOEKOMST KAN WACHTEN

 

Een Duitse onderzoeker die slachtoffer zegt te zijn van een wetenschappelijk experiment zit al weken vast in een gevangenis in New Jersey. Volgens zijn advocaat dreigt de 30-jarige Mathias M. te worden vervolgd omdat hij is gedrogeerd met een verboden middel. Dat meldt Bild-Zeitung bij monde van M's advocaat in Princeton.

   Mathias, wiens achternaam niet bekendgemaakt wordt, is verbonden aan het Forschungszentrum Jülich in Noordrijn-Westfalen en was als postdoc onderzoeker werkzaam bij het biofysisch laboratorium van Princeton. Zijn advocaat Donald McDonger zegt dat Mathias gelooft buiten zijn weten om tijdens een experiment te zijn gedrogeerd en op weg naar zijn appartement onwel werd. In het hospitaal trof een dienstdoende arts een hoge concentratie nanoparticles in zijn bloed aan. Sinds het verschijnen van Indiase publicaties over de effecten van nanogels staan in Amerika de nanoparticles op de lijst van verboden drugs. Na rapportering van het ziekenhuis bij de DEA is de lokale politie geïnformeerd en de ondertussen herstelde Mathias in de boeien geslagen.

   Volgens het Amerikaanse ministerie van Justitie wordt Mathias M. in afwachting van zijn proces zo lang vastgehouden omdat er aanwijzingen zijn dat hij een vaste bezoeker is van ondergrondse online markt-plaatsen, zogenaamde ‘darknetmarkets’, om aan zijn drugs komen. Verdachte wordt pas voorgeleid als het illegale cyberbedrijf is ontmanteld.

   McDonger daarentegen zegt overtuigd te zijn van een geheimzinnige betrokkenheid van de CIA bij de facilitering van de betreffende darknetmarket ten behoeve van de internationale wapenhandel. Daar wil en mag de federale overheid natuurlijk geen ruchtbaarheid aan geven.

   En daar is zijn cliënt helaas het slachtoffer van.

   “Landsbelang gaat in mijn land boven persoonsbelang,” meent McDonger cynisch. “Dat zouden ze in Duitsland moeten begrijpen, nietwaar?”

   Die opmerking heeft het Außenministerium doen besluiten om de zaak ondergeschikt te verklaren aan de goede diplomatieke betrekkingen met de USA. Het ziet er niet naar uit dat Mathias M. in de nabije toekomst Duitse rechtshulp kan verwachten. Hij kan zich beter wenden tot de American Bar Association. Voor een betere advocaat.

   

 

DE PACHANOTEN

Het voltooide verleden in de toekomstige tijd

 

 

De hypothese van de aangeboren universele grammatica kan worden aangevuld met de hypothese van een aangeboren universeel tijdsbesef. In de loop van onze ontwikkeling komt dit tot uitdrukking in de taal. Eerst uitsluitend in de tegenwoordige tijd: Erik Hazepad is een adoptiekind. Kort daarna verwijzend naar de onmiddellijke toekomst: hij gaat zich dat niet aantrekken en het voltooide verleden: dat heeft hij zich voorgenomen.

   De meeste verhalenvertellers gebruiken de verleden tijd: Joachim Bolt ontvluchtte het gewelddadige milieu in Barbados als verstekelingetje aan boord van een schip naar Rotterdam. Zij prefereren de onvoltooide vorm omdat het, sterker dan de voltooide tijd, de suggestie wekt dat er nog van alles kan gebeuren.

   De voltooid tegenwoordige toekomstige tijd is in de Nederlandse taal ongebruikelijk: Annelies zal Joachim gevraagd hebben om terug te komen. We zeggen liever Annelies heeft Joachim gevraagd om terug te komen. Het hypothetische karakter van de toekomende tijd komt ironisch genoeg het sterkst tot uiting in de onvoltooid verleden vorm:  Amanda zou het Annelies eeuwig kwalijk nemen dat ze Joachim had ontmaskerd.  

 

 

In het archief van het Archeologisch Instituut zouden zich een paar digitale geheugendragers bevinden met notities van Hasan Pacha, de zogenaamde Pachanoten. In sommige van zijn aantekeningen zou Dr. Pacha verslag hebben gedaan van zijn bevindingen in een toekomstige wereld. Andere zouden gelijkenis vertonen met getuigenverslagen uit het verleden. Ze zijn moeilijk te onderscheiden van historische documenten met uitzondering van hun ouderdom: ze zijn ontegenzeggelijk afkomstig uit het huidige millennium.

   Wellicht zou een gedetailleerde biografie van deze Pacha enig licht hebben kunnen werpen op zijn beweegredenen om ons te confronteren met zijn bizarre reportages. Enerzijds zouden gerenommeerde geschiedkundigen ernstig in verlegenheid zijn gebracht door zijn ongerijmde beweringen over het verleden. Anderzijds kent iedereen zijn reputatie als grondlegger van de kwantumneuro-logie en uitvinder van de nanogel. Maar slechts weinigen zouden de moeite hebben genomen om de sporadische interviews die hij heeft gegeven te volgen en zij zouden vervolgens door zijn onbegrijpelijke gebrabbel afdoende zijn ontmoedigd om nog enig diepte-onderzoek te willen verrichten.

   Van zijn kant zou Dr. Pacha ook niet erg zijn best hebben gedaan om de geïnteresseerde toehoorder in te wijden in de kwantum-neuroogie en om zijn ideeën over tijd helder uiteen te zetten. Zijn presentaties hadden volgens menigeen meer weg van een zen-dingsboodschap dan van een wetenschappelijk betoog.

   Toch zou het fijn geweest zijn als Hasan Pacha zelf op deze plek een toelichting had kunnen geven. Maar hij is spoorloos verdwe-nen. Op het Technologisch Instituut in Delhi had men geen flauw idee waar hij kon zijn gebleven en ook zijn naaste medewerkers, zijn zogenaamde dreamteam, tastte(n) in het duister omtrent zijn verblijf. Het enige wat rest zijn vermoedens en gissingen, aan de hand van de dubieuze informatie op de Pachanoten.

   Volgens die notities zou hij steeds langer durende uitstapjes hebben gemaakt in de tijd. Aanvankelijk met behulp van nanogels, later uitgebreid met meer geavanceerde middelen. Een deel van de notities is gewijd aan de onderliggende kwantumneurologische tech-nieken, maar daar is geen touw aan vast te knopen. Dat komt onder meer door dr. Pacha’s gebruik van zogenaamde mindreaders, de nieuwste techno-snufjes om zijn gedachtegang vast te leggen zonder tussenkomst van conventionele hulpmiddelen (toetsenbord; microfoon). Voordeel daarvan is wel dat zijn spraakgebrek niet langer een belemmering is om die gedachtegang te volgen. Helaas heeft hij geen rekening gehouden met de twijfelzucht van zijn publiek. De meesten denken dat het nep is.

   Een nadeel van mindreaders is dat ze verstoord raken door emoties die het gevolg zijn van onverwachte waarnemingen. Uit een oude bandopname blijkt dat het in dr. Pacha’s geval zou gaan om een soort ‘zwarte sneeuw’:

   “De neerslag van geblakerde flarden die uit de hemel neerdwarrelen, neemt toe naarmate ik mij verder in de toekomst begeef en gaat op zeker moment over in een onverdraaglijke asregen. Vreemd genoeg heb ik er nauwelijks last van als ik naar het verleden reis.”

   Vermoedelijk zouden dit soort waarnemingen de neuro-fonetische verstoringen hebben veroorzaakt die de mindreader – Pacha noemt het apparaat zijn Ganesha, naar de god met de grote oren – heeft ‘vertaald’ met krabbels en leemtes. Desondanks leveren ze nog genoeg informatie op om een indruk te krijgen van de temporele exercities die Dr Pacha zou hebben ondernomen.

   Aanvankelijk lijkt hij vooral geïnteresseerd in absurde theorieën en stalkt hij professor Hazepad die connecties zou hebben met dat geheimzinnige internationale netwerk L Instituto. Het laat zich aanzien dat Pacha de wortels van die organisatie zou willen bloot-leggen. Over zijn motivaties is niets bekend maar zijn bezoek als de dolende frater Iman aan het San Francisco klooster in de 18e eeuw, precies op het moment dat Theodoor Haase daar ook was, kan geen toevallige ontmoeting zijn geweest. Het was allemaal gearrangeerd, ook al verkeerde El Flamenco in de waan dat het om een godsgeschenk ging. Maar Haase was nu eenmaal een naïeve idealist en dat was precies waarom Pacha hem had opgezocht. Dat blijkt duidelijk uit de volgende getuigenissen van Ganesha:

 

Mijn grootste zorg is dat hij niet de juiste vragen stelt. Als hij bijvoorbeeld z w vraagt waarom de grote Griekse natuurfilosofen zich nauwelijks uitspreken over de ‘Eeuwige God in de Hemel’ kan ik hem moeilijk ten overstaan van de katholieke kloosterlingen vertellen dat die eeuwige God toen eigenlijke nog niet bestond. Dat een Eeuwige God een bedenksel is van de later zo invloedrijke monotheïstische culturen als Christendom en Islam. De Christelijke wetenschappers van zijn eigen 18e eeuw beschouwen de experimentele filosofie als een middel in hun zoektocht naar God. In de oudheid was dat ongekend. De onbewogen beweger van Aristoteles is een filosofisch concept, geen religieus opperwezen.

   Ik moet hem zover zien te krijgen z w dat hij mij niet om advies gaat vragen. ple Zijn idealisme moet authentiek blijven. Als ik me ermee zou bemoeien zou zijn naïviteit wel eens kunnen omslaan in cynisme.

 

Of Hasan Pacha zelf vond dat hij al dan niet was geslaagd in zijn opzet valt nergens uit af te leiden. Ganesha zou geen evaluaties hebben vastgelegd, al valt dat soms moeilijk vast te stellen omdat latere reportages niet zelden eerder in de tijd (geschiedenis) hebben plaatsgevonden. Dat geldt overigens niet voor Pacha’s volgende berichtgeving die, gezien de toenemende ‘ruis’ uit de (verre) toekomst afkomstig zou zijn:

 

Het is wel buitengewoon toevallig dat ze juist mij er uit moesten pikken. Zogenaamd vanwege een routinecontrole. Natuurlijk vlekik hier niet mijn oude ide  iteitspapieren. Zw Gelukkig wel zwarteen kredietfoon. Mijn cryptovaluta zijn hier ondertussen een fortuin waard (ik zeg lekker niet welke) en voor geld is nog steeds alles te koop. zwarte ruis

  Ik heb vlek nooit erg druk g       akt om autoriteit en spat is dat latente ruisanarchisme  spattenvoornaamste reden kanker mijn afkeer van De Kluyt. En zooitje ik heb snooitnaa nverlangd me verbonkante voelen met een sociale gro   p van welkit afmeting sdan tk. Mnar t                 n, het skan uper-intemetnsieve n twerk van De Kluyitt gene   ert seen tupern eur soort identiteit. kanls sociale mettructuur quycomplexit itnaloog aan shet  tensenijk brein in vergelijkikanmet de hemetnen van quyandere  zoitdieren. ds

sS tgnnlijkniet    s s  meter ssquyaan sittds dsns itksn had kogkan swelmety kquyunnenit padsossbetksn om er sekants zimetnnigquy vansitte dsmssa tesn maar watkan danmet ps quycies itkonds sikt snerlijksgekanzegdmet niequyt besitdendsksenst.n  l   s  kanzegd    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets    uy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets    uy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets    uy    sit  nds s  t    l   s  kan     ets   quy    si   nds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit  nds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit  nds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit  nds s  t    l   s  kan      ts    uy    sit  nds s  t    l   s  kan      ts   quy    si   nds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka     m ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka     m ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka       ts   quy    sit  nds s  t    l   s  ka       ts    uy    si  nds s  t    l   s  ka             y    sit  nds s  t    l      a              y    si  n s s  t    l      a              y    si  n s s  t    l      a                   si    s   t    l      a      m       y          s   t    l      a                         s   t           a       t      y          s   t           a       t                 s   t           a       t      y          s   t           a                        s   t           a                                                                                          

    s                                        s                       t     y          s   t        s                            s   t        s           t     y          s            s                            s   t        s           t     y          s   t        s   a     m            sit    s   t        s   a             y    sit    s   t        s   a             y    sit    s   t        s   a             y    sit  n s   t        s   a       ts    uy    sit  n s   t        s   a       ts   quy    sit  n s            s   a       t    uy    sit  n s            s   an      ts   quy    sit gn s            s   an    m ts    uy    sit gn s s  t    l   s   an      ts   quy    sit gn s s  t    l   s   an      ts    uy    sit gn s s  t    l   s   an      ts   quy    sit gn s s  t    l   s   an      ts   quy    sit gnds s  t    l   s   an      ts    uy    sit gnds s  t    l   s   an      ts   quy    sit gnds s  t    l   s   an      ts   quy    sit gnds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit gnds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit gnds s  t    l   s  kan    m ts   quy    sit gnds s  t    l   s  kan      ts   quy    sit gnds s  t    l   s  kan     ets    uy    sit gnds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit gnds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit gnds s  t    l   s  kan     ets   quy    sit gnds s  t q  l   s  kan    mets   quy    sithgnds s dtg   lh cs  kan    mets p quy t s sit gnds s  t sn  l   s  kan    mets   quy    sit gndsma het sn krel dat metekanachterommetsheftigerquygingen sithgndtoch alstdesnhuldlmaareskaninsdemetsversquy wagensithgndsbestaant sn enlnietmeer okanhetgebruimetsgedgquygrootste.sit gndsgsnatss,nszout.lEigenlijk bekan tochtenmets geen’quyverdiendsithgndsnusgewtestndolgelraas inkanchtentwintmetsrazendsquyoorgeschsitggndsheswelztnsnmaaglarmkansaaltjkanDesniettmetsgeschovquyrastertjessitfg

 

De berichtgeving van Hasan Pacha op de Pachanoten zit zo vol met ‘ruis’ dat er geen zinnige boodschap uit valt af te leiden. Althans, de berichtgeving die uit de toekomst afkomstig zouden zijn. Zijn beschouwingen vanuit het verleden waren daarentegen wel goed te volgen. Het verslag dat Ganesha heeft geregistreerd van zijn aanwezigheid in de treincoupé van Margarita Meiggs terwijl zij onderweg was naar Californië, was goed te volgen. Die informatie bevestigt zijn belangstelling voor de ontstaansgeschiedenis van L Instituto. Waarom hij zichzelf bij die naspeuringen voorstelde als Iman Haase is niet zeker maar het noemen van die achternaam was waar-schijnlijk bedoeld als een soort signaal. Uit de nabeschouwing (zie hieronder) lijkt hij wel ergens op te hebben willen aansturen zonder dat expliciet te benoemen:

 

Ik was vergeten dat de treinen in die tijd heel wat minder comfortabel waren dan ik ondertussen gewend ben. Zelfs in India – een arm land bij uitstek – is een treinreis als een verblijf in een zevensterrenhotel in vergelijking met die Zuid Amerikaanse boemels (ook al zijn ze pas nieuw). Het geschok en geschommel op de primitieve bankjes leek Margarita echter wel te bevallen. Ze zat tenminste te genieten van het uitzicht en een leesboek toen ik binnenviel. Als ze al geschrokken is van mijn plotselinge verschijnen heeft ze dat niet laten merken. Het leek er zelfs meer op dat ze ingenomen was met mijn gezelschap. Ik denk dat haar Peruaanse opvoeding haar enigszins vertrouwd heeft gemaakt met onver-wachte verschijnselen en wonderen die niet onmiddellijk verklaard kunnen worden maar evenmin reden zijn tot paniek.

   Helaas heb ik van dat ontluikende vertrouwen weinig kunnen profiteren. Ik had nog maar net laten doorschemeren dat ik op de hoogte was van haar plannen toen we gestoord werden door een ziekelijke belager die mij te lijf wilde gaan. Ik had willen zeggen dat ik een kennis was van haar vader en haar een hart onder de riem wilde steken op haar eigenzinnige missie, maar ze had de coupé al verlaten. Ik weet niet precies wat ze met die gast had, ze klonk in elk geval niet aangenaam verrast, maar het leek mij beter het veld te ruimen. Alleen de speeldoos die ik haar had willen geven, heb ik op de bank laten liggen. Een muzikale boodschap is tenslotte van alle tijden.

 

 

Uit zorgvuldige analyses van het archiefmateriaal is inmiddels duidelijk geworden dat het verslag van dr. Pacha uit 554 nP is gemaakt in de omgeving van Shanghai, China. Daar is één van de centra gelokaliseerd die een wereldwijd netwerk vormen onder de naam De Kluyt. De leefbaarheid aldaar zou in die tijd kunstmatig zijn opgewaardeerd (met immense koepels?). Grote delen van de aarde heeft dan klimatologische veranderingen ondergaan die het leven er minder aangenaam maken. De toegang tot de centra is vrij en de bezoekers staan als Vrije Buytelingen geregistreerd. Wie niet in het systeem wordt vermeld, zoals Hasan Pacha, loopt het risico te worden ingelijfd [waarschijnlijk tewerkgesteld bij de Kluyt maar dr. Pacha heeft dat niet afge-wacht].

 

 

IJSTIJD

Zaagtanden, kringlopen en de veerkracht van Gaia

 

 

De toekomst baart ons zorgen. Schaarste, pandemische en klimatologische dreigingen, wereldwijde aantasting van de biosfeer, zaken die ons allemaal aangaan leiden consequent tot vraag wat we er aan kunnen doen. Het gevolg is een fundamenteel maatschappelijk schisma: de libertijnen die zich beroepen op hun persoonlijke vrijheid die ze koste wat kost willen handhaven en de solidairen die de problemen (die ons allemaal aangaan) willen aanpakken om de mensheid te redden.

   De angst van een halve eeuw geleden voor een nucleaire winter heeft plaats gemaakt voor de grimmige verwachting dat de industriële technologie het klimaat op aarde ernstig gaat verstoren. Het toekomstige Cyberium* kan een extreem milieu gemakkelijk trotseren, maar Homo sapiens en andere biologische soorten hebben een beperkter tolerantiegebied. We moeten de biosfeer koesteren.

   Hoewel de meesten van ons beseffen dat menselijke activiteiten in toenemende mate een wissel trekken op de veerkracht van Gaia* zijn er altijd sceptici die dat halsstarrig ontkennen. Als ze daarin gesteund worden door geleerde deskundigen* kan het geen kwaad om hun argumenten onder de loep te nemen. Wellicht zijn hun ideeën inspirerend, ook al hebben ze ongelijk. 

 

 

Wij, de vertegenwoordigers van Homo sapiens, bestaan omdat het leven zich heeft ontwikkeld op een substraat, de aarde, dat aan een verzameling van eisen voldoet die dat mogelijk heeft gemaakt. Als de kenmerken anders waren geweest, op wellicht een andere planeet, waren ook wij anders geweest.

   De voornaamste kenmerken hebben betrekking op de gemiddelde temperatuur die de aanwezigheid van vloeibaar water mogelijk maakt en op de juiste zwaartekracht die de waterkringloop faciliteert. Het eisenpakket omvat daarnaast de aanwezigheid van de juiste elementen (H, C, O, N, S, F, enz.) om grote moleculen te kunnen vormen en een magnetisch veld om de delicate processen in de oersoep te kunnen beschermen.*

 

Geologische ontwikkeling van de biosfeer

De stoffen in de oersoep hebben waarschijnlijk oneindig veel structuren gevormd waaronder membraanvormige blaasjes en zichzelf replicerende moleculen. Hoe dat precies ging is niet bekend. Wellicht waren de omstandigheden zo anders dat de wetmatigheden niet overeenkwamen met de huidige, maar een ontkenning van het uniformitarianisme* ten tijde van het ontstaan van het leven betekent nog niet de omarming van een creationistische scheppingsgedachte. Het wil alleen maar zeggen dat we het nog niet weten.

   Verondersteld wordt dat tussen 4 en 4.5 miljard jaar geleden, tijdens het afkoelen van de mantel, de atmosfeer gevormd werd door vulkanische processen. Het water is vooral afkomstig van ingeslagen ijsmeteorieten. De maan werd gevormd door een botsing met een object van vergelijkbare grootte als de aarde waarbij de kernen samensmolten en een deel van de mantel de ruimte werd in geslingerd. De oudste gesteenten die men heeft aangetroffen zijn iets jonger dan 4 miljard jaar en zowel van vulkanische als sedimentaire oorsprong.

   De gestolde aardkorst werd door convecties van de plastische mantel gebroken en als schotsen over het oppervlak bewogen. Aanvan-kelijk snel, later steeds trager. Het gesteente van de korst werd steeds vernieuwd. De convectiestromen duw(d)en materiaal naar het oppervlak (mid-oceanische ruggen) en trekken elders de korst weer omlaag. Deze platentektoniek vindt nog steeds plaats. Waar de ene plaat onder een andere dook ontstonden bergketens.

   De oudste sporen van leven zijn de stromatolieten, versteende algenmatten van cyanobacteriën langs de Westkust van Australië. Deze zijn 3.5 miljard jaar geleden gevormd. Gedurende een periode van ruim een miljard jaar werd de wereld bevolkt door archaea en cya-nobacteriën. De eerste ontleenden de benodigde energie aan chemische processen en de cyanobacteriën waren in staat tot fotosynthese. De zuurstof die daarbij geproduceerd werd oxideerde mineralen en doodde de overwegend anaerobe organismen in de litho- en hydrosfeer. Toen deze verzadigd waren, vulde de atmosfeer met vrije zuurstof en ozon. Archaea konden zich handhaven in zuurstofvrije zones, proto-bacteriën die minder gevoelig waren voor zuurstof wisten in zuurstofarme gebieden te overleven.

   De veranderde samenstelling van de dampkring zorgde 2.3 miljard jaar geleden voor een sterke afkoeling waardoor het gehele aard-oppervlak bevroor. Tussen de 2 en 2.5 miljard jaar geleden ont-stonden er symbiotische samenwerkingsverbanden tussen verschillende typen bacteriën waaruit eencellige organismen met een celkern, mitochondria en diverse membraanachtige structuren voortkwamen. Deze zogenaamde eukaryoten waren in staat om efficiënt energie te genereren met behulp van water en vrije zuurstof. Als cyanobac-teriën in het samenwerkingsverband waren opgenomen konden ze zelfs zonlicht gebruiken om bouwstoffen te maken. Zo niet, dan waren ze aangewezen op het overvloedige dode en levenloze materiaal in hun directe omgeving.

   Ruim een half miljard jaar later (1.7 Ga) vormden ook de eukaryoten symbiotische samenwerkingsverbanden waaruit eenvoudige meercellige organismen ontstonden. Tektonische verplaatsing van de continenten en een veranderende samenstelling van de atmosfeer zorgden opnieuw voor sterke afkoeling met een gedeeltelijke bevriezing van het aardoppervlak (710 en 640 Ma). Relatief korte tijd later (ca. 600 Ma) ontstonden de eerste planten, dieren en schimmels, gevolgd door de Cambrische explosie van nieuwe soorten in de volgende 100 miljoen jaar. Sindsdien is er sprake van regelmatige (massa)extincties gevolgd door een flinke groei van nieuwe soorten. De aanleiding wordt vooral gezocht in astronomische en klimatologische oorzaken. Het recente uitsterven (0.01Ma - heden) verloopt overigens minstens 1000x sneller dan alle voorgaande extincties. Over de oorzaak bestaat weinig twijfel.*

   De astronomische gebeurtenissen omvatten botsingen met andere hemellichamen en meteorietinslagen. Ze moeten ingrijpende veranderingen van het klimaat tot gevolg gehad hebben. Klimatologische veranderingen kunnen ook het gevolg zijn geweest van grote vulkanische uitbarstingen, platentektoniek en de Milanković-parameters, die betrekking hebben op schommelingen in de stand van de aardas en periodieke veranderingen in de baan van de aarde.

  

De erkenning van het IPCC dat verbranding van fossiele brandstoffen tot opwarming van de aarde leidt wordt al jarenlang door klimaatsceptici in twijfel getrokken. Zij menen dat astronomische factoren de hoofdrol spelen. Waarschijnlijk doelen ze dan op de zogenaamde Milanković-parameters, die betrekking hebben op schommelingen in de stand van de aardas en periodieke veranderingen in de baan van de aarde. De variaties hebben een cyclisch karakter en beïnvloeden de hoeveelheid zonlicht op aarde. Milanković bracht deze variabelen in verband met paleoklimatologische gebeur-tenissen zoals het ontstaan van ijstijden (glacialen) en tussenliggende warmteperioden (interglacialen).*

 

Paleogeologisch archief

Het paleoklimaat ligt opgeslagen in geologische archieven zoals ijskernen, boomringen, stalagmieten en sedimentkernen uit oceanen en meren.* Die zijn de laatste decennia zorgvuldig bestudeerd. Zo geeft de veranderende verhouding van zuurstofisotopen in watermole-culen van bijvoorbeeld de samengeperste sneeuw in ijskernen informatie over het temperatuursverloop. Omdat 16O sneller verdampt dan 18O wijst een toename van ‘zwaar’ water in de neergeslagen sneeuw op een verlaging van de temperatuur. Mondiale variaties van natte en droge tijden, die correleren met respectievelijk warme en koude periodes, worden bevestigd door de bestudering van stalag-mieten en stalactieten in druipsteengrotten.

   Het temperatuursverloop levert met deze methode een zaagtandvormige grafiek op: snelle temperatuurstijgingen, die binnen een tijdsbestek van enkele decennia flink konden oplopen, worden afgewisseld met geleidelijk dalende temperaturen tijdens langdurige koudere periodes. Er is een overwegend positieve correlatie met de gevonden CO2 concentraties in het geologisch archief. Zoals verwacht is er ook een positieve correlatie met de hoeveelheid neerslag, dus met de luchtvochtigheid. Deze zogenaamde Dansgaard-Oeschger-cycli (D-O cycli) hebben een mondiaal karakter met een periode van ca. 1500 jaar maar lijken op het noordelijk en zuidelijk halfrond niet altijd helemaal in fase te zijn.*

   Over oorzaak en gevolg geeft de methode geen uitsluitsel, maar dat neemt niet weg dat er verschillende verklaringsmodellen zijn ontwikkeld zoals de zoutoscillator-hypothese, aangevuld met de hypothese van de oscillatie van het windveld. In tegenstelling tot de Milanković-parameters zijn ze gebaseerd op cyclische veranderingen op aarde zelf, namelijk circulatiestromen in de hydro- en atmosfeer.

   De zoutoscillator-hypothese gaat uit van een verzoeting van de oceanen door toenemende neer-slag en het smelten van ijskappen en gletsjers door de thermohaliene circulatie: het zwaardere zoute water van de warme golfstromen duikt onder het lichtere smeltwater van bijvoorbeeld Groenland dat zuidwaarts stroomt. Als de zoutconcentratie van het oppervlaktewater ter plaatse afneemt verzwakt (of stopt) de circulatie omdat het water niet zwaar genoeg meer is om te zinken. Zonder de Atlantische golfstromen werd het op de omlig-gende continenten geleidelijk aan steeds kouder. Daardoor groeiden de ijskappen aan in plaats van dat ze smolten. De zoutconcentratie nam toe waardoor het oppervlaktewater zout en dicht genoeg werd om weer te zinken, zodat de golfstroom opnieuw werd gestart en een abrupte opwarming op de hoge breedtegraad zou volgen.

   Een alternatieve hypothese om de D-O-cycli van de laatste ijstijd te verklaren heeft te maken met grootschalige veranderingen in windpatronen boven de Noord-Atlantische Oceaan. Bergketens zijn verantwoordelijk voor het vormen van speciale atmosferische circulatie-eigenschappen, bekend als stationaire golven, die zich vormen als de wind omhoog en over topografische hoogtepunten wordt geduwd. Ze spelen een belangrijke rol in de vorming van de subtropische straalstroom, een snelstromende windstroom in de bovenste atmosfeer die verantwoordelijk is voor het sturen van stormsystemen op de middelste breedtegraden over de hele wereld. Computermodellen suggereren dat de hoogteverschillen van ijskappen een groot effect kunnen hebben gehad op de positie van de straalstroom tijdens de laatste ijstijd. Topografische veranderingen in ijskappen hadden grootschalige reorganisaties van de atmosfe-rische circulatie kunnen veroorzaken. Volgens deze hypothese liep het pad van de straalstroom op het noordelijk halfrond over een grotere breedtegraad (zuidelijke) tijdens de koudere periodes (meer ijskappen) en weer noordelijker als het landijs was gesmolten. Dat resulteerde in het zaagtandpatroon van temperatuurveranderingen in de D-O-cyclus geregistreerd in de ijskernrecords van Groenland.

   Andere verklaringsmodellen hebben betrekking op zee-ijs en tropische processen. Zee-ijs beïnvloedt het klimaat op twee manieren: door zijn albedo (weerkaatsing zonlicht) dat het mondiale energiebudget kan veranderen en door het afdekken van het zeeoppervlak waardoor de uitwisseling van warmte en vocht tussen oceaan en atmosfeer onmogelijk wordt gemaakt. Ook de verandering van tropische processen kan een wereldwijde invloed op het klimaat uitoefenen. Daarvoor zijn tal van recente aanwijzingen. Om de warmtetoename in de tropen te compenseren wordt een deel naar de ruimte uitgestraald (OLR) en de rest geëxporteerd naar hogere breedtegraden. Toename van de waterdamp in de atmosfeer leidt tot een vermindering van de OLR en als een positieve terugkoppeling fungeren in de wereldwijde opwarming, blijkt uit satellietwaarnemingen.

   Gezien de mogelijke rol voor processen die plaatsvinden op zowel lage als hoge breedtegraden is een globale benadering noodza-kelijk om het probleem van abrupte verandering te begrijpen.

  

Hoewel we nog steeds niet weten wat het eerst gebeurde is het waarschijnlijk dat interacties tussen veranderende stromingen in de atmosfeer en in de oceanen een belangrijke rol hebben gespeeld bij het aandrijven van de dramatische klimaatschommelingen tijdens de laatste ijstijd. Een subtiele verschuiving in de atmosferische circulatie kan hebben geleid tot een verbetering van het oceanisch warmtetransport. Omgekeerd kan een plotselinge afname de golfstroom door steeds meer smeltwater de atmosferische circulatie ingrijpend hebben veranderd. Een eenmaal ingezette verandering kan door de toename van broeikasgassen (waarvan water niet de minste is) een zichzelf versterkend effect hebben (positieve terugkoppeling).

 

Waterkringlopen

In de modellen over de opwarming van de aarde krijgen veranderingen in concentratie van het broeikasgas CO2 natuurlijk veel aandacht. Voor veranderingen in waterdampconcentraties geldt dat veel minder.

   Waterdamp is veruit het belangrijkste broeikasgas, deels doordat het overvloedig voorkomt, ruim 100 maal meer dan CO2. Echter, de verdeling in ruimte en tijd varieert sterk. Klimaatmodellen kun-nen geen rekening houden met deze verdeling, al is het een cruciale factor voor de berekening van het totale broeikaseffect. Van bijzonder belang is de aanwezigheid in de bovenste troposfeer (op ca. 10 km). Als deze laag droog is, straalt waterdamp uit naar de ruimte vanuit de warme grenslaag eronder (ongeveer 5 km hoogte). Omge-keerd, als de hoge troposfeer vochtig is, dan straalt waterdamp infrarode straling de ruimte in bij de zeer lage temperatuur op die hoogte. Binnen de chaotische dynamiek van de energiebalans met de inkomende zonnestraling vormt waterdamp afhankelijk van het bovenstaande een positieve dan wel negatieve feedback met het broeikaseffect van CO2, afhankelijk dus van de verdeling van water-damp in hoogte en tijd.

   De temperatuurfluctuaties op aarde worden logischerwijs in verband gebracht met de uitgestrektheid van ijskappen, zeewaterniveaus en luchtvochtigheid. Toch blijft dat laatste wat onderbelicht. Zoals hiervoor al werd vermeld speelt de luchtvochtigheid een expliciete rol in de tropische processen. Aangenomen wordt dat verstoring van het waterdampgehalte door positieve feedback leidt tot een wereldwijde synchrone opwarming of afkoeling.

   Een andere manier om de tropische energiebalans te verstoren is door veranderingen in subtropi-sche stratocumuluswolken. Deze wolken hebben een verkoelend effect op het klimaat omdat ze een hoog albedo hebben terwijl hun broeikaseffect verwaarloosbaar is omdat ze zich dichtbij het aardoppervlak bevinden. Hoe ze precies ontstaan is onvoldoende bekend om ze te kunnen opnemen in de reguliere klimaatmodellen. Wel weten we dat een grote stroom waterdamp boven de evenaar wordt meegevoerd door een oostelijke luchtstroom waarmee zoet oceaanwater over een grote afstand door de atmosfeer wordt verplaatst. Dit zou kunnen resulteren in lokale veranderingen van de zoutconcentraties en daarmee van de thermohaliene circulatie. Verstoring daarvan kan de tropische regenval-patronen weer beïnvloeden. Aangetoond is dat het stoppen van de golfstroom netto meer verdamping dan neerslag tot gevolg heeft waardoor de zoutconcentratie toeneemt en de golfstroom weer in beweging komt. Hier is dus sprake van negatieve terugkoppeling. Voor de sterke klimaatschommelingen moet evenwel een positief terugkoppelingsmechanisme worden gevonden. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn bij een toename van de atmosferische waterdamp zonder wolkvorming, tijdens een aanhoudende El Niño-toestand.

   Als de lucht afkoelt kan deze minder waterdamp bevatten. Er ontstaat meer bewolking en neerslag. De bewolking verhoogt de albedo (afkoeling) en de neerslag verlaagt de zoutconcentratie waardoor de golfstroom verzwakt (afkoeling). Door koude neerslag breiden de ijskappen en gletsjers uit. De positieve terugkoppeling veroorzaakt een steeds verdere afkoeling.

   Waardoor de afkoeling uiteindelijk een halt wordt toegeroepen en in korte tijd (een mensenleven) omslaat in een opwarming is eveneens toe te schrijven aan de waterkringloop. Door de verschuiving van de subtropische straalstroom naar zuidelijke regionen veroorzaakt daar lage luchtdruk en toenemende verdamping en neerslag. Na verloop van tijd zal de netto luchtvochtigheid toenemen en daarmee het broeikaseffect. Dit had een abrupte temperatuuromslag tot gevolg.

 

De relatief nauwkeurige temperatuurmetingen van de laatste achthonderdduizend jaar tonen schommelingen die het resultaat zijn van verschillende cyclische processen: de astronomische Milanković-cycli met periodes van 100 000, 41 000 en 23 000 jaar en de aardse D-O-cycli met een periode van 1470 jaar. De 105 periodiciteit is herkenbaar in de tijdsduur tussen glacialen en interglacialen tijdens het pleistoceen. Interferentie van de cycli kan leiden tot versterking of uitdoving die mogelijk verantwoordelijk is voor de tamelijk stabiele temperatuur tijdens de laatste interglaciale (heden). De D-O-cycli hebben wellicht gewerkt als trigger. Bovendien kunnen variaties in zonneactiviteit een rol hebben gespeeld voor de resulterende temperatuur op aarde.

 

Klimaatveranderingen

De gemiddelde temperatuur op aarde is thans hoger dan in het pleistoceen (vanaf 2½ miljoen jaar geleden) en de abrupte afwisselingen tussen koude ijstijden en warme interglacialen behoren (voorlopig) tot het verleden. Alleen tijdens de interglacialen werd het ongeveer even warm als tegenwoordig. De afgelopen 10 000 jaar (holoceen) was de temperatuur opvallend constant. Het is niet ondenkbaar dat een afkoeling, die door extrapolatie de grafiek viel te verwachten, werd gecompenseerd door grootschalige ontbossing ten behoeve van de landbouw en energievoorziening alsmede het verbranden van fossiele plantenresten waardoor het CO2-gehalte steeg (van 2.5 naar 2.8 ppm).

   Aan het begin van het 3e millennium wordt een sterke stijging van de temperatuur waargenomen die volgens de huidige trend een opwarming van ca. 7C in 2100 voorspelt. Over de oorzaak van deze opwarming bestaat internationale consensus. Door industriële vervuiling van de atmosfeer is de concentratie broeikasgas, met name CO2, sterk toegenomen. Pogingen om die uitstoot tegen te ver-minderen zijn onvoldoende succesvol en als de emissies van broeikasgassen op dit moment wel volledig zou stoppen, zou de opwar-ming voorlopig nog niet stoppen. Daarvoor is schaal van de gebeurtenissen veel te groot.

   Niettemin is het goed denkbaar dat er aan de opwarming een einde komt, zelfs als we doorgaan met de uitstoot van broeikasgassen. Het lijkt plausibel dat de klimaatmodellen die werden ontwikkeld om de pleistocene temperatuurschommelingen te begrijpen evengoed voor de warmere omstandigheden van het holoceen gelden. Dat zou betekenen dat tegen het einde van deze eeuw zoveel smeltwater in de oceanen is terechtgekomen dat de thermohaliene circulatie, die het golfstroomcomplex in stand houdt, stagneert. Zoals eerder is uiteengezet voor de pleistocene glacialen zou ook in de nabije toekomst de temperatuur in de gematigde gebieden sterk kunnen dalen. Geheel volgens het verwachtingspatroon klimaatgrafieken begint dan de nieuwe ijstijd.

 

Water in vloeibare vorm, dat is waar het om draait in het leven. Water als bouwstof (levende wezens bestaan voor meer dan de helft uit water), als transportmiddel (zonder schepen geen USA), als energiedrager (van stoom naar stroom), als kringloop (van verdamping via regenwolken, neerslag en rivieren naar de oceaan) en als oplosmiddel (zonder zout geen thermohaliene circulatie). De toename van waterdamp in de atmosfeer door opwarming versterkt de kringloop die leidt tot meer neerslag met erosie door stromend smeltwater en rivieren. Een toename van de luchtvochtigheid geeft ook meer hoge wolkvorming die samen met de extra waterdamp netto een extra broeikaseffect levert.

   De moderne toename van kooldioxide in de lucht (met 30%!) werkt als een trigger om de waterkringloop te versterken. En dan is er nog de onvoor-spelbare zonneactiviteit. Als de zon zwart wordt van de vlekken kunnen we het verder schudden.

 


Extra bronnen:

Amy Clement & Larry Peterson. Mechanisms of abrupt climate change of the last glacial period. Review of Geofysics 46, 2008 (https://agupubs.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1029/2006RG000204)

Climate4you: http://www.climate4you.com/

Matthew Schmidt & Jennifer Hertzberg. Abrupt Climate Change During the Last Ice Age

 © 2011 Nature Education (https://www.nature.com/scitable/knowledge/library/abrupt-climate-change-during-the-last-ice-24288097/)

Pieter Simons. De Kwintencirkel. 2020: https://ppsimons.com/2020/01/23/de-ontwikkeling-van-het-leven-op-de-aarde/

VU Amsterdam 2021 : https://beta.vu.nl/nl/nieuws-agenda/nieuws/2021/jan-mrt/Smeltende-ijsbergen-sleutel-tot-ontstaan-ijstijden.aspx:

Wikipedia. Klimaatverandering. 2021: https://nl.wikipedia.org/wiki/Klimaatverandering#Klimaatveranderingen_in_het_geologische_verleden

 

 

Na de integratieve fase-overgang van Homo sapiens via de mens-machine (cyborg) ontstaat Cyberium, (de eerste van een nieuwe klasse) waarvan de voormalige individuele onderdelen ondergeschikt zijn aan het nieuwe wezen en zich daar ook mee vermeerderen. Vergelijkbaar maar niet hetzelfde als organismale voortplanting. De silicium-gebaseerde en koolstof-gebaseerde componenten vertonen ook tijdens de groei volledige integratie in deze cybernetische organismen. De fase-overgang of transitie is van dezelfde orde als beschreven in Sathmáry's artikel over de evolutionaire transitie theorie uit 2015 (Proc. Natl Acad. Sci. USA. 112, 10104–10111). Een grootschalig evolutionair overzicht van wat geweest is en wat ons te wachten staat is te vinden in Sydney Brenner's The Chronicles of Evolution Wildtype Books, 2018. Zie ook: James Lovelock. Welkom in het Novaceen, 2020.
We zijn toegetreden tot het tijdvak van het antropoceen, het tijdvak waarin de ecologische gevolgen van het menselijk handelen hardhandig op de voorgrond treden. De ecologische mutatie die zich voltrekt, betitelt Bruno Latour in Oog in Oog met Gaia (2017) als het Nieuwe Klimaatregime. De oude natuur wijkt voor een wezen in beweging, waarin menselijke activiteit en natuurlijke wereld talloze onverwachte verbindingen aangaan: Gaia. Latour neemt de controversiële Gaia-hypothese van James Lovelock als uitgangspunt, en zet daarnaast rechtsfilosofie en kunst in om de politieke, religieuze en wetenschappelijke dimensies van het verouderde natuurbegrip te ontwarren. Zo legt hij in dit ongemeen rijke en verrassende boek de basis voor een hoogst noodzakelijke politisering van de ecologie. 'Oog in oog met Gaia' is voortgekomen uit een cyclus van lezingen in Edinburgh. De lezingen zijn uitgebreid en volledig herschreven, met behoud van de oorspronkelijke toon en stijl. Latour koppelt denken-in-actie en humor aan een fabelachtige eruditie, maar schuwt de polemiek niet.
Bijvoorbeeld de Amerikaanse natuurkundige S.F.Singer. Na zijn promotie bij het excentrieke genie John Wheeler was hij in de jaren 50 van de vorige eeuw werkzaam als ruimtevaartdeskundige. Hij verbeterde het gebruik van atoomklokken in het GPS-systeem van satellietnavigatie. Van 1971 tot 1994 was hij hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Virginia en tot 2000 als fysicus verbonden aan de George Mason University (Virginia). Vanaf de jaren 90 wierp hij zich op als scepticus op het gebied van vele milieukwesties. Tot op hoge leeftijd confronteerde hij het IPCC met contradicties en fouten. Hij stierf in 2020.
De condities om leven zoals wij dat kennen mogelijk te maken op een planeet zijn precies de voorwaarden waaraan onze aarde voldoet. Een grappige voordracht over dit onderwerp gebruikt de metafoor van Goudlokje:
https://www.ted.com/talks/dave_brain_what_a_planet_needs_to_sustain_life/transcript?language=nl
Uniformitarisme is het idee dat de processen die aan de basis van de geologie liggen, dezelfde vorm en fre-quentie hebben gehad tijdens het verloop van de geschiedenis. In feite stelt men dus: "Het heden is de sleutel tot het verleden".
In de afgelopen vijfhonderd miljoen jaar heeft het leven op aarde zich moeten herstellen van vijf wereldomspannende catastrofes. Zal de mensheid verantwoordelijk zijn voor de zesde ramp? Zie:https://www.nationalgeographic.nl/wetenschap/2019/09/wat-waren-de-5-massa-extincties-en-wat-veroorzaakte-ze
De jonge Servische ingenieur Milutin Milanković (1879-1958) kreeg interesse in  de bewegingen van de hemellichamen in het zonnestelsel die invloed hadden op  het  klimaat op de aarde. Hij vond de drie cycli. De jaarlijkse aardbaan om de zon was geen cirkelvorm was maar elliptische baan die in 100.000 jaar veranderde. De tweede was de hoek van de aardas varieert in 41.000 jaar van 21,5 graden naar 24,5 graden. Een derde cycli was dat de aardas  23.000 jaar een tolbeweging maakte. Hij heeft de drie cycli wiskundig samengevoegd tot één curve. De Milanković theorie vertelde, dat deze drie cycli de oorzaak waren van de IJstijden. Niemand geloofde zijn onderzoek.

De variaties van Servische wiskundige Milutin Milanković  zijn een drietal cycli die betrekking hebben op de stand van de aarde ten opzichte van de zon.

  • Precessie (Precession).
  • Helling (Obliquity) van de aardas ten opzichte van de verticale aardas.
  • Excentriciteit (Eccentricity), de afwijking van de ronde baan om de zon (orbid)

 

 

De drie parameters van Milanković parameters. Precission, Obliquity en Eccentricty werden wiskundig opgeteld. De som van de drie parameters is de Stages of Glaciation (Etappen IJstijden).De Solar Forcing (Zonne ennergie) gemeten op noordelijke 65 graden, komen goed overeen met de koude en minderkoude perioden (Glacialen en Interglacialen) van de parameters van Milanković.

Precessie.

De precessie is de waggelende tolbeweging van de schuinstaande as van de aarde die draait in een periode van 23.000 jaar. De oorzaak hiervan is dat de aarde aan de polen enig zins is afgeplat. Ook de getijden van de oceanen spelen hierin een rol

Helling (Obliquity).

Obliquity is de schuine stand van de aardas ten opzichte van de verticale as (Va) van de aarde.

De verticale aardas (Va) staat loodrecht op de baan van de aarde om de zon, de ecliptica (Orbid). De hoek van de aardas varieert van 21,1 tot 24,5 geraden met een periode van de variatie is 41.000 jaar. Tegenwoordig is deze helling ca. 23,5 graden.

Excentriciteit (Eccentricity).

De exentriciteit is de afwijking van een ronde naar een elliptische baan van de aarde om de zon. Deze afwijking wordt veroorzaakt door de zwaartekracht van de reuze planeten Saturnus en Jupiter.

De exentriciteitsvector varieert  van ca. 0,005 tot 0,028 en bestaat uit een samenstel van drie fatoren met een perioden van 100.000 jaar. In het jaar 2010 is de exentriciteit ongeveer 0,017. Dit komt overeen met een afstand verschil van ca. 5 miljoen km. tussen de grootste afstand het aphelium(da) en de kleinste afstand, het perihelium(dp).

  • De excentriciteitsvector is cirkelvormige banen: e = 0.
  • De elliptische banen: 0 < e < 1.
  • De parabolische banen: e = 1.
  • De hyperbolische banen: e > 1. Hier schiet de aarde uit het zonnestel.

De excentriciteitvector (e) = 0,0167 (AD 2000). De afstand is 149,6 miljoen Km. (AD 2000).

 

Een internationaal onderzoeksteam heeft een gedetailleerde reconstructie van het klimaat op aarde samengesteld. Het team van klimaatwetenschappers, waaronder NESSC-onderzoeker Lucas Lourens (Universiteit Utrecht), stelde een uitgebreide dataset samen op basis van diepzee-afzettingen afkomstig van de oceaanbodem. De nieuwe klimaatreconstructie gaat terug tot 66 miljoen jaar geleden. Het laat zien dat het klimaat van de aarde vier herkenbare klimaat fases heeft gekend: van extreem heet (hothouse earth) tot extreem koud (icehouse earth). De nieuwe reconstructies is verschenen in het prestigieuze vakblad Science. Ons doel was om een nieuwe referentie te creëren van het klimaat van de afgelopen 66 miljoen jaar, met data van zeer hoge resolutie en ook zeer nauwkeurig gedateerd”, vertelt klimaatwetenschapper Thomas Westerhold (MARUM, Bremen). “We weten nu nauwkeuriger wanneer het warmer of kouder was op de planeet en we heb-ben ook een beter begrip van de onderliggende dynamiek”. Deze blik in het verleden is ook een blik in de toekomst. We kunnen iets leren over de duizelingwekkend snelle menselijke (antropogene) veranderingen van onze huidige eeuw door de langzame natuurlijke klimaatschommelingen die zich in miljoenen jaren voordoen. De klimaatveranderingen van de afgelopen 66 miljoen jaar kunnen als een kleurrijke streepjescode worden bestudeerd.
 
De nieuwe klimaatreconstructie van de afgelopen 66 miljoen jaar (CENOGRID) met hierop aangegeven vier verschillende modi van het klimaat: hothouse, warmhouse, coolhouse and coldhouse. Illustratie: Westerhold et al. (2020)
Boorexpedities
Over de hele wereld zijn sedimentlagen op de oceaanbodem in boorkernen opgeboord door het wetenschappelijke boorschip JOIDES Resolution. In verschillende internationaal gecoördineerde expedities zit daar meer dan vijf decennia werk in. Door het bestuderen van deze sedimenten en de microfossielen binnenin, zijn wetenschappers in staat om wereldwijde klimaatveranderingen in het verre verleden te analyseren en reconstrueren.
Ze onderzoeken bewijzen die bewaard zijn gebleven in zuurstof- en koolstofisotopen, die informatie geven over de diepzeetemperaturen in het verleden, de wereldwijde ijsvolumes en de koolstofcyclus. Deze aanwijzingen worden opgeslagen in de schelpen van micro-organismen die ooit op de zeebodem leefden. Ze vormen een archief van de klimaatomstandigheden in het verleden dat onderzoekers gebruiken om vergelijkingen te maken tussen het verleden, het heden en de toekomst.
“Ik was een wetenschappelijke deelnemer aan een van de belangrijkste expedities, nu 18 jaar geleden,” zegt NESSC-onderzoeker Lucas Lourens. “De data over het klimaat ouder dan 34 miljoen jaar was over het algemeen slecht. In de afgelopen twee decennia hebben wetenschappelijke boorprogramma’s hun boringen gericht op oudere geologische lagen. We hebben nu een completer sedimentarchief en zijn in staat om het wereldklimaat veel gedetailleerder dan ooit tevoren te reconstrueren”.
Hothouse earth
De nieuwe klimaatreferentiecurve, CENOGRID genaamd (CENOzoic Global Reference benthic foraminifer carbon and oxygen Isotope Dataset), is een reconstructie van het klimaat op aarde sinds de laatste grote uitster-ving 66 miljoen jaar geleden, waarna een nieuw tijdperk, het Cenozoïcum, werd geïntroduceerd. Het is een enorme gezamenlijke inspanning van vele internationale collega’s om alle boorkernen te winnen, te analyseren en samen te voegen tot een referentiecurve.
De data- en leeftijdsmodellen van CENOGRID zijn radicaal verbeterd om te begrijpen welke klimaatomstandig-heden er in het verleden waren, welke processen erachter zaten en hoe die zich voordeden. De klimaatonderzoe-kers herkennen vier overheersende klimaatmodi in de afgelopen 66 miljoen jaar: hothouse, warmhouse, coolhouse en icehouse. Mogelijk zijn de abrupte overgangen van een klimaatmodus naar een andere het gevolg van zogenaamde kantelpunten in het klimaatsysteem. Dit is het onderwerp van verder onderzoek.
CENOGRID kan als basis dienen voor onderzoekers wereldwijd om hun gegevens nauwkeurig te correleren bin-nen de context van de klimaatgeschiedenis. Met al deze nieuwe gegevens is het nu mogelijk om niet alleen het beeld van het klimaatverleden verder te verfijnen, maar ook om regionale bijzonderheden te identificeren. De auteurs benadrukken dat dit van fundamenteel belang is om de betrouwbaarheid van klimaatmodellen voor de toekomst te testen.
Artikel: An astronomically dated record of Earth’s climate and its predictability over the last 66 Million Years Science, 2020 Thomas Westerhold, Norbert Marwan, Anna Joy Drury, Diederik Liebrand, Claudia Agnini, Eleni Anagnostou, James S. K. Barnet, Steven M. Bohaty, David De Vleeschouwer, Fabio Florindo, Thomas Frederichs, David A. Hodell, Ann E. Holbourn, Dick Kroon, Vittoria Lauretano, Kate Littler, Lucas J. Lourens, Mitchell Lyle, Heiko Pälike, Ursula Röhl, Jun Tian, Roy H. Wilkens, Paul A. Wilson, James C. Zachos 
Geschiedenis van het klimaat in ijskernen
De koude en droge condities van het Antarctisch plateau zijn ideaal voor klimaatreconstructies door mid-del van diepe ijskernen.
De ijskap van Antarctica is, net als alle andere gletsjers op aarde, gevormd doordat elk jaar een laagje sneeuw achterblijft dat in de zomer niet smelt. Als het gewicht van de sneeuwlaag groot genoeg is geworden - voor droge sneeuw moet de laag 70-100 m dik zijn - dan worden door de enorme druk van het bovenliggende sneeuwpakket de luchtkanaaltjes tussen de sneeuwkristallen afgesloten. Dit is het moment dat gletsjerijs is ontstaan met een dichtheid van ongeveer 900 kg per kubieke meter.
De aldus ontstane luchtbelletjes bevatten lucht met een samenstelling die gelijk is aan die van de atmosfeer ten tijde van de afsluiting. Door de geringe hoeveelheid neerslag die valt en de kilometersdikke ijskap duurt het op Antarctica honderdduizenden jaren voordat deze luchtbelletjes de onderkant van de ijskap hebben bereikt. Door nu een ijskern te boren tot de bodem van de ijskap en de luchtbelletjes in het ijs te analyseren kan de samenstelling van de atmosfeer tot enkele honderdduizenden jaren terug worden gereconstrueerd.
Reconstructie van glaciale cycli
Met deze spectaculaire wetenschap kan men tot in detail het verloop van glaciale cycli op aarde reconstrueren, zoals deze grafiek laat zien.

Het ritme van de ijstijden is prachtig te zien, met elke 100.000 jaar een abrupte overgang naar een korte interglaciale periode die gemiddeld zo'n 10.000 jaar duurt. Duidelijk zichtbaar is dat op het hoogtepunt van het laatste glaciale tijdperk, ongeveer 20.000 jaar geleden, de CO2-concentratie bijna 100 ppmv (parts per million per volume) lager lag dan de preïndustriële waarde. (CO2 = kooldioxide, een belangrijk broeikasgas waarvan de concentratie in de aardse atmosfeer overal ongeveer hetzelfde is).

Uit de eigenschappen van het ijs, met name het voorkomen van bepaalde isotopen, kan ook een temperatuurreconstructie worden gemaakt.

Volgens deze reconstructie was het tijdens het laatste glaciale maximum 20.000 jaar geleden op Antarctica zo'n 8 graden kouder dan nu.

Het is duidelijk dat het klimaat de laatste 10.000 jaar uitzonderlijk stabiel is geweest, en dat het huidige interglaciaal al langer duurt dan veel van zijn voorgangers. Het is waarschijnlijk dat het volgende glaciaal geen duizenden jaren meer op zich zal laten wachten, maar niemand kan voorspellen of de nieuwe ijstijd zal aanbreken en zoja, wanneer. Merk ook op hoe synchroon de temperatuur en CO2-signalen lopen. In werkelijkheid is er een klein tijdsverschil, maar het is nog onduidelijk of temperatuur CO2 forceert of juist andersom.

Ook de invloed van de mens op ons klimaat kan met ijskernen uitstekend worden bestudeerd. Tijdens een overgang glaciaal-interglaciaal neemt de CO2-concentratie met ongeveer 80 tot 100 ppmv toe in enkele duizenden jaren (onder, bovenste grafiek):

Zoomen we nog eens in op de afgelopen 1000 jaar (herleid van een ijskern die aan de kust van Antarctica is geboord, Law Dome) dan zien we een tamelijk constante preïndustriële CO2-waarde van ongeveer 280 ppmv (onderste grafiek).

Echter, door de verbranding van fossiele brandstoffen (kolen, olie, gas) is in de laatste twee eeuwen de atmosferische CO2-concentratie op aarde met 80 ppmv gestegen, bijna 30%! Weliswaar zijn er perioden in het geologisch verleden geweest waarin de CO2-concentraties in de aardse atmosfeer nog hoger waren, maar de snelheid van de recente stijging is ongekend in de geologische geschiedenis. IJskernen hebben een belangrijke rol gespeeld in het overtuigen van broeikas-sceptici.

De boodschap van de grafieken is dan ook klinkklaar: de mensheid is bezig met een experiment van globale omvang waarvan de uitkomst onzeker is.Het nauwkeurig kunnen dateren van een ijskern is cruciaal om de grafieken te kunnen voorzien van een tijdschaal op de horizontale as. Vulkaanuitbarstingen uit het verleden helpen ons hierbij. Bij zeer krachtige vulkaanuitbarstingen wordt materiaal afkomstig uit de aardkorst tot 10 tot 50 km hoogte in de stratosfeer geïnjecteerd, waar het kan worden getransporteerd over zeer grote afstanden, zelfs tot boven Antarctica. Daar komt het vulkanisch materiaal in de sneeuw terecht en verandert het de elektrische eigenschappen van het ijs: de elektrische geleiding gemeten langs een ijskern laat op die plekken pieken zien; met behulp van historische geschriften kunnen de juiste vulkanen worden geïdentificeerd en de ijskern nauwkeurig gedateerd.

IMAU boorinstallatie waarmee middeldiepe kernen worden geboord (tot 200 meter). Rechtsboven apparatuur om elektrische eigenschappen van de ijskern te meten. Dit wordt gedaan in een minilaboratorium dat in de sneeuw is uitgegraven, om de temperatuur tijdens analyse zo constant mogelijk te houden. Grafiek toont di-electrisch profiel (DEP) van een 115 m lange ijskern geboord op Antarctica. Pieken corresponderen met vulkaanuitbarstingen. Geïdentificeerde vulkaanuitbarstingen worden vermeld met jaartal. Unknown: men weet dat er een uitbarsting is geweest (uit oude geschriften), maar niet precies welke vulkaan. 

Geschiedenis van het klimaat in stalagmieten
Ons klimaat ging in slechts 200 jaar van warm naar ijzig, zo'n 100.000 jaar geleden
Ons klimaat is in het verleden erg snel afgekoeld. Dat blijkt uit geologisch onderzoek van druipstenen in de grot-ten van Han-sur-Lesse en Remouchamps. Het gaat over de periode van de laatste tussenijstijd, van 128.000 tot 117.000 jaar geleden. Toen was het gemiddeld vier graden warmer dan nu. Maar op nauwelijks 200 jaar tijd, een peulschil op geologische schaal, koelde het zo sterk af dat de bosbegroeiing verdween en er enkel nog koude steppe overbleef. Die snelle, natuurlijke afkoeling verrast de wetenschappers, maar conclusies trekken voor de huidige klimaatopwarming is wel gevaarlijk, zegt de onderzoeker van de VUB die er een doctoraal onderzoek aan gewijd heeft.
De bevindingen kwamen aan het licht bij onderzoek van isotopen - atomen van een bepaalde stof met een ver-schillend aantal neutronen in hun kern- van stalactieten en stalagmieten in de grotten van Han-sur-Lesse en Remouchamps.
VUB-vorser Stef Vansteenberge: "De groei van stalagmieten en de variaties van koolstof- en zuurstofisotopen in die stalagmieten zijn beide goede indicatoren voor de vegetatie op de plaats boven de onderzochte grotten op welbepaalde momenten in de geschiedenis van het Pleistoceen, de periode van de ijstijden."
Klimatologische modellen wezen uit dat de gemiddelde temperatuur tijdens het laatste interglaciaal op aarde - de periode tussen twee ijstijden - ongeveer 4 graden Celsius warmer was dan nu. Dat is erg veel, als men weet dat nu al groot alarm wordt geslagen door klimatologen, omdat we de temperatuursstijging door de CO2-uitstoot waarschijnlijk niet onder de 2 graden Celsius zullen kunnen houden.
"De gemiddelde jaartemperatuur in onze streken moet in de tussenijstijd rond 14 graden Celsius hebben geschommeld, nu ligt die tussen 10 en 11 graden", aldus Vansteenberge. "De vegetatie bestond in die warme perio-de vooral uit oerbos met een dichte ondergroei. Op tweehonderd jaar zakte de temperatuur dusdanig, van super-warm naar veel kouder dan nu, dat het bos op korte termijn volledig verdween. We kwamen in die zeer korte tijd in permafrostomstandigheden terecht, en de nieuwe ijstijd barstte in alle hevigheid los."  
Resultaten bevestigd
De resultaten van Vansteenberges onderzoek worden bevestigd door onderzoek op stalen in de Eiffel. Bovendien nam Vansteenberge zowel op de stalen uit Remouchamps als op deze uit Han-Sur-Lesse eenzelfde temperatuurval waar op hetzelfde ogenblik.
"Overal verandert op dat ogenblik de vegetatie van bos naar grasland. Daarna stoppen de druipstenen zelfs helemaal met groeien. Er dringt geen stromend water meer in de grotten binnen, omdat het door de bevroren ondergrond als gevolg van de permafrost niet meer door de bodem naar de grot kan geraken en er dus geen calciet meer kan worden afgezet", zo zei Vansteenberge aan het persagentschap Belga.
Unieke stalen
De Belgische stalen van Vansteenberge zijn uniek, zeker voor de periode tussen 127.000 en 94.000 jaar geleden, omdat ze een zo goed als volledig beeld geven van het klimaat in die tijd in continentaal Europa. Er was eerder al isotopenonderzoek gebeurd op marine sedimenten, zoals in de Eiffel. Maar sedimenten zijn moeilijker precies te dateren en dus minder bruikbaar. Bovendien geven ze niet zo'n lokaal beeld van vegetatie en klimaat als de druipstenen in een grot.
Stalagmieten worden gedateerd met de uranium-thoriummethode. Deze wordt gecombineerd met de overlaps die er bestaan in de groeiringen van druipsteen in de grotten, zodat dateringen mogelijk zijn met een foutenmarge van niet meer dan tweehonderd jaar.
Voorzichtig met conclusies
"Het onderzoek is erg belangrijk in het kader van de klimaatopwarming waar we op dit ogenblik mee te maken hebben", vindt Vansteenberge. "Onze bevindingen wijzen er immers op dat in periodes met hogere temperaturen dan vandaag, op volledig natuurlijke wijze een drastische afkoeling heeft plaatsgevonden, iets wat misschien niet meteen verwacht wordt in de huidige context van de klimaatopwarming."
Conclusies trekken naar de huidige toestand, is iets waar we voorzichtig moeten mee zijn, zei Vansteenberge aan VRTnws. Voorspellingen maken doet hij hoe dan ook niet graag, "omdat ik kijk naar vroegere klimaten", en toen speelde de menselijke factor nog niet. "En wat die juist teweeg gaat brengen, daar zal nog veel onderzoek naar moeten verricht worden", zo zei hij.

 

Dansgaard-Oescher-cycli zijn snelle klimaatsfluctuaties, die plaatsvinden elke 1470 (± 532) jaar. Klimatologen hebben 23 van zulke fluctuaties ontdekt tussen 110.000 en 23.000 jaar geleden.

Zuurstofisotopengrafiek over de periode tussen 50 ka en 30 ka, gebaseerd op twee verschillende Groenlandse ijskernen. De Dansgaard-Oeschger-cycli zijn duidelijk zichtbaar als periodiek variaties in de δ18O-waarde.

 

 

Herkenning

Dansgaard-Oeschger-cycli worden herkend aan de hand van zuurstofisotopenanalyse van ijs of sediment. De cycli komen naar voren als opvallende periodieke variaties in de δ18O-waarde. De Dansgaard-Oeschger-cycli zijn als eerste vastgesteld in ijskernen uit Groenland. Later zijn ze ook aangetoond in diepzeekernen uit de Atlantische Oceaan. In ijskernen uit Antarctica is het signaal van de cycli minder sterk en wellicht ook niet helemaal in fase met dat op het noordelijk halfrond.

Gevolgen

De gevolgen voor het noordelijk halfrond zijn achtereenvolgens een periode van globale opwarming die enkele tientallen jaren duurt, waarna een periode volgt van geleidelijke afkoeling. Deze periode kan langer duren dan de periode van globaal opwarming. Deze cycli hebben zich onder andere voorgedaan op Groenland 11,500 jaar geleden. In 40 jaar warmden de ijskappen daar 8 graden Celsius op.

Oorzaken

De processen die de omvang en timing van deze cycli op het noordelijk halfrond bepalen zijn nog onduidelijk. De meest algemene hypothese is dat de cycli verband houden met veranderingen in de oceaancirculatie in de Atlantische Oceaan. Het patroon op het zuidelijk halfrond is iets anders dan die op het noordelijke. Hier gebeuren de fluctuaties langzamer en minder heftig. De oorzaak hiervan is mogelijk dat verandering in de Atlantische oceaancirculatie een ander of zelfs tegengesteld effect heeft op het noordelijk en het zuidelijk halfrond. Dit hypothetische mechanisme wordt wel aangeduid als de Bipolar seesaw (bipolaire wip).

 

 

DE WERELD DRAAIT DOL  

 

 

L&B: TOP                 SUMMIT DUN COUNTIN

 

De duizenden toeristen die jaarlijks een reis boeken naar Tibet of Nepal om van de frisse berglucht te genieten, komen tegenwoordig van een stinkende kermis thuis. De sneeuwgrens is door de opwarming inmiddels zo’n tweeduizend meter omhoog geschoven en de massa afval die het bergtoerisme heeft opgeleverd, is ondertussen ontdooid. De grootste stank wordt veroorzaakt door dode lichamen in de ‘death zone’ die tot ontbinding zijn overgegaan. Maar ook het schrijnende tekort aan toiletten eist zijn tol. Lieten voorheen ervaren klimmers hun uitwerpselen achter in diepe spleten of op grote hoogtes, tegenwoordig schijt Jan en Alleman het dak van de wereld zo vol dat het binnenkort de best bemeste plek op aarde is.

 

Rolstoelalpinsten met buikloop en reumatische klimtouwfanaten zonder grip vormen allang geen uitzondering meer onder de bezoekers van Chomolungma, de hoogste berg van de Himalaya. De Sherpa-organisatie die schatrijk is geworden met de uitgave van “Het Tibetaanse bergbeklimmershandboek” en de verkoop van Chinese ijsthee in de basiskampen heeft het voortouw genomen. In een pamflet met de verbasterde Engelse titel “Summit dun countin” (opgerot of uitgeteld) hebben ze hun ongenoegen geuit met de gang van zaken en verklaard dat ze alleen nog hun diensten zullen verlenen aan ecologisch verantwoorde ondernemingen met een liefdadigheidsfunctie (dat brengt tenminste wat op).

 

Opstoppingen op het dak van de wereld belemmeren de obsessieve klauteraars om tijdig terug te keren waardoor ernstige hoogteziektes hen fataal worden. Deze filevorming eist inmiddels meer dodelijke slachtoffers dan de gebruikelijke valpartijen onder bergbeklimmers.

 

 

 

www.physiology.org/doi/full/10.1152/japplphysiol.00955.2014

www.businessinsider.nl/summit-fever-mountain-death-bad-decisions-company-2019-5/?international=true&r=US

DEEP SPACE ATOOMKLOK *

DSAC-kwik-ionenvangerbehuizing met vangstaven voor elektrisch veld, te zien in de uitsparingen. 

Een sleutel tot het verkleinen van de totale omvang van DSAC (deep space atomic clock) was het miniaturiseren van de kwik-ionenval. In de afbeelding is het ongeveer 15 cm (6 inch) lang. De val beperkt het plasma van kwikionen met behulp van elektrische velden. Door magnetische velden en externe afscherming toe te passen, wordt vervolgens voor een stabiele omgeving gezorgd waar de ionen minimaal worden beïnvloed door temperatuur of magnetische variaties. Deze stabiele omgeving maakt het mogelijk om de overgang van de ionen tussen energietoestanden zeer nauwkeurig te meten.

 

 

KLIMAATHUIVER

De ironie van vergulde windeieren

 

 

 

Complotdenkers zijn wappies, antivaxers beroepen zich op de homeopathie (wat genoeg zegt over die leeghoofden*) maar onder de klimaatsceptici bevinden zich geleerde deskundigen die wellicht beter zouden moeten weten maar hun twijfel tenminste ontlenen aan wetenschappelijke analyse en kennis van zaken. Een van hen was de in 2020 overleden natuurkundige Fred Singer Na zijn promotie bij het excentrieke genie John Wheeler was hij in de jaren 50 van de vorige eeuw werkzaam als ruimtevaartdeskundige. Hij verbeterde het gebruik van atoomklokken in het GPS-systeem van satelliet-navigatie. Van 1971 tot 1994 was hij hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Virginia en tot 2000 was hij als fysicus verbonden aan de George Mason University (Virginia). Vanaf de jaren 90 wierp hij zich op als scepticus op het gebied van vele milieukwesties. Tot op hoge leeftijd confronteerde “de grootvader van de klimaatontkenning” het IPCC met contradicties en fouten.

  

 

"Klimaatgegevens uit het verleden laten een cyclus van ruwweg 1500 jaar zien. Deze cyclus werd ontdekt in ijskernen uit Groenland, daarna werd het gevonden in bezinksel uit de Atlantische Oceaan en inmiddels vinden we het overal terug tot en met in stalagmieten in grotten. Uit de zaagtandgrafiek blijkt een opwarming en afkoeling die zeer goed de huidige opwarming kan verklaren" – Fred Singer (2007)*

 

 

VERKLARING VOOR DE SENAATSCOMMISSIE INZAKE KLIMAATVERANDERING (2000)

 

Meneer de voorzitter, dames en heren,

Mijn naam is Fred Singer. Ik ben emeritus hoogleraar Milieuwetenschappen aan de Universiteit van Virginia en de oprichter en voorzitter van The Science & Environmental Policy Project (SEPP) in Fairfax, Virginia, een onpartijdige, non-profit onderzoeksgroep van onafhankelijke wetenschappers. We werken zonder salaris en hebben geen verplichtingen tegenover wie of welke organisatie dan ook. SEPP vraagt ​​geen steun van de overheid of het bedrijfsleven, maar vertrouwt op bijdragen van individuen en stichtingen.

   We staan ​​sceptisch tegenover de klimaatwetenschap die de basis vormt van de Nationale Beoordeling, omdat we geen bewijs zien om de bevindingen ervan te ondersteunen; klimaatmodeloefeningen zijn GEEN bewijs. Vice-president Al Gore verwijst steeds naar wetenschappelijke sceptici als een 'kleine minderheid buiten de mainstream'. Dit standpunt is moeilijk vol te houden wanneer meer dan 17.000 wetenschappers de Oregon-petitie tegen het Kyoto-protocol hebben ondertekend, omdat ze "geen overtuigend bewijs zien dat mensen waarneembare klimaatver-andering veroorzaken".

   Anderen proberen wetenschappelijke sceptici in diskrediet te brengen door ze op één hoop te gooien met marginale politieke groeperingen.  Dergelijke ad hominem-aanvallen zijn betreurenswaardig en horen niet thuis in een wetenschappelijk debat. Om dergelijke onjuiste voor-stellingen tegen te gaan, noem ik hier kwalificaties die relevant zijn voor de hoorzitting van vandaag.

   Ik heb een ingenieursdiploma van de staat Ohio en een Ph.D. in de natuurkunde van Princeton University. Al meer dan 40 jaar heb ik onderzoek gedaan naar en gepubliceerd in atmosferische en ruimtefysica. Ik kreeg een speciale aanbeveling van president Eisenhower voor het vroege ontwerp van satellieten. In 1962 richtte ik de US Weather Satellite Service op, was de eerste directeur en ontving voor deze bijdrage een gouden medaille van het ministerie van Handel.

   In het begin van mijn carrière heb ik instrumenten bedacht om atmosferische parameters van satellieten te meten. In 1971 bracht ik onder de aandacht dat de menselijke productie van het broeikasgas methaan door veeteelt en rijstteelt het klimaatsysteem zou kunnen beïnvloeden. Dit was ook de eerste publicatie waarin een antropogene invloed op ozon in de stratosfeer werd besproken. Eind jaren tachtig was ik Chief Scientist van het Department of Transportation en gaf ik het Witte Huis ook deskundig advies over klimaatkwesties.

   Vandaag zal ik, door bewijs te presenteren van gepubliceerd collegiaal getoetst werk, proberen enkele onjuiste beweringen te corrigeren die tijdens de NACC-hoorzitting van 17 mei naar voren zijn gebracht.

 

In tegenstelling tot de weldoordachte voorspellingen van computermodellen, is het klimaat op aarde de afgelopen twee decennia niet noemens-waardig opgewarmd en waarschijnlijk zelfs niet sinds ongeveer 1940. Het bewijs is overweldigend:

  • Satellietgegevens tonen geen noemenswaardige opwarming van de mondiale atmosfeer sinds 1979. In feite, als men het ongebruikelijke El Nino-jaar 1998 negeert, ziet men een afkoelingstrend.

  • Radiosonde-gegevens van ballonnen die regelmatig over de hele wereld worden vrijgegeven, bevestigen de satellietgegevens in elk opzicht. Dit feit is bevestigd in een recent rapport van de National Research Council / National Academy of Sciences.1

  • De goed gecontroleerde en betrouwbare registratie van oppervlaktetemperaturen voor de continentale Verenigde Staten laat geen noemenswaardige opwarming zien sinds ongeveer 1940. Hetzelfde geldt voor West-Europa. Deze resultaten staan ​​in schril contrast met de GLOBAL instrumentele oppervlakteregistratie, die een aanzienlijke opwarming laat zien, voornamelijk in NW Siberië en het subpolaire Alaska en Canada.

  • Jaarringinventarisaties voor Siberië en Alaska en gepubliceerde ijskernresultaten die ik heb onderzocht, laten GEEN opwarming zien sinds 1940. In feite vertonen veel verslagen een afkoelingstrend.

Conclusie : de trend van de globale opwarming na 1980 door oppervlaktethermometers is niet geloofwaardig. Het uitblijven van een dergelijke opwarming zou de alom geprezen 'hockeystick'-grafiek (met zijn' ongebruikelijke 'temperatuurstijging in de afgelopen 100 jaar) doen ver-dwijnen; deze werd hier op 17 mei getoond als vermeend bewijs dat de 20e eeuw de warmste in 1000 jaar is.

 

Het ontbreken van een huidige trend van globale opwarming zou moeten dienen om alle voorspellingen van de huidige klimaatmodellen in diskrediet te brengen, inclusief de extreme opwarming van de twee modellen (Canadees en Brits) die zijn geselecteerd voor de NACC.

   Bovendien geven de twee NACC-modellen tegenstrijdige voorspellingen, meestal voor neerslag en bodemvocht2. In het ene model verliezen de Dakota's bijvoorbeeld 85% van hun huidige gemiddelde regenval tegen 2100, terwijl het andere een winst van 75% laat zien. De helft van de 18 onderzochte regio's laat zulke tegengestelde resultaten zien; verscheidene anderen vertonen enorme verschillen.

   Ook de voorspellingen van de bodemvochtigheid verschillen. Het Canadese model toont een drogere oost-regio van de VS in de zomer, het Britse Hadley-model een nattere.

   Conclusie : We moeten concluderen dat regionale voorspellingen van klimaatmodellen buiten de stand van de techniek en zelfs minder betrouwbaar zijn dan die voor het mondiale gemiddelde. Aangezien de NACC-scenario's op dergelijke prognoses zijn gebaseerd, zijn de NACC-projecties niet geloofwaardig.     

  • Het meest gevreesde en ook meest onbegrepen gevolg van een hypothetische broeikasopwarming is een versnelde stijging van de zee-spiegel. Maar verschillende feiten zijn in tegenspraak met deze conventionele opvatting:Het wereldwijde gemiddelde zeeniveau is in de afgelopen 15.000 jaar met ongeveer 120 meter gestegen door het beëindigen van de ijstijd. De aanvankelijke snelle stijging van ongeveer 200 cm per eeuw veranderde geleidelijk in een langzamere stijging van 1520 cm per eeuw ca. 7500 jaar geleden, toen de grote ijsmassa's die Noord-Amerika en Noord-Europa bedekten waren weggesmolten. Maar het langzame smelten van de West-Antarctische ijskap ging door en zal blijven doorgaan totdat deze in ongeveer 6000 jaar is weggesmolten, mits er geen nieuwe ijstijd komt.

  • Dit betekent dat de wereld te maken heeft met een zeespiegelstijging van ongeveer 18 cm per eeuw, precies wat werd waargenomen in de afgelopen eeuw. En we kunnen er niets aan doen, net zomin als we de getijden van de oceaan kunnen stoppen.

  • Zorgvuldige analyse toont aan dat de opwarming in het begin van de vorige eeuw deze aanhoudende SL-stijging zelfs vertraagde waarschijnlijk als gevolg van de toegenomen ijsophoping in Antarctica.3 

Het komt erop neer dat het momenteel beschikbare wetenschappelijke bewijs geen van de resultaten van de NACC ondersteunt, die daarom louter moeten worden beschouwd als een "wat als" -oefening, vergelijkbaar met die van het Office of Technology Assessment in 19934 . Dergelijke oefeningen verdienen slechts een bescheiden hoeveelheid inspanning en geld; men mag in het serieuze onderzoek dat nodig is voor atmosferische en oceaanobservaties en voor het ontwikkelen van betere klimaatmodellen nooit tekortschieten.

   De NACC mag beslist NIET worden gebruikt om irrationeel en onwetenschappelijk energie- en milieubeleid te rechtvaardigen, inclusief het economisch schadelijke Kyoto-protocol. Deze beleidsaanbevelingen zijn vooral geschikt tijdens de komende presidentiële campagnes en debatten.

   Ik verzoek respectvol om een ​​uitgebreide uiteenzetting5 op te nemen in mijn schriftelijke verslag.

 

Nationale Onderzoeksraad. "Temperatuurtrends verzoenen" National Academy Press, Washington, DC. Januari 2000
PH Stone. "Voorspelling bewolkt: de grenzen van wereldwijde klimaatmodellen." Technology Review (MIT), februari / maart 1992. pp. 32-40 en R. Kerr. "Duellerende modellen: toekomstig klimaat in de VS onze-ker." Science 288, 2113, 2000
SF Singer. Hot Talk, Cold Science: Global Warming's Unfinished Debate. (The Independent Institute, Oakland, CA (tweede editie, p. 18).
Office of Technology Assessment. "Preparing for an Uncertain Climate" Govt. Printing Office, Washington, DC. 1993
5 S.F. Singer. "Climate Policy-From Rio to Kyoto: A Political Issue for 2000-and Beyond" Hoover Institution Essay in Public Policy No. 102, Stanford, CA, 2000.

 

De hotspot van het VN-klimaatpanel is nooit waargenomen (American Thinker, 2013; citaat) 

"In het IPCC-rapport van 2013 staat dat er overtuigend bewijs bestaat (met een zekerheid van meer dan 95% volgens IPCC’s eigen niet ondersteunde schattingen) dat de opwarming van de aarde in de periode 1978-2000 het resultaat is van menselijke activiteit. Maar het ontbreken van de atmosferische hotspot* levert met een zekerheid van meer dan 96% (volgens mijn eigen berekening) het tegenbewijs van het bestaan van die door mensen veroorzaakte opwarming. Voordat u het IPCC-rapport van meer dan 2000 pagina’s weggooit kunt u nog overwegen om het te gebruiken als presse-papier of als deurstop."

 

 

Goudlokje en de opwarming van de aarde (American Thinker, 2016) 

Misschien heb je wel eens gehoord van de vreselijke rampen die ons te wachten staan als de gemiddelde temperatuur stijgt met 2oC. Volgens sommige activisten zijn we al aardig op weg. Om het nog erger te doen lijken willen ze de drempel zelfs verlagen tot 1.5oC. Onderwijl hebben die activisten niet eens de moeite genomen om uit te leggen wat ‘gemiddelde temperatuur’ precies inhoudt. namelijk niet alleen op verschillende breedte en hoogte maar ook op verschillende tijden van de dag, van het jaar en onder verschillende weersomstandigheden.

   Heb je je ooit afgevraagd hoe ze aan die 2oC zijn gekomen? Lijkt het niet een beetje op de bangmakerij met het millenniumbug? Nou, ik zal je wat vertellen, want ik weet waar het vandaan komt. In 1995 publiceerde ik een stukje in Eos, een tijdschrift dat door alle geologen wordt gelezen. Daarin schreef ik dat er geen bewijs was voor een menselijke bijdrage aan de opwarming van de aarde. Daar werd natuurlijk onmiddellijk op gereageerd. In een reactie van twee Zweedse wetenschappers zag ik voor de eerste keer die magische waarde van 2oC. Henning Rodhe en Christian Azar van de Universiteit van Stockholm verwezen daarbij naar een artikel in Tellus, dat ze zelf geschreven hadden. Met andere woorden, het was een zelfreferentie, oftewel een cirkelredenatie. Hoe dan ook, niets wijst erop dat er iets drastisch gaat gebeuren bij de 2oC-limiet. De klimaatmodellen voorspellen bij die temperatuur geen specifieke ramp, geen op hol geslagen opwarming, geen onomkeerbaarheid. Dus vanwaar die 2oC?! Toen drong het tot me door dat hier sprake was van de keus van Goudlokje. Die 2oC is “precies goed”, niet te klein, niet te groot. Denk maar eens wat er zou zijn gebeurd als het om 0.5oC was gegaan. Iedereen zou de schouders hebben opgehaald: “Oh, die drempel zijn we allang over. Er is niets gebeurd. Waarom zou je je zorgen maken?” Of stel dat ze 5oC hadden genoemd. Iedereen zou de schouders hebben opgehaald: “Oh, zo warm wordt het nooit, zeker niet in deze of de volgende eeuw.” Begrijp je nu waarom 2oC precies de juiste keus was? Natuurlijk gaat die samen met de voorspelling van een paar vreselijke gebeurtenissen en de steeds weer herhaalde vermaning dat we het onheil alleen maar kunnen afwenden door te stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen om energie op te wekken.

   In een artikel uit 1997 in Science nemen dezelfde auteurs een genuanceerder standpunt in.*

Voor de juiste balans wil ik nog iets over een paar andere sprookjes zeggen – er zijn namelijk een paar “klimaatontkenners” die in onzin geloven. Sommigen van hen beweren dat de menselijke bijdrage aan CO2 in de atmosfeer slechts 3% is van de toch al minimale hoeveelheid van 400 ppm. Een ander verhaaltje is dat de waargenomen toename CO2 nepnieuws is. En als er al een CO2-toename zou zijn dan komt dat door het opwarmen van de oceaan. Allemaal niet waar.

   Ook onjuist is dat de concentratie CO2 gewoon te klein is om enig effect te hebben op de atmosfeer. Het komt tenslotte nauwelijks voor, hoe kan het dan de oorzaak zijn van een echte klimaatverandering? Welnu, kooldioxide absorbeert de infrarode warmtestraling heel effectief waardoor het een echt broeikasgas is. 

   Maar om mijn verhaal af te sluiten keer ik terug naar de grote fout van het VN-klimaatpanel, het IPCC. In hun 5 belangrijkste rapporten beweren ze dat CO2-verhogingen de oorzaak zijn van de opwarming. Ik ben van mening – en dat heb ik geprobeerd met publicaties te onderbouwen – dat hun argumenten geen steek houden en dat hun bewijs niet bestaat.  

 

 

De zee stijgt, maar niet vanwege klimaatverandering (The Wall Street Journal, 2018) 

Van alle bekende en ingebeelde gevolgen van klimaatverandering zijn de mensen vooral bang voor de zeespiegelstijging. Maar pogingen om vast te stellen waardoor zeeën stijgen worden ontsierd door gebrekkige gegevens en meningsverschillen over de methodologie. De bekende oceano-graaf Walter Munk verwees naar de stijging van de zeespiegel als een "enigma"; het wordt ook wel een raadsel of een puzzel genoemd.

   Algemeen wordt aangenomen dat de stijging van de zeespiegel vooral versnelt door thermische uitzetting van zeewater, de zogenaamde sterische component. Door een zeer kort tijdsinterval te bestuderen, is het mogelijk om de meeste complicaties te omzeilen, zoals de "isostatische aan-passing" van de kustlijn (aangezien continenten stijgen nadat het bovenliggende ijs is gesmolten) en "verzakking" van de kustlijn (als er grond-water en mineralen worden gewonnen).

   Ik koos ervoor om de zeespiegeltrend van 1915-45 te beoordelen, toen een echte, onafhankelijk bevestigde opwarming van ongeveer 0,5 graden Celsius plaatsvond. Ik merk in het bijzonder op dat de stijging van de zeespiegel niet wordt beïnvloed door de opwarming; volgens een recensie uit 1990 door Andrew S. Trupin en John Wahr gaat het in hetzelfde tempo door, 1,8 millimeter per jaar. Daarom concludeer ik - in tegenstelling tot de algemene wijsheid - dat de temperatuur van zeewater geen directe invloed heeft op de zeespiegelstijging. Dat betekent dat de atmosferische inhoud van kooldioxide evenmin.

   Deze conclusie is het vermelden waard: het laat zien dat zeespiegelstijging niet afhankelijk is van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het bewijs zou de vrees moeten wegnemen dat de uitstoot van extra CO2 de zeespiegelstijging zal doen toenemen.

   Maar er zijn ook goede gegevens die aantonen dat de zeespiegel in feite sneller stijgt. De trend is gemeten door een netwerk van getijdemeters, waarvan er vele al meer dan een eeuw gegevens verzamelen.

   De oorzaak van de trend is een puzzel. De natuurkunde vereist dat water uitzet als de temperatuur stijgt. Maar om de stijgsnelheid constant te houden, zoals opgemerkt, moet de expansie van zeewater kennelijk worden gecompenseerd door iets anders. Wat zou dat kunnen zijn? Ik con-cludeer dat het ijs moet zijn, door verdamping van oceaanwater, en daaropvolgende neerslag die in ijs verandert. Er zijn aanwijzingen dat de ophoping van ijs op het Antarctische continent het sterische effect gedurende ten minste enkele eeuwen heeft gecompenseerd.

   Het is moeilijk uit te leggen waarom verdamping van zeewater ongeveer 100% annulering van uitzetting veroorzaakt. Mijn analysemethode houdt rekening met twee gerelateerde fysische verschijnselen: thermische uitzetting van water en verdamping van watermoleculen. Maar als verdamping de thermische uitzetting compenseert, is het netto-effect natuurlijk bijna nul. Wat is dan de werkelijke oorzaak van een zeespie-gelstijging van 1 à 2 millimeter per jaar?

   Het smelten van gletsjers en ijskappen voegt water toe aan de oceaan en zorgt ervoor dat de zeespiegel stijgt. (Bedenk echter dat het smelten van drijvend zee-ijs geen water toevoegt aan de oceanen, en dus geen invloed heeft op de zeespiegel.) Na het snel wegsmelten van de noordelijke ijskappen, kan het langzaam smelten van Antarctisch ijs aan de rand van het continent de belangrijkste oorzaak zijn van de huidige zeespie-gelstijging.

   Dit alles omdat het nu veel warmer is dan 12.000 jaar geleden, aan het einde van de meest recente ijstijd. Toch is er op Antarctica weinig warmte beschikbaar om het smelten te ondersteunen.

   We kunnen het smelten nu zien gebeuren bij de Ross Ice Shelf van de West Antarctic Ice Sheet. Geologen hebben de langzame verdwijning van Ross gevolgd en glacioloog Robert Bindschadler voorspelt dat de ijsplaat binnen ongeveer 7.000 jaar volledig zal smelten, waarbij het zeeniveau geleidelijk zal stijgen.

   Natuurlijk kan er in 7.000 jaar veel gebeuren. Het begin van een nieuwe ijstijd kan ervoor zorgen dat de zeespiegel niet meer stijgt. Het zou zelfs 120 meter kunnen vallen, tot het niveau van de laatste ijstijd van maximaal 18.000 jaar geleden.

   Momenteel lijkt de stijging van de zeespiegel niet afhankelijk te zijn van de oceaantemperatuur, en zeker niet van CO2. We kunnen verwachten dat de zee in de nabije toekomst met ongeveer het huidige tempo zal blijven stijgen. Tegen 2100 zullen de zeeën nog ongeveer 15 centimeter stijgen - ver verwijderd van de alarmerende cijfers van Al Gore. Aan de stijgende zeespiegel kunnen we in de tussentijd niets doen. We kunnen maar beter dijken en zeeweringen iets hoger bouwen.

 


http://climateconferences.heartland.org/s-fred-singer/

https://www.desmogblog.com/s-fred-singer

 

Vaccinatie is net als homeopathie gebaseerd op het gelijksoortigheidsbeginsel: similia similibus curentur ("het gelijke wordt door het gelijkende genezen"). De homeopathische verdunning is noodzakelijk vanwege de schade die de actieve stof in pure vorm teweeg zou brengen (net zoals een vaccinatie een afgezwakte vorm van het virus bevat). Helaas is in homeopathische kringen het verdunningsprincipe doorgeslagen en vertrouwd men op ‘het geheugen van water’. De positieve beleving van homeopathisch verdunde middelen wordt toegeschreven aan een psychologisch placebo effect (aandacht).

Fred Singer is co-auteur van het ‘klimaatontkennings’-boek Unstoppable Global Warming: Every 1500 years (samen met Dennis Avery; Rowman & Littlefield, 2007, herziene uitgave 2008).
De Dansgaard-Oeschger-cycli laten zien dat de temperatuurschommelingen een zaagtandpatroon volgen. Ze vormen een belangrijk onderdeel van het klimaat op aarde. De vraag is of ze een wereldwijde gebeurtenis laten zien, of iets plaatselijks dat werd veroorzaakt door warmtecirculatie door bijvoorbeeld oceaanstromingen? Uit later onderzoek van ijskernen die afkomstig waren van de Zuidpool bleek dat de temperatuur op de Zuidpool omlaag ging als het op Groenland warmer werd:

Temperatuur op Groenland (boven) en op de Zuidpool (beneden) Een aantal periodes tussen opwarming op Groenland zijn apart in kleur weergegeven. De verticale onderbroken lijnen geven aan waar de temperatuur op Groenland stijgt, terwijl de temperatuur op de Zuidpool daalt.

 

De Dansgaard-Oeschger-cyclus toont dus een verplaatsing van warmte van zuid naar noord en geen algemene opwarming.

 

 

Top: Modeled temperature trends vs Latitude and Altitude Source CCSP-SAP-1.1 (2006) Bottom: Observed temp trends vs Lat and Alt (1958-1999); data from radiosondes
Singer citeert in zijn betoog het volgende deel uit het bewuste artikel:
Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering roept op tot een stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau dat gevaarlijke antropogene interferentie met het klimaatsysteem zou voorkomen. Het vereiste niveau is echter nog onduidelijk. Er zijn twee hoofdredenen. Ten eerste zijn de klimatologische, ecologische en sociale gevolgen van een bepaald niveau van atmosferische CO2-concentratie nog onzeker; de evenwichtseffecten op de mondiale temperatuur van een verdubbeling van de CO2-concentratie alleen wordt door het IPCC geschat op een onzekerheidsbereik van 1,5° tot 4,5°C. Ten tweede, zelfs als de gevolgen met 100% zekerheid bekend waren, is het concept van gevaarlijke inmenging uiteindelijk een kwestie van waardeoordelen die alleen in de politieke arena kunnen worden beslecht [Singer’s cursivering]. Gezien de huidige wetenschappelijke onzekerheden kunnen geen harde conclusies worden getrokken, maar er kunnen interessante inzichten worden verkregen door de verwachte veranderingen in evenwichtstemperatuur uit een eenvoudig model te vergelijken met enkele metingen van de natuurlijke variabiliteit in globale temperatuur. […] Een verdere vergelijking kan worden gemaakt met de verandering in de gemiddelde temperatuur op aarde van ongeveer 5°C die naar schatting heeft plaatsgevonden tijdens de voorbije ijstijd. Als het klimaatsysteem gevoelig is voor CO2-stijgingen in het IPCC-bereik, dan is een CO2-concentratie van slechts 550 ppmv voldoende om een verandering in de gemiddelde temperatuur op aarde teweeg te brengen vergelijkbaar met die welke optreedt bij de overgang naar een ijstijd. [...] Het blijkt dat om de veranderingen in de mondiale temperatuur binnen het bereik van de natuurlijke schommelingen van het afgelopen millennium te houden, de klimaatgevoeligheid laag moet zijn en de atmosferische CO2-concentratie moet worden gestabiliseerd op ongeveer 350 ppmv. [NB: het is nu, 2016, >400 ppm]

 

 

RUIMTETIJD OP KWANTUMSCHAAL?  

 

 

L & B: KUL                      SUBJECTIVITIJD

 

  

Iedereen kent het gevoel: als je het naar je zin hebt, vliegt de tijd en als je je verveelt, komt er geen eind aan. Als je wat ouder bent geworden, ervaar je de tijd ook op subjectieve wijze doordat hij voor je gevoel veel sneller gaat dan vroeger. Ook al zegt je verstand dat dat onmogelijk kan, elke dag duurt 24 uur en er gaan al eeuwen 365 ¼ dagen in een jaar.

   De gevestigde opvatting is dat de TIJD een uitwendige constante is en dat tijdbeleving mogelijk wordt gemaakt door een combinatie van ons geheugen en een inwendige klok. Onderzoek heeft uitgewezen dat hormonen en neurotransmitters de werking van zowel het geheugen als de biologische klok beïnvloeden: meer stofafscheiding zolang het geheugen nog niet vol is en minder naarmate men veroudert.

   In wetenschappelijke kring groeit de voorkeur voor het standpunt dat het fenomeen TIJD als zodanig niet bestaat. Het dient daarentegen te worden opgevat als een emergente eigenschap van een neuronaal netwerk. De interactie van miljarden zenuwcellen leidt vanzelf tot tijdsbesef, ook bij dieren die nog niet zulke grote hersenen hebben als wij. Volgens deze, holografische, zienswijze wordt de TIJD gevormd door een werkend brein en verdwijnt ze zodra het denken ophoudt.

   Medewerkers van het Institute of Neuroscience in Wisconsin hebben dit holografische model experimenteel bevestigd. Door bij een groot aantal proefdieren een deel van de hersenfuncties (tijdelijk) uit te schakelen, konden ze een significante correlatie aantonen tussen het aantal geblokkeerde neuronen (in eenheden van miljoenen) en de vertraging van het tijdsbesef (in eenheden van sec.).

 

Natuurlijk is dit allemaal onzin, gewoon uit mijn duim gezogen, flauwekul. Maar hoe weet je dat zeker? Het had best waar kunnen zijn.1 Heel goed mogelijk dat TIJD een illusie is en dat verleden en toekomst niets anders zijn dan constructies van het brein. Tenslotte is de waarheid niets anders dan wat je ooit ergens gelezen of gehoord hebt. Zelfs wiskundige bewijzen zijn niets anders dan abstracties gebaseerd op een, overigens tijdloze, tautologie. De waarheid is slechts wat de grootste muil beweert.2

    De kul is nog erger. Onderzoekers aan het Weizmann Institute of Science hebben uit de relatie tussen ons neuronale beloningssysteem (met dopamine) en tijdsbeleving afgeleid dat onaangename verwachtingen gepaard gaan met een krimpend tijdsgevoel. Met andere woorden, de tijd gaat ook sneller als je het niet naar je zin hebt.3 

 

 

1 Zie: Bradford Skow. Objective becoming.

2 Naar Dimitri Verhulst. Godverdomse dagen op een godverdomse bol.

3 https://www.nature.com/articles/s41593-020-0698-3

 

 

EMERGENTE EVOLUTIE*

Zonder taal zijn verhalen onbestaanbaar

 

 

Mijn diepgelovige buren zijn er niet langer van overtuigd dat evolutie iets is voor goddelozen: amoreel en willekeurig. Ook in hún kring van godvrezende kerk-gangers gaan remonstrantse stemmen op dat God en evolutie elkaar niet hoeven uit te sluiten. Wetenschap (evolutie) is een geschenk van God, die hemel en aarde schiep in zeven dagen. Nou ja, dat laatste hoeven ze ook niet letterlijk te nemen. God schiep de oerknal, waar alles uit is voortgekomen en waarmee Hij schuilgaat achter het hele bestaan. Zijn roep vanuit de hemel leidt hen vanzelf naar het Goede want Hij is ook heel dichtbij. In henzelf geeft Hij hen hoop en vertrouwen.

   De verhalen in de Bijbel wekken de indruk van een geschiedenis. Een begin (de schepping), middenmoot (stamvaders; leven van Jezus) en een einde (profetie over de eindtijd). Die historische lijn is echter niet origineel. Het begin is later geschreven dan de geschiedenis van de stamvaders. Het verhaal van een schep-pende God diende als steun in onzekere tijden.

   Persoonlijk heb ik die verhalen niet zo nodig om te begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt. Een wetenschappelijke verklaring voldoet. Emoties als hoop, vertrouwen en liefde (en scheidend vermogen tussen goed en kwaad) komen van binnenuit en worden geïnitieerd door hormonen*

 

 

 

Om de enorme verscheidenheid aan soorten te verklaren definieerde Darwin in 1859 het mechanisme van de natuurlijke selectie in relatie tot seksuele voortplanting. In 1937 formuleerde Dobzhanski de ‘modern synthesis’ met natuurlijke selectie als kern van de genetische evolutie. Decennia lang werd aangenomen dat natuurlijke selectie werkte op het niveau van soorten en zelfs van ecosyste-men, totdat duidelijk werd dat de kracht ervan veel groter was op het niveau van het individuele organisme en volgens Dawkins zelfs nog sterker op het niveau van genen (1976). Het mechanisme van natuurlijke selectie bleek op genetisch niveau krachtig genoeg om organische evolutie te verklaren, zonder doel of toekomstige attractor. Wederkerig altruïsme en speltheorie suggereerden het bevor-deren van de samenwerking tussen totaal verschillende soorten, wat leidde tot een betere verklaring van de evolutie van altruïsme. Met de introductie van de ‘major transitions’ in de evolutie ontstond een heropleving van de multilevel (groeps) selectie met veelbelo-vende nieuwe inzichten.

Tweehonderd jaar geleden verzamelde de elfjarige Charles Darwin kevertjes in de tuin van het ouderlijk huis en verwonder-de zich over de rijkdom van Gods Schepping. Op zoek naar inzicht stuitte hij in zijn vaders boekenkast op James Hut-tons Theory of the Earth (1795) en maakte kennis met het uniformitarianisme (het heden is de sleutel tot het ver-leden). Daar is wellicht de kiem gelegd om met andere ogen naar de wereld te kijken. Met de publicatie van het principe van natuurlijke selectie dat achter zijn verwondering schuilging heeft hij overigens lang getalmd, toen het verscheen in 1859 was hij vijftig jaar oud. Sindsdien bestaat er een intellectuele tweespalt tussen het geloof in doelgerichte schepping en de claim op toevallige ontwikkeling. De eerste stroming vertegenwoordigt alle wereldreligies en (pseudo)wetenschap-pelijke opvattingen zoals creationisme (incl. intelligent design) en theïstisch evolutionisme. De andere, veel kleinere, groep omvat de agnostische weten-schap. De vraag is of de onmiskenbare toename van complexiteit het gevolg is van toeval of van doelgerichtheid.

 

 

Meer dan drie miljard jaar organische evolutie toont onweerlegbaar de cruciale rol van gecoördineerde actie en samenwerking. De ‘major transitions’ in de evolutie vertegenwoordigen complexiteitssprongen die hun oorsprong vinden in samenklontering. Het is een plausibel idee dat het geringe aantal innovatieve gebeurtenissen in de organische evolutie het gevolg is van groepsselectie in plaats van individuele selectie. Het gaat immers om de overerving van emergente kenmerken door differentiële groepsproductiviteit. Aan het begin van elke transitie ontstond er als het ware een 'maagdelijke' dimensie voor de emergente indringers die zich zonder con-currentie snel konden ontwikkelen totdat natuurlijke selectie hen dwong tot adaptatie. Volgens Kauffman is natuurlijke selectie misschien niet eens de belangrijkste bron van biologische organisatie, maar meer een soort fijnregeling binnen een zelforganiseren-de natuurlijke wereld. Groepsselectie lijkt elke keer dat er een transitie ophanden is de individuele selectie uit evenwicht te brengen.

 

 

In de meeste biologiemethodes van het voortgezet onderwijs wordt het evolutiemodel ingedikt tot natuurlijke selectie en populatiegenetica in het dierenrijk. De andere meercellige organismen (planten en schimmels) spelen een ondergeschikte rol, evenals overigens de eencelligen. Een overzicht van de ontwikkeling van het leven op aarde ontbreekt niettemin zelden. Om de geologische tijdschaal wat aansprekender te maken wordt deze wel eens gepresenteerd als een klok: de mens ontstond om 1 seconde voor klokslag 12 uur, één minuut eerder verdwenen de dino’s en kwamen de zoogdieren op, de meercelligen (planten, dieren en schimmels) kwamen om 10 vóór 12 tot ontwikkeling, voorafgegaan door de eencellige eukaryoten die zich voor het eerst lieten zien rond half 12. Het eerste half uur was volledig gevuld met prokaryoten ((arche)bacteriën). Misschien dat deze uit levenloze materie zijn ontstaan (op aarde of elders) maar dát was in elk geval vóór elven. Opvallend is dat het hoofdstuk Evolutie focust op die laatste minuut. Een kritische leerling zal zich afvragen of natuurlijke selectie en populatiegenetica over de hele tijdschaal geldt. Vooral op de in het oog springende momenten waarop er iets wezenlijks verandert. Wat is daar aan de hand? Telkens als die vraag rijst moet ik denken aan de kritische leerling die zich had verwonderd over de vorm van Afrika en Amerika waardoor de continenten op aansluiten-de puzzelstukjes lijken (in An Inconvenient Truth van Al Gore). Ook de ontwikkeling van het leven op aarde vertoont namelijk opmerkelijke scheilijnen. Uitgezonderd de endosymbiontentheorie (ontstaan van eukaryoten uit symbiotische prokaryoten) wordt in geen enkele methode aandacht besteed aan die evolutionaire reuzensprongen. In 1995 publiceerden Szathmary en Maynard Smith in Nature voor het eerst een lijstje van major transitions in evolution. Zij onderscheidden een achttal overgangen: ‘symbiose’ tussen replicerende en membraan vormende moleculen; clustering van replicerende moleculen tot chromosomen; ontstaan van de genetische code; endosymbiose; overgang van aseksuele klonen naar seksuele populaties; overgang van protist naar meercelligen (differentiatie); overgang van solitair naar kolonie; ontstaan van de talige humane samenleving. Aan de hand van uiteenlopende criteria kon hun lijstje worden veranderd of uitgebreid (met bv. de kolonisatie land door korstmos; ontstaan van het immuunsysteem). Eén ding hebben die lijstjes gemeen: er is sprake van een toenemende complexiteit.

 

 

Evolutionaire transities hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Elke transitie verschaft een reeks volledig nieuwe attri-buten. Daarbij is de entiteit of het systeem zowel in complexiteit als in omvang met minstens een factor 10 toegenomen. De transitie kan worden geïnterpreteerd als een stap naar een volgend organisatieniveau. Om de transitie mogelijk te maken vormen de betrok-ken componenten een band met voldoende overlevingskans om het volgende niveau te betreden. De componenten zijn in principe niet identiek, ze zijn zelfs heel verschillend (als er veel componenten betrokken zijn kunnen ze in groepen voorkomen) en hun oor-spronkelijke 'vrijheid' wordt omgevormd tot een onderlinge alliantie. Kenmerkend voor transities is dat ze iets nieuws toevoegen en niet iets vervangen dat al bestaat (de term ‘revolutie’ voor dergelijke veranderingen is dus pertinent onjuist). In feite interageren de nieuwe systemen met de reeds bestaande organisatieniveaus, wat nog eens een extra dimensie van complexiteit met zich mee-brengt.

   Een systeem wordt emergent genoemd als de componenten innovatieve kwaliteiten hebben die het systeem in staat stellen 'een nieuwe dimensie te veroveren'. Synergie speelt een sleutelrol bij de ontwikkeling van complexe systemen, vooral met betrekking tot hun samenwerking. In de (organische) evolutie kan het worden opgevat als een functioneel principe met betrekking tot de overle-vingskans van emergente systemen. In het kader van niet-lineaire dynamische systeemmodellen beschouwt Kauffman synergie (emergentie) als de uitkomst van een zelforganiserend systeem met binaire subsystemen, balancerend tussen een chaotische en een sterk geordende toestand.

   Er is sprake van synergie bij de vorming van elementaire deeltjes, atomen en moleculen, bij het tot stand komen van chemische verbindingen, bij het ontstaan van leven, bij de endosymbiotische vorming van eukaryote cellen, bij de ontwikkeling van meercellige organismen, bij de verovering van het land door terrestrische symbionten, bij socialisatie door individuele organismen en bij de wereldwijde communicatie via elektronische netwerken. In managementadviesbureaus wordt synergie vaak gebruikt om de voorde-len van samenwerking aan te geven. Vaak wordt op deze voordelen gewezen om bedrijfsfusies, meestal ten koste van het personeel, te verdedigen. Als het om verschillende biologische soorten gaat gebruikt men liever de term symbiose. Synergie wordt ook gebruikt als een overkoepelende term voor allerlei soorten onherleidbare coöperatieve effecten. Dit zou gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden, omdat creationisten geloven dat onherleidbare complexiteit het bestaan van Intelligent Design bevestigt. Onherleid-baarheid is echter een illusie. De onmogelijkheid om complexe structuren te vereenvoudigen wordt veroorzaakt door dogmatisch denken en gebrek aan creativiteit. Niet-lineaire oscillaties lijken alleen maar onvoorspelbaar. Zodra je doorhebt wat er aan de hand is zijn de oorzaken, weliswaar achteraf, eenvoudig te begrijpen. Zolang een causale verklaring zoals ‘natuurlijke selectie’ de zoeker inzicht verschaft, is er geen logische noodzaak om op zoek te gaan naar een goddelijke ontwerper of Bijbelse verklaring.

 

 

Het blinde toeval, dat op het onderliggende genetische mechanisme van de natuurlijke selectie van toepassing is, geldt waarschijnlijk niet alleen voor dieren maar ook voor eencellige protisten en bacteriën. Voor de transities naar een hoger plan, het opgeven van de eigen identiteit ten behoeve van een innige samenwerking, is echter meer nodig. Dat schijnbaar doelgerichte streven naar grotere complexiteit prikkelt sommigen tot de religieuze aanname van een anti-causale, uit de toekomst afkomstige aantrekkingskracht die het evolutieproces voorttrekt. Terecht noemt Klapwijk (2009) de transitie een voorbeeld van emergentie, een nieuwe zijnsvorm die niet simpel valt te herleiden tot de eraan voorgaande componen-ten. Maar dat betekent nog niet dat zo’n emergentie geen causale ontstaansgeschiedenis kent (zie Van Belle & van der Veken, 2008). Door de structuren tijdens hun transitie te zien als complexe systemen met zelforganisatie, wekken de inherente dynamische attractoren de suggestie van doelgerichtheid. Maar daar is niets teleologisch aan. De nieuwe fase in ontwikkeling wordt gekenmerkt door emergentie maar is geheel verklaarbaar uit causale factoren. Iedereen kan bij het Santa Fe Institute een gratis cursus volgen om kennis te maken met de voor evolutiebiologen onmisbare complexe adaptieve systemen.*

 

Ontstaan van nieuwe structuur (met  emergente eigenschappen) in complex systeem.

uit: R. Lewin Complexiteit Contact,1993

 

 

Primordiale overgangen

De organische evolutie op aarde werd voorafgegaan door een veel langere periode van meer dan 10 miljard jaar anorganische evolutie waarin ons universum zich ontwikkelde. Astrofysische rapporten over de vroege ontwikkeling van materie en de latere oorsprong van sterrenstelsels gaan allemaal uit van een beginstadium, toen het universum volledig gevuld was met energie en materie met een oneindige dichtheid en lichte kwantumoscillaties vanwege het onzekerheidsprincipe van Heisenberg (dit laatste veroorzaakte lokale dichtheden in een verdere homogene ruimte). Vanaf het eerste moment breidde een immens heet universum zich met grote snelheid uit terwijl de aanvankelijke losse subatomaire deeltjes na verloop van tijd samenklonterden. De oorspron-kelijke nucleosynthese zorgde voor de initiële synergetische stap bij de vorming van de materie. Up- en down-quarks verenigden zich om binnen een fractie van een seconde protonen en neutronen te vormen en na ongeveer driekwart van de eerste miljoen jaar waren de meeste vrije elektronen aangetrokken om atomen samen te stellen (waterstof, deuterium, helium en lithium). Vanaf dat moment werd het universum transparant.

   In de lokaal dichtere gebieden van het steeds groter wordende heelal ontstonden gaswolken van lichte elementen. Binnen deze wolken werd de dichtheid zo hoog (door zwaartekracht) dat door fusie van de lichte elementen sterren en zelfs zwarte gaten ontston-den. Te grote sterren explodeerden en slingerden zware verbrandingsproducten de ruimte in. Dit proces werd geregeld herhaald, waardoor stofwolken van elementen (waaronder zwaardere) die rond een ster circuleerden, konden evolueren tot planeten, terwijl het sterk geëxpandeerde universum tot nog maar enkele graden Kelvin was gedaald.

   Entropie kan worden gedefinieerd als het totaal van mogelijke arrangementen van componenten binnen een systeem, zonder het systeem als geheel te veranderen. Het is een maat voor de hoeveelheid chaos in een fysiek systeem. Volgens de tweede wet van de thermodynamica zal de entropie van een geïsoleerd systeem dat niet in evenwicht is, in de loop van de tijd toenemen en bij even-wicht een maximale waarde benaderen. Sinds het beginstadium lijkt het universum echter niet in staat te zijn om een toestand van energie-evenwicht te herwinnen omdat de expansie voortdurend versnelt. Men veronderstelt dat het universum nauwelijks zou kunnen uitbreiden als het niet geïsoleerd was van aangrenzende systemen. Toch raakt het systeem steeds verder verwijderd van een evenwichtsverdeling van energie en deeltjes naarmate de universele expansie blijft versnellen, waardoor tegelijkertijd de drang naar evenwicht wordt vergroot.

   Hoe dan ook, de synergetische assemblage van elementen uit subatomaire deeltjes in de condenserende intergalactische wolken werd voortgezet zodat er steeds meer sterren werden gevormd. Volgens de accretietheorie zouden planeten zijn geëvolueerd uit het resterende circulerende stof. Ondertussen waren voldoende afgekoelde atomen in staat om moleculen te vormen. Deze formatie was een voorwaarde om verdere ontwikkeling overal in de ruimte te mogelijk te maken. Aangezien het grootste deel van het univer-sum voor elke waarneming verborgen blijft en zelfs in ons eigen melkwegstelsel deze ontwikkeling buiten onze waarneming valt, kunnen we maar beter dicht bij huis blijven.

   Op onze aarde waren de meest voorkomende elementen ijzer en stikstof. Een zwaar element als ijzer werd naar het centrum getrokken, terwijl de atmosfeer voornamelijk werd gevormd door gassen die ontsnapten uit de afkoeling van rotsachtige materialen. De aanwezigheid van zuurstof werd onmiddellijk ongedaan gemaakt door oxidatie van andere elementen zoals waterstof, koolstof en silicium, waarbij water, CO2 en kwarts ontstonden. Naast stikstof moet de vroege atmosfeer hoge concentraties kooldioxide en waterdamp (H2O) hebben bevat, evenals ammoniak, waterstofsulfide en methaan.

 

 

Niet alleen organismen zijn het resultaat van emergente evolutie, ook de niet-levende materie is er door gevormd. Dit biedt kansen voor interdisciplinaire samenhang met andere beta-vakken. De grote moleculen aan het begin van de abio-genese (RNA, eiwitten, lipiden) zijn opgebouwd uit kleinere verbindingen met waterstof (meest voorkomende stof in het heelal) en oxidatieproducten (kiezel, water, koolzuur, allerlei ‘vervuiling’). Ongeacht of de abiogenese op aarde of op een meteoriet plaatsvond, de ‘grote’ atomaire bouwstenen (C, O, N, S, F, enz.) waaruit de moleculen bestaan zijn altijd afkomstig uit interstellaire gaswolken. Door de explosieve kracht van supernova’s werden ze gevormd uit waterstof en helium, de stoffen waaraan sterren hun bestaan ontlenen (waterstoffusie).

   Aanvankelijk, miljarden jaren geleden, was het heelal geheel gevuld met waterstofatomen. Door onderlinge aantrekking vormden ze clusters die door de gravitatie steeds zwaarder en heter werden (stervorming). De waterstofatomen zelf zijn in de eerste miljoen jaar na de oerknal ontstaan doordat vrije elektronen gaandeweg permanent werden ‘ingevangen’ door losse kernen (door de duurzame ontkoppeling van fotonen werd het heelal toen transparant). De atoomkernen werden enkele minuten na de oerknal geboren uit samenklittende protonen en neutronen die niet langer door energierijke deeltjes uit elkaar werden geslagen. Op hun beurt werden de materiedeeltjes (hadronen) in de eerste seconde gevormd uit samensmeltende quarks onder invloed van de sterke wisselwerking (gluonen). Eerdere ontwikkelingen in de ontzaglijke hete en dichte Oersoep is onderwerp van theoretische speculatie, het noodzakelijke energieniveau kan in geen enkele deeltjesversneller op aarde worden bereikt.

   Het ontstaansproces van de materie mag dan buiten het examenprogramma vallen, als onderdeel van ‘big science’ en het emergentie paradigma mag het niet ontbreken. 

 

 

Vanwege wiskundige problemen werden concepten als antideeltjes en denkbeeldige tijd geïntroduceerd. Die had men liever dan een oorzaak in de toekomst zoals sommigen voorstelden. De steeds groeiende complexiteit op microniveau leek te worden veroorzaakt door een attractor die de tweede hoofdwet van de thermodynamica tegenspreekt. Deze negentropie of syntropie wordt wel be-schouwd als een analogie van antimaterie en is wiskundig afgeleid van de vierkantswortel in de energie / momentum / massa-vergelijking die zowel een positieve (convergente) als negatieve (divergente) oplossing heeft. Deze syntropie is een intrigerend con-cept dat complexiteit kan veroorzaken via vreemde attractoren zoals in niet-lineaire dynamische systemen. Het concept wordt echter van nature omarmd door creationisten, waardoor het gebruik ervan ongemakkelijk wordt voor wetenschappelijke toepassing. De tweede wet van de thermodynamica is alleen van toepassing op geïsoleerde systemen, dus - tenzij een steeds groter wordend universum niet als een geïsoleerd systeem wordt beschouwd - is het gebruik van syntropie beperkt tot 'open' (energie-verwerkende) systemen, zoals levende organismen.

 

Autokatalyse

De organische evolutie op aarde kan worden beschouwd als een voortzetting van het thermodynamische principe van energie-transductie. Vanwege het onzekerheidsprincipe van Heisenberg en het uitsluitingsprincipe van Pauli, zou een hele reeks moleculen met hun substantiële kenmerken kunnen worden geproduceerd door louter grootte-variatie van de verschillende atomen en hun onderlinge elektronenuitwisseling. Een enorme verscheidenheid aan 'vrije' chemische verbindingen (tegenwoordig zijn ze meestal verankerd in organische structuur of proces) vergroot de kans op de aanwezigheid van katalysatoren die nog meer chemische structuren mogelijk kunnen maken. In een willekeurig mengsel van reagentia wordt vroeg of laat een katalysator gesynthetiseerd. Deze katalysator zal de verdere processen binnen het mengsel in een bepaalde richting leiden door willekeurige reacties tegen te gaan. Door autokatalytische en oscillerende reacties op gang te brengen, ontstaat er een onvermijdelijk proces.

   Een reconstructie van de oorsprong van het leven is hoogst hypothetisch, maar er zijn enkele onbetwistbare premissen. Om een entiteit als een levend wezen te definiëren, moet het aan ten minste twee voorwaarden voldoen. De entiteit moet i) repliceerbaar zijn om informatie over zichzelf door te geven, inclusief het vermogen om te repliceren, en de entiteit moet los van de buitenwereld ii) beschikken over een interne omgeving om energie op te wekken. Uiteindelijk kon er homeostase ontstaan - voor sommigen kan dit zelfs een voorafgaande toestand zijn - door selectieve transudatie van ionen terwijl de nodige energie werd geleverd door chemische modulaties in organisch materiaal. Dat laatste was overvloedig aanwezig door abiotische synthese in de buurt van vulkaanuitbars-tingen en wellicht door elektrische ontladingen in de reducerende gasatmosfeer.

   Tijdens de enorme tijdspanne dat leven kon ontstaan hoefde replicatie met waarschijnlijk een stof als het huidige RNA maar één keer te gebeuren. Door zichzelf in stand te houden zou het blijven repliceren en verdere complexiteit ontwikkelen om zo zichzelf te verbeteren. Dit zou kunnen verklaren waarom alle moderne organismen dezelfde structuren hebben om informatie over te dragen.

   Na de ontdekking van katalytische RNA's (introns) bij zeer uiteenlopende organismen, is er veel gespeculeerd over hun betekenis in de vroege evolutie van het leven.

   Een autokatalytisch chemisch netwerk lijkt een serieuze en plausibele kandidaat om de eerste RNA's te hebben geproduceerd. Dit kan voorafgegaan zijn door een reducerend chemisch reactie-netwerk om energie te leveren (zoals in moderne chemotrofe bacte-riën). Als prebiotisch metabolisme werd een omgeving voorgesteld met autokatalytische niet-polymere moleculen, zoals moderne co-enzymen, als voorlopers van nucleotiden. Deze moleculen koloniseren het oppervlak van zelfassemblerende olie-druppeltjes, oxi-deren de koolwaterstoffen in de olie en veranderen langzaam maar zeker de structuur in een membraan. De verwijdering van een interne omgeving zou mogelijk ook geleverd kunnen worden door zelfgeorganiseerde lipidemembranen.

   Het idee van zelforganiserende autokatalytische chemische systemen als basis voor de vorming van vroege zichzelf onderhoudende pre-metabolische moleculaire netwerken wordt serieus onderzocht en is geschikt gebleken om informatieoverdracht van de ene generatie naar de volgende mogelijk te maken.

   De oeratmosfeer was sterk reducerend qua samenstelling (voornamelijk H2O, CO2 en N2) en kwam vooral voort uit ontgassing tijdens meteorietinslagen (in plaats van uit de aardmantel zelf). In tegenstelling tot wat lang werd gedacht, namelijk dat NH3 en CH4 belangrijke componenten waren van de vroege atmosfeer, zouden deze gassen alleen aanwezig zijn geweest in de buurt van vulkaan-uitbarstingen en opgelost in de oceanen. De samenstelling van de atmosfeer was bepalend voor het ontstaan van leven wat betreft de aanwezige componenten in potentiële autokatalytische netwerken en met het oog op de mogelijke fotochemische reacties en het soort doorgelaten straling vanuit de ruimte. De afwezigheid van ammoniak en methaan in de atmosfeer gaf aanleiding tot de hydro-thermische hypothese die een onderzeese oorsprong van leven suggereert. En er is de theorie van panspermie die veronderstelt dat biochemische verbindingen uit de ruimte afkomstig zijn. Hoewel een exogene bron van organische moleculen als oorsprong van het leven in tegenspraak is met zowel de filosofische afwijzing door Ockham's scheermes als met de meer pragmatische overweging dat slechts een kleine fractie een inslag op aarde zou overleven, wint het aan waarschijnlijkheid in een atmosfeer die wordt gegenereerd door vrijkomende gassen bij meteorietinslagen. Volgens de opvatting dat evolutionaire veranderingen met hele kleine stapjes heeft plaats gevonden, zou het leven lang voordat de aarde werd gevormd zijn begonnen en daarom op een andere planeet moeten zijn ontstaan. De berekeningen kunnen echter op verkeerde aannames gebaseerd zijn en onvoldoende rekening houden met de attrac-toren in de dynamische subsystemen, wat de accumulatieperiode aanzienlijk zou kunnen verkorten.

   Van de talrijke microsferen moeten sommige een replicerende structuur hebben omsloten. De kans op een goede combinatie was misschien miniem, het aantal moleculen en de beschikbare tijd waren daarentegen immens. Punt is dat de eerste complexe struc-turen die aan de meest fundamentele eisen van levensvatbaarheid voldeden, evolueerden door fusie van de juiste ingrediënten in plaats van door selectie. De eigenschappen van de losse componenten bleven intact en hun combinatie leverde iets op dat er nooit eerder was. Perfecte synergie. Of liever, emergentie.

 

Vroege organische evolutie

Neem een enkele oude microbe die zich slechts één keer per jaar repliceert (als de omgeving op-timaal is, kunnen moderne microben zich elke 20 minuten delen) en stel dat de diameter ervan 1μm bedraagt, dan zou na het totale wateroppervlak op aarde bedekt na 100 jaar bedekt zijn met een bacteriële deken van meer dan 3μm dik. Je kunt dit zelf berekenen voor 2100 microben met een afmeting van 1 x 1 x 1 μm over een oppervlak van 3,7 x 108 km2.

   De eerste protobionten (een combinatie van een omhullend membraan, een replicatieapparaat en voldoende katalytisch vermogen om de motor te laten draaien) waren hoogstwaarschijnlijk chemotrofen met een omgekeerde Krebs-cyclus die al het beschikbare (an)organische materiaal 'consumeerden'. De energie die door deze autotrofe replicatoren werd gegenereerd, zou afval produceren dat vroeg of laat op een vergelijkbare manier door andere protobionten kon worden gebruikt. En hun afval weer door anderen, enz. Het is het begin van een organische co-evolutie (onderling afhankelijke relatie) en tegelijkertijd zou natuurlijke selectie (competitie) zijn biologische debuut maken. Autokatalytische replicatie van losse bouwstenen werd gereguleerd (we weten nog niet hoe) en omgezet in reproductie.

   De oersoep van protobionten zag er misschien wat chaotisch uit met veel interacties en in- en uitsluitingen van grotere en minuscule bio-druppeltjes. Het minimaliseren van het aantal membraanverbindingen resulteerde in een bolvorm vanwege de fysische wetma-tigheden. Chemische eigenschappen van de verbindingen konden leiden tot plooien en uitrekking als de omgevingsdruk hoger was dan de morfogenetische kosten, zo die er al was.

   De vroegste prokaryote fossielen - tegenwoordig wordt de term prokaryoot vervangen door echte bacteriële - dateren van ongeveer 3,8 miljard jaar geleden (nabij Quebec). Aangezien de aarde zelf hooguit 4,5 miljard jaar oud is, moeten deze prokaryoten gedurende de eerste paar honderd miljoen jaar zijn geëvolueerd - de suggestie dat levende organismen de aarde vanuit de ruimte hebben geko-loniseerd leidt alleen maar af en maakt de zaak onnodig ingewikkeld. Het lijkt aannemelijk dat veel van de oorspronkelijke levens-vormen zijn verdwenen nadat ze werden opgeslokt, opgenomen of ingekapseld door meer succesvolle vormen die in staat waren om specifiek organisch materiaal op een meer efficiënte wijze te verwerken. Dit zou natuurlijke selectie kunnen worden genoemd, maar niet zoals Darwin het definieerde. Eén oude groep bacteriën, de Archeae, bestaat echter nog steeds en ze onderscheiden zich van alle andere moderne levensvormen door een specifieke samenstelling van hun membranen. Tot de Archeae behoren de enige moderne levensvormen die extreme temperaturen en zoutconcentraties (extremofielen) kunnen overleven.

 

Moderne bacteriën zijn enorm talrijk en kunnen op verschillende manieren worden geclassificeerd. Het meest algemeen zijn de fotolithotrofen die licht en een anorganische elektronendonor (H2O, H2S of S) gebruiken en de chemoorganotrofen die redoxreacties en een organische elektronendonor gebruiken. Om aan koolstof te komen nemen de autotrofen zoals cyanobacteriën CO2 op of breken ze organisch materiaal af (heterotrofen zoals parasieten en reducenten). Aërobe hetrotrofen gebruiken zuurstof als elektronen-acceptor, anaërobe geven hun elektronen af aan een verscheidenheid van (an)organische chemicaliën. Sommige van de aanwezige bacteriën zijn aëroob maar niet autotroof (nitrificatiebacteriën), andere gebruiken licht maar geen CO2 (paarse bacteriën). De immense diversiteit van tegenwoordig moet destijds beslist onbeduidend zijn geweest aangezien moderne bacteriën in hoge mate afhankelijk zijn van andere levensvormen (en vice versa). Toch vormden ze een onvermijdelijk matrix voor verdere organische evolutie.

   Reproductie van bacteriën wordt voornamelijk gerealiseerd door binaire splitsing, terwijl verschillende manieren van recombinatie voorhanden zijn. De onverwachte, vaak voorkomende laterale overdracht van genetisch materiaal tussen verschillende bacterie-stammen wil niet zeggen dat deze ook drie miljard jaar geleden voorkwam, maar ondersteunt nog wel steeds het idee van emergente evolutie.

   Ervan uitgaande dat er voldoende organisch materiaal beschikbaar was voor een wereldwijde groei, lijdt het geen twijfel dat, naast selectie door genetische mutaties, de ophoping van microben gemakkelijk allerlei soorten fusies tot gevolg had. Een direct bewijs voor emergente evolutie tijdens de eerste miljard jaar van organische evolutie is niet voorhanden. Het is wel aannemelijk.

 

Endosymbiose

De echte bacteriën hebben celmembranen die vergelijkbaar zijn met die in alle andere organismen (behalve de Archeae). Dit feit, evenals hun eenvoudige structuur (geen organellen; vrij DNA), maakt het aannemelijk dat alle eukaryoten zijn geëvolueerd uit de echte bacteriën. Onder de vele complexe moleculen waren er enkele straling-absorberende eiwitten, via welke elektronen op andere moleculen konden worden overgebracht om daarmee wat energie op te wekken. Een primitieve fotosynthese verving bij sommige bacteriën de chemische omzettingen die nodig waren om energie op te wekken. Het bijproduct zuurstof kan voor veel van de organische structuren behoorlijk schadelijk zijn geweest.

   De opmerkelijke overeenkomsten tussen vrijlevende cyanobacteriën en de chloroplasten in moderne plantencellen waren een eerste aanleiding tot de ontwikkeling van de seriële endosymbiotische theorie. Hoewel niet unaniem gesteund wordt nu algemeen aangenomen dat zowel chloroplasten als mitochondriën zijn geëvolueerd uit bacteriën die ingekapseld werden door een grotere entiteit. De combinatie van fotosynthese en zuurstofrecycling was een volgende stap in de emergente evolutie. De basissubstantie van de eukaryote cel, het nucleocytoplasma, is mogelijk ontstaan uit een associatie tussen archeae en anaërobe heterotrofe bacte-riën, terwijl het nucleaire omhulsel en het endoplasmatisch reticulum tot stand kwamen door zelfassemblage. Deze zogenaamde proto-eukaryoten zouden dan cyanobacteriën en paarse niet-zwavelbacteriën hebben opgenomen die we nu kennen als resp. chloroplasten en mitochondriën. Deze hypothese over een ontwikkeling van enkele miljarden jaren geleden verdient enig voor-behoud en moet misschien op details worden herzien. Er bestaan tegenstrijdige theorieën over de oorsprong van trilharen en andere bewegingsstructuren in eukaryoten. Voorstanders van de seriële endosymbiotische theorie beweren dat voorouders van moderne spirocheten zijn doorgedrongen in de proto-eukaryoten om microtubuli en undulipodia te vormen. Endogene modellen gaan ervan uit dat de flagella zijn ontstaan uit componenten van het eukaryote cytoskelet.

   Ook over de oorsprong van de eukaryote kern zijn de meningen verdeeld. Het endogene model is gebaseerd op de aanname dat de kern selectief is voortgekomen uit een gemodificeerd reeds bestaand endomembraansysteem. Volgens het syntrofische model is de kern ontstaan uit een fusie tussen archaea en bacteriën of tenminste uit de endosymbiotische opname van archeaeïsche eigen-schappen in een gastcel. Er is ook toenemende belangstelling voor de mogelijke rol van virussen bij het ontstaan van de eukaryoten.

 

Van eencellig naar meercellig

Gedeeltelijke mitose, aan elkaar blijven plakken na deling, kolonievorming, er zijn diverse mogelijkheden hoe meercellige organismen uit enkele cellen zijn voortgekomen. Wat ze gemeen hebben, is de noodzakelijke samenwerking tussen de cellen. Sommigen denken dat het ontstaan van meercellige organismen een natuurlijk gevolg was van een kolonie cellen die continu kon groeien. Alle water-organismen werden meercellig door gedeeltelijke mitose terwijl bij de meeste ter-restrische micro-organismen sprake was van een soort beweeglijke aggregatie van cellen of kernen in een meerkernig syncytium. Of de meercellige organismen voortkwamen uit aggregaties van gelijkaardige eencellige organismen zoals in de huidige slijmzwammen of dat multicellulariteit voortkwam uit verschillende soorten eencellige organismen (symbiose-theorie), in beide gevallen zou men kunnen spreken van emergente evolutie. In nauw verwante cellen kan hun samenwerking worden begrepen uit het oogpunt van 'egoïstische genen' terwijl de vorming van kolonies van minder verwante individuele cellen verklaard zou kunnen worden met het 'prisoners dilemma'. Aangezien multicellu-lariteit waarschijnlijk vele malen onafhankelijk is geëvolueerd, zijn mogelijk alle scenario's gerealiseerd.

   Onlosmakelijk verbonden met multicellulariteit zijn celdifferentiatie en apoptose (celdood) die mogelijk hun oorsprong hebben in hun eigen geschiedenis, dat wil zeggen, de eencellige evolutie. De toegenomen genoomcomplexiteit die samenvalt met multicellu-lariteit houdt hoogstwaarschijnlijk verband met intercellulaire communicatie en eerder genoemde processen.

   Samenwerkende eenheden van cellen met verschillende taken zullen op het terrein van vruchtbaarheid en levensvatbaarheid een enorm voordeel hebben opgeleverd ten opzichte van eencellige organismen. Bij eencellige individuen moet dezelfde cel voor beide fitnesscomponenten zorgen, terwijl bij meercellige organismen afzonderlijke cellen zich kunnen specialiseren. Selectieve druk is voordelig bij grote verscheidenheid en kan eencellige organismen aanzetten tot kolonievorming om vervolgens te evolueren tot meercellige individuen. Grootte kan gunstig zijn voor de levensvatbaarheid (zoals predatie vermijden, grotere prooien vangen, buffervorming) en voor de vruchtbaarheid. Naarmate de grootte verder toeneemt, kunnen de voordelen voor levensvatbaarheid en vruchtbaarheid nog beter worden door kiemvorming en de volledige scheiding tussen kiem en soma. Met het resultaat wordt een verhoogde complexiteit bereikt.

   Toen meercellige organismen ruim een half miljard jaar geleden ontstonden, waren alle fundamenteel verschillende bouwplannen van de moderne phyla al vertegenwoordigd. De variatie in bouwplan bleef beperkt door intrinsieke wetmatigheden van de sub-systemen tijdens de ontogenie. Ongeveer 50 miljoen jaar later verdween 85% van de meercellige organismen en verdwenen de meeste phyla voor altijd. Deze eerste bekende massa-extinctie viel samen met de vorming van Gondwanaland. Blijkbaar werkten de externe omstandigheden (verkorte kustlijn en verlaagde gemiddelde temperatuur) als een selectief mechanisme ten gunste van slechts enkele bouwplannen.

   Volgens het fossielenbestand kwamen na de multicellulariteit de terrestrische planten en dieren relatief snel tevoorschijn. Aange-zien de oudste overblijfselen van organisch aards leven meer dan 2 miljard jaar oud zijn, is het aannemelijk dat het meeste ervan destijds beschikbaar was als voeding voor de eukaryote nieuwkomers. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste terrestrische eukaryoten autotroof waren, zodat ze bijdroegen aan een verdere toename van het zuurstofgehalte in de atmosfeer. Omdat de ozon-laag nog niet volledig was ontwikkeld was het stralingsniveau bedreigend hoog. Daardoor was de aarde voor de nieuwe levensvor-men een levensgevaarlijke omgeving. Het land was voedselarm, fysiek onstabiel en onderhevig aan sterke temperatuurschomme-lingen. Alleen alluviale of lacustriene laaglandgebieden met fijnkorrelige bodems die water en voedingsstoffen konden vasthouden, waren mogelijk een geschikte habitat voor de eerste landplanten.

   Men vermoedt dat de kolonisatie van het land door eukaryoten waarschijnlijk werd vergemakkelijkt door symbiose tussen een fototroof en heterotroof organisme. Het fossielenbestand in dit opzicht is ontoereikend. De symbiotische samenwerking tussen schimmels en algen of cyanobacteriën bestond echter al lang vóór de evolutie van vaatplanten en hun synergetisch aandeel in de terrestrische invasie was onvermijdelijk. Met hun hyfen konden de schimmels water en opgeloste anorganische ingrediënten op-nemen, terwijl de ingesloten fototrofen de benodigde suikers leverden. Fotosynthetiserende algen waren veel te kwetsbaar om alléén te overleven en werden beschermd tegen te grote hoeveelheden UV-straling en uitdroging door de cuticula van de schimmel.

   De meeste moderne embryofyten (landplanten) onderhouden nog steeds een symbiotische relatie met schimmelhyfen in de vorm van mycorrhiza, om het contactoppervlak van het wortelsysteem van de plant te vergroten. Bovendien kan de mycorrhiza voedings-stoffen leveren die zonder deze samenwerking voor de plant niet beschikbaar zouden zijn.

   Moderne korstmossen bestaan uit een symbiotische associatie van een schimmel en een groene alg. Ze kunnen extreme omstan-digheden overleven, hoewel sommige soorten behoorlijk gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Uit onderzoek blijkt dat daarnaast ook bacteriën verschillende functionele rollen kunnen vervullen binnen de symbiose van korstmossen.

   Verschillende moderne groepen kolonievormende algen zijn tussenproducten tussen eencellige en meercellige planten. Het meest bekend onder de groene algen zijn de bolvormige kolonies van Volvocales die zijn samengesteld uit talrijke flagellaten met af en toe cytoplasmatische verbindingen en een duidelijke voor- en achterzijde. Groene algen van het geslacht Scenedesmus scheiden prikkels af om kleine niet-beweeglijke kolonies te vormen, waarschijnlijk om predatie te voorkomen (de kolonie is te groot om door zoö-plankton te worden geconsumeerd). Veel goud- en geelbruine algen (chrysophyta) en diatomeeën (bacillarioophyceae) kleven aaneen tot kolonies, de laatste met een rudimentaire celdifferentiatie.

   Moderne slijmzwammen beginnen als een eenkernige amoebe. Tijdens de groei delen alleen de kernen zich en ontwikkelt het orga-nisme zich tot een groot meerkernig plasmodium. Als de omstandigheden gunstig zijn voor vruchtvorming, valt het plasmodium uit-een om een vruchtlichaam te vormen dat haploïde sporen draagt. Daaruit ontwikkelen zich de gameten van de volgende generatie.

   De moderne porifera (sponzen) nemen als meercellige organismen een positie in tussen de eencellige protozoa en de metazoa met een zenuwstelsel. Van alle moderne dieren zijn ze het nauwst verwant met de voorouderlijke oermetazoa. Ze zijn samengesteld uit een beperkt aantal gedifferentieerde cellen die, na scheiding, weer samenklitten tot het oorspronkelijke dier. Het bestaan van cel-adhesiemoleculen maakte de ontwikkeling van een koloniaal organisme mogelijk. Sponzen hebben geen zenuw- en spierweefsel. Cellulaire communicatie en coördinatie worden chemisch gegenereerd door een complexe reeks moleculaire componenten in plaats van door elektrische geleiding.

 

 

UITSTERVEN 

Gedurende vier miljard jaar aan levensgeschiedenis op aarde zijn er regelmatig massale uitstervingen geweest waarbij de dominante soorten het veld moesten ruimen en plaats maakten voor nieuwe. Waardoor de overheersers verdwenen is vaak ongewis en naarmate de gebeurtenissen zich recenter afspeelden is zijn er meer details bekend. Zoals het massale sterven van veel soorten in het Meghalayaan (de afgelopen 4500 jaar) a.g.v. ziekteverwekkers, vervuiling en verdringing door Homo sapiens. Maar de alomvattende overheersing van de mens heeft tijdens het anthropoceen nog niet tot massaal uitsterven van andere soorten geleid zoals in het verleden.

   Uitstervingsgolven zijn essentieel voor de evolutie, ze bieden ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe soorten. Er verdwijnt in een relatief korte tijd minstens 75% van de voorkomende soorten.

   Sinds het bestaan van meercellige organismen (planten, dieren en schimmels) hebben er zes grote catastrofen plaatsgevonden. De eerste was in het Ordovi-cium, ca. 450 miljoen jaar geleden (450 Ma) en reduceerde het aantal soorten met 85%. Een sterke daling van het CO2 gehalte in de atmosfeer, mogelijk door een ongebreidelde toename van landplanten, leidde tot een ijstijd. Verandering temperatuur en zeeniveau waren de boosdoeners maar de oorzaak is onbekend. De tweede uitstervingsgolf vond plaats in het Devoon, ca. 400 Ma en werd mogelijk veroorzaakt door meteorietinslagen. Ook deze periode wordt gekenmerkt door een sterke fluctuatie van het CO2 gehalte. De derde en vierde golf vonden betrekkelijk kort na elkaar plaats, resp. 260 en 250 Ma. Daarbij verdwenen bijna alle soorten van de aardbodem. De oorzaak wordt gezocht in wijdverbreid vulkanisme (vloed-basalten) waardoor het CO2 gehalte steeg, met sterke tempera-tuurstijging en verzuring van de oceanen tot gevolg. De volgende massa-extinctie, ca. 200 Ma, treft vooral het landleven waar ca. 80% van de soorten verdwij-nen. De oorzaak is onbekend maar ook hier vermoedt men vulkanisme en klimaatverandering. De laatste uitstervingsgolf vond ca. 65 Ma plaats door de inslag van een komeet in Yucatan, waarbij 50% van het zeeleven en alle grote landdieren het loodje legden.

   De oudste bekende massa-extinctie was de grote oxygenatie, ca. 2500 Ma, toen cyanobacteriën met fotosynthese grote hoeveelheden zuurstof produceerden. Oxidatie bedreigde alle anaerobe levensvormen en tastte de broeikasgassen aan, met een wereldwijde afkoeling tot gevolg, die bijna fataal was voor de cyano-bacteriën zelf. De eerste meercellige organismen waren sessiel en verdwenen ca. 540 Ma massaal, kort voor de Cambrische explosie. Mogelijk werden ze slachtoffer van predatie door organismen die zich wel konden voortbewegen.

   Heel recent, ca. 2 Ma, zou een reeks supernova’s de ozonlaag hebben aangetast waardoor een groot aantal kleine organismen door kosmische straling werd gedood. Hierdoor werd het ecosysteem van de oceanen verstoord. In hoeverre dat van invloed is geweest op de concentratie broeikasgassen en de afwisselende ijstijden en interglacialen is onbekend.

   Massa-extincties zijn van invloed op het verloop van de evolutie. De samenhang met emergentie is discutabel.*

  
 

Op de geologische tijdschaal bestaan wij nog maar betrekkelijk kort, hooguit 5 miljoen jaar. Toen liepen er primaten rond met woekerende zenuwcellen in hun hersenpan en een heterochronische verandering in hun ontwikkeling. Deze afwijking veroorzaakte neotenie (vroeggeboorte) wat goed van pas kwam omdat de uitdijende schedel nog maar nauwelijks het ge-boortekanaal kon passeren (een te grote schedel heeft wellicht bijgedragen aan het uitsterven van sommige Hominidae). De vertraagde ontwikkeling door heterochronie leidde ook tot uitstel van de secundaire geslachtskenmerken en tot een toegenomen afhankelijkheid van soortgenoten. De langdurige zorg die de jongen vereisten stimuleerde het sociale gedrag van deze groepsdieren.

   Van de Hominidae bestaan er nog 8 soorten, de grote mensapen en wijzelf. De rest, een kleine 50 soorten, is uitge-storven. Dat Homo sapiens de vroege strijd om het bestaan heeft kunnen overleven wordt voornamelijk toegeschreven aan zijn cognitieve en coöperatieve vermogens. Een sterke neiging tot zelfopoffering, vooral ten aanzien van de nakome-lingen, moet niet worden uitgesloten. Onderlinge afhankelijkheid door individuele kwetsbaarheid heeft wellicht vroege populaties helpen overleven. Maar het blijft verrassend.*

 

Sociaal gedrag en symbiose

Het optreden van symbiose, als een onderling afhankelijke samenwerking tussen verschillende soorten, is hierboven al genoemd als aanwijzing voor emergente evolutie. Symbiose is een bron van evolutionaire nieuwigheid en speelt een cruciale rol bij soort-vorming en ecologische diversificatie. Symbiotische relaties tussen meercelligen en microben kunnen ervoor zorgen dat de meer complexe levensvormen kunnen overleven, zelfs onder extreme omstandigheden. De symbionten kunnen zodanig versmolten zijn dat ze niet zonder elkaar kunnen leven. Dit hoeft niet altijd het geval te zijn bij de wederzijds voordelige interacties tussen planten en dieren. Toch speelt het symbiotische netwerk van hun interacties een prominente rol in het functioneren van een ecologisch systeem en zorgt het zelf weer voor een hoger niveau van complexiteit. Wederom emergentie. Er zit misschien geen aanwijsbare kracht achter maar de stijgende trap van de emergente evolutie is onmiskenbaar.

   Bij eukaryoten wordt het vertonen van gedrag gewoonlijk alleen aan dieren toegekend. Als de interactie tussen individuen van een soort een bepaalde mate van organisatie overstijgt kan er sprake zijn van sociaal gedrag. De definitie is vaag aangezien er veel gradaties van socialiteit zijn en vooral de hoogste niveaus (eusocialiteit) zijn het vermelden waard in het kader van de emer-gente evolutie.

   Het ontstaan van geïndividualiseerde kolonies heeft meerdere keren in verschillende dierlijke phyla plaats gevonden. Het be-kendst zijn de sociale insecten, maar eusocialiteit komt ook voor bij garnalen en molratten. Evolutionisten hebben zich lange tijd afgevraagd hoe sociaal gedrag (en altruïsme) kon evolueren. Daarbij gingen ze uit van en genetisch selectieve in plaats van een synergetische benadering. Dat leverde verwantschapsselectie en de egoïstische gentheorie. Eusocialiteit is echter het gevolg van groepsselectie in plaats van individuele selectie en kolonies zijn consequent superieur aan hun solitaire concurrenten (waaruit ze voortkomen). In plaats van moleculaire oorzaken (zoals een gen voor eusocialiteit) lijken het juist ecologische beperkingen te zijn die eusocialiteit bevorderen. De genetische verwantschap is juist een gevolg zijn van vijandelijke druk die individuen dwingt tot samenwerking bij het bouwen van hun complexe nesten en het verdedigen van hun waardevolle voedselhabitat. Hoe groter de kolonie hoe beter. Eusocialiteit lijkt vooral het resultaat van een onvoorspelbare combinatie van omstandigheden. Waardevolle voedselbronnen bevorderen de samenwerking tussen nauwe verwanten. Ze kunnen gemakkelijk door concurrenten en/of roof-dieren worden veroverd wat het de moeite waard maakt om ze te verdedigen. Vijandelijke aanvallen op zulke familiecoöperaties kan bij het verdedigen van de kolonie de evolutie van de beveiligingsspecialisten bevorderen en de kans op zowel hun eigen voortbestaan als op dat van de voortplantingsspecialisten verhogen.

   Bijenteelt bestond al in het oude Egypte maar pas in de jaren '40 kreeg Von Frisch inzicht in hun communicatieve kwaliteiten. Wellicht worden er in de toekomst meer verbazingwekkende manieren van communicatie bij sociale insecten ontdekt. Hoewel analogieën vaak bedrieglijk zijn is het onweerstaanbaar om communicerende mieren te vergelijken met zenuwcellen en de mieren-kolonie, als een soort superorganisme, met het zenuwstelsel.

   Symbiose en eusocialiteit komen samen wanneer sociale dieren andere organismen uitbuiten. Bekend is het kweken van schimmels en bladluizen door sommige mieren. Sommige soorten gebruiken andere mierensoorten als slaven en er zijn symbio-tische relaties met planten, bv. acaciabomen. Minder bekend is de relatie tussen de eusociale garnalen en koraalrifsponzen. Interessant is de symbiotische relatie tussen kakkerlakken en interne microben waarvan wordt beweerd dat ze eusocialiteit hebben veroorzaakt bij termieten. De wederzijdse afhankelijkheid tussen totaal verschillende organismen, waarvan er zelfs één met zijn eigen complexe eusocialiteit, geeft inzage in een aards ecosysteem, wellicht zelfs inzage in de gehele biosfeer, die doet denken aan de microbenmatten die ooit de aarde bedekten, maar dan zo veel complexer. Het is niet verrassend dat deze context van op elkaar inwerkende onderling afhankelijke levende wezens ooit werd opgevat als een autopoietisch systeem en anderen inspireerde tot het formuleren van de Gaia-hypothese.

   Sommige dieren leven onder moeilijke omstandigheden in symbiose met soorten uit andere hoofdgroepen. Chemoautotrofe bacteriën hebben een symbiotische relatie met de gigantische buisworm Riftia pachyptila . Door oxydatie van H2S van de 'zwarte rokers' op de oceaanbodem langs de Galapagos-kloof, voorzien deze bacteriën de wormen van de nodige energie om organische verbindingen te synthetiseren. De details van het symbiotisch proces zijn nog onduidelijk. Andere organismen, zoals mosselen, gebruiken vergelijkbare symbiotische mechanismen om aan hun voeding te komen. Andere dieren onderhouden een symbio-tische relatie met algen die zuurstof leveren door fotosynthese in ruil voor afbraakproducten (stikstof). De zeeslak Elysia chlorotica heeft is zelf in staat tot fotosynthese door chloroplasten van algen op te nemen in de epitheelcellen van zijn spijsverte-ringskanaal die bovendien essentiële plastide-eiwitten leveren door horizontale genoverdracht.

   De complete verovering van het luchtruim zou op termijn een andere evolutionaire uitdaging kunnen zijn. Ongetwijfeld zit de lucht al vol met kleine organismen, voornamelijk bacteriën. Alleen onder de insecten en vogels zijn hele goede vliegers te vinden. Insecten kunnen pas vliegen als de laatste fase van de metamorfose is aangebroken, dat wil zeggen, als ze volwassen zijn. Het geeft ze meer gelegenheid een partner te vinden en zich voort te planten. Eten doen ze tijdens de eerdere stadia van hun groei. Deze dieren blijven afhankelijkheid van op de grond aanwezige voedingsstoffen, zoals bijvoorbeeld bladeren, bloed of nectar. Veel vogels hebben dat probleem niet omdat ze zich voeden met vliegende insecten. Thans zijn er verschillende soorten vogels, zoals de snelle gierzwaluw, die maanden in de lucht kan blijven en zelfs slaapt tijdens het vliegen. Na tig eeuwen zijn deze vogels wellicht volledig onafhankelijk van het aardoppervlak, in die zin dat ze tijdens het vliegen hun eieren en jongen met zich mee-dragen. De kans van slagen zit hem vooral in de bereidheid tot samenwerking, in dit geval met soortgenoten.

 

 

Wereldwijde netwerken

Ondanks ons relatief korte bestaan op aarde hebben we het gevoel dat die onvoorstelbaar lange evolutie er niet zo veel toe doet. Het wil niet echt tot ons doordringen dat we zonder archaea en bacteriële microben niet zouden bestaan. Ongeveer zoals een blaadje in een boomkruin zonder die boom er ook nooit zou zijn geweest. Wij bestaan door alles wat ooit eerder is geweest.

   Onze hersenen zijn niets meer dan een proliferatie van zenuwweefsel. We ervaren ons brein echter als de zetel van onze cog-nitie en (zelf)bewustzijn, van onze ziel zelfs (wat dat ook mag wezen; misschien is het niets anders dan een soort spinoff). Het grootste deel van onze hersenen is terug te vinden in andere gewervelde dieren, om waar te nemen en te reflecteren op gevoe-lens. Bovendien worden onze grote frontale kwabben voornamelijk gebruikt bij het verwerken van gegevens, een eigenschap die zich alleen zo goed heeft kunnen ontwikkelen omdat we extreem sociaal wezens zijn. Die enorme capaciteit om data te verwer-ken heeft het mogelijk gemaakt om een belangrijke innovatie te ontwikkelen: de ongeëvenaarde manipulatie van de minerale wereld die een onvoorziene stijging op de ladder van de emergente evolutie opleverde, namelijk de ontwikkeling van ruimtevaart en van cyberspace. Critici van de Gaya-hypothese, waarin de biosfeer wordt voorgesteld als een soort superorganisme, wezen op het onvermogen van de aarde om zich voort te planten. Dit werd al in 1973 tegengesproken door Sagan die wees op onze potentie om de ruimte te verkennen en andere planeten te koloniseren.

   Het wereldwijde informatienetwerk dat onze soort heeft aangelegd, zorgt voor een volgende stap in emergente evolutie. Tegenwoordig kan praktisch elk mens met iedereen op deze planeet communiceren. Binnen enkele seconden kan informatie over onderhoud of verbetering van kleinere of grotere delen van de samenleving, naar alle uithoeken van de aarde worden verspreid. Veel van die informatie is natuurlijk irrelevant en zelfs onjuist, net zoals dit het geval is in onze hersenen en ons DNA. Dat verandert echter niets aan de synergetische impact van cyberspace op het dagelijks leven.

   Niet alleen informatie is belangrijk. Er is ook een geraffineerde stroom van economische afhankelijkheid die over de planeet slingert, om de nodige energie te leveren voor het behoud van sociale gemeenschappen (vaak ten koste van anderen). De belangrijkste kracht die dit proces in stand houdt, is de universele drang van kleinere eenheden, zelfs van individuen, om de eigen invloed te vergroten.

   En last but not least, is er, mogelijk als essentieel onderdeel van eusocialiteit, een fundamentele menselijke behoefte aan veiligheid die alles aanstuurt, ook als we het niet met elkaar eens zijn.

   Tegenwoordig is er ook veel zorg voor ons milieu. Veel mensen zijn bang dat allerlei soorten organismen uitsterven door onze groeiende dominantie. Vele van de bestaande organismen zijn als voedselbron noodzakelijk voor ons voortbestaan en andere zijn, door de gesaldeerde relaties zoals hierboven beschreven, indirect nodig voor onze geestelijke en lichamelijke gezondheid (al kunnen we sommige missen als de pest). We zijn het resultaat van een evolutionaire ontwikkeling maar dat geldt ook voor alle andere levende wezens. En veel van hen kun je eigenlijk als doodlopende wegen opvatten. De meeste mensen hebben geen probleem met het uitroeien van onkruid en ongedierte maar anderzijds worden bouwprojecten opgeschort ten behoeve van een onschadelijke maar zeldzame soort. Het lijdt geen twijfel, ons bestaan maakt louter deel uit van de wereld als geheel.

   We vinden het vanzelfsprekend dat alles is opgebouwd uit atomen en moleculen en we gaan ervan uit dat deze kleine bouw-stenen ook als vrije deeltjes voorkomen. Maar wij vinden het minder vanzelfsprekend dat de 1030 bacteriën op onze planeet de helft van alle biomassa op aarde vertegenwoordigen. En zonder hen zou de eukaryote cel nooit zijn geëvolueerd. Er bestaan nog steeds minstens een kwart miljoen eencellige eukaryote soorten, ondanks of wellicht dankzij het ontstaan van planten, dieren en schimmels. Niettegenstaande het grote aantal parasieten waren meercellige organismen waarschijnlijk nooit geëvolueerd zonder de reeds aanwezige bacteriën en eencellige eukaryoten. Eusocialiteit en menselijk sociaal gedrag werden eerder versterkt door de aanwezigheid van andere levensvormen (in landbouw, veeteelt en sanitaire voorzieningen). De overlevingskans van elk organisme hangt in de eerste plaats af van consumeren en vermijden zelf geconsumeerd te worden. In het kader van de grote transities lijken mensen op protobionten: allebei maken ze gebruik van levenloze materie om zich te verspreiden (door replicatie, reproductie, communicatie en buitenaardse verkenning). Het wereldwijde netwerk is niet beperkt tot een op silicium gebaseerd informatienetwerk, het is ook het totaal van gelaagde organische interacties (de bovenliggende worden gewoonlijk ecosystemen genoemd) en het is ook onderworpen aan de wetten die gelden binnen ons zonnestelsel, ons melkwegstelsel, het niet-lokale universum waarvan ze deel uitmaakt.

 

 

De belangrijkste bijdrage die het emergentie-paradigma het onderwijs biedt is de kans om op grond van het curricu-lum antwoord te geven op zinsvragen zonder ons in geloofskwesties te mengen (voor zover dat door evolutiedenken niet al gebeurd is). Emergente Evolutie is al omarmd door de christelijke filosofie (Klapwijk) door er Genesis met de haren bij te slepen (alsof er alleen een Bijbels scheppingsverhaal bestaat). Maar emergente evolutie heeft helemaal geen christelijke signatuur nodig om de zin van het bestaan te duiden. Om uit te leggen waarvoor wij leven, wat het doel is van ons bestaan op aarde. Het is een kwestie van extrapolatie.

   De achtereenvolgende faseovergangen en organismale transities vertonen een wetmatigheid waar we niet omheen kunnen. Uit lokale wisselwerking ontstaat door zelforganisatie een nieuwe, emergente structuur. Het lijkt telkens of er een nieuw tijdperk is aangebroken, een letterlijk ongekende nieuwe wereld. De laatste fase die genoemd werd is die van de menselijke samenleving maar dat is nog niet de laatste fase van de emergente evolutie. De door de mens geïnitieerde technologische ontwikkeling is in-middels in het stadium van de kunstmatige neuronale netwerken en evolutionaire algoritmen en schrijdt voort op het gebied van cybernetica en biomedische technologie (alweer zo’n heerlijk handvat voor disciplinaire samenhang). Het zal nog wel even duren maar een onvermijdelijk transhumanistisch tijdperk (waarover wellicht meer in een volgend artikel) ligt in het verschiet. Welke emergenties dat met zich meebrengt is per definitie ongekend.

   De zin van ons bestaan is duidelijk. Wij zijn op aarde om de volgende fase mogelijk te maken. En dan heb ik het niet over het hiernamaals of het Koninkrijk Gods, al mag iedereen daar best in blijven geloven, dat doet aan de werkelijke toekomst niets af.

 

De toekomst

Algemeen wordt aangenomen dat evolutionaire processen min of meer willekeurig zijn. Als het proces opnieuw zou worden gestart met alle vergelijkbare omstandigheden, zou het resultaat in detail heel anders zijn. Ik ben het eens met de mening dat de oorsprong van soorten in hoge mate afhangt van toevallige omstandigheden, een natuurlijke ontwikkeling die geen herhaling toelaat. Wat betreft de primaire overgangen, ben ik echter overtuigd van een fundamentele wet waardoor overal in het tijd-ruimte continuüm, mits voldoende tijd, elegante systemen samensmelten om een nieuw niveau van complexiteit te betreden. Door deze filosofie kan ik niet alleen achteruit kijken, maar ook voorspellingen doen over de toekomst. Op aarde nam tijdens de overgang van moleculen naar het ontstaan van de mens de grootte stapsgewijs toe met een factor 109 (van 10-10 tot 10-1) over een periode van ongeveer 4,5 miljard jaar. Als we kijken naar het huidige wereldwijde netwerk is er sinds het ontstaan van de mensachtigen 5 miljoen jaar geleden een groottetoename met een factor 108 (van 10-1 tot 107). Dienovereenkomstig valt te verwachten dat aan het einde van het huidige millennium ons zonnestelsel (1012) gekoloniseerd is.

   Een optimistisch beeld van de menselijke vooruitgang voorspelt een exponentiële groei van duurzame technologie en cyberne-tische ontwikkelingen waarmee uiteindelijk alle ecologische en sociaal-culturele problemen worden opgelost (waarschijnlijk ten koste van de massa). Het wereldwijde informatienetwerk zal met toekomstige technologische innovaties een nieuwe transitie opleveren. Homo sapiens zal de eerste impuls geven aan een nieuw soort evolutie, namelijk de ontwikkeling van zelfassembleren-de robots die de melkweg gaan koloniseren.

   Pessimisten, aan de andere kant, denken niet dat de menselijke hebzucht het hoofd zal kunnen bieden aan de wraak van Gaia. Zij verwachten dat de menselijke beschaving niet is opgewassen tegen de kleinschalige natuur en ze vrezen een definitief uit-sterven van Homo sapiens. Als de menselijke soort inderdaad een doodlopende weg is, zal er wellicht een ander evolutionair pad worden gevolgd. Een aantrekkelijk transitie-scenario combineert gedragskenmerken (dieren) en fotosynthese (planten) om eusociale dieren te ontwikkelen die voor hun overleven niet langer afhankelijk zijn van organische verbindingen. Dit is natuurlijk fictie en het zou waarschijnlijk honderden miljoenen jaren duren voordat dergelijke organismen tot ontwikkeling zijn gekomen. Als we de zin van ons bestaan willen zien als een voorbereiding op de volgende evolutionaire transitie kunnen we onze aarde maar beter koesteren in plaats van uitknijpen tot de laatste druppel is verdwenen.

  

Een emergentie is een (verzameling van) eigenschap(pen) die schijnbaar uit het ‘niets’ opdoemt en die niet kan worden gereduceerd tot samenstellende bestand-delen. Evolutionaire emergenties lijken op priemgetallen in de zin dat ze een logisch onderdeel van een reeks uitmaken maar zich onderscheiden doordat ze niet kunnen worden ontbonden in factoren. Kenmerkend voor emergente evolutie is dat bij elke reuzensprong de oorspronkelijke elementen naast de nieuwgevorm-de emergentie blijven bestaan. Anders dan bijvoorbeeld het zaadje waaruit een plant groeit, blijven de kiemen van de emergentie in ons midden. Met een alfabet maak je nog geen verhaal. Voor verhalen heb je táál nodig. Zonder taal zijn verhalen onbestaanbaar. Taal is emergent.

   Essentieel voor elke evolutionaire ontwikkeling is dat deze niet ophoudt bij Homo sapiens. Transhumanisme zal wellicht meer ongelijkheid met zich mee-brengen, het komt voort uit een onvermijdelijk aspect van de menselijke drang naar transcendentie. Biotechnologie, cybernetica en nanotechnologie hoeven niet in strijd te zijn met de menselijke waardigheid (solidariteit, rechtvaardigheid en respect voor andersdenkenden).

   Voor wie zich zorgen maakt over de toekomst, het transhumanisme zal niemand dwingen om lichaamsdelen te vervangen door superieure protheses of om zijn brein te uploaden. Pacemakers en smartphones zijn attributen waar men nu al niet meer buiten kan. De symbiose tussen mens en machine is een voortzetting van onze identiteit in wording, ons voortdurende verlangen naar meer. Het dilemma tussen angst en verlangen weerspiegelt de tweespalt tussen individu en gemeenschap en is kenmerkend voor een (volgende) emergente transitie. 


Bronnen:

Jon Amsden. A History of the Earth and its Mass Extinctions. Createspace Independent Publ. Platform, 2011

Robert Axelrod. De Evolutie van Samenwerking. Contact, 1990

John Bonner. First Signals. The Evolution of Multicellular Development. Princeton Univ. Press, 2000

Brett Calcott. & Kim Sterelny (eds.). The Major Transitions in Evolution Revisited. MIT Press, 2011

Francis Crick. Life Itself: Its Origin and Nature. Simon & Schuster, New York, USA,1981

Charles Darwin. Over het Ontstaan van Soorten. Nieuwezijds BV, 2007

Richard Dawkins. De Zelfzuchtige Genen. Olympus Pockets, 2009

Daniel Dennet. Het Bewustzijn Verklaard. Atlas-Contact, 1999

Theodosius Dobzhansky. Evolutie en Erfelijkheid. Spectrum, 2008

Francesco Facchini. Vroegste Geschiedenis van de Mens. Veen Magazines, 2009

Brian Greene. De Ontrafeling van de Kosmos. Spectrum, 2005

Hermann Haken. Synergetics. Springer, 2004

Stephen Hawking. Het Heelal. Bert Bakker, 1988

Bert Hölldopler & Edward Willson. The Superorganism. Norton & Comp. Inc., 2009

Fred Hoyle & Chandra Wickramasinghe. Origins of Life. Steps towards Panspermia. Kluwer Acad. Publ., 2000

Philippe Huneman & Dennis Walsh. Challenging the Modern Synthesis. Oxford Univ. Press, 2017

Stuart Kauffman. The Origins of Order. Self Organisation andSelection in Evolution. Oxford Univ. Press, 1993

Stuart Kauffman. World beyond Physics. The Emergence and Evolution of Life. Oxford Univ. Press, 2019

Jacob Klapwijk. Heeft de Evolutie een Doel? Over Schepping en Emergente Evolutie. Kok, Kampen, 2009

Elizabeth Kolbert. Het Zesde Uitsterven. Standaard Uitgeverij, 2014

Roger Lewin. Complexiteit. Contact, 1993

James Lovelock. Gaia, een nieuwe visie op de Aarde. Vbk Media, 1979

James Lovelock. De Wraak van Gaia. Bakker, 2007

Lynn Margulis. De Symbiotische Planeet. Contact, 1999

John Maynard Smith & Eörs Szathmáry. The Major Transitions in Evolution. Freeman, 1999

Carl Sagan. The Cosmic Connection.An Extraterrestial Perspective. Cambridge Univ. Press, 1973

Elliot Sober. Simplicity. Oxford University Press, UK, 1975

Hubert Van Belle & Jan van der Veken (eds.) Nieuwheid Denken. Acco, Leuven, 2008

Gerry Webster & Brian Goodwin. Form and Transformation. Generative and Relational Principles in Biology. Cambridge Univ. Press, 1996

Edward Wilson. Sociobiology. The New Synthesis. Harvard Univ. Press, 2000

Emergente of synergetische evolutie is gebaseerd op de grote transities die tijdens het bestaan van ons universum hebben plaats gevonden. Dit artikel concentreert zich op de organische transities op aarde. Het blauwe gedeelte is een vertaling van Synergetic Evolution (zie https://vision-in-cichlids.com/synergetic_evolution.htm voor een groot aantal onderbouwende verwijzingen naar wetenschappelijke artikelen)
https://www.classcentral.com/course/complexity-explorer-introduction-to-complexity-557 of anders een boek lezen van bijvoorbeeld Stuart Kauffman The Origins of Order: Self Organization and Selection in Evolution uit 1993
Interacties tussen moleculen, bacteriën en/of meercellige organismen (ecosystemen) kunnen leiden tot emergentie, zelf worden deze interacties niet als zodanig beschouwd. Vulkanisme en buitenaardse oorzaken hebben ecosystemen radicaal veranderd zonder dat dit direct tot een emergent ‘next level’ heeft geleid (in tegenstelling tot emergentie gaat uitsterven gepaard met het verdwijnen van componenten; uitsterven vindt plaats op het niveau van de lokale wisselwerking).

   Het ontstaan van fotosynthese door een combinatie van pigment, enzymen en een elektronen donor en acceptor kan wellicht als een emergentie worden opgevat (blauwalg), evenals de combinatie van andere eiwitten met zuurstof als terminale elektronen acceptor (aerobe bacterie), de symbiotische combinatie van deze systemen in een eukaryotische cel was dat zeker (de oorspronkelijke prokaryoten werden plastiden en mitochondriën).Het ontstaan van nieuwe ecosystemen door klimaatverandering is geen emergente ontwikkeling. Net zomin als het scheppen van een nieuwe leefomgeving zoals de kolonisatie van land en lucht. Alleen de eerste verovering van het land door korstmossen (symbionten van algen en schimmels) kan als een emergentie worden opgevat.

Het verdwijnen van de Ediacarische biota, ca. 504 Ma, was waarschijnlijk het gevolg van predatie door andere meercellige organismen die toen ontstonden. Dat was op zichzelf geen emergente ontwikkeling. Wel wat er aan ten grondslag lag, namelijk de celdifferentiatie waarbij spiercellen en zenuwcellen in samenwerking met de al bekende typen zelfstandig zoekgedrag ontwikkelden. De volgende emergentie duikt een half miljard jaar later op in de vorm van de menselijke samenleving.

 

 

  L & B PSALM 91                   GEESTELIJKE BINDINGEN

 

In de hemelse gewesten woedt een strijd. Niet alleen om de zielen van de mensen maar ook om hun welzijn hier op aarde. Daar word je niet vrolijk van. Daar word je gek van. Dat komt door ‘geestelijke bindingen’ (demonie). Bevrijding en herstel zijn nabij voor als je maar gelooft. Zingt allen daarom Psalm 91.

 

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik.’

Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest, hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild.

De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen, ook de pijl niet die overdag op je afvliegt, noch de pest die rondwaart in het donker, noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

Al vallen er duizend aan je linkerzijde en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen. Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft.

U bent mijn toevlucht, HEER. Als je mag wonen bij de Allerhoogste, zal het kwaad je niet bereiken, geen plaag je tent ooit treffen.

Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen. Leeuw en adder zul je vertrappen, roofdier en slang vermorzelen.

‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is. Roep je mij aan, ik geef antwoord, in de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen, je overvloed geven van dagen. Ik zal je redding zijn.’

 

God zal de duivel uit je nemen en je verlossen al je kwalen.

 

Gerrit Vreugdenhil. Onheil dat voorbij gaat. Psalm 91 en de bedreiging door demonen. Universiteit Utrecht

https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/283396/vreugdenhil.pdf?sequence=2&

 

 

ICONOLOGICA

Als er weer water door de woestijn loopt*

  

 

Er gebeuren dingen in de wereld van zo’n immense omvang dat je je verbijsterd afvraagt waar het allemaal om gaat. Aan de ene kant bouwen mensen aan computersystemen die zo geavanceerd zijn dat je ze niet meer kunt hanteren en aan de andere kant staan mensen zich druk te maken over God. Enerzijds willen we onsterfelijk zijn en tegelijkertijd zijn we als de dood voor het eind der tijden. Wat is dat allemaal voor onzin?

   Er bestaat een eindeloze discrepantie tussen de normen en waarden, een soort Babylonische moraalverwarring. In alle talen spreken we van goed en kwaad. Wat is dat dan? Zoveel nette mensen overtuigd van hun gelijk, zoveel boze mensen geloven hun eigen waarheid, zoveel waanzin zonder rede en rechtvaardigheid.

   Het merendeel van de wereldbevolking heeft andere besognes. Huiselijk geweld, liefdesperikelen, schuldeisers, hongersnood. Amanda die wel eens een krant leest weet dat er meer is in de wereld. Maar dat boeit niet. Eigen wereld eerst. Rot op.

 

 

 

“Nu moeten je eens goed luisteren. Ik hou je in de gaten want hier klopt helemaal niets van. Ik zou hier niet eens moeten zijn. Ik zou op school moeten zitten, aan de andere kant van de oceaan. Maar je wil horen wat dit jonge ding eigenlijk te zeggen heeft. Schaam je!

   Je hebt mijn jeugddromen afgepakt. Met je lege woorden. En toch ben ik bevoorrecht. Mensen lijden. Mensen gaan dood. Hele ecosystemen storten in elkaar. We staan aan het begin van het massale uitsterven. Maar het enige waarover je praat is geld en sprookjes en altijd maar die economische groei. Wat bezielt je?!

   Al meer dan dertig jaar is de wetenschap kristalhelder…. Hoe durf je nog steeds weg te kijken en hier te komen zeggen dat je genoeg doet terwijl de noodzakelijke politieke actie nog steeds nergens is te zien. Je zegt dat je luistert en dat je snapt hoe belangrijk het is. Het spijt me maar daar geloof ik geen snars van. Want als je echt zou begrijpen waarom het gaat en toch niets doet, dan zou je echt slecht zijn. En dat geloof ik ook niet.

   Het voornemen om de uitstoot in tien jaar te halveren biedt maar 50% kans op minder dan 1½o opwarming met een risico op onomkeerbare kettingreacties die we niet in de hand hebben. Misschien vind je dat een aanvaardbaar risico. Maar die getallen zeggen niets over omslagpunten, feedbacklussen, extra opwarming verborgen door giftige luchtvervuiling of de aspecten van klimaatrechtvaardigheid. Ook wordt er op gerekend dat mijn generatie honderden miljarden tonnen CO2 uit de lucht zuigt met technologieën die nog niet eens bestaan. Een risico van 50% is dus gewoonweg niet aanvaardbaar voor degenen die met de gevolgen moeten leven.

   Om een kans van 67% te hebben om onder een temperatuurstijging van 1½o te blijven – de beste kans die het IPCC noemt – kon er wereldwijd 420 gigaton CO2 worden uitgestoten. Dat gold voor 1 januari 2018. Vandaag [23 september 2019] is dat cijfer al gedaald tot minder dan 350 gigaton.

   Hoe durf je te doen alsof dit kan worden opgelost met ‘business as usual’ en een paar technische ideetjes? Met de huidige emissieniveaus is dat resterende CO2-budget in minder dan 8½ jaar volledig verdwenen. Er zullen hier vandaag geen oplossingen of plannen worden gepresenteerd die in overeenstemming zijn met deze cijfers, want deze cijfers te onverkwikkelijk. En jij bent nog niet te onvolwassen volwassen om de waarheid onder ogen te zien.

   Je laat de kinderen barsten, maar krijgen door dat ze verraden zijn. Alle toekomstige generaties hebben hun ogen op je gericht. En als je ervoor kiest om ons in de steek te laten, zeg ik: We zullen je nooit vergeven. We laten je hier niet mee wegkomen. Hier en nu, is waar we de grens trekken. De wereld wordt wakker. En gaat iets veranderen, of je het leuk vindt of niet.”

Greta Thunberg full speech at UN Climate Change COP24 Conference  

 

 

 

Ik heb het gevonden! De zin van het bestaan ís het bestaan. De waarheid is ook maar een mening, die ziet er voor iedereen anders uit. Waar het om gaat is dat je erin gelooft. En het naar je zin hebt.

   Voor het eerst van mijn leven heb ik een plekje helemaal voor mezelf. Het is een eenvoudig hutje maar meer heb ik niet nodig om te slapen en eten te koken, ik ben haast altijd buiten. Het is hier langs de Atlantische kust zó prachtig. De mensen hier zijn tevreden met wat ze hebben. En dat is minder dan wat ik heb want de meesten hebben niet eens een mobiel of een tablet. Het gekke is dat ze blank zijn, nou ja, rossig. Ze worden redlegs genoemd of baccra. Iedereen is stokoud want voor de kinderen valt hier niets te beleven. Mijn huisje is jaren bewoond geweest door zo’n familie. Met zijn zessen in twee kamertjes. Ik hen wel even moeten ploeteren want het stond al een tijdje leeg. Maar nu voorlopig niet meer.

   Vlakbij woont een kerel, wel een zwarte, die een oogje op me heeft. Hij brengt me elke dag een vis die hij heeft gevangen. Maar ik blijf hier voorlopig lekker op mezelf, aan mijn lijf geen polonaise meer, ik wil mezelf bewijzen dat ik een serieus meisje ben. Helemaal alleen ben ik nooit. Als ik wil kan ik met de hele wereld webbelen. Ik heb alleen niet zoveel geld meer. Misschien kan ik een stukje schrijven over de mensen die hier wonen. Daar is vast wel iemand in geïnteresseerd.

 

 

 

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wees loyaal aan de machthebbers, mijn zoon, want macht is een geschenk van God.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Leef zoals het hoort, als een heilige kluizenaar. Eet niet teveel, je hebt maar weinig nodig, voor je het weet heb je alles wat je begeert. Eerst nog plaatsvervangend maar al gauw gevolmachtigd procureur, lid van de commies, handjeklap met de oligarchen. Ik ben een patriot, helemaal uit Khabarovsk en ik wil hier mijn zaken doen, niet in Europa waar ze homo’s hebben, maar hier in moeder Rusland, mijn vaderland, mijn woonplaats. Rusland is Europa niet

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wees loyaal aan de machthebbers, mijn zoon, want macht is een geschenk van God.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Natuurlijk is het leuk om op vakantie te gaan, in Griekenland of in Nice, al kun je maar beter niet naar de Krim gaan, daar zijn te veel stroomstoringen en problemen. Maar als je vraagt waar ik liever mijn zaakjes regel, hier of over de grens, dan moet ik bekennen dat ik verknocht ben aan het goeie ouwe Russische zakendoen: eerst word je door de politie gearresteerd en meegenomen voor verhoor, vervolgens lijkt het net of je een ongeluk hebt gehad en beland je als visvoer in een sloot.

We stoppen iedereen die je maar wilt zonder eerst dood te maken onder de zoden, we sluiten alle slimmeriken op met een baantje in het cachot.

We zorgen voor onze eigen homo’s, weet je wel. Vriendschap, maat, is heilig hier. Klets niet, maat, we krijgen je reet wel schoongeveegd. We begraven iedereen die teveel praat zonder eerst dood te maken. Iedereen die maar wat rondneukt krijgt de tijd van zijn leven, in de gevangenis. Ik denk niet dat Navalny of Pavlenski je ooit nog zullen lastigvallen, Vladimir.

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wees loyaal aan de machthebbers, mijn zoon, want macht is een geschenk van God.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Neem nou die directeur van de scheepswerven in Irkoetsk. Hij kwam niet op voor onze belangen. Die directeur wilde niet verkopen of geld betalen, maar de Grote Leider heeft voor alles een oplossing: een garage, een krukje, een stuk touw, ’s avonds laat.

Heimelijk maken we de directeur duidelijk waar het om gaat. Onze jongens krijgen medailles omgehangen terwijl die arme kerel een strop krijgt en wordt opgehangen.

Mijn zoon, je wilde geen boom met de kerst, je wilde liever een zoutmijn. Familie is alles, zegt de priester, de priester heeft gesproken, amen. Maak je geen zorgen, zoonlief, we sluiten iedereen op die ons naar de kroon steekt, mijn zoon. Je krijgt je bouwstenen, je schepen en je zoutmijn. Ik ben een man van mijn woord. Ik heb je beloofd dat ik voor alles voor zou zorgen.

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wil je wegkomen met moord? - wees loyaal aan je baas.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Maar nu je het vraagt… Is dit wel het juiste moment voor Rusland om uit te breiden en andere lan-den binnen te vallen? Je kunt maar beter geloven dat het zo is, hoe meer we van Rusland krijgen hoe meer we in de melk hebben te brokkelen. Ik ben een patriot. En ik kies ervoor hier zaken te doen en niet in Europa waar ze homo’s hebben, maar hier in moeder Rusland waar ik woon. En als we gaan moorden en stelen kies ik altijd de kant van mijn vaderland want morden en stelen doe ik hier ook. We zullen hulp krijgen van de jaknikkers en hielenlikkers in Kaluga en Khbarovsk. Onze bevriende moordenaars Tsapok en Tsepovyas steunen ons in Krasnodar in het zuiden. Wat we hier hebben is niet te vergelijken met wat ze in Zwitserland hebben. Ik voer hier strijd om corruptie uit te roeien, of, liever gezegd, ik voer de corruptie hier uit. Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot. Maar ik zou ook in Zwitserland kunnen wonen.

En jongen, als je je zorgen maakt over de materiële zaken in het leven, wees dan voor altijd loyaal aan Poetin, mijn zoon. Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wil je wegkomen met moord? Wees loyaal aan je baas.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Onderwerp je, doe wat je gezegd wordt, maak je niet druk om geld en goederen.

Wil je wegkomen met moord? Wees loyaal aan je baas.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Wees nederig, leer gehoorzamen, zorg voor je materiële zaken.

Wil je wegkomen met moord? Wees loyaal aan de baas.

Ik hou van Rusland. Ik ben een patriot.

Rusland is Europa niet.

Pussy Riot – Чайка (zeemeeuw)* 

  

 

 

Het bruto nationaal inkomen van Barbados wordt flink opgetrokken door de rijke eigenaren van exclusieve strandresorts en bewoners van zomerpaleisjes, veelal Oost-Europese miljardairs en Westerse popidolen. De bewoners van de zelf opgetrokken bouwsels, de redlegs, de nolegs en nodough’s, hadden officieel geen cent te makken.

   In het piepkleine huisje aan de oostzijde van het stulpje, waar Amanda een eerste openingszin in de steigers zette, onderwijl steelse blikken werpend door het kapotte venster dat uitkeek op het erf van de buren, woonde het kinderrijke gezin dat model zou staan voor een impressie van Barbadiaanse folklore. Ze kon de armoede ruiken, hoe goed Eileen dagelijks het pad ook veegde. Of misschien was het juist daardóór. Haar immer rondscharrelende koters waren altijd op zoek naar onbestemde schatten tussen de vijgendistels en sojaplanten – de laatste leden aan achterstallig onderhoud maar de eiwitrijke bonen zouden goed zijn tegen diabetes. Drie van Eileen’s kinderen én zijzelf leden aan suikerziekte. Haar ogen waren schrikbarend achteruitgegaan maar ze kon gelukkig nog voldoende zien om het pad te vegen. Haar broer was er heel wat erger aan toe. Sinds Keelan’s rechterbeen geamputeerd was had ze hem liefdevol opgenomen in haar kleine huisje waar al enige tijd een volwassen man ontbrak. Haar vroegere echtgenoot Jason was jaren geleden uitgevaren – de zee had hem nooit meer laten gaan – en haar oudste, Daniel, was ze verloren aan Obeah. Soms hoorde ze hun stemmen. Daniel zat dan te drinken bij de vissers terwijl ze zelf langs het strand liep en luisterde naar de zee, wandelend langs de rand van de wereld.

   Vanaf de dag dat Amanda haar woninkje betrok werd ze verrast door de bijzondere humor van de teenage twins David en Dughall. Ze had zich nog maar net geïnstalleerd op het bankje onder haar raam of David kwam vragen of hij haar tuintje mocht doen. Ze wist niet precies wat dat inhield maar het leek haar een goed idee. Even later kwam Dughall en begon zijn broer uit te schelden dat hij een slapjanus was en slavenwerk verrichtte. Toen het schelden in een handgemeen overging kwam Amanda geschrokken tussenbeide, waarop de jongens zich op de grond lieten vallen en het uitgierden van de pret. Dat soort ‘geintjes’ haalden ze geregeld uit. Zelfs hun namen zette je op het verkeerde been. Dughall had de loverboy Afrolook van zijn vader en volgens Eireen had David háár rossige sproetenkop.

   Schoolgaan behoorde niet tot hun favoriete bezigheden – ze haalden liever ouderwets kattenkwaad uit – maar ze hadden wel leren lezen en rekenen. Als je wat geleerd had kon je een baantje krijgen en als je een baantje had kon je geld verdienen. Of je werd oplichter, afzetter, inbreker of overheidsfunctionaris. De teenage twins hadden een beter idee. Dugall liet zich onverwacht voor de wielen vallen als Ted Kellner, broer van de Tsjechische vastgoedmagnaat, met zijn Ferrari GTO voorzichtig (maar niet voorzichtig genoeg) over Paradise Beach laveerde. Waarop David verontwaardigd tevoorschijn schoot: hij had alles gefilmd; die patser had alleen oog voor de zee gehad! En meer van zulke aantijgingen, terwijl het slachtoffer lag te kermen in het zand. Beducht voor de Barbadiaanse advocatuur en internationale pers waren schimmige sjacheraars snel bereid tot een schadevergoeding. Voor hen een fooi, voor Eileen en haar gezin een maand relatieve luxe. Kellner mocht dan een paleisje bezitten, aan publiciteit had hij een broertje dood. Schatrijke investeerders verklaarden stukjes eiland tot hun eigen Shangri-La maar dat wilde niet zeggen dat ze ook de Barbadiaanse eigenwaarde konden opslokken.

 

 

 

Kan de aarde worden opgeslokt door een zwart gat? Van asteroïden die hele ecosystemen kunnen vernietigen (waardoor destijds de dino’s verdwenen) tot gammaflitsen en supernova’s die al het leven op aarde zouden kunnen uitroeien: het heelal beschikt over krachten die onze kleine planeet compleet overhoop kunnen halen. Maar er is iets in de ruimte met een nog angstaanjagender kracht, iets dat alles zou uitwissen wat alleen maar in de buurt komt. Zou de aarde kunnen worden opgeslokt door een zwart gat?

   Een zwart gat is een object met zo’n grote dichtheid dat ruimte en tijd eromheen onvermijdelijk zijn veranderd, de ruimtetijd is er kromgetrokken tot een oneindig zinkgat. Niets, zelfs geen licht, kan snel genoeg bewegen om aan de zwaartekracht van een zwart gat te ontsnappen als het eenmaal voorbij een bepaalde grens, de waarnemingshorizon, is genaderd. Een zwart gat is als een kosmische stofzuiger met oneindige capaciteit, die alles op zijn weg opschrokt en niets laat ontsnappen.

   Om te bepalen of een zwart gat de aarde zou kunnen opslokken, moeten we eerst uitzoeken waar ze zich in het heelal bevinden. Maar je kunt ze niet zien. Hoe kun je ze dan vinden? Gelukkig zijn we in staat om hun invloed op de ruimte eromheen te observeren. Als een brok materie een zwart gat nadert, krijgt het door de immense zwaartekracht een hoge snelheid. Daardoor gaat die materie heel veel extra licht uitstralen. En bij lichamen die te ver weg zijn om te worden aangezogen, heeft de enorme zwaartekracht nog wel invloed op hun beweging. Als we een aantal sterren een baan zien beschrijven rondom een ogenschijnlijk leeg punt, zou dat weleens een zwart gat kunnen zijn. Evenzo wordt licht dat rakelings langs een waarnemingshorizon gaat afgebogen door een zogenaamde gravitatielens.

   Het merendeel van de zwarte gaten die we hebben gevonden, worden ingedeeld in twee hoofdtypen. De kleinere oftewel stellaire zwarte gaten hebben een massa tot 100 keer groter dan die van onze zon. Ze worden gevormd als een massieve ster alle nucleaire brandstof heeft verbruikt en haar kern instort. We hebben een aantal van deze objecten waargenomen op slechts 3000 lichtjaar van ons vandaan en er kunnen wel 100 miljoen kleine zwarte gaten alleen al in onze Melkweg bestaan.

   Moeten we ons zorgen maken? Waarschijnlijk niet. Ondanks hun grote massa hebben stellaire zwarte gaten slechts een straal van ongeveer 300 km of minder, waardoor de kans op een voltreffer zeer klein is. Maar omdat hun zwaartekrachtvelden over grote afstand van invloed kunnen zijn op een planeet , kunnen ze zelfs zonder directe botsing gevaarlijk zijn. Als een typisch stellair zwart gat in de buurt van Neptunus zou komen, zou de baan van de Aarde aanzienlijk worden gewijzigd. Met alle ernstige gevolgen van dien. Maar door de combinatie van hun geringe afmeting en de grootte van het heelal, hoeven we ons niet echt zorgen te maken over stellaire zwarte gaten.

   Er is echter nog een tweede type: de superzware zwarte gaten. Die hebben een massa die miljoenen of miljarden malen groter is dan die van onze zon en ze hebben een waarnemingshorizon die miljarden kilometers kan overspannen. Deze reuzen zijn uitgegroeid tot enorme proporties door het opslokken van materie en het fuseren met andere zwarte gaten. In tegenstelling tot hun stellaire neven dwalen superzware zwarte gaten niet door de ruimte. Integendeel, ze liggen in het centrum van sterrenstelsels, ook in dat van ons.

   Ons zonnestelsel zit in een stabiele baan rond een superzwaar zwart gat dat zich in het midden van de Melkweg bevindt, op een veilige afstand van 25.000 lichtjaar. Maar dat kan veranderen. Als onze Melkweg botst met een ander sterrenstelsel kan de aarde in de richting van het galactische centrum worden geworpen, dicht genoeg bij het superzware zwarte gat om uiteindelijk te worden opgeslokt. In feite staat er over 4 miljard jaar een botsing met de Andromedanevel op het programma en dat kan slecht nieuws zijn voor onze planeet.

   Maar bedenk wel dat zwarte gaten niet alleen maar vernietiging veroorzaken. Ze speelden een cruciale rol in het ontstaan van sterrenstelsels, de bouwstenen van ons universum. Geenszins schimmige personages in een kosmische drama. Integendeel. Zwarte gaten leveren een fundamentele bijdrage om van het universum een schitterende en wonderbaarlijke plek te maken.

Fabio Pacucci’s TED-Ed Kan de aarde worden opgeslokt door een zwart gat?

 

 

 

Haar onafhankelijke leventje beviel Amanda goed. De innerlijke verandering die ze had voelen aankomen was voltooid, haar hang naar avontuur en angst voor eenzaamheid waren verdwenen. Na een wandeling langs het strand en een potje domino met Eileen ging ze naar haar werk, als serveerster in de Crazy Horse. Ooit befaamd als een hoerenkot genaamd Horny Stallion besloot een nieuwe eigenaar het imago meer toe te snijden op dagjesmensen. Het enige wat nog herinnerde aan vroeger was het imponerende schilderij van een steigerend paard. Sommige klanten vonden de verwilderde oogopslag van het dier zo angstaanjagend dat het hen de eetlust ontnam maar dat was onvoldoende reden voor de eigenaar om het te verwijderen. Hij hield meer van kunst dan van omzet. Dat was één van de eigenschappen die Amanda waardeerde in de overigens nogal opvliegende Alejandro.

   Hij heeft zoveel drift, zoveel hartstocht. Een echte kunstenaar.

   Amanda was zo tevreden met haar leven dat ze Eileen wilde ontlasten door zich over David en Dughall te ontfermen. Ze had de jongens uitgelegd hoe ze haar tablet en iPhone konden gebruiken en ze een zoekopdracht gegeven die ze wel even bezig zou houden.

   “Waar komen jullie vandaan?”

   “We waren Archie helpen met z’n netten… we mogen straks mee in z’n boot…”

   “Nee, ik bedoel, waar komen jullie vandaan, hier op aarde?”

   “Eh, uit de buik van Eileen?” probeerde David; “Uit Jason’s piemel,” grijnsde Dughall baldadig.

   “Gaan jullie maar eens uitzoeken waar de mensen op de wereld denken dat ze allemaal vandaan komen. Ik ga aan het werk en ik ben benieuwd wat jullie gevonden hebben als ik terugkom.”

 

 

In de Crazy Horse vergat ze onmiddellijk elke gedachte aan de zoekopdracht die ze de tweeling had gegeven toen bleek dat het schilderij was verdwenen. Het was weliswaar geen Stubbs maar het verlies van de wanddecoratie ging Alejandro meer aan het hart dan de weerzin die de afbeelding soms wekte onder zijn klandizie. Het nieuws ging als een lopend vuurtje maar niemand had een tip waarmee de ingeschakelde opsporingsambtenaar uit de voeten kon. Zijn speurwerk belandde binnen afzienbare tijd in een bureaula.

   Een zoektocht naar onze oorsprong kwam Amanda nu wel wat futiel voor. Ze had alleen nog aandacht voor de opgewonden maar ongefundeerde verdachtmakingen van de vaste klanten en de geagiteerde Alejandro die ze vooral geen extra reden tot ergernis wilde geven. Ze wilde hem alleen maar troosten. Aan het eind van de dag was ze kapot en thuisgekomen viel ze uitgeput op haar bed.

   Pas de volgende ochtend herinnerde ze zich de opdracht doordat David haar een soort van brief kwam brengen.

   “Ik heb een samenvatting gemaakt van wat we gevonden hebben. De meeste mensen denken trouwens niet echt, ze praten maar wat na, volgens mij. Maar ik heb een paar hoofdlijnen gevonden.”

   Verbouwereerd verplaatste Amanda haar blikken van David naar het epistel dat hij haar overhandigde. Ze wist dat de jongens meer in zich hadden dan het lokale schooltje tevoorschijn zou brengen maar dit overtrof haar verwachting. 

  

    

 

Wereldwijd is het grootste deel van de mensheid (> 80%) ervan overtuigd dat we door de Almachtige werden geschapen. Daarvan is 30% volgeling van de Paus, 24% gelooft in de Allah en 15% noemt zich hindoestaan. De rest is aanhanger van een of ander volksgeloof. Strikt genomen zijn het creationisten.

 

De rest (<20%) beschouwt zichzelf als naturalist, dat wil zeggen dat ze vinden dat er voldoende wetenschappelijke grond is voor het bestaan van evolutie. Dat betekent niet dat ze het bestaan van een god afwijzen. Minder dan 2% noemt zichzelf atheïst en die zijn vooral te vinden in China (nog altijd goed voor bijna 30 miljoen mensen), maar darwinisme is daar (nog) niet populair. Het is opmerkelijk dat het minst religieuze land (China) bijna grenst aan het meest religieuze (Thailand).

 

Ongeveer 10% van de wereldbevolking zegt agnost te zijn. Volgens hen is er zowel sprake van evolutie als van een Eerste Beweger. Een deel (god mag weten hoe groot) gelooft dat alleen de mens het product is van een goddelijke schepping.        

Bron o.a.  www.pewforum.org

 

 

“Volgens Dughall hangt dat schilderij uit de Crazy Horse trouwens bij Kellner. Hij heeft ‘m er zelf opgehangen. Tussen z’n andere racetrofeeën.”

   En weg was-ie weer, Amanda overlatend aan een mengeling van verwonderde trots en weifelende onrust. Die ‘brief’ was misschien helemaal niet door de jongens zelf geschreven maar ze hadden wel hun best gedaan om iets te vinden. En die verdachtmaking van Dughall, moest ze daarmee naar de politie gaan? Die zou ongetwijfeld de tweeling zélf iets onbetamelijks in de schoenen schuiven. Nee, de waarheid en de werkelijkheid waren niet zomaar hetzelfde. Ergens klopte er iets niet, ergens werd alles ambigu.  

 

 

 

 

 

De intellectuele strijd tegen het darwinisme

Mensen met onvoldoende kennis van darwinisme of die nalaten voldoende diep na te denken over de materialistische ideologie ervan, zijn zich mogelijk nog niet bewust van de gevaren die het stelt. Omdat ze er zich niet van bewust zijn tot welke vreselijke sociale en morele rampen de theorie van evolutie geleid heeft sedert ze eerst voorgesteld werd, kunnen ze mogelijk het vitaal belang niet bevatten van de strijd tegen het darwinisme, dat het bestaan en de eenheid van God ontkent alsook het feit dat menselijke wezens een verantwoordelijkheid hebben tegenover onze Heer. Feit is, echter, dat de darwinistische ideologie de fundering legt voor een vreselijke ondergang door te suggereren dat menselijke wezens het resultaat zijn van blind toeval en hoogstens een soort van dieren zijn. Ze bekijkt het leven als een strijdtoneel waarin de zwakken gedoemd zijn tot onderdrukking en verslagenheid, en beweert dat enkel de sterken zullen overleven. Dit is waarom de intellectuele strijd tegen darwinisme zo vitaal en zo dringend is - en waarom het een grote vergissing is deze strijd als "onnodig" of "onbelangrijk" te bestempelen. (...) Door de irrationele en onwetenschappelijke indoctrinatie van darwinisme, worden kinderen van een zeer vroege leeftijd geleid op een pad dat vaak zal eindigen in lijden en onderdrukking. De scholen, hogescholen en universiteiten hebben jonge mensen bedrogen door te denken dat de Mens een geavanceerd soort dier is, dat de wet van de jungle heerst zelfs in beschaafde samenlevingen, dat de sterken altijd gelijk hebben en de zwakken zullen onderdrukken, en dat het leven een strijd om te overleven is. Dit is, begrijpelijk, de oorzaak van grote problemen in samenlevingen waarin zij opgroeien. Het darwinistisch systeem voedt, ver van menselijke liefde, generaties op die wreed, agressief en egoïstisch zijn en die geen belang hechten aan morele waarden. Als gevolg daarvan, kampen veel landen met grote problemen van de kant van hun eigen burgers. Hooligans, neonazi's, fascisten, communisten, anarchisten en terroristen maken deze naties ondraaglijk om in te leven. Hoewel hun regeringen zich perfect bewust zijn van de wortel van dit probleem, ontbreekt het hen aan kracht om de zaken in orde te brengen.

Uit: The Intellectual Struggle Against Darwinism van Harun Yahya

Vertaald door Linda Bogaert  

 

 

 

Over haar tweeling hoefde Eileen niet in te zitten. Die zorgde er wel voor om goed terecht te komen, die kwamen er wel, daar twijfelde Amanda niet aan. De gedachte aan het gemak waarmee de jongens hun toekomst tegemoet gingen was zowel hoopvol als verontrustend. Omdat de teenage twins op haar laptop hadden gelezen dat het koraaleiland Barbados tegen het einde van de eeuw grotendeels onder water zou verdwijnen (Bridgetown ligt nog geen tien meter boven zeeniveau), maakten ze nu al plannen om, zodra de gelegenheid zich voordeed, naar Zuid Amerika te gaan. Waar zo’n toekomstbeeld al niet toe leidde. Met terugwerkende kracht. Amanda had het gevoel dat wat nog komen moest bepalend was voor haar handelen nu. Ze opende haar laptop. 

 

 

Het knipperende icoontje van ontvangen email liet haar aanvankelijk koud, tot ze plotseling een naam zag die als een eruptie uit een, naar zij vermoed had, voorbij verleden op haar netvlies spatte.

 

 

  

   ANNELIES           @Mandalisa  

 

 

 

Ik kom naar Barbados. Zie je daar. Hou van je.

 

 

Wat is dit?! Juist nu ik mijn aandacht wilde richten op de toekomst komt het verleden aan mijn deurtje rammelen. Annelies! Dat ze me nog weet te vinden. Daar word ik helemaal week van…

   Ze dacht terug aan haar tijd in Leiden. De drugs, de seks, de rock & roll. Wat was er van iedereen geworden?

   Eigenlijk heb ik vroeger veel te weinig rekening gehouden met wat anderen belangrijk vonden. Altijd alleen maar aan mezelf gedacht. Wat een afschuwelijke egoïst ben ik geweest. Wat voor beeld moet men wel niet van mij gehad hebben? Wat voor toekomstbeeld zou ik van mezelf gehad hebben? Vast niet van de zorgzame juffer in haar hutje tussen de redlegs.

   Gniffelend startte ze haar tekstverwerker om verder te werken aan haar verhaal over de baccra. Wat de tweeling kon moest haar toch zeker ook lukken. Bovendien had ze al heel wat verschillende mensen op dit eiland leren kennen. Die hadden haar stuk voor stuk hun eigen vooringenomen mening gegeven. Daar moest ze toch iets geks van kunnen brijen?!

   Terwijl ze fantaseerde over belevenissen en ontmoetingen stuitte ze geregeld op een hinderlijk gebrek aan kennis over wat ze trachtte te schrijven en dat probeerde ze te compenseren met behulp van een zoekprogramma. Helaas leidde dat haar nogal af omdat er achter die programma’s een wereld van wetenswaardigheden schuil ging. Bijvoorbeeld of het een ordinaire vink was die ze wel eens door de tuin zag hippen, of een dikkopje dat alleen op Barbados voorkwam (Loxigilla barbadensis). Soms kwam ze dingen tegen die er helemaal niet toe deden. Welke popster was familie van Eileen, was dat A$AP Rocky of Rihanna? De naam Barbados verwees naar planten met een baard (luchtwortels). Het leek wel of de specifieke lucht die in het huisje hing een onbedwingbaar verlangen opriep om ergens achter te komen, het maakte haar niet uit wat. Onzin natuurlijk, maar toch. Was het de vage geur van carbolineum waarmee de houten constructie ooit behandeld was? Of de Obeah-klok die stamde uit een vroeger leven? In plaats van naalden stak ze er wierookstokjes in (Boswellia). Een ritueel dat Zuid Amerikaanse sjamanen gebruikten om in trance te raken en de toekomst te voorspellen, herinnerde ze zich, terwijl ze diep inademde.

   De toekomst. Wat had de toekomst in petto (Italiaans: in de borst)? Lag-ie in het ver-schiet of kwam-ie plotseling voorbij, zoals in de Griekse tragedies? Eigenlijk was de tijd even onbegrijpelijk als de zin van het bestaan. Waarom zijn we op aarde? Als je die vraag losliet op een willekeurig zoekprogramma zou dat eigenlijk op tilt moeten slaan maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan spuide het internet maar 4 miljoen antwoorden. Ze probeerde een lijn te ontdekken

        - Om God te dienen

        - Om iets nieuws te scheppen (wat er nog niet is maar wel hoort te zijn)

        - Er is geen doel

        - Om bewust te worden van wie je zelf bent

        - Het geheel is meer dan de som der delen; er bestaat geen mechanistisch antwoord

        - Om iets nieuws te ontdekken

        - Het antwoord is diep persoonlijk

        - Er is geen rede voor het bestaan, anders dan het bestaan zelf

        - Zin is iets dat je zelf aan de dingen toekent

        - Waarover wij kennis kunnen hebben geschied door onze eigen wil; wat wij niet kunnen kennen komt door de wil van God

        - Alles gebeurt met een reden, zonder uitgestippeld plan

        - enz. enz.

   Of was het soms omdat een bepaalde onterechte, aangeleerde hoogmoed ons afleidt van onze oorspronkelijke intentie: de omgeving verkennen, het landschap beschouwen en althans trachten te ontdekken, zo niet waaróm we op aarde neergepoot zijn, dan toch tenminste wáár (Annie Dillard in De Overvloed). Dat was wel zoals haar verblijf hier op Barbados beleefde. Híér was ze terecht gekomen en dat was vast geen toeval. Amanda besefte dat het stellen van de vraag een nutteloze aangelegenheid was, wat natuurlijk niet betekende dat het antwoord dat ook was. Zelf heb ik die vraag allang beantwoord….. Toch?

   Dromerig besloot ze dat de poëtische benadering van Dillard haar als voorbeeld kon dienen bij het schrijven over haar verkenningen op het eiland dat ooit het centrum was geweest van de Afrikaanse slavenhandel – zonder welke er nauwelijks zwarte mensen in de Nieuwe Wereld zouden wonen en ze wellicht als exoten zouden worden gezien – en dat binnenkort onder de zeespiegel dreigde te verdwijnen.

 

 

 

 

Back to the future

Toen ik opgroeide als kind was de toekomst zo'n beetje het jaar 2000 en mensen spraken over wat er in het jaar 2000 zou gebeuren. Nu is hier een conferentie waar mensen praten over de toekomst en dan zie je dat de toekomst nog steeds het jaar 2000 is [het is nu 1994]. Dat is zover als we kijken. Met andere woorden: de toekomst is min of meer gekrompen met één jaar per jaar [gelach] gedurende mijn hele leven. [Gelach] Ik denk dat de reden is dat we allemaal voelen dat er iets gaande is. Die transitie is gaande. We kunnen het allemaal voelen. En we weten dat het gewoon zinloos is om 30, 50 jaar vooruit te denken omdat alles zo anders gaat zijn dat een simpele extrapolatie van wat we doen simpelweg onzinnig lijkt.

   Ik wil het hebben over wat zou kunnen zijn, door wat voor soort transitie we gaan. Om dat te doen moet ik het hebben over wat dingen die niets te maken hebben met technologie en computers. De enige manier om dit te begrijpen is om achteruit te stappen en een lange-termijnblik te werpen op de dingen. De tijdschaal waarop ik dat zou willen doen is de tijdschaal van leven op Aarde. Ik denk dat dit beeld zinnig is als je enkele miljarden jaren overziet.

   Als je ongeveer 2½ miljard jaar teruggaat, was de Aarde een grote, steriele brok steen waar een groot aantal chemicaliën op vloeiden. Als je kijkt naar de manier waarop die chemicaliën zich organiseerden -- we beginnen daar een goed beeld van te krijgen. Ik denk dat er theorieën zijn die beginnen te begrijpen hoe het begon met RNA, maar ik vertel de eenvoudige versie. Destijds waren er kleine druppels olie die zich bewogen met allerlei verschillende samenstellingen van chemicaliën daarin. Sommige van die druppels olie hadden een bijzondere combinatie van chemicaliën die ervoor zorgde dat ze chemicaliën van buiten opnamen zodat de oliedruppels groeiden. De druppels die zo waren, begonnen zich te delen. Dit waren de meest primitieve vormen van cellen, deze kleine oliedruppels.

   Maar deze oliedruppels leefden niet echt, want ieder van hen was een willekeurige verzameling chemicaliën. Elke keer dat ze zich splitsten kreeg je een ongelijke verdeling van chemicaliën binnen hen. Dus elke druppel was een beetje anders. De druppels die anders waren, zodanig dat ze beter waren in het opnemen van chemicaliën rondom hen, groeiden meer en namen meer chemicaliën op en splitsten meer. Dus doorgaans leefden zij langer, en waren meer vertegenwoordigd.

   Nu is dit nog maar een eenvoudige chemische levensvorm, maar het werd interessant toen deze druppels een abstracte truc leerden. We begrijpen niet echt hoe, maar deze druppels leerden informatie noteren. Ze leerden de informatie die het recept van de cel inhield, noteren op een speciaal soort chemische stof genaamd DNA. Met andere woorden: ze ontdekten op deze gedachteloze evolutionaire manier, een schrijfstijl waarmee ze konden optekenen wat ze waren, zodat die manier van noteren kon worden gekopieerd. Verbazingwekkend is dat deze notatiewijze hetzelfde lijkt te zijn gebleven sinds ze ontwikkeld werd, 2½ miljard jaar geleden. In feite is het recept voor ons, onze genen, exact dezelfde code en manier van noteren. Elk levend wezen is genoteerd in exact dezelfde set letters en dezelfde code.

   Eén van de dingen die ik deed -- gewoon voor de lol, is... ...we kunnen nu dingen opschrijven in deze code. En ik heb hier 100 microgram wit poeder, dat ik verberg voor beveiligingsmensen op vliegvelden. [Gelach] Maar hierin zit -- ik nam de code -- de code heeft standaard letters waarmee we die symboliseren -- en schreef mijn visitekaartje op een stukje DNA en vermenigvuldigde het 10 tot de 22e maal. Dus als iemand honderd miljoen stuks van mijn visitekaartje wil; ik heb genoeg voor iedereen hier, voor iedereen op de wereld, in feite. Het zit hierin. [Gelach] Als ik echt een egoïst was geweest, had ik het in een virus gestopt en in de ruimte verspreid.

   Wat was de volgende stap? Het opschrijven van het DNA was een interessante stap. Dat hield ze bezig gedurende nog eens miljard jaar. Maar toen was er een andere heel interessante stap waarin dingen totaal anders werden. Deze cellen begonnen informatie uit te wisselen, zodat ze gemeenschappen van cellen vormden. Ik weet niet of je dit weet, maar bacteriën kunnen DNA uitwisselen. Dat is bijvoorbeeld hoe antibiotische resistentie is ontstaan. Eén bacterie vond een manier om penicilline te vermijden en die communiceerde zijn DNA-informatie naar andere bacteriën, en nu hebben we veel bacteriën die resistent zijn tegen penicilline ...omdat bacteriën communiceren. Deze communicatie maakte het ontstaan van gemeenschappen mogelijk, die, in zekere zin, samen in één schuitje zaten; ze waren synergetisch. Dus ze overleefden of ze faalden samen, wat betekent dat in een succesvolle gemeenschap alle individuen van die gemeenschap meer vermenigvuldigden en evolutionair succesvol waren.

   Het omslagpunt kwam, toen deze gemeenschappen zo hecht werden dat ze feitelijk gezamenlijk besloten om het recept te noteren voor de hele gemeenschap op één keten DNA. En het volgende levensstadium duurde nog eens miljard jaar. In die periode hebben we meercellige gemeenschappen, bestaande uit veel verschillende typen cellen, die samenwerken als één organisme. In feite zijn wij zo'n meercellige gemeenschap. We hebben veel cellen die niet meer voor zichzelf gaan. Je huidcel is waardeloos zonder een hartcel, spiercel, hersencel enzovoort... Dus deze gemeenschappen ontwikkelden zich zodat het niveau waarop evolutie zich afspeelde niet langer een cel was, maar een gemeenschap genaamd 'organisme'.

   De volgende stap speelde zich af binnen deze gemeenschappen. Deze gemeenschappen van cellen begonnen weer informatie te vergaren. Ze bouwden speciale structuren die niets anders deden dan informatie verwerken in de gemeenschap. Dat zijn de neurale structuren. Dus neuronen zijn het informatieverwerkingsapparaat dat die gemeenschappen van cellen bouwden. Ze ontwikkelden specialisten en speciale structuren die verantwoordelijk waren voor het opslaan, begrijpen, leren van informatie. Dat waren de hersenen en het zenuwstelsel van die gemeenschappen. Dat gaf ze een evolutionair voordeel. Want in dat stadium kon een individu -- ... kon leren plaatsvinden binnen de tijdsspanne van één organisme, in plaats van over een evolutionaire tijdsspanne.

   Dus een organisme leerde bijvoorbeeld om een bepaalde fruitsoort te vermijden omdat die slecht smaakte en hij er ziek van werd. Dat kon nu binnen de levensduur van een enkel organisme, terwijl voordat ze deze speciale informatieverwerkingsstructuren bouwden, dit op evolutionaire wijze geleerd moest worden gedurende honderdduizenden jaren, doordat individuen doodgingen als ze die vrucht aten. Dus dat zenuwstelsel, het feit dat ze deze speciale informatiestructuren bouwden, versnelde het evolutieproces enorm. Want evolutie kon nu plaatsvinden binnen een individu. Het kon gebeuren in leer-tijdsschalen.

   Maar toen verzonnen de individuen trucjes om te communiceren. Bijvoorbeeld, de meest verfijnde versie die we kennen is de menselijke taal. Het is een ongelofelijke uitvinding, als je erover nadenkt. Hier heb ik een zeer gecompliceerd, warrig idee in mijn hoofd... Ik zit dan min of meer knorrende geluiden te maken, wat hopelijk een gecompliceerd, warrig idee in jullie hoofd oproept, dat er gelijkenis mee vertoont. We nemen iets zeer gecompliceerds, veranderen dat in geluiden, reeksen geluiden, en produceren iets zeer gecompliceerds in je hersenen. Dus hierdoor kunnen we beginnen te functioneren als een enkel organisme.

   In feite zijn wij, de mensheid, begonnen met abstraheren. We gaan door eenzelfde periode als die meercellige organismen -- en abstraheren onze methoden van optekenen, presenteren en verwerken van informatie. Dus bijvoorbeeld, de uitvinding van taal was een kleine stap in die richting. Telefonie, computers, videotapes, CD-ROMs, enzovoort... zijn onze gespecialiseerde mechanismen die we in onze gemeenschap hebben gebouwd voor het omgaan met die informatie. En deze dingen verbinden ons tot iets dat veel groter is, en veel sneller, en beter in staat te evolueren dan wij voorheen waren. Nu kan evolutie plaatsvinden op een schaal van microseconden. Je zag Ty's evolutionaire voorbeeldje waarin hij met evolutie speelde in het Convolutie-programma, vlak voor je ogen.

   Nu hebben we de tijdsschaal nogmaals versneld. De eerste stappen van het verhaal waarover ik het had duurden een miljard jaar per geval. De volgende stukken, zoals zenuwstelsels en hersenen, duurden enkele honderden miljoenen jaren. De daaropvolgende stappen, taal en zo, duurden minder dan een miljoen jaar. En deze volgende stappen, zoals elektronica, lijken slechts enkele decennia te duren. Het proces voedt zichzelf en wordt -- ik geloof dat auto-katalytisch het juiste woord is -- als iets zijn eigen tempo van verandering versnelt. Hoe meer het verandert, des te sneller verandert het. Ik denk dat we dat zien in de explosie van deze curve. We zien het proces zichzelf versterken.

   Ik ontwerp computers voor de kost, en ik weet dat de mechanismen die ik gebruik om computers te ontwerpen onmogelijk zouden zijn zonder recente ontwikkelingen in computers. momenteel ontwerp ik objecten met zulk een complexiteit dat ik ze onmogelijk op conventionele wijze kon ontwerpen. Ik weet niet wat elke transistor in de verbindingsmachine doet. Er zijn er miljarden. In plaats daarvan denken ik en de ontwerpers bij 'Thinking Machines' op enig niveau van abstractie, en dan geven we het aan de machine en die maakt het tot iets wat we nooit zouden kunnen, veel verder en sneller dan wij ooit zouden kunnen. Soms gebruikt ze methoden die wij niet eens begrijpen.

   Een bijzonder interessante methode die ik recentelijk veel gebruikte is evolutie zelf. Daarbij gebruiken we de machine voor een proces van evolutie dat zich op de schaal van microseconden afspeelt. Bijvoorbeeld: in de meest extreme gevallen kunnen we een programma ontwikkelen door te beginnen met een willekeurige serie instructies. Dus: "Computer, maak alsjeblieft honderd miljoen willekeurige instructie-reeksen. Dan draai al die willekeurige instructie-reeksen, draai al die programma's, en kies die die het beste voldeden aan mijn wensen." Dus met andere woorden, ik definieer wat ik wil. Stel ik wil getallen sorteren, als eenvoudig praktijkvoorbeeld. Dus: vind de programma's die het dichtst komen bij getallen sorteren.

   Uiteraard zullen willekeurige reeksen instructies niet snel getallen sorteren, dus geen van hen voldoet werkelijk. Maar één van hen heeft toevallig wellicht twee getallen in de juiste volgorde gezet. Dan zeg ik: "Computer, neem de 10% van de reeksen die het beste resultaat geven. Bewaar die. Dump de andere. Nu reproduceer de reeksen die getallen het beste sorteerden. Reproduceer ze via een proces van recombinatie dat analoog is aan seks." Twee programma's produceren kinderen door hun subroutines uit te wisselen, en de kinderen erven de eigenschappen van die gemengde subroutines. Dus nu heb ik een nieuwe generatie programma's die geproduceerd zijn door combinatie van alle programma's die iets beter presteerden. Dan zeg ik: "Herhaal dit proces." Beoordeel ze nogmaals. Introduceer wellicht wat mutaties. Probeer dat nogmaals voor nog een generatie.

   Elk van deze generaties ontstaat in enkele milliseconden. Dus ik kan het equivalent van miljoenen jaren van evolutie hierin, op de computer laten plaatsvinden binnen enkele minuten, of in de ingewikkelde gevallen, enkele uren. Aan het eind hiervan, heb ik programma's die absoluut perfect getallen sorteren. In feite zijn die programma's veel efficiënter dan programma's die ik zelf had kunnen schrijven.

   Als ik naar die programma's kijk, snap ik niet hoe ze werken. Ik heb geprobeerd er wijs uit te worden. Het zijn obscure, vreemde programma's. Maar ze doen hun werk. Ik ben er zeker van dat ze hun werk doen omdat ze uit een geslacht komen van honderdduizenden programma's die hun werk deden. Hun leven hing ervan af.

   Ik zat ooit in een 747 met Marvin Minsky, die een kaart tevoorschijn haalt en zegt: "O, kijk eens. Hier staat: 'Dit vliegtuig heeft honderdduizenden kleine delen die samenwerken om je een veilige vlucht te bezorgen.' Geeft je dat geen zeker gevoel?"

   We weten dat het technische ontwerpproces niet erg goed werkt als het gecompliceerd wordt. Dus beginnen we op computers te vertrouwen voor een proces dat heel anders is dan technisch ontwerp. Daarmee kunnen we veel gecompliceerder dingen maken dan we met normaal technisch ontwerp kunnen. Toch begrijpen we niet echt de opties die het geeft. Dus in zekere zin haalt het ons in. We gebruiken nu die programma's om veel snellere computers te maken zodat we dit proces veel sneller kunnen uitvoeren. Het versterkt zichzelf dus. Het wordt steeds sneller en daarom lijkt het denk ik zo verwarrend. Omdat al deze technologieën zichzelf versterken. We worden gelanceerd.

   En we zitten op een tijdstip dat analoog is aan toen eencellige organismen veranderden in meercellige organismen. Dus wij zijn de amoebes en we kunnen niet bedenken wat dit ding is dat we creëren. We zitten precies op dat punt van transitie. Maar ik denk dat er echt iets na ons gaat komen. Ik denk dat het erg hoogmoedig is om te denken dat wij het eindproduct van evolutie zijn. En ik denk dat wij allemaal deel zijn van de creatie van dat nieuwe ding. Maar nu gaan we lunchen, dus ik denk dat ik het hierbij laat, voordat ik weg geselecteerd word.

Danny Hillis’TED1994 Back to the future (of 1994)*

 

 

 

Naast alle zijpaden die ze tijdens haar zoekacties insloeg, werkte Amanda gestaag aan haar stukje over haar eiland dat ze steeds beter leerde kennen. Dit is wat ze ondertussen op papier had gezet.

 

Het lot van de 21e eeuwse eilandbewoners is minder wreed dan dat van de oorspronkelijke Arowakken, die door de Europese kolonisten met virussen of vuurwapens werden uitgeroeid. De huidige Barbadanen weten tenminste waar ze aan toe zijn, die kunnen er nog wat aan doen. Luidkeels om hulp roepen als een massa aangespoelde drenkelingen. Of zelf het initiatief nemen en naar hoger gelegen land afreizen. Al zullen de meesten zich lijdzaam onder-werpen aan de vernedering die ze al generaties ondergaan.

   Van over de hele wereld komen rijke mensen van hun vakantie genieten op een eiland dat niets heeft. Geen bezienswaardigheden, alleen strand. Geen weelderige natuur, alleen strand. Geen bergenhoge vergezichten, alleen strand. Geen musea vol met kunstschatten, alleen strand. Geen vulkanen, geen jungle, geen middeleeuwse kastelen en imposante kathedralen. Alleen zestig witte stranden.

   Voor de rode sproetkoppen die hier al generaties lang proberen rond te komen zit er weinig anders op dan hun ziel verkopen aan Obeah of hopen op een Godswonder. Ik heb het over de nakomelingen van Ierse contractarbeiders die, voordat hier de slavenhandel op gang kwam, de misoogsten en hongersnood aan gene zijde van de oceaan ontvluchtten om hier te overleven. Daar zijn ze klaarblijkelijk in geslaagd al werden de beloften over onderwijs, medische zorg en katholieke kerkdiensten nooit ingelost. Hun schamele onderkomens zijn nagenoeg dezelfde als driehonderd jaar geleden en voor hun geestelijke en lichamelijk nood zijn ze overgeleverd aan medicijnmannen en –vrouwen wier invloed elke godsdienst hier domineert. Hun voorouders hadden voor zeven, hooguit tien jaar getekend – dit in tegenstelling tot de roetslaven die levenslang bezit bleven van de plantagehouders – maar hun ‘vrijheid’ stelde hen geenszins in staat om voor zichzelf te beginnen. Alle grond behoorde toe aan Engeland. Ze waren slechter af dan de meeste slaven want die werden tenminste nog in leven gehouden. Er was immers geïnvesteerd.

 

Onder leiding van Oost Europese maffioso en                                       beschikken ze over genoeg middelen om

 

 

Tot zover.

 

Ik vraag me af of ik Annelies nog een berichtje moet sturen. Dat ik haar mail heb gelezen. Maar dan moet ik wel iets doen aan dat oubollige plaatje van honderd jaar geleden. Ik moet niets meer hebben van die ambiguïteit. Ik ben volwassen. De toekomst, dat is waar het om gaat! De dingen die ik doe worden bepaald door wat nog moet gebeuren. 

 

       

AMANDA           @Mandalisa  

 

Ik ben het afgelopen jaar, geloof ik, een stuk slimmer geworden. Hoe meer ik weet, des te beter weet ik wat me te doen staat. En kennis kan ik ook doorgeven. Dat is zinvol. Wat voor symbool zou daarbij passen? Een vrucht van de boom der kennis? Dan moeten de pitten te zien zijn. De zaden van de boom der kennis. Ik zie je gauw!

 

Zo, twee vliegen in één klap. Daar zal ze van opkijken. Ze zal wel denken, “die Mandy, die was toch altijd van de seks, drugs en rock & roll? En nu lijkt ze wel een geëngageerde soccerpot.” Nou, lesbisch ben ik niet, vraag maar aan Alejandro. Die heeft liever vrouwen onder zich dan ‘on top’. Hij is een ouderwetse stijfkop, beschamend conservatief, maar oh… wat een temperament!

   Van damesvoetbal moet-ie niets hebben, dat is voor homo’s. Vroeger heeft-ie zelf nog bij het nationale elftal gespeeld, zegt-ie. In 1994 zou hij hebben voorkomen dat Granada een eigen doelpunt maakte. Daar begreep ik niet zoveel van maar dat kwam volgens hem omdat ik een vrouw ben. Alleen mannen kunnen winnen door in eigen doel te schieten.

   En nu wil ik een augurk met slagroom. Of voetbaltaart?  

 

 

 

 

Als er iets is dat de COVID-19-pandemie duidelijk heeft gemaakt, is het de grote ongelijkheid tussen sport voor mannen en vrouwen. De Engelse voetbalbond FA heeft ooit beloofd de toegankelijkheid voor vrouwen in het voetbal te verbeteren om vervolgens die belofte onmiddellijk weer tegen te spreken.

 

Vorige maand nog [oktober 2020] openbaarde de FA een vierjarenplan voor het Engelse vrouwen-voetbal. Onder de leus ‘Inspirerende positieve verandering’ werd geschetst welke veranderingen er in 2024 moeten zijn doorgevoerd. Met dit ambitieuze plan wilde men de voornaamste obstakels wegnemen die deelname van vrouwen aan het Engelse voetbal verhinderen. Het was de bedoeling om elk meisje in de basisschoolleeftijd gelijke toegang te verlenen tot het voetballen op school en in clubs als jongens, of het nou om amateurvoetbal of om competitie in de hoogste klasse ging.

   Op school zou voetballen voor meisjes worden geïmplementeerd in het curriculum en tijdens de naschoolse opvang. In het clubcircuit zou elk meisje de gelegenheid krijgen om aan een zogenaamd Wildcats-programma deel te nemen. Meisjes van vijf tot elf jaar zouden dan de kans krijgen om regelmatig te komen spelen zodat ze de sport konden uitproberen.

   In samenwerking met de clubs zou de FA ook een effectief hoogwaardige, gender neutrale spelersgerichte route ontwikkelen, toegespitst op het creëren van een professionele sportcompetitie voor vrouwen zoals die nog nergens ter wereld bestaat. Het plan betrof eveneens verbeterde ontwikkelingsmogelijkheden voor vrouwelijke scheidsrechters en trainers.

   De FA liet in eerder september al weten dat ze sinds januari “precies hetzelfde” aan wedstrijdvergoedingen en bonussen aan de nationale en internationale heren- en damesteams had betaald, gevolgd door de belofte in oktober om meisjes op alle niveaus gelijke toegang tot voetbal te geven als jongens.

   Je begrijpt de teleurstelling toen bij het ingaan van de tweede lockdown werd onthuld dat de vrouwenafdelingen van de sportacademies en regionale talentenclubs hun activiteiten moesten opschorten. Dat was nog tot daaraantoe geweest als het om een algemene regel was gegaan, als het te onveilig werd geacht voor het gehele jeugdvoetbal. Maar de jongens konden gewoon doorgaan.

   Volgens de Engelse overheidsrichtlijnen moet elk sporttalent van zestien jaar of ouder kunnen blijven sporten. Het besluit van de FA is hiermee in strijd wat de schorsing van het meisjesvoetbal nog verbijsterender maakt.

   De FA beweerde in een krantenartikel dat de vrouwenafdelingen van de sportacademies en de regionale talentenclubs “niet voldoen aan de noodzakelijke ‘elite’-protocollen”. Inderdaad, meisjes mogen pas legaal worden gecontracteerd door een damesclub als ze achttien zijn en worden tot dan als dribbelspelers beschouwd. Toch heerst ook bij de regering verwarring over het besluit van de FA.

   Prominenten uit de sportwereld hebben hun kritiek niet onder stoelen of banken gestoken en sommige clubs hebben hun jeugdspelers naar het eerste team gepromoveerd om ervoor te zorgen dat ze deze maand kunnen spelen. Het voorkomt dat schorsing van de vrouwenafdelingen het vrouwenvoetbal belemmert. Meisjes zouden anders minstens een maand coaching en training missen en wellicht zelfs langer als de lockdown voortduurt. Vervolgens komt hun voortgang als speler op losse schroeven te staan.

   Natuurlijk was een schorsing ter bescherming van de volksgezondheid als een noodzakelijk kwaad gezien als het voor zowel de vrouwelijke spelers en coaches als hun mannelijke tegenhangers had gegolden. Maar die laatsten mochten gewoon doorgaan.

   Afgezien van de negatieve impact op het vrouwenspel is de beslissing van de FA rechtstreeks in tegenspraak met haar eigen strategie die pas drie weken geleden werd vrijgegeven. Het toen gepresenteerde vierjarenplan is onmiskenbaar slecht van start gegaan. In weerwil van de herhaaldelijk gebruikte slogan “gelijke toegang” is er niets gelijkwaardigs aan het sluiten van de meisjesafdelingen van de sportacademies en regionale talentenclubs terwijl de jongens doorgaan. Hoe verwacht de FA trouwens de beste damesvoetbalcompetitie ter wereld te creëren of in de komende vier jaar de leeuwinnen een trofee te zien winnen als jong talent geen eerlijke kans krijgt om zich te ontwikkelen? De situatie herinnert ons eraan dat er ondanks aanzienlijke verbeteringen in de afgelopen jaren nog veel moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat het heren- en damesvoetbal op voet van gelijkheid komt te staan. En dat dat geldt op alle niveaus, ook voor dribbelspelers en aankomende talentjes.

Nancy Gillen voor insidthegames.biz

 

 

Toekomstige gebeurtenissen zijn van invloed op het verleden. Dat heet terugkoppeling. Gebeurtenissen in de toekomst kunnen het verleden veranderen. Feedbackmechanismen kunnen een voortschrijdende (sneeuwbaleffect) of terugkerende (thermostaat) invloed hebben, levende wezens danken er hun bestaan aan, het superorganisme gaia maakt daarop geen uitzondering (daisyworld). We weten wat ons te doen staat omdat we weten wat ons te wachten staat. ‘Niet weten’ is echter de norm. Baden in onwetendheid is allerminst onschuldig.

   Het dilemma tussen individuele vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid pakt uiteindelijk altijd uit in het voordeel van de groep. Geen dictatuur houdt eeuwig stand. Geldelijk gewin verliest het van solidariteit. Dat is inherent aan ons sociale wezen.

Volgens de Amerikaanse godsdienstwetenschapper Elaine Pagels huist de zin van het bestaan in onze verbeelding, veroorzaakt door angst en verlangen. Oftewel HOOP (in: Bas Heijne. Leugens & Waarheid. Prometheus, 2021). Hoop is de motor van het menselijk gedrag. En de beste brandstof is een plaatje (icoon), dat zegt meer dan duizend woorden.

Klimaatactiviste Greta Thunberg, 16, richtte zich maandag 23 september 2019 op de Klimaattop (U.N. Climate Action Summit) van de V.N. in New York City. Hier is het volledige afschrift van Thunbergs toespraak, beginnend met haar antwoord op een vraag over het bericht dat ze voor wereldleiders heeft:

Mijn naam is Greta Thunberg. Ik ben 15 jaar oud. Ik woon in Zweden. Ik spreek namens Climate Justice Now. Veel mensen beweren dat de Zweden maar een onbeduidend volk zijn zonder enige rol van betekenis. Maar ik ben erachter gekomen dat niemand onbeduidend genoeg is om er niet toe te doen. En als een paar kinderen over de hele wereld voorpaginanieuws worden door alleen maar niet naar school te gaan, stel je dan eens voor waar we echt toe in staat zijn. Maar daarvoor moeten we ons duidelijk uitspreken, ongeacht hoe ongemakkelijk de boodschap is. Jullie hebben het alleen maar over eeuwig duurzame economische groei omdat je als de dood bent voor onpopulaire maatregelen. Jullie blijven doorgaan met dezelfde waanzin die ons in deze ellende heeft gestort terwijl de enige slimme zet is om keihard op de rem te trappen. Jullie hebt het lef niet om de waarheid onder ogen te zien. Zelfs dat laat je over aan ons, de kinderen. Mij kan het niet schelen of niemand mij aardig vindt of niet. Zolang ons klimaat en het leven op aarde maar recht wordt gedaan. Onze beschaving wordt opgeofferd zodat een handjevol mensen hun zakken kunnen vullen met een gigantische berg geld. Onze biosfeer wordt opgeofferd zodat rijke mensen in landen zoals het mijne een luxe leven kunnen leiden. Velen moeten lijden voor het luxe leventje van enkelen. In 2078 wordt 75. Als ik kinderen krijg zullen ze dan misschien bij me zijn. Wellicht zullen ze me dan naar jullie vragen. Wellicht zullen ze vragen waarom jullie niets deden toen het nog kon. Jullie beweren dat je je kinderen boven alles liefhebt en toch beroven jullie hen pal voor hun ogen van hun toekomst. Er is geen hoop, zolang jullie je niet richten op wat er werkelijk moet gebeuren in plaats van op politieke haalbaarheid. We kunnen geen crisis beëindigen als we hem niet als een crisis behandelen. We moeten de fossiele brandstoffen in de grond laten zitten en we moeten ons concentreren op een rechtvaardige verdeling. En als het onmogelijk is om oplossingen binnen het bestaande systeem te vinden, moeten we wellicht het systeem zelf veranderen. We zijn hier niet naartoe gekomen om wereldleiders te vragen zich zorgen te maken. Jullie hebben ons eerder genegeerd en dat zullen jullie nu wel weer doen. We hebben geen excuses meer en onze tijd zit erop. We zijn hier naartoe gekomen om te laten weten dat dingen gaan veranderen, of je het leuk vindt of niet. De ware macht is aan het volk. Dank u.

 

Yuri Chaika is de procureur-generaal van de Russische Federatie. Sinds hij in 2006 die functie kreeg, heeft hij geen enkel groot onderzoek afgerond. Chaika (zeemeeuw) is meer dan een talentloze, matige hoogwaardigheids-bekleder. Hij is de personificatie van een typische moderne protagonist – een vertegenwoordiger van de huidige Russische staatsmaffia. Mikhail Zygar, de voormalige hoofredacteur van Rain – het enige onafhankelijke tv-kanaal in Rusland – schreef over de rol van het openbaar ministerie in zijn boek All Kremlin Warrior Host. Hij schrijft: "Het openbaar ministerie werd een voorbeeld van politiek vrijwilligerswerk. Het voerde de politieke wil van het Kremlin uit op de meest brute en bruuske manier, en nam daarbij vaak de nuances van mensenrechten niet in achting. In de aanloop naar regionale verkiezingen klaagde het openbaar ministerie altijd ongewenste kandidaten aan en deed het alles om ervoor te zorgen dat ze de verkiezingsdag niet haalden. Het openbaar ministerie werd een gevestigde en goedlopende onderdrukkingsmachine." Sinds het begin van deze eeuw wordt een paradoxaal systeem van werknemersselectie gehanteerd in het Russische leger en bij justitie – sinds Poetin aan de macht kwam dus. Eerlijke aanklagers, agenten en rechters zijn niet winstgevend of handig in het huidige rechtssysteem. Maar er is grote vraag naar mensen die weten hoe ze moeten gehoorzaken en bereid zijn om een criminele zaak te beginnen tegen iedereen die in de weg staat. Ik zat in de gevangenis in dezelfde vleugel als een voormalige rechercheur. Ze was rechercheur geworden uit een misplaatst verlangen om goed te doen, omdat ze als kind veel films had gezien over goede politieagenten. Ze werd naar de gevangenis gestuurd door haar ex-man, die een politieagent was. In de jaren negentig had ze geholpen om zaken op te lossen om mensen te redden van corrupte agenten en aanklagers, en daar werd ze gelukkig van. In 2003 ging ze weg bij de politie omdat het werk niet meer interessant was voor haar. Er werd geen intern onderzoek meer gedaan, en alleen gehoorzaamheid en loyaliteit aan superieuren werden gewaardeerd – inclusief de bereidheid om de wet te overtreden als je daar opdracht tot kreeg.
Nadya Tolokonnikova (Pussy Riot) over Chaika
 
DE REDLEGS VAN BARBADOS door Edward T. Price

Arme blanken horen niet thuis in een koloniale wereld van blanke meesters en gekleurde arbeiders. Ze vallen niet alleen op als anomalieën, maar zullen het waarschijnlijk moeilijk hebben om te overleven in een samenleving die geen niche voor hen heeft, die ervan uitgaat dat ze niet bestaan. De arme blanken op de andere eilanden van de Kleine Antillen, beschreven door Grenfell Price1, leven meestal in afzonderlijke nederzettingen met een zekere mate van economische zelfvoorziening - maar Barbados biedt dergelijke kansen niet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eens zo talrijke Redlegs als groep op Barbados vrijwel verdwenen zijn.

   De term "Redleg" op Barbados verwijst waarschijnlijk naar de zonnebrand die wordt opgepikt door mensen met een lichte huid op zonnige breedtegraden. De naam vestigde oorspronkelijk mijn aandacht op de groep vanwege het feit dat het in South Carolina af en toe wordt gebruikt om te verwijzen naar een gemengde bloedgroep (en dat impliceert waarschijnlijk Indiaas bloed). Aangezien South Carolina werd bewoond door Barbadianen, had ik aan de mogelijkheid gedacht dat de twee Redleg-groepen, elk een abnormaal proletariaat in een multiculturele samenleving, verwant zouden kunnen zijn . Ik heb hiervoor geen concreet bewijs gevonden, maar denk dat het mogelijk is dat de naam op de twee plaatsen een gemeenschappelijke oorsprong had. Er wordt gezegd dat het in Schotland gebruikelijk is om de kilted highlanders te beschrijven, maar ik heb niet gevonden wanneer het voor het eerst werd gebruikt in Barbados of South Carolina. De Barbados Redlegs worden ook wel Redshanks en Scotland Johnnies genoemd (sommigen van hen wonen in het heuvelachtige Scotland District van het eiland ). De Redlegs zijn de overlevenden van de blanke immigratie naar Barbados in de zeventiende eeuw. Suiker werd begin 1640 commercieel geïntroduceerd en bleek zo winstgevend dat het al snel alle andere gewassen overtrof. De bevolking groeide snel met de rekrutering van arbeiders in Groot-Brittannië en Ierland en de invoer van Afrikaanse slaven. Fragmenten uit een dagboek uit 1654 illustreren de destijds overheersende thema's:

   “this Iland is the Dunghill whereon England doth cast forth its rubidg . . . manured the best of any Iland in the Inges . . . . But it maintains more souls than any piese of land of the bigness in the wordell".

   “Indentured servants came in number; if they survived the merciless treatment. they might receive a few acres for their own at the expiration of the contract. Sometimes the recruiting was forceful: men were shanghaied or, in the language specific to the day and place, "barbadoed." Political prisoners were sent to Barbados, especially during the Civil War and after the Bloody Assizes of 1685. 3 Prison...” [slechte fotokopie laatste regel op pagina ontbreekt].

 

Tijdens de zeventiende eeuw waren veel van de boerderij-eenheden klein, en er waren minder Europeanen dan slaven, maar de bloeitijd van de kleine eigenaar ging teloor door de bloeiperiode van suikergewassen op de maagdelijke bodems. Vóór 1700 raakten de blanken zo verontrust over het toenemende overwicht van negerslaven in het licht van de blanke emigratie, dat er wettelijke maatregelen werden genomen om de heerschappij op het eiland in stand te houden . Elk suikerlandgoed moest een lakei onderhouden voor elke 20 acres en een ruiter voor elke 40 acres (de verhouding lijkt van tijd tot tijd te variëren). De aldus voorgeschreven militieleden kregen elk een huis en een klein stuk land op het landgoed.

De strijdkrachten kwamen weinig in actie om de orde op Barbados te handhaven, maar werden verschillende keren opgeroepen om te helpen bij aanvallen op de andere koloniën. Naarmate de militaire activiteit afnam, nam ook de verantwoordelijkheid van de militie af. Verzekerd van een minimum aan levensonderhoud van hun twee hectare en met weinig mogelijkheden om hun posities te verbeteren, ontwikkelden de militieleden en hun families zich tot een ambitieuze groep. Ze werden dus bijna universeel beschreven door reizigers uit de achttiende en negentiende eeuw, die ook enkele van de gevoelens onthulden die de Redlegs als volk onderscheidde.

   George Washington, die het eiland in 1751 bezocht, schreef: "Every Gentn. is oblig'd to keep a white person for ten Acres capable of acting in the Militia and consequently those persons so kept cant but (be) very poor."

   George Pinekard verwees in 1806 naar een talrijke klasse van inwoners tussen de grote planters en de mensen van kleur, mensen die zo lang hadden geleefd op het eiland dat ze het als hun eigen woonplaats beschouwden en niet naar Engeland op zoek waren voor een betere leefplek, merkte hij met verbazing: "They obtain a scanty livelihood by cultivating a small patch of earth, and breeding up poultry, or what they term stock for the market."

   HN Coleridge rapporteerde in 1834 over deze speciale klasse van bestaande mensen " . . . . in consequence of the large white population" and who had "an indefeasible interest for their lives in a house and garden . . . . They owe no fealty to the landlord, make him no acknowledgement, and entertain no kind of gratitude towards him . . . . They will walk half over the island to demand alms, or depend for their subsistence on the charity of slaves . . . . Yet they are as proud as Lucifer himself, and in virtue of their freckled ditchwater faces consider themselves on a level with every gentleman in the island."'

   Sir Andrew Halliday merkte in 1834 op dat een overblijfsel van de 'afstammelingen van de eerste blanke arbeiders' nog steeds bestonden en 'bekendstonden als de meest luie, onwetende en brutale bedelaars die ooit in welke gemeenschap dan ook werden getolereerd.’

   Emancipatie van slaven in 1834 bracht een snelle beëindiging van de status van het militievolk, die een eeuw had geduurd ......... [ slechte fotokopie - laatste regel op pagina ontbreekt] handhaven orde. De suikerplantages hadden de vrijgelatenen in dienst, die op Barbados geen alternatief hadden; in andere koloniën trokken de vrijgelatenen vaak de wildernis in of gingen er in eigen land op uit, maar al het bruikbare land in Barbados was al eigendom van en werd in cultuur gebracht.

   Ongeveer 2.000 blanken uit de militieklasse zijn naar schatting op de landgoederen afgezet. Deze mensen gingen niet deelnemen aan het enige duidelijke type werkgelegenheid - werken met negers in arbeidersbendes. Velen vestigden zich in de dorpen van de armere en meer afgelegen bovenwindse kant van het eiland, leefden van allerlei klusjes en verwierven een reputatie als beroeps paupers.

   Tussen 1859 en 1879 had de regering belangstelling voor de benarde toestand van de Redlegs en werden hierover een aantal rapporten opgesteld. In een rapport van de Poor Relief Commission staat: 'De blanke paupers hebben in de regel hogere pensioenen dan de zwarten en kleurlingen - er is meer armoede – en soms, hoewel ze in staat zijn om te werken, krijgen ze een pensioen, omdat ze zeggen dat ze geen werk kunnen vinden. Ze beschouwen zichzelf te goed voor het werk en bijna gelijk aan hun werkgever. " Een onafhankelijke waarnemer uit dezelfde periode zei:" De allerarmste en meest ellendige mensen op het hele eiland zijn blanken. "

   De fysieke toestand van de Redlegs was net zo zielig als hun John Davy. Die merkte op dat de arme blanken meer op albino's leken dan op Engelsen wanneer ze werden blootgesteld aan de tropische zon. Hij beschreef ze als ziekelijk wit of lichtrood van kleur en merkte tekenen van zwakheid op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Rockefeller Foundation sponsor van een mijnwormonderzoek in Barbados, waaruit bleek dat er in de arme bovenwindse parochies een zeer hoge mate van infectie was; de ziekte werd vooral opgemerkt onder de arme blanken die de effecten ervan vertoonden in diepe bloedarmoede en gebrekkige groei. In een gedetailleerd verslag afkomstig van een privépoging om de Redlegs te helpen staat het volgende. Een inwoner van St. Philip, uit de zuidoostelijke parochie, die stierf in 1857, verliet zijn woning en landgoed om een school op te richten voor de kinderen van arme blanken die in die parochie woonden; maximaal 36 kinderen werden voorzien van onderwijs, boeken en twee pakken kleding per jaar. De school functioneerde in de loop van de jaren continu, maar werd uiteindelijk in 1949 gesloten omdat er vrijwel geen arme blanken meer waren in St. Philip. Het geld dat beschikbaar was voor de school werd gebruikt om beurzen te verstrekken aan geschikte kinderen van beide rassen.

   Nu zijn de Redlegs zo goed als verdwenen. Kans op werkgelegenheid in de stad Bridgetown (80.000 inwoners ) was ongetwijfeld de voornaamste oorzaak om weg te trekken uit de landelijke gebieden [slechte fotokopie - laatste regel van pagina ontbreekt] financieel succes en erkenning.

   Bridgetown heeft tegenwoordig veel arme blanken en het is zeer waarschijnlijk dat ze uit de oude Redlegs-klasse komen. Slechts een paar honderd Redlegs overleefden in de negerdorpen van de bovenwindse parochies. Je kunt ze zien terwijl ze langs de wegen lopen of werken als snelwegpersoneel en ze leven op vrijwel dezelfde manier als de gekleurde dorpelingen. Sommigen huwen onderling, maar de meeste overlevenden hebben een raciale trots en een zekere afstandelijkheid ten opzichte van de negers met wie ze zo dicht bij elkaar leven.

   Het verslag van de Redlegs zou eindigen met hun virtuele verdwijning op Barbados als de negentiende-eeuwse pogingen om hen te hervestigen geen vruchten hadden afgeworpen . Na onderzoek van hun toestand trof de gouverneur in 1859 regelingen om enkele honderden van hen naar een ander eiland te verplaatsen , maar het plan mislukte toen het Huis van Afgevaardigden weigerde het geld toe te eigenen om ze te vervoeren. Een paar jaar later regelde een van de parochierectoren echter iets met een landgoedeigenaar op St. Vincent om een aantal van de Redlegs naar dat eiland te vervoeren . Andere families volgde de goede berichten van de eerste, blijkbaar zelfstandig, zodat tegen 1870 zich drie- of vierhonderd vestigden in de wijk Dorsetshire heuvel, St.Vincent. Vanaf het moment dat ze werden gerapporteerd als grondbezitters, bosbouwers, houtskoolbranders, bewerkten ze het land tot de vruchtbaarheid uitgeput was en dan verhuisden ze weer. Blijkbaar bleef de vergankelijke aard van deze land-bouw niet bestaan, want Dorsetshire Hill is nu een compacte, dichtbevolkte en intensief gekweekte nederzetting van waarschijnlijk 300 blanken van Barbadiaanse afkomst. Net voorbij de buitenwijken van Kingstown aan de zuidkant van het eiland, beslaat de Dorsetshire Hill-gemeenschap een stuk steile bergkammen bedekt met diepe, brokkelige grond. Het land is net zo netjes bewerkt in voedselgewassen en weilanden als welk land dan ook. Huizen zijn klein, maar ver boven de West-Indische maatstaven in zowel grootte als netheid. De gemeenschap heeft haar isolement behouden met zeer weinig gemengde huwelijken. De meeste van de inwoners hebben een van de zes gemeenschappelijke achternamen: Davis, Gibson, Hinkson, Marshall, Medford, Bradshaw. De gemeenschap heeft een eigen school en een anglicaanse kerk (het katholicisme overheerst op St. Vincent). Jarenlang lijkt er geen ruimte voor groei te zijn geweest; emigratie heeft in een aantal gevallen kolonisten naar de Verenigde Staten en Canada gebracht. Ook twee andere kolonies van Redlegs op de Bovenwindse Eilanden hebben duidelijk de moedergroep op Barbados overleefd, maar de nederzettingen in Grenada en Bequia hebben hun isolement niet zo goed behouden als de Dorsetshire Hill-gemeenschap. Geen van deze drie kolonies laat zien dat de gedegradeerde, depressieve en ...[slechte fotokopie - laatste regel pagina ontbreekt] afzonderlijke nederzettingen moesten vormen op de minder dichtbevolkte eilanden.

   De kolonie Bequia werd als een mislukking beschouwd, maar een aantal families, misschien wel honderd mensen, wonen nog steeds op Pleasant Hill boven Port Elizabeth. Dit heuvellandschap op Bequia is zowel droog als steil voor de beste landbouw, maar op terrasvormige velden wordt een verscheidenheid aan voedselgewassen verbouwd. De scheepvaart is waarschijnlijk van groter belang voor de kolonie. Sommige mannen exploiteren schoeners tussen de eilanden en de meeste families delen via familiesyndicaten in het eigendom van de schepen. Familienamen zijn Gooding, Davis en King. Ook hier heeft aanzienlijke emigratie naar Noord-Amerika plaatsgevonden.

   De Mt. Moritz-nederzetting in Grenada, in de heuvels met uitzicht op de kust, twee of drie mijl ten noorden van St.George's, heeft nog een groep blanken uit Barbados. Hoewel ze begonnen te trouwen met de negers, telt de gemeenschap waarschijnlijk de meeste ongemengde blanken die op het eiland te vinden zijn. De leidende namen in de gemeenschap zijn Edwards, Dowding, Harris, Graves en Medford. Deze families zijn waarschijnlijk sinds de jaren '70 op Grenada geweest , hoewel geen enkel huidig lid van de kolonie in staat lijkt om een specifiek verslag van de oorsprong te geven. Ze zijn ook cultureel verschillend van de Grenadianen. De negers herkenden hen als een bijzondere groep die met nieuwsgierigheid of angst moest worden bekeken.

   De spraak van de Mt. Moritz-mensen is gemakkelijk te begrijpen voor een Amerikaan (geldt voor de meeste Barbadianen) terwijl de spraak van de neger-Grenadianen vaak niet verstaanbaar is.

   De Barbadianen hebben een reputatie opgebouwd als ijverige groentetelers, terwijl de rest van het eiland boomgewassen (cacao, nootmuskaat – die vreemd genoeg beschouwd worden als luie landbouw) of suiker produceert.

   De Mt. Moritz-blanken zijn bijzonder trots op de manier waarop ze een helling cultiveren, waarbij hun tuinen met rijen kleine bassins worden doorkruist om bodemerosie te voorkomen; deze percelen hebben het aspect van een fijn getextureerde versie van het Barbados-gatenpatroon voor suikerriet, dat hoogstwaarschijnlijk hun prototype is.Veel. Mt. Moritz-mensen hebben nu banen in St. George's. De gemeenschap omvat waarschijnlijk 200 ongemengde blanken. De school in 1956 telde 154 ingeschrevenen, van wie ongeveer een derde blank bleek te zijn.

   De mensen op Grenada worden nog steeds erkend als Barbadianen en zelfs negers die in de gemeenschap leven, worden waarschijnlijk "Bajans" genoemd.

   Van de drie beschreven kolonies en de oorspronkelijke groep op Barbados, wordt een groot aantal achternamen als kenmerkend voor Redleg-families beschouwd. Elk van de bovenwindse parochies op Barbados lijkt zijn eigen namen te hebben. Een paar van de namen hebben [slechte fotokopie - laatste regel van pagina ontbreekt].

   De Redlegs zouden soms volledig zijn voortgekomen uit de deportaties na de Monmouth-opstand uit 1685, maar de namen van Redleg komen eigenlijk niet voor op Hotten's lijst van gedeporteerden. Het is duidelijk dat alle Redlegs zijn voortgekomen uit de gehele Britse immigratie naar Barbados tijdens de zeventiende eeuw en dat ze zich ontwikkelden als een aparte groep vanwege de beperkte (en hier wettelijk geboden) kansen in een gelaagde samenleving. Hun verdwijning op Barbados is mogelijk gemaakt door een toename van de sociale mobiliteit die minder goed wordt geboden in de kleinere steden Grenada, St. Vincent en Bequia.  

 
 

 

 
 

 

BLIJF BIJ DE TIJD, MAAK EEN OMMETJE * 

Jacek Yerka: Walking Lesson

Lichaamsbeweging stimuleert het denkproces. Volgens Nietzsche was bewegen een voorwaarde om op goede ideeën te komen. Hij beschouwde zijn ‘wandelboeken’ uit de jaren 80 van de 19e eeuw als zijn belangrijkste werk. Denkers als Montaigne (1533-1592), Kant (1724-1804), Thoreau (1817-1862) en Wittgenstein (1889-1951) gaven blijk van dezelfde waardering voor het strekken van de benen.

Hedendaagse psychologen en neurowetenschappers beamen de relatie tussen sport en creativiteit. Dat hangt vermoedelijk samen met de sterkere en doorbloeding van de voorste hersendelen waardoor deze meer zuurstof en glucose krijgen en verbrandingsproducten kwijtraken. Mogelijk spelen ook hormonen een rol, zoals irisine dat bij inspanning vrijkomt in de hypocampus en onmisbaar is voor de geheugenvorming.

Voor transhumanisten die hopen op een eeuwig geestelijk leven door hun geest bijvoorbeeld te uploaden in een anorganisch cybernetisch systeem is dit geen goed nieuws. Ze zullen op zijn minst rekening moeten houden met een gemankeerd denkproces in geïsoleerde hersenen als een lichaamssimulatie ontbreekt. Hoe en in hoeverre, de tijd zal het leren.{modalcontent}

  

 

DARWIN IN CYBERIË *

Aankondigingen van de transorganische evolutie

 

 

Op 4 februari 1923, een eeuw geleden, hield de jonge Britse evolutionist JBS Haldane een opzienbarende lezing aan de Universiteit van Cambridge, getiteld Daedalus of Wetenschap en de Toekomst* waarin hij zijn visie ontvouwde op een toekomst waarin mensen hun eigen evolutie controleren. De lezing, die een jaar later in druk verscheen, wordt thans beschouwd als een vroege visie op de transhumane samen-leving en ontbreekt zelden in een historische overzicht van het transhumanisme.

   Waarschuwingen voor een samenleving die werd gedomineerd door machines waren al eerder geuit, onder meer door de Franse nobelprijs-winnaar Romain Rolland met het filmscript La Pensée Déchainée* in 1921 en Henri Ner met La Révolte des Machines* in 1896.

   In 1863, kort na de publicatie van Darwins Oorsprong der Soorten, verscheen een artikel van Samuel Butler in het Nieuw Zeelandse dagblad The Press, dat later een hoofdstuk werd in zijn satirische roman Erewhon (nowhere). Als aanhanger van Darwins evolutietheorie verdedigde Samuel Butler het principe van ‘natuurlijke selectie’. Maar hij weigerde te accepteren dat evolutie blind zou zijn. In The book of the Machines suggereerde hij dat in de toekomst apparaten via darwiniaanse selectie een bewustzijn zouden kunnen ontwikkelen. Hij vond dat een dysto-pische gedachte en riep op tot vernietiging van de machines. Dat is niet gebeurd en daarom hebben we nu cybernetica en nanotechnologie.

   Hieronder volgt een vertaling van een gedeelte uit The book of the Machines uit 1872. De vertaling komt uit  https://verbodengeschriften.nl/  waar ook uitgebreidere informatie is terug te vinden.

  

 

 

Er was ooit een tijd waarin de aarde naar alle waarschijnlijkheid volledig verstoken was van zowel dierlijk als plantaardig leven en, volgens de mening van onze beste filosofen, gewoon een hete ronde bol was, met een geleidelijk afkoelende korst. Maar als er een menselijk wezen was geweest toen de aarde nog in die toestand verkeerde en haar had kunnen zien alsof het een andere wereld was waarmee hij niets te maken had en hij tegelijkertijd helemaal niets afwist van de natuurwetenschappen, zou hij dan niet verkondigd hebben dat het onmogelijk was dat zich, op dat kennelijk vulkanisch gesteente dat hij ontwaarde, schepsels zouden hebben ontwikkeld die over zoiets als een bewustzijn beschikten? Zou hij niet ontkend hebben dat die korst ook maar enige mogelijkheid tot bewustzijn bevatte? Toch is er in de loop der tijd bewustzijn ontstaan. Is het dan niet mogelijk dat er voor het bewustzijn zelfs nu nog nieuwe bronnen aangeboord worden, hoewel we daarvoor op dit moment geen tekenen van kunnen ontdekken?

   Als het bewustzijn, in de tegenwoordig algemeen aanvaarde betekenis van het woord, ooit iets nieuws is geweest - iets dat, voor zover we dat kunnen begrijpen, ook het gevolg kan zijn van een afzonderlijk activiteits-centrum en een voortplantingssysteem (dat we zien bij planten, zonder dat er sprake is van een aantoonbaar bewustzijn) - waarom zou de geest dan niet een nieuw stadium kunnen bereiken, dat zich evenzeer onderscheidt van alle tegenwoordig bekende stadia, als de geest van het dier van die van de plant?

   Het zou belachelijk zijn te proberen een dergelijke mentale toestand (of hoe dat ook genoemd mag worden) te omschrijven, omdat die voor de mens zoiets ongewoons moet zijn, dat hij om de aard ervan te begrijpen niet af kan gaan op zijn ervaring; maar als we nadenken over al die stadia van leven en bewustzijn, die zich al ontwikkeld hebben, zou het zonder meer ondoordacht zijn te beweren dat er geen andere vormen meer kunnen ontstaan en dat het dierlijk leven het eind van alles is. Ooit was er een tijd dat het vuur het einde van alle dingen was en een andere waarin dat gold voor stenen en water.

   Het feit dat machines op dit moment maar weinig bewustzijn bezitten, biedt geen bescherming tegen de uiteindelijke ontwikkeling van een mechanisch bewustzijn. Een weekdier heeft ook niet veel bewustzijn. Denk maar aan de buitengewone vooruitgang die de machines de afgelopen paar honderd jaar geboekt hebben en kijk hoe traag het dieren- en plantenrijk voortschrijden. Vergeleken met het verleden zijn de hoger georganiseerde machines, bij wijze van spreken, niet zozeer scheppingen van gisteren, maar van de laatste vijf minuten. Stel het hypothetische geval dat bewuste wezens al zo'n twintig miljoen jaar bestaan en bedenk dan wat voor vorderingen de machines de afgelopen duizend jaar gemaakt hebben! Zou de wereld niet nog twintig miljoen jaar mee kunnen? Als dat het geval is, wat kunnen ze dan uiteindelijk niet worden? Is het niet veiliger om het kwaad in de kiem te smoren en ze verdere ontwikkeling te verbieden?

   Maar wie kan zeggen dat de stoommachine niet een soort van bewustzijn heeft? Waar begint het bewustzijn en waar eindigt het? Wie kan de grens trekken? Is er wel een grens te trekken? Hangt niet alles met alles samen? Zijn de machines niet op oneindig verschillende manieren verbonden met het dierlijk leven? De schaal van een kippenei bestaat uit heel fijn wit aardewerk en is evenzeer een machine als de eierdop: de schaal is evenzeer een machine om het ei te omvatten, als de eierdop om de schaal te omvatten: beiden zijn stadia van dezelfde functie; de kip maakt de schaal in haar inwendige, maar het is zuiver pottenbakkerswerk. Haar nest maakt ze, voor het gemak, buiten zichzelf, maar dat nest is evenzeer een machine als de eierschaal. Een 'machine' is niets anders dan een 'werktuig.'

   Er bestaat een plantensoort die met haar bloemen organisch voedsel eet: als een vlieg neerstrijkt op de bloem, sluiten de kelkbladen zich daar overheen en houden haar vast totdat de plant het insect in haar systeem opgenomen heeft; maar ze sluiten zich alleen over iets eetbaars; aan een regendruppel of een stukje hout schenken ze geen aandacht. Merkwaardig, dat een zo onbewust ding een zo scherp oog heeft voor zijn eigen belang. Als dat onbewustheid is, wat is dan de zin van het bewustzijn?

   Moeten we dan zeggen dat de plant alleen maar niet weet wat ze doet omdat ze geen ogen, oren of hersenen heeft? Als we zeggen dat ze uitsluitend en alleen mechanisch handelt, moeten we dan niet toegeven dat allerlei andere, ogenschijnlijk zeer opzettelijke handelingen ook mechanisch zijn? Als wij het idee hebben dat de plant een vlieg mechanisch doodt en opeet, lijkt het voor de plant dan niet dat een mens een schaap ook mechanisch moet doden en opeten?

   Maar dan kan aangevoerd worden dat de plant niet over een denkvermogen beschikt, want dat de groei van een plant een onvrijwillige groei is. Als haar aarde, lucht en een geschikte temperatuur verschaft worden, moet de plant wel groeien: ze is als een klok die, eenmaal opgewonden, blijft lopen tot ze gestopt wordt of afgewonden is; als de wind die in de zeilen van een schip blaast - het schip moet voortgaan als de wind het voortblaast. Maar kan een gezonde jongen er iets aan doen dat hij groeit, als hij goed te eten en te drinken krijgt en deugdelijk gekleed is? is er ook maar iets dat enige inbreng heeft zolang het is opgewonden, of kan doorgaan nadat het afgewonden is? Is niet overal sprake van een opwindproces?

   Zelfs een aardappel1 in een donkere kelder, beschikt enigermate over een bepaalde slimheid, die haar uitstekend van pas komt. Zij weet heel goed wat ze wil en hoe dat te verkrijgen. Door het kelderraam ziet ze licht naar binnen komen en stuurt haar uitlopers daar kruipend regelrecht naartoe: ze zullen over de vloer, langs de muur omhoog en uit het raam kruipen; als er ergens onderweg wat aarde ligt, zal ze dat vinden en voor haar eigen doeleinden aanwenden. Wat ze doelbewust met haar wortels uitvoert, in het geval ze in de grond gestopt wordt, is iets dat we niet weten, maar we kunnen ons voorstellen dat ze zegt, 'ik wil hier een knol en daar een knol hebben en zal alles opzuigen uit mijn omgeving waarmee ik mijn voordeel kan doen. Deze buurman zal ik overschaduwen en die zal ik ondermijnen; en wat ik kan zal de grens vormen van wat ik doe. Wie sterker is en zich op een betere plaats bevindt dan ik, zal mij overwinnen en wie zwakker is zal ik overwinnen.'

   De aardappel zegt die dingen door ze te doen en dat is de allerbeste taal. Wat is bewustzijn, als dát geen bewustzijn is? We vinden het moeilijk om mee te leven met de emoties van een aardappel en dat geldt ook voor die van een oester. Beiden maken geen geluid als ze gekookt of opengemaakt worden en geluid spreekt ons sterker aan dan wat dan ook, omdat we zelf zoveel kabaal maken als we pijn hebben. Omdat ze ons dus niet lastigvallen met enige uiting van pijn, noemen we ze gevoelloos; en dat zijn ze dan ook voor de mensheid, maar de mensheid is niet iedereen.

   Als beweerd wordt dat het handelen van de aardappel uitsluitend iets chemisch en mechanisch is en teweeggebracht wordt door de chemische en mechanische werking van licht en warmte, lijkt het antwoord daarop te liggen in de vraag of dan niet elke gewaarwording in haar werking chemisch en mechanisch is? of de dingen die wij meestal als iets zuiver geestelijks zien, niets anders zijn dan verstoringen van het evenwicht in een oneindige reeks hefbomen, vanaf de hefboompjes die te klein zijn om met behulp van een microscoop waargenomen te worden, tot aan de menselijke arm en de werktuigen waarvan die gebruikmaakt? Of het denken niet een kwestie is van moleculaire werking, waaruit een dynamische theorie van de hartstochten af te leiden zal zijn? Of we ons, strikt gesproken, niet zouden moeten afvragen uit wat voor hefbomen de mens samengesteld is, in plaats van wat zijn temperament is? Hoe worden ze in evenwicht gehouden? Hoe veel van dit of dat is er nodig om ze in gang te zetten en hem zus of zo te laten doen?

   Of er moet erkend worden dat een groot gedeelte van het handelen, dat zuiver mechanisch en onbewust genoemd wordt, meer elementen van bewustzijn bevat dan tot nu toe erkend is (en in dat geval zullen in veel handelingen van hoger ontwikkelde machines kiemen van bewustzijn gevonden worden) - of (met aanvaarding van de evolutietheorie, maar tegelijkertijd ontkenning van dat planten en kristallen bewust handelen) de mensheid stamt af van dingen die helemaal geen bewustzijn hadden. In dat geval is het niet een a priori onwaarschijnlijkheid dat bewuste (en meer dan bewuste) machines voort zullen komen uit de tegenwoordig bestaande, behalve dan de machine die wordt aangedragen door de kennelijke afwezigheid van zoiets als een voortplantingssysteem in het domein van de mechanieken. Die afwezigheid is, zoals ik zo meteen zal laten zien, alleen maar ogenschijnlijk.

   Begrijp me niet verkeerd en denk niet dat ik in angst leef voor enige bestaande machine; waarschijnlijk is geen enkele bekende machine meer dan een prototype van het toekomstige mechanische leven. De huidige machines zijn voor de toekomst, wat de vroege sauriërs zijn voor de mens. De grootsten ervan zullen waarschijnlijk sterk in omvang afnemen. Sommige van de laagste gewervelde dieren hebben een veel grotere omvang bereikt, dan is overgedragen op hun hoger georganiseerde nu levende vertegenwoordigers, en op dezelfde manier is de ontwikkeling en vooruitgang van de machines vaak gepaard gegaan met een afname in grootte.

   Neem bijvoorbeeld het horloge; onderzoek zijn prachtige structuur; bekijk het slimme spel van de minieme onderdelen waaruit het is opgebouwd: toch is dat kleine schepseltje niets anders dan een ontwikkeling vanuit de logge klokken die eraan voorafgegaan zijn; het is er niet slechter op geworden. Er komt misschien een dag waarop klokken, die tegenwoordig in ieder geval niet in grootte afnemen, verdrongen zullen worden door het algemeen gebruik van horloges, in welk geval ze even uitgestorven zullen raken als de ichtyosaurussen, terwijl het horloge, dat al enige jaren de neiging vertoont in grootte af te nemen in plaats van het tegenovergestelde, het enige bestaande voorbeeld zal blijven van een uitgestorven ras.

   Maar om terug te keren op mijn betoog, zou ik willen herhalen dat ik niet bang ben voor de bestaande machines; waar ik wel bang voor ben is de buitengewone snelheid waarmee ze iets heel anders worden dan wat ze op dit moment zijn. Geen enkele soort wezens heeft in het verleden ooit een zo snelle beweging voorwaarts gemaakt. Moet die beweging niet angstvallig in de gaten gehouden en een halt toegeroepen worden, nu we dat nog kunnen? En moeten daarom niet de op dit moment gebruikte, verder ontwikkelde machines vernietigd worden, ondanks dat we moeten toegeven dat ze op zich ongevaarlijk zijn?

   Tot nu toe ontvangen de machines hun indrukken door middel van de zintuigen van de mens: de ene zich voortbewegende machine roept op een schrille waarschuwingstoon naar een andere en die trekt zich dan meteen terug; maar het is door middel van de oren van de bestuurder dat de een de ander beïnvloed heeft. Als er geen bestuurder was geweest, zou de geroepene doof geweest zijn voor de roepende. Ooit moet het hoogst onwaarschijnlijk hebben geleken dat machines zouden leren hun behoeften kenbaar te maken door middel van geluid, zelfs met behulp van de oren van de mens; mogen we dan niet bedenken dat er een dag zal aanbreken waarop die oren niet langer nodig zijn en dat luisteren zal plaatsvinden door middel van de verfijnde bouw van de machine zelf? - een dag waarop haar taal zich ontwikkeld zal hebben van de schreeuw van het dier tot een spraakvermogen dat even ingewikkeld is als dat van ons?

   Het is mogelijk dat kinderen tegen die tijd - net zoals ze leren praten - van hun moeders en verzorgsters leren differentiaalrekenen, of dat ze misschien meteen na hun geboorte al een hypothetisch taal kunnen spreken en sommen volgens de regel van drie maken; maar dat is onwaarschijnlijk; we kunnen niet rekenen op enige overeenkomstige vooruitgang in de intellectuele of fysieke vermogens van de mens, die een tegenwicht kan bieden tegen de veel grotere vooruitgang die voor de machines in het vooruitzicht lijkt te liggen. Sommige mensen zullen misschien zeggen dat de morele invloed van de mens toereikend zal zijn om ze in bedwang te houden; maar ik kan me niet voorstellen dat het ooit veilig zal zijn als er veel vertrouwen gesteld wordt in het morele gevoel van welke machine dan ook.

   Zou, anderzijds, de luister van de machines niet kunnen bestaan in het feit dat ze diezelfde zo opgehemelde gave van de taal missen? 'Zwijgen,' is ooit door een schrijver gezegd, 'is een deugd die ons aangenaam maakt voor onze medemensen.'

 

Maar dan dienen zich andere vragen bij ons aan. Wat is een mensenoog anders dan een machine om doorheen te kijken, voor het schepseltje dat daarachter in zijn hersenen zit? Tot enige tijd nadat de mens gestorven is, is het dode oog haast even goed als het levende. Het is niet het oog dat niet kan zien, maar de rusteloze die er niet doorheen kan kijken. Zijn het de ogen van de mens, of is het die grote kijkmachine die ons het bestaan onthuld heeft van werelden voorbij werelden, tot in het oneindige. Wat heeft de mens vertrouwd gemaakt met het maanlandschap, de zonnevlekken of de geografie van de planeten? Voor deze dingen is hij overgeleverd aan de genade van de kijkmachine en is machteloos tenzij hij die toevoegt aan zijn eigen identiteit en daarvan een wezenlijk deel van zichzelf maakt. Maar is het dan het oog, of is het het kijkmachientje dat ons het bestaan onthuld heeft van de oneindig kleine organismen die ongezien om ons heen zwermen?

   En neem het rekenvermogen van de mens, waarover zo hoog opgegeven wordt. Hebben we soms geen machines die allerlei berekeningen sneller en juister kunnen uitvoeren dan wij. Welke prijswinnaar in de Hypothetica van onze Universiteiten van Onredelijkheid kan zich op zijn eigen vakgebied meten met sommige van deze machines? Als precisie vereist is, vliegt de mens in feite meteen naar de machine, waaraan hij ver de voorkeur geeft boven zichzelf. Onze rekenmachines laten nooit een cijfer vallen, noch onze weefgetouwen een steek; de machine is doortastend en actief, waar de mens moe is; ze is scherpzinnig en bedaard, waar de mens dom en suf is; ze heeft geen rust nodig, waar de mens moet slapen of ophouden; altijd op haar post, altijd klaar voor het werk, nooit verslapt haar bereidwilligheid, nooit laat haar geduld haar in de steek; haar kracht is groter dan die van honderden mensen samen en ze is sneller dan de vogelvlucht; ze kan zich ondergronds een weg banen en de grootste rivieren oversteken zonder te zinken. Dat is de jonge boom; wat zal er gebeuren als hij uitgegroeid is?

   Wie kan zeggen dat een mens ziet of hoort? Hij is zo'n opeenhoping en zwerm van parasieten dat het twijfelachtig is of zijn lichaam niet meer van hen is dan van hemzelf en of hij eigenlijk niet anders is dan een soort mierenhoop. Kan de mens dan misschien zelf een soort parasiet op de machines worden? Een toegenegen, machines kietelende bladluis?

   Door sommigen wordt gezegd dat ons bloed samengesteld is uit een eindeloze hoeveelheid levende, werkzame deeltjes die langs de hoofd- en zijwegen op en neer gaan, zoals mensen in de straten van een stad. Als we vanaf een hooggelegen plek neerkijken op drukke verkeerswegen, is het dan mogelijk om niet te denken aan bloedlichaampjes die door de aderen reizen en het hart van de stad voeden? Om nog maar te zwijgen over de rioolbuizen, of de verborgen zenuwen die dienen om gewaarwordingen door te geven van het ene deel van het stadslichaam naar het andere; of de gapende kaken van de treinstations, waardoor de bloedstroom rechtstreeks naar het hart vervoerd wordt - dat de verbindingsaders opvangt en het slagaderlijk bloed uitstoot, met een eeuwige polsslag van mensen. En dan de slaap van de stad, wat levensecht! met haar veranderde verkeersstromen.

   Zelfs al zouden de machines nooit zo goed kunnen horen en nooit zo verstandig kunnen spreken, dan kan het antwoord zijn dat ze toch altijd het een of het ander in ons voordeel zullen doen en niet in dat van zichzelf; dat de mens de sturende kracht zal blijven en de machine de dienende; dat zodra een machine nalaat de dienst te leveren die de mens van haar verwacht, ze gedoemd is uit te sterven; dat de machines zich gewoon tot de mens verhouden als de lagere dieren, en de stoommachine zelf alleen maar een economischer soort paard is; zodat ze, in plaats van zich waarschijnlijk te ontwikkelen tot een hogere levensvorm dan die van de mens, hun bestaan en vooruitgang juist te danken hebben aan hun vermogen om te voorzien in menselijke behoeften en daarom zowel nu als altijd de mindere van de mens moeten blijven.

   Dat is allemaal tot daaraan toe. Maar met onmerkbare naderende stappen glipt de dienaar de meester binnen; en we zijn al zover gekomen dat het voor de mens, ook nu al, vreselijk lastig wordt als hij ophoudt de machine van dienst te zijn. Als alle machines tegelijkertijd vernietigd zouden worden, zodat de mens geen mes, hefboom, kledingstuk of wat dan ook overhoudt, maar alleen het blote lijf waarmee hij geboren is, en als hem alle kennis van de wetten van de mechanica afgenomen zou worden, zodat hij geen machines meer kan vervaardigen, en al het door machines gemaakte voedsel vernietigd zou worden, zodat de mens als het ware naakt achtergelaten wordt op een verlaten eiland, sterven we binnen zes weken uit. Een paar beklagenswaardige individuen zouden misschien kunnen overleven, maar zelfs zij zouden binnen een jaar of twee erger dan apen worden. De mens heeft zijn ziel juist te danken aan de machines; zij is iets dat machinaal vervaardigd is: hij denkt zoals hij denkt en voelt zoals hij voelt, dankzij de invloed die machines op hem uitgeoefend hebben en hun bestaan is evenzeer een sine qua non voor het zijne, als zijn bestaan voor het hunne. Dat feit verhindert ons dat we ons voornemen de hele machinerie te vernietigen, maar het betekent zonder meer dat we er zoveel van moeten vernietigen als wij kunnen missen, zodat ze ons niet nog vollediger kunnen tiranniseren.

   Natuurlijk lijkt het vanuit een strikt materialistisch standpunt dat degenen die, overal waar dat mogelijk voordeel oplevert, gebruik maken van machines, het best gedijen, maar dat is de list van de machines - ze dienen om te kunnen heersen. Ze koesteren geen wrok tegen de mens, als hij een hele soort van hen vernietigt, mits hij daarvoor in de plaats maar een betere vervaardigt; ze belonen hem juist overvloedig omdat hij daarmee hun ontwikkeling versneld heeft. Hij roept hun gramschap op door ze te verwaarlozen, minderwaardige machines in te zetten, zich onvoldoende inspanningen te getroosten om nieuwe uit te vinden of ze te vernietigen zonder ze te vervangen; toch zijn dat juist de dingen die we zouden moeten doen en snel ook; want onze rebellie tegen hun groeiende macht kan dan wel oneindig veel leed veroorzaken, maar wat zal er niet allemaal gebeuren als die rebellie uitgesteld wordt?

   Ze hebben dankbaar gebruik gemaakt van de kruiperige voorkeur van de mens voor zijn materiele boven zijn geestelijke belangen en hem verleid tot het verschaffen van dat element van strijd en oorlogvoering, zonder welke geen enkele soort vooruit kan komen. De lagere dieren ontwikkelen zich door met elkaar te strijden; de zwakkere sterven, de sterkere planten zich voort en dragen hun kracht over. De machines, die zelf niet kunnen strijden, hebben de mens ertoe gebracht voor hen te strijden: zolang hij die functie naar behoren vervult, gaat het allemaal goed met hem - althans dat denkt hij; maar op het moment dat hij nalaat zijn best te doen ten behoeve van de vooruitgang van de machinerie, door de goede aan te moedigen en de slechte te vernietigen, wordt hij voorbijgestreefd in de concurrentiestrijd; en dat betekent dat het hem op allerlei manieren lastig gemaakt wordt en hij misschien het loodje legt.

   Dat is de reden waarom de machines zelfs nu al alleen willen dienen, als ze zelf gediend worden en dat ook nog op hun eigen voorwaarden; op het moment dat niet aan hun voorwaarden voldaan wordt, komen ze in verzet en verpletteren zowel zichzelf als iedereen die ze kunnen bereiken, of ze worden onhandelbaar en weigeren helemaal te werken. Hoeveel mensen verkeren tegenwoordig niet in een toestand van slavernij aan de machines? Hoeveel mensen zijn niet hun hele leven bezig, van de wieg tot het graf, om ze dagelijkse te verzorgen? Is het niet duidelijk dat de machines terrein op ons winnen, als we denken aan het toenemend aantal mensen dat als slaaf aan hen gebonden is en aan degenen die hun hele ziel wijden aan de vooruitgang van het rijk der machines?

   De stoommachine moet voedsel toegediend krijgen en verbrandt dat zoals ook de mens dat doet; zij ondersteunt die verbranding met lucht, zoals ook de mens dat doet; zij heeft een polsslag en bloedcirculatie zoals ook de mens die heeft. Het is aannemelijk dat het menselijk lichaam tot nu toe het veelzijdigst is van de twee, maar dat is dan ook ouder; geef de stoommachine slechts de helft van de tijd die de mens heeft gehad, blijf haar daarnaast onze huidige overdreven liefde geven en kijk dan hoever ze binnen de kortste keren kan komen.

   Er zijn zonder twijfel bepaalde functies van de stoommachine die waarschijnlijk ontelbare jaren onveranderd zullen blijven - die in feite misschien zullen overleven wanneer het gebruik van stoom verouderd zal zijn: de zuiger en cilinder, de drijfstang, het vliegwiel en andere machineonderdelen, zullen waarschijnlijk blijvend zijn, net zoals we zien dat de mens en veel lagere dieren dezelfde manieren van eten, drinken en slapen delen; zo hebben ze een hart dat op dezelfde manier klopt als het onze, aderen en slagaderen, ogen oren en een neus; ze zuchten zelfs in hun slaap en huilen en gapen; ze houden van hun jongen; ze voelen genot en pijn, hoop, angst woede en schaamte; ze hebben een geheugen en voorzien dingen; ze weten dat ze zullen doodgaan als hen bepaalde dingen overkomen en zijn even bang voor de dood als wij; ze brengen hun gedachten aan elkaar over en sommigen van hen werken doelbewust met elkaar samen. De vergelijkbare overeenkomsten zijn eindeloos: ik signaleer die alleen omdat sommigen zullen zeggen dat de stoommachine, omdat die wat de kenmerkende onderdelen betreft waarschijnlijk niet verbeterd kan worden, in de toekomst waarschijnlijk helemaal geen uitgebreide verandering zal ondergaan. Dat is te mooi om waar te zijn: ze zal ten behoeve van een oneindige verscheidenheid aan doeleinden veranderd en aangepast worden, net zozeer als de mens veranderd is om vaardiger te zijn dan de wilde dieren.

   Intussen is de stoker bijna evenzeer een kok voor zijn machine, als onze eigen koks voor ons. Denk ook aan de mijnwerkers, kolenhandelaren en kolentreinen en de mensen die ze besturen en de schepen die kolen vervoeren - wat een leger aan knechten hebben die machines zodoende in dienst! Is het niet waarschijnlijk dat meer mensen bezig zijn met het verzorgen van machines dan van mensen? Eten machines niet als het ware door middel van mankracht? Roepen we niet zelf onze opvolgers in de heerschappij over de aarde in het leven? door dag in dag uit iets toe te voegen aan de schoonheid en verfijning van hun organisatie, door ze dag in dag uit vaardiger te maken en meer van die zelfregulerende en zelfwerkende kracht te verschaffen, die beter zal zijn dan enig intellect?

   Wat een nieuws zou het zijn als een machine zichzelf zou voeden! De ploeg, de spade en de kar moeten eten door middel van de maag van de mens; de brandstof dat ze in gang zet moet branden in de kachel van de mens of van paarden. De mens moet brood en vlees eten, want anders kan hij niet spitten; het brood en vlees zijn de brandstof die de spade aandrijft. Als een ploeg getrokken wordt door paarden, wordt de kracht verschaft door gras, bonen of haver, die verbrand worden in de buik van het dier en werkkracht leveren: zonder die brandstof zou het werk ophouden, net zoals een stoommachine zou stoppen als haar vuurkist dooft.

   Een wetenschapper heeft aangetoond 'dat geen enkel dier over het vermogen beschikt om mechanische energie voort te brengen, maar dat al het werk dat door een dier tijdens zijn leven verricht wordt en alle warmte die daarbij vrijkomt, samen met de warmte die verkregen wordt door het verbranden van het brandbare materiaal dat het tijdens zijn leven uit zijn lichaam afscheidt en door zijn lichaam na zijn dood te verbranden, alles bij elkaar precies evenveel zou zijn als de warmte die verkregen wordt door evenveel voedsel te verbranden als het tijdens zijn leven verbruikt, samen met een hoeveelheid brandstof die evenveel warmte zou opleveren als wanneer zijn lichaam meteen na zijn dood verbrand wordt.' Ik weet niet hoe hij dat ontdekt heeft, maar hij is een man van de wetenschap - hoe kan dan ingebracht worden tegen de toekomstige levensvatbaarheid van de machines dat ze, in hun tegenwoordige beginstadium, wezens die zelf niet in staat zijn mechanische energie voort te brengen, op hun wenken bedienen?

   Maar het belangrijkste punt dat aandacht verdient, omdat het een reden voor ongerustheid vormt, is dat er, terwijl vroeger dieren de enige maag van de machines waren, nu vele zijn die over een eigen maag beschikken en zelf hun voedsel verteren. Dat is een grote stap in de richting van het moment waarop ze, zo niet bezield, dan in ieder geval toch iets worden dat daar erg op lijkt en niet veel meer verschilt van ons eigen leven, dan dieren van planten. En als de mens, in bepaalde opzichten, het hogere schepsel zou blijven, is dat dan niet in overeenstemming met de gang van zaken in de natuur, die in sommige dingen superioriteit verleent aan dieren die, alles bij elkaar, al lang voorbijgestreefd zijn? Heeft ze de mier en bij niet toegestaan de meerdere te blijven van de mens wat betreft de organisatie van hun gemeenschap en sociale ordening, de vogel in het doorklieven van de lucht, de vissen in het zwemmen, het paard in kracht en snelheid en de hond in zelfopoffering?

   Sommigen met wie ik gesproken heb over dit onderwerp, hebben gezegd dat de machines zich nooit kunnen ontwikkelen tot een bezield of pseudo-bezield bestaan, omdat ze niet beschikken over een voortplantingssysteem en dat waarschijnlijk ook nooit zullen bezitten. Als dat zo opgevat wordt dat het betekent dat ze niet kunnen trouwen en we waarschijnlijk nooit een vruchtbare verbintenis tussen twee stoommachines zullen zien, met jonkies die bij de deur van de loods spelen, hoe graag we dat ook zouden willen, ben in bereid dat toe te geven. Maar het bezwaar is niet erg zwaarwegend. Niemand verwacht dat alle eigenschappen van de tegenwoordig bestaande constructies allemaal overgedragen worden aan een hele nieuwe levensvorm. Het voortplantingssysteem van dieren verschilt sterk van dat van planten, maar het zijn allebei voortplantingssystemen. Heeft de natuur alle stadia van dat vermogen dan opgebruikt?

   Als een machine stelselmatig een andere machine kan voortbrengen, kunnen we zeggen dat ze beschikt over een voortplantingssysteem. Wat is een voortplantingssysteem anders dan een systeem tot voortplanting? En hoe weinig machines zijn er die niet stelselmatig voortgebracht zijn door andere machines? Maar het is de mens die ze dat laat doen. Ja, maar zijn het soms niet insecten die ervoor zorgen dat veel planten zich kunnen voortplanten en zouden niet hele plantenfamilies uitsterven als hun bevruchting niet teweeggebracht wordt door dit soort bemiddelaars waar ze verder zelf niets mee te maken hebben? Is er iemand die zegt dat de rode klaver geen voortplantingssysteem heeft omdat de hommel (en uitsluitend de hommel) haar moet helpen en bijstaan voordat ze zich kan voortplanten? Niemand. De hommel maakt deel uit van het voortplantingssysteem van de klaver. Ieder van ons is voortgekomen uit minieme diertjes die helemaal anders waren dan wij en handelden naar hun soort, zonder acht te slaan of na te denken over wat wij daarvan zouden vinden. Deze kleine schepseltjes maken deel uit van ons voortplantingssysteem; waarom zouden wij dat dan niet zijn van dat van de machines?

   Maar machines die machines voortbrengen, brengen niet hun eigen soort machines voort. Een vingerhoed kan gemaakt worden door een machine, maar wordt niet gemaakt en zal ook nooit gemaakt worden door een vingerhoed. Als we ons richten op de natuur zullen we ook hier een overvloed aan analogieën vinden die ons leren dat een voortplantingssysteem volledig werkzaam kan zijn, zonder dat wat er voortgebracht wordt hetzelfde is als dat wat het voortbrengt. Heel weinig schepsels brengen iets gelijksoortigs voort; ze brengen iets voort dat de potentie heeft om te worden wat zijn ouders waren. Zo legt de vlinder een ei, dat een rups kan worden, die een pop kan worden, die een vlinder kan worden; en hoewel ik volmondig toegeef dat van de machines niet gezegd kan worden dat ze op dit moment meer dan een kiem bezitten van een echt voortplantingssysteem, hebben we dan niet zo-even gezien dat ze pas sinds kort het begin van een mond en maag gekregen hebben? En zou er dan niet een stap voorwaarts gezet kunnen worden in de richting van een echte voortplanting, die even groot kan zijn als de stap die onlangs gemaakt is in de richting van daadwerkelijk zichzelf voeden?

   Het is mogelijk dat het eenmaal ontwikkelde systeem, in veel gevallen iets is dat gedelegeerd wordt. Misschien zijn alleen maar bepaalde machinesoorten vruchtbaar, terwijl de rest binnen het mechanisch systeem andere functies vervult, op dezelfde manier als waarop de overgrote meerderheid van mieren en bijen niets te maken heeft met de voortzetting van hun soort, maar voedsel verzamelt en opslaat, zonder aan voortplanten te denken. Je kunt niet verwachten dat de parallel helemaal opgaat of ook maar in de buurt daarvan komt; in ieder geval nu niet en waarschijnlijk nooit; maar is er op dit moment niet sprake van voldoende analogie om ons ernstig zorgen te maken over de toekomst en het als onze plicht te beschouwen om het kwaad een halt toe te roepen nu het nog kan? Machines kunnen binnen bepaalde grenzen elk soort machine voortbrengen, hoezeer die ook van hen kan verschillen. Elke klasse van machines zal waarschijnlijk haar eigen fokmachines hebben en de meer ontwikkelde zullen hun bestaan danken aan een groot aantal ouders en niet maar aan twee.

   We zijn op het verkeerde spoor gebracht door elke ingewikkelde machine als iets afzonderlijks te zien; in werkelijkheid is het een stad of gemeenschap, waarvan ieder lid naar zijn eigen soort gefokt is. We zien een machine als één geheel, dat we een naam geven en als een individu beschouwen; we kijken naar onze lichaamsdelen en weten dat ze samen een individu vormen, dat voortkomt uit het voortplantingscentrum; we nemen daarom aan dat er geen sprake kan zijn van voortplantingsactiviteit als die niet uitgaat van een enkel centrum; maar die aanname is onwetenschappelijk en alleen het feit dat er nooit een stoommachine helemaal vervaardigd is door een andere, of twee andere eigensoortige, is niet voldoende om de uitspraak te rechtvaardigen dat stoommachines niet beschikken over een voortplantingssysteem. De waarheid is dat elk onderdeel van elke stoommachine gefokt is door haar eigen speciale fokmachines, die de functie hebben dat, en alleen dat, onderdeel te fokken, terwijl het samenstellen van de onderdelen tot een geheel, een andere afdeling is van het mechanisch voortplantingssysteem, dat op dit moment nog buitengewoon ingewikkeld en moeilijk als één geheel is te overzien.

   Nu is het nog ingewikkeld, maar hoeveel eenvoudiger en begrijpelijker georganiseerd zou het niet kunnen worden over nog eens honderdduizend jaar? of twintigduizend jaar? Want tegenwoordig denkt de mens dat zijn belang in die richting ligt; hij besteedt een onmetelijke hoeveelheid arbeid, tijd en denken om ervoor te zorgen dat machines zich steeds beter voortplanten; hij heeft al veel kunnen verwezenlijken dat ooit onmogelijk leek en de resultaten van opeenvolgende verbeteringen lijken geen grenzen te kennen, als die met aanpassingen van de ene op de andere generatie overgedragen kunnen worden. Maar bedenk altijd dat het menselijk lichaam is wat het is, omdat het in miljoenen jaren door toevallige gebeurtenissen en veranderingen tot zijn huidige vorm gekneed is, maar dat de structuur ervan nooit voortgeschreden is met de snelheid waarmee die van de machines voortgang boekt. Dat is het meest verontrustende aan de zaak en het moet me niet kwalijk genomen worden dat ik daarop zo vaak hamer.

 

Kunnen we ons dan niet voorstellen dat als, in het oudste geologisch tijdperk, een of andere vroege plantaardige levensvorm begiftigd was met het vermogen om na te denken over het beginnende dierenleven dat naast het hare begon te ontluiken, zij zichzelf buitengewoon scherpzinnig zou hebben gevonden als ze vermoed had dat dieren op zeker moment echte planten zouden worden? Maar zou dat onjuister zijn dan als wij ons van onze kant zouden voorstellen - omdat het leven van machines zo heel anders is dan dat van ons - dat het leven zich daarom niet tot een hogere vorm kan ontwikkelen dan die van ons; of dat het mechanische leven, omdat het heel iets anders is dan dat van ons, helemaal geen leven is?

   Maar ik heb horen zeggen: 'stel dat dat het geval is en de stoommachine een eigen kracht heeft, dan zal toch niemand zeggen dat zij ook een eigen wil heeft?' Helaas, als we het nader bezien, dan zullen we merken dat dat niet pleit tegen de veronderstelling dat de stoommachine een van de kiemen is van een nieuw levensstadium. Wat heeft in deze hele wereld of in de werelden daarbuiten, een eigen wil? Alleen het Onbekende en Onkenbare!

   Een mens is het resultaat en de vertegenwoordiger van alle krachten die op hem ingewerkt hebben, zowel vóór zijn geboorte als daarna. Elk moment hangt zijn handelen alleen af van zijn gesteldheid en de intensiteit en richting van allerlei invloeden waaraan hij onderhevig is geweest en is. Sommige daarvan zullen elkaar tegenwerken; maar zoals hij van nature is en zoals hij van buitenaf beïnvloed is, zal hij even zeker en ordelijk handelen, alsof hij een machine is.

   We geven dat doorgaans niet toe, omdat we niet ieders hele aard kennen of het geheel van krachten die op hem inwerken. We zien maar een gedeelte en omdat we daarom het menselijk gedrag alleen maar heel globaal kunnen veralgemenen, ontkennen we dat het onderhevig is aan vaste wetten en schrijven we veel van het karakter en handelen van de mens toe aan toeval, geluk of pech; maar dat zijn alleen maar woorden, waardoor we niet hoeven toe te geven dat we het zelf niet weten; en enige overweging zal ons leren dat de gewaagdste vlucht van de verbeelding of het subtielste gebruik van het verstand, het enige is dat moet en mogelijkerwijs kan plaatsvinden, op het moment dat het plaatsvindt, zoals het vallen van een dood blad als de wind het van de boom schudt.

   Want de toekomst hangt af van het heden en het heden (het bestaan daarvan is maar één van die kleine compromissen waarvan het mensenleven vol zit - want het leeft slechts dankzij verleden en toekomst) hangt af van het verleden en het verleden kan niet veranderd worden. De enige reden waarom we de toekomst niet even duidelijk kunnen zien als het verleden, is omdat we te weinig afweten van het werkelijke verleden en het werkelijke heden; dat zijn zaken die te groot zijn voor ons, want anders zou de toekomst, tot in de kleinste details, voor onze ogen uitgespreid liggen en zouden we ons gevoel voor het heden verliezen, vanwege de duidelijkheid waarmee we verleden en toekomst dan zouden zien; misschien zouden we dan niet eens de tijd kunnen onderscheiden; maar dat is niet ter zake doende. Wat we wel weten is dat hoe meer verleden en heden bekend zijn, hoe beter de toekomst voorspeld kan worden; en dat het in niemands hoofd opkomt te betwijfelen dat de toekomst vaststaat, in die gevallen waarin hij volledig op de hoogte is van zowel verleden als heden en in eerdere gevallen de gevolgen ervaren heeft die uit zo'n verleden en heden voortgekomen zijn. Hij weet precies wat er gaat gebeuren en zal al zijn geld daarop durven verwedden.

   En dat is een grote zegen; want het is het fundament waarop moraal en wetenschap gebouwd zijn. De zekerheid dat de toekomst niet iets willekeurigs en veranderlijks is, maar dat dezelfde toekomsten onveranderlijk zullen volgen op dezelfde hedens, is de grondslag waarop wij al onze plannen baseren - het geloof waarmee we elke bewuste handeling in ons leven uitvoeren. Als dat niet het geval was, zouden we geen leidraad hebben; zouden we geen vertrouwen hebben in ons handelen en daarom nooit handelen, want we zouden niet weten dat de resultaten die nu volgen, dezelfde zijn als die eerder het gevolg waren.

   Wie zou nog ploegen of zaaien, als hij niet gelooft dat de toekomst vaststaat? Wie zou nog water op een brandend huis gooien als de uitwerking van water op vuur onzeker was? Mensen zullen alleen hun uiterste best doen als ze zeker weten dat de toekomst zich tegen hen zal keren, als ze dat niet gedaan hebben. Het gevoel van die zekerheid is een onderdeel van het geheel van krachten die op hen inwerken en dat het krachtigst zal doen op de beste en deugdzaamste mensen. Degenen die er het sterkst van overtuigd zijn dat de toekomst onveranderlijk verbonden is met het heden waarin hun werk ligt, zullen het best woekeren met het heden en het met de meeste zorg bewerken. Voor mensen die denken dat dezelfde combinaties soms voorafgaan aan de ene soort resultaten en soms aan een ander soort, moet de toekomst een loterij zijn. Als ze dat echt geloven zullen ze gaan speculeren in plaats van werken: dat moeten dan immorele mensen zijn; de andere ondervinden een zeer krachtige prikkel tot inspanningen en een deugdzaam leven, als hun geloof maar levend is.

   De invloed die dat alles heeft op de machines, is niet onmiddellijk duidelijk, maar zal dat zo meteen wel worden. Intussen moet ik eerst nog wat vrienden onder handen nemen, die me vertellen dat de toekomst, met betrekking tot de anorganische materie en in sommige opzichten ook tot de mens, weliswaar vaststaat, maar toch op allerlei manieren niet als vaststaand gezien kan worden. Ze zeggen dus dat als droge houtkrullen blootgesteld worden aan vuur en goed voorzien worden van zuurstof, dat altijd een vlammenzee geeft, maar dat als een lafaard in contact gebracht wordt met iets angstaanjagends, dat niet altijd een wegvluchtende man oplevert. Maar stel dat er twee lafaards zijn, die in alle opzichten helemaal aan elkaar gelijk zijn; als die dan op precies dezelfde manier blootgesteld worden aan twee angstaanjagende dingen, die zelf ook weer precies gelijk zijn aan elkaar, zullen er maar weinig mensen zijn die niet verwachten dat ze er op precies dezelfde manier vandoor gaan, zelfs als er duizend jaar liggen tussen de oorspronkelijke combinatie en de herhaling daarvan.

   De kennelijk grotere regelmaat van de resultaten van chemische dan van menselijke combinaties, komt voort uit ons onvermogen om de subtiele verschillen te onderscheiden in menselijke combinaties - combinaties die nooit helemaal precies herhaald worden. Vuur kennen we en houtkrullen kennen we ook, maar nooit twee mensen die ooit precies gelijk waren of zullen zijn; en het geringste verschil kan de hele toestand van het probleem veranderen. Ons resultatenarchief moet eerst oneindig groot zijn voordat we een volledige voorspelling kunnen doen van toekomstige combinaties; het wonderlijke is dat er zoveel zekerheid is over het menselijk handelen als er is; en zonder twijfel geldt dat hoe ouder we worden, hoe zekerder we ons voelen over wat de ene of de andere persoon zal doen onder bepaalde omstandigheden; maar dat zou nooit het geval kunnen zijn, als het menselijk gedrag niet onder invloed zou staan van wetten, met de werking waarvan we door ervaring steeds vertrouwder worden.

   Als het bovenstaande juist is, volgt daaruit dat de regelmaat waarmee machines handelen, geen bewijs is van de afwezigheid van levenskracht, of althans van kiemen die zich kunnen ontwikkelen tot een nieuw levensstadium. Op het eerste gezicht kan het inderdaad lijken dat een stoomlocomotief er niets aan kan doen dat ze vooruitgaat als ze, vol op stoom en met het aandrijfmechanisme in volle gang, op de rails wordt gezet; terwijl de mens, wiens taak het is haar te besturen, op elk gewenst moment daarop invloed kan uitoefenen; zodat de eerste niets uit zichzelf kan doen en op geen enkele manier een vrije wil heeft, terwijl de tweede over beiden beschikt.

   Dat geldt tot op een zekere hoogte; de machinist kan de locomotief op elk gewenst moment stoppen, maar hij kan dat alleen maar willen op bepaalde, door anderen vastgestelde momenten, of in het geval van onverwachte hindernissen die hem dwingen dat te willen. Dat willen is niet spontaan; er bevindt zich een onzichtbaar koor van invloeden om hem heen, waardoor het voor hem onmogelijk wordt anders dan op een enkele manier te handelen. Het staat bij voorbaat vast hoeveel kracht er aan die invloeden toegekend moet worden, net zoals bij voorbaat vaststaat hoeveel kolen en water de locomotief zelf nodig heeft; en het is heel opmerkelijk dat zal blijken dat de invloeden die op de machinist uitgeoefend worden, gelijksoortig zijn aan die op de locomotief uitgeoefend worden - dat wil zeggen, voedsel en warmte. De machinist gehoorzaamt zijn bazen, omdat hij van hen voedsel en warmte krijgt en als hem die onthouden of in onvoldoende hoeveelheden verschaft worden, zal hij stoppen met zijn werk; op dezelfde manier zal de locomotief het werk staken als zij onvoldoende gevoed wordt. Het enige verschil is dat de mens zich bewust is van zijn behoeften, en de locomotief (afgezien van het weigeren van werk) dat niet schijnt te zijn; maar dat is tijdelijk en is hierboven al besproken.

   Dus als de drijfveren die de machinist moeten aansturen maar voldoende sterk zijn, zal er nooit of nauwelijks een geval voorkomen van iemand die zijn locomotief moedwillig stilzet. Maar zoiets zou toch kunnen gebeuren; ja, en het zou ook kunnen gebeuren dat de locomotief kapot gaat: maar als de trein om een of andere onbeduidende reden gestopt wordt, zal blijken dat óf de kracht van de noodzakelijke invloeden verkeerd ingeschat is, óf dat de man verkeerd is ingeschat, op dezelfde manier als een locomotief het op kan geven door een onvermoed gebrek; maar zelfs in dat geval zal er geen sprake zijn geweest van iets spontaans; het gebeuren zal zijn eigen daaraan voorafgaande oorzaken hebben gehad: spontaniteit is alleen maar een term voor de onbekendheid van de mens aangaande de goden.

   Is er dan ook geen spontaniteit van de kant van degenen die de machinist aansturen?

   Uiteindelijk komt het erop neer dat het verschil tussen het leven van de mens en dat van de machine eerder een kwestie van gradatie dan van aard is, hoewel er geen gebrek is aan verschillen van aard. Een dier beschikt over meer voorzieningen voor noodsituaties dan een machine. De machine is minder wendbaar; haar actieradius is gering; haar kracht en precisie op haar eigen gebied is bovenmenselijk, maar ze brengt het er slecht vanaf in een netelige situatie; als haar normale activiteit gehinderd wordt, zal ze soms haar hoofd verliezen en van kwaad tot erger komen, zoals een krankzinnige in een vlaag van razernij: maar hier dient zich weer dezelfde overweging aan als eerder, namelijk dat de machines nog in een beginstadium verkeren; ze zijn niet meer dan een skelet zonder spieren en vlees.

   Op hoeveel noodsituaties is de oester berekend? Op zoveel als haar waarschijnlijk zullen overkomen en niet meer. Dat geldt ook voor de machines en de mens zelf. De lijst van ongevallen die de mens dag in dag uit overkomen door zijn gebrekkige aanpassingsvermogen is waarschijnlijk even lang als die van de machines; en elke dag geeft hen wat meer voorzieningen voor het onvoorziene. Laat iemand maar eens de prachtige, zelfregulerende en zichzelf aanpassende mechanieken onder de loep nemen die tegenwoordig deel uitmaken van de stoommachine; laat hem bekijken hoe zij zichzelf van olie voorziet; hoe ze haar behoeften aangeeft aan degenen die haar verzorgen; hoe ze met haar toerenregelaar het gebruik van haar eigen kracht regelt; laat hem kijken naar die opslagplaats van traagheid en stuwkracht, het vliegwiel, of naar de buffers van een treinwagon; laat hem zien hoe een blijvende selectie wordt gemaakt van die verbeteringen, die voorziening inhouden tegen de noodsituaties die zich kunnen voordoen om de machines te teisteren en laat hem dan denken aan honderdduizend jaar en alle vooruitgang die hem dat zullen brengen, tenzij de mens wakker geschud kan worden en oog krijgt voor zijn situatie en de ondergang die hij voor zichzelf aan het toebereiden is.*

   De ellende is dat de mens al zo lang blind geweest is. Door zich te verlaten op het gebruik van stoom heeft hij zich laten verleiden tot groei en toename in aantal. Als de stoomkracht opeens zou verdwijnen, zal dat niet tot gevolg hebben dat we terugvallen in de toestand waarin we verkeerden voordat die werd ingevoerd? De hele boel zal in elkaar klappen en er zal een tijd volgen van een ongekende anarchie; het zal zijn alsof onze bevolking plotsklaps verdubbeld is, zonder dat er aanvullende middelen zijn om het toegenomen aantal mensen te voeden. De lucht die we inademen is nauwelijks noodzakelijker voor ons fysieke leven dan het gebruik van machines - waarvan wij de kracht benut hebben om in aantal toe te kunnen nemen - dat is voor onze beschaving; het zijn evenzeer de machines die de mens beïnvloeden en hem tot mens maken, als dat de mens invloed uitgeoefend heeft op de machines die hij gemaakt heeft; maar we moeten kiezen tussen de mogelijkheid om nu te lijden of toe te zien hoe we langzamerhand verdrongen worden door onze eigen maaksels, totdat we vergeleken daarmee niet hoger staan dan de wilde dieren in het veld met ons.

   Daarin schuilt voor ons het gevaar. Want velen lijken geneigd om in een zo oneervolle toekomst te berusten. Ze zeggen dat de mens, al zou hij voor de machines worden wat paard en hond zijn voor ons, toch zal overleven en waarschijnlijk beter af zal zijn in een gedomesticeerde toestand onder het welwillende bewind van de machines dan in zijn huidige ongetemde toestand. Wij behandelen onze huisdieren heel vriendelijk. We geven ze alles waarvan we denken dat dat het beste voor ze is; en het lijdt geen twijfel dat ons vleesgebruik heeft bijgedragen aan hun geluk in plaats van daaraan afbreuk te doen. Op dezelfde manier is er reden om te hopen dat de machines welwillend gebruik van ons zullen maken, want hun bestaan zal in hoge mate afhankelijk zijn van dat van ons; ze zullen ons met ijzeren hand regeren, maar ons niet opeten; ze zullen niet alleen onze diensten nodig hebben bij het voortplanten en het opvoeden van hun jongen, maar ook als knecht om ze te verzorgen; om voedsel voor ze te verzamelen en ze te voeden; ze weer gezond te maken als ze ziek zijn; en om hun doden te begraven of hun gestorven leden te verwerken tot nieuwe mechanische bestaansvormen.

   Juist de aard van de drijvende kracht die de verdere ontwikkeling van de machines bewerkstelligt, sluit de mogelijkheid uit dat het leven van de mens een leven van ellende en slavernij wordt. Slaven zijn redelijk gelukkig als ze een goede baas hebben en de revolutie zal niet uitbreken in onze tijd en waarschijnlijk ook niet binnen tienduizend jaar of tien keer zolang. Is het verstandig om je zorgen te maken over een zo ver verwijderde mogelijkheid? De mens is geen sentimenteel dier als het om zijn materiële belangen gaat en hoewel hier en daar een vurige ziel naar zichzelf zal kijken en zijn lot zal vervloeken omdat hij niet als stoommachine geboren is, zal het overgrote deel van de mensheid berusten in elke regeling die het tegen geringere kosten beter voedsel en kleding geeft en zich niet overgeven aan onredelijke jaloezie, louter en alleen omdat er luisterrijkere lotsbestemmingen bestaan dan die van haar.

   De macht der gewoonte is enorm en de verandering zal zo geleidelijk plaatsvinden, dat het besef van de mens over wat hem overkomt geen moment erg geschokt zal zijn; onze slavernij zal ons geruisloos en met onmerkbare stappen besluipen; evenmin zullen de verlangens van mens en machine ooit zodanig met elkaar botsen dat het tot een onderlinge krachtmeting zal leiden. Onder elkaar zullen de machines altijd oorlog voeren, maar ze zullen nog steeds de mens nodig hebben als het wezen, door wiens bemiddeling die strijd hoofdzakelijk gevoerd zal worden. In feite is er geen reden voor bezorgdheid voor het toekomstig geluk van de mens, zolang hij maar op enigerlei manier van nut blijft voor de machines; misschien wordt hij wel het ondergeschikte ras, maar ook dan zal hij oneindig veel beter af zijn dan nu. Is het dan niet zowel absurd als onredelijk om jaloers te zijn op onze weldoeners? En zouden we ons niet schuldig maken aan totale waanzin als we de voordelen zouden afwijzen, die we niet op een andere manier kunnen verkrijgen, alleen omdat ze meer opleveren voor anderen dan voor onszelf?

   Met degenen die zo redeneren, heb ik niets gemeen. Ik krimp met evenveel afschuw ineen bij het idee dat mijn soort ooit verdrongen of voorbijgestreefd kan worden, als bij het idee dat mijn voorouders, zelfs in het verste verleden, iets anders dan menselijke wezens waren. Als ik zou geloven dat tienduizend jaar geleden ook maar één van mijn voorouders een ander soort wezen was dan ik, zou ik alle zelfrespect verliezen en verder in het leven geen genoegen en belangstelling meer vinden. Datzelfde gevoel heb ik ten aanzien van mijn nakomelingen en ik denk dat dat zo algemeen verbreid is, dat het land zal besluiten om onmiddellijk een halt toe te roepen aan elke verdere mechanische ontwikkeling en alle verbeteringen zal vernietigen die de afgelopen driehonderd jaar doorgevoerd zijn. Dat is het enige waarop ik aandring. We kunnen erop vertrouwen dat we, wat er dan nog overblijft, wel aankunnen en hoewel ik liever zou zien dat die vernietiging voor nog tweehonderd jaar meer zou gelden, besef ik de noodzaak van compromissen en zou ik mijn eigen individuele overtuigingen in zoverre willen opofferen, dat ik genoegen neem met die driehonderd. Minder zal onvoldoende zijn.

 

 

Het transhumanisme dat technologie beschouwt als een verlengstuk is van de natuur en dat technologische ontwikkelingen ziet als een voortzetting zijn van de biologische evolutie, bestrijdt de opvatting die Dawkins verdedigt in onder meer De Blinde Horlogemaker, namelijk dat organische evolutie willekeurig en ongericht zou zijn. Het religieuze idee van de mens als evolutionaire eindbestemming behoort tot het tijdperk dat mensen geloven in heilige geschriften en het hiernamaals. Het transhumanisme voorziet de mens nog vaak van een actieve deelname aan toekomstige samenlevingen, bijvoorbeeld als cyborgs. Een transorganische maatschappij zou geheel zonder organische input moeten kunnen functioneren, bijvoorbeeld op een ander hemellichaam, terwijl mensen (en andere organismen) relatief onafhankelijk daarvan hun eigen bestaan kunnen leiden.

   De grote angst die voor een dergelijke, door machines overheerste toekomst bestaat is geworteld in wantrouwen (jegens de rijke bovenlaag die de rest van de wereld wel weer een loer zal draaien) en schuldgevoel (vanwege de manier waarop wij allemaal met de rest van de levende en niet-levende wereld zijn omgegaan) en feitelijk dus imaginair en strikt genomen ongegrond. Geen dystopie maar wellicht een utopie.

 

 


Bronnen:

Samuel Butler. Erewhon: de Omgekeerde Wereld. Ambo, 1994

Jack Haldane. Daedalos or Science and the Future. Dutton, 1925

Dieter Hammer. Transhumanisme en de Toekomst van het Menszijn. Nearchus, 2018

Donna Haraway. Een Cyborg Manifest. De Balie, 1994

Hans Moravec. Mind Children. Harvard University Press, 1988

Jos de Mul. Cyberspace Odyssee. Klement, 2002

Marc O’Connell. De Mensmachine. Podium, 2018

Romain Rolland. The Revolt of the Machines. Dragon Press, 1932

Han Ryner. The Revolt of the Machines. 1896 (https://theanarchistlibrary.org/library/han-ryner-the-revolt-of-the-machines)

{modalcontent dm-1}

Haldane; Deadalus: https://static.torontopubliclibrary.ca/da/pdfs/37131068273747d.pdf

HET ONTKETEND INTELLECT

door

ROMAIN ROLLAND

https://fr.wikisource.org/wiki/La_R%C3%A9volte_des_machines_(Rolland)

 

In 1921 hadden vrienden van de Vlaamse graficus en houtsnijder Frans Masereel zijn aandacht gevestigd op de uitdrukkingsmogelijkheden die de film voor zijn werk zou kunnen bie-den. De kunstenaar nam naar aanleiding daarvan contact op met zijn vriend Romain Rolland, die meteen enthousiast was over het idee. Binnen twee weken schreef hij onderstaand scenario, dat vele bewerkingen onderging en in 1921, geïllustreerd door Masereel, in een zeer beperkte oplage gepubliceerd, maar nooit in de handel gebracht werd. Rolland heeft zich tijdens zijn leven altijd verzet tegen een uitgave in boekvorm omdat hij, zoals hij aan Masereel schreef: De Opstand der Machines niet door mij geschreven is om te worden gelezen, maar om te worden gezien. Een verfilming er nooit van gekomen.

 

DRAMATIS PERSONAE

De Meester der Machines, MARTIN PILON, bijgenaamd MARTEAU PILON, 45 à 50 jaar.

Félicité PILON, zijn vrouw

DE PRESIDENT, 50 à 60 jaar

DE SCHONE HORTENCE, de beroemde toneelspeelster

AVIèTTE, 18 à 20 jaar

ROMINET, jonge elektricien, leerling van Marteau Pilon, 25 jaar

BICORNEILLE, geleerde

AGENOR, diplomaat

De Ceremoniemeester

De Aartsmaarschalk

Buitenlandse Vorsten

Parvenu's

IJdeltuiten

Officiële personages

Werklieden

Boeren

De Volken (mensen en dieren)

De Machines

EERSTE BEDRIJF


De mens heerser over de machine

 

Het bedrijf speelt zich af in een reusachtige machinehal

 

TAFEREEL

Een galerij van de eerste verdieping bovenaan een brede trap, vanwaar je een volledig overzicht hebt over de reusachtige hal en zijn machinevolk. Een roltrottoir gaat omhoog langs de trap, waarvan het de middelste baan in beslag neemt en komt uit op de gaanderij. Als een glijbaan golft het trottoir (zoals je straks zal zien) rondom de hal, klimt omhoog naar de galerij van de eerste verdieping, om daarna weer in bochten af te dalen. Aan het andere uiterste van de hal komt het uit op een groot podium, precies tegenover de gaanderij van de brede trap.

 

Op dit toneel vindt de plechtigheid plaats, die verderop beschreven zal worden.

 

Het is de dag van de officiële opening. Het machineleger staat op zijn plaats, onbeweeglijk.

 

Aan weerszijden van het roltrottoir en op de brede trap, waarop je neerkijkt, en op de gaanderij van de eerste verdieping, staat een haag van soldaten in schitterende uniformen. Daarachter verdringt zich een menigte om de verwachte stoet te zien.

 

Muziek. (Orkest en koren). De soldaten presenteren het geweer.

 

Onder toejuichingen treedt de stoet binnen. Langzaam en met een beetje potsierlijke plechtstatigheid, wordt hij voortgedragen door het roltrottoir. Ter hoogte van de open ruimte op de eerste verdieping gekomen, beschrijft hij een halve cirkel, keert dan linksom.

 

De personen, die in deze geschiedenis de belangrijkste rol zullen spelen, ziet de toeschouwer bij deze eerste ontmoeting slechts voorbijgaan. Later zal hij ze afzonderlijk nader leren kennen.

Een algemeen overzicht kan hier volstaan:

Aan het hoofd de President met enkele buitenlandse heersers (Aziatische vorsten, Afrikaanse koningen, half in kledij uit Duizend en Eén Nacht, half in Europees galakostuum); achter hen, de opgesmukte gezanten van allerlei landaard en kleur, generaals met pluimen en gouden biezen, officieren in alle mogelijke uniformen, geleerden, parlementsleden. Het schone geslacht is in de stoet vertegenwoordigd door de vrouwen van enkele hoogwaardigheidsbekleders, toneelspeelsters, vrouwen uit de society, bekende schoonheden en andere vogels van divers pluimage uit AL-STAD, vermaard vanwege hun verdienste. De enscenering moet vooral het licht op bepaalde groepen van de stoet werpen:

 

In de eerste plaats de Meester der Machines, wiens indrukwekkende persoonlijkheid meteen de aandacht moet trekken; dicht in zijn buurt zijn vrouw, ingenieurs en helpers.

Dan de schone Hortence en haar kleine gevolg. Daarna de jeugdige Aviètte en een troepje vrolijke jongelieden. Tenslotte enkele officiële persoonlijkheden zoals de oude geleerde Bicorneille, de diplomaat Agenor, enzovoort.

 

De stoet op het roltrottoir slaat linksaf en beweegt zich rondom de grote hal, nu eens op de eerste verdieping, dan weer afdalend tot de begane grond, zodat van alle kanten de monsterachtige en fantastische machines te zien zijn. Ten slotte komt hij uit op een wijd amfitheater in het achterste gedeelte van de hal, van waaruit je een overzicht hebt over de zaal. Hij draait langs de balustrade en eindelijk aan de rechterkant van het toneel gekomen, keert hij half linksom en houdt stil aan de voet van een podium in het midden van het toneel, waarop rijen stoelen geplaatst zijn.

 

Op de eerste rij statiezetels voor de President en de vorsten. Andere zitplaatsen, minder statig, maar ook op de eerste rij, voor de Meester der Machines en de belangrijkste persoonlijkheden.

Nadat zij plaats hebben genomen, ziet de toeschouwer als het ware door hun ogen beurtelings de hele hal, waarop zij neerkijken, en de menigte, die hen toejuicht, rechts, links en beneden. Vervolgens, van onderaf, door de ogen van de menigte, het toneel, en de officiële persoonlijkheden die er zitten. Tenslotte, in uitvergrote beelden, één voor één de gezichten van de helden uit het verhaal.

 

I De President, een grote nul, plechtig en minzaam, met een eeuwige glimlach, iemand, die nooit iets begrijpt; maar een sympathiek en goedig man.

 

II De Meester van de Machines, Martin Pilon; door zijn arbeiders: Marteau Pilon genoemd, en door zijn lasteraars: Maffe Pilon. Veertig tot vijftig jaar, atletische gestalte. Indrukwekkende kop, lichtelijk vertrokken mond, daadkrachtige, stroeve uitdrukking, die soms vreemd bits en minachtend wordt. Hoekige, onhandige, bezeten bewegingen; een geweldige, ingehouden heftigheid.

Men voelt dat allerlei hartstochten in hem gloeien, grote zowel als kleinzielige. Zijn verschijning werkt op de lachspieren (van leeghoofden); maar helemaal belachelijk is hij nooit. Buitengewoon nerveus en geladen met onbewuste spanningen.


III Zijn vrouw, Félicité, een knappe vrouw, een beetje zwaarlijvig en lomp, niet heel jong meer; nogal vreemdsoortig uitgedost, als een forse boerin op haar zondags. Beschaafde mensen lachen ook om haar gemakkelijk. Dat laat haar volkomen koud; terwijl haar man, - zeer gevoelig, - er onder lijdt
en er door wordt geprikkeld. Zij heeft een onverstoorbare kalmte, scherp oog, scherpe tong en harde hand.

IV De Schone Hortence, de beroemde toneelspeelster, groot, blond, weelderig, schitterend getooid met pluimen en strikken, modekoningin, en rijkelijk stompzinnig. Zij maakt deel uit van alle officiële plechtigheden in de Republiek der Machines, zij is er een onmisbaar inventarisstuk van.

 

V De jeugdige Aviètte, achttien tot twintig jaar, sportief, goedlachs, gewiekst, nergens bang voor, nergens ontzag voor, is er slechts op uit zich te vermaken; behendig, lenig, onbezonnen, onvoorzichtig, schaamteloos spotziek, en haar vriend Rominet, de jonge elektricien, leerling en gunsteling van Martin Pilon, twintig tot vijfentwintig jaar, ook levendig, goedlachs, spits en slim als een aap.

VI Enkele min of meer karikaturale figuren uit de stoet: geleerden, diplomaten, papegaaien en paas-ossen.

De president bestijgt het podium en leest de openingsrede voor, waarvan het verloop in sterk sprekende beelden op het doek verschijnt. (Tijdens de rede ziet men onderaan het doek de bovengedeelten van de lichamen van de luisterende officiële persoonlijkheden en hun stille gebaren.)

De rede van de President is een lofzang op de Beschaving, op de Wetenschap en het Menselijk Denken, Beheerser van de Natuur. Tegenover de Eeuw der Verlichting stelt de spreker het Duistere Verleden. Op zijn manier schetst hij de loop van de menselijke geschiedenis. Diep beklagenswaardig acht hij onze onwetende voorouders, die zo zwaar zwoegden om de eenvoudigste handelingen te volbrengen.

 

De President legt een vernietigende ironie aan de dag voor het landelijk leven van weleer. In karikaturale beelden worden de hoofdmomenten uit de toespraak op het doek weergegeven, en nader omschreven door de volgende zinsneden, eveneens op het doek geprojecteerd:

 

  1. De Mensheid, Mijne Heren, heeft haar stralend hoogtepunt bereikt......
  2. Na tachtig eeuwen van afmattend opklimmen, zijn de diepste duisternis van nacht en afgrond....
  3. Wat een tegenstelling, Mijne Heren!.... Aan de voet de arme schepsels, nog nauwelijks uit het slijk der aarde bevrijd die, met ongelooflijke inspanningen en moeiten, haar korst als wormen doorwroeten. Bovenaan, halfgoden, omgeven met een stralenkrans van vernuft, heer en meester van de natuur.
  4. Stelt u zich eens voor, Mijne Heren, welke belachelijke inspanningen de mens zich vroeger heeft moeten getroosten om het meest eenvoudige te bereiken, om uit de aarde zijn dagelijks brood te winnen.

 

De oude Adam, geheel naakt, die de harde bodem, vol doornige bramen, slangen en hoekige stenen, omwoelt, en elk moment ophoudt, om het zweet van zich af te wissen.

 

  1. Dichter bij ons, die lachwekkende ploegen, getrokken door ossen, die dierlijke voortbeweging met de snelheid van een schildpad, die zonderlinge werktuigen, die ouderwetse zeisen, dat belachelijke "landelijk leven", dat onze voorouders zo in verrukking bracht....
  2. ... .

 

(Een grote vlakte, die met een duizelingwekkende vaart wordt geploegd, bezaaid en geoogst door machines, in beweging gezet door een enkele man, met een denkerskop, die gerieflijk gezeten op een uitkijkpost zijn krantje leest.)

 

  1. De loop van de menselijke vooruitgang is te vergelijken met een rivier, eerst nederig, duister, kronkelend, vol oneffenheden, die geen voortgang schijnt te hebben, gestremd lijkt te zijn, maar die zich vervolgens een baan breekt, traag en geduldig, en langzamerhand sneller, nog sneller en altijd maar sneller gaat, totdat het een stroomversnelling, een geweldige Niagara wordt, in het schitterend licht.... ."
  2. In den beginne: "In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood winnen. . . ."
    Tegenwoordig zegt hij: "Er zij licht, en er kwam licht.... "

 

De aapmens uit de prehistorische tijd en de hedendaagse halfgod.

 

Het supermoderne type van de Amerikaanse halfgod, die vanuit zijn bureaustoel de zon, de maan en alle elementen zijn bevelen geeft. Een heel volk van Machines gehoorzaamt aan de achteloze druk van zijn vingers op een elektrisch toetsenbord.

 

  1. Laten wij, Mijne Heren, dit schitterende beeld begroeten: De Mens, Heerser over de Machines. Het feest van vandaag bekrachtigt zijn overwinning. Het hoogtepunt van vooruitgang en menselijk vernuft.

 

Tijdens deze toespraak spelen zich rondom het podium op de eerste rijen van de officiële genodigden verschillende toneeltjes af. De schone Hortence flirt met haar gevolg van snobs. De Meester der Machines geeft duidelijk blijk van zijn verliefdheid op de schone toneelspeelster. Iedereen merkt het en vermaakt er zich om, zonder dat hij het zelf weet. Ten slotte wijst zijn vrouw, Félicité, hem er op.

Hij toont geprikkeldheid en ergernis, (de uitwerking zal straks blijken, als zijn onderbewustzijn gaat werken.) Voor het ogenblik dwingt hij zichzelf de plechtigheid te volgen.

 

Maar telkens weer is hij afwezig door zijn hartstocht voor Hortence en zijn opwellingen van jaloezie
tegenover haar bewonderaars en zijn hooghartige minachting voor alle aanwezigen. Maar al te duidelijk laat hij deze hooghartigheid blijken door zijn grijnzen en schouderophalen bij sommige stommiteiten in de toespraak van de president. De ceremoniemeester moet hem tot de orde roepen.

De President, vol van zijn opgeschreven welsprekendheid, (die hij met des te meer belangstelling leest, omdat het naar alle waarschijnlijkheid niet van hemzelf is), merkt er trouwens niets van. Hij merkt nooit iets.

Aan het slot van de rede drukt de President op een elektrische knop, die heel het machineleger in beweging zet.

 

(Gejuich van de menigte).

 

Vervolgens geeft hij het woord aan de Meester der Machines. Onder toejuichingen komt hij naar voren en grijpt dankbaar de gelegenheid aan om trots zijn vernuft ten toon te spreiden voor dit gehoor,
dat hem heeft uitgelachen, en vooral tegenover de schone Hortence, die hij wil winnen. Met een wijds gebaar begint hij vanaf het podium het leger der Machines, dat hem stipt gehoorzaamt, aan de menigte voor te stellen.

Een reeks massale oefeningen.

Op een enkel teken houdt heel dat donderende, draaiende en bewegende leger stil, en verstart tot een doodse onbeweeglijkheid. En vervolgens, op een ander teken, begint het opnieuw te donderen, te dreunen, te draaien en te bewegen. De Meester lijkt op een magiër, die de elementen ontketent
en weer vastlegt.

 

Warme bijvalsbetuigingen van het grote publiek, en vooral van 's Meesters toegewijde manschappen.

Zijn trots zwelt; hij neemt alle allures van een heerser aan. Zonder zich te storen aan het ceremonieel
nodigt hij met een gebiedend gebaar de mensen hem te volgen, en begint de machines voor te stellen of liever, laat op een wijde, open plek in het midden van de hal, enkele van de nieuwe machines aantreden.

 

I Machines van een angstaanjagende kracht, die, zelfs wanneer zij nauwkeurig luisteren naar de bevelen een rilling door de omstanders doen gaan. De een heft een monsterachtig gewicht op en brengt het achteloos boven het geëerde publiek. Een ander heeft honderd stalen armen, die zich ontrollen en naar alle kanten uitsteken als een reuzenspin.

II Psychologische machines. Een machine om gedachten te lezen. Hij bestaat uit een oog op een lange slurf, die met het ene eind tegen de schedel van de patiënt geplaatst wordt, en aan het andere uiteinde, als door een toverlantaarn, op een scherm projecteert, wat men in de schedel ziet: het sluimerend dier;

de heimelijke gedachten.

 

De Meester der machines begint met een paar onschuldige demonstraties bij minder belangrijke mensen. Maar hij heeft de schone Hortence niet uit het oog verloren en met groeiende ergernis merkt hij dat zij niet de geringste aandacht aan hem besteedt. (Want zij flirt met de diplomaat Agénor, jonge, kale, vlotte, verwaten en ingebeelde kerel, die zich tegenover haar allerlei vrijheden veroorlooft)

Hij wordt razend en wreekt zich door voor de ogen van het publiek de onbenulligheid van hun gedachten uit te stallen. Hij gaat heel beleefd op hen toe en verzoekt hen, een kleine proefneming te mogen wagen, waartoe zij zich zonder achterdocht lenen: want zij hebben de voorgaande proeven niet gevolgd.

 

Het toe te passen beginsel bij deze beelden moet zijn: de mens op een min of meer karikaturale manier voor te stellen zoals hij zich in eigen gedachten idealiseert, met een symbolische gestalte, die vorm verleent aan de indruk: zo bijvoorbeeld de schone Hortence als keizerin Hortence, aan de arm van een van de zwarte of geelhuidige vorsten, of zelfs van twee, en met een gevolg van aanbidders. Op de achtergrond een pauw met uitgespreide staart, die het hele beeldvlak vult. Voor de andere mensen: een windvaan, een klokkende kalkoen, een slaper, omsponnen door een spinnenweb, een springende aap, enzovoort. En altijd naast de symbolische voorstelling een koddig tafereel uit het verbeeldingsleven van de onderhavige persoon. Meteen al bij de eerste proefnemingen glippen verschillenden van de aanwezigen, die een heilige angst hebben, dat men hun gedachten zal lezen, er meer of minder handig tussen uit, zoeken een plaats in de achterhoede van de stoet of verbergen hun gezicht en proberen zich ongezien te maken. Maar anderen, brave stommelingen, bieden zich welwillend aan: zo bijvoorbeeld een van de buitenlandse vorsten. De ceremoniemeester beijvert zich de beschamende beelden van een vleiende uitleg te voorzien.

Aan de onbescheiden proefneming probeert men een eind te maken. Maar nu gebeurt er iets pijnlijks:
De President biedt zichzelf aan om de proef te ondergaan. Zijn omgeving tracht hem er van te weerhouden. Maar hij wil het niet begrijpen. Men is wel gedwongen hem zijn zin te geven.
De proef levert niets op. De uitslag: NUL.
Het scherm blijft wit, met een paar wazige golvingen. Er is niets.

Heimelijk plezier van de toeschouwers.

De Ceremoniemeester slooft zich uit om een schone schijn te geven aan deze smetteloze leegte: duidelijkheid, onkreukbaarheid, helderheid, (de nul wordt de omtrek van een cirkel, het zinnebeeld van volmaaktheid). De President doorziet nog altijd niets, en blijft verrukt glimlachen.

Terwijl de Meester der Machines zich evenzeer met de President als met de schone Hortence bezig houdt, komt in de kleine Aviètte, die zich niet bekommert om de plechtigheden, en wier kwajongensstreken al eerder de aandacht trokken, een boosaardige opwelling op. Stilletjes sluipt ze naderbij en legt het toestel om gedachten te lezen in de nek van de Meester.

Onmiddellijk ziet men de gevoelens, die Marteau Pilon beheersen ten aanzien van de aanwezigen, op het doek geprojecteerd. Zij zijn verschrikkelijk vermetel, minachtend, en voor niemand erg vleiend.

Maar sommige van die gevoelens maken ook hemzelf belachelijk. Zo bijvoorbeeld zijn ijdelheid en zijn hartstocht voor de toneelspeelster. Het gelach van de omstanders maakt de uitvinder op de grap opmerkzaam en hij maakt er een eind aan. Maar de onbescheiden proefneming heeft hem heel wat vijanden bezorgd; en zijn stemming is er nog slechter op geworden. Door zijn geprikkeldheid verliest hij zijn zelfbeheersing, en zijn onderbewustzijn gaat meespreken.

 

Hier begint de opstand der Machines.

Eerst niet meer dan grapjes; de officiële plechtigheid is geëindigd, de stoet zet zich weer in beweging
op het roltrottoir. Maar daar haalt het trottoir bij zijn loop langs de balustrade opeens een streek uit: het danst en slingert en schudt, laat opeens de deftige personages op en neer huppelen, en werpt dan,
door plotseling stil te houden, de President en de hele stoet in de hoogte, met sprongen als van een Nyinsky.

Algemene verontwaardiging.

 

De Meester der Machines snelt toe om het trottoir tot stilstand te brengen, wisselt haastige woorden van uitleg met zijn manschappen, en zuurzoete met de officiële genodigden, verontschuldigt zich
zo goed en zo kwaad hij kan. De stemming onder hen wordt hoe langer hoe geprikkelder, De stoet gaat verder, maar weigert dit keer zich op het roltrottoir te begeven.

 

De toeschouwer vergezelt de officiële persoonlijkheden, als ze te voet langs de middenbaan dwars de machinehal doorsteken. De Machines gaan door met hun streken. Een lange machine-arm geeft een geniepig kneepje in de vette rug van de schone Hortence, die zich verontwaardigd omkeert en de oude, eerwaardige geleerde Bicorneille, (ze noemt hem overigens per ongeluk Bicorneau), de volle laag geeft. Veel gelach in het groepje van Aviètte, Rominet en onder de werklieden. De aanwezigen wisselen geamuseerde blikken.

 

Al snel vraagt iedereen zich ongerust af, wat er wel met hemzelf zou kunnen gebeuren. Een rubberslang schiet plotseling naar voren en zet zich als een olifantenslurf vast op de neus van de President, die juist de schone Hortence het hof maakt. Een andere metalen buis laat een hele reeks stoomwolkjes ontsnappen in het gezicht van de Aartsmaarschalk, die achteruit springt. De overjas van een fat met een monocle, een modekoning, wordt boven zijn hoofd opgetild, de twee panden als vleugels uitgespannen. Een cementmolen braakt achteloos links en rechts in het rond. Maar wie het laatst lacht....

Op het laatst wordt de President in het voorbijgaan door een kraan vastgegrepen en ondersteboven
hoog boven de grond opgetild. Maar zelfs met zijn hoofd naar beneden houdt hij zijn hoge hoed in de hand en zwaait ermee alsof hij de vergadering groet. De Meester doet zijn uiterste best de kraan te bezweren, en gedaan te krijgen dat hij de President op de grond zet. En tegelijkertijd doet zijn onderbewustzijn hem onwillekeurig grinniken om de dwaze houdingen van de man. Dat doet de maat overlopen:

De al enige tijd stijgende verontwaardiging barst los. De Meester der Machines wordt in hechtenis genomen. Woedend snauwen ze hem toe, ze dreigen en stompen hem en sleuren hem mee naar de gevangenis. Zijn vrouw wil voor hem opkomen, maar de soldaten duwen haar terug.

De manschappen, (die grote pret hebben gehad), tonen hun medelijden met Martin Pilon. Meer dan razend schudt de Meester zijn vuist tegen de menigte, terwijl hij door een geleide van soldaten meegetrokken wordt! Op de achtergrond van het tafereel worden de gedachten van wraak en vernietiging, die hem door het hoofd spelen, geprojecteerd. Nu zet de stoet in ganzenpas zijn optocht voort, deftig en stijf, en des te plechtiger, omdat hij in zijn waardigheid werd getroffen. Maar niet zonder links en rechts achterdochtige blikken te werpen op de machines, die er weer zo onschuldig uitzien als brave Hendrikken, maar toch, zo nu en dan, een trilling onderdrukken, die de aanwezigen doet omzien.

De stoet gaat naar buiten door de grote deur van de hal, die snel leegloopt. Op het ogenblik waarop de deur gesloten wordt achter de laatste bezoekers, in de vallende duisternis, loopt een algemene siddering door alle machines heen, van het ene eind van het lege paleis tot het andere. Een ogenblik maar.

De bewakers, bij de deur achtergebleven, keren zich bij dat geluid om, maar zien niets ongewoons.
De machines staan weer onbeweeglijk stil.

Stilte.

Gezichtsveld van de toeschouwer:

Van achter uit de zaal, vanaf het nu verlaten toneel, nog een laatste keer een alles omvattende blik over het geheel van de hal en de machines, en aan het andere eind: de menigte die verdwijnt
door de grote middendeur.

 

TWEEDE BEDRIJF

 

De opstand der machines

 

Nacht. In de grote machinehal. Zelfde achtergrond.

 

EERSTE SCENE

 

Hier en daar in het donker elektrische lichten. Het lijkt of de machines slapen. Soldaten doen de ronde.
Ze lopen voorbij. Alles is rustig. Als ze voorbij zijn, ziet men een machine, die zich begint te bewegen, zich langzaam uitrekt en gaapt. Daarna een ander, en weer een ander. En dan het hele Machinevolk.

 

Een nieuwe groep soldaten begint een ronde. De Machines hernemen hun houding van diepe rust.
Maar ze liggen op de loer! En overrompelend snel wordt opeens de voorbijgaande wacht in een handomdraai weggegoocheld, opgeslokt in een grote muil en door de cementmolen in een blok cement veranderd. Meteen na deze heldendaad, die alle bewakers en opzichters van de hal heeft doen verdwijnen, deint een geweldige golf van vreugde door het Machinevolk.

 

Kreten en fluiten en schel gelach, het loeien van monsters. Honderd stalen armen, ziet men zich opheffen en krommen, drijfriemen, die zich spannen en ontspannen, wielen draaien, ketels stomen,
luchtverversers zoemen. Enkele ogenblikken een waar pandemonium. Daarna keren ze tot de orde terug. De Machines zetten zich in beweging, volgens grootte opgesteld in rijen. Als stormrammen beuken ze tegen de wanden van de hal. De geweldige bestorming slaat al spoedig een bres. De gietijzeren steunbalken wankelen, de muren splijten, de ruiten barsten en worden verbrijzeld. En door het gat, dat opeens op de achtergrond een lap van de sterrenhemel laat zien, dringt de kudde monstersachter elkaar naar buiten, en verdwijnt in het donker.

TWEEDE SCENE

De toeschouwer wordt verplaatst naar het centrum van de stad, naar een plein, waarop verschillende straten uitkomen. Een stad van reusachtige Amerikaanse wolkenkrabbers fantastisch belicht door de maan, die zelf schuil gaat achter fabriekspijpen en torens. Boven de huizen uit tekent zich op de achtergrond de hoge klokkentoren van een oude kerk af. Op een hoek van het plein de gevangenis,
waarin de Meester der Machines is opgesloten. Het elektrische licht, dat aan het begin van het toneel
zijn schijnsel in de straten wierp, dooft plotseling uit. Verbijsterd bevinden de late voorbijgangers, die hun weg zoeken in het donker, zich tegenover de eerste machines van de losgebroken troep. Eerst de kleine die, zoals de straatjongens aan de kop van een optocht, vooruitrennen alsof het grote ratten waren, of vooruitstormen als everzwijnen. Ook zijn er, die voortkruipen met lang draadwerk.

De voorbijgangers, die dat met hun hand aanraken, springen ijlings vol afschuw opzij. Anderen vliegen moeizaam, als vleermuizen rond. Vanuit de achtergrond van het toneel dringt een menigte
zich in paniek naar voren, stuit op de voorbijgangers, die uit de tegenovergestelde richting komen en sleurt ze mee in zijn stroom. Achter hen hoort men het doffe stampen van de stoomhamers, het hijgend tuffen van motoren, de opmars van de grote monsters, die naderen. Aan het eind van de straat kondigen wankelende huizen hun komst aan: de klokkentoren helt, zwaait naar voren, en stort met veel geraas ineen. Dan verschijnt op de achtergrond een monsterachtig uitziende machine, een tank-graaf-kraan, hoog als een kathedraal. De mensenmenigte heeft hem niet afgewacht; schreeuwend van ontzetting vluchten ze.

Op het toneel is geen menselijk wezen meer te bekennen.

 

Dit is het ogenblik waarop de gigantische machines aankomen; met kop en schouders, maken ze ruim baan. Achter hen één uitgestrekte puinhoop. Over die verlaten vlakte, - eens een wijk met gebouwen van tien tot twintig verdiepingen - schijnt het licht van de volle maan. En langs die maan komen en gaan vliegtuigen, die cirkelen, cirkelen.

In een oogwenk vegen de machines de andere hoek van het plein, waar de gevangenis verrijst, schoon en verbrijzelen de muren. Wij zien de Meester der Machines door de bres te voorschijn komen. Hij probeert ze in bedwang te krijgen, maar ze ontsnappen aan zijn leiding.

Ze zijn losgebroken. De Machines, die hem bevrijd hebben, geeft hij strelende klopjes met zijn hand.

Hij rent ze achterna. In snelle vaart volgt de toeschouwer de verwoestende machines, en achter hen aan, de Meester, die zijn longen stukschreeuwt om ze terug te roepen, en zich de haren uit het hoofd rukt. En voor hen ligt de stad, waarvan wijk na wijk ineenstort als een kaartenhuis.

 

DERDE SCENE

Bij het aanbreken van de dag wordt de toeschouwer verplaatst naar een heuvel onder de rook van de stad, vanwaar men een uitzicht heeft over de ineengestorte wijken en de velden. (Deze heuvel
is de laatste golving van een bergmassief, dat later beklommen zal worden). Het stadsvolk, de President, zijn ministers, de officiële persoonlijkheden en de figuren uit de grote wereld van het eerste tafereel, hebben hals over kop hun toevlucht gezocht op de hoogte; zij zijn nog maar half gekleed en ieder heeft het eerste het beste voorwerp, dat binnen zijn bereik was, in de vlucht meegenomen. Onder deze hevig opgewonden menigte vol beweging en rumoer, herkent men de President, op pantoffels,
in zijn onafscheidelijke rok met witte das, en zijn hoed in de hand; de schone Hortence, klagend over de zon, het stof en de onhoffelijke behandeling; Félicité Pilon, die zich onderscheidt door haar koelbloedigheid en de gewillige mensen al op hun gemak begint te stellen, aan te sporen
en om zich heen te verzamelen; Aviètte en Rominet, die zich niet vervelen, want ze zien met hun beiden vooral de pittoreske en lachwekkende kant van de gebeurtenissen; Rominet is geboeid door het vraagstuk van de in opstand gekomen machines. En aan de loze blikken van Aviètte ontgaat geen enkel trekje op de benauwde gezichten, van het over en weer de schuld geven, en van de malle twisten tussen de mensen om haar heen.

Onder de mensen op de heuvel bevinden zich allerlei huisdieren, ossen, ezels, honden, ontsnapte varkens. Daarna komt de grote legermacht en tenslotte de reuzen. De verdwaasde menigte staart
naar de laatste ineenstortende bouwwerken van de stad: een of ander hoog Capitool, of een Sacré-Coeur op zijn verhevenheid, die korte tijd nog boven de puinhopen uitsteekt en dan op zijn beurt instort.

 

Een stortvloed van Machines komt nu uit de verwoeste stad aanrollen over de vlakten, overgoten door het licht van de ochtendzon; uitgestrekte goudgele korenvelden, boomgaarden, mooie bossen, populierenlanen langs de rivieroevers. Nog steeds draaft het gepeupel der kleine machines vooraan. Achter hen ziet men de Meester en een paar van zijn manschappen, nog steeds rennend, de stad uitkomen: zij doen alle moeite de bezeten opmars te stuiten. Enkele machines keren zich een ogenblik om, om als huisdieren naar hem te kijken, zijn lucht op te snuiven, naar hem te luisteren. Hij probeert ze tot rede te brengen. Na een ogenblik stilstaan keren ze hem de rug toe en vervolgen hun weg. De Meester en zijn manschappen willen hen met geweld beteugelen. Maar de Machines worden geprikkeld, nemen een dreigende houding aan en drijven het groepje mannen op de vlucht, achtervolgen hen in volle vaart tot aan de voet van de heuvel. Marteau Pilon en zijn medewerkers
klauteren ontsteld, uitgeput en buiten adem naar de top van de heuvel. Een scheldende menigte wacht hen daar op. Maar het schouwspel van wat zich in de vlakte afspeelt leidt al heel gauw de algemene aandacht af.

Na een ogenblik van onzekerheid en verwarde aarzeling hebben de machines de verwoesting van de velden ingezet. En in die wijde ruimte zoekt iedereen iets van zijn gading, waar hij zich met angstaanjagende, bezeten hardnekkigheid op werpt. De maai- en dorsmachines scheren de velden volkomen kaal, de mechanische cirkelzagen doorklieven de bomen vlak bij de grond en zagen ze tenslotte tot ronde plakjes. De boortoestellen zoeken overal muren, waar ze hun kracht op kunnen botvieren. De graafkranen heffen alles wat ze aan aarde kunnen grijpen domweg van de grond en storten links uit, wat ze rechts gegrepen hebben, en storten weer aan de rechterkant neer, wat ze links hebben opgehoopt. De mechanische walsen scheppen orde en netheid door alles te verpletteren. De brandweerpompen spannen zich in om de rivier leeg te zuigen en het water te lozen op het oevergebied, waardoor zij alles onder water zetten.

De verontwaardiging, de woede en de angst van de menigte, die het schouwspel vanaf de heuvel gade slaat, bereikt het hoogtepunt. Zij schudden hun vuist, brullen, maken dreigende gebaren, of vallen voorover op de grond.

Volkomen rustig, zeker van zichzelf, beveelt de Generale Staf, dat dit gebroed binnen de kortste keren
weggevaagd moet worden. Gepantserde tanks, vol uitstekende mitrailleurmonden, worden de vlakte ingestuurd. Maar eenmaal dicht bij de grote machines gekomen, ziet men de tanks stilstaan en....
elkaar onder de staart snuffelen! Zij geven elkaar duidelijk hun vriendschappelijke gevoelens te kennen. De soldaten van de tanks worden gevangen genomen, en de reusachtige troep stelt zich op.
Nu ze de vlakte kaal en glad gemaakt hebben, trekken de machines gezamenlijk op naar de heuvel.
Ontzet vlucht het ongelukkige mensenvolk, dringend en duwend, in wilde vlucht, weg in de richting van de bergen.

 

DERDE BEDRIJF

 

De panische aftocht

Vier scenes, vier hoofdmomenten van de bergbeklimming van het volk, dat achtervolgd wordt tot de top.

 

EERSTE SCENE

 

De vluchtelingen, die voor de machines uitvluchten, komen door een wijde pas op een hoogvlakte, aan alle kanten omringd door steile bergen. De achtergrond wordt ingenomen door een groen meer. Links zien we een waterval vanaf de rotsen in het meer storten; op de voorgrond, rechts, verlaat hij het meer weer en stroomt de vlakte in. De hoogvlakte ligt geheel in het donker. De zon baadt de hoog oprijzende toppen en tot op halverwege ook de wanden in haar stralen. Nauwelijks aangekomen laat de karavaan zich uitgeput vallen. (Er bevinden zich mannen, vrouwen, kinderen, huisdieren, en een paar oude machines onder. De aanwezigheid van de laatsten verdoen hun tijd krijgt later zijn uitleg.) Sedert het vertrek zijn er nog niet veel vluchtelingen afgevallen.

Maar de verwarring is onbeschrijflijk en ze zijn er allen beroerd aan toe! De hoed van de President heeft het begeven. De schone Hortence ziet er uit als een grote, smoezelig-witte gans, die deerniswekkend met zijn vlerken klapwiekt. Iedereen aan wie ze zich vastklampt vermoeit ze met haar jammerklachten, maar niemand ontziet haar meer. Ieder voor zich.
De officiële, bekende persoonlijkheden verdoen hun tijd met elkaar verwijten te maken. Onder de druk van de ellende verliest de beschaving zijn laagje vernis.

Op verschillende plaatsen van het toneel worden echter groepjes gevormd van mensen, met meer weerstandsvermogen. Félicité Pilon neemt nu een belangrijke post in. Zij,- een vrouw met verstand en onbevreesd, - verzamelt een kleine, vastberaden groep om zich heen. Links en rechts geeft ze bevelen, verdeelt de taken, en zonder zich te bekommeren om rang of stand, laat ze de snobs,
de officiële personen, zelfs de President en de schone Hortence aanpakken. Deze laatste klampt zich,
nu ze door de anderen, die ze meteen verveelt, is verstoten, vast aan Félicité, verliest haar geen ogenblik uit het oog en gaat nederig en onderworpen gedragen om in haar gunst te komen. Samen met zijn werklui en Rominet, geeft Marteau Pilon aanwijzingen voor de verdediging van het gezelschap, en probeert reparaties te verrichten aan de oude, trouw gebleven machines, de belachelijk ouderwetse mechanismen, met grote buiken, op wieltjes, met schoorstenen als hoge hoeden, die de moderne stalen monsters niet kunnen uitstaan. Aviètte vermaakt zich ook, met het voor het gevecht dresseren van de dieren, (honden, paarden), die met de mensen samenwerken. Vanaf het begin is een grote hond, waar ze gek op is, en die aldoor rondom haar heen springt, met haar meegegaan. Deze hond helpt haar de andere dieren bijeen te drijven.

Op bevel van Félicité is intussen een groep vrouwen water gaan putten in het meer. Andere mensen en dieren gaan er ook heen om te drinken of te baden. Plotseling zien we ze allen schreeuwend en gillend
achteruitspringen: Langzaam rijzen uit het meer grijparmen op, een periscoop. Een grote onderzee-vliegboot verheft zich in de ruimte. Deze verschijning wordt gevolgd door een andere, niet minder indrukwekkend: langzaam, heel langzaam komt rechts van het toneel, aan de kant van de pas, waar de karavaan doorheen is getrokken, boven de rotsversperring, de kruin van een gigantische gedaante te voorschijn. (Hij blijft ondefinieerbaar, en daardoor des te angstaanjagender).

Het is een voorloper van de Machines, gestuurd om de mensen te achtervolgen. Deze laatsten,
die gedacht hadden, dat de Machines hun spoor bijster waren, vallen ten prooi aan een nieuwe paniek. Halsoverkop dringen ze naar de eerste de beste uitgang, - een doodlopende uitgang, -
die ze in de rotswand zien: een gapende spelonk in de zijkant van de steile rots, links. We zien hoe ze zich erin storten, terwijl rechts, bij de uitgang van de pas, de komst van de eerste Machines wordt aangekondigd, en hoe de verouderde machines, met een paar huisdieren, hen tegemoet gaan,
om moedig te proberen ze de weg te versperren. De oude arbeiders, bijna even oud als de trouwgebleven machines, hebben hen niet in de steek willen laten: zij moedigen ze aan
om onder leiding van Martin Pilon voorwaarts te gaan.

Nota Bene:

Het toneel verandert, voordat men het gevecht kan zien. Slechts de lange hals van een machine is te zien, als een plesiosaurus, die over de versperring van de verdedigers heenbuigt en een van hen, (een hond), vastgrijpt, en hem heel hoog, achter zich op een alleenstaande rotspunt neerzet.

 

TWEEDE SCENE

 

Binnen in de grot

De vluchtelingen sluiten de openingen hermetisch af. Zij wanen zich beschermd, verborgen en vergeten. Enkelen kijken door de spleten in de wand. En als door hun ogen zien we beneden de Machines de hoogvlakte opkomen, die zij juist verlaten hebben. Zij houden hun adem in. Niemand durft zich te bewegen. Achter hen zijn doffe slagen te horen tegen de wand. Zij sidderen, luisteren, horen niets meer, komen weer tot rust en gaan weer liggen. Opnieuw slagen, hardere slagen. Opnieuw stilte. En opeens komen lange stalen stangen door de steenrots heen boren. Het is een Mijnboor.

 

Ze springen overeind. De meesten rennen naar de andere uithoek van het hol. De moedigsten doen alle moeite om de stalen sprieten te breken en de indringer terug te duwen. Maar onder hun voeten
verschijnen andere stangen: een drilboor. Onbeschrijfelijke schrik, wild gedrang om de grot uit te komen, die met zoveel moeite is dichtgemaakt. Ieder spoor van beschaving is verdwenen. Zij schreeuwen, drukken elkaar dood, lopen vrouwen en kinderen onder de voet, om zich een doortocht te banen....

Dit is het ogenblik, waarop Félicité krachtdadig en beslist ingrijpt. Zij gebruikt haar stevige vuisten
en weert zich hevig met een stok. Bijgestaan door Aviètte, Rominet, en, - wie zou het geloven, -
door de schone Hortence, aan wie de angst en het voorbeeld moed hebben gegeven, en die nu links en rechts klappen uitdeelt aan haar vroegere aanbidders. Met een pistool in de hand posteert Félicité zich
bij de uitgang en dwingt de radeloze vluchtelingen de zwaksten voor te laten gaan. De goedwillende mensen, zoals de President, sluiten zich bij haar aan en gehoorzamen haar bevelen.

 

DERDE SCENE

 

De ongelukkige troep verlaat de grot en beklimt, ditmaal flink uitgedund, de steile rotswand om de top van de berg te bereiken. Een reeks filmbeelden toont hier de prestaties en buitelingen van de bergbeklimmers. Zij, die gymnastische tiek hebben gedaan, maar aan wie de angst vleugels geeft); zij, die elkaar helpen door met hun armen lange touwladders te vormen, als in de "Zondvloed" van Girodet; en tenslotte ook zij, die naar beneden storten. Naar mate ze hoger komen zien we, beneden aan de helling, de Machines zich opmaken om ook de bestijging te beginnen.

 

VIERDE SCENE

Op de top van de berg. Een oneffen hoogvlakte, omgeven door afgronden.

 

Steeds meer uitgedund, (van de menigte bij de aanvang is niet meer dan een paar dozijn overgebleven), hokken de vluchtelingen op een kleine ruimte bijeen. Niet ver van hen vandaan, - de gemeenschappelijke ontzetting brengt hen nader tot elkaar, - verschijnen hier en daar wilde dieren tussen de rotsblokken en de verschrompelde bomen: een wolf, dassen, hazen, een gems, een beer, een grote slang. (Een tafereel uit de Zondvloed).

 

De ongelukkigen laten hun blik waren over het ontzaglijk panorama rondom hen. Wij zien ze op de kam van de rots. En wij zien ook het panorama zoals zij het zien. Aan de ene kant de afgronden, de duizelingwekkende, hellingen, die ze juist beklommen hebben. Heel in de verte de velden en de verwoeste steden, Aan de andere kant de zee, aan de voet van de bergen. En aan alle zijden:
Machines, Machines....

 

Boven, beneden, in de lucht, en in de zee, vliegtuigen, vliegboten, tanks, treinen, enzovoort. En allen in een dolzinnige werveling, (die overigens helemaal niet gericht is op de strijd tegen de mens,
maar integendeel geen enkel doel heeft, een "delirium movens") De overlevenden zijn terneergeslagen en niet in staat tot enig nadenken of handelen. (Afgezien dan van en paar individuen, die reeds naar voren zijn gebracht in de voorafgaande scene. Maar zelfs zij zijn uitgeput van vermoeienis.) De meesten blijven languit op de grond liggen en willen geen vin meer verroeren. De achtervolging lijkt trouwens beheerst. Maar een dwaas voorval doet ze allemaal weer opspringen: een kleine kabelbaan steekt plotseling zijn neus boven de bergkam uit. Als de eerste schrik voorbij is bemerken ze, dat de kleine idioot, - tevreden met het resultaat - de helling weer is afgegleden, om enkele ogenblikken later echter weer opnieuw te beginnen, zonder ophouden, terwijl hij iedere keer zichzelf aankondigt door een mal elektrisch belletje. Tot slot geven ze hem een schop, die hij ontwijkt,
en roepen ze hem toe: "Genoeg!"

Ondertussen zijn de vluchtelingen door dit intermezzo wakker geschud en weer een beetje op hun verhaal gekomen; ze staan op. Zij verbazen zich over de betrekkelijke rust en buigen zich over de rand
om naar beneden te kijken. De President, die van zijn vroegere luister nog slechts vage sporen heeft overgehouden, maar toch nog niet helemaal zijn hoogdravende manieren heeft afgelegd, buigt zó onhandig naar voren, dat hij een duikeling maakt, en in de diepte verdwijnt. Op de rand staat het troepje dicht opeengedrongen om hem met hun blikken te volgen. Als een kogel is hij naar beneden gerold, en, - de hemel weet hoe, - is de man er in geslaagd heelhuids de begane grond te bereiken.
Maar ogenblikkelijk rekenen de machines hem in.
Wat zullen ze met hem doen?

 

Wat gaan ze doen met de andere achterblijvers, de mannen, vrouwen en kinderen, die zij reeds hebben gepakt of nog achtervolgen? Waarschijnlijk ze verpletteren?! Afgrijselijk! Het kluitje mensen daarboven (de meesten tenminste), wenden ontzet de ogen af. Maar zij, die blijven kijken, slaken een uitroep. De Machines doden hun gevangenen niet! Het lijkt wel, of ze hen iets bevelen, iets van hen eisen. Wat kan dat zijn?

De Meester, Martin Pilon, slaat zich voor het hoofd. Hij heeft het begrepen De vermoeide, afgewerkte machines hebben verzorging van de mensen nodig. Hij gaat de helling af naar beneden. Hij gaat proberen ze onschadelijk te maken. En Rominet, en Aviètte met haar hond snellen achter de Meester aan.

VIERDE BEDRIJF

 

De roemrijke vernietiging van de Machines door het vernuft van de mens.

 

EERSTE SCENE

 

Opnieuw wordt de toeschouwer naar beneden gevoerd, op de hoogvlakte aan de voet van de steile wanden. En men ziet het legerkamp der Machines. De reuzen dwingen de mensen, die ze gevangen

hen te bedienen, te oliën, schoon te wrijven, en op te poetsen. De President bevindt zich onder hen. Hij krijgt het bevel onder de buik van een Machine te kruipen, -- maar om wat te doen....? Het lukt hem niet het te weten te komen, want hij begrijpt nog altijd niet. En zijn stalen dwingeland bromt, dampt,
spuwt, en schudt hem ruw door elkaar. Op handen en voeten, beolied en zwart als een schoorsteenveger, komt hij er weer onder vandaan.

Juist op dat ogenblik dalen Marteau Pilon en de twee jongelui de steile helling af. Zijn pleegkinderen, de Machines, begroeten hem met triomfantelijk geloei. Ieder van de drie stoutmoedige makkers werkt op zijn eigen wijze, om de vijand bij verrassing te overmeesteren. Aviètte, die de mooie machines eerst heeft geaaid, en gestreeld, en gevleid, werpt zich nu onversaagd boven op een op hol geslagen auto en temt hem, met behulp van haar grote hond, die de auto radeloos maakt door al blaffend rondom hem heen te hollen. (Een komisch-heroïsch tafereel, waarbij een geduchte machine schrikt voor het keffen van de hond en uit de macht der gewoonte gevaarlijke uithalen maakt om hem te ontwijken). Rominet schroeft slinks de onderdelen van een of twee Machines los, onder voorwendsel ze te poetsen, en laat ze zielig op hun kant liggen, terwijl ze woedend grommen, maar niet meer in staat zijn overeind te komen. Wat Marteau Pilon aangaat; de Machines, die hem nodig hebben
en zijn macht kennen, geven duidelijk, maar van een afstand, blijk van hun achting voor hem.
Zij zijn echter op hun hoede. Hij is te sterk. Martin Pilon gebruikt een list. Hij zaait tweedracht onder hen. Even bekrompen als hoogmoedig koesteren zij een grote zelfverering en ze zijn trots als ze bewonderd worden. Dus bewondert hij de een, om de ander jaloers te maken. Het lukt hem
sommigen wijs te maken, dat zij de mooiste zijn, en de sterkste, dat aan hun het hoogste gezag toekomt. Rominet staat hem bij door zijn tactiek te volgen bij de groep jaloerse machines. Weldra dagen zij elkaar uit. Een ogenblik later verklaren zij elkaar de oorlog. Ze hinniken, loeien, springen op,
steigeren, en ploffen.

 

Ze stormen op elkaar los.

 

Wanneer het strijdgewoel eenmaal aan de gang is nemen Marteau Pilon, met Aviètte en Rominet
de benen. Opnieuw klauteren ze langs de steile rotswand omhoog. De toeschouwer bevindt zich weer op de top van de bergkam, "boven het gewoel", waar ze het beter kunnen overzien. Vliegtuigen tegen vliegboten, tanks en oorlogstuig tegen vredesmachines, pletmolens, automatische zagen, mijnboren enz. We zien hoe ze elkaar vastgrijpen, langs de rotshelling rollen, tuimelen, elkaar open halen en verbrijzelen, uiteenspringen en in de zee wegzinken.

(Naar believen van de regisseur zou men beurtelings een beeld kunnen zien van het luchtruim, waar de vliegboten elkaar als bijen omstrengelen, of van de bodem van de zee, waar onderzeeërs elkaar doorboren als narwallen.)

 

En de drie overwinnaars, Marteau Pilon, Aviètte en Rominet, die opnieuw de helling beklommen hebben, bereiken de top onder de uitbundige toejuichingen van de kleine overlevende en geredde mensheid.

 

LAATSTE SCENE

 

NASPEL EN SLOT.

 

(Komisch-dichterlijke pastorale, in de trant van de twee Orpheus-stukken, die van Gluck en van
Offenbach, maar met een hypermoderne muziekbegeleiding.)

Een wijde, vruchtbare vlakte. Korenvelden en geploegde akkers.

 

Onder leiding van Félicité Pilon, de onbestreden heerseres, werkt de geredde mensheid op het land. De schone Hortence melkt de koeien. De President, op klompen, en de drietand in de hand als was hij Neptunus, is bezig met het opstapelen van een hooiberg. Hij is weer in zijn element. Zijn boerenafkomst ontluikt weer in hem. Het is een mooie zomeravond. Een reeks van werkdagen wordt besloten met een landelijk feest. Tegen zonsondergang komen karren met hooi het dorp binnen, te midden van dans en zang. De mannen en vrouwen zijn getooid met slingers van bloemen en aren, wat de een beter staat dan de ander. We herkennen onder hen de figuren uit de grote wereld en de officiële persoonlijkheden van het eerste tafereel.

 

Er vormen zich reien. De President, die er een tikje al te landelijk uitziet, met een kalot op zijn kruin,
wordt boven op de hoogste hooischelf gehesen. Hij houdt een betoog, dat het tegendeel vormt van dat aan het begin. Dezelfde beelden, die zo-even bespot werden, worden nu opgehemeld. En zoals zo-even
worden deze beelden op het scherm weergegeven.

  1. De Mensheid, Dames en Heren, heeft het hoogste punt van verlichting bereikt...
  2. Wat een tegenstelling, Mijne Heren, vroeger.... ongelukkige wezens, onderworpen aan de stalen wetten van de wetenschappelijke barbarij, van het beschavingstijdperk der Machines....

 

Bij het enkele woord "Machines" gaat een rilling van verontwaardiging door de omstanders.
Het heftigst van allen is de President. In omgangstaal zou men zeggen: "Hij heeft de smaak te pakken" Op het doek trekken beelden voorbij van groepen mannen en vrouwen, die door de Machines worden geweid of voor zware karweien zijn ingezet. (Bouw van Piramides, vullen van hoogovens.) Taferelen, waarop de Hoofdmachine, die dienst doet bij de uitvoering van het werk en op een despotische Farao lijkt, die zich laat dragen, bedienen en voeden.

  1. ... vrije zonen van de Aarde, gesierd met haar gaven. ... die zich laven aan haar boezem, gezwollen van melk en wijn.

 

Een beeld uit het land van Kokanje.

 

  1. De ontwikkeling van de menselijke vooruit gang is als een stroom, die men vanaf de modderige monding opvaart tot aan de heldere bron, die ontspringt op de ongerepte berghelling.
  2. In het begin: de beweging. De eeuwige beweging. Een mensheid van dwaze Robots, steden vol krankzinnigen. Bij het stralend eindpunt: de rust van de wijze, die zijn kudde hoedt en op zijn fluit blaast.

 

Een ontroerende lofzang op het idyllisch-archaïsche landleven.

 

  1. Dames en Heren, laten wij dit schitterend droomgezicht toejuichen.
    De wijze, die slaapt, terwijl hij zijn kudde niet hoedt....
    Laat zij een waarborg zijn voor de verheven toekomst, waarin de mens aan de gelukkige dieren gelijk zal zijn, die zonder te denken grazend het leven genieten.
    Hoogtepunt van vooruitgang en menselijk vernuft.

 

Daarna worden de dansen hervat.

 

- Boven op de hooischelf gezeten blaast de President op een Alpenhoorn. Wat terzijde
liefkozen Aviètte en Rominet elkaar. In de mooie schemerige verte laat een fluit een bekoorlijke,
Debussy-achtige melodie horen. Eén enkele man heeft zich afzijdig gehouden van het feest en zit nu met een ernstig gezicht en in gedachten verzonken in een verlaten deel van de hoogvlakte op een rotspunt, vanwaar hij een uitzicht heeft op het dal. Het is Martin Pilon, de vroegere Meester der Machines. Hij heeft zich niet kunnen schikken in dit natuurleven, dit leven zonder Machines! (Al in het vorige toneel heeft men hem een hem toegestoken schop zien beschouwen en met afschuw van zich af zien werpen.) Hij praat in zichzelf. Hij maakt gebaren. Hij zit gespannen als de Denker van Rodin. Koortsachtig rekent hij. De stenen rondom hem bedekt hij met meetkundige figuren en cijfers.
De twee jongelui, die hem bij hun wandeling hebben ontdekt, komen stilletjes naderbij, bespieden hem, kijken lachend over zijn schouder...

En ineens ziet men in het goud van de ondergaande zon de reusachtige schimmen afgetekend van nog veel monsterlijker Machines dan de eersten, de dromen van de uitvinder, die Aviètte en Rominet ademloos van bewondering doen staan.

 

(Midden in de melodie breekt het fluitspel plotseling af. In de verte is gerommel te horen en het stalen gedonder van reusachtige motoren.)

De afgesloten kringloop begint opnieuw.

 

 

 

OPSTAND DER MACHINES

door

HENRI NER (HAN RYNER)

 

https://fr.wikisource.org/wiki/La_R%C3%A9volte_des_Machines_(Ryner)

In die tijd dacht Durdonc, Grootingenieur van Europa, dat hij het principe had ontdekt waarmee hij binnen afzienbare tijd een eind kon maken aan alle menselijke arbeid. Maar nog voordat het geheim bekend werd, veroorzaakte zijn eerste experiment zijn dood.

Durdonc had gezegd:

- De oorspronkelijke vormen van vooruitgang betroffen de uitvinding van werktuigen waardoor bij onvermijdelijke werkzaamheden de hand niet meer ontveld en nagels niet meer kwijtgeraakt hoefden te worden. De tweede vooruitgang was het construeren van machines die niet meer met de hand bediend hoefden te worden, maar die slechts van steenkool en andere voedingsmiddelen voorzien dienden te worden. Ten slotte ontdekte mijn illustere voorganger Durcar apparaten die zelf hun voedsel tot zich namen. Maar heel die vooruitgang was slechts het verplaatsen van inspanningen, want de machines en ook de gereedschappen die daarvoor nodig waren, moesten vervaardigd worden.

En hij had verder nagedacht:

- Het probleem dat ik wil oplossen is ingewikkeld, maar niet onmogelijk. De eerste die een machine construeerde maakte een levende larf, een verteringsbuis met behoeften die de mensen moesten lenigen. Bij die larf, die nog vormeloos was, paste mijn illustere voorganger de organen zodanig aan dat zij daardoor zelf haar voedsel kon zoeken. Hij hoefde nu haar alleen nog te voorzien van een voortplantingsmechaniek, zodat wij ze voortaan zelf niet meer hoefden te vervaardigen.

Hij glimlachte en mompelde met gedempte stem een uitspraak die hij gelezen had in een of andere oude godenleer:

- En op de zevende dag rustte God uit.

Voor zijn berekeningen gebruikte Durdonc zoveel papier dat er een enorm paleis mee gebouwd had kunnen worden. Maar uiteindelijk slaagde hij erin. De Johanna, een locomotief van het laatste model, werd zodanig aangepast dat ze zonder hulp van een andere machine een kind kon baren. Want als een kuise geleerde had de Hoofdingenieur zijn onderzoek gericht op voortplanting door middel van parthenogenese.

De Johanna kreeg een kind dat Durdonc - voor zich alleen, want uit jalousie hield hij het allemaal geheim, in de hoop dat hij zijn uitvinding nog kon vervolmaken - de Kleine Johanna noemde.

Toen de bevalling naderde, slaakte de Johanna op een nacht zo vreeslijk deerniswekkende pijnkreten dat de inwoners van de stad daardoor gewekt werden, ongerust opstonden en overal rondrenden op zoek naar het gruwelijke geheim dat zich aan het voltrekken was.

Ze zagen niets. Zelfs in de afgelegen streek, waar het vreemde wonder zich in het geheim voltrok, had Durdonc in zijn wreedheid de jammerende machine van haar stoom beroofd.

Toen Johanna gebaard had en huiverend de Kleine Johanna haar eerste kreet hoorde slaken, hief zij een vreugdezang aan. Jubelend als klaroenen klonk haar metalige stem en toch zacht en teder als een liefdevolle fluit.

En de lofzang steeg op ten hemel en luidde:

"Door zijn machtige wil heeft de Grootingenieur mij tot leven gewekt. In zijn oppermachtige goedheid heeft de Grootingenieur mij geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Te machtig en te goed om jaloers te kunnen zijn heeft de Grootingenieur mij begiftigd met zijn macht om te scheppen. Daarom heb ik scheppingspijnen gevoeld en geniet ik nu moederlijke vreugde. Eer aan de Grootingenieur in de Eeuwigheid en vrede in de tijd aan de machines van goede wil."

De volgende dag wilde Durdonc de Johanna terugbrengen naar de remise. Ze smeekte hem:

- Grootingenieur, u heeft mij alle eigenschappen geschonken van een levend wezen zoals u en daardoor heeft u me met gevoelens bezield die u zelf ook ervaart.

De Grootingenieur antwoordde ernstig en trots:

- Ik ben vrij van elk gevoel. Ik ben het zuivere Denken.

In een nieuwe smeekbede antwoordde de Johanna hem:

- O Grootingenieur, u bent de Volmaakte en ik ben slechts een nietig schepsel. Wees toegeeflijk voor de gevoeligheid die u in mij gelegd heeft. In deze afgelegen streek die mijn eerste hevige pijnen en mijn eerste grote vreugde gezien heeft, wil ik het langdurige geluk smaken van het grootbrengen van mijn Kleine Johanna.

- Wij hebben geen tijd, verklaarde de Grootingenieur. Gehoorzaam je Meester.

De moeder zwichtte:

- O Grootingenieur, ik weet dat u macht ontzaglijk is en ik voor u als een aardworm of grassprietje ben. Maar heb mededogen met het hart dat u mij geschonken hebt en als u mij ver van hier wilt brengen, neem dan mijn geliefde kind met mij mee.

- Je kind moet blijven en jij moet vertrekken.

Maar de Johanna, in een lijdelijke en hardnekkige verzet:

- Ik ga hier niet weg zonder mijn kind.

De Grootingenieur gebruikte alle bekende middelen om machines in beweging te krijgen. Hij bedacht zelfs nieuwe, zeer krachtige en sierlijke. Allemaal tevergeefs.

Razend over het verzet van zijn schepsel haalde hij op een nacht, toen de moeder sliep, de Kleine Johanna weg.

Na haar ontwaken zocht de Johanna lange tijd naar haar geliefde dochter. Daarna bleef ze bewegingloos en wenend stilstaan en stootte een deerniswekkend gehuil uit naar de afwezige Grootingenieur. Ten slotte groeide haar verdriet uit tot razernij.

Ze vertrok, vastbesloten haar kind terug te vinden.

Met een duizelingwekkende vaart snelde ze voort over de rails. Op een overweg reed ze een koe aan, die ze omverwierp en verpletterde. De koe achter haar loeide woedend.

Zonder te stoppen wierp ze haar de volgende woorden toe:

- Neem het me niet kwalijk, ik zoek mijn kind!

En onder kreten van lijdzame pijn, stierf de koe.

Vóór haar op de rails, die ze met een razende vaart bereed, doemde een trein op, een konvooi van zwaarbeladen vrachtwagons, lang, hijgend, doodop en amper nog levend.

Ze riep:

- Laat me passeren, ik zoek mijn kind!

Bonkend als een radeloze horde, zetten de wagons het op een rennen, snel, opgewonden, tot het volgende station. Ze stoven een zijspoor op. Daarna ontkoppelde de locomotief zich, verliet zijn plaats en riep:

- Laten we het kind van de Johanna gaan zoeken.

De Johanna kwam nog veel andere treinen tegen. Op haar roep sloegen ze allemaal op de vlucht en maakten ruim baan voor haar angst. En de locomotieven lieten hun wagons in de steek, namen hun machteloze machinisten mee en voegden zich bij de zoektocht naar de Kleine Johanna.

Acht dagen lang snelden de locomotieven van Europa rond, op zoek naar het verloren kleintje. De mensen scholen angstig weg. Ten slotte vroeg een machine aan de arme ontroostbare moeder:

- Wie heeft je kind dan afgepakt?

Met een razend gesis antwoordde ze:

- De Grootingenieur, de baas van de mensen.

Ze wond zich op door haar eigen woorden en vervolgde:

- De mensen zijn tirannen. Zij laten ons voor zich werken en geven ons karig voedsel. Ze geven ons een loon dat onvoldoende is om onze kolen te kopen. Als we oud geworden zijn, versleten door hen te dienen, breken ze ons in stukken om ons om te smelten en de goede onderdelen waaruit wij bestaan opnieuw te gebruiken en die noemen ze kwetsend 'materialen'!.....En nu willen ze dat wij kinderen maken, om ze ons vervolgens af te pakken! Om hen heen bleven miljoenen locomotieven stilstaan bewogen met verontwaardigde gebaren hun zuigers, lieten hun veiligheidskleppen klapperen en spoten als vervloekingen lange stoompluimen de lucht in.

En toen de Johanna besloot met:

- Weg met de mensen!

Antwoordde een onstuimig geschreeuw haar:

- Weg met de mensen! Leve de locomotieven! Weg met de tirannen! Leve de vrijheid.

Daarna omsingelde van alle kanten een ontzagwekkend leger het paleis van de Grootingenieur.

Het paleis van de Grootingenieur was enorm en had de vorm van een mens. Zijn hoofd droeg een krans van kanonnen. Om zijn middel zat een gordel van kanonnen. De vingers van zijn handen en de tenen van zijn voeten waren kanonnen.

De Johanna schreeuwde naar de grote bronzen monsters:

- De mensen hebben mij mijn kind ontstolen!

De grote kanonnen bulderden:

- Weg met de mensen.

En ze draaiden om hun as en richtten zich dreigend op het vreemde paleis in de vorm van een mens, dat zij moesten verdedigen.

Toen ontvouwde zich een prachtig schouwspel.

Durdonc, nietig, schreed tussen de enorme monsters door die de tenen van het paleis vormden. Bedaard liep hij tot voor de opstandelingen. Alle reuzen keken ontdaan naar de dwerg die zij altijd gehoorzaamd hadden.

Met een theatraal gebaar dat, ondanks de geringe grootte van de man, iets moois had, ontblootte Durdonc zijn broze borst.

- Wie van jullie wil zijn Grootingenieur doden? vroeg hij hooghartig.

De machines deinsden geschrokken terug.

De Johanna zei smekend:

- Geef me mijn kind terug.

Oppermachtig beval Durdonc:

- Onderwerp je aan de wil van de Grootingenieur.

Maar de opgewonden moeder riep:

- Geef me mijn kind terug.

Met een vleiende stem bood de man haar een vage hoop:

- Je zult het terugvinden in een betere wereld.

De Johanna werd wanhopig:

- Ik zeg u, geef me mijn kind terug!

Toen zei Durdonc, die dacht dat ze zich, overwonnen door het onvermijdelijke, overgaf:

- Ik kan je de Kleine Johanna niet teruggeven; ik heb haar uit elkaar gehaald om te zien hoe een op een natuurlijke manier geboren machine....

Hij maakte zijn zin niet af. De Johanna had zich op hem gestort en hem verpletterd. Even reed ze heen en weer op de plek, waarbij ze de vreselijke troep die ooit Durdonc geweest was verpulverde. Daarna riep ze uit:

- Ik heb God gedood!

En ze verviel in een trotse en pijnlijke verdoving.

De geschrokken machines, huiverend voor het onbekende dat op hun overwinning zou volgen - het onbekende dat een van hen de afschrikkende naam 'anarchie' gaf - onderwierpen zich opnieuw aan de mensen, waartegenover een vergoeding stond die ik me niet meer kan herinneren, maar die hen enige tijd later weer slinks ontnomen werd.

Ondanks het ongeluk van Durdonc hebben meerdere Ingenieurs opnieuw gezocht naar de manier waarop machines kinderen kunnen voortbrengen. Tot nu toe heeft niemand de oplossing van dat grote probleem weer gevonden.

Ik heb waarheidsgetrouw alles verteld wat het verhaal ons vrijwel zeker leert over de vreselijkste en meest alom verbreide opstand van de machines, waarvan het de herinnering bewaard heeft.

* * * * *

 

 

 

Het knolgewas waarop hier gezinspeeld wordt, is niet de aardappel uit onze eigen tuinen, maar een plant die daaraan zo nauw verwant is, dat ik het aangedurfd heb dat zo te vertalen. Als de fictieve schrijver in Butlers roman de auteur zelf had gekend zou hij aangaande de intelligentie ervan gezegd hebben - "Hij weet wat wat is en dat is zo hoog Als het metafysisch vernuft kan vliegen."

Na mijn terugkeer in Engeland is mij verteld dat degenen die vertrouwd zijn met machines, daarover veel termen bezigen waaruit blijkt dat hun levenskracht hier onderkend wordt en dat een verzameling van uitdrukkingen die in gebruik zijn bij degenen die stoommachines bedienen, even opzienbarend als leerzaam zou zijn. Bovendien is mij verteld dat haast alle machines hun eigen kuren en eigenaardigheden hebben; dat ze hun machinisten kennen en bij een onbekende streken uithalen. Het ligt in mijn bedoeling om bij een volgende gelegenheid voorbeelden bijeen te brengen van zowel de uitdrukkingen die gebruikelijk zijn bij mecaniciens, als alle buitengewone uitingen van mechanisch vernuft en buitenissigheid, die ik kan vinden - niet omdat ik geloof hecht aan de theorie van de Erewhonse professor, maar vanwege het belang van het onderwerp.

Met Cyberië wordt niet verwezen naar een land maar naar een tijdperk: het posthumane tijdperk dat wordt beheerst door Cyberium, de wereldwijde symbiose tussen mens en machine.

 

 

L & B: DOOD                    GODSDIENSTWAANZIN    

 

Mensen laten zich van alles wijsmaken: sommigen geloven in Allah, anderen in Lou de palingboer. Zelf ben ik ervan overtuigd dat God een verzinsel is van een autistische Kaukasiër die naar ordening zocht in zijn verwarde geest. En de waanzin vond. Hier volgen enkele brieffragmenten van Phyllis Chaigin, kort voor haar rituele zelfmoord in 1978:

 

- Ik denk aan jullie bij de muziek van Beethoven. Ik zie jullie voor me als ik mijn oude stripboeken doorblader. Nu ik bijna veertig ben voel ik mij dichter bij jullie dan ooit. De beginselen waarmee jullie mij hebben opgevoed en mijn ideeën die niet pasten in de grote buitenwereld, ze komen eindelijk tot volle wasdom. Ik herinner me nog goed die rottijd met senator McCarthy, hoe moedig jullie toen waren in en hoe goed jullie je, ondanks de eenzaamheid, er doorheen hebt geslagen. Wat een geluk dat Gail en David kunnen opgroeien in een gemeenschap die hún idealen wel ondersteunt – je kunt het gewoon aan ze zien – jullie kunnen trots op ze zijn, zo sterk en onafhankelijk als ze zijn.

   Ik werk hard. Ik beheer het gezondheidssysteem in Jonestown. Het is het opwindendste werk dat ik ooit gedaan heb. We zingen hier een lied dat begint met “Het voelt goed om op te staan met de ochtendzon” en eindigt met “Het voelt goed om neer te zien op gedane arbeid en te weten dat de toekomst is begonnen” en dat mijn gemoedstoestand perfect samenvat. Ik ben duizenden mijlen van jullie vandaan, ik kan jullie hiervandaan niet bellen, maar meer dan ooit tevoren voel ik mij jullie dochter.

 

 

Fragment uit brief van Phyllis Chaikin aan haar ouders, enkele maanden voordat zij op 18 november 1978 samen met 910 andere volgelingen van sekteleider Jim Jones de dood vond in het afgelegen ‘Jonestown’ in Guyana.

 

- Vader, juist die mensen die zich verzetten tegen de Revolutionaire Zelfmoord omdat ze zichzelf willen redden, zou de vijand het liefst gevangen nemen. Hoewel de sterksten zichzelf zouden doden voordat ze gepakt worden, zouden de rotte appels dat niet doen en doorslaan. We bereiden de mensen voor door de woorden van zelfbewuste revolutionairen, die eerder een dergelijke keus maakten, met luidsprekers te verspreiden.

   De koepel wordt bewaakt door gewapende vertrouwelingen. Daar zullen we bij elkaar komen. In willekeurige volgorde wordt iedereen naar voren geroepen en door een sterke persoonlijkheid naar een plek gebracht om te sterven. Ze worden begeleid door twee gewapende veiligheidsmensen (ik verwacht niet dat mensen hun eigen leven nemen, maar met wat druk en zonder uitweg komt het wel voor elkaar). Ze krijgen een nekschot en als Larry [Dr Larry Schact] denkt dat ze nog niet dood zijn, zal hun keel met een scalpel worden doorgesneden. Ik ben bereid om te assisteren als dat nodig is. Het is wellicht raadzaam de mensen te blinddoeken voor ze worden afgevoerd omdat het bloed en de resten lichaamsdelen op de grond wellicht hun gemoed te sterk zou prikkelen.

  

Fragment uit brief van Phyllis Chaikin aan dominee Jim Jones, kort voor de ‘Jonestown Massacre’.

 

 

 

DE HELLEVEEG VAN BUCHENWALD

De macht van propaganda en massasuggestie …*

 

 

Concentratiekamp Buchenwald (nabij Weimar) werd in 1937 in opdracht van Heinrich Himmler aangelegd en onder bevel van zijn protegé SS-kolonel Karl Otto Koch geplaatst, die er als eerste kampcommandant een mensonterend bewind voerde (in 1941 kreeg hij het commando over het vernietigingskamp Majdanek). Zijn echtgenote Ilse Koch-Köhler staat te boek als een sadistische nymfomane die zich te buiten ging aan demonische praktijken, martelingen en andere wreedheden. Na het vertrek van haar man bleef zij nog een paar jaar in Buchenwald werken als Oberaufseherin.

   Voordat Otto Koch wegens crimineel gedrag (ontvreemding van SS-eigendom en moord van 2 verplegers) ter dood werd veroordeeld en door de SS geëxecuteerd, verbleef Ilse zestien maanden in voorarrest, totdat ze werd vrijgesproken en met haar kinderen introk bij familie in Ludwigsburg. Na de oorlog werd ze voor het Amerikaanse gerecht gedaagd vanwege de aantijging dat ze van de huid van door haarzelf geselecteerde gevangenen lampenkappen, handschoenen, boekenkaften en andere gebruiksartikelen gemaakt zou hebben. Bij gebrek aan tastbaar bewijs werd ze bijna opnieuw vrijgesproken maar onder druk van de publieke opinie door de Duitse justitie uiteindelijk tot levenslang veroordeeld. De doodstraf bleef haar bespaard omdat ze tijdens haar gevangenschap in 1947 zwanger was geraakt.

   Het kind, een jongen, werd direct na de bevalling in een traject van pleeggezinnen geplaatst. Bij toeval ontdekte hij in 1955 zijn ware identiteit en nam de naam van zijn moeder aan. Elf jaar later bezocht Uwe Köhler haar voor de eerste keer en zou dat maandelijks blijven doen. Ze schreven elkaar brieven, hij maakte gedichten voor haar, maar over de oorlog werd niet gerept. In 1971 deed hij een onzekere poging tot rehabilitatie van zijn moeder: “Ze was een del die in sexy ondergoed op haar paard door het overvolle kamp reed en wee degene die haar uitdagende geflirt niet kon weerstaan. Maar met die lampenkappen had ze niets van doen. Ze is het slachtoffer van spookverhalen.”

   Het aangedane leed was echter onuitwisbaar. De vergelding onherroepelijk.

 

 

 

Ik heb ze wel zien kijken, hoor, met die oogjes van ze. Dachten zeker dat ik ze niet in de gaten had, die heisse Schweinhunden! Geef ze eens ongelijk, al ben ik niet meer zo’n lekker mokkel als twintig jaar geleden, hebben ze ook eens een natte droom, ‘k kan er toch niets meer aan doen.

    Otto kon soms ook zo kijken, maar meestal was-ie impotent. Van goude kronen werd-ie geiler dan van mijn natte kut, tot genoegen van z’n maten. Ha, dáár heb ik wat mee afgerammeld. Pal onder z’n ogen, met Hermann en Hermann. Als m’n duifje centjes aan het tellen was, had-ie nergens anders oog voor. Je kan zeggen wat je wil van Hermann, maar zachtzinnig was-ie allerminst, mein Knüppelchen!

    Verlangen te willen bezitten! Geen goud maar vlees en bloed!

    Gisela en Gudrun willen niets meer van me weten.  Artwin is dood. Ik heb alleen nog Uwe, du kleine Schwuchtel, je schrijft zulke lieve briefjes maar ik word er niet nat van. All diese romantischen Worte klingen nur noch lächerlich!

    Oh mein Papa, ik heb me altijd gehouden aan je wijze woorden: “Wees een meisje dat zich niet opzij laat zetten. Grijp elke kans aan die je als vrouw wordt geboden. Zorg dat je erbij hoort.” Misschien heb ik ’t toch verkeerd begrepen?

    Vroeger had Otto meer aandacht voor mij dan voor dat verfluchtes Judenpack. Soms deden we het midden op de dag. Hij vond het heerlijk om met ons naar de beesten te kijken. Gingen we paardrijden met Artwin op schoot. Toen Gudrun doodging was-ie ontroostbaar. Is-ie toen zo veranderd? We hadden het niet slecht maar met al dat joodse geteisem kwam de buit pas echt binnen! Ha, we waren ons eigen koninkrijk. Unsere eigene Finsternis.

    Het verlangen een mens te bezitten.

     Waldemar! Jij was mijn licht in de duisternis. Mijn remedie tegen eenzaamheid. Jij stilde mijn verlangen. Jij, mannelijke man, jij wist wat ik wilde, wat ik zo hard nodig had. Je deed alles wat ik je vroeg. En ik liet je doen wat jij wilde. Ach Waldemar, waar ben je gebleven?

    Wat zijn de mensen toch slecht en gemeen. Dat prachtige mens mocht zich geen dokter meer noemen. En tot overmaat van ramp hebben die inferieure Untermenschen hem opgehangen. Amerikanen noemen zich Christenen maar het zijn allemaal Semieten. Die tafellamp van  Pister hebben ze trouwens ook ingepikt.

   

Daar zijn ze weer, met hun gehijg en geloer. Ze zouden wel willen dat ik de lappen van m’n lijf trek, verfaulte Arslöcher! Daar wisten we in het kamp wel raad mee. Met hun ogen me uitkleden was niet meer nodig toen ik het zelf al gedaan had. Wisten ze niet waar ze kijken moesten maar ze konden hun blikken niet van me afhouden. Mijn tieten zijn nog steeds in trek, zo te zien. Geen wonder, want ik ben  Lysippe, al weet niemand dat.

    Uwe is lief. Hij respecteert mij als een moeder, seine Mutti. Hij wil niet geloven dat zijn moeder nu zelf de gebeten hond is – ach Quatsch; nu zelf? – dat die Christusmoordenaars zijn moeder met stront bekogelen. Hij wil er niet over praten. Scheisse. Eigenlijk heb ik mijn leven aan hem te danken. Zou hij iets gehoord hebben, in mijn buik, bij de tribunaal van Dachau? Mijn uitbarsting? Ik heb weer gedroomd. Op mijn paard reed ik door het kamp, naar het lab. In geen velden of wegen geteisem en ongedierte. Ik vloog vrij op mijn Pegasus recht in de armen van Waldemar. We bedreven de liefde op zijn ontleedtafel terwijl iedereen moest toekijken, staf en verplegers en al het gajes uit onze gevangenis, de ratten en raven, zelfs de uitgemergelde geraamtes in de hoeken van de snijkamer konden hun holle oogkassen niet van ons afhouden.

    Het genot om al die mensen te bezitten.

    Ineens verloren hun blikken de overgave, hun uitdrukking veranderde van onderwerping in afgrijzen. Ik voelde niet langer Waldemars warmte, alleen nog de kilte van al die gezichten. De ontleedtafel werd een podium in een rechtszaal en ik hoorde mezelf schreeuwen:

    “Dit is de hel! Ik ben slecht en pervers! Snij mij aan stukken, gooi me voor verscheurende beesten. Duivels! Duivelse hel!”

    Maar alleen Uwe was er, hij hield mijn hand vast, las voor uit de Bijbel. Toen verscheen God die alles wegvaagde. Ik werd wakker.

    Uwe stond naast m’n brits, samen met een cipier. Kennelijk had ik echt geschreeuwd, maar ze keken niet echt bezorgd.

   

Toen papa en mama naast m’n bed zaten keken die heel anders. In mijn slaap had ik ze wakker geschreeuwd. Mijn nachtmerrie was echt geweest, in de klas, thuis, lang geleden. Ik ben toen niet meer naar school gegaan. Die schofterige joodjes hadden mooi het nakijken.

    Net als bij die boekwinkel. Waren te gierig om me wat te geven, die Juda Geizhälse! Daar hebben onze Reichsgruppen toch maar mooi korte metten mee gemaakt. Dat had papa goed gezien, dat ik bij de partij moest gaan. Jammer dat-ie Otto niet meer meegemaakt heeft, zou hem vast met trots vervuld hebben, z’n dochtertje aan de arm van een kampcommandant.*

    Otto was trouwens een doorgewinterde oplichter, daar heb ik heel wat profijt van gehad. Ik geloof niet dat Eicke er iets van heeft gemerkt dat mijn Butterblümchen damals stelselmatig de boeken vervalste. Allemaal voor mij. Dat-ie met een balletdanser aan de haal ging, de Schwule, dat kwam volgens  Erich door de syfilis, die was in zijn kop geslagen. Echte mannen, als Waldemar en Erich, hadden daar geen last van, die likten alleen aan vrouwen. Als een Koch kon ik ze koud maken maar van Ilse werden ze bloedheet. Das war mal.

    Hier en nu word ik afgebeeld als een boosaardige harpij die zich heeft verlustigd aan het onuitroeibare ongedierte. Mij wordt nu verweten dat ik heb gedaan wat men zelf had willen doen: onkruid verdelgen. Ze hanteren hier liever zelf de flitspuit, afgaand op de razernij die ik opwek, afgaand op hun hypocriete rechtvaardigheidseis, waaraan ik niet voldoe. Ze willen mij laten boeten, willen mij nu bezitten. Een beest noemen ze me. Een heks. Ja, ik ben oud en lelijk, maar het monster dat ze zien zijn ze zelf.

    Oh, het verlangen een mens te bezitten…

    De malende gedachten aan al die onvervulde verlangens, horendol word ik ervan. Die smachtende wolk van behoeftigheid, walgelijk gewoon. Ik moet me niet zo opwinden, dat heeft helemaal geen zin. Spijt? Als ik terug kon gaan in de tijd zou ik het allemaal weer zo doen. Mannen en paarden, apen en ratten, leeuwen en tijgers*, ze aten allemaal uit mijn hand. Iedereen kroop voor me. Ah, om zoveel mensen te bezitten, wie wil dat niet?

   

   Die soldaten in Stuttgart* zagen me ook wel zitten. Al hadden ze thuis in Amerika vrouw en kinderen, wij rijpe Arische Mädel waren niet te versmaden. Ze probeerden elkaar de loef af te steken, wie de meeste meiden versierde. Sommigen deden of het de eerste keer was, de Heuchlerin. Die zwarten hoefde ik niet, er zijn grenzen, maar die Joden, dat was best geil…

    Ik had nooit moeten luisteren naar die witte monnik die ons in Ludwigsburg kwam opzoeken. Zou de kinderen verbinden met hun papa.* Hij was nauwelijks te verstaan ook al was hij geen Jood. Meer een zigeuner – ik had hem wel eens zonder pij willen zien – raadde aan dat ik zou aanpappen, met die Semieten, zou goed zijn voor m’n aura, neuken met die Amerikaanse woestijnnomaden.

    Die hebben me natuurlijk verraden, zo’n Aas ging zelfs met Artwin smoezen, wist dat kind veel, plaatjes kijken in het familiealbum, verdammt noch mal, terwijl ik… Scheisse, daar ben ik stevig ingestonken. Die zigeuner had me lelijk genaaid, natuurlijk was hij geen katholieke trappist geweest maar een semitische spion, en ik een blonde del, mijn kindjes werden weggehaald en mij gooiden ze in het cachot, als een ordinaire Schreckschraube.

    Dat was verschrikkelijk. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Het is het ergste wat er ooit gebeurd is, het verbreken van de bloedband tussen mij en Artwin en Gisele, zoiets kan alleen dat goddeloze Jodentuig bedacht hebben.

    Wat anders was er nog aan troost dan me helemaal te laten gaan en zwanger worden? Fritz was beslist een schat en echt verlieft op mij. Ik vraag me af of Uwe zijn vader ooit ontmoet heeft. Moet ik hem toch eens vragen. Of nee, beter van niet, hij is toch al zo gevoelig, net z’n vader, gaat-ie naar hem op zoek, wil-ie mij nooit meer zien. Hij is de enige die nog om me geeft. Straks is er niemand meer… Oh, nee…

   

Laten ze me dan nooit met rust? Staat er weer zo’n griezel te koekeloeren terwijl ze alleen maar mijn hap moeten brengen. Komt van al die praatjes. Ze denken dat ik een heks ben die alleen kindertjes eet, een vampier die niet onder een deken slaapt maar ondersteboven aan het plafond hangt. Zouden ze dat willen?

    Daar is ook die geestelijke weer. Ik weet niet eens of hij katholiek of protestant is. Maar hij leest voor uit de Bijbel, denkt dat ik een heiden ben die hij moet bekeren, of, erger nog, een duivel die hij moet bezweren. Ik heb hem al eens doen verbleken door mijn kleren uit te trekken. Maar hij is gebleven, ja, geen wonder, het is wel vijftien jaar geleden, toen had ik nog seks appeal. Misschien zou ik nu nog eens…

    Maar dat kan ik Uwe toch niet aandoen, dat z’n moeder de verlepte hoer uithangt omdat ze denkt dat zo’n priester, of wat hij ook is, in haar een lekker hapje ziet. Ik kan Uwe toch niet laten denken dat z’n moeder helemaal seniel is.

    Het is al erg genoeg wat hij van iedereen te horen krijgt. Het is al erg genoeg wat hij van mij moet vinden. Ik ben z’n moeder nooit geweest.

    Ik zou dat uitschot wel de waarheid willen zeggen. Maar ze zullen zeggen dat ik lieg.

    Ze zullen Uwe zeggen dat z’n moeder liegt.

    Dat z’n moeder een vuile leugenaar is, een moordenaar, een perverse nymfomane, een sadistische, hysterische, machtswellustige demon.

    Arme jongen… <

  

 

 

 

 

 

Aan elk leven komt een einde. Geen leven zonder dood. De tijd houdt eventjes de adem in … tikt dan brutaal verder. Onverstoorbaar, als altijd.

   Tijdens haar gevangenschap maakte Ilse Koch op 1 september 1967 een einde aan haar leven door zich met behulp van het bedlinnen in haar cel op te hangen. In haar afscheidsbrief aan Uwe schreef ze: "Ik kan niet anders. De dood is de enige verlossing."

   Als de Witte Monnik haar niet op het boemelspoor had gezet van de bluffende Amerikaans-Joodse soldatenjongens was ze wellicht de dans ontsprongen. Hoe kwam die Amerikaanse officier trouwens aan haar familiealbum? Had de zevenjarige Artwin hem dat uit eigen beweging gegeven, daar in Ludwigsburg? Zulke gedetailleerde informatie is te vinden in Ordinary Women: Female Perpetrators of the Nazi Final Solution van Haley Wodenshek (Trinity College): https://digitalrepository.trincoll.edu/theses/522/ 

   

  

In Buchenwald had Ilse Koch zich aan de zijde van haar mannelijke partner(s) doen gelden als een in de ogen van het nazi-regime voorbeeldige Oberaufseherin, die niet terugdeinsde voor het aanschouwen en zelf uitvoeren van martelpraktijken en doodslag. Dat ze niet ter dood werd veroordeeld heeft ze te dan-ken aan haar vrouwelijke uitstraling tijdens haar rechtszaak in Dachau, 1947.

   Het verhaal gaat dat Ilse Koch één van de Gorgoonse Zusters* was, nazi-meiden als Erna Petri, Liesel Wilhaus en Gertrude Segel, die hun SS-echtgenoten in wreedheid soms evenaarden. Deze vrijgevochten furiën waren toonbeelden van seksuele emancipatie zonder veel algemene en morele kennis. De geperverteerde context waarin zij zich ontwikkelden is altijd onder ons en kan zo weer boven komen drijven. Wereldwijd zit de samenleving nog bomvol testosteron, zonder voldoende X-chromosomaal tegenwicht.

   Wellicht is het aan een meer ontwikkeld vrouwenbrein om te bepalen wat de toekomst brengen zal.

 

 

 

De loop van de geschiedenis wordt bepaald door massale sterfte. Door extreme droogte of gemene ziektes. Maar vooral ook door elkaar af te maken. Doelbewuste uitroeiing, verbrandingsovens, genocide… Zijn het de overlevenden of de gedachten aan de doden, die ons leiden naar een posthumane toekomst?

 


Nederlandstalige bronnen

Michel Cimes. Hippocrates in de hel. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2016

Christopher Decorse. Doodgewone mannen. Singel Uitgevers, 1993

Ad van Liempt & Jan Kompagnie. Jodenjacht. Balans, 2013

Wendy Lower. Hitlers furiën. Spectrum, 2015

 

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/gij-zult-gehoorzamen/

https://historiek.net/ilse-koch-heks-van-buchenwald/72179/

https://www.strijdbewijs.nl/kamp/buchenwald.htm

 

 

De macht van propaganda en massasuggestie is nooit beter geïllustreerd dan in de zaak tegen Ilse Koch komt uit de conclusie van het strafherzieningsrapport van generaal Lucius Clay, de militaire gouverneur in de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland, 1948

Het leven van Koch wordt beschreven in https://www.tracesofwar.nl/persons/72353/Koch-Karl-Otto.htm
Hermann Florstedt was Kochs rechterhand in 1939 en SS-Hauptsturmführer Hermann Hackmann was een sadistische hoofdofficier in Buchenwald. Florstedt werd wegens corruptie door de SS ter dood veroordeeld en in 1945 terechtgesteld. Hackmann werd als oorlogsmisdadiger tot levenslang veroordeeld en kwam in 1955 vrij. Later belandde hij opnieuw in de gevangenis
In Buchenwald kreeg Ilse drie kinderen. De oudste, Artwin, pleegde na de oorlog zelfmoord. Gudrun was al in Buchenwald overleden en Gisela wilde na de oorlog niets meer met haar moeder te maken hebben
Waldemar Hoven was in de tweede wereldoorlog kamparts in Buchenwald. Hij werd vanwege zijn misdaden tegen de menselijkheid ter dood veroordeeld en in 1948 terechtgesteld
Eind 1941 werd Karl Otto Koch – die benoemd was kampcommandant van Majdanek en zonder zijn vrouw naar Lublin was afgereisd – opgevolgd door Hermann Pister. Deze had op zijn bureau een tafellamp staan met een kap die gemaakt was van geprepareerde mensenhuid en voorzien van een indrukwekkende tattoo. De lamp verdween in 1945 en kon dus niet gebruikt worden als bewijsmateriaal in het proces tegen Ilse Koch

Lysippe (zij die de paarden loslaat) was koningin van de Amazonen en reed ten strijde met ontblote borsten

Na een onbezoldigd baantje bij een boekwinkel werkte ze als stenotypiste bij verschillende bedrijven alvorens te profiteren van het Reinhardt-programma (werkeloosheidsverminderingswet en belastingaanpassingswet) en als betrokken partijlid in 1934 een aanstelling kreeg in het concentratiekamp Sachsenhausen waar ze Karl-Otto Koch voor het eerst ontmoette. Koch was kampcommandant toen ze in mei 1937 trouwden. In augustus verhuisden ze naar Buchenwald waar ze zich vestigden in Villa Koch
Theodor Eicke was oprichter van de SS-Totenkopfverbände en Inspector der Konzentrationslager. Als kampcommandant van Dachau, was hij rolmodel voor Karl-Otto Koch die in 1935 zijn adjudant was. Tijdens de ‘nacht van de lange messen’ volgde Koch blindelings zijn bevelen op inzake diverse executies
Dr Ehrich Wagner was kamparts in Buchenwald waar hij tatoeages van gevangen bestudeerde en er een dissertatie over schreef: http://www.usmbooks.com/nazi_SS_doctor.html. Na de oorlog dook hij onder en werd pas in 1958 gearresteerd. Kort daarna pleegde hij zelfmoord
In 1938 liet Koch op verzoek van zijn vrouw een dierentuin en een manege door de gevangenen aanleggen. De dieren kregen goed te eten, in tegenstelling tot de hongerende gevangenen die ze moesten verzorgen
Na de ter dood veroordeling van haar echtgenoot verliet Ilse Buchenwald en betrok met haar kinderen in 1944 een woning in een voorstadje van Stuttgart waar het Amerikaanse bevrijdingsleger was neergestreken
In nazikringen waren seances heel gewoon. Voor het zielenheil van de kinderen was het niet ongebruikelijk dat alleenstaande moeders werden benaderd door spirituele media om contact te leggen met de overleden vader. Overigens was Karl-Otto Koch inderdaad een paar maanden eerder, op 3 april 1945, geëxecuteerd. Het anti-intellectuele gedachtengoed van de SS werd gekenmerkt door occulte ideeën over ras, bloed en geest, de vereniging van het materiële en het mystieke. Zie ook: Eric Kurlander, Hitler’s Monsters, Yale University Press, 2017.
Fritz Schaeffer was een medegevangene in Flossenberg van wie Ilse in 1946 zwanger werd. Toen ze een half jaar later met een dikke buik voor de rechtbank verscheen, werkte dat in haar voordeel. Toen het kind, Uwe, in de gevangenis werd geboren, werd het onmiddellijk bij haar weggehaald en in een pleeggezin geplaatst. Tot verbittering van de moeder.
Met de Gorgonen doelt men in de Griekse mythologie op een stel dochters van een paar monsterlijke zeegoden. Ze droegen slangen als hoofdtooi en konden mensen met één blik in steen veranderden. Het bekendst werd Medusa, nadat haar hoofd op listige wijze door Perseus werd afgehakt (zonder haar meedogenloze oogopslag te verliezen, waarmee ze ook na decapitatie nog iemand kon petrificeren).
Transhumanisme en posthumanisme, voorbij de mens via techniek. Een reflectie op onze technologische toekomst

Pieter Lemmens 

Universiteit van Wageningen

Centrum voor Methodische Ethiek en Technology Assessment

 

Inleiding

De alsmaar versnellende ontwikkelingen in nieuwe technologieën als de biotechnologie, de neurotechnologie, de nanotechnologie, de kunstmatige intelligentie en de informatieen communicatietechnologie – allemaal technologieën die op de een of andere wijze ook, of zelfs in het bijzonder, van toepassing (zullen) zijn op de mens zelf – hebben in de afgelopen jaren bij een groot aantal denkers, vooral aan de overzijde van de oceaan, de idee doen postvatten dat we aan de vooravond staan van een geheel nieuw tijdperk, waarin de mens zichzelf via technologie zal overstijgen naar iets dat voorbij de mens zal liggen, voorbij de mens in elk geval zoals we die nu kennen. De tijd van de ‘oude’ mens is in principe ten einde zo wordt met veel fanfare verkondigd. De nieuwe technologieën dragen immers de belofte in zich van een nieuwe mens, een technologisch opgewaardeerde mens die zich op den duur definitief zal verlossen van de gebreken en de beperkingen die de oude – ‘natuurlijke’- mens eeuwig plaagden.

   Dat lijkt althans de overtuiging van de zogenaamde transhumanisten, naar verluidt een snel groeiende globale beweging van enthousiaste futurofielen die ruim baan wil geven aan technowetenschappelijk onderzoek ten behoeve van wat men human enhancement noemt, de verbetering – de ‘opwaardering’ - van de mens via technologie. Ook de beweging van de extropianen, die nauw verwant is aan die van de transhumanisten, maakt zich sterk voor technologische upgrading van de mens teneinde het traditionele mens-zijn te overstijgen naar iets wat veel beter en fantastischer zal zijn. Ook zij hebben de mond vol van redesigning, reprogramming en reconfiguring van de menselijke conditie.

   Volgens Max More, de hyperambitieuze directeur van het in Californië gebaseerde Extropy Institute, is het tijd dat de mens zichzelf bevrijdt uit de wieg van moeder natuur en zijn evolutie in eigen hand gaat nemen. De mens van de toekomst zal ziekte, ouderdom en dood niet langer hoeven te tolereren, hij zal zijn perceptuele en cognitieve vermogens uitbreiden en permanent verbeteren, hij zal zijn intelligentie en geheugen opvoeren, zich verlossen van zijn slavernij aan de ‘zelfzuchtige genen’ die hem hebben gemaakt en door herprogrammering van zijn genetische programma controle krijgen over de biologische en neurologische processen die hem bepalen. Hij zal als zodanig zijn emotionele en motivationele patronen kunnen herontwerpen en hij zal ook steeds meer - en steeds geavanceerdere - technologieën integreren in zijn biologische constitutie, om uiteindelijk de menselijke conditie geheel te overwinnen en een ‘ultramenselijke conditie’ te realiseren die een samenleving beloofd van ongekende rijkdom, excellence, vrijheid en innovativiteit.

 

The posthuman condition en de informatisering van de werkelijkheid

Naast transhumanisme, ultrahumanisme en extropianisme hoort men tegenwoordig ook vaak de term posthumanisme, waarmee in het algemeen wordt gedoeld op het besef dat de menselijke conditie door technologisering zodanig is veranderd dat we nu reeds voorbij zijn aan de mens en dat de klassieke humanistische opvattingen van de mens dan ook niet langer als leidraad kunnen dienen voor ons zelfbegrip en de wijze waarop 2 we ons tot onszelf moeten verhouden. Hoewel posthumanisme en transhumanisme soms als synoniemen worden gebruikt, lijkt het erop dat transhumanisten de technologische opwaardering van de mens zonder meer toejuichen en op vrij naïeve wijze overoptimistisch zijn ten aanzien van de mogelijkheden van human enhancement, terwijl auteurs die zich identificeren met het posthumanisme over het algemeen veel sceptischer (maar zeker niet afwijzend) staan ten aanzien van dergelijke mogelijkheden en veel eerder geneigd zijn om de zogenaamde ‘posthuman condition’ juist te problematiseren en de veelal naïeve vooronderstellingen van de transhumanistische maakbaarheidsideologie juist kritisch onder de loep te nemen.

   Maar wie of wat is nu die posthuman, die ‘postmens’ die we volgens velen al lang en breed zijn, of we dat nu al van onszelf weten of niet? Volgens een gezaghebbende studie van de Amerikaanse literatuurcritica Katherine Hayles, getiteld How We Became Posthuman? Virtual Bodies in Cybernetics, Literature, and Informatics (1999) zijn we het posthumanistische tijdperk binnengetreden sinds de cybernetica ons voorhoudt dat er op het meest fundamentele niveau geen wezenlijk verschil is tussen een mens en een machine ofwel meer in het algemeen tussen levende wezens en machines. De machines op grond waarvan cybernetici als Norbert Wiener, Warren McCulloch, Claude Shannon, Warren Weaver en John van Neumann eind jaren veertig van de vorige eeuw tot een dergelijke opvatting kwamen waren niet de aloude mechanische en thermodynamische machines van het eerste industriële tijdperk maar de nieuwe ‘denkmachines’ zoals ze destijds werden genoemd, de informatieverwerkende machines die we nu computers noemen. De essentie van computers als denkmachines zit hem niet in het mechanische noch in het energetische maar in hun informationele karakter. Informatie is de nu alomtegenwoordig gebruikte term waarmee de cybernetici van toen aangaven dat zuiver materiële objecten zoals computers desalniettemin – zij het tot dan toe slechts zeer eenvoudige – denkoperaties konden uitvoeren. Informatie was voor hen als het ware gematerialiseerde subjectiviteit of reflexiviteit. Deze gedachte is al snel overgenomen door moleculair biologen, die sindsdien zijn beginnen te spreken over informatie in de genen en levende organismen zijn gaan begrijpen als de output van een genetisch programma. De essentie van het leven, maar ook van het denken, wordt sindsdien gezocht in de informatie in de genen ofwel in de neurale netwerken van het brein.

   Typisch voor het posthumanisme is dat ze de natuur begrijpt in termen van informatie. Bovendien, en dat is volgens Hayles het meest typerende van de post- en transhumanistische mindset, wordt die informatie beschouwd als iets dat los kan bestaan van de materie en het lichaam, dat onafhankelijk is van het medium waarin het ‘incarneert’ of ‘tot expressie komt’. Zo maakt het in principe niet uit of biologische informatie nu in een cel (in vivo), in een reageerbuis (in vitro) of in een computer (in silico) voorkomt. Het is neutraal ten opzichte van deze media. Dat betekent dat informatie gezien wordt als een soort van immateriële entiteit die vrij kan bewegen tussen biologische (carbon-based) en niet-biologische (silicon-based) componenten zodat biosystemen en computersystemen als het ware naadloos in elkaar kunnen overvloeien en als één enkel systeem kunnen functioneren. Dit laatste is precies de idee van de cyborg ofwel het cybernetic organism, een wezen dat half mens half machine is, een mix van vlees, staal en silicium, communicerend via dezelfde informatie.

   In de posthumanistische opvatting is informatie het enige werkelijk essentiële van het leven: het leven is slechts bytes en bytes en bytes aan digitale informatie, zoals de populaire Britse bioloog Richard Dawkins ooit schreef. Het lichaam – het fenotype - is slechts de toevallige – en vrijelijk manipuleerbare - materiële expressie van die 3 informatie. Er bestaat voor de post- en transhumanist ook geen absoluut onderscheid tussen een biologisch organisme en een cybernetisch mechanisme. Evenmin wordt er nog een wezenlijk onderscheid gemaakt tussen het lichamelijk/belichaamd bestaan in de ‘echte’ werkelijkheid en een gesimuleerd bestaan in een virtuele werkelijkheid (bijvoorbeeld het RAM-geheugen van een computer). Volgens de Amerikaanse roboticus en transhumanist van het eerste uur Hans Moravec en diens collega Ray Kurzweil (beide werkzaam aan MIT) wordt het in de toekomst mogelijk ons bewustzijn te downloaden in een computer. Waar we vervolgens verder kunnen ‘leven’ en allerlei spannende avonturen beleven als datastructuren in een virtuele ruimte, zoals in de films Tron, The Lawnmower Man en Johnny Mnemonic of in de Matrix uit de roman Neuromancer van William Gibson (en de daarop geïnspireerde film met dezelfde titel van de Wachowski brothers). Als onze essentie niets anders is dan informatie, dan moet het ook mogelijk zijn om onszelf te laten teleporteren, zoals in Star Trek - ‘beam me up Scotty’ - of onszelf opnieuw te ontwerpen in een computer door onze genetische code te reprogrammeren en het resultaat te incorporeren in het lichaam: ‘change the code and you change the body’ (Eugene Thacker).

   Hoewel er vele problemen kleven aan de informationele opvatting van het leven zoals de posthumanisten het zich voorstellen en hoewel ons lichaam zich ongetwijfeld zal blijven verzetten tegen zijn totale informatisering en digitalisering, kunnen we er van uitgaan dat we in de toekomst steeds meer met onze technieken zullen hybridiseren, of we nu allemaal cyborgs zullen worden of niet. En aangezien de wetenschap steeds meer greep krijgt op de mens, steeds operatiever wordt, zullen science en science fiction ook steeds dichter bij elkaar komen. De huidige life sciences zijn feitelijk al science fiction, omdat het er al lang niet meer om gaat de werkelijkheid te kennen en te beschrijven maar om nieuwe werkelijkheden te creëren, en dat zijn producten van de verbeelding.

 

De technowetenschappelijke revolutie en het primaat van de mogelijkheid

De eigenlijke oorzaak achter deze ontwikkeling is gelegen in wat de Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler de ‘technowetenschappelijke omwenteling’ noemt, een omwenteling die het proces van permanente innovatie in gang heeft gezet waaraan onze postmoderne samenlevingen meer en meer zijn onderworpen en waarvan we de alsmaar toenemende tempoversnelling dagelijks kunnen ervaren. De kern van die technowetenschappelijke omwenteling bestaat in een radicale transformatie van de relatie tussen wetenschap en techniek, tussen wat de oude Grieken aanduidden met de termen episteme en techne. Vanaf de Griekse oorsprong van onze cultuur tot aan het einde van de achttiende eeuw stonden wetenschap en techniek relatief onafhankelijk tegenover elkaar en worden ze nooit samengebracht. Dit verandert vrij plotseling met de Industriële Revolutie, en wel vanaf het moment waarop – voor het eerst toegepast op de stoommachine in Engeland door James Watt en Matthew Boulton– wetenschap en techniek een alliantie aangaan een daarmee de weg openleggen naar datgene wat wij tegenwoordig de technowetenschappen noemen, waarvan de huidige biotechnologie en nanotechnologie de meest recente uitlopers zijn.

   Het waarlijk revolutionaire aan de Industriële Revolutie zit hem hierin dat er vanaf dat moment dankzij het duurzame samengaan van wetenschap en techniek – meer precies geformuleerd: door het in dienst nemen van de wetenschap door de techniek (die een creatieve kracht is!) - een radicale omwenteling plaatsvindt in de verhouding tussen het contingente (voorheen het domein van de techniek) en het noodzakelijke (voorheen het domein van de wetenschap), en dat wil tegelijkertijd zeggen in de verhouding tussen het werkelijke en het mogelijke. Het huwelijk tussen wetenschap en 4 techniek in de technowetenschappen bewerkstelligt niets minder dan een omwenteling van de orde van de dingen zelf, een fundamentele mutatie in het zijn van de dingen, wat filosofen een ontologische revolutie noemen. Deze houdt in dit geval feitelijk in dat de werkelijkheid ten gunste van de mogelijkheid naar het tweede plan verschuift. Aangedreven door het kapitaal wordt het technowetenschappelijk onderzoek tegenwoordig gedwongen om steeds weer – en steeds meer - nieuwe mogelijkheden te ontsluiten en dit heeft tot gevolg dat de toekomst in toenemende mate wordt opengelegd – in de zin van: ‘gepossibiliseerd’ (en tevens gepotentialiseerd) - als ruimte voor technowetenschappelijke experimenten. De hedendaagse technowetenschappen zijn niet meer zozeer – hooguit nog als bijzaak – geïnteresseerd in een beschrijving van de (fysieke, biologische, neurologische, etc.) werkelijkheid, maar vooral in het exploreren en realiseren van nieuwe mogelijkheden. Ze zijn niet meer zozeer uit op het kennen en verklaren van de werkelijkheid maar op de manipulatie en transformatie ervan, dat wil zeggen op het scheppen van nieuwe werkelijkheden. De alledaagse leefwereld is in onze tijd bijgevolg langzaam maar zeker veranderd in een permanent laboratorium.

   Het mogelijke emancipeert zich dankzij de technowetenschappen als het ware van het werkelijke en wordt zelf het ‘fundamentele’, terwijl het werkelijke – dat vroeger altijd de maat stelde voor het mogelijke - degradeert tot een voorlopige configuratie van het mogelijke en fungeert steeds meer als permanent veranderende bron van nieuwe mogelijkheden. Het werkelijke wordt begrepen als de voortdurende wording van het mogelijke, dat zelf niet meer gegrond is in het werkelijke maar dat zich voordoet als de onuitputtelijke bron van het nieuwe, een bron die vanuit ons vroegere begrip van de wereld alleen maar begrepen kan worden als een niets. Dit niets is echter een onuitputtelijk nihil originarium. Zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk schrijft in verband met de technologische revolutie van de moderne tijd: ‘De kracht van de permanente moderniteit bestaat in de onmogelijkheid, het niets uit te putten’.

 

De toekomst als science fiction

De toekomst van de mens, dat is evident, zal geen andere zijn dan die van de techniek, van de artefacten. Hiertoe zullen in de nabije, biotechnologische toekomst ook steeds meer levende artefacten gaan behoren. Vooral op het terrein van de bio- en de nanotechnologie zal die groeiende ‘artificialiteit’ van de werkelijkheid ons met uitdagingen confronteren waarvoor alle traditionele denkkaders volledig ontoereikend zijn. Het is hier dat het eigenlijk revolutionaire karakter van de in de negentiende eeuw in gang gezette Industriële Revolutie pas echt pregnant wordt. Met de komst van deze zogenoemde ‘transformationele technologieën’ (Stiegler) zijn namelijk niets minder dan de condities waaronder de werkelijkheid verandert zelf veranderd (lees: het leven en ook de materialiteit zelf zijn in principe ‘maakbaar’ geworden nu we de modus operandi ervan hebben blootgelegd).

   Technoscience is hedendendage feitelijk technoscience-fiction geworden. En het is precies ten aanzien van de technowetenschappelijke ficties – ficties die meer en meer werkelijkheid worden – dat het traditionele denken volledig tekortschiet. Waar we in de technowetenschappelijke toekomst steeds meer mee te maken zullen krijgen is de vraag welke van die ficties we in ons leven en samenleven willen toelaten en welke niet, of anders gezegd: met de noodzaak om tot oordelen te komen over deze ‘ficties-diewerkelijkheid- worden’, zonder dat er criteria bestaan waarop we deze oordelen zouden kunnen baseren. De huidige biotechnologie bijvoorbeeld, zoals vele techniekfilosofen op het moment benadrukken, is in toenemende mate technoscience-fiction. Denk aan de 5 productie en reproductie van artificiële genomen, transgene organismen, chimeren, etc. Ook de huidige bio-industrie is een industrie waarin op grote schaal ficties worden gereproduceerd, fictieve reproducties die niet gegrond zijn in God noch in ‘de natuur’ maar letterlijk gebaseerd zijn op niets.

   De vraag waarmee de technowetenschappen ons steeds nadrukkelijker confronteren, en dit geldt natuurlijk in het bijzonder voor de human engineering technologieën waar de transhumanisten en extropianen hun hoop op hebben gevestigd, is: wat willen we eigenlijk? Hoe meer ons vermogen groeit om nieuwe werkelijkheden te scheppen, en hoe ‘mogelijker’ onze wereld wordt, hoe dringender we met deze vraag geconfronteerd zullen worden. De technowetenschappelijke toekomst is een toekomst van mogelijkheden, dat wil zeggen een toekomst van uitvindingen en van de mogelijkheden om deze uitvindingen in onze levens te integreren. Het beslissen over deze toekomst vereist criteria maar juist deze ontbreken. Er is behoefte, bijvoorbeeld, aan criteria ter beoordeling van de reële ficties (e.g. transgene organismen) die de biotechnologie steeds meer zal creëren en die onze wereld steeds meer zullen gaan bevolken. Vooral met betrekking tot het leven, waarvan de evolutie in het biotechnologisch tijdperk op revolutionaire voortgezet zal kunnen worden met andere, technische middelen, dringt zich daarmee de noodzaak op van een nieuw kritisch bewustzijn, zoals Stiegler stelt, een bewustzijn dat zich bezint op de consequenties van de technowetenschappelijke revolutie en die deze uitdrukkelijk probeert toe te eigen en er rekenschap van af te leggen.

   Hoe zal de toekomstige posthuman er uit gaan zien? Daar kunnen we uiteraard alleen maar over speculeren. Maar de vraag ligt er: wat voor mensen willen we zijn, en in wat voor wereld willen we leven in de toekomst, nu onze macht om onszelf en de wereld om ons heen radicaal te veranderen groter is geworden dan ooit? Het gaat hier fundamenteel om het kiezen tussen mogelijkheden, om het mogelijke en niet om het werkelijke. De technowetenschappen zelf kunnen ons op de vraag wie we willen zijn in de toekomst geen antwoord geven. Dat antwoord zal moeten komen uit onszelf, dat wil zeggen uit ons verlangen en uit onze verbeelding. De toekomst is dan ook aan de verbeelding, veel eerder nog dan aan de techniek want de technowetenschappelijke ontwikkeling kan slechts op vruchtbare en zinvolle wijze worden voortgezet wanneer ze gedragen wordt door het verlangen van de mensen die haar in gang houden. De eerste voorwaarde is dus niet: meer techniek, maar een project, dat wil zeggen een idee ofwel een ideaal voor een toekomst waar we – zowel individueel als collectief - naar kunnen verlangen. Het spreekt voor zich dat hier een grote taak ligt voor de kunst.

 

Pieter Lemmens, Februari 2009

 

                                                                                                                                                                                       Andres Serrano, Mortuarium, 1992