HET LEZEN VAN MAG 6 NEEMT MEER TIJD DAN WAT GELD OVERMAKEN NAAR EEN GOED DOEL

Humanistisch Verbond:    NL68 INGB 0000 0061 68        www.humanistischverbond.nl

 De lange teksten komen op een niet te klein scherm het best tot hun recht 
 

 

De precisie van de SLINGER

en compactheid van de VEER

 

 

In een ONRUST of BALANS gecombineerd

 

 

L & B: BOM             BRAZILIAANSE PLOFTOR

 

Insectenkenners hebben in Zuid Amerika een kevertje ontdekt dat dezelfde kenmerken vertoont als sommige statenvormende mieren en termieten. De suggestie dat er ook kolonievormende kevers bestaan, is in kringen van evolutiebiologen ingeslagen als een bom.

 

In het stroomgebied van de Amazone wemelt het van de onontdekte insecten, zodat heel wat entomologische expedities naar dit gebied worden ondernomen. Onderzoekers van de Universiteit van São Paulo hebben langs de oevers van de Tapajos rivier tientallen nieuwe soorten verzameld en beschreven. Een nieuwe keversoort, met de naam Necrophorus pipocaris, trekt in het bijzonder de aandacht. Niet vanwege een spectaculair uiterlijk maar omdat sommige exemplaren, anders dan bij de bombardeerkevers (Brachinini), aanzienlijk groter zijn dan hun soortgenoten. Bovendien blijken deze reuzen in groei toe te nemen, totdat de harde buitenkant – het exoskelet – openscheurt en de dieren met een knalletje een natuurlijke dood sterven.

   Leider van het onderzoeksteam, de ecoloog Javier Juncker, moest onmiddellijk denken aan de statenvormende mieren- en termietensoorten, waarvan sommige leden zichzelf kunnen opblazen. Hoewel zijn hypothese door veldonderzoek (nog) niet is bevestigd, wijst Juncker op een aantal opmerkelijke overeenkomsten met sociaallevende insecten. Het Entomologisch Instituut van São Pao heeft vastgesteld dat de knalkevers geïnfecteerd zijn met een bacterie die veel voorkomt bij vliesvleugeligen (o.a. mieren en bijen). Daardoor vormen de grote exemplaren aan de binnenzijde van hun exoskelet hoge concentraties van een eiwit dat afwezig is in de kleinere dieren. Als het skelet openscheurt, komt het eiwit vrij en in contact met speeksel van bijvoorbeeld vogels ontstaat een bijtende kleefachtige stof. Dit bacteriële ontploffingsmechanisme (bom) lijkt sterk op het verdedigingsmechanisme van Neocapritermes taracua, een Zuid-Amerikaanse termietensoort.

   Tot nu toe heeft men geen genetische homogeniteit kunnen vaststellen zoals in de kolonies van sociale insecten. Daarom houdt men ook andere hypotheses achter de hand. Het consumeren van de ploftorren zou wellicht een schrikreactie teweegbrengen bij natuurlijke vijanden. N. pipocaris valt echter niet op door alarmerende kleuren, zoals bij dit type mimicry gebruikelijk is. De larven leven in kadavers en de volwassen dieren zien er onopvallend uit, afgezien van hun sporadische reuzengroei.

   En dan is er nog het mysterie van de sekse. De sambaknallers die men tot nu toe verzameld heeft, zijn steeds van het mannelijk geslacht. Wellicht heeft reuzengroei iets te maken met mannelijk imponeergedrag. Het team van Dr. Juncker heeft voorlopig genoeg vragen waarop men het antwoord nog schuldig is.   

 

El Instituto 12        PRIJSVOGELS

 

 

Het uitzicht was opzienbarend. Uitgeput als ze waren, vervulde het panorama hen met voldoening. De helling beneden hen was, net als in de richting vanwaar ze gekomen waren, begroeid met het weelderige oerbos dat voor hen geen geheimen meer had. In het zuiden waren open plekken te onderscheiden, waar, tussen de bebouwde akkertjes, eenvoudige huisjes stonden. Agricultuur. Aan de andere kant, in het noorden, vielen vooral de brede waterstromen op. En recht voor hen, in de verte: de haven. Handelsverkeer. Krijgsverrichtingen ongetwijfeld. Ze waren weer in de ‘beschaafde’ wereld.

   Er lagen wel honderd schepen op de rede. Hiervandaan was het niet te zien maar Theodoor wist dat de meeste onder Spaanse vlag voeren. Mogelijk lag er een verlaten Portugees of Fransoos, misschien zelfs een vliegende Hollander, van de oorspronkelijke bemanning zou niemand over zijn. Iedereen afgeslacht, overboord gesprongen en verdronken of ze hadden hun afkomst verloochend en waren Spanjaard geworden.

   Dagenlang hadden ze geklommen. Eigenlijk al veel langer. Vanaf het moment dat ze de boten hadden verlaten en te voet verder waren gegaan, had het pad omhoog geleid. Bij wijze van spreken, van een echt pad was natuurlijk geen sprake geweest. Vaak hadden ze moeten klauteren over kale rotsen, tussen cactusbomen door, langs ijskoude beken. Soms moesten ze door poelen waden en zich moeizaam een weg banen door weerspannig struikgewas. Telkens als ze weer een top hadden bereikt, hadden ze teleurgesteld moeten constateren dat na een lichte daling het pad verderop weer omhoog ging, dat het uitzicht uitsluitend uit begroeide en kale hellingen bestond. En lucht.

   De lucht was aanvankelijk tropisch warm geweest, maar naarmate ze verder klommen, nam de temperatuur af. Ze kregen meer last van de wind. Wat eerst aangename verkoeling had gebracht, veranderde allengs in een ijzige gesel. De hinderlijk dichte vegetatie die ze weken geleden achter zich hadden gelaten, de moeraskrochten en regenwoudzalen, afwisselend – dat wel – maar altijd behangen met hetzelfde verstikkende bladerdek, dat adembenemende regenwoud waaraan geen eind leek te komen, werd allengs node gemist in hun speurtocht naar beschutting. De beste manier om warm te blijven, was flink doorklimmen. Maar er moest ook worden gerust dus waren ze voortdurend alert op steenstapelingen en spleten die niet alleen de doortocht bemoeilijkte maar ook bescherming kon bieden tegen de wind.

 

 

 

De oorspronkelijke bemanningsleden van de Conceptión, die vanuit het kampement aan de Amazonedelta de rivier waren opgeroeid, had Theodoor bijna allemaal uit het oog verloren. Ze waren nog met zijn drieën. Hij keek neer op de zwarte kruinen van de indianen, althans, van de twee die nog over waren, Pablo en die doofstomme. De derde van die platneuzen, waarvan hij de naam ook niet meer wist, was in een dorpje onderweg achtergebleven. Uit vrije wil, omdat hij zijn hart verloren had aan een plaatselijke schone. Daarna als gevangene omdat hij in zijn ongeduld te handtastelijk was geweest, een daad die was veroorzaakt door langdurige onthouding en kwijnende fatsoensnormen. En tenslotte onder de grond, omdat hij ter dood was veroordeeld en onthoofd.

   De laatste dode.

   Archibald was, lang daarvoor al, het eerste slachtoffer geweest. Kort nadat ze in de lange kano’s stroomopwaarts de Amazone waren opgevaren.

   Na hun overhaaste afscheid van de Franse latrines – of wat daar voor doorging – had de neurotische dekmatroos het genot ontdekt om zijn benen in het reinigende rivierwater te laten bungelen. Intens genietend van deze zowel zuiverende als verkoelende weldaad, had hij de schichtige vingerwijzingen van de Arowakse roeiers genegeerd.

   Plotseling was hij verdwenen.

   Het duurde zeker een paar seconden voordat Jacco, die naast hem had gezeten, zijn maat miste. En het duurde wel tien seconden voordat de rest van de inzittenden in de boot begrepen wat er gebeurd was: Archibald overboord.

   In het water was alles rustig, geen spoor van de drenkeling. Totdat met grote heftigheid een waterzuil omhoog spoot. Het leek of Archibald een boomstam omklemde die vanuit de diepte door het oppervlak stootte.

   Terwijl hij in Archibalds grijze ogen keek die hem alarmerend aanstaarden, bedacht Theodoor dat een boomstam nou eenmaal lichter is dan water dus dat de drenkeling niets te duchten had. Later had hij zich vaak afgevraagd waarom hij op dat moment aan het drijfvermogen van hout had moeten denken. Hij was zonder verdere aarzeling de rivier ingesprongen om Archibald aan boord te helpen, maar als hij de volwassen brilkaaiman niet voor een boomstam had aangezien, had hem dat wellicht weerhouden. En had het slachtoffer wellicht minder lang hoeven lijden.

   De krokodil had Archibald weliswaar losgelaten, toch was dat vooral geweest om de stukken vlees die het beest uit de zeemansbenen had gescheurd vast te verorberen alvorens aan het hoofdgerecht te beginnen. Dat was echter door Theodoors ingrijpen buiten bereik van het monster de boot ingetrokken en ontnam de toeschouwers een moment hun geloof in de Goede God. 

   De wonden waren vreselijk. Het onmenselijk gegrom tussen Archibalds opeengeklemde kaken was ijzingwekkend. Zijn herstel onwaarschijnlijk.

   De bloedstralen namen af toen de bovenbenen met riemen werden afgesnoerd. Het gekerm duurde voort. De echo weerklonk nog na in Theodoors brein.

   Ondanks tegenwerpingen van de Arowakken – die Roodreus, zoals ze Archibald hadden genoemd, allang hadden opgegeven – had Theodoor het bevel gegeven om naar het dichtstbijzijnde dorp aan de oever te peddelen. Hij had zich de woorden van de scheepsarts op de Conceptión herinnerd: hoewel Van den Berghe de indianen maar een inferieur mensenras vond, had hij hoog opgegeven van hun kennis van geneeskrachtige kruiden (net als beesten die wisten wat goed voor ze was). In het dorp woonde wellicht een wonderdokter die Archibald nog kon oplappen. 

 

Nadat ze onder grote belangstelling van een bond uitgedoste menigte bij het eerstvolgende dorp aan de oever van de rivier aanmeerden, ontdekten ze dat het feest was. Bewoners van nabijgelegen gemeentes, met inbegrip van vele hoogwaardigheidsbekleders, waaronder ook kruidendokters en tovenaars, waren aanwezig ter ere van de gezamenlijke overwinning op het nomadenvolk dat hun bossen leegroofde. Tegen de achtergrond van gekooide gevangenen – uitsluitend volwassen mannen; het lot van de vrouwen en kinderen was duister – had Theodoor met behulp van Pablo een onderhoud met een soort van ontvangstcomité. De woest ogende inboorlingen stelden de aanwezigheid van die verschrikkelijke vreemdelingen nier erg op prijs maar ze hadden wel snel in de gaten dat spoedeisende hulp geboden was.

   Het was of de voorzienigheid ermee speelde. Er was inderdaad een toverdokter, de enige nomade bovendien, die met eerbied werd bejegend. Zij was weliswaar gegijzeld maar dat leek haar niet te deren. In een bewaakte hut behandelde zij zieken en gewonden die, zo kreeg Theodoor te horen, binnen een mum van tijd weer opknapten. Ze hadden het niet beter kunnen treffen.

   Archibald werd dan ook aan haar zorgen toevertrouwd en Theodoor hield de behandelwijze angstvallig in het oog. Het viel hem op dat alle kwalen met hetzelfde medicijn werden behandeld: de blaadjes van een bepaald kruid, die in grote getale in de hut aanwezig waren en die met een vijzel werden verpulverd onder toevoeging van een hoeveelheid bloed. ‘Kippenbloed’, vermoedde Theodoor die vroeger eens een magiër in Antwerpen aan het werk had gezien. Totdat de bokaal werd aangevuld met bloed van heel andere vogels, kleiner dan kippen en met groene vleugels. Hij kon de dode beesten niet goed zien maar hij had een akelig vermoeden: engeltjes uit de tuin van Eden.

   Zijn aandacht werd echter getrokken door een vergenoegd gebrom uit de mond van de patiënt. Tijdens zijn behandeling ging Archibald zich al beter voelen – dat kruid is vast een pijnstiller – en al enkele dagen later wandelde de rooie reus alweer rond alsof er niets gebeurd was.

   De rest van het gezelschap had zich afzijdig gehouden van de feestelijkheden en gebivakkeerd in en om de boten. Nu Archibald na een paar dagen weer de oude was, verweten ze de dekmatroos van aanstellerij: zo ernstig konden zijn verwondingen niet geweest zijn. Maar Theodoor dacht daar heel anders over.

   Onopvallend had hij zich samen met Pablo toegang verschaft tot het ‘hospitaal’ van de toverdokter. Terwijl de nomade in een hoek lag te slapen, verzamelden ze zoveel mogelijk van de blaadjes om er hun meegebrachte zakken mee te vullen. Het was natuurlijk niet netjes wat ze deden maar onder de huidige omstandigheden, overgeleverd aan de wildernis, voelde Theodoor geen wroeging. Het was ieder voor zich en de slimste voor allen, of zoiets, en bovendien was dat kruid goud waard! Ze zouden hun reis nu veel beter toegerust kunnen voortzetten.

   Helaas liepen de zaken anders dan gepland. Te snel werd de geslonken voorraad heilzame blaadjes opgemerkt en ironisch genoeg werd de zo razendsnel genezen patiënt, de nietsvermoedende Archibald, in de boeien geslagen. Overtuigd van zijn, eveneens razendsnelle, verslaving aan het kruid werd hij ervan beschuldigd hun gastvrijheid te hebben misbruikt en werd hij veroordeeld tot ‘ophanging aan de voeten’ op een stille plek in het bos.

   Alleen zou de stilte van die plek ernstig worden verstoord door Archibalds nachtelijke gekrijs. Niemand kon met zekerheid zeggen of het een kolonne mieren of een jaguar was geweest, maar zijn blozende hoofd zouden ze nooit meer terugzien.     

   Theodoor hield zichzelf voor dat hij daar zelf kon hebben gehangen, als hij de blaadjes had teruggegeven en hij volharde in een zelfzuchtig stilzwijgen. Eén slachtoffer om de rest van het gezelschap te sparen. Hij had de potige Harko gevraagd om de zakken met blaadjes aan boord te verstoppen. De timmerman zou vast een geschikte plek voor ogen hebben. Onder het mom dat ze het ongeduld van de roeiers niet langer op de proef moesten stellen verordonneerde hij de volgende ochtend hun vertrek.

   Met vers water en fruit werd de tocht hals over kop hervat. Het wroetende schuldbesef dat hij toch niet helemaal wist buiten te sluiten, probeerde hij te onderdrukken met zijn geloof in de Christelijke rechtvaardigheid. Archibalds verwondingen waren zodanig geweest dat hij wel had moeten sterven. Daar kon geen tovenarij tegenop. God was goed en Jezus de weg. Toch?

 

Het eerstvolgende slachtoffer van de wildernis dat Theodoor onder ogen kwam, was geen lid van het reisgezelschap, maar een pasgeboren baby.

   Enkele dagen na het overlijden van hun maat hadden de mannen aangemeerd bij een dorp dat ooit was gesticht door gevluchte negerslaven. Het merendeel van de bewoners was gitzwart en de aanwezige indianen bleken allemaal te werken voor de ‘burgemeester’. Met argwaan werd het gezelschap bemonsterd. Totdat de burgemeester de drie Afrikaanse schepelingen in het oog kreeg. Op dat moment sloeg de stemming om in vrolijke gastvrijheid.

   Het was in dit dorp dat Theodoor uitgebreid kennis maakte met het motief van zijn aanmonstering op de Conceptión: de paradijsvogels. Of liever, de pratende papegaaien. Al eerder had hij de bontgekleurde vogels zien rondvliegen, maar ze waren steeds te ver weg geweest om een gesprek met ze te kunnen voeren.

   Hier bleken ze echter gewoon in het dorp te wonen. Hij had gezien hoe de vogels zich er vrij bewogen. Een groot deel van de dag verstopten ze zich in het dichte struikgewas rondom het dorp. Alleen op vaste tijden kwamen ze tevoorschijn en vlogen dan rechtstreeks in de richting van een aantal hutten. In grote getale scharrelden ze daar rond op de veranda’s en daken en trokken onverschrokken de woninkjes binnen.

   Zijn pogingen om de papegaaien te benaderen, mislukten. Zowel de plaatselijke bewoners als de dieren zelf leken zijn aanwezigheid te mijden als de pest. Telkens als hij in de buurt kwam, vlogen de vogels weg en wierpen de bewoners hem een misprijzende blik toe.

   Theodoor had het gevoel dat hij onterecht werd buitengesloten. Dachten ze soms dat hij die vogels wilde vangen? Was hij voor niets de halve wereld overgestoken!? Zijn vertwijfeling nam toe toen hij merkte dat de papegaaien uitsluitend voor hém bang leken te zijn.

   Die gedachte vond hij zo frustrerend dat hij besloot zijn broek en jas uit te trekken – die Europese kleren waren toch al ondragelijk in dit tropische oord – en zich te hullen in de inheemse kledij. Tot ieders vermaak.

   Uiteindelijk werden zijn inspanningen dan toch beloond. Hij ontdekte dat de vogels gevoerd werden. Overal waar ze kwamen, hadden de bewoners wat te eten voor ze klaargezet. Dat was natuurlijk de reden van hun steeds weerkerende bezoek. Het zou wel iets met een primitief geloof in bosgeesten te maken hebben, meende Theodoor. Of wellicht was ook aan deze eenvoudige dorpsbewoners het paradijs geopenbaard.

   Wat eten betreft mocht Theodoor trouwens ook niet klagen. De gastvrijheid van de dorpsbewoners had zich vertaald in grootscheepse banketten waar de vreemdelingen van harte bij werden uitgenodigd. Of het nu zijn gewoonte was om iedereen in de overvloed van het woud te laten delen of dat hij speciaal zijn gasten wilde verwennen, de burgemeester zag er op toe dat niemand iets tekort kwam, de reisgenoten niet maar ook geen van zijn onderdanen, inclusief de indianen. Iedereen genoot van het rijke fruit, de geurige kruiden, de sappige knollen.

   Zoals, naar later bleek, in de meeste nederzettingen langs de Amazone gebruikelijk was, werd ook hier datura-thee en  ayahuasca geschonken. De meeste dorpelingen dronken het met mate maar een enkeling ging zich eraan te buiten, begon dan wild te dansen of luidkeels te zingen om even later versuft in elkaar te zakken.

   Omdat hij er misselijk van werd, liet Theodoor de drank aanvankelijk aan zich voorbij gaan zodat hij voortdurend dorst had. Later raakte hij gewend aan de thee en merkte zelfs dat het hem alerter leek te maken, dat hij dingen zag die hem voorheen waren ontgaan. Toen hem echter werd verteld dat de stukjes geroosterd vlees die ze aten, niet afkomstig waren van de hoenders en zwijnen die in het dorp werden gehouden, maar van wilde dieren die werden buitgemaakt, had hij niet beseft dat daar ook de papegaaien toe werden gerekend.

   Wel raakte hij diep teleurgesteld toen hij ontdekte dat zijn ‘paradijsvogels’ weliswaar snaterden dat het een lust was, maar verder overwegend onbegrijpelijke onzin uitkraamden. Eindelijk had hij hun vertrouwen gewonnen, had hij ze tot op gehoorsafstand kunnen benaderen, en bleek alles wat hij hoorde niet meer dan een schril gekwebbel en dom gekrijs te zijn.

   Ongeacht welk dialect ze spraken, dit was geen verstandige taal.

   Zijn teleurstelling veranderde in vertwijfeling en de vertwijfeling werd apathie. Urenlang lag hij naar de lucht te staren zonder zich iets van de anderen aan te trekken. Hij zag het silhouet van vreemde vogels in een witte hemel en vroeg zich af of het schepselen waren uit het oerwoud of uit een koortsdroom. ’s Avonds zocht hij de beschutting van een hutje maar het eten liet hij staan. De geluiden uit de rimboe drongen nauwelijks tot hem door.

   Alleen het krijsen van een baby, dat langzaam wegstierf, herinnerde hij zich later.

   Na een doorwaakte nacht had hij de volgende morgen wat rondgezworven in de omgeving en was tenslotte neergezegen tegen een half verrotte boomstronk. Leeg en lusteloos staarde hij naar de zwerfhond die tussen het afval scharrelde. Afval was hij in het Franse kampement ook overal tegengekomen. Op de Conceptión hadden ze afval altijd gelijk overboord gegooid. Dat hier afval lag gaf wel aan hoe welvarend dit dorp was. De hond had zijn gescharrel gestaakt. Uit zijn gespannen houding leidde Theodoor af dat het beest iets gevonden had.

   Toen zag hij het gezichtje.

   Weg was zijn onverschilligheid. Dit was verschrikkelijk. Hij was opgesprongen, had de hond verjaagd, was bij het lijkje neergeknield. Doodgeboren? Hij moest er niet aan denken dat het anders was. Nachtdieren hadden zich ermee bemoeid. Het lichaampje was overdekt met vuurmieren. Waarom was het niet begraven? De mieren zaten nu ook op hem.

   Theodoor maakte dat hij wegkwam en stuitte bijna onmiddellijk op een paar vrouwen die hem gebaarden daar weg te blijven: dat was een heilige plek waar mannen niets te zoeken hadden! Ontsteld probeerde Theodoor duidelijk te maken wat hij gevonden had, maar ze leken hem niet te begrijpen. Of deden alsof. Nogmaals, hij had daar niets te zoeken.

   Gekweld door ergernis en ontgoocheling stampte hij terug naar het dorp waar hij iedereen liet weten dat ze zo snel mogelijk verder zouden trekken.

 

 

 

Terwijl hij met Pablo en de doofstomme indiaan – die noch doof noch stom was, alleen onverstaanbaar – over het Peruviaanse laagland uitkeek, werd hij plotseling omvergeduwd. Waarom deden ze dat? Maar toen hij opkeek, zag hij dat ook de indianen op de grond lagen.

   “Aardgeschok”, mompelde Pablo. Het schudden hield minutenlang aan, er leek geen eind aan te komen.

   Weemoedig dacht Theodoor aan de keren dat hij zijn evenwicht had verloren, de afgelopen maanden. In de kano als die weer eens tegen een drijvende boomstam aanbotste of in het woud als hij voor de zoveelste keer over de takken struikelde. Elke keer had hij zich voorgenomen om er beter op bedacht te zijn en toch overkwam het hem steeds weer, zij het met langere tussenpozen. Maar altijd had hij achteraf de oorzaak kunnen zien, wist hij waar hij beter op zou moeten letten.

   Hier was hij echter onderuit gegaan zonder dat hij er iets aan kon doen. Hier viel geen enkele lering uit te putten. Wat was dit voor een krankzinnige ervaring? Welke God had dit bedacht?

   Hij hief zijn hoofd op en keek uit over de lage vegetatie in het rotsachtige landschap achter hen, waar ze de afgelopen dagen doorheen waren getrokken. Overal zag hij stofwolkjes en hier en daar rollend gesteente. Op het lage struikgewas en de cactussen had dat geen vat, dat soort vegetatie leek geschapen voor dit natuurgeweld. Geen wonder dat hier geen bomen stonden. In de droge hitte van de zon trilde de lucht boven de bevende aarde. Het vervulde hem met angstaanjagende visioenen..

   Het meest angstwekkend vond Theodoor het diepe sonore gebrul dat onder zijn buik vandaan kwam. Alsof hij zich vastklampte aan het gewaad van zijn beschermengel terwijl die verkracht werd door een afschuwelijke demon. Beelden van rituele slachtingen en onthoofde lijken wisselden elkaar af en mengden zich met het geloei dat uit de grond zelf leek te komen.  

   Toen ze de verstikkende jungle achter zich hadden gelaten was hij met een gevoel van opluchting door deze schrale wildernis getrokken. Hier waren gelukkig geen omvallende woudreuzen maar er was ook niet veel beschutting. Een rotsblok op je kop is ook geen pretje. En de bodem was nog niet tot rust gekomen.

   Pablo gebaarde dat ze zich moesten verplaatsen en tijgerde naar een brede richel waar ze minder kans liepen om onder losse rotsblokken bekneld te raken. Het schokken was niet meer zo hevig en inmiddels overgegaan in onrustig sidderen, met steeds langere rustpauzes. Maar er was iets vreemds aan de hand.

   Naast het wegstervende razen en rommelen hoorden ze nu hele andere geluiden: kreten van ontzetting en het erbarmelijke balken van muildieren in doodsnood. De indianen staarden omlaag en wat Theodoor zag, benam hem de adem.

   Tussen neergestorte rotsblokken en met puin bedekte struiken stond een zetel met een man erop. Een geelglanzende man op een geelglanzende zetel. Half bedolven onder het gruis zag Theodoor de onbeweeglijke lichamen van mens en dier. Ongetwijfeld waren de dragers van het gouden beeld overvallen door de aardschok. Her en der lagen zakken en kisten, bedekt met een laag stof. Het liet zich raden wat daar in zat. Proviand?

   Zichzelf gelukkig prijzend dat de aarde hen gespaard had, daalden ze af naar de minder fortuinlijke karavaan beneden hen. Er viel geen leven meer te bespeuren. Alleen goud en juwelen. Ze vonden een halfvolle waterzak en een tas gevuld met maïskoeken. De ‘doofstomme’ gaapte naar het beeld.

   “El Hombre Dorado”, siste Pablo tussen zijn tanden en Theodoor kon slechts gissen naar de emoties van de indiaan. Bewondering of nijd? Wellust of weerzin?

   Het geval was ontzettend zwaar waaruit Theodoor afleidde dat … en dat samen met die zakken en kisten vol kostbaarheden … Waar was dat met goud overladen groepje op weg naartoe geweest? Hadden ze willen voorkomen dat deze rijkdommen in handen van de Spaanse overheersers zouden vallen? Het werd Theodoor vreemd te moede toen hij eensklaps een volledig beladen maar ongeschonden muildier ontwaarde. Onder het stof had het dier onopvallend de verdere loop der gebeurtenissen afgewacht en liep hen nu kalm tegemoet. In de tassen vonden ze naast nog meer goud en juwelen ook twee volle waterzakken.

   Ben ik dan toch in het paradijs beland?

   Ze waren het erover eens dat ze iets moesten doen. De lijken, voor zover ze die konden vinden, verdienden een fatsoenlijke begrafenis. De zichtbare delen van de dode dieren bedekten ze met stenen en gruis. Hetzelfde, maar zorgvuldiger, deden ze met de menselijke overblijfselen. De ijle lucht dwong hen regelmatig te rusten waardoor een sereen bedoeld ritueel iets kreeg van een bovenmenselijke krachtinspanning. Van stokken maakte Theodoor kruisen en stak die tussen de rotsblokken waar hij een overleden sjouwer vermoedde, ook al leek het hem onwaarschijnlijk dat het Christenen waren.

   Ondertussen hadden ze ook alle zakken en kisten die ze konden vinden, bijeengebracht en besloten om die in een nabije uitsparing in de rotswand te verstoppen. Bij nadere beschouwing bleek daar zelfs een kleine grot te zijn. In die beschutting zouden ze zelfs de nacht kunnen doorbrengen.

   Het beeld was lastiger. Het was te zwaar om het gemakkelijk te verplaatsen maar met behulp van wat stammetjes konden ze het misschien voortrollen. Na enige tijd hadden ze voldoende dikke takken en stokken gevonden en met vereende krachten werd het beeld langs de helling gesleept. Hun inspanning ging ten koste van hun aandacht. De grond was nogal ongelijk waardoor het kunstwerk van de balkjes afschoot en een kleine lawine veroorzaakte. Daardoor gleed het langzaam maar zeker naar beneden en verdween het, god beter’ ‘t, in een kloof waaruit ze het met geen mogelijkheid meer konden redden. Berusting was alles wat hen restte.

   Volkomen afgepeigerd kropen ze tenslotte tussen de kisten zakken in de grot. Nadat ze wat van de koeken hadden gegeten en wat thee hadden gedronken, viel Theodoor in een onrustige slaap. Opnieuw droomde hij van het kegelspel, alleen waren dit keer de ballen van goud en rolden ze in een averechtse lawine langs de berghelling omhoog. Toen hij wakker werd was het aardedonker en hij rilde bij de gedachte aan de duisternis achter de groene muur langs de vertrouwde rivier die hij zo lang bevaren had. Met open of gesloten ogen – een verschil kon hij niet zien – gaf hij zich opnieuw over aan zijn roes.

   

 

De natrilling die Theodoor door de grond voelde gaan, deed hem denken aan  de schok waarmee hun kano tegen de grond was gelopen. Ondertussen een eeuwigheid geleden. Die opdonder had het einde van de bootreis betekend. Stroomopwaarts waren zoveel stroomversnellingen en ondieptes dat ze beter te voet verder konden gaan.

   Wekenlang had hij op het water geleefd. Bij sommige ondiepe gedeeltes hadden de mannen hun bagage over land gesjouwd zodat de diepgang van de kano’s werd beperkt. Maar hij had de boot nooit verlaten. Het oerwoud boezemde hem angst in. Vanaf de rivier was het alsof hij door een tunnel van ondoordringbare vegetatie voer. Achter die muur heerste een onheilspellende stilte. Alleen af en toe verscheurd door een alarmerend gehuil, vooral ’s nachts, of een zware dreun die hem de stuipen op het lijf joeg. Soms wist hij niet of hij echt iets gehoord had of dat hij weer droomde dat hij met het aangevreten hoofd van ‘Roodreus’ de papegaaien omverkegelde.

   Na hun vertrek uit het dorp voeren ze dagen achtereen stroomopwaarts. Met uitzondering van de drie Afrikanen, die zich door de zwarte burgemeester hadden laten overhalen om te blijven, was het gezelschap na een vrij eentonige tocht bij een vesting aangeland van Portugese kolonisten, het fort van Säo José.

   Hier hadden de smeulende meningsverschillen over de te volgen route vlamgevat.

   Mede op aanraden van de Portugezen gaven de meesten van het gezelschap de voorkeur aan het heldere donkerkleurige water van de Rio Negro, waarin ze enorme visscholen zagen zwemmen. De indianen waren echter vastbesloten om een zuidelijke richting aan te houden en de troebele ’witte’ rivier te volgen. Ze wisten dat ze via deze route het snelst in de buurt kwamen van de belangrijkste havenstad van Zuid Amerika. Daar wilden ze weer aanmonsteren op een Europees schip.

   Theodoor had zich, eindelijk weer met enige geestdrift, bij hen aangesloten. Met een handvol getrouwen, onder wie Fedde, hadden Theodoor en de indianen hun kano in de richting van het witte water gestuurd, terwijl de rest van het oorspronkelijke gezelschap  in noordelijke richting koerste.

   En uit zijn leven verdween.

   Met lede ogen had hij ze zien gaan. Met een schok drong het tot hem door dat hij het gestolen kruid aan Harko in bewaring had gegeven. Te Laat. Hij had voor de indianen gekozen.

   Zij waren de aanleiding geweest dat hij hier in deze grot zijn lotgenoten probeerde te vergeten en zich zorgen maakte over zijn eigen lot. Hij probeerde de slaap te vatten. Wat hem ondanks zijn uitputting moeite kostte. De indianen zouden er ook weer voor zorgen dat hij hier wegkwam. Daarvan was hij overtuigd. Daaruit putte hij hoop. Gisteren lag achter hem.

 

 

Kaarsrechte bomen omringden hem. Hun stammen straalden een bleek licht uit. Evenals de groezelige grond onder zijn voeten. Er kropen vreemde gedaantes rond die het zonlicht meden, hij had ze tenminste nooit eerder gezien. Donkere dribbelaars en draakjes met een als een dreigende lans vooruitgestoken staart bewogen over de bodem en angstvallig probeerde hij ze niet te vertrappen. Ga er in Godsnaam niet op staan. Straks steekt zo’n lans dwars door je schoenzool.

   Hij baande zich een weg langs neerhangende slierten, draden van mos en lianen. Opgehangen beddengoed en borstrokken hingen te drogen in de wind en wreven langs zijn wangen als hij op zoek is naar een opening, een uitgang. De doorgang langs de lappen wordt hem versperd door alleen maar meer natte lappen. Hoe harder hij om zich heen slaat hoe meer het hem bedelft.

   Met een schok kwam Theodoor weer tot zichzelf. De jungle had hem net zo bekneld als zijn jeugd in Antwerpen. De grot was ondertussen gevuld met schemering. De slapende indianen verspreidden dezelfde sfeer van onverstoorbaarheid als ze de hele reis al hadden gedaan. Ook al op de Conceptión. Zelfs al in de havenkroeg waar hij door hun muziek was betoverd. Het verleden haalde hem voortdurend in.

   Hij staarde in het grijze licht buiten de grot waar vroege vogels zijn gezichtsveld doorkruisten. Het herinnerde hem eraan dat op het water nauwelijks vogels te zien waren geweest. Het had hem het gevoel gegeven dat hij in een cocon zonder context leefde. Dat er nooit een einde aan zijn reis zou komen. Dat de reis op zich zijn enige doel was.

   Vanaf de rivier had hij de oevers steeds argwanend in de gaten gehouden. Soms had hij wel eens iets het water in zien schuiven maar meestal was er slechts de ongenaakbare plantengroei. Hij was ervan overtuigd geweest  dat ze door talloze onzichtbare ogen werden bespied. Hij ging alleen aan land in de nederzettingen en dorpjes waar ze aanlegden om proviand en water te verversen en waar ze soms langer verbleven. Maar ’s nachts sliep hij in de kano.

   Vaak waren de oevers door intense stortbuien of nevelslierten aan het oog onttrokken geweest. In tegenstelling tot de anderen had hij zich dan meer op zijn gemak gevoeld. Het geruis en gespetter overstemde de enge oerwoudgeluiden en het liet hem onverschillig dat het zicht op eventuele gevaren in de rivier werd bemoeilijkt door opspattend water. Ooit had hij verlangd naar het paradijs, nu hoopte hij alleen maar te overleven. Tussen de vage contouren van de woudreuzen zag hij de schuimende rivier in de verte verdwijnen als een visioen van zijn onbestemde toekomst.  

   Een keer had hij een gigantische slang, een anaconda, naar hun kano toe zien zwemmen. Door een klap op zijn kop had één van de Arawakken het dier verjaagd met zijn roeiriem. Het gebeuren was nauwelijks tot Theodoor doorgedrongen. Had hij een koortsaanval gehad? De meesten van hen hadden voortdurend last van ongedierte, alleen de Arawakken en zijn indiaanse maten leken daar ongevoelig voor te zijn. Kwam dat door hun geringe lichaamsbeharing? Zelfs Fedde leek een baard te hebben. Of waren het bloedzuigers geweest waarmee zijn gezicht was bedekt?

   Van al zijn vroegere metgezellen was Fedde het meest veranderd. Theodoor had zich gevleid gevoeld dat de vroegere kapiteinsbediende, toen de onderneming zich splitste, hém had verkozen boven zijn voormalige collega’s die de zwarte rivier waren opgevaren. Toen ze de brede plas overstaken in de richting van de melkachtige zijarm had Fedde bijna uitdagend gezwaaid en geschreeuwd dat de bosgeesten niet moest denken dat ze hem klein zouden krijgen, dat wilde dieren geen schijn van kans maakten, dat hij onoverwinnelijk was. Theodoor vermoedde dat hij meer thee dronk dan verstandig was. Hij kende de jongen als een hoffelijke en behulpzame makker maar op de rivier was hij allengs veranderd in een laatdunkende en brallerige snob. Had hij zijn einde voorzien?

   Al in het eerstvolgende dorp van de Muras indianen waar ze wat langer verbleven, kreeg Fedde een demonische koortsaanval. Eerst dacht Theodoor nog dat de jongen weer in trance was maar toen hij zijn huid op verschillende plaatsen zag scheuren en een rossig gewriemel ontwaarde, begreep hij dat, in weerwil van de bescherming die de indianen aan de regelmatig geconsumeerde ayahuasca toekenden, Fedde’s vlees – en wie weet ook zijn geest – al enige tijd door lokale parasieten werd geteisterd. De plaatselijk marinau gaf hem niet meer dan enkele uren. Het werden vijf verschrikkelijke uren, waarin Fedde soms dood leek, dan weer heftig begon te beven en te schudden, en af en toe volkomen helder uit zijn ogen keek terwijl zijn lichaam een knarsend geluid produceerde dat steeds luider werd.

   Opnieuw schrok Theodoor wakker. De ‘doofstomme’ was bezig op indiaanse wijze een vuurtje te maken. Pablo was nergens te bekennen, waarschijnlijk was hij op zoek naar geschikt brandhout. Voor de indianen leek het vanzelfsprekend dat ze zich voortdurend over hem ontfermden. Ze hadden hem in Antwerpen naar de Conceptión verwezen en hij vermoedde dat ze zich daarom verantwoordelijk voor hem voelden. Het speet hem dat ze zo weinig voeling met elkaar hadden, zoals hij met bijna al zijn reisgenoten nauwelijks contact had gehad. Behalve met Pieter. Maar die was dood. Pieter was als een vader voor hem geweest. Nu stond hij er – ondanks de indianen – echt alleen voor.

   De zorg voor zijn zieke vader in Antwerpen was niet zozeer een daad van onbaatzuchtigheid geweest, hij had het ook voor zichzelf gedaan. Het had hem geleerd hoe het was om je echt met iemand verbonden te voelen. Na de moord op de dikke kapitein had hij besloten zulke gevoelens niet meer toe te laten. Met zijn moeder had hij nooit een dergelijke kameraadschappelijke relatie gehad en de idolate aanbidding die hij ooit voor Rosita had gekoesterd, was niets anders dan een bevlieging geweest. Hij besefte dat hij inmiddels een volwassen man geworden was. Hij was zelf verantwoordelijk voor zijn bestaan, al was hij zonder de indianen allang verloren geweest.

 

Enkele weken na het verscheiden van Fedde was het zover: de kano liep voortdurend vast, ze moesten verder over land. De Arowakse roeiers wilden niet mee gaan, zij zouden zich door de stroom terug laten voeren naar het oorspronkelijke vertrekpunt. Theodoor had overwogen bij hen te blijven maar vermoedde dat ze die lafheid zouden uitleggen als een soort onderwerping aan de bosgeesten en dat ze hem als hun gevangene zouden gaan beschouwen. Daarom verbeet hij zijn angst voor het duistere woud en sloot zich aan bij de rest, op weg naar het onbekende.

   Ze waren nog met z’n zevenen. Hij en de twee indianen en nog vier van de oorspronkelijke bemanningsleden van de Conceptión met wie hij nauwelijks contact had gehad. Hij praatte alleen met Pablo, of liever, Pablo zei wel eens wat tegen hém. Hij had de afgelopen weken haast niets meer gezegd. Het lijden van Fedde had indruk op hem gemaakt en hij had geprobeerd zich een voorstelling te maken van de angst van de jongen voor het naderende einde. Want dat Fedde wist wat er komen ging, daarvan was hij overtuigd. Wat stelde daarbij vergeleken zijn bangigheid voor het bos nou helemaal voor?

   Overmand door een gevoel van schaamte begon hij een geïmproviseerd melodietje te fluiten en Pablo keek hem bevreemd aan.

   “Ga jij een prijsvogel doen? Laat mij maar.” Hij begon een vreemd snaterend geluid te produceren en keek spiedend omhoog. Het duurde niet lang dat zijn gesnater werd beantwoord en met de blaaspijp die hij dobbelend op de Arrowakken had veroverd, haalde hij een goudgeel wezentje neer dat volgens Theodoor een soort aap was.

   “Is dat een prijsvogel?” vroeg hij verbaasd.

   “Nee suffie. Is aap. Prijsvogel veel lastig. Aap smakelijk eten.”

   Tijdens de maaltijd kwam Theodoor erachter dat zijn onbeholpen gefluit op dat van een hokka had geleken, een zwarte hoendervogel die hoog op het menu van de inheemse bevolking stond, niet in de laatste plaats vanwege de soms verrassende maaginhoud. Hokka’s bleken een opvallende voorkeur te hebben voor glinsterende steentjes en niet zelden werden er juwelen, soms zelfs goudklompjes, in hun ingewanden aangetroffen.

   “Geef mij maar aap. Dat lijkt me smakelijker dan stenen.” Theodoor had op dat moment geen enkele belangstelling voor rijkdommen. Zijn gedachten hielden uitsluitend verband met de mogelijke gevaren die het oerbos voor hem in petto had en hoewel hij wist dat hij er niet aan kon ontkomen, zag hij er enorm tegen op om verder te gaan. Maar een keus had hij niet.

 

Achteraf, hier in de grot en onder de hoede van beide indianen, moest hij toegeven dat het was meegevallen. Voor hemzelf tenminste, van de vier overige Europeanen had hij niets meer vernomen sinds ze elkaar uit het oog hadden verloren.

  De voormalige pikbroeken waren, anders dan Theodoor, zeer geïnteresseerd geraakt in rondscharrelende loopvogels. Met het idee dat de edelstenen hier voor het oprapen zouden liggen, waren ze fanatiek op zoek gegaan naar hokka’s. Nu bleek wat Pablo bedoeld had met ‘lastig’, de vogels lieten zich niet eenvoudig verschalken. Maar tegen de begerigheid van de vroegere varensgasten waren ze niet opgewassen. Met enige regelmaat werd een rijke buit geslacht en binnenstebuiten gekeerd op zoek naar kostbaarheden. Ze vingen er veel meer dan ze eten konden.

   Toch vonden ze vooral afgeronde kiezels die na hun werk als minimolensteentjes in de vogelmaagjes nutteloos geworden waren nu de dieren dood waren. Soms rolden er glanzende kralen op de grond. Die zagen er heel anders uit, kleurrijk als de regenboog, maar beslist geen diamanten. Waardeloze prullaria. 

   Overal waar ze gebivakkeerd hadden, bleven opengesneden vogels achter. En dat trok beesten aan. Op een kwade dag werd hun ochtendrust verstoord door een groep opgewonden boshonden die werd aangetrokken door de geur van bloed en zich niet liet afschrikken door de brullende mannen. Er restte hun niets anders dan hun biezen te pakken. Het tumult had echter de aandacht getrokken van een uit de kluiten gewassen jaguar die zijn territorium bedreigd zag. De confrontatie was zo onverwacht dat het gezelschap uiteensprong.

   Theodoor, overmand door zijn beklemdheid in dit oerbos, was er in paniek vandoor gegaan. Pas nadat hij was uitgegleden en zijn hoofd tegen iets hards had gestoten, was hij tot rust gekomen. Even was er een schaduw door zijn hoofd getrokken toen hij zijn loopbaan als handelsreiziger evalueerde. Na kaas en wijn had hij zich tot de handel van mensen laten verleiden (al hadden die het nooit eerder zo goed gehad) en onlangs had hij stiekem zakken vol heilzame blaadjes onder de neus van een weliswaar goddeloze nomade weggenomen, gewoon gejat dus. Zou mijn vader trots op me zijn? Hij voelde zich misselijk.

   Er was iets warms en stinkends uit de boom op hem neergevallen dat hem eerst aan een vogel en daarna aan een roofdier deed denken. Hij hoorde zijn naam roepen en zag beide indianen op zich af komen hollen. Ze hielpen hem op de been nadat Pablo de pardelkat een schop gegeven had zodat het beestje in het struikgewas verdween.

   Niemand wist waar de anderen waren gebleven. Ze bleven geruime tijd roepen en wachten, zonder dat er iemand kwam opdagen. Ze besloten tenslotte om verder te trekken. Waarschijnlijk zouden ze de mannen in een volgend dorp weer tegen het lijf lopen.

   Maar dat gebeurde niet. Bij alle indianenstammen die ze ontmoetten, werd Theodoor beschouwd als een curiosum. Nooit eerder hadden ze een blanke gezien. Zo’n lange withuid, met al die lappen om z’n lijf, dat was een bezienswaardigheid. Uit die bedenkelijke eer maakte Theodoor met gemengde gevoelens de gevolgtrekking dat hij voorlopig geen ariërs meer zou ontmoeten.

   Overigens werden ze gastvrij ontvangen, kregen onderdak en etenswaar en aanwijzingen voor onderweg zodra ze weer verder gingen. Geregeld kruisten ze het pad van nomaden bij wie ze zich soms dagenlang aansloten. Het gemoedelijke gekeuvel van de karavaan en de geleidelijke stijging van het terrein deden Theodoors claustrofobische angstvisioenen afnemen. Hij werd niet meer drijfnat van de regen of het zweet, keek verlangend uit naar het berglandschap dat steeds duidelijker zichtbaar werd tussen de bomen, en onderging gedwee de loutering van zijn reis naar het grote onbekende.

 

Het heeft me hier gebracht maar hoe gaat het verder? Pablo was teruggekeerd in de grot en het vuur laaide op toen hij er vers brandhout op gooide. Opgetogen snoof Theodoor de geur op van geroosterd gevogelte. Onder de hoede van deze indianen had hij geen reden tot zorgen. Ze zouden afdalen naar de vlakte, in de richting van de oceaan. En dan? Hij zou wel zien.

 

 

De eerste lagerstenen (robijnlagers) werden in de 18e eeuw bedacht door Nicholas Facio de Dullier

 

 

 

 

HEMELSE GLOED OF VALSE SCHEMER?

Voor Hij Zijn laatste adem uitblies, noemde Hij Uw naam.

 

 

 

Het Zwitserse wonderkind Nicholas Facio de Duiller ontwikkelde in het begin van de jaren tachtig van de 17e eeuw een Cartesiaanse verklaring van Cassini’s zodiakaal licht1. Na een aanslag te hebben verijdeld op Willem van Oranje, de latere stadhouder der Nederlanden en koning van Engeland, vestigde hij zich in het Noorden2 waar hij zich manifesteerde als de wetenschappelijke muze van zowel Christiaan Huygens als Isaac Newton3. Met zijn scherpe verstand en onweerstaanbare charme beroerde hij wiskundigen, filosofen, diplomaten en politici.

   Om aan geld te komen, moest hij lesgeven, waardoor hij in contact kwam  met fanatieke Hugenoten (withemden). Eén van hen was de protestante (on)heilsprofeet Elias Marion, van wie Facio zelf weer in de ban raakte en samen verkondigden ze aan het begin van de 18e eeuw het einde van het ondermaanse en de terugkeer van Christus op aarde4.

   Ten tijde van zijn intieme omgang met Newton werd Facio’s brein in toenemende mate geperverteerd door de dampen die vrijkwamen bij hun alchemistische experimenten. Dit leidde in 1692 tot een identiteitscrisis waarin hij zich afvroeg welke profeet hij moest volgen.

   

 

 

Sterrenkind! Sterrenkind noemt hij mij. Vader Isaac. Zo eigenwijs als het achtereind van een pierlala. Slimme kop, maar altijd tegenspartelen als ik het beter weet. En vooral niets laten merken als het eindelijk begint te dagen. Jammer dat hij dat niet toegeeft, dat hij mij te kakken zet waar anderen bij zijn, al is hij verloren zonder mij. Zegt-ie tenminste.

   Soms kan hij zo kil doen. Altijd als er anderen bij zijn. Laatst deed hij of hij mijn naam niet wist, vraagt hij aan iedereen hoe ik ook weer heet. Niet als een oud verstrooid mannetje maar als de gevierde geleerde die wel wat beters aan zijn hoofd heeft dan een profiteurtje. De klootzak. Onder ons piept hij heel anders.

   Sterrenkind. Ik ben het licht in de schemer van zijn eenzaamheid.

   'Een dwaallicht' zou Chris smalend zeggen. Vadertje Christiaan. Hij is er wel een beetje van af. Zit vaak dagenlang te kniezen en heeft het dan alleen over zijn Zus. Leeft gelukkig altijd op als ik er ben. Dan wil hij alles horen over aantrekking en afstoting en wat ze in Londen van zijn lichtgolven vinden.  Die liggen hem nader aan het hart dan de golven van de Noordzee5. Is hier in Londen maar één keer geweest, ging liever naar die paapse koning in Parijs. Samen met zijn broer Constantijn. Die steekt nu regelmatig over, nu Willem van Oranje hier koning is. Maar met Isaac praat-ie niet, dat is mijn terrein. Boodschappertje vind ik geen koosnaam, maar het is beter dan koerier, dat klinkt pas lachwekkend: que rire!

   Ik ben Lucretius’  tong die spreekt , de tong die proeft van de Royal sodomieten, de tong die roert in Huygens’ Haagse hofgebeuren. Maar ook de tong die kwijlt op Newtons Principia. Zijn mechanica is goddelijk, maar meer ook niet dan dat. Nergens wordt de zwaartekracht verkláárd! En zijn wet van de omgekeerde kwadraten was al bekend in de oudheid, toch?6

  

God! Er zit een braam in m’n borst. Het voelt helemaal zwart vanbinnen.

 

Wordt ik gestraft voor mijn hovaardij? Omdat ik Zijn raadselen ontwar? Dat is toch waarom ik hier op aarde ben? Om het mysterie te ontsluiten ter meerdere glorie van Hem!

   Vader Christiaan heeft er ook last van. Ziet soms zelfs geen heil meer in een goed gesprek. Voelt zich volslagen verlaten en zou het liefst … Zover is het bij mij nog niet gekomen. Vader Isaac heeft daar ook geen last van. Nog niet. Hij ziet zichzelf slechts als Gods chroniqueur. Maar er is veel meer! Wat verblindt hem?

   Wij zijn verenigd in onze passie voor zwavel en kwikzilver, de zon en de maan, de heer en zijn dame. Onze liefde komt voort uit het zien van en denken aan de schoonheid van het eindeloze mysterie, de absolute werkelijkheid. Maar de amor hereos verscheurt mij, een  knecht van meerdere meesters.

   Alle beweging is machinaal; alleen de ziel is goddelijk. Mijn onbewogen ziel is vervuld van Gods adem. Mijn wijsheid en inzicht is Zijn wijsheid en inzicht. Mijn ziel Zijn ziel … loopt over … mijn zie … zie … zie …

 

Een verkwikkend slaapje, dat heeft me goed gedaan. Over Descartes’ dualisme heb ik zo mijn twijfels, lichaam en geest kunnen niet zonder elkaar. Of is dat blasfemisch gezever?

   Soms wil ik daar zo graag met Vadertje Christiaan over praten dat ik spontaan naar Den Haag vertrek. Ik heb hem gevraagd of hij er geen moeite mee had om te werken voor een katholieke koning die het edict van Nantes had herroepen. Volgens hem had calculus geen kerk, stond de wiskunde boven politiek en religie. Geloof in God en logisch denken hadden niets met elkaar te maken. God maakt het niet uit of gravitatie wordt veroorzaakt door oneindig kleine deeltjes (materiaal) of door de hand van God (immateriaal) hoewel hij het laatste vermoedt.

 

Als hoofdastronoom aan het hof van de zonnekoning ontdekte Giovanni Cassini in 1683 het zodiakaal licht, een uiterst zwak oplichten van de dierenriem aan de nachtelijke hemel (hemelse gloed). De Cartesiaanse verklaring is gebaseerd op Descartes’ mechanistisch postulaat dat het heelal gevuld zou zijn met oneindig veel oneindig kleine deeltjes (neutrino’s?) en dat een echte lege ruimte (vacuüm) niet bestaat. De exacte vaststelling van de islamitische gebedstijden worden door deze zogenaamde valse schemering (zodiakaal licht) bemoeilijkt.

   Analoog werd Nicholas Facio door zijn tijdgenoten beschouwd als een natuurfilosofisch genie ... of een charmante charlatan (het aapje van Newton).

De protestante Facio ontvluchte het Roomse Parijs waar het hof van Lodewijk XIV in 1685 het Edict van Nantes (bescherming van de protestante rechten)  herriep en een aanslag op de protestante Willem van Oranje beraamde. Toen Facio dit hoorde, nam hij contact op met Gilbert Burnet, een vertrouweling van Oranje die hij in Parijs had ontmoet en met wie hij naar Holland reisde.

Aanvankelijk werkte Facio samen met Jacob Bernouilli en Christiaan Huygens aan de ontwikkeling van de differentiaal- en integraalrekening (wiskunde der verandering). In 1687 reisde hij naar Engeland waar hij intieme betrekkingen onderhield met John Locke en Richard en John Hampden. Hij werkte samen met de wiskundige John Wallis aan de infinitesimaalrekening en speelde een cruciale rol in de controverse tussen Newton en Leibniz over wie van hen eigenlijk als eerste de differentiëlen had bedacht.

Sommige van Facio’s leerlingen (Facio moest vaak in zijn eigen onderhoud voorzien) waren Hugenoten afkomstig uit de Cévennes. E’n van hen, Elias Marion trad in London op als spreekbuis van een Apocalyptische beweging, die door Engelse intellectuelen in de schijnwerpers werd gezet als de ‘French Prophets’. Na hun vervolging zou hij met Facio en een groep volgelingen Engeland zijn ontvlucht en enkele jaren door Europa reizen. In 1710 keerde Facio terug naar Engeland en korte tijd later vestigde hij zich in Worcester waar hij in 1753 overleed. Van de profeten werd niets meer vernomen.

Huygens en Newton hebben elkaar slechts één keer persoonlijk ontmoet (Engeland 1689). De oversteek van de Noordzee was gewoonlijk tussen Hellevoetsluis en Harwich en verliep zelden voorspoedig (storm, windstilte, kapers, stankoverlast). Zie ook: Erik van der Doe, Pieter Jan Moree, Dirk Tang en Peter de Bode (red.). De dominee met het stenen hart en andere overzeese briefgeheimen - Sailing Letters Journaal 1 (Zutphen, 2008).

Er zijn aanwijzingen dat de wet van de omgekeerde kwadraten, waarmee Newton in de Principia de micro- en macrokosmos met elkaar verbond, al door verschillende klassieke natuurfilosofen werd gehanteerd. Facio’s eigen zwaartekrachttheorie werd aanvankelijk sterk beïnvloed door Huygens en uitgewerkt op Hofwijck (Voorburg). Zijn versie werd door de Royal Society te Cartesiaans bevonden waarna hij het, geïnspireerd door Lucretius’ De Rerum Naturã, in de vorm goot van een Latijns leerdicht. De zonderlinge Romeinse filosoof Titus Lucretius Cares (99-55 v.Chr.) werd in de renaissance herontdekt als de auteur van het leerdicht De Rerum Natura waarin hij in meer dan 7000 dichtregels de volledige werking van de natuur beschrijft.
 

Door zijn gebrekkige geldmiddelen en onderdanige persoonlijkheid was Nicholas voortdurend op zoek naar steun en erkenning. Zijn genie leek vooral tot ontplooiing te komen als hij zich verzekerd wist van de genegenheid en waardering van geleerden van formaat. Overigens liet hij zich zelf nogal geringschattend uit over filosofen die geen verstand hadden van wiskunde en over wiskundigen die hun kennis niet aanwendden om de natuur beter te begrijpen.

   In Parijs had Nicholas Fatio de Britse diplomaat Gilbert Burnet ontmoet met wie hij een vertrouwelijke relatie onderhield. Via hem maakte hij in 1687 kennis met de familie Huygens en werd stadhouder Willem III tijdig geïnformeerd over het Franse complot om hem te ontvoeren en mogelijk zelfs te vermoorden.

   Op uitnodiging van zijn Parijse vriend bezocht de jonge Facio een bijeenkomst van de Royal Society waar hij kennisnam van Newtons nog ongepubliceerde Principia. Enthousiast schreef hij aan Huygens: “… een schitterende verhandeling vol prachtige voorstellen…” Terzelfder tijd begon hij na te denken over een mechanisme waarmee Newtons universele zwaartekracht zou kunnen werken.

   In de vijf jaar die hij afwisselend doorbracht bij Huygens en Newton smeedde Facio een soort intermediaire zwaartekrachttheorie (die later bekend werd als de gravitatietheorie van Le Sage) en ontwikkelde hij analytische technieken die hem in conflict brachten met Leibniz, namelijk over de vraag wie de eigenlijke bedenker van de wiskundige methode was. Zijn aanvankelijke waardering voor Leibniz sloeg faliekant om ten voordele van Newton.

 

 

 

In het begin van de 17e eeuw ontwikkelde Descartes een mechanistisch wereldbeeld waarin hij veronderstelde dat elke gebeurtenis wordt veroorzaakt door direct contact tussen materiële entiteiten. Net als Aristoteles verwierp hij het idee van een vacuüm in de overtuiging dat er geen ruimte zonder stof kan bestaan. Hij voerde aan dat voorwerpen op de grond vallen door de impuls van deeltjes van ‘een tweede soort materie’ die voortdurend vanuit alle richtingen op aarde aankomen.

   In de tweede helft van de eeuw leidde Newton uit een combinatie van aardse en hemelse verschijnselen zijn wet van de omgekeerde kwadraten af waarbij twee materiedeeltjes elkaar aantrekken met een kracht die omgekeerd evenredig is met het kwadraat van hun onderlinge afstand. Deze ’universele gravitatie’ verklaarde veel voorheen onbegrepen verschijnselen maar was in strijd met Descartes’ mechanistische voorschriften omdat het impliceerde dat gescheiden lichamen elkaar zonder tussenliggende substantie konden beïnvloeden. De algemene benadering van Newton was meer in overeenstemming met oude atomisten als Democritus en Epicurus die meenden dat de natuur is opgebouwd uit ondeelbare deeltjes die zich volgens abstracte wiskundige wetmatigheden bewegen in een lege ruimte. Regelmatig opperde hij dat gravitatie een primaire eigenschap van de materie zou zijn en zonder tussenliggend materiaal kon functioneren.

   Veel continentale wetenschappers, zoals Huygens, Leibniz en de gebroeders Bernoulli, zochten naar een synthese: ze probeerden de universele gravitatie te verklaren in termen van direct contact tussen materiële entiteiten. Daarbij stuitten ze op twee problemen. Direct contact tussen lichamen had per definitie betrekking op hun oppervlakte; hoe kon het lichaam dan toch zijn vorm behouden zonder enige inwendige aantrekkingskracht? Een primitief soort zwaartekracht bleef kennelijk noodzakelijk. Een ander punt was de Cartesiaanse gelijkstelling van ruimtelijke uitbreiding en materiële substantie. Wat was dan dichtheid, als er geen onderscheid tussen ruimte en materie bestond? Als materie in sommige ruimtes minder dicht kon zijn dan in andere, kon moeilijk worden volgehouden dat een willekeurig lage dichtheid, of zelfs de afwezigheid van dichtheid (vacuüm), onvoorstelbaar zou zijn. Om toch tot een mechanistische verklaring te komen van de Newtoniaanse zwaartekracht keerden de meeste mechanistische filosofen terug naar het oude idee van atomen in een lege ruimte.

   Deze atomistische filosofie is bekend geworden door het monumentale gedicht De Rerum Natura (“over de aard der dingen”) van de Romeinse dichter Lucretius. Door de atomaire visie te aanvaarden, was het mogelijk om Descartes’ mechanistische model van de zwaartekracht te rehabiliteren en om het tenminste nominaal in overeenstemming te brengen met de kwantitatieve dynamische aspecten van de universele zwaartekracht van Newton.

   Nicholas Facio ontwikkelde als eerste een oorzakelijk model dat aansloot bij Newtons Principia. Als uitgangspunt nam hij het bombardement van de ‘tweede soort materie’ deeltjes zoals Descartes had voorgesteld, maar paste dit toe in een Lucretiaans universum vol atomen. Dit laatste verloste hem van de Cartesiaanse noodzaak om ruimte en stof gelijk te stellen zodat hij materiële lichamen uit grotendeels lege ruimte kon laten bestaan. In zijn ongepubliceerde manuscript Over de oorzaak van de zwaartekracht schreef hij dat ondanks het gewicht van goud dit metaal misschien wel een biljoen (1012) keer meer leegte dan stof bevat Ter illustratie merkt hij op dat water en glas weliswaar dichte stoffen zijn maar toch volledig transparant voor de doorgang van licht. Op dezelfde manier zouden alle materialen, ook ondoorzichtige, nagenoeg vrije doorgang kunnen verlenen aan voldoende kleine deeltjes.

   Hij veronderstelde dat ook hemellichamen vol poriën zaten waardoor het grootste deel van de oneindig kleine deeltjes waaruit de etherische stof zou bestaan, hen in elke richting kon passeren. Sommige deeltje zouden desalniettemin botsen met materiële substantie waardoor het totaal aantal botsingen evenredig zou zijn met de hoeveelheid materie, ongeacht de vorm of dichtheid van het lichaam.

   De gedachte was in zoverre niet nieuw dat Huygens al in een appendix van zijn Traité de la lumière over zijn eigen zwaartekrachttheorie had gezegd dat de etherische deeltjes oneindig klein moesten zijn. Huygens kon zich echter minder goed onttrekken aan de invloed van Descartes dan Facio en bleef ervan overtuigd dat de ether zich rondom de aarde gedroeg als een draaikolk waardoor een dichtheidsgradiënt ontstond die voorwerpen deed vallen. Facio daarentegen verwierp de cartesiaanse wervels en poneerde dat elk lichaam onderhevig was aan een gelijke stroom van etherische deeltjes vanuit elke richting (zuiver isotrope omni-directionele stroom). Om de netto aantrekkingskracht tussen twee lichamen te verklaren, ging hij ervanuit dat de botsende deeltjes een teruggekaatste stroom vormden (flux) met een iets geringere snelheid dan de invallende stroom.

   Voor de bouw van vaste stoffen stelde Facio zich een soort rooster structuur voor. Hij vermoedde dat, analoog aan (sneeuw)kristallen, alle materie was opgebouwd uit geometrische figuren. Zijn manuscript bevat een schets van een regelmatig veelvlak opgebouwd uit driehoeken waarbij hij opmerkt dat elke driehoek weer in kleinere driehoeken kan worden verdeeld (hoewel het Facio ging om de bouwstenen van de materie werd een dergelijke geodetische koepel in de 20e eeuw ontworpen door architect Buckminster Fuller).

   Facio benadrukte dat bij de opwekking van zwaartekracht wij dienen uit te gaan van een omgekeerde evenredigheid tussen de grootte en snelheid van de deeltjes waardoor vanzelf de weerstand die wordt veroorzaakt door de beweging van ‘grove’ lichamen verwaarloosbaar klein wordt. Door de snelheid van de etherische deeltjes extreem groot te maken, zo stelde hij, kunnen we mate waarmee de teruggekaatste deeltje worden vertraagd zo klein maken als we willen, zodat er na verloop van tijd geen merkbare vermindering van hun beweging hoeft te hebben plaatsgevonden.

   Facio was zeer in zijn nopjes met zijn zwaartekrachttheorie en oogstte waardering bij diverse vooraanstaande wetenschappers, zoals Huygens, Halley en Newton. Hij was vooral trots op de door hem opgevatte goedkeuring van Newton, hoewel de laatste meer geneigd leek gravitatie te beschouwen als ‘de Wil van God’. Het is onduidelijk hoeveel hun getoonde waardering werkelijk waard was. Wellicht waren ze alleen maar aardig tegen hem of hielden ze hem voor de gek zoals de wiskundige David Gregory suggereert met zijn vermelding dat Halley en Newton de manier waarop Facio de zwaartekracht probeerde te verklaren maar belachelijk vonden (bij een andere gelegenheid merkte Gregory overigens op dat bouwmeester Christopher Wren wat smalend moest glimlachen om Newtons geloof dat de zwaartekracht geen mechanische oorzaak heeft maar door God is geschapen. Kennelijk had Gregory snel een oordeel klaar als het ging om wat mensen amuseerde).

 

In de 18e eeuw zou Facio’s gravitatietheorie – zonder vermelding van zijn naam – worden gepubliceerd door de Zwitserse wiskundige Georges-Louis Lesage, uitvinder van een primitieve elektrische telegraaf. De theorie werd bekend als Lesage’s schaduwtheorie van de zwaartekracht. Nicholas Fatio de Duiller introduceerde een mechanistische verklaring van de zwaartekracht door de ether voor te stellen als een ruimte gevuld met een in alle richting voortsnellende stroom ultra kleine deeltjes waardoor objecten naar elkaar toe worden geduwd omdat ze elkaar afschermen van deze deeltjesstroom.

   Volgens Lesage werpen grove objecten een schaduw in alle richtingen omdat ze een klein aantal gravitatiedeeltjes dat hen treft, absorberen. Als twee grote lichamen dicht bijeen gebracht worden, schermen ze elkaar gedeeltelijk af van de deeltjesstroom, wat resulteert in een netto kracht in elkaars richting (Lesage onderscheidde zich van Facio door te beweren dat de deeltjes werden geabsorbeerd. Facio had betoogd dat de deeltjes met een geringere snelheid werden teruggekaatst; een doelmatiger mechanisme waaraan een veel geraffineerder redenatie ten grondslag lag.7

 

Dit artikel is de vertaling van een aantal onderdelen uit Nicolas Fatio and the Cause of Gravity in History van de MathPages: www.mathpages.com/home/kmath041/kmath041.htm

 

Geestelijk bezwangerd met Joods-Christelijke tradities probeerden veel Europese geleerden in de 17e en 18e eeuw de Goddelijke Waarheid te ontfutselen aan de Thora (Oude Testament), de stand der sterren (Macrokosmos) en het slijk der aarde (Microkosmos). De meesten waren natuurfilosofisch geschoold en ervan overtuigd dat wiskunde de sleutel was waarmee de hemelpoort kon worden geopend om antwoord te krijgen op alle vragen. (dat heeft aangehouden totdat Gödel onomstotelijk aantoonde dat wiskunde is gebaseerd op een cirkelredenatie en uiteindelijk nergens toe leidt. Hij beschouwde dit overigens als het bewijs dat God wel moest bestaan).

   Als een kind van zijn tijd verdiepte Nicholas Facio zich in de differentiaal- en integraalrekening, de wiskunde van de verandering, alsmede in de astrologie en de alchemie. Zijn esoterische kennis sterkte de diep gelovige protestant in zijn overtuiging dat hij de waarheid aan zijn kant had. Dat zal zeker hebben bijgedragen aan zijn ontvankelijkheid voor de profetieën van de protestante Camisards.    

  

De Camisards, of kinderen Gods zoals ze zichzelf liever noemden, waren Franse Hugenoten wier rechten hen, na de herroeping van het Edict van Nantes, waren ontnomen. Een kleine eeuw hadden de Calvinisten kunnen genieten van godsdienstvrijheid maar nu vond de roomse koning Lodewijk XIV het welletjes: politieke eenheid kon alleen bestaan als er maar één godsdienst was: de katholieke dus.

   De Rotterdamse predikant en hugenoot Pierre Jurieu publiceerde onmiddellijk l’Accomplissement des Prophéties  waarin hij voorspelde dat het katholicisme in 1689 ten onder zou gaan. Eén van zijn leerlingen verkondigde dit onder kinderen in de Cévennes waarna honderden van hen korte tijd later in geestelijke vervoering Bijbelse profetieën reciteerden en het einde van de clerus en de Franse koning verkondigden. Door de afwezigheid van getrainde predikanten werd de fanatieke boodschap verspreid als een lopend vuur en bleef niet langer beperkt tot kinderen.

   In het zuiden van Frankrijk, waar de bevolking van oudsher geen autoriteit erkende buiten hun eigen goddelijke inspiratie, werden opstandige protesten evenwel gesmoord in toffelemone overheersing. Veel protestanten emigreerden, maar toen op gezag van Lodewijk XIV de grenzen werden gesloten voor de protestante uitbraak, ontspon een ware guérrillastrijd. Aangemoedigd door profeten die de overwinning in het vooruitzicht stelden, werden kerken vernietigd en priesters gedood. De royalistische Franse troepen reageerden met razzia’s en het platbranden van honderden dorpen in de Cévennes. Na verloop van tijd moesten steeds meer opstandelingen het onderspit delven en probeerde men door onderhandelingen het vege lijf te redden. De meeste leiders wisten het land bijtijds te ontvluchten. Een aantal onstuitbare vechtjassen werden tenslotte verraden en opgepakt. Na langdurige foltering op de pijnbank werden ze veroordeeld tot de brandstapel: 

 

De volgende dag werden ze uit hun gevangenis gehaald en op een kar naar het schavot gereden. Lopen ging niet meer omdat het bot van hun benen was verbrijzeld. Voor Catinat en Ravanel was een brand-stapel opgericht; Villas en Jonquet wachtte het rad.

   Allereerst werden Catinat en Ravanel ruggelings aan dezelfde paal gebonden, waarbij er angstvallig voor gezorgd werd dat Catinats gezicht naar de wind gekeerd was zodat zijn doodsangst langer zou duren als de stapel onder Ravanel werd ontstoken.

   Zoals voorzien wekte deze maatregel grote instemming bij het publiek dat zolang mogelijk van de terechtstelling wenste te genieten. De straffe wind blies de vlammen in de richting van Ravanel zodat ze aanvankelijk alleen Catinats benen schroeiden – een omstandigheid die, zo meldt de auteur van De Geschiedenis van de Camisards, Catinat vertwijfeld naar het einde doet verlangen. Ravanel daaren-tegen gedroeg zich tot het eind zeer heldhaftig en staakte alleen zijn gezang om zijn onzichtbare leedgenoot, wiens gekreun en gevloek hij wel kon horen,  moed toe te spreken; om dan zijn psalmen te vervolgen, net zo lang totdat zijn stem gesmoord werd door de vlammen.

   Net toen hij zijn laatste adem uitblies werd Jonquet van het rad gehaald en met afhangende gebroken ledematen naar de brandstapel gedragen en erop gegooid. Temidden van de vlammen kon men zijn stem horen: “Heb moed, Catinat; we zullen elkaar spoedig weerzien in de hemel.” Enkele ogenblikken later brandde de paal aan de onderkant door en brak af waardoor Catinat in de verstikkende vlammen viel. Deze onvoorziene gebeurtenis veroorzaakte flink wat ongenoegen bij het publiek dat vond dat zich met een spectakel van amper drie kwartier door de organisatie belazerd voelde. Villas hield het nog, zonder een kik te geven, drie uur uit aan zijn rad voordat hij de laatste adem uitblies.  

 

Onder de Camisards die zich Londen vestigden was ook Elias Marion, één van de voormalige leiders, die zich opwierp als voorman van ‘les enfants de Dieu’, in Engeland beter bekend als de ‘French Prophets’. Hij publiceerde verscheidene boeken waarmee hij veel aandacht trok en die menig Engels-man bewoog om tot zijn sekte toe te treden. Eén van hen was Nicholas Facio de Duiller.

   Zijn Calvinistische opvoeding en slechte ervaringen in Frankrijk (een astronomische aanstelling was ondanks Cassini’s aanbeveling onmogelijk omdat hij niet katholiek was) maakte Facio nogal ont-vankelijk voor de boodschap van de streng protestante vluchtelingen uit Frankrijk. De Bijbelse profetieën over de terugkeer van Christus en het duizendjarige rijk Gods zullen hem zeker hebben aangesproken. Van sympathisant werd hij pamflettist en uiteindelijk secretaris van Marion.

   Conflicten met de katholieke kerk en de Britse overheid leidden tot rellen waarna Marion werd ver-oordeeld tot twee dagen aan de schandpaal. Hij en enkele andere kopstukken, waaronder Facio, werden blootgesteld aan de sensatiebeluste rouwdouwers op het Londense beursplein (Charing Cross). De volgende tekst vermeldde het misdrijf van resp. Marion en Facio:  

 

Elias Marion, veroordeeld voor het zich valselijk en godslasterlijk voordoen als een ware Profeet, en voor zijn talloze geschriften en verkondigingen als ware deze aan hem opgedragen en geopenbaard door de Heilige Geest, waarmee hij ons volk de stuipen op het lijf heeft gejaagd.

   Nicholas Facio, veroordeeld als medeplichtige ten gunste van Elias Marion, medeplichtig aan diens verdorven en onechte profetieën, en het op schrift stellen en de verspreiding ervan, waarmee hij ons volk de stuipen op het lijf heeft gejaagd.

 

Enige tijd daarna vertrokken ze met een groep Franse Profeten naar het Continent om hun boodschap uit te dragen. In Holland werd Facio nog eens tweemaal tot de schandpaal veroordeeld voor het uit-geven van Marions godslasterlijke profetieën. Vervolgens werd hij in Den Haag zes weken gevangen gezet, volgens de geruchten op verzoek van een paar oude vrienden die hem zo hoopten te verlossen van de invloed van Marion en zijn ‘Broeders van Christus’. Hun pogingen mislukten echter waarna Facio, Marion en hun geestverwanten door centraal Europa trokken.  Marion werd uiteindelijk ernstig ziek en overleed in Turkije 1n 1712.

   Hierna keerde Facio terug naar Engeland en vestigde zich in Worcester waar hij de rest van zijn leven toegewijd bleef aan de nieuwe Profetieën.

 

 

Het was een dag als alle anderen, de dag dat de oude heer Facio besloot om zijn dagelijkse ronde wat in te korten. Aan het weer lag het niet. Dat was zoals gewoonlijk net zo wisselvallig als zijn stemming. De reden om voor het ‘regenpad’ te kiezen, de route die hij volgde als hij door het kille verdriet van God werd bevangen, was dit keer zijn slechte geheugen geweest. Niet dat hij verdwaald was of zo, hij had zijn loodstift vergeten bij zich te steken! En nu hij geen aantekening kon maken, was hij bang dat zijn ingeving hetzelfde lot was beschoren: In Zijn goedertierenheid had de Heer hem geopenbaard hoe de gleuf kon worden uitgeboord waarin hij het mengsel van grafiet, zwavel en hars zou gieten om, oh ironie, zijn loodstift overbodig te maken.

   Decennia geleden al had hij de roerselen der alchemie beleden maar zelden had een mengsel praktisch nut gehad. Dit stolsel echter zou, mits goed geprepareerd, wellicht winstgevend zijn. Vooral als wat ermee geschreven werd door de toegevoegde spiritualiteit van zijn sibillijnse bezweringen een welwillende inwerking op de lezer zou hebben. De gedachte aan zo’n toverstift deed hem zijn pas versnellen. Hij wilde direct aan de slag.

   Nicholas had de voordeur van zijn woonstee nog maar net achter zich gesloten toen het geratel van een naderende koets zijn voornemen verstoorde. Hij hoorde het rijtuig tot stilstand komen en nieuwsgierig opende hij de deur weer. Verbaasd zag hij een deftig heerschap, dat ondertussen was uitgestegen, op zich toe schrijden. Toen herkende hij de knappe echtgenoot van Sir Isaacs adoptiedochter en direct daarop werd hij tot zijn ontsteltenis de rouwband pas gewaar.

   “John!”

    De aangesprokene naderde hem tot op een halve meter en keek hem ernstig aan.

   “Voor hij zijn laatste adem uitblies, noemde hij uw naam.”

   De mannen omhelsden elkaar ontroerd.

   Hier bestaat niets anders dan een eeuwige rust in een vreugdevolle omhelzing van liefdevolle vervoering.

  

Later dronken ze thee bij een verwarmend haardvuur en haalden herinneringen op aan de Grote Meester. John Conduitt had zijn illustere oom zorgzaam onderdak verschaft op Cranbury Park, het landgoed dat hij sinds een jaar of tien bewoonde. Hij had al heel wat manuscripten van Sir Isaac verzameld en nu koesterde hij de wens om een bloemlezing te maken. Geestdriftig begon Nicholas te vertellen over de uren die hij met zijn oude vriend had doorgebracht in diens laboratorium in Cambridge, maar verstomde toen hij de afkeuring zag in de ogen van het parlementslid. Niet alle passies van Sir Isaac behoefden zo breed te worden uitgemeten. En zeker niet zijn illegale goudmakerij. Facio’s verdediging van de Britse nationale trots tegen de pedante aanspraken van die snobistische Leibniz werd meer gewaardeerd.

   Weldra maakte Conduitt duidelijk wat de eigenlijke reden van zijn bezoek was.

   “Ik ga mij inspannen voor een monument ter nagedachtenis aan Sir Isaac. Ik heb ook een voorlopig voorstel voor een grafschrift. Kunt u de goedheid opbrengen daar eens naar te kijken?”

   Hij overhandigde enkele epistels aan zijn gastheer die er een vluchtige blik op sloeg.

   “Neemt u er vooral rustig de tijd voor. De zaak moet terdege worden voorbereid. Zo’n grote geest verdient het uiterste van onze vermogens.”

   Hij stond op van zijn stoel, zette zijn lege theekop op tafel en strekte beide armen uit naar de oude Nicholas die, een beetje teleurgesteld over het snelle vertrek van zijn gast, ook overeind was gekomen. 

   “Ik moet weer verder. Er is een politieke bijeenkomst in Warwick waar ik wordt verwacht. ’t Is hier vlakbij.”

   De mannen omarmden elkaar ter afscheid en Nicholas begeleide zijn gast naar buiten. De opmerkzame koetsier sprong van de bok en opende het portier van de koets. Ze omhelsden elkaar voor een laatste keer.

  Dit is de donkere stilte waarin al de liefhebbenden verloren zijn. Maar mochten we ons zo in deugden kunnen voorbereiden, dan zouden we onszelf snel van het lichaam ontdoen en zouden we in de wilde golven van de zee vloeien, van waaruit geen schepsel ons ooit zou kunnen terughalen.

 

 

Enkele maanden daarna had Nicholas Facio met behulp van zijn zelfgemaakte schrijfstiften diverse teksten opgetekend die voor het nageslacht bewaard zijn gebleven. Het gaat om het grafschrift voor Isaac Newton dat hij op verzoek van John Conduitt maakte *, om een brief aan de Academie**  en om een verzoekschrift aan koning George II***. In alle gevallen was geld de voornaamste drijfveer.

 

  

 

Wellicht heeft Nicholas Facio zijn bedenkelijke roem echt te danken aan geldgebrek. Met de geldelijke steun van zijn moeder (maar tegen de zin van zijn vader), klampte hij zich vast aan ogen-schijnlijk lucratieve vooruitzichten. Zijn wiskundige genialiteit staat evenwel buiten kijf. Of, zoals de latere bisschop Gilbert Burnet hem had beschreven in een brief aan Robert Boyle: “… als 22- jarige de grootste van zijn generatie van wie we nog buitengewone ontwikkelingen kunnen verwachten.”

   Het is niet bekend wat bovenstaande schrijfsels hem hebben opgeleverd. Zijn gravitatietheorie is tijdens zijn leven nooit gepubliceerd, in dichtvorm noch in proza. Na zijn dood zijn anderen ermee aan de haal gegaan waardoor de theorie tegenwoordig bekend is als de zwaartekrachttheorie van Le Sage. Vrij zeker is dat hij de toegezegde beloning voor de verhindering van de gijzeling van Willem van Oranje nooit heeft ontvangen.

   Tijdens zijn jaren in Worcester (1714-1753) verdiende hij de kost met lesgeven en het geven van tuinadviezen. Aanvankelijk derfde hij ook nog wat inkomsten uit een gedeeld octrooi voor de door hem ontwikkelde techniek om gaatjes in robijnen te boren. Misschien hebben zijn sektarische sym-pathieën hem ook nog iets opgeleverd.

   Er gaan wel geruchten dat zijn leven een aaneenrijging was van liefdesaffaires en dat hij zich tot zijn dood in 1753 liet onderhouden door anderen. Dat neemt niet weg dat zijn genie eeuwig voortleeft in de juwelen van het raderenmechaniek van elk uurwerk.

   Zijn lichaam ligt begraven in de St. Nicolas kerk, Worcester.  

  

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

Geert Kimpen. De Geheime Newton. Arbeiderspers, 2008 (www.geertkimpen.com/newton-inhoud.html)

 

 

Het doet mij veel genoegen dat u hebt besloten een beroep te doen op mijn talent en inzet om mee te werken aan het ontwerp van een monument dat Sir Isaak waardig is. Uw genereuze honorering komt mij zeer gelegen al neig ik ernaar deze te weigeren: de eer en mijn respect voor de Grote Meester dienen mij voldoende te zijn. Maar ach, ik zal uw edelmoedigheid niet krenken, er moet tenslotte brood op de plank.   Voorlopig beperk ik mij tot de inscriptie, die mijns inziens het mooist tot zijn recht komt in de vorm van een langgerekte ovaal. De graveur kan zelf besluiten welke afmetingen het epitaaf moet krijgen om goed leesbaar te zijn.

 

H.S.E. 
Isaacus Newtonus

Qui Experientiâ Duce, Mathesi facem præferente, Naturæ leges primus demonstravit.

Stupenda cujus Inventa Multa quidem cum eo sepulta jacent;

Reliqua vero dinumerent, exosculentur, Posteri; Sed ampla vix possit indicare Tabula. 
Ingenium divinius, Animamque simul candidiorem, Coelum nunquam dedit. 
Sibi gratuletur Orbis tale tantumque exstitisse Humani Generis Decus: 
Nam Hominem eum fuisse si dubites, Hocce testatur marmor. 
Exortus Die Natali Domini 1642, Vixit Annos LXXXIV Dies LXXXV.
 

 

 Hier ligt Isaac Newton, die door proefondervindelijk onderzoek, middels wiskunde de oorzaak presenterend, als eerste de wetten der natuur demonstreerde. Hoe lofwaardig waren zijn ontdekkingen, vast veel meer nog zijn met hem in het graf verdwenen. Dat de achterblijvers ze nimmer vergeten, moge zij ze koesteren. Want geen boek is groot genoeg om ze volledig weer te geven. Zo’n door god geïnspireerd genie, met hoogst oprechte ziel, heeft de hemel ons nooit eerder geschonken. De hele wereld is dankbaar dat zo’n geweldig sieraad van een mens ooit heeft bestaan. Mocht ge twijfelen aan zijn grootsheid , laat deze marmeren gedenksteen het u verzekeren. Sedert zijn geboorte in 1642 heeft hij vierentachtig jaren en vijfentachtig dagen geleefd.

 

De uiteindelijke tekst op Newtons monument luidt evenwel:

H. S. E. ISAACUS NEWTON Eques Auratus, / Qui, animi vi prope divinâ, / Planetarum Motus, Figuras, / Cometarum semitas, Oceanique Aestus. Suâ Mathesi facem praeferente / Primus demonstravit: / Radiorum Lucis dissimilitudines, / Colorumque inde nascentium proprietates, / Quas nemo antea vel suspicatus erat, pervestigavit. / Naturae, Antiquitatis, S. Scripturae, / Sedulus, sagax, fidus Interpres / Dei O. M. Majestatem Philosophiâ asseruit, / Evangelij Simplicitatem Moribus expressit. / Sibi gratulentur Mortales, / Tale tantumque exstitisse / HUMANI GENERIS DECUS. / NAT. XXV DEC. A.D. MDCXLII. OBIIT. XX. MAR. MDCCXXVI

(Hier rust Isaac Newton, ridder, die met de bijna goddelijke kracht van zijn geest, wiskundige principes, de oor­zaak van de beweging van de hemellichamen, de beweging van de kometen, de getijden van de zee, de verschil­len in lichtstralen, en wat nooit iemand eerder zich kon voorstellen, de eigenschappen van licht, in kaart heeft gebracht. IJverig, scherpzinnig en gelovig in zijn benadering van de natuur en de oudheid van de heilige ge­schriften, rechtvaardigde hij met zijn filosofie de majesteit van de grote en goede God en gaf op zijn manier be­tekenis aan de eenvoud van het evangelie. Wij stervelingen zijn vol vreugde dat er ooit zo’n groot man van ons menselijk ras heeft bestaan. Hij is geboren op 25 december 1642 en stierf op 20 maart 1627).

 

Een afgewezen grafschrift van Alexander Pope luidde:

Nature and Nature's laws lay hid in night: God said, Let Newton be! and all was light.

(De natuur en al haar wetten liggen hier buiten ons zicht. God zei: Laat Newton zijn! en er was licht)

 

 

 

 De Koninklijke Academie van Wetenschappen heeft enkele jaren geleden een prijs uitgeloofd voor de oplossing van een vraagstuk, waarvan het enige juiste antwoord al was vervat in Sir Isaac Newtons voorspellingen en mijn verklaring van de zwaartekracht. Dit was mij destijds ontgaan en de prijs is naar iemand uit Moskou gegaan. Twee jaar geleden heeft de Academie een nog grotere prijs uitgeloofd voor de oplossing van een ander vraagstuk. Opnieuw was het antwoord te vinden in Sir Isaac Newtons Principles in samenhang met mijn theorie van de zwaartekracht. Met de inmiddels overleden grondlegger van deze prijskampen heb ik ongeveer dertig jaar geleden in Parijs een lang gesprek gevoerd. Hij heeft mij toevertrouwd dat de prijzen dienden om de filosofie van Descartes te verspreiden. Daardoor begreep ik dat de Academie in haar verwerping van de Cartesiaanse visie mij geen recht kon doen. Desalniettemin heb ik in navolging van Lucretius een Latijns gedicht geschreven waarin ik de oorzaak van de zwaartekracht heb uitgelegd. Dit heb ik gedaan nadat ik al eerder mijn theorie in algemene termen in proza naar de secretaris had gestuurd. Op deze brief had ik een heel vriendelijk antwoord ontvangen. Maar op mijn gedicht, dat toen nog veel korter en onvollediger was dan inmiddels het geval is, kreeg ik helemaal geen antwoord. Ik vermoed dat de leden van de Academie zich waarschijnlijk aan enkele vrijmoedige formuleringen hebben geërgerd. Ik had ze alle vrijheid gelaten om met de beloning te doen wat ze wilden (en mij die te onthouden) door het openlijk benoemen van de plechtige uitnodiging aan alle geleerden van willekeurig welk volk op aarde; toen ik wist dat de ze de beloning tot gelegener tijd konden bewaren, zouden ze daarmee het Cartesianisme het meest een dienst bewijzen.

  Het zou vanzelfsprekend zijn geweest om een dergelijk opstel niet in dichtregels maar in proza te schrijven. Maar deels omdat ik meende dat de Academie niet echt serieus viel te nemen en deels omdat mijn theorie de tussenkomst bewijst van een hogere macht die zich eindeloos uitstrekt over de gehele ruimte, heb ik het in de vorm van een gedicht gegoten.* Daarmee hoopte ik dat het als tegengif zou werken tegen de filosofie van Lucretius, die zoveel kwaad gedaan heeft in dit land en waarschijnlijk ook in de rest van de wereld. Vaak verwijs ik naar Sir Isaac Newton in mijn drietal boeken over de oorzaak van de zwaartekracht. Elk van die boeken omvat ongeveer vier- à vijfhonderd versregels.

   Vaak heb ik mij erover verbaasd dat de tweede en derde uitgave van Sir Isaac Newtons Principles deze kwestie nauwelijks belicht. Als er sprake is van oorzaak dan is een mechanische oorzaak het meest waarschijnlijk en ik toon aan dat er geen andere oorzaak kán zijn dan een mechanische. En Sir Isaac wist dat heel goed. Elk astronomische verschijnsel –  waarop onze natuurfilosofische kennis is gebaseerd – bevestigt zowel mijn theorie als Sir Isaac Newtons gevolgtrekkingen over zwaartekracht. Een groot aantal andere verschijnselen bewijzen eveneens een mechanische oorzaak door hun bijzondere en anderszins onverklaarbare uitwerkingen. Zodat het net zo min als Sir Isaac Newtons Principles kan worden opgevat als een hypothese zonder meer. Als mij voldoende tijd is gegeven, kan ik de theorie misschien wel op dezelfde manier als Sir Isaac formuleren (in stellingen) zodat het niet alleen naadloos aansluit bij de rest van zijn werk maar er werkelijk deel van gaat uitmaken en zowel de sleutel als ontsluiting wordt van onze kennis over het basisprincipe van de natuur. Wellicht zou dit drietal boeken kunnen worden opgenomen in uw bloemlezing. Ik weet dat Sir Isaac deze theorie meer waardeerde dan hij openlijk wilde toegeven hetgeen ik zelfs kan aantonen in de laatste uitgaven van zijn optica.

   Ik weet niet wanneer ik klaar zal zijn met de toevoegingen aan en veranderingen van mijn boek over de zwaartekracht. Het exemplaar dat ik naar Parijs heb gestuurd is nogal snel in elkaar geflanst want ik was er te laat aan begonnen. Ik hoop dat ze het hebben vernietigd zoals ze hadden beloofd. Ik heb mijzelf overigens gevleid met de gedachte dat ze wellicht de vrijheid hadden genomen om, weliswaar in strijd met hun opdracht maar in overeenstemming met de wens van de bedenker van de prijskamp, het toch onder de aandacht te brengen van de geleerde gemeenschap, zelfs al waren ze het niet eens met mijn stijl. In kringen die al geruime tijd worden beheerst door slaafse onderwerping, wordt wetenschappelijke vrijheid blijkbaar als iets schandelijks gezien en houdt men zich daar liever verre van.

 

*De gedachte is afkomstig uit Het Derde Leven van de 14e eeuwse Vlaamse monnik Jan van Ruysbroec. Nog tijdens zijn leven werden er Latijnse vertalingen gemaakt, o.a. door William Jordaens en Gerard Grote, die de religieuze Facio wellicht gelezen heeft

 

.

 

Aan Zijne Koninklijke Hoogheid George II van Groot-Brittannië

 

Rekwest van Uw nederige onderdaan Nicholas Facio Duiller

 

Dewijl, door een voorzienigheid van de almachtige Here God, in het jaar 1686, Uwe Majesteits rekwestrant een kostbare reis heeft ondernomen van Geneve naar Holland, teneinde de Prins van Oranje en latere Koning van Engeland in kennis te stellen van een uiterst geheim en huiveringwekkend complot inzake zijn leven dan wel zijn vrijheid. Dewijl zowel de Prins als de Staten-Generaal overtuigd waren van de ernst van het gevaar, door hen passende en afdoende maatregelen werden getroffen, om de uitvoering ervan te voorkomen. Dewijl dit meer dan veertig jaar geleden plaatsvond, de draagwijdte nog immer – op onze Grondwet en Uw Kroon en Staatszaken, op posities en diensten in zowel kerk als staat, en op het gehele Britse volk – buitengewoon groot is, en hopelijk nog heel lang voortduren zal. Dewijl Uwe Majesteits rekwestrant hierin gehandeld heeft uit zuiver plichtsgevoel en edelmoedigheid, maar wel met levensgevaar, hij heeft nagelaten de beloning te innen, die was toegezegd dat hij ontvangen zou, in Holland van de Prins zelve en van de Staat, of, in Engeland van dezelfde Prins, nadat hij was gekroond. Dewijl verscheidene aanzienlijke schulden de situatie van Uwe Majesteits rekwestrant ingrijpend hebben verzwakt, kan hij, uit billijkheid tegenover zijn schuldeisers en tegenover zichzelf of zijn executanten, niet anders dan de zaak aan Uwe Majesteit voorleggen; moge Uwe Majesteit, na het hier bovenstaande in overweging te hebben genomen en U grondig van de waarheid te hebben verzekerd, zoveel consideratie hebben en hem zo verblijden als U in Uwe Koninklijke Wijsheid goeddunkt. En Uwe Majesteits rekwestrant zal eeuwig bidden enz.

 

  

  

 

Jean-Antoine l’Epine produceerde begin jaren 70 van de 18e eeuw de voorloper van het moderne zakhorloge in de fabriek van François-Marie Arouet (Voltaire) in Ferney.

De deïstische filosoof en ondernemer meende trouwens dat Onze Lieve Heer ook een soort horlogemaker was.

 

 

 

 

L’HOMME SAUVAGE

Alleen in een atheïstisch universum kan ik gelukkig zijn

 

 

Tijdens de verlichting (18e eeuw) werden humanistische denkbeelden verspreid die twijfel zaaiden over de onsterfelijkheid van de ziel en het geloof in God als de essentie der dingen. Rationalisering en secularisatie waren het gevolg. De materialistische opvatting dat levende wezens in essentie niet verschilden van  machines werd verwoord door de Franse arts Julien Offray de la Mettrie in L’Homme Machine.1 Destijds opruiende en daarom verboden teksten worden door sommigen nog steeds als kwetsend ervaren. De toegenomen kennis van mens en natuur veroorzaakten een schisma in de samenleving tussen aanhangers van het kerkelijk gezag en naturalistische vrijdenkers die zichzelf pyrronisten (sceptici) noemden. De geclaimde overeenkomst tussen mens en dier was de opmaat voor nog schokkender denkbeelden in een volgende eeuw.

 

 

Eén ding weet hij zeker: hij is een zwijn. Hij heeft geleefd als een zwijn; nu gaat hij dood als een zwijn. Hij heeft nergens spijt van.

   Non, je ne regrette rien.

   Een krampscheut doet hem bijna dubbel klappen maar dan is de pijn weer weg. Zijn hoofd zakt terug tussen de kussens. Hij beseft dat de raderen van zijn ingewand zijn vastgeroest, maar van het feestmaal heeft hij liederlijk genoten. Dat had hij voor niets willen missen. Al waren er wel een paar zuurpruimen geweest wie het kennelijk had gestoord dat hij het zich zo goed had laten smaken.

   Stelletje droeftoeters. Als je ze de waarheid zei, keken ze zo verontwaardigd dat het bijna meelijwekkend was. Op hun ziel getrapt. Haha! Doktertje spelen! Maar een goed boek hebben ze nog nooit gelezen.

   Een valse grijns glijdt over zijn gelaat terwijl een gestalte over hem heen buigt. Een hand raakt aan zijn wang, een lichte streling, hij wil de hand vastpakken maar hij kan zich niet bewegen, alleen geluidloos schreeuwen.

   Dat ik nu toch aan die ouwe moet denken…

 

Jaren eerder had hij in Leiden de innemende Herman Boerhaave leren kennen. Ook al was de man al oud en soms wat ongeduldig, zijn enthousiasme en toewijding waren nog altijd inspirerend. Diep onder de indruk had hij gezien hoe de persoonlijke aandacht voor een patiënt in de praktijk van zijn leermeester niet onderdeed voor eruditie en intelligentie als het ging om medische zorgverlening. Bovendien had hij in hem een geestverwant herkend die waarde hechtte aan autopsie om een doodsoorzaak te kunnen vaststellen. Godvruchtige vermaningen jegens zulke lijkopeningen wees hij schamper van de hand. Hoewel geen uitgesproken materialist benadrukte de arts dat gezondheid en ziekte werden bepaald door mechanische beginselen. Net als hijzelf had Boerhaave een broertje dood gehad aan metafysica en theologie. De door God gegeven onsterfelijke ziel lag niet op zijn terrein.

 

Dit lichaam ben ik gloeit als een spaander vergaat zo tot as.

   Zweetdruppeltjes wellen op uit de kalende hoofdhuid. Transpiratievocht meandert langs zijn wangen en bevochtigt het kussen. Hij voelt de koelte in zijn nek. Nog wel.

  De pijnscheuten lijken verdwenen. Alleen een doffe misselijkheid en een gloeiende kop maken hem duidelijk dat het flink mis is met zijn lijf. Hij wil iets zeggen maar er komt alleen zielig gebrabbel over zijn lippen: “Gradbakkere ehhh … Stoppelteef! ik weet zeker wat ik zie! ksie alls wajij niesie en nog veel meer …”. Zijn gemompel wordt gesmoord in schuimend speeksel. Ook van onderen laat hij alles lopen.

   Iemand opent een venster. Een hovenier brult iets in het Duits naar een ondergeschikte. Een windvlaag. Hij hoort geruis naderen. Weer buigt een gestalte over hem heen. Geen streling dit keer; hij voelt tenminste niets. Wel hoort hij gefluister, geroezemoes, irritant geklets. Zijn arm of zijn hals? Een flinke aderlating kan niet lang meer op zich laten wachten.

   Als de druk afneemt zal dat doffe gevoel ook wel …

 

In Leiden had hij ondervonden hoe goed hem dat deed. Het doodsgerochel in St. Caecilia2

had hem op het idee gebracht dat de inwendige ressorts in hun bewegingen werden beknot door de opstuwende lichaamssappen. Braken, janken, kakken, soms was het moeilijk, maar uiteindelijk luchtten ze hem op. De aderlatings-orgiën in de badhuizen van Parijs waren spekkie naar zijn bekkie geweest, wat die kankeraars er ook van zeiden. Trouwens, in Leiden zag je ook alleen maar zwarte kousen.

   Als hij soms moeite had met het vertalen in het Frans, bracht een orgasme altijd uitkomst. Hij knoopte zijn broek los, trok zich af en, hup, de prachtigste Franse zinnen vloeiden uit zijn ganzenveer. Niemand hoefde ervan te weten, het genot was slechts van korte duur, maar het werkte wel. Het verbeelden van de zinnen was veel duurzamer, dat was pas masturberen (de zwarte kousen wisten niet eens wat dat woord betekende, die kenden alleen het woord Gods). Hij kon zelfs een beeld van zichzelf verbeelden, zij vonden dat maar zelfingenomen ijdeltuiterij. De kneuzen!

   Verbeelding was zijn grootste gave (en misschien ook wel zijn grootste belager). Kerkelijk gezag maakte korte metten met verbeeldingskracht, twijfelaars aan God verdwenen in het limbo.

 

Gedachten spinnen door zijn hoofd, de wielen draaien. Vaak denkt hij een beeld te moeten baren. Het moet eruit! Soms denkt hij aan de vrouw zonder schede die hij ooit heeft onderzocht. Dat haar man nog tien jaar bij haar was gebleven! Was dat … of … ? Wat voor zin … als je zelfs niet kon neuken?

  In de kamer wordt gekucht.

   Was dat Fritz? Quel baquette! Komt zich weer aan mij vergapen. Slechte opvoeding, nauwelijks berouw, libéral, volgt zijn eigen driften… je l’aime bien.

 

Zowel in Parijs als in Leiden had men hem liever niet meer over de vloer. Sommigen menen dat het door zijn godslasterlijke geschriften kwam, anderen wijten het aan zijn vrijpostig en onbeschaamde gedrag in de ogen van lieden die het voor het zeggen hadden. Alleen in Potsdam was hij welkom. De vrijzinnige Frederik II van Pruisen (Fritz) omringde zich graag met artistieke en intellectuele mannen in zijn lustslot Sans,Souci. Tegen het einde van de jaren veertig had de vorst hem een vrijplaats aan het hof aangeboden. Hij zou er niet meer vertrekken.

 

Mijn ziel is zo verhit als mijn lijf ziet alles troebel ik vrees het is gedaan met mij… 

 

Ware verlichting werd volgens hem bereikt door het wegnemen van alle druk, van alle spanning, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij had aan den lijve ondervonden dat zinnelijke hartstocht zowel een verlangen was van het vlees als van het ego, hetgeen hem ervan had overtuigd dat lichaam en ziel onlosmakelijk waren verbonden. Toegeven aan dat verlangen nam elke druk weg, ook die van de gêne. Het orgasme als hoogste goed! Het had hem de reputatie bezorgd van liederlijke schuinsmarcheerder en seksverslaafde godloochenaar. Het zal altijd wel een onderwerp van dispuut blijven wat men hem meer kwalijk nam, zijn genotzucht of zijn atheïsme.

 

 

In het najaar van 1751 stierf Lamettrie na une grande boeffe ten huize van de Franse ambassadeur. Of er opzet in het spel was, zal wel nooit boven water komen. Zijn geprevelde verzoek om in de tuin te worden begraven, werd misverstaan. Men koos voor een kerk, où il est tout étonné d’être, schreef Voltaire later. In zijn rede ter nagedachtenis aan de arts noemde Frederik II hem filosoof en ongelukkig mens en sneerde, misschien onbedoeld, naar diens academische collega’s: De zieke was genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot de wetenschap van zijn collega’s, waarin hij niet het redmiddel vond dat hij zo vaak, zowel voor zichzelf als voor het publiek, gevonden had in zijn eigen kennis.

 


 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

Jabik Veenbaas. De verlichting als kraamkamer. Nieuw Amsterdam, 2013

In de Natuur heerst eenheid in verscheidenheid

Natuurlijke ordening is de bron van alle geluk

Men verrijkt zich door goed te doen en neemt deel aan de vreugde die men teweegbrengt

Het onderscheid tussen de goede en de slechte mens bestaat eruit dat bij de eerste het algemeen belang zwaarder weegt dan het eigenbelang en bij de tweede omgekeerd

Het zinnelijk geluk is het naadloos samenvloeien van tegengestelde bewegingen

Voor onze gemoedsrust is het trouwens om het even of de materie eeuwig of geschapen is en of er al dan niet een god bestaat

Een volledige Nederlandstalige vertaling van l'Homme Machine, inclusief commentaar, is te vinden op https://verbodengeschriften.nl/html/de-mens-een-machine-julien-offray-de-la-mettrie.html?zoom_highlight=de+mens+een+machine.htm

Het Sint Caeciliaklooster was het gasthuis in Leiden waar Boerhave zijn praktijk uitoefende en studenten rondleidde

 

 

       L & B: MENU                  GRANDE BOUFFE  

 

 

L’apéritif

Dubonnet avec jus d’orange

Champagne

Perrier-Jouet

Le vin

Blanc: Château Haut-Brion 1989, Pessac-Léognan

Rouge: Château Lafite-Rothschild 1999, Pauillac

L’entrée

L’escalope de cachalot à l’oseille avec des chevaux marins cuits

Pâtes fraiches aux truffes blanches d’Alba et foie gras

La soupe

Soupe à la tortue aux orties

Soupe de Karang Bolong

Le plat principal

Guenon au gros sel à l’achillée

La côte de cougar juste rôtie avec sa purée de pommes de terre à la truffe

Sorbet

Sorbet au citron vert parfumé de basilic et de pomme verte

Le fromage

Camembert fermier, Castelmagno, Tomme Vaudoise, Pule, Sainte-Maure de Touraine serve avec miel de sapin des Vosges

Le dessert

Tarte au chocolat signées Marc Guibert

Pomme en croûte au cœur gourmand

Le café

Expresso Arabique

Le digestif

Farigoulette

 

 

 

 

 

HOMO LUMINUS, DE VERLICHTE MENS

Onderwerping van God

 

 

Of er een god bestaat is niet relevant, de mens bestaat, dát is waar het om gaat! Hun aantal neemt gestaag toe (kijk maar eens naar het tellertje) en desondanks zijn velen eenzaam. Als een ander je niet aanraakt kun je dat gelukkig altijd zelf nog. Al blijft het gebrek aan verbondenheid bestaan. Je kunt de leegte vullen met dat wat iedereen vervult die niet alleen wil zijn. Wie gaat met God is nooit alleen.

   Eenzaamheid is ongezond. Bij eenzame mensen is de afweer minder goed ontwikkeld. Compensatie van eenzaamheid door religie is evolutionair voordelig. Geloof in God is een overlevingsstrategie.

   Vrijheid is een groot goed. Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van geloofsovertuiging. De eigen God is altijd de beste. Alleen hoeft niemand dat te weten. Wie zijn eigen God te serieus neemt zal weinig vrienden maken. Zelfspot, het krachtigste sociale bindmiddel na God.

 

 

Halverwege het tweede millennium kregen steeds meer christenen moeite met de onwrikbare standpunten van de kerk en de vervolging en executie van mensen die beweerden dat de wereld misschien wel anders in elkaar stak dan men de afgelopen duizend jaar was gedwongen geweest om te geloven. Of, zoals de Nationale Conventie in 1792 verkondigde bij monde van haar intellectuele lid Nicolas de Condorcet: “Weg met de tirannie van de arglist over de onwetendheid”.

   In de 18e eeuw klonk de roep om redelijkheid en rechtvaardigheid zo krachtig dat een ingrijpende maatschappelijke verandering onafwendbaar was. Verlichtingsdenkers hadden na de Portugese aardbeving in 1755* hun twijfel uitgesproken over het bestaan van een rechtvaardige God en een pleidooi gehouden voor rationeel optimisme. Er werd opgeroepen om zich niet langer door de machthebbers de les te laten lezen.

   De Franse Revolutie maakte een einde aan het autoritaire absolutisme van kerk en staat dat elke vorm van rationele kritiek op de geloofsleer de kop indrukte. Secularisatie leidde tot scheiding van kerk en staat. Democratisering en industrialisering breidden zich als een inktvlek uit over Europa en ontketende een technologische revolutie in de hele christelijke wereld. Het verstand had God onderworpen.

   Maar God was niet dood. Bij vrijwel iedereen, verlichte denkers incluis, heerste en heerst de overtuiging dat God in hen huisde/huist en – alle kerkdienaren ten spijt – Zijn boodschap direct naar hun brein doorsluist zodat ze er kennis van konden en kunnen nemen. Het godsbesef als noodzakelijke voorwaarde voor een zinvol bestaan.*

 

Nu het meer dan twee eeuwen geleden is dat een combinatie van feodale uitbuiting, geestelijke onderdrukking en verlicht denken een maatschappelijke omwenteling teweeg heeft gebracht, zie je dat het geloof in een christelijke God niet is verdwenen maar hooguit een meer persoonlijke aangelegenheid is geworden. Zonder geloof in God kun je eenvoudig niet bestaan. Het lijkt wel een vorm van commensalisme, alleen is het God die in óns woont en niet omgekeerd.  

   Voor de ware gelovige is God een emergent verschijnsel. Was het niet de apostel Paulus die vroeg: “Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u mij gemaakt zoals ik er uitzie?’” (Romeinen 9:20).

   Dat maakt God net zo onkenbaar als ons ZELF. Het is er ook al kunnen we er niet bij. We kunnen wel een tijdje zonder, maar het moet niet te lang duren. Sommigen noemen het een zinsbegoocheling, maar wat zou dat? Of God en ons ZELF al of niet bestaan neemt niet weg dat de meeste van ons kracht putten uit een vermoeden van wel. Kennelijk genereren die gedachten onze overlevingsdrang. God als antwoord op onze doodsangst: “Klom ik naar de hemel – U tref ik daar aan. Lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar.” (Psalm 139-8).

 

Als verlichte geest kun je het bestaan van God in twijfel trekken, zonder dat je bang hoeft te zijn dat iemand daartegen bezwaar maakt. Conform kun je ook het ontstaan van religie als een typisch menselijke aangelegenheid met open vizier tegemoet treden. Daar is ondertussen al heel veel over gezegd, zowel door godgelovigen als door atheïsten. Voor de ene groep opent religie de weg naar openbaring, voor de andere komt het voort uit evolutionaire overlevingsdrang. Doelgerichtheid versus oorzaak.*

   Voor wie scheppingsverhalen te simpel (statisch) vindt is een ontstaansgeschiedenis een ontwikkelingsproces (dynamisch). De evolutie van het menselijk geloof heeft een begin, op zijn vroegst toen de mens ontstond (de vraag of andere primaten geloven laat ik hier buiten beschouwing). In de organische evolutie wordt verondersteld dat een overerfbare verandering door natuurlijke selectie in een betrekkelijk korte tijd een overheersende rol binnen een soort kan spelen: individuen met de nieuwe eigenschap verdringen hun soortgenoten. Mits die eigenschap een betere overlevingskans biedt.

   Dit roept een paar cruciale vragen op. Wat kan de aard van die eigenschap geweest zijn, op welke manier leverde dat voordeel op en was er sprake van een hoofd- of bijproduct?

   Om met dat laatste te beginnen, onder een bijproduct verstaat men in deze context een toevallige erfelijke eigenschap die ‘meelift’ met een essentieel, onmisbaar erfelijk kenmerk. De boodschap is dat de eigenschap (geloof in dit geval) gemist kan worden.*

   Over de vraag hoe religie de kans op overleving vergroot is iedereen het eigenlijk wel eens: het versterkt de band tussen de groep en het individu. Let wel, het sociale gedrag van Homo sapiens bestaat ook zonder religie (net als bij andere sociale dieren is dat erfelijk bepaald), mét religie wordt de groep alleen maar hechter. Hoe hechter die band, hoe beter de groep kan functioneren en hoe meer dat de afzonderlijke leden ten goede kan komen. Een hechte groep kan vijandig staan tegenover een andere hechte groep maar juist uitnodigend tegenover de leden van een lossere gemeenschap die zich daardoor wellicht laten opslokken. Grote groepen domineren over de kleintjes.

   De oorsprong van religie als hechtmiddel kan van puur culturele aard zijn. Als groepen zich eenmaal vestigen en in grootte toenemen, vereist dit administratief beheer. De groep moet bestuurd worden en dat gaat vergezeld met voorschriften, verhalen, verboden e.d. afkomstig van een autoriteit van boven. Kortom, met religie. Een gevolgtrekking van die veronderstelling is, dat religie pas ontstond toen mensen zich vestigden (landbouw), dat nomaden minder spirituele aanleg hebben (daarom zijn ze altijd onderweg) en dat het géén aangeboren kenmerk is.

   Toch bestaat er een breed gedragen vermoeden dat er in het individuele brein van Homo sapiens een ‘constructie’ bestaat die het religieuze denken heeft gegenereerd. Door taal kunnen die eerste indrukken al ruim vóór het ontstaan van landbouw cultureel verspreid zijn, maar nóg eerder moet er een soort ontvankelijkheid zijn geweest. Een mens moet zich toch eerst een beeld van iets hebben gevormd voor dit aan een ander te kunnen doorgeven. Over het tot stand komen van die beelden bestaan uiteenlopende hypothesen. Ze hebben allemaal gemeen dat ze de overlevingsstrategie van het individu ten goede komen.*

   De suggestie dat er eerst een individuele neurologische ontvankelijkheid moet zijn geweest die daarna versterkt wordt door het saamhorigheidsgevoel, veronderstelt dat het ontstaan van religie een tweetrapsraket is: individuele selectie gevolgd door groepsselectie*. Een eenvoudiger en daarmee een aantrekkelijker hypothese is wanneer beide niveaus kunnen worden samengevoegd tot één fenomeen.#

   Eenzaamheidsgevoel wordt vooral geassocieerd met bejaarden, met mensen die veel van hun naasten zijn kwijtgeraakt en alleen achter zijn gebleven. Dat is echter lang niet het hele verhaal. Het gevoel van eenzaamheid treft iedereen al op jonge leeftijd. Het is het gevoel dat je bekruipt zodra je probeert erachter te komen wat je ZELF precies is. En tot de ontdekking komt dat je dat niet lukt. Er is niemand die je kan helpen. Je zelfbewustzijn krimpt tot een minuscule speldenknop. En vervolgens wordt je overweldigd door het gevoel dat je het universum omarmt: jouw ZELF is deZELFde als van ieder ander. Je hoeft je alleen maar te wenden tot die ander. Die heeft precies hetZELFde ervaren. Het is een universeel kenmerk dat ons tot mens maakt. Vanaf het eerste begin.

   Dit hermetische denken#  klinkt buitengewoon zweverig, misschien zelfs poëtisch, maar is het ook toetsbaar? Tsja, dat is een vraag die je bij elk historisch model kunt stellen, of het nou gaat om de verduistering van de middeleeuwen of de Braziliaanse ploftor,  geschiedenis en evolutie zijn in het laboratorium niet na te bootsen. Het gaat dus om argumenteren.

   Het al op vroege leeftijd ontdekken van het ZELF kan iedereen zich herinneren. Evenals het vermoeden dat dit ZELF iets transcendents is, iets goddelijks, dat jou met al het andere verbindt. Dus ook met andere mensen. Niet zelden wordt het beleefd als een ogenblik van kosmisch geluksgevoel, een soort één zijn met God. Om daarna terug te vallen in een gapend gat van eenzaamheid. Vandaar het realistische tegenwicht van de sociale coherentie. Als je dan geen God kunt zijn, dan toch in elk geval een mens onder de mensen.

   Het ontstaan van de spiritualiteit (het geloof in een God) vindt plaats in de neocortex (waar het zelfbewustzijn zetelt). In combinatie met de serotonerge neurotransmissie die een korte roes opwekt, ervaar je vrijwel tegelijkertijd zowel een visioen van het goddelijke als van de verbondenheid met andere mensen. Het achterwege blijven van dat saamhorigheidsgevoel, het blijven steken in de mystieke bewustzijnstoestand, heeft een negatieve invloed op het immuunsysteem. Het eenzaamheidsgevoel leidt tot verhoogde productie van de neurotransmitter noradrenaline, een stof die onder meer de genexpressie van ontstekingsremmers onderdrukt en de productie van cytokinen stimuleert die ziekteverschijnselen in de hersenen veroorzaken. Individuen met een godservaring én met bindingsdrang hebben meer overlevingskans.*

 

Het natuurlijke selectieprincipe waarop de organische evolutie is gebaseerd verloopt slechts langzaam. Implementatie van een aangeboren eigenschap vereist een groot aantal generaties waarbij gedacht moet worden aan een tijdsduur van vele honderdduizenden jaren. Het heeft mogelijk een rol gespeeld bij het ontstaan van de mens (en zijn godsbeeld) maar tijdens zijn verdere culturele ontwikkeling is het niet meer van belang. Daarvoor is de tijdsduur te kort.

   Het bekende ‘wij’ versus ‘zij’ (al bij kinderen aanwezig) is mogelijk zo’n aangeboren eigenschap en wordt ongetwijfeld versterkt door culturele overwegingen. Het groepsgevoel dat mede door religiositeit tot stand kwam, kan verder versterkt worden door tegenover de eigen God (het wij-gevoel) die van de ander te plaatsen. Waarbij God trouwens ook door andere bindmiddelen kan worden vervangen (nationaliteit, politieke kleur, voetbalclub).

 

Tweehonderd jaar geleden zou een verlichte geest die het bestaan van God opvatte als een hersenspinsel in brede kring de kans lopen om te worden gekastijd. Daar hoef-tie vandaag de dag niet bang voor te zijn. Of wel soms? Het hangt ervan af hoe breed die kring is. Een aanzienlijk deel van de mensheid zal hem hardhandig terechtwijzen: blasfemie, heiligschennis, godslastering, er zijn genoeg woorden voor, maar hij kan ze beter voor zich houden, in sommige kringen zijn ze er niet van gediend.

   Minder moeite heeft de schare van orthodoxe engerlingen met de wrekende doodseskaders: “iedereen moet kunnen zeggen wat-ie wil, niemand hoeft een blad voor de mond te nemen en wie het gore lef heeft met z’n vuile jatten aan onze waarden te komen, moet niet raar opkijken als ze worden afgehakt.” 

  

Het verlichte denken propageert vrijheid, maar hoe zit het met de verantwoordelijkheid? In zijn ‘categorisch imperatief’ stelt de filosoof van het vrije denken,  Immanuel Kant (mens, durf te weten) dat niemand hoeft te dansen naar de pijpen van een ander, dat elk mens in staat is zijn eigen keuzes te maken en te handelen in vrijheid als een zelfstandig individu. Kant verwachtte dat wie bewust is van zijn vrijheid automatisch ook de verantwoordelijkheid zou dragen voor zijn handelen in vrijheid. Dat is echter een ideaal beeld gebleken. Waar de handelingsvrijheid de norm is geworden, wordt de verantwoordelijkheid nogal eens uit het oog verloren.

   Dat is bijvoorbeeld het geval met de vrijheid van meningsuiting. Iedereen moet kunnen zeggen wat-ie wil, ongeacht wat anderen daarvan vinden. Als iemand beweert dat alles naar de sodemieter gaat omdat niemand meer een blad voor de mond hoeft te nemen, dan kun je het daar al of niet mee eens zijn, maar meer ook niet. Als iemand een scheldtirade afsteekt tegen de klimaatsceptici of de spot drijft met hen die geloven dat de aardse woestijnen in een weide- en rivierenlandschap zullen veranderen, hoeft niemand daar aanstoot aan te nemen. Maar wat te doen als het individu zich uitspreekt tégen de vrije meningsuiting zelf?

   Voor Kant was zo’n dilemma in strijd met het zedelijk bewustzijn. In de 18e eeuw was het collectieve verantwoordelijkheidsbesef zo vanzelfsprekend dat de individuele vrijheid van de één zich nooit zou uitspreken tegen de individuele vrijheid van de ander, meenden de idealistische verlichtingsfilosofen. Waarschijnlijk komt dat door de mate waarin de samenleving doordrenkt was met het geloof in God. Men beriep zich nog op de autoriteit van boven. Zin en betekenis werden gedomineerd door het onberekenbare toeval. Verantwoordelijkheid was geen attribuut van onmondige mensen (net zo min als vrijheid trouwens). In de geïndividualiseerde wereld van 200 jaar later is dat wel anders. Verantwoordelijkheid nemen wordt nu veeleer gezien als een individuele plicht dan als een collectief automatisme.

   Vrijheid van meningsuiting ontkent zichzelf door een ander de mond te willen snoeren. Het is of je tegen iemand zegt dat-ie alles mag geloven, behalve leugens. Voor de één de waarheid is voor de ander bedrog. Ook de halve waarheid is frauduleus. En wie het hardst schreeuwt, heeft gelijk. Of kan het anders? Is het mogelijk om in één klap de dictatuur van de zakkenvullers én de dystopie van de populisten te ontmaskeren?

 

Politieke redelijkheid vereist dat iedereen zijn/haar zegje mag doen. Is het dan  rechtvaardig als de zwijgers niet worden gehoord? Als alleen de sprekers het woord voeren, wat doen de stommen er dan nog toe? Hoe ‘samen’ is de samenleving eigenlijk? Haar democratische structuur moet dat garanderen, maar houdt tegelijk de onrechtvaardigheid in leven. ‘Samen’ is toch eerder ‘wij’ en ‘zij’. Het meest voor de hand liggende alternatief om de stillen het woord te geven is loten. In plaats van stemmen.#.

 

In sommige kringen is ‘de vrije wil’ op hol geslagen, en laat men zich door horden als betamelijkheid en respect niet tegenhouden. Andere gezelschappen hebben ‘de vrije wil’ zelfs nooit van stal gehaald. Zij zijn volledig doordrongen van het godswezen dat hun lotsbestemming bepaalt, net zoals de meeste mensen 2½ eeuw geleden. Hun levensloop ligt vast, ze mogen dankbaar zijn voor het genoeglijke en moeten in het kwaad berusten. Niet alleen hun leven is in handen van God, ook hun lichaam is Zijn eigendom. Zelfmutilatie, plastische chirurgie, zelfs tatoeëringen en piercings zijn heiligschennis en dus godslasterend. Je wil het niet geloven met al die oorlogen die in naam van God gevoerd zijn maar je zelf het leven benemen wordt als moord beschouwd (evenals abortus en euthanasie).

   Ook de volgelingen van het rationele denken, de verlichte geesten zelf, zijn vaak bloedserieus als het gaat om hun eigen gelijk. Hun zelfgenoegzaamheid verhindert hen om in te zien dat niet iedereen het met hen eens is en weerhoudt hen ervan om hun fundamentele afhankelijkheid van anderen te aanvaarden. Het is of ze zijn blijven steken in een autistisch mensbeeld van fysiek gescheiden werelden terwijl onze mondiale samenleving juist een enorme groepsoverlap vertoont. Hun boodschap van redelijkheid zal pas werkelijk aanslaan als ze de nodige terughoudendheid in acht nemen, zichzelf kwetsbaar opstellen, enige zelfspot uitdragen. Door te tonen dat je niet feilloos bent en ook de waarheid niet in pacht hebt, maakt je kwetsbaar maar ook innemend.

   Homo luminus mag dan God hebben onderworpen, de mensen zelf zijn de afgelopen tweehonderd jaar nauwelijks veranderd. Allemaal dezelfde soort kuddedieren, met hetzelfde verlangen om te overleven en dezelfde angst om alleen achter te blijven, menen sommigen.#  De ware onderwerping van God is als men beseft dat er veel meer dan één God is. Bij voorkeur net zo veel als er mensen zijn op aarde. Zonder dat die zich terugtrekken in de eenzaamheid van het ZELF. Met God valt niet te spotten, met mensen gaat dat juist bijzonder goed.

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur

Karen Armstrong. In de naam van God. De Bezige Bij, 2014

Joachim Duyndam, Rob Buitenweg, e.a. De autonome mens. Sun, 2007

Bas Heijne. Onredelijkheid. De Bezige Bij, 2008

Victor Lamme. De vrije wil bestaat niet, Bert Bakker, 2011

David van Reybrouck & Thomas d’Ansembourg. Vrede kun je leren. De Bezige Bij, 2017

Jean-Jacques Rousseau (vert. Bert van Roermund). Het maatschappelijk verdrag. Boom, 2015

Paul Smit. Verlichting voor luie mensen. Samsara, 2013

Roos Vonk. Liefde, lust en ellende. Scriptum Psychologie, 2013

 

Niet alleen de grootte van de wereldbevolking, maar ook tal van andere zaken in real time: http://www.worldometers.info/nl/
Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat (1743-1794) ontleende zijn titel Markies van Condorcet aan de stad Condorcet in het zuiden van de Drôme. Hij zat bij de Jezuïeten in Reims en het Collège de Navarre in Parijs en hij studeerde wiskunde aan het Collège Mazarin in Parijs.

In 1765 publiceerde hij Essai sur le calcul intégral. Vanaf 1769 was hij lid van de Académie des Sciences gedurende welke tijd hij verscheidene belangrijke stukken schreef, zoals zijn publicatie in 1772 over de integraal rekening dat lovend werd ontvangen.

Kort daarna ontmoette Condorcet de econoom Turgot die beleidsambtenaar was ten tijde van Lodewijk XV. In 1774 werd Turgot benoemd tot algemeen controleur van de financiën onder koning Lodewijk XVI en hij benoemde Condorcet tot algemeen controleur van Financiën.

In 1776 werd Turgot uit zijn functie ontheven en Condorcet bood zijn ontslag aan. Dit werd echter geweigerd en hij bleef tot 1791 in functie.

In 1777 werd Condorcet benoemd tot Secretaris van de Académie des Sciences. Op aanraden van Voltaire en d’Alembert had hij zich toegelegd op het schrijven van necrologieën om daarmee zijn kans op benoeming te vergroten. Dat vruchtbare advies had zijn wiskundige productiviteit echter ernstig beknot.

Zijn publicaties gingen voornamelijk over kansberekening en logica met als belangrijkste verhandeling een Essay on the Application of Analysis to the Probability of Majority Decisions (1785). Dit stuk is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de waarschijnlijkheidsleer.

Het is beroemd geworden door de ‘Paradox van Condorcet’: het is mogelijk dat de meerderheid de voorkeur geeft aan optie A boven optie B, een meerderheid geeft de voorkeur aan optie B boven optie C, maar een meerderheid geeft de voorkeur aan optie C boven optie A (met andere woorden, de voorkeur geven aan (prefereren) is geen overgankelijk werkwoord).

Condorcet schreef de biografieën Vie de M Turgot (1786) en Vie de Voltaire (1789) waarin hij zich een medestander toonde van Turgots economische inzichten en Voltaires bezwaren tegen de kerk. In 1986 werkte hij ook aan zijn ideeën over differentiaal- en integraalrekening met een nieuwe benadering van de oneindigheidsbepaling, maar dit werk is nooit gepubliceerd.

Bij het uitbreken van de Franse Revolutie kwam Condorcet op voor het vrijheidsideaal. Hij werd gekozen als de Parijse vertegenwoordiger in de Assemblée législative waar hij een ministerspost kreeg. De door hem ingediende staatkundige onderwijsplannen werden aangenomen.

Tegen 1792 was Condorcet een belangrijke spreekbuis van de Republikeinen geworden. Hij sloot zich aan bij de gematigde Girondijnen en betoogde als tegenstander van de doodstraf dat het leven van de koning zou worden gespaard.

Toen de girondijnen uit de gunst raakten en de radicale jakobijnen onder leiding van Robespierre het overnamen, verzette Condorcet zich krachtig tegen de nieuwe, haastig geschreven grondwet, die was opgesteld om degene die onder zijn eigen verantwoordelijkheid was ingevoerd te vervangen. Dat was niet verstandig en er werd dan ook een bevel tot zijn arrestatie uitgevaardigd.

Condorcet dook onder en schreef het interessante filosofische werk Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain (1795). In maart 1794 vermoedde hij dat zijn schuilplaats in Parijs door de vijand in de gaten werd gehouden en hij voelde zich er niet langer veilig. Hij ontvluchtte Parijs maar werd drie dagen later gearresteerd en op 27 maart 1794 gevangen gezet. Twee dagen daarna werd hij dood gevonden in zijn cel en niemand weet of hij een natuurlijke dood is gestorven of dat hij is vermoord of zelfmoord heeft gepleegd.

 

 

De zwaarste aardbeving uit de geschiedenis, op 1 november  1755 in Lissabon, heeft niet alleen in geologische maar ook in morele zin voor veel beroering gezorgd. Zie bv. https://pieterserrien.be/2015/11/01/260-jaar-geleden-aardbeving-lissabon-1-november-1755/

Hoewel de Verlichting aan de 18e eeuw wordt toegeschreven als reactie op het dogmatische geloof in het Woord Gods (de Bijbel), zijn beide vertegenwoordigd in de huidige tijd. Nog altijd leeft bij velen de onaantastbare waarheid van heilige schriften en veel intellectuele vrijdenkers hebben weliswaar geleerd om kritisch te denken maar geloven heimelijk toch in een god.

De doelgerichte of teleologische benadering wordt alleen in pragmatische kwesties gehanteerd. In metafysische zin wordt doelgerichtheid in strijd geacht met de Pijl van de Tijd, die in één richting wijst, van verleden naar toekomst. Alleen oorzakelijkheid (causaliteit) wordt als een realistisch fenomeen opgevat. Daarmee samenhangend is de tegenstelling tussen entropie en negentropie of syntropie.

De entropie is een maat voor waarschijnlijkheid en neemt altijd toe (van de meest onwaarschijnlijke singulariteit naar de meest waarschijnlijke ontaarding of chaos) en de syntropie is precies het omgekeerde (te beginnen bij God?). Het concept heeft een sterk religieuze connotatie.

Neurowetenschappers beschouwen religie niet zelden als een bijproduct van essentiële hersenfuncties. Uit recent onderzoek blijkt dat religie geïntegreerd is in hersennetwerken die vooral voor sociale cognitie worden gebruikt, in plaats van dat ze specifiek voor het geloof in God bedoeld zijn.

Een neurowetenschappelijke verklaring op basis van Darwinistische principes stelt ons in staat om het geloof weg te redeneren als een schadelijke misleiding. In zijn boek God als misvatting stelt Richard Dawkins dat het (christelijk) geloof een geestelijk virus is dat de hersenen goedgelovig maakt: door natuurlijke selectie ontwikkelen kinderen de neiging om te geloven wat hun ouders en stamoudsten hen vertellen. Gehoorzaamheid op basis van vertrouwen is waardevol om te overleven. De keerzijde is slaafse goedgelovigheid. Het onvermijdelijke bijproduct is kwetsbaarheid door infectie met een geestvirus (geloof in God).

Enkele hypothesen over het ontstaan van spirituele beelden met selectievoordeel:

1 De neocortex (nieuwe hersenen) is verantwoordelijk voor o.m. logisch redeneren en verbeelden. Waarnemingen die men niet kan verklaren worden toegeschreven aan fantasiefiguren (demonen). Deze hebben mogelijk kwaad in de zin. Via het oudere limbische systeem wekt dit angst op die leidt tot de wens naar lijfsbehoud. Het gevolg is een vluchtreactie (onbewuste overlevingsstrategie).

2 Het interpreteren van omgevingssignalen en de reactie daarop is een mengeling van ‘gevoel’ en ‘verstand’. Angstgevoelens vanuit het limbische systeem (zie 1) prikkelen ons zelfbewustzijn in de frontaalkwab (neocortex) maar ook in het evolutionair oude serotonerge systeem. Dit kleine systeem (slechts enkele duizenden neuronen) is betrokken bij een groot aantal fysiologische functies zoals slapen, eten, seksualiteit en agressie maar heeft daarin alleen een modellerende functie. Door meer serotonine afgifte neemt de predatorische agressie toe (gunstig is tijdens de jacht) en wekt tegelijkertijd tegenovergestelde emoties (interspecifieke vredelievendheid) waardoor een emotioneel dilemma ontstaat dat leidt tot een roes van religieuze extase. De gewelddadige activiteit (doden om te eten) werd zodoende een natuurlijke religieuze activiteit.

3 Vechten en doden voelen als een zelfbevestiging die ook tijdens rituelen worden ervaren. Het cultiveren van de extase kan opzettelijk worden opgewekt met behulp van kruiden, rituelen en psychische concentratie waarmee de serotonerge neurotransmissie wordt beïnvloed. Bij de eerste mensen leidde dat na verloop van tijd tot sjamanisme waaruit later alle religies ontstonden. Niet iedereen bereikte de extatische roes even makkelijk. Verhoogde seksuele activiteit onder invloed van het serotogene systeem zorgde voor een groter aantal nakomelingen bij hen die het snelst in extase raakten.

Natuurlijke selectie als één van de belangrijkste mechanismen van organische evolutie wordt wel opgedeeld in verschillende categorieën. Naast de rol van omgevingsfactoren kunnen geslachtskenmerken een rol spelen (seksuele selectie) of de familieband (verwantenselectie). Groepsselectie werd een halve eeuw geleden naar het rijk der fabelen verwezen maar met moderne modellen is aangetoond dat bij sociale dieren de eigenschappen van een individu het succes van zijn groepsgenoten kan bevorderen en dat er eigenschappen zijn die niet direct bijdragen aan het succes van dat individu maar wel gunstig zijn voor de groep waartoe hij behoort.

In onze huidige samenleving heeft het evolutionaire concept ‘overlevingskans’ net zo weinig betekenis meer als bijziendheid of diabetis. Het gaat om meer dan 40 000 jaar geleden, nog voor het ontstaan van gesproken taal, dat de individuele godsbeleving een gevoel van eenzaamheid teweegbracht die de leden (kinderen) van de sociale groep nader tot elkaar bracht. Verondersteld wordt dat depressiviteit, zelfmutilatie en erger samenhangen met eenzaamheid door onthechting. Het moet niet worden uitgesloten dat het eenzaamheidsgevoel ontstaat door een te sterk besef van het ZELF of door een emotioneel dilemma dat het gevolg is van een te evenwichtige (!) neurotransmissie van het serotenerge systeem.

De achtergrondinformatie is over het algemeen Engelstalig. Zie bijvoorbeeld:

Borg J, Andrée B, Soderstrom H, Farde L.The serotonin system and spiritual experiences. Am J Psychiatry. 160: 165-169, 2003

Walter Burkert Religion and the sacred. Harvard University Press, 1996

John Cacioppo & William Patrick. Loneliness: human nature and the need for social connection. W.W. Norton & Co., 2008

Steven W. Cole, John P. Capitanio, Katie Chun, Jesusa M. G. Arevalo, Jeffrey Ma, John T. Cacioppo. Myeloid differentiation architecture of leukocyte transcriptome dynamics in perceived social isolation. Proceedings of the National Academy of Sciences, 2015; 201514249

John Cookson. The neurological origins of religious belief. http://bigthink.com/going-mental/the-neurological-origins-of-religious-belief

Laursen HR, Henningsson S, Macoveanu J, Jernigan TL, Siebner HR,Holst KK, Skimminge A, Knudsen GM, Ramsoy TZ, Erritzoe D. Serotonergic neurotransmission in emotional processing: New evidence from long-term recreational poly-drug ecstasy use. J Psychopharmacol. 2016

Matt Rossano. The religious mind and the evolution of religion. Rev.Gen.Psych.10: 346-364, 2006

Stephen Sanderson. Adaptation, evolution and religion. Cogn.Sc.Religion 38: 141-156, 2011

University of Chicago. "Loneliness triggers cellular changes that can cause illness, study shows." ScienceDaily. 2015. www.sciencedaily.com/releases/2015/11/151123201925.htm

 

Het scheermes van Ockham (latijn: lex parsimoniae, de wet van de spaarzaamheid) is een principe dat zegt dat een gebeurtenis (of fenomeen) verklaard moet worden met zo min mogelijk aannames, waarbij elke veronderstelling die geen verschil maakt voor de verklaring, wordt geschrapt

Het hermetisch denken gaat uit van de ondeelbare samenhang tussen God, Kosmos en Mens. Uitgangspunt is het principe ‘Zo boven, zo beneden’. God drukt zich uit in de wereld of de Kosmos (‘als zijn zoon’), en in de mens (‘als zijn kleinzoon’, zegt Hermes). De Mens weerspiegelt in zich de wereld, die zich als een (micro) kosmos vormt rond een vonk of vlam van zuivere Geest, die goddelijk en onaantastbaar is. Lees meer: http://stichtingrozenkruis.nl/

Twijfel aan de democratie in zijn huidige vorm neemt toe. Zo is de Vlaamse schrijver David Van Reybrouck, gangmaker achter het Belgische burgerinitiatief voor democratische vernieuwing G1000, zeer geporteerd voor loting als alternatief voor verkiezingen, een systeem uit het antieke Athene dat nog tot de Franse Revolutie her en der in Europa werd toegepast.                                                                                                                             Heere Heersema jr. in Trouw, mei ‘16

David van Reybrouck. Tegen verkiezingen. De Bezige Bij, 2016. 

"Mensen zijn extreem beïnvloedbaar - je kunt ze zelfs zover krijgen een einde aan hun leven te maken. Doe gezellig mee, iedereen doet het, is de boodschap; er worden BN'ers ingezet die al getekend hebben voor een 'waardig levenseinde'. Het is precies de giftige mix van appelleren aan angst, kuddegedrag en het gebruiken van positieve begrippen als 'mooi' en 'waardig', die ertoe leidt dat mensen zelf voor zo'n oplossing kiezen,” aldus hersenonderzoeker en hoogleraar V. Lamme in de Volkskrant van december 2016.

Victor Lamme. Waarom. Mind and Brain, 2016

 

18e eeuws bolvormig horloge met roterende tijdsaanduiding

 

TIJDBOM 

Sneeuwwitje, de klokkenmaker en de kleine korporaal

   

Het was een gevoel dat niet viel uit te leggen: creperen voor God en Vaderland. De Franse monarchie uit de 18e eeuw bestond overwegend uit een alliantie van hertogdommen, markizaten en graafschappen onder koninklijk gezag van het Huis Bourbon. Omringende naties bestookten het koninkrijk onder de dekmantel van vermeende eigendomsrechten of geschonden bloedbanden. Vooral de Britse koningen van het Huis Hannover, de koningen van Pruisen en de hertogen in Noord Italië waren luizen in de pels van de Bourbons. Bovendien had de Paus met zijn kardinalen en bisschoppen ook een dikke vinger in de politieke pap. Boeren en buitenlui die tot meer in staat meenden te zijn dan varkens hoeden of kaas maken, verlangden er naar hun geluk te beproeven in de hoofdstad. Langzaam maar zeker veranderde het land in één van de blanke borsten van Marianne en steeds meer burgers werden door het middelpunt, de metropool, aangetrokken. Naarmate meer mensen zich rondom de tepel vestigden, hadden de Bourbons minder in de melk te brokkelen. De volgende geschiedenis vond plaats in een ver land en alweer een hele tijd geleden. Maar het liet niemand onberoerd en de gevolgen zijn ook vandaag nog overal merkbaar.

 

 

De volgende geschiedenis vond plaats in een ver land en alweer een hele tijd geleden. Maar het liet niemand onberoerd en de gevolgen zijn ook vandaag nog overal merkbaar.

 

Er was eens een jongetje dat altijd de baas wilde spelen. Niets bijzonders, zal je misschien zeggen. Die krijgt nog wel eens een flink pak slaag. Tsja, maar dan is het misschien te laat. Het baasje was bovendien verdraaid pienter en onweerstaanbaar charmant. Zijn dwangmatige neiging om haantje de voorste te zijn, werd op de koop toe genomen. Hij woonde met zijn ouders, broertjes en zusjes in een sober huis en zijn vader moest keihard werken om wat extra’s over te houden. In haveloze kleren en met afgetrapte schoenen streed hij met de schoffies uit de buurt en het laat zich raden wie er meestal won. Hij hielp zijn oudere broer met onkruid wieden in de moestuin en verraste op een keer zijn moeder met de knollen die hij had gerooid. Zij aanbad haar behulpzame knulletje, in haar ogen zou hij nooit een vlieg kwaad doen. Met zijn vriendjes ravotte hij dagelijks tussen de schamele woninkjes aan de rand van het stadje maar op een keer liep hij in zijn uppie naar de haven om daar de schepen te bekijken. Vol bewondering staarde hij naar de bonte uniformen van de officieren op de oorlogsschepen. Hij droomde ervan dat hij ooit de baas van zo’n soldatenschip zou zijn. De droom ging niet meer weg. Hij had het thuis over niets anders meer. Hij zeurde zijn vader de oren van het hoofd totdat deze eindelijk een school voor hem regelde waar de jongen zijn ambities zou kunnen waarmaken. De arme man had tot het uiterste moeten gaan want de school was eigenlijk alleen bedoeld voor hele rijke kinderen. Bovendien was het een heel eind weg. De jongen kon voorlopig niet meer terug naar huis om met zijn vriendjes rond te kuieren, de paarden op te jagen of de plaatselijke dienstkloppers te pesten. Het zou jaren duren voor hij het havenstadje terugzag.

 

Eenmaal op school besefte hij dat zijn moeder hem voorlopig niet kon beschermen. Zijn klasgenoten bleken stuk voor stuk over het paard getilde en niet bijster snuggere jongens te zijn (meisjes werden geen soldaat). Ze droegen elke dag nieuwe kleren en waren vertrouwd met de gebruikelijke kuiperijen van hun mondaine wereldje. Ze vonden hem maar een achterlijke boerenpummel, met zijn afgedragen kloffie en zijn fascinatie voor Griekse mythologie. ‘De uitslover.’ De jongen was eenzaam. Maar stoïcijns zette hij door. Wacht maar! Onder de indruk van Léons werklust– thuis noemden ze hem Nabulio; op school heette hij Léon – gaven de onderwijzers hem alle gelegenheid om zijn kennis te vergroten. Terwijl de andere jongens door hun koetsiers werden opgehaald om hun vrije tijd gezellig op het ouderlijk slot door te brengen, zat Léon in een verlaten lokaal te studeren. Het duurde niet lang of zijn kennis deed nauwelijks onder voor die van zijn onderwijzers en die waren gelukkig ook slim genoeg om hem in zijn ontwikkeling verder te helpen. Er werden brieven geschreven. Niet lang daarna was het geregeld: de bolleboos kon gaan studeren in de stad van de koning! Dat was een hele eer, al kon hij nu voorlopig helemaal niet meer terug naar huis.

   In het rijtuig dat hem en zijn schamele bezittingen naar het nieuwe onbekende bracht, zat de tengere student het grootste deel van de reis gewikkeld in een bruine deken, in een hoekje weggedoken, half sluimerend, half luisterend naar de gesprekken die gevoerd werden door steeds andere passagiers. Niet zelden gingen die over de armoede die iedereen leed, behalve de kliek van de koning die van alles genoeg leek te hebben (sic). Soms stapten er reizigers in die – te oordelen naar hun deftige kleding – van welgestelde huize waren. Dan vielen de gesprekken stil en werden er tijdens het voortzetten van de reis slechts onbeduidendheden uitgewisseld. Zodra echter deze veronderstelde koningsgezinden de koets weer hadden verlaten, werd de opruiend conversatie hervat. Er bestond veel onvrede onder de burgers in het land en naarmate het rijtuig zijn eindbestemming naderde, werd het gemor grimmiger. Léons overtuiging, dat het leven in de stad van de koning een stuk plezieriger zou zijn dan in de provincie, begon danig te wankelen bij het horen van al die sombere verbolgenheid.

 

De koetsier nam de tijd.. Op plaatsen waar de verschillende passagiers elkaar afwisselden, bivakkeerde het gezelschap telkens enkele uren. De paarden moesten worden gevoerd en verdienden rust. De voerman had altijd dorst en een gebraden kippetje versmaadde hij evenmin. Soms kon men voor de uitspanning even wegdommelen op een bankje zonder door elkaar geschud te worden. Kort voor het rijtuig bij de grote stad zoud aankomen, was er een laatste rustpauze. Bij de herberg waar ze stopten werden nog twee schooiers opgepikt, een vader en zijn zoon die hun reis betaalden met een zak appels. De voerman was likkebaardend verdwenen in het etablissement met de uitnodigende naam Het Gerecht. Léon maakte gebruik van de onderbreking door even zijn benen te strekken. De zon was al onder maar de glooiende paden waren in de heldere maannacht duidelijk zichtbaar. Hij had de deken over zijn hoofd getrokken tegen de frisse nachtlucht. Met een homp brood in zijn zak en de stilte rondom voelde hij zich de koning te rijk. Wat een sneue toestand. Eigenlijk idioot. Peinzend dacht hij na over het gemor van zijn medereizigers. Over de verwijten aan het adres van het vorstelijk paar. Wat was een land zonder koning? Als een kind zonder ouders. Als een mens zonder God.

   De paden voerden hem langs drassige akkers en duistere gaarden. Plotseling hoorde hij een geluid dat zijn aandacht trok. Een vrouwenstem zong een aria uit een van Mozarts betoverende opera’s. Hij herkende de melodie van vroeger. Van thuis. Zijn moeder zong het vaak. De stem klonk uit de richting van een donker huisje. Even voorbij de boomgaard waar hij langsliep. Hij was verrukt. Terwijl hij zich naar de eenvoudige hoeve haastte, werd hij bevangen door een gevoel van onwerkelijkheid. Het huisje scheen geheel verlaten. Hij zag geen licht tussen de kieren van de luiken doorkomen. Het leek daarbinnen zelfs nog donkerder dan buiten. Zijn gescharrel voor het raam bleef niet onopgemerkt. Het stemgeluid verstomde. Leon vroeg zich af of hij niet beter door kon lopen. Het was doodstil geworden. Totdat de deur krakend openging. Daar stond ze. Rijzig en bleek in het maanlicht. In de ogen van de jongen was ze de mooiste vrouw ter wereld.

 

* 

 

Sneeuwwitje was gedoopt Josephine maar haar vader had haar van jongs af aan Sneeuwwitje genoemd. Het bleke meisje met het witte haar was een geboren albino die geen daglicht kon verdragen. Ze speelde altijd binnen in het kleine huisje met de gordijnen gesloten. Daar was het soms zo donker dat haar ouders over haar struikelden als haar broer weer eens vergeten was om zijn zusje terug te zetten in de speciaal voor haar bestemde erker. De zeldzame keren dat Sneeuwwitje buiten kwam, werd het meisje gebakerd als een baby en gesluierd om haar ogen te beschermen. Daardoor zag ze de buitenwereld altijd door een waas, zodat rimpels en pukkeltjes werden gefilterd en iedereen er gaaf uitzag. Alleen haar ouders zag ze zoals die er werkelijk uitzagen. Als in de ruwe schilderstukjes die ze bij kaarslicht bestudeerde. In de spiegel had ze gezien dat haar eigen witte gezichtje mooi glad was. Haar ouders schaamden zich zeker voor haar geitenhaar. Jammer. Jammer dat het licht zo’n pijn deed aan haar ogen. Ze kon nooit eens lekker in het zonnetje spelen. Met andere kinderen, die ze buiten hoorde schreeuwen van plezier.

   Sneeuwwitje groeide op in een landelijk dorpje waar ze alleen naar buiten kwam als alle andere kinderen in hun bedje lagen. Bij het zachte licht van de sterren zocht ze, nog voor het ochtendgloren, eieren in het veld en dreef ze de koeien bijeen om te melken. ’s Avonds na zonsondergang deed ze uilen na en legde strikken waarmee ze soms een haas ving. De meeste tijd bracht ze binnenshuis door. Dat vond ze niet zo erg, ze was eraan gewend. Ze zag er op toe dat het binnen kraakhelder was. Tot groot genoegen van haar moeder. Die had haar handen vol met bezigheden in de moestuin en de volière en in de boomgaard en op de binnenplaats met de beesten en de waterput en de kratten met fruit. Dus was ze de Heer dankbaar dat Hij haar getroost had met een blank slavinnetje. Ze knuffelde haar kindje nooit, maar ze sloeg haar ook niet. Ze raakte die bleekscheet eenvoudig niet aan. Wat Sneeuwwitje aan moederliefde tekort kwam, werd volop goedgemaakt door de aandacht die ze kreeg van de mannen in huis. Ze konden handtastelijk zijn en uitgelaten. Maar ze zaten ook vol grapjes en liepen over van genegenheid. Wellicht zonder het te beseffen gaven ze het meisje een gevoel van eigenwaarde en geluk. In de zomer en vroege herfst verzamelde haar vader manden vol appels en zij vond het leuk om de groene, gele en rode vruchten op te poetsen, tot ze er haar bleke gezichtje in kon spiegelen. Dan zag ze zichzelf in kleur. En met de jaarlijkse oogst werd goed zaken gedaan, niet in de laatste plaats omdat de handel er zo sprankelend uitzag.

  

Sneeuwwitjes vader hield veel van zijn dochter, ook al zag ze er vreemd uit. Als ze ziek was of niet wilde slapen, zong hij liedjes voor haar terwijl hij zichzelf begeleidde op de grote luit, de teorbe. Tegen de tijd dat haar leeftijdgenootjes naar school gingen, leerde haar vader haar lezen en schrijven. Broer Emile las zijn favoriete verhalen voor uit het Nieuwe Testament. Papa zong de Italiaanse teksten van Monteverdi en legde uit waar ze over gingen. Tijdens het wekelijkse bezoek van de hulppastoor, die haar zag als een ‘engeltje des onschulds’, zongen ze samen psalmen. Uiteindelijk leerde Sneeuwwitje zelfs om op het grote snaarinstrument te spelen. Haar engelachtige stemgeluid golfde als ‘oplichtend sterrenstrooisel’ – in verrukking kon de vicaris zich lyrisch uitdrukken – door de schemerige kamers van hun huisje. Het verlichtte ieders gemoed en maakte de zure appels zoet.

  

Ma Antoinette en dochter Josephine waren vaak alleen thuis. Terwijl de boerin het merendeel van de dag buiten doorbracht, nam Sneeuwwitje de binnenboel voor haar rekening. Ze deed haar best om in huis alles op orde te hebben want de hele dag op het land werken had van ma een harde vrouw gemaakt die bij thuiskomst alleen nog maar uit wilde rusten. Toen ze zwanger was van haar kindje had de aanstaande moeder er vaak van gedroomd om samen met Josephine – ze was er zeker van dat het een meisje zou worden – door de natuur te trekken en de teleurstelling, toen ze ontdekte dat ze van een albino was bevallen, was ze nooit te boven gekomen. Sneeuwwitjes uiterlijk had haar zogezegd ontgoocheld. Nooit kon ze met haar dochtertje naar de vogeltrek kijken of veldbloemen gaan plukken, nooit zouden ze samen van een weldadig zonnebad genieten. Ook zij probeerde het gemis van rode konen in het bleke gezichtje te compenseren met het glanzend oppoetsen van de rijpe appels uit de voorraadkelder. Maar het wekte geen warmere moedergevoelens in haar op. Ze bleef koel als een keldermot. 

 

Om in hun levensonderhoud te voorzien leurden vader Louis en zijn zoon met karrevrachten appels en eieren langs de huizen. Naast colportage boden ze hun schamele handel aan op lokale markten en daarbij trad Louis geregeld op als muzikant (tegen een gratis glas, eh.. glazen, en vol hoor!). Hij was heetgebakerd en snel geëmotioneerd maar eveneens een gewilde speelman die zijn gehoor diep wist te raken. Emile bracht veel tijd door in de smederij van een nabijgelegen negorij. De jongen hielp bij het repareren van apparaten aan huis en bleek zelfs enige aanleg te hebben voor het fijnere priegelwerk. Ooit hoopte hij gezel te worden hoewel de gildevoorschriften over opleiding en dienstverband streng waren. Een officiële aanstelling zat er echter niet in: niemand had geld. Des te meer werd zijn bijdrage als nagenoeg onbezoldigd knechtje hogelijk gewaardeerd. Zelf leek hij nauwelijks te beseffen hoe hopeloos zijn vooruitzichten waren. Hij was er heilig van overtuigd dat Jezus zijn bestemming zeker had gesteld. Vroeg of laat zouden de hemelse schatten in zijn schoot vallen en zijn wensen worden vervuld. 'Door de zure appel heen bijten' was zijn devies. "Lijden met Jezus" kraaide hij welgemoed.

 

Op de markt, bij bruiloften, in de fabrieken, overal waar mensen bijeen waren, werd geklaagd over de armzalige situatie waarin men verkeerde. De smidse werd genoemd als een brandhaard van onruststokerij. Ketters, jezuïeten en vrijmetselaars zouden er hun snode plannen smeden. Dit trok zoveel aandacht dat de plaatselijke gendarmerie opdracht kreeg om het ‘rovershol’ te sluiten. Emile verloor in één keer de plek waar hij zich geheel aan zijn liefhebberij had kunnen overgeven en die hem – in zijn eigen ogen – uitzicht had geboden op een loopbaan als mecanicien. Hij was ontroostbaar. Louis zag in dat de jongen doodongelukkig zou blijven als er niets gedaan werd. Niemand kocht eieren van een jongen die keek of ze stonken. Pa besefte dat het voor hun handel beter was om die in zijn eentje voort te zetten. Hoezeer het hem ook aan het hart ging, hij zou zijn zoon moeten bewegen te vertrekken. Hij nam Emile mee naar Het Gerecht en adviseerde hem om zijn spulletjes te pakken en naar de hoofdstad te gaan. Dáár zou hij merken dat heel wat bedrijfjes een talentvolle en ijverige jongen als Emile goed konden gebruiken. En onder het genot van enkele glazen wijn wist hij de jongen ervan te overtuigen dat praktijkervaring de beste manier was om het vak te leren en dat de gilden er ook zo over dachten. En over hen, zijn ouders en zijn zus, hoefde Emile zich geen zorgen te maken. Hun leventje was hier heel wat minder gecompliceerd dan in de grote stad, dat zou Emile gauw genoeg zelf merken. Maar hij was een flinke vent, hij zou niet in zeven sloten tegelijk lopen. Toch?

   “Als je maar een beetje uitkijkt met die rijke stinkerds.”

   En ze toasten op de toekomst: “Leve de revolutie!”

   Zo had Emile zijn vader niet vaak eerder meegemaakt. Dat joviale beviel hem wel. En het avontuur lonkte. Hij moest het er maar op wagen.

   “En weg met die katholieke klerelijers.

   Maar dat binnensmondse gemompel van Louis had Emile niet goed verstaan.

 

* 

 

Bij de verschijning van Sneeuwwitje in haar deuropening werd Léon bevangen door het droombeeld dat hem sinds zijn kinderjaren had achtervolgd: een luminescerende jonge vrouw waar zo’n intense bekoring van uitging dat hij zich voelde verstijven. De bevallige Pallas Athene had hem betrapt op het verlangen naar haar appels. Als een schuldbewust jongetje had hij zich op zijn knieën laten vallen en zijn gezicht in haar rokken verborgen. In zijn droom had dat de godin wel bekoord. Ze had hem opgetild en aan haar blote boezem gedrukt. Zo was hij met haar de wolken ingevlogen. Hij had geen woord hoeven zeggen. Nú kon hij enkel hakkelen.

   “G-goede avond.”

   Met een vaag-verontruste glimlach keek ze op hem neer, haar ogen half geloken tegen het heldere maanlicht. Ze had een emmer met sop in haar hand. Met haar andere hand streek ze haar lange witte lokken naar achteren.

   “Bent U een monnik? Zoekt U iemand?”

   Haar stem klonk vastberaden en breekbaar tegelijk. Precies zoals hij verwacht had dat die zou klinken. Maar waarom dacht ze dat hij een monnik was? Verrek, vanwege die deken natuurlijk. Hij stak zijn hoofd onder de lap vandaan. In een flits bedacht hij dat, zo hij al iets gezocht had, hij het nu had gevonden. Tegelijkertijd wist hij dat zijn droom onbereikbaar was. Die zou nooit in vervulling gaan. Wat hij ook zou doen, nooit zou hij het genot proeven van zijn herinnering. De herinnering aan dat ongenaakbare gevoel toen hij ontwaakte uit zijn jongensdroom. Hij liet de deken van zich afglijden.

   “Ik hoorde je zingen. Maar ik zag niets.”

   Inderdaad. Dat was de spijker in zijn kop. Net als de geketende Odysseus aan de mast van zijn schip had hij de aanlokkelijke sirene niet kunnen weerstaan, maar zou haar evenmin kunnen aanraken als hij al de kans kreeg. Hij geneerde zich mateloos voor zijn eigen besluiteloosheid. Wat moest hij doen? Hij moest iets doen! Hij gaapte.

   “Oh, je bent me een manneke.” Ze doopte een gebogen ijzerdraadje in het sop en blies zeepbellen in zijn richting. Ze schitterden in het maanlicht. Terwijl ze een hap nam uit de appel die ze uit haar schort nam, viel haar witte haar als een sluier voor haar gezicht.

   “Nou, dag hoor. Ik ga weer naar binnen.” Ze draaide zich om en verdween door de deur. “Wacht,” riep Léon nog met schorre stem. Maar het was te laat. Ze kwam niet terug. Hoe lang hij bleef wachten, hopend dat hij haar weer zou horen zingen of, beter nog, dat ze toch weer naar buiten zou komen, hij wist het niet. Waarschijnlijk was het maar een paar minuten maar het leek of zijn hele leven aan hem voorbij trok. Niet alleen zijn jeugd, maar ook wat nog moest komen. Visioenen, geboren uit ontgoocheling. Als een gapende wond had zijn toekomst zich aan hem geopenbaard. Met bloederig rollende koppen werd de eeuw uitgeluid en diende zich een nieuwe lente aan. Alleen als iedereen hem zou aanbidden zou de wond wellicht genezen. Als ware hij God zelve.

 

Terug bij Het Gerecht zag Léon dat het gezelschap al klaar stond om de reis naar de hoofdstad voort te zetten. Ze bestegen het rijtuig en hij zakte weg in hetzelfde hoekje waar hij al eerder had gezeten, half verscholen tussen wat bagage en winterkleding. Het resterende deel van de tocht bracht hij door in een sluimerende staat van droeve opwinding. Hij droomde wonderlijke dingen, een sneeuwuil met een meisjesgezicht, een grenadier die appelen verkocht, een eenzame kurassier op zijn roze paard. De ruiter probeerde de vogel te vangen, in vol galop over glooiende velden, door brandende dorpen en langs de lichtgrijze schimmen van de dode bewoners. De uil verdween in de nacht.

   Het laatste deel van de reis werd per boot afgelegd. Dat bespaarde het gezelschap een rit langs de open riolen maar het bood evengoed, zij het op enige afstand, een blik op de armzalige leefomstandigheden van het volk dat de oevers van de rivier bewoonde. Majestueuze paleizen op de achtergrond benadrukten de schrijnende armoede. Buiten zijn eigen reisgezelschap waren er verscheidene welgestelde heren aan boord. Vaders en zonen met klaarblijkelijk dezelfde bestemming als hij. Ze bekeken hem met laatdunkende nieuwsgierigheid. Hij voelde zich kleiner dan ooit. Nadat het vaartuig bij de eindbestemming was aangekomen, ging iedereen van boord. Clochards en andere schooiers werden door gendarmes angstvallig uit de buurt van de aanlegplaats gehouden. In het parklandschap dat Léon, op weg naar zijn nieuwe school, doorkruiste, kwam hij uitsluitend gesoigneerde lieden en officieren tegen. In gezelschap van de andere uitverkorenen en hun begeleiders marcheerde hij in de richting van de statige gebouwen in de verte. Verbouwereerd constateerde hij dat hij het imposante onderkomen van zijn nieuwe school voor één van de koninklijke paleizen had gehouden. Hij vermoedde dat zijn haveloze spullen en ongeknipte haar ook hier de nodige schimpscheuten zouden oproepen. Des te meer verbijsterde het hem dat hij niet alleen een eigen een eigen kamer kreeg toegewezen, maar ook de prachtigste kleren kreeg aangemeten. Bovendien werd hij verwacht aan te zitten bij de eerstvolgende maaltijd. Hoofdschuddend onderging hij zijn inlijving bij het ancien régime. Wat een ampele overdaad.

 

Met zijn adellijke kamergenoot Alex kon hij het gelukkig goed vinden. Alexander las, net als Léon, graag historische boekwerken. Hij zat al een jaar langer op deze chique school en kon Léon uitstekend de weg wijzen. Waar de verschillende studieruimtes waren, bijvoorbeeld, en bij welke jonge heren hij beter uit de buurt kon blijven. Sommige van die gasten waren zo hautain, dat wilde je niet weten. Als het nou nog was vanwege hun excellente studieresultaten, maar het had uitsluitend met hun afkomst te maken. Alex nam Léon ook mee de stad in. Dan stapten ze door de smalle straten en bezochten verschillende marktplaatsen, laverend tussen de kramen en tapijten met uitgestalde handelswaar. Hun keurige cadettenuniformen dwongen ongewild respect af bij het overwegend broodmagere en ongewassen schorriemorrie zodat zij probleemloos konden gaan en staan waar ze wilden. Ze bezochten een keer het enorme paleis waar de koning niet meer had willen wonen. De beheerder, een verre oom van Alexander, leidde hen rond door de prachtige zalen met wanden vol indrukwekkende schilderijen. Léon ergerde zich aan deze pracht en praal te midden van de talloze armlastigen en hongerlijders waar ze zich zojuist doorheen hadden gebaand. Het leek hem echter niet zinvol zijn irritatie te laten blijken. In plaats daarvan uitte hij zijn bewondering voor de kolossale kerk met de Griekse zuilen en overweldigende koepel. Hij beloofde stellig om daar een dienst bij te wonen, zodra het bouwwerk voltooid zou zijn.

 

Met zijn familie had Léon weinig contact meer gehad. Toen hij vernam dat zijn vader ziek was, wilde hij onmiddellijk naar huis. Daar was echter geen geld voor. En de school wilde hem niet laten gaan. Alexander was een echte vriend. Om hem te helpen zijn zinnen te verzetten, nodigde de jonker hem uit om met hem mee te gaan naar zijn huis. Met dat laatste bedoelde hij een bescheiden kasteel buiten de stad waar hij geregeld heenging als hij even genoeg had van het kleine kamertje dat ze samen deelden (noblesse oblige). Léon had hem nooit eerder vergezeld omdat hij zijn tijd liever besteedde aan zijn studie. Maar deze keer liet hij zich overhalen. Het vooruitzicht om aanwezig te mogen zijn bij de door Alexander voorgespiegelde wetenschappelijk proef, was onweerstaanbaar. Het ging om één van de geheime proefnemingen met aërostatische machines waarmee Alexanders vader experimenteerde. Omdat er langs de eindeloze landgrenzen voortdurend schermutselingen plaatsvonden, had de koning zijn vazallen aangemoedigd om alles uit te proberen dat kon bijdragen aan een permanent overwicht. Alexanders vader voelde zich geenszins een vazal van de koning maar hij wilde wel met alle geweld de lucht in. Zodoende had hij het nodige geld losgekregen om een bestuurbare waterstofballon te bouwen. Het reusachtige gevaarte zou, in het geheim, worden uitgetest. Er zouden voorname legerleiders bij aanwezig zijn. Generaals en zelfs een maarschalk. Engelse spionage was onvermijdelijk maar Alexanders vader had lak aan veiligheidsmaatregelen. Alex neemt een vriendje mee … nou ja … dat kan geen kwaad. Zijn kamergenoot is ook cadet. Kan die nog wat opsteken.

 

Op het weidse veld nabij het kasteel lag de contraptie nog grotendeels uitgespreid op de grond, terwijl men bezig was de ballon te vullen. Al voor zonsopgang waren mannen in de weer geweest met vaten vitrioololie en zakken ijzerschraapsel. Ze volgden de aanwijzingen op van een gesoigneerd heerschap met een staartpruikje en cyclaamkleurige kousenbanden die Léon zelfs in de schemering opvielen. Door de inhoud van de vaten en de zakken bij elkaar te voegen, kwam er een gas vrij dat met behulp van loden pijpen naar de tros ballonnen werd geleid.

   “Dat is oom Gabriel,” wees Alexander. “Mijn broer heet ook zo, Gabriel. Het is geen echte oom, meer een vriend van de familie.”

   Terwijl Léon zijn ogen uitkeek, babbelde Alexander verder over de staartpruik.

   “Hij zegt dat hij dromen wil waarmaken ...” Léon spitste zijn oren, “... maar voor ons zijn het luchtkastelen .”

   Terwijl Léons aandacht weer geheel uitging naar de gebeurtenissen op het veld plapperde Alexander voort over de tijd dat hij nog thuis woonde. Dat zijn oom elk jaar met Maria Hemelvaart vuurwerk afstak. Dat dat wel eens misging.

   “We noemden hem voor de grap graaf Kruitvat. Maar hij weet best wel veel van kruiden af. Een keer heeft hij een keelpijndrankje meegenomen. Dat hielp heel goed.”

   Het waren inderdaad meerdere ballonnen, zag Léon die met slechts een half oor luisterde. Die waren samengepakt in een soort gemeenschappelijk omhulsel. Daardoor zou het geheel, zoals later bleek, een langwerpige vorm krijgen. Het lijkt wel een formidabele olienoot.

   Leon was gek was op de knolletjes van de pinda-plant die hij kende uit de moestuin van het ouderlijk huis. Voordat het heerschap met de paarse kousenbanden hem wegjoeg, had hij stiekem het omhulsel aangeraakt en gemerkt dat het zowel zacht als een beetje plakkerig aanvoelde. Het zou nog uren duren voordat de peul voldoende gevuld was om zich te verheffen en de kabels naar de sloep zouden worden aangespannen. De sloep, of liever schuit – de langwerpige bak naast de contraptie bood voldoende ruimte aan wel tien man – was oorspronkelijk een echt vaartuig geweest. Op de achterplecht was een wiekenkruis gemonteerd dat door middel van een raderwerk met de hand kon worden bewogen. Bovendien was de molen draaibaar opgesteld zodat men de koers van het luchtschip zou kunnen veranderen.

   Later op de dag verschenen de hoge heren. De reuze-pinda begon ondertussen al vervaarlijk omhoog te rijzen, maar Leons aandacht ging vooral uit naar de imponerende gestalten met hun schitterende uniformen en onloochenbaar gezag. Daarbij vergeleken is de scheepskapitein van een soldatenboot maar een gewone veerman! Léon zag zijn toekomst nu nog scherper voor zich.

   Toen tenslotte in de namiddag de opgeblazen peulvrucht eindelijk gereed was om het luchtruim te kiezen, was zijn belangstelling meer naar binnen gericht. Urenlang leek er buiten het uiterst trage opzwellen van de peul nauwelijks iets te veranderen. Vol ongeduld had hij toegekeken hoe de mannen zich bezighielden met wat in zijn ogen onbenulligheden leken. Zijn gedachten gingen naar school, naar zijn studie, die moet ik zo snel mogelijk afmaken. Als ik eenmaal officier ben wil ik een grijs paard, dezelfde kleur als de ezels thuis. Papa moet snel beter worden. Mijn gezin heeft de pater familias hard nodig. hoe sneller ik de begeerde sabel heb, des te eerder kan ikzelf naar huis. Hij schrok pas op uit zijn gepeins toen een stenen kogel hem op een haar na miste. Het gewicht was door één van de ballonvaarders overboord gegooid om het opstijgen te bespoedigen. Het gebeuren prikkelde onmiddellijk zijn fantasie. De kans om iemand met een handzame kogel vanuit de lucht te raken, was niet groot (tenzij je héél goed kon mikken). Maar wat als zo’n kogel een bom was?

 

 

*

 

 

De deftige kamer was gevuld met mannen. Geen van hen droeg een pruik, ze hadden allemaal een halsdoek om. De meesten zaten, op een stoel of op de grond, sommigen hingen tegen een wand. Niemand keek vrolijk. Een paar praatten op gedempte toon, anderen staarden zwijgend voor zich uit. Er was één vrouw.

   Dit is tenminste geen vrijmetselaarsloge! Bij de smidse in het dorp had hij angstaanjagende verhalen gehoord over de boosaardige mannenclub die opstandige vrouwen en rooie oproerkraaiers aan het kruis placht te nagelen. Opgelucht herkende hij nu ook de zwetende sproetenkop met knalrode snor die naast zijn vader zat. Die heb ik bij ons in ‘t dorp gezien. Zo’n kale met een snor vergeet je niet zo gauw.

   Emile had zijn vaders advies opgevolgd en was naar de hoofdstad gereisd om een baantje te vinden. Er waren genoeg bedrijfjes geweest die wel een handige knutselaar konden gebruiken maar een droge boterham zat er nauwelijks in. Niet alleen omdat de broodprijzen de pan uitrezen, maar ook omdat de edelsmeden en horlogemakers beweerden dat ze zelf maar net het hoofd boven water te kunnen houden. Laat staan dat ze hém konden betalen. Ondanks de voortdurende afwijzingen had hij halsstarrig volgehouden. Maar telkens opnieuw kreeg hij nul op het rekest. De gevestigde ondernemers vonden dat hij overkwam als een opstandige boerenpummel. Ze hielden hem voor dat hij hun gegoede klanten zou afschrikken en als de adellijke klandizie wegbleef was het ook voor hen definitief afgelopen. Bij één van die sollicitatiepogingen was er onverwacht een adellijke dame de winkel binnengekomen en had hem misprijzend verzocht om zijn messen op straat te slijpen. Ze had zijn simpele gereedschap voor bot bestek gehouden. Toen was het genoeg geweest en was hij naar huis gegaan. Daar had hij die snor gezien. Op de markt. Blootshoofds zuigend op het fruit dat hij zojuist bij zijn vader had gekocht. Het sap druipend uit zijn rode knevel.

   Louis was niet blij geweest met de mislukte onderneming van zijn zoon. Hij had hem onmiddellijk teruggestuurd. Maar dit keer had hij Emile een brief meegegeven. Op de envelop stond het adres van iemand die hem zeker zou helpen als hij de aanbevelingsbrief daar zou afgeven. De jongen wist niet wat de aanbeveling inhield, maar het adres was in het straatje geweest naast het statige pand waarin hij zich nu bevond. Hij had zijn brief afgegeven aan de vrouw die hem binnenliet. Ze had er een vluchtige blik op geworpen en, zonder de brief daadwerkelijk te lezen, had ze hem meegenomen naar een ruimte vol tafels met apparaten, ijzerwaren en ongeregelde rommel. Te verheugd om er lang bij stil te staan, was hij aan de slag gegaan met de bezem die hem in zijn handen werd gedrukt. Naast de werkplaats was bovendien een redelijk comfortabele ruimte waar hij voorlopig zijn intrek mocht nemen. De onverwachte voorspoed was zo overweldigend dat hij met tranen in zijn ogen voor de bedstee knielde. Heb dank, Here Jezus, ik zal U niet beschamen.

 

De heer die de deftige kamer binnentrad, onderscheidde zich van de andere aanwezigen door een parmantig staartpruikje en een paar zijde kousen met opvallende paarse strikken onder zijn kniebroek. De ogen van de mannen volgden hem verwachtingsvol (de vrouw staarde naar de grond). Hun gastheer liep naar de verste hoek van de kamer en beklom daar een klein verhoginkje. Hij voelde zich hier duidelijk thuis. Emile kon aan zijn kleding zien dat de heer des huizes er warmpjes bijzat. Nadat hij iedereen welkom heette, zette hij zonder omwegen uiteen wat er volgens hem moest gebeuren. Geen twijfel dat hij zichzelf als hun meerdere beschouwde. Zijn wat bekakte stem begon Emile spoedig te vervelen. De vernederende ontmoetingen op zijn recente zoektocht naar werk lagen hem nog vers in het geheugen. Verdiept in een brochure die hij uit de werkplaats had meegenomen, ging de toespraak van zijn gastheer langs hem heen zonder een mentale indruk achter te laten. De beschrijvingen van veermechanieken, compleet met tekeningen, interesseerden hem veel meer dan het gebeuzel van een stelletje ontevreden kerels. Plotseling schrok hij op doordat de vrouw haar betrokkenheid betuigde met een onderwerp dat de spreker had aangesneden. Ze was opgestaan en scandeerde: “Vrouwen voor het naaien! Vrouwen voor het naaien!” Omdat hij de aanleiding niet had gehoord – namelijk een opmerking dat spinnen, weven en naaien als beroep zouden moeten worden voorbehouden aan vrouwen, zeker in tijden van hongersnood – was het Emile vreemd te moede. “Dank je, Olympe. Ik sta achter jullie,” stelde de gastheer haar gerust. Er werd aarzelend geapplaudisseerd terwijl de vrouw weer verviel in haar schijnbare apathie. Het geroep had Emile in verwarring gebracht. Hij had pas iets gelezen over een machine die het werk van kleermakers aanzienlijk kon verbeteren. Wat had dat met vrouwen te maken? Of had ze soms iets anders bedoeld? Maar zo’n soort bijeenkomst was dit toch niet? Iemand riep “Leve de revolutie!” En iemand anders “Weg met de kerk!” Maar dat laatste vond geen bijval. Nog niet.

 

Na afloop van de bijeenkomst was Emile weer naar de werkplaats gegaan. Daar had hij zich teruggetrokken op een stoel achter de draaibank die hij stilzwijgend als zijn werkplek was gaan beschouwen. Zijn wonderlijk geknutsel werd oogluikend toegestaan door de meester-instrumentmaker. Zou die man mij soms aan dit baantje hebben geholpen? Op verzoek van papa? Stilletjes gluurde hij naar de gebogen gestalte aan de tafel in het midden van het atelier. Onafgebroken was de mecanicien de afgelopen dagen bezig geweest met een bolvormig klokje dat Emile aan een appel uit hun boomgaard deed denken. Vooral sinds de emailleur het bronzen huis van een groen laagje had voorzien. De meester was heel vriendelijk tegen hem geweest en had hem zelfs betrokken bij het afstellen van een veermechaniek in de bol waarvan het doel hem vooralsnog ontging. Het leek meer iets voor een katapult dan voor een appel.

   Emile’s buitensporige talent was de instrumentmaker niet ontgaan. De jongen bekwaamde zich niet alleen razendsnel in de bestaande opvattingen en technieken van de fijnmechanica, hij had bovendien originele ideeën die de horlogerie van pas zouden komen. De meester had hem dan ook toevertrouwd om een veermechaniekje te ontwerpen dat in zo’n bolvormige klok kon worden gemonteerd. Het zou heel klein moeten zijn om voldoende ruimte over te houden. Waarvoor, zei hij er niet bij.

   Terwijl hij zich op het friemelwerk concentreerde, kwamen de paarse kousenbanden de werkplaats binnen, kort daarop gevolgd door Louis. De laatste liep op Emile af en legde een hand op de schouder van zijn zoon om zijn aandacht te vragen. “Onze gastheer van zojuist is arts. Hij heeft hiernaast een grote apotheek. Misschien kun je hem nog herinneren? Hij is vroeger bij ons thuis geweest in verband met je zus, maar voor haar kon hij niets doen. Hij zal later wat dingen brengen voor in dat klokje. Maar daar moet je wel voorzichtig mee zijn, hoor!” De staartpruik knikte hem bemoedigend toe en nadat zijn vader hem nog een vermanende blik had toegeworpen, vertrokken beide heren weer door een achterdeur.

   Emile had al wel vermoed dat de lege ruimte in het bolvormige klokje voor een verrassing moest zorgen. Hij had gedacht aan een speeldoosmechaniek. Nu zijn vader hem gewaarschuwd had dat het om iets gevaarlijks ging, kreeg hij een onheilspellend voorgevoel. Soms was hij niet zo snugger, maar als het om techniek ging … Het lastige veermechaniekje waarmee hij bezig was, zou best wel eens een slagpin kunnen worden. Dan werd die klok dus … een bom?

 

 

*

 

 

Léon was 15 jaar oud toen hij vernam dat zijn vader was overleden. Het bericht kwam hard aan. Eerdere tijdingen over zijn vaders slechte gezondheid hadden hem onvoldoende voorbereid op de impact van deze gebeurtenis. Wie moet er nu voor moeder zorgen? Ik moet nu echt onmiddellijk naar huis.

   Iedereen had met hem te doen en probeerde hem op te beuren. Op aanraden van de godvruchtige priester, die de leerlingen geestelijk begeleidde en de wekelijkse kerkdiensten verzorgde, zocht de jongen zijn toevlucht in gebed en psalmverzen. Hij sloot zich op in zijn kamer en probeerde troost te putten uit Bijbelse profetieën. Ik ben ervan overtuigd dat mijn lijden in geen verhouding staat tot de luister die mij in de toekomst zal worden geopenbaard.*

   Het mocht niet baten. De troostende woorden leken een averechts effect te hebben. Zijn prikkelbaarheid en geëxalteerde zelfmedelijden namen voortdurend toe. Hoe zou Jezus zich gevoeld hebben als hem gezegd was dat zíjn vader dood was?

   Opnieuw was het Alexander die zich over zijn vriend ontfermde. Hij nam hem mee naar de rivier. Een wandeling in de open natuur zou Léon vast goed doen. Het snel stromende water, de kale takken die bewogen in de kille wind, de voortjagende wolken, het zou een liefhebber van verlichte denkbeelden moeten opbeuren (hij had gezien dat Léon een exemplaar van 'Système de la nature' van Holbach onder zijn hoofdkussen bewaarde). Waar hij echter geen rekening mee had gehouden was de boot waarmee Léon een paar maanden geleden naar de militaire school gekomen was. Die boot lag aangemeerd, klaar voor vertrek. Bij het zien van het vaartuig verscheen er een glimlach op Léons betraande gezicht. Hij wilde onmiddellijk aan boord gaan. De toegang werd hem echter geweigerd toen bleek dat hij geen geld bij zich had. Intussen werd Alexander afgeleid door het naderen van een late passagier. Was dat niet…? Jazeker, het was graaf Kruitvat, nou ja, oom Gabriël. De staartpruik met de paarse kousenbanden herkende zijn neefje en vroeg hem opgewekt of hij en zijn cadettenvriend een eindje gingen varen? Hij zou wel betalen.

  

Tijdens de boottocht staarde Léon zwijgend over het water. Hij nam geen deel aan de gesprekken. De edelman die zo vriendelijk was geweest zijn passage voor te schieten, had aan enkele woorden van Alexander genoeg om te weten wat er aan de hand was. Hij besloot Léon wat op te beuren.

   “Toen ik jouw leeftijd had, heb ik mijn vader én mijn moeder verloren. Ik ben nooit iets tekort gekomen. Maar ouders kun je niet kopen.”

   Even keek Léon op en leek iets te willen zeggen. Maar hij wende zijn hoofd weer af. Wat wist zo’n praaljas van de ellende van arme mensen?

   “Het is niet verkeerd dat je droomt van voorspoed en geluk. Schaam je niet voor je verlangens … als je de wereld wilt verbeteren … best … ga je gang.”

   Hij pauzeerde een tijdje maar toen Léon nog steeds niet reageerde besloot hij het over een andere boeg te gooien om tot hem door te dringen.

   “Dat je je nu rot voelt komt gewoon omdat je jezelf verwaarloost. Wat jij nodig hebt is een goed maal.”

   Met een armgebaar naar de marskramer die zijn waar bij de stuurhut had uitgestald riep hij om worst en wijn. Terwijl hij zich op het houten bankje naast Léon liet zakken mompelde hij binnensmonds dat het maar eens uit moest zijn met het dualisme van Descartes. Lichaam of geest? Quatsch!

   Nu spitste Léon zijn oren. Het was hem nog niet aan te zien maar het gemompel van zijn weldoener had een snaar geraakt. Hij liet zich de worst goed smaken en dronk gulzig van de wijn. Die opgesmukte hansworst praat net als Holbach. Licht aangeschoten kon hij het niet laten een opmerking te maken.

   “Je kunt best veel boeken lezen maar als je toch niets met die kennis doet, kun je net zo goed je verstand verliezen.”

   “Wie zijn verstand verliest is een dwaas. Niets kan dwaasheid verontschuldigen.”

   “Zelfbeklag, misschien?”

   Graaf Kruitvat had hem gehoord en begreep dat de verstarring voorlopig was verdreven. Hij klopte de jongen goedkeurend op zijn knie en zei verder niets meer. Opnieuw keek Léon zwijgend over het water, minder gespannen dan een uur geleden. De korte woordenwisseling had hem inderdaad opgebeurd.

 

Alexander maakte zich geen zorgen. Hij was verantwoordelijk voor hun behouden terugkeer, maar voorlopig vermaakten ze zich opperbest. Nadat de boot een eind stroomopwaarts weer had aangemeerd, waren ze met een gereedstaand rijtuigje naar een gastvrije uitspanning gereden. Het was dezelfde herberg waar Léons reiskoets op de heenweg had gestopt. Het Gerecht. In de stralende zon had hij de plek niet herkend en binnen was hij nooit geweest. Er werden grappen gemaakt, glazen geheven, en op een kleine verhoging had een luitspeler plaatsgenomen die grappige liedjes zong. Even daalde er een stilte neer in Het Gerecht, toen de paarse kousenbanden, geflankeerd door twee jonge officiertjes (weliswaar in opleiding, maar dat ontging de meesten) de gelagkamer binnenkwamen. De luitspeler begroette de edelman evenwel hartelijk – ze bleken op goede voet te verkeren – waarna de joligheid luidruchtig werd hervat.

   Léon had eigenlijk te veel gedronken. Het opgewekte gezelschap en de vriendelijke woorden van de graaf hadden hem goed gedaan. Hij doezelde een beetje maar kwam weer tot de werkelijkheid toen hij merkte dat het rumoer van de feestende meute wat was verstomd. Dat kwam niet omdat er mensen waren vertrokken. Het was stampvol. Iedereen keek vol aandacht naar het podium waar de luitspeler op een stoel was geklommen. Hij had zijn luit weggelegd en speelde nu enkele patriottische hymnen op de piccolo. Tot groot genoegen van het publiek. Toen de muzikant van zijn stoel stapte, was iedereen in de houding gaan staan en had een vuist geheven.

   “Broeders!”

   Sneeuwwitjes vader – wie anders – had een buiging gemaakt om zijn publiek te bedanken. De meesten kende hij van naam. Hij kwam hier al zo lang. Dit was de plek waar hij zijn Antoinette had ontmoet. Zijn blauwe engel, ze droeg immers altijd iets blauws. Dat ze dezelfde namen hadden als het koningspaar kon de jonge revolutionairen er niet van weerhouden elkaar vurig te beminnen. Ze beschouwden het juist als een grappig toeval. Al geloofde niet iedereen in ongerichte willekeur. Ze namen het de jonge weduwnaar kwalijk dat hij zich zo kort na het overlijden van de moeder van kleine Emile alweer in een nieuw liefdesavontuur had gestort. Daar kon niets goeds van komen, meenden ze. Toeval bestond niet.

   Of hun zwartgallige levensbeschouwing juist was, zou de toekomst moeten uitwijzen.

   Louis was op de edelman met zijn cadetten-escorte toegelopen. Ze begroetten elkaar en liepen naar de uitgang terwijl de jongens gewenkt werden hen te volgen. De staartpruik richtte zich tot hen.

   “Ik weet niet wat jullie precies van plan zijn, maar als je even meeloopt, kunnen jullie iemand oppikken die teruggaat naar de stad. Jullie passage is geregeld, zelf blijf ik nog even.”

   Niemand had bezwaar en goedgemutst maar een beetje wankelend ging het viertal op weg. Langzaam maar zeker begon het tot Léon door te dringen dat hij eerder langs dit pad had gelopen. Vóór hij met de boot bij zijn school was aangekomen – alweer maanden geleden – was hier de laatste stopplaats van de reiskoets geweest. En hoewel het destijds donker was geweest, herkende hij soms een opvallend getimmerd hek of een markante struik. Bij de herinnering aan de sprookjesachtige ontmoeting van die nacht brak het zweet hem uit. De anderen, die meenden de oorzaak van zijn gemoedstoestand te kennen, matigden hun tempo. Maar Léon versnelde juist zijn pas. Hoe vaak had hij niet gedroomd dat hij haar terug zou zien?

   Of zou het de rest van zijn leven bij een droom blijven?

 

Bij het bekende huisje aangekomen, verbaasde het hem helemaal niet meer dat dit het einddoel van hun wandeling was. De luitspeler en de staartpruik liepen vastberaden het erf op, in de richting van de jongen die op een zak met appelen voor het huisje zat. De gordijnen waren gesloten.

   “Dit is Emile. Hij neemt jullie mee terug naar de stad.”

   Léon hoorde het nauwelijks. Hij probeerde een kier tussen de gordijnen te ontdekken waarachter misschien een vage beweging te zien zou zijn. Maar niets dat daar op wees. Wel hoorde hij vaag de echo van het zoete gezang dat hij in zijn herinnering verheerlijkt had. Maar nu klonk alleen het gemompel van jongens- en mannenstemmen. Hij was diep teleurgesteld maar liet niets merken. Met de zak op zijn schouder had Emile zich bij hen gevoegd en maakte aanstalten om te vertrekken. De mannen waren het huisje binnengegaan. Léon draalde nog wat voor hij zich zou omkeren om zich bij Emile en Alexander aan te sluiten, toen een zwartharige vrouw in de deuropening verscheen. De onverwachte verschijning in blauwe jurk deed hem licht huiveren.

   “Wil je nog iets hebben? Iets te drinken, of zo?”

   Verward prevelde hij iets dat ze al genoeg gedronken hadden en zette het op een lopen. Weg uit dat vermaledijde dorp!

 

Op hun terugtocht naar de stad vertelde Emile dat hij klokkenmaker was, dat de muzikant zijn vader was en de graaf een apotheker die subversieve bijeenkomsten organiseerde. Grinnikend voegde hij eraan toe dat sommige lui wel alle adel uit de weg wilden ruimen maar dat de apotheker meer verstand onder zijn pruik had dan al die armoedzaaiers in hun hele hebben en houwen. Zijn vader had het hem allemaal uitgelegd. De apotheker zorgde voor slagkwik en buskruit en hijzelf maakte de tijdontsteker in een bolklok om de boel te verhullen.

   Léon kon zich niet meer inhouden

   “Woont er in jullie huisje een heks?”

   Emile keek hem bevreemd aan. Toen barstte hij in lachen uit.

   “Je bedoelt mijn zus. Ze ziet er wel raar uit. Ze is een witteling. Ze kan niet tegen daglicht. Alleen in het donker komt ze buiten. Heb je haar gezien?”

   Léon staarde voor zich uit. Wat kon hij die onnozelaar vertellen? Het was ongetwijfeld een goedhartige en oprechte jongen en vast een bekwame klokkenmaker. Maar zou hij iets begrijpen van de onstuimige visioenen en ongenaakbare verlangens die door zijn hoofd spookten? Was het denkbaar dat deze onbeduidende tovenaarsleerling werd gebruikt als lontje in het kruitvat van het sluimerende ongenoegen? Onthutsend, al was het maar vanwege die blijmoedigheid. Blind voor de dreigende storm leek die jongen maar wat stuurloos rond te dobberden op golven van hoop en verlossing. Had het zin om iets te zeggen over zijn eigen verlangens? Alles is verdwenen. Het land gaat op de schop. En ik op de troon er bovenop. Wat een onzin! Wat een droom!

   “Ik heb je zus ooit gezien maar dat is lang geleden. Alles is anders nu. Ik kan niet teruggaan in de tijd. Kun je mij een klok verkopen?”

   De afgemeten woorden brachten Emile in verwarring. Door zijn Bijbelse preoccupatie verstond hij ‘Jezus’ in plaats van ‘je zus’.

   “Kopen? Nee. Eh, ja. Natuurlijk. Ik zal je er één geven. Loop zo even mee naar het Klokkenhuis. Ik bedoel, mijn werkplaats."

   Ze waren inmiddels weer terug bij de aanlegsteiger waar de boottocht was begonnen. Léon voelde zich een stuk lichter in zijn hoofd dan toen ze vertrokken. Maar zijn voeten leken van lood. Het grootste deel van de terugreis bracht hij snurkend door onder de voorplecht. Pas nadat ze aangelegd hadden werd hij wakker geschopt. Bij het van boord gaan viel hij bijna van de stijger. Alexander begaf zich tevreden naar het imposante schoolgebouw terwijl Léon met Emile in de richting van de benauwde straatjes liepen. Naast de winkel met de esculaap aan de gevel sloegen ze de hoek om, wrongen zich onder een smal poortje door en kwamen in een smerig steegje. Ze moesten zich tegen de gevel drukken om niet in de drek te trappen. Het rook er naar de sporen van dicht opeen wonende mensen. Leon volgde zijn gids door een onopvallend deurtje, waarna hij via enkele gangen en trapjes binnentrad in het klokhuis van de naderende opstand.

   De meester, die juist van een versnapering genoot, verslikte zich bij het zien van Léons uniform. Zonder daar direct iets van te laten merken, overigens. Toen hij begreep dat de cadet alleen maar een klok kwam halen, was hij gerustgesteld. Maar hij kon het toch niet laten om Emile de les te lezen.

   “Als je hier wilt blijven werken, moet je niet zo’n rotzooi maken. Ik heb je werkplek opgeruimd toen ik mijn kleine pendrijver zocht, die had je weer eens niet teruggelegd. Ik heb hier echt geen zin meer in. En straks moet je blijven totdat alles klaar is. Kan wel eens laat worden.”

   Ogenschijnlijk uitgeput keerde hij terug naar zijn draaibank terwijl Emile ontdaan naar de lege tafel staarde. Alle losse onderdelen waarvoor hij (nog) geen bestemming had, lagen ordelijk gerangschikt op een plank. Naast een keurig stapeltje brochures en handleidingen. Op de plank erboven stonden, netjes op een rij, de groene appels. Sommigen reeds voorzien van een wijzerplaat en opwindknoppen. Anderen nog met lege uitsparingen, alsof er een hap was uitgenomen. Léon wees er enthousiast naar.

   “Dat is wat ik zoek. Geef je zuster zo’n klok cadeau. Zeg maar…,” hij aarzelde, “zeg maar ‘met de complimenten van het monnikje’. Wat maakt het uit.”

   “Met de complimenten van het monnikje maakt het uit?”

   “Nee man, alleen van de monnik. Een sacrale attentie.”

   Léon draaide zich gefrustreerd om en verliet het pand langs de weg die ze gekomen waren.

 

 

*

 

 

De koning stond bij zijn volk bekend als een edelmoedig en gastvrij mens. De koningin was al even weldadig als haar echtgenoot en beiden vervulden de harten van hun onderdanen met dankbaarheid door de bevallige wijze waarop ze hen tegemoet traden. Van de meeste onderdanen, althans. De koning en de koningin hadden, omringd door hun weelderige hofhouding, geen notie van de wrevel die het contrast tussen hun welstand en de armoede van ieder ander bij sommige ‘broeders’ opriep. Ze vonden juist dat ze vrijgevig waren tegenover de arme sloebers. Ze beloonden hen met gouden penningen voor bijzondere prestaties of onthaalden hen op een rijke maaltijd als hen iets verschrikkelijks was overkomen. Maar het vorstenpaar besefte niet dat die paar uitverkorenen geenszins de miljoenen vertegenwoordigden die zich genegeerd voelden. Er deden kwaadwillige verhalen de ronde waarin vooral de koningin het moest ontgelden. Ze werd beschuldigd van ijdelheid en spilzucht terwijl het volk crepeerde. Kortom, reden voor een aanslag: één van de appeltjes die Emile zo vakkundig in elkaar had geprutst, zou haar noodlottig worden.

   Iedereen wist dat men voor heldhaftig gedrag aan het hof werd ontboden om een onderscheiding in ontvangst te nemen. Het zou een fluitje van een cent zijn om het nerveuze paardenspan voor de koninklijke koets te laten steigeren, om ze vervolgens door een paardenknecht – die in het complot zat – tot bedaren te laten brengen. De knecht zou door de koningin worden ontvangen om zijn medaille opgespeld te krijgen. Hij zou op zijn beurt haar de appel overhandigen, zogenaamd uit eerbiedige adoratie, omdat hij altijd aan haar dacht en zo. Hij zou haar uitleggen hoe ze gewekt kon worden door het tijdstip in te stellen met een van de knoppen. De hemelse symfonie die dan zou klinken, moest een verrassing blijven. Dat ze zou ontwaken in de hel bleef onvermeld.

 

Kort voordat dit snode plan ten uitvoer zou worden gebracht, kreeg Emile in zijn werkplaats bezoek van zijn moeder.

   “Mama! Wat doe jij hier? God in de hemel, heilige Maria! Er is toch niets gebeurd met pa?”

   “Nee hoor jongen,” stelde zijn moeder hem gerust. “Ik kom allen eens kijken hoe het met je gaat.”

   Sneeuwwitjes moeder was ooit gevallen voor de vader van de toen nog piepjonge Emile. Ze had de peuter een warm hart toegedragen maar het was vooral de melancholische oogopslag van zijn vader geweest waaraan ze geen weerstand had kunnen bieden. En de warme stem waarmee hij het droeve lied zong over zijn veel te vroeg overleden jonge vrouw. Van een man die zo oprecht verdriet kon tonen, wilde ze wel een kindje hebben. Hoewel het leven haar niet had gegeven wat ze ervan verwacht had, hield ze dapper vol. Evenals Emile geloofde ze dat een godvruchtig en hardwerkend bestaan op aarde haar ooit toegang zou verschaffen tot het koninkrijk Gods.

   Maar ondertussen had ze kennis gemaakt met de graaf. Dit keer was er zeker geen sprake geweest van een of ander vooropgezet, ‘hoger’ plan. Graaf Kruitvat was in de buurt geweest en had zich spontaan naar Het Gerecht begeven waar Emile's vader zich geregeld van zijn muzikale bijverdienste kweet. En waar hij die artistieke bezigheid juist op dat moment verrichtte. Terwijl zijn blauwe engel hem juist een verse voorraad appelen voor de markt kwam brengen. Toeval of voorbeschikking? Het gepeupel zou er wellicht de voorzienigheid Gods in herkennen, maar de graaf behoorde tot een andere categorie. Hij zag het als niets anders dan een toevallige samenloop van omstandigheden. Waarvan hij onbevangen gebruik maakte.

   De kennismaking tussen Gabriël en Emile’s stiefmoeder had verregaande gevolgen waarvan Emile noch zijn vader weet hadden. Tijdens de samenzweerderige bijeenkomsten in de herberg had Antoinette zich tegenover de edelman als een rebelse volksvrouw gedragen en haar man had geen enkel benul gehad van haar werkelijke intenties. Die waren namelijk verre van revolutionair en sterk seksueel gericht. En hoewel haar onweerstaanbare graaf het niet slim vond, was ze vastbesloten geweest dit keer Emile even gedag te zeggen. Het gevaar van haar dubbelleven had haar in zijn ban.

   “Zijn dat de klokken waaraan je werkt? Je hebt er al heel wat gemaakt.”

   Ze knikte met haar hoofd naar de plank boven Emile's werkbank en woog één van de groen geëmailleerde appelvormige uurwerken op haar hand.

   “Ze zijn niet zo zwaar als ik verwacht had. Weet jij trouwens of de graaf er is? Ik moet hem een brief geven. Van je vader.”

   Verward bevestigde Emile dat hij bezig was de laatste hand te leggen aan de montage van zijn precisie-instrumenten. Dat hij er al veel meer gemaakt had. Dat ze nog leeg waren. Dat de graaf pas één bol met kruid had gevuld.

   “Het is bijna klaar. Deze duurt ook niet lang meer.”

   Trots toonde hij haar het Christus-kruis dat hij op één van de bollen had gegraveerd, zonder te merken dat zijn moeder werd afgeleid door een nieuwe bezoeker.

   “Deze is voor Sneeuwwitje. Van Léon. Ik ga hem vullen met fondant.”

   Dat drong nog net tot haar door voordat ze zich van hem afwendde, al vroeg ze zich wel af wie Léon was. Maar de nieuwe bezoeker was niemand minder dan graaf Kruitvat die nu al haar aandacht opeiste. Hij knipoogde naar haar en zij wendde zich weer tot Emile.

   “Ik ben even weg. In verband met die brief, weet je wel. Ik kom zo nog even kijken.”

   In het kielzog van de graaf verliet ze de werkplaats door een andere deur dan ze was binnengekomen.

 

Léon had besloten dat hij zo snel mogelijk officier wilde worden. Hoe eerder hij de sabel had, des te sneller kon naar huis. Om voor zijn moeder te zorgen en voor de rest van het gezin. Alexander was altijd een paar dagen per week naar huis en tijdens de vakanties had Léon helemaal het rijk alleen. Als hij zijn tijd goed besteedde konden ze gelijktijdig afstuderen. Over minder dan een jaar.

   Terwijl hij de wiskundige formules in zijn hoofd repeteerde en bovengenoemde beslissing bij zichzelf bekrachtigde, marcheerde hij over het uitgestrekte terrein voor het schoolgebouw om toch voldoende frisse lucht binnen te krijgen. In de verte kwam hem een venter tegemoet die een kar voortduwde. Dat lijkt wel... nee, hij is het echt!

   “U bent het. Ik dacht u al te herkennen. Ik wist niet dat u hier ook fruit verkocht.”

   Geschrokken richtte Louis zijn blik op het uniform maar toen hij Léon herkende leek hij te ontspannen en met een strakke grimas op zijn gezicht hijgde hij:

   “Gabriel, eh, Alexanders oom heeft gevraagd me dit fruit naar ‘t bestuursgebouw naast de school te brengen. Straks ik ga weer, eh, bij hem langs, we hebben afgesproken. Waarom jij hier, verdomme? Oh, je gaat naar die school. Merde! Je voelt wat beter, eh, nu?“

   Léon was nog steeds niet gewend aan zijn manier van praten. Sprak hij bewust onaangepast of was hij gewoon maf, net zoals zijn zoon? Hij wist het niet. Een blik op de lading gaf evenwel uitslag. Die man staat stijf van de zenuwen. Tussen het fruit had hij één van Emile’s uurwerken herkend.

   “Ik voel me best. En ja, ik zit daar op school. Weet je wat, geef mij die kar maar, dan duw ik die wel naar de school. Goeie oefening voor me. Kunt u alvast terug naar de graaf.”

   Louis kneep zijn ogen dicht en balde zijn vuisten. Het aanbod stond hem niet tegen. Geinig om die koninklijke cadet voor een republikeins karretje te spannen (ook al weet-ie dat zelf niet). Hij spreidde zijn vingers. Weliswaar was het nog wat vroeg voor zijn afspraak met Gabriel maar die zou er geen bezwaar tegen hebben als hij nu al kwam opdagen. Hij graaide wat tussen het fruit, gaf Léon een appel - geheel overbodig natuurlijk nu deze de hele kar van hem overnam -  en stak de rest tussen zijn kleren.

   Vloekend spoedde Louis zich terug naar het broeinest van de onruststokers, de apotheek van graaf Kruitvat, naast de werkplaats waar zijn zoon de klokkenmaker zulke verrassende uurwerken fabriceerde. Hij baalde ervan dat de tijdbom niet zou worden afgeleverd bij de infiltrant in het bestuursgebouw, die hem zou doorspelen naar de ‘paardenknecht’. In plaats daarvan moest er een nieuwe route worden uitgestippeld. Niets aan de hand, alleen wat oponthoud.

 

“Wat was dat voor geklets over een brief?”

   Gabriël zat nog te frunniken aan de touwtjes en haakjes van haar korset toen ze zich nogal abrupt omdraaide en zich op hem stortte.

   “Ik moest toch wat tegen die jongen zeggen.”

   Ze verdacht hem ervan dat hij opzettelijk treuzelde. Hij wist inmiddels toch wel hoe ze steeds meer naar hem verlangde? Ze stak haar tong in zijn oor en lispelde:

   “Trek de boel gewoon los. En schiet een beetje op.”

   De eerste keer dat hij met haar man naar hun huisje in het dorp was gekomen had ze onmiddellijk GEWETEN. Geweten dat ze elkaar tot de draad zouden beminnen. Hij was de rijpe appel waar ze haar leven lang naar verlangd had om haar tanden in te zetten. Het rijdier van haar dromen.

   De graaf had er ook geen gras over laten groeien. Hij was misschien niet meer zo hitsig als in zijn jonge jaren, maar mocht een tochtige merrie zich uit eigen beweging aanbieden dan wist hij van wanten. Haar zaadvragende oogopslag zou haar verlangen nog hebben verraden aan de meest stoïcijnse droogstoppel, laat staan aan de wellustige edelman.

   Met het grootste gemak had hij hun eerste rendez-vous geregeld maar sindsdien leek hun hartstocht geen gelijke tred te houden. Haar seksuele verlangen nam gaandeweg toe terwijl hij in gedachten juist steeds vaker elders leek te vertoeven. Zijn seksuele inspanningen en erotische ambities werden belemmerd door de organisatorische rompslomp van zijn republikeinse idealen. Tegenwoordig waren zijn gedachten meer bij de appels van de klokkenmaker dan bij die van haar.

   “Je man komt straks het spul in de werkplaats ophalen voor onze cel bij de prefect. Het duurt nog wel even voor hij weer terug is.”

   Daar had je weer zoiets. Lagen ze net lekker te vrijen, begon hij over haar man. Als ze wilde dat hij zijn aandacht op haar richtte dan moest ze die trekken. Ze streelde en likte hem waar ze maar kon en merkte dat ze steeds driftiger werden. Hij voelde zich als een ballonvaarder opstijgen naar de hemel en zij explodeerde als een granaat onder hem.

 

Terwijl hij de volgeladen handkar over het gras voortduwde in de richting van het bestuursgebouw moest Léon toegeven dat hij zichzelf had overschat. Het was zwaar werk en hij moest om de haverklap stoppen om op adem te komen. Jongens nog kleiner dan hijzelf had hij karren zien duwen die beslist zwaarder beladen waren dan deze en hij was blij dat ze hem niet zagen ploeteren, in zijn smetteloze kadettenuniform. Zo fris zou dat er straks trouwens niet meer uitzien. Voor Emile's vader was de afstand misschien in een uur te overbruggen geweest maar de jonge student zou er wel twee keer zo lang over doen.

   Zonder dat daarvoor een speciale reden was staarde Léon tijdens een van zijn adempauzes langdurig naar de mand met appels op de kar en plotseling herkende hij één van Emile's uurwerken. Uit het doorzichtige gedrag van Louis had hij wel begrepen dat deze de tijdbom onder zijn jas had verstopt, maar dat er nog meer tussen het fruit lagen had hij niet verwacht. Geschokt vroeg hij zich af waarmee hij bezig was. Liep hij hier een kar vol bommen te duwen? Was hij bezig een revolutionaire cel te bevoorraden? Hij zou natuurlijk kunnen doen alsof hij niets had gezien, maar als er iemand anders onraad bespeurde of als er in het ergste geval in het bestuursgebouw een bom zou ontploffen, dan kon hij die snelle afronding van zijn studie wel op zijn buik schrijven. De voltallige leiding van de militaire academie zat in het bestuursgebouw, dus als het daar mis ging, lag de hele school plat. Natuurlijk was Alexander juist weer een paar dagen met vakantie zodat hij zich bij hem niet kon beklagen over het onverantwoordelijke gedrag van zijn oom. Althans, hij vermoedde dat graaf Kruitvat erachter zat.

   Verschillende zaken tegen elkaar afwegend, besloot Léon dat zijn persoonlijke omstandigheden, en die van zijn familie, de hoogste prioriteit hadden. Hij vond dat hij zijn vondst moest rapporteren, hetgeen betekende dat de appels geconfisqueerd en gecontroleerd (op hun explosieve lading) moesten worden, dat hun bestemming moest worden uitgezocht (iemand van het keukenpersoneel?) en dat de leverancier aan de tand gevoeld diende te worden. Léon zou ze in elk geval een hint kunnen geven waar ze die fruitventer misschien konden vinden. Hij wilde niet zo ver gaan om Emile en zijn vader te verraden, maar het adres van de apotheek achtte hij onvermijdelijk.

 

Het geheime rendez-vous tussen Gabriël en Antoinette was na verloop van tijd een beetje afgestompt maar ze bleven elkaar desondanks ontmoeten. Het genoegen dat ze er allebei aan beleefden was onweerstaanbaar genoeg om het risico te nemen dat ze gesnapt zouden worden. Haar orgastische hoogtepunten beleefde Antoinette allereerst door de gedachte dat Louis elk moment kon binnenstormen en dat Emile vlakbij in de werkplaats van niets wist. Daarnaast had ze het gevoel grote macht uit te oefenen op de aristocraat, dat ze zijn meerdere was en dat ze hem kon laten koppeltje duikelen als een marionet.

   Direct na de coïtus werd ze vervuld met een diep gevoel van sereniteit. Het was een van de zeldzame momenten dat ze naar haar dochter verlangde. Een lichte onrust beving haar. Ze was heks en godin in één. Mefistola. De wereld lag aan haar voeten. Ze kon krijgen wat ze wou, alleen de klok terugzetten was er niet bij. Gabriël had haar gevraagd om haar tong in zijn anus te steken, maar ze had geweigerd.

   “Ik moet aan de tijd denken *. Van jouw goddelijke rozenknop raak ik te zeer bedwelmd. Leen me je koninklijke scepter, dan zal ik je laten rijzen tot in de zevende hemel.”

   Maar haar onvoorwaardelijke overgave was geknakt toen hij haar kwalificatie van zijn viriliteit als zijnde goddelijk had gecorrigeerd als gewoon menselijk, eventueel bovenmenselijk, maar zeker niet als de eigenschap van iets onbestaanbaars als God. Ze merkte dat hij ergens door gekwetst was en had zijn koningsstaf gekust en geprezen. Maar ook dat was een verkeerde woordkeus gebleken. Hij had een republikeinse knuppel, zo corrigeerde hij haar. En dat was de spreekwoordelijke druppel geweest.

 

Onderweg naar de apotheek was Louis in één van de smalle straatjes bij een kraam blijven hangen waar hij genoot van de goedkope bakkerswijn die er stiekem werd geserveerd. Een beetje wrevelig vroeg hij zich af waarom hij op het allerlaatste moment de bom vanonder de stapel appels op de handkar had weggenomen en onder zijn hemd verstopt. Ik kon die jongen er niet mee opschepen. Dat verdriet dat hij om zijn dooie vader had… Ik zou er zo een lied over kunnen maken. Ben ik hier wel geschikt voor?

   Hij haalde de appelklok tussen zijn kleren vandaan en kraste er onhandig een kruis op. Opdat er geen ongelukken gebeuren.

   De gedachten dwarrelden door zijn schedel en de drank maakte hem weemoedig. Hij hief zijn hoofd op in een vergeefse poging blauwe lucht te zien. Achterover hangend staarde hij naar het groezelige ondergoed dat tussen de grauwe gevels te drogen hing (tenminste genoeg goed om een deel ervan te wassen, oordeelde hij schamper, of zouden ze de hele dag in bed blijven?) en hoorde hij hoe de straatventers tevergeefs het dronkenmansgebral en kindergeschrei trachtten te overstemmen.

   Ik heb een zoon maar ik ben geen vader. Eigenlijk ben ik een egoïstische verrader. De melancholie zorgde ervoor dat zijn gedachten als vanzelf gingen rijmen. Het baantje dat hij Emile had bezorgd, was niet een keus van zijn zoon geweest. Hij had zélf die keus gemaakt. Emile interesseerde zich niet voor politiek. Emile had alleen belangstelling voor klokken. Ze wilden misschien wel allebei de tijd naar hun hand zetten, maar elk van hen op zijn eigen manier.

   Het is nog niet te laat om het jong te verrassen. Het wordt tijd dat Emile gaat verkassen. De meester had Louis verteld dat een vuurwerkmaker, eh, uurwerkmaker bij hen in de buurt hem had laten weten het ontzettend druk te hebben. De klandizie werd steeds ongeduldiger en hij kwam handen tekort. Dat succes had hij vooral te danken aan de precisie-instrumenten die hij voor het leger maakte en zijn vakmanschap dreigde hem noodlottig te worden als hij niet aan de vraag tegemoet zou kunnen blijven komen. Had de meester begrepen. Kortom, was dat niet iets voor Emile? De voorbereidingen van de revolutie zouden tenslotte niet eeuwig in de werkplaats blijven plaatsvinden. Met die voorbereidingen zou het toch zeker een keer afgelopen zijn. Dat zag hij, Louis, toch zeker ook wel in? En als de bom eenmaal barstte kon Emile maar beter ergens anders zijn. Nietwaar?

   Berouwvol kwam Louis tot een besluit en begaf zich naar de werkplaats. De wemelende massa ging hem eerbiedig uit de weg. Zijn gang was wankel maar zijn blik vastberaden. Hij had iets goed te maken.

 

Het liefdesnest van graaf Kruitvat domineerde de kamer. Zijn herinnering aan degene met wie hij het bed deelde vóór Louis' blauwe engel was vaag. Het damasten bedlinnen stamde in elk geval niet uit die tijd. Het was nieuw geweest toen hij Antoinette hier de eerste keer had ontvangen. Het had op haar, die een krappe boeren bedstee gewend was, zo’n overweldigende indruk gemaakt dat hun liefdesspel als een reis om de wereld werd. Zijn hemelbed een apenkooi.

   De graaf was een hartstochtelijk minnaar die zijn liefdesbroodje graag belegde met rosbief. Zonder echte verliefdheid raakte zijn appetijt evenwel snel gestild. Het was alsof vadertje tijd hem een loer draaide, vanwege zijn leeftijd, de tijd waarin hij leefde en het tijdsverloop van de gebeurtenissen waarin hij de spil vormde. Hij verloor zijn aandacht zoals zij de zijne.

   Hun orgasmen waren allang niet meer een middel om volledige overgave aan de ander tot uitdrukking te brengen. Ze waren doel op zich geworden.

   Alles wees erop dat het deze keer voor het laatst zou zijn dat ze elkaar beminden. Vlak voordat Antoinette haar hoogtepunt zou bereiken en Gabriël op het punt stond zijn zaadlozing te krijgen, werd hun aandacht afgeleid door gestommel op de trap.

   “Godverdomme. Daar is je man al. Ik had hem nog lang niet verwacht.”

   De graaf was prompt over zijn hoogtepunt heen en al zijn aandacht was gericht op de geluiden buiten de deur. Ook Antoinette had, alsof ze klaarkwam, haar ogen opengesperd in een poging om elk geluid thuis te brengen. Het gestamp in de gang leek haar afkomstig van meer dan één paar laarzen. Toch had ze zich al redelijk gefatsoeneerd en haar korset en wat andere spulletjes in een tas gedaan, toen er op deur werd geklopt.

   “Vlug, achterin die kast is een deur naar de gang die naar de werkplaats leidt,” fluisterde de graaf. De aanvankelijk ontstelde Antoinette greep resoluut haar tas en verdween in de kast. Met een gevoel van kille berusting besefte ze dat ze deze kamer nooit meer zou betreden. Terwijl Gabriël de deur sloot, hoorde ze hem in een poging ontstemd te klinken, snauwerig brommen:

   “Wat is er aan de hand? Wie waagt het mijn rust te verstoren?”

   “In naam van de koning! Doe open de deur. Alstublieft!”

   “Oh. Ogenblik.” De graaf rommelde wat, schoot een paar sloffen aan, liep naar de deur en ontsloot deze. Hij ontwaarde twee ferme jongens uit de heffe des volks in politionele uitmonstering, compleet met sabel.

   ”Laat dit een serieuze zaak zijn. Ik lag net lekker te knorren.” Gabriël was vertrouwd met het jargon van de ordehandhavers.

   “Excuseer, edele heer,” verontschuldigden zij zich. “We hebben opdracht dit pand te doorzoeken. Er zou zich hier een schurk ophouden.” En na een vluchtige blik in de kamer en een lichte buiging: “Maar dat is natuurlijk onzin. Nogmaals excuus dat we U gestoord hebben.”

   Ondertussen was Antoinette stilletjes de verborgen trap achter de kast afgedaald en via de voormalige personeelsgangen in het atelier aangekomen.

   De werkplaats was leeg.

   Op weg naar de uitgang kwam ze langs Emile’s werktafel en viel haar blik op de appelklokken die hij gemaakt had. In gedachten bleef ze staan en pakte de laatste op rij van de plank. Hij was zwaarder dan ze verwacht had.

   Ha! Emile heeft hem al gevuld met suikergoed. Als ik hem vast meeneem kan ik die meid eens verrassen en hoeft dat joch niet helemaal naar huis te komen.

   Ze bekeek de bol vol bewondering maar verstrakte toen ze het kruis zag.

   Hm. Dat valt me van hem tegen. Een beetje slordig.

   Ze werd opgeschrikt door een geluid in het midden van de werkplaats en stopte de klok snel in haar tas. Tot haar opluchting zag ze de kat op de tafel van de meester. Snel liep ze naar de deur en verliet het pand.

   Om er nooit meer terug te keren.

 

Emile had zijn laatste hand gelegd aan het kruis voor zijn stiefzuster en vond dat hij nu wel een verzetje verdiende. Hij had zich gelukkig geprijsd dat hij de kans had gekregen om zijn creatieve en technische vaardigheden in deze werkplaats te kunnen botvieren maar hij verlangde nog steeds naar een aanstelling in het atelier van een echte horlogier. Hij kon niet zeggen waarom, het was een esoterisch verlangen, maar daarom niet minder waar. Hij verliet zijn werkplek met het voornemen om naar de klokkenmakersbuurt te wandelen, toen zijn vader plotseling binnenkwam.

   “Papa! Ik had je nog niet verwacht. Jezus Christus! Er is toch niets met ma? Ze was nog…”

   Maar Louis gebaarde de jongen te zwijgen en met een twinkeling in zijn ogen stelde hij hem gerust. “Emile, jongen, dacht al dat je er wel even uit wilde. Wat eten? 'k heb geld.”

   Hij liep naar Emile’s werkplek met de jongen in zijn kielzog. Op tafel stond de appelklok voor Sneeuwwitje waar Emile zojuist de laatste hand aan had gelegd. Hij nam de tijdbom tussen zijn kleren vandaan, plaatste hem aan het eind van de rij appelklokken op de plank en knikte naar de tafel.

   “Neem je klok mee. ‘k zal je wat laten zien. Tijd voor verandering.”

   Even later stonden ze buiten. De stank van afval was er niet minder dan binnen. Door de poort verderop zag Emile de drukte op straat. Sjiek volk, schooiers, politiemannen, allerhande verkopers die hun waar luidkeels aanprezen. Het kloppend hart van de stad. Daar wilde hij heen. Zijn vader leek zijn gedachten te raden.

   “Op weg naar de horlogerieën? Snap 't. De meester zei 't al.”

   Zijn vader streek hem liefhebbend door zijn haar. Hij bloosde. Was hij zo'n open boek?

   “De werkplaats is geweldig, alleen ...”

   “Kan niet tippen aan 't atelier van d' horlogier. Kom mee.”

   Louis nam zijn zoon bij de arm en leidde hem door de smalle steeg. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een paar grenadiers het portaal naast de apotheek binnengaan, maar daar besteedde hij verder geen aandacht aan. De privéaangelegenheden van Gabriel gingen hem niet aan. Bij een van de kramen kochten ze brood en worst en Emile kreeg te horen wat hij al wist: de graaf was een gulle werkgever. Hij was ook heel blij geweest met de kans om zijn talenten te ontwikkelen. Maar het verlangen bleef knagen: de wens om bij een echte klokkenmaker in dienst te treden.

   Eenmaal aangekomen in de buurt waar zoveel horlogemakers hun winkel en werkplaats hadden gevestigd, zonk de moed hem in de schoenen. De straten waren veel breder en langs de straat reden koetsjes met rijke lui. Was hier wel plek voor een heikneuter als hij? Ook al had hij nog zoveel talent, zoals de meester beweerde?

   Maar zijn vader trok hem een steeg in die hem meer vertrouwd voorkwam. Al stonk het er minder dan achter de apotheek. Hier waren de achteruitgangen van de horlogewerkplaatsen en bij een van de deuren zag hij zowaar juist de meester naar buiten komen die hen vriendelijk toeknikte.

   “Zo, jullie komen als geroepen. De baas hier is teneinde raad. Emile, jongen, ik zal je missen. Maar ik weet zeker dat hier een mooie loopbaan voor je ligt. Kom nog eens langs als je tijd hebt.”

   Hij klopte de jongen op zijn schouder en stak zijn hand op naar Louis.

   “Wij zien elkaar binnenkort.”

   Binnen was het een drukte van belang. Anders dan op zijn voormalige werkplek zou Emile hier voortdurend in gezelschap zijn van echte mecaniciens die hem de kneepjes van het vak konden leren. Hier zou hij een echte gezel kunnen worden. Bovendien kon hij er blijven. Als hij genoegen nam met een plekje op de zolder waar nog een paar jonge gasten woonden dan hoefde hij niet op zoek naar een woonruimte. Emile was opgetogen en sloeg dankbaar zijn arm om zijn vader. Het was eindelijk tot hem doorgedrongen dat dit allemaal voor hem bekokstoofd was.

   De aanraking vervulde Louis met warmte en tevreden stelde hij vast dat hij een juiste beslissing had genomen.

   Aan die waarheid hing echter wel een prijskaartje.

 

 

*

 

 

 

Léons voornemen om zich niet langer te laten afleiden door puberale verlangens of kinderlijke fantasieën hadden alles te maken met zijn voornemen om zo snel mogelijk af te studeren. Nu Alexander een paar dagen met vakantie was had hij de kamer helemaal voor zichzelf zodat hij zich volledige kon overgeven aan zijn studie. Tot hij zijn ogen niet meer kon openhouden.

   Sneeuwwitje stond oog in oog met de koning van het bos. Ze konden elkaar goed zien in het licht van de maan, maar geen van beiden voelde zich bedreigd of aangedaan. Het hert ging door met zijn geknabbel aan de schors van de jonge sparren en Sneeuwwitje vervolgde haar nachtelijke zoektocht naar cantharellen.

   Met het droombeeld van de bleke bosnimf tegenover het statige edelhert werd Léon wakker tussen zijn wis- en natuurkunde boeken. Hij had zich voorgenomen om door keiharde studie zijn officiersopleiding zo snel mogelijk af te ronden maar tegelijkertijd vroeg hij zich af hoe zijn ware verlangen ooit werkelijkheid kon worden. Kon hij ervoor zorgen dat iedereen trots op hem was? Bestond er ergens ter wereld ook maar iets dat leek op zijn droombeelden van de toekomst? Ooit had hij Alexanders oom iets horen mompelen over Holbachs afwijzing van goddelijke beschikking en zijn twijfel aan het bestaan van de vrije wil. Zijn hartstocht en verlangen mochten dan het gevolg zijn van het hem door de natuur geschonken temperament, voor hun verwezenlijking zou hij volledig aangewezen zijn op toevalligheden en gebeurtenissen die niet waren te voorzien of te voorkomen. Het leek wel of graaf Kruitvat zijn flamboyante levenswijze niet alleen weet aan zijn eigen natuur maar ook aan al datgene wat zich aan begeerlijkheden aandiende.

   Afwachten tot er iets van zijn gading voorbijkwam, dat was niets voor Léon. Hij dacht dat hij zijn droom had begrepen. Zodra hij een kans zag om te imponeren (edelhert) zou hij die grijpen. Te beginnen met zijn officiersopleiding. De onschuld van zijn jeugd (Sneeuwwitje) was hij inmiddels wel ontgroeid. De herinnering eraan bleef altijd bestaan. Net als die aan zijn vader.

 

 

Enkele jaren nadat Léon zijn sabel had verworven en zelfs al in rangen was bevorderd, luisterden hij en Alexander in hun burgerkloffie naar het lied van de optredende artiest in Het Gerecht. Met Alexanders oom, die zonder pruik en kousenbanden er alleen maar oud en afgeleefd uitzag, zaten ze onopvallend tussen het gewone publiek. Er hing en vreemde spanning. Onduidelijk was of dat kwam van de politieke onrust of werd veroorzaakt door de weemoedige klanken. De meeste aanwezigen zaten er nogal bedrukt bij.

   Léon was met Alexander naar het dorp geweest. Op zoek naar het huisje. Ze hadden het niet teruggevonden. Het enige wat ervan restte was een ruïne. Op de terugweg had hij moeten overgeven.

   De graaf pinkte een traantje weg. De klokkenmakersloopbaan van zijn protegé (Emile) verliep voorspoedig, de voortgang ervan leek even onstuitbaar als de tijd zelf. Wat niet gezegd kon worden van de rest van de familie. Hij miste Emile’s moeder. Hij miste Antoinette.

   Maar zijn verdriet was minder dan dat van de zanger op het podium, die de zaal telkens weer in vervoering bracht met zijn ode aan de voorbije tijd, zijn treurzang over de verbroken band tussen vader en kind, zijn meeslepende lyriek over verloren onschuld. Louis, de verder naamloze vader van de excellente klokkenmaker en de droombeeldige Sneeuwwitje. Dat hij zijn vrouw niet minder miste dan zijn dochter had ook hem verbaasd. Het verleden bleek duurzamer dan verwacht.

 

Léon staart strak voor zich uit. Met zijn gedachten mijlen ver weg, bij het slachtveld waar hij zich heeft onderscheiden. Op het podium zet Louis een nieuw lied in. Een paar komische noten uit Mozarts Toverfluit. Als de klanken vanaf het podium tot hem doordringen, herkent hij de muziek. Opnieuw dwalen zijn gedachten in ruimte en tijd. Maar minder ver in afstand en verder terug in de tijd. Nog eenmaal heeft hij een visioen van de witte nimf voor de deur van haar huisje. Totdat het beeld vervaagt en plaatsmaakt voor een brandende ruïne. Met daar omheen het platgetrapte struikgewas, de met bloed besmeurde grond, een afgerukte hand… Abrupt staat hij op en verlaat Het Gerecht.

 

 

*

 

 

Zijn tumultueuze loopbaan voerde Leon vaak naar verre oorden maar als hij in de hoofdstad was kon hij zijn verlangen om een bezoek te brengen aan de horlogemakersbuurt niet altijd weerstaan. Dat bracht hem ertoe op zekere dag de zaak te inspecteren waarvan de liberale nouveaux riche zo hoog opgaf. Het atelier van de nieuwe klokkenmaker.

   Toen Emile hem bij deze laatste ontmoeting vertelde over zijn vergissing, liet Léon niets merken van zijn ontsteltenis. Stram haalde hij zijn schouders op.

   “Gedane zaken nemen geen keer.”

   Maar inwendig vervloekte hij zijn romantische gevoelens, zijn kinderlijke hartstocht en blinde vertrouwen in de naïeve revolutionairen. De sprookjesachtige muziek die hem ooit betoverd had met zeepbellen en viooltjes.

   Hij koesterde geen wraakgevoelens, was niet uit op vergelding. Iedereen maakt fouten, zonder boze opzet.

   Bij het lezen van de profetisch gebleken klassieken was hem dat herhaaldelijk opgevallen. Onwillekeurig moest hij denken aan de spot van Aristophanes om de schuld van het geweld te leggen bij de onbedoelde slachtoffers ervan. En kon je de mooie zus van Castor en Pollux* de wereldbrand verwijten, omdat ze er zo leuk uitzag? Bellen blazen is voor kleine kinderen. Luchtschepen zullen de wereld veroveren.

   Terwijl hij zijn tanden zette in de appel die Emile hem bij wijze van troost had aangeboden, nam hij zich plechtig voor om er alles aan te doen het tegenovergestelde te verwezenlijken. Ik haan zal victorie kraaien zonder de onnozelaar te kwetsen. Trouwhartigheid verdient geen straf, hooguit onthouding van beloning.

 

Op verzoek van Léon zou Emile de overgebleven ‘lege’ klokken voorzien hebben van een speeldoosmechaniekje waarmee de charmante officier diverse vrouwenhartjes veroverde. Het ontwerp inspireerde de toekomstige strateeg bovendien tot het regiment luchtgrenadiers, die de vijandige troepen bestookten met handgranaten vanuit luchtschepen. Gezien de doelen die hij nastreefde en de omstandigheden waaronder dat gebeurde, kun je zeggen: hij leefde nog lang en gelukkig.

 

Nadat ze hun theorie-examen met goed gevolg hadden afgelegd, ontvingen Leon en Alexander de felbegeerde officiersdegen en vervolgden de (praktijk)opleiding in het zuiden van het land. Leon maakte een bliksemcarrière. Dankzij ambitie, mazzel en listige moed werd hij reeds na enkele jaren bevelhebber over een bataljon nationale vrijwilligers en mede door de binnenlandse omwenteling klom hij binnen tien jaar op tot brigadegeneraal. Ondanks de republikeinse omwenteling werd hij in het zadel geholpen als opvolger van de onthoofde koning en op vijfendertig jarige leeftijd kroonde hij zichzelf tot keizer.

Napoleon Bonaparte verwekte bij verschillende vrouwen een aantal kinderen die geen belangwekkende rol in de vaderlandse politiek zouden spelen (zijn enige wettige zoon verwierf wel een adellijke titel!).

Alexandre des Mazis ontvluchte Frankrijk in 1792 om aan het begin van de 19e eeuw terug te keren in Parijs waar de keizer zich over zijn oude vriend ontfermde.

Olympe de Gouges onderscheidde zich als vrouw en overtuigd feministe tijdens de Franse Revolutie. Vanwege haar royalistische sympathieën werd ze in 1793 onthoofd.

Koning Lodewijk XVI en koningin Marie Antoinette ondergingen in 1793 hetzelfde lot. Van een eventuele aanslag in 1785 is niets bekend.

Baron d’Holbach was een vertegenwoordiger van de Verlichting en atheïst. Zijn beruchte Systême de la Nature verscheen in 1770 en werd van hogerhand verboden. Als maître d’hotel van de Franse filosofie verleende de welgestelde wetenschapper steun aan rebelse schrijvers en ontving hij geestverwanten bij hem thuis, waaronder Diderot en Rousseau. Hij stierf, waarschijnlijk door verdriet (zijn vriend Diderot was enkele jaren eerder overleden) en ingewandsstoornissen, aan het begin van de revolutie, in 1789.

De overige personages zijn verdwenen in de anonimiteit van de loop der gebeurtenissen in dit universum; het enige dat we kennen.  

 

 

Gerelateerde Nederlandstalige literatuur:

Philipp Blom. Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting. Bezige Bij, 2010

Martin Bril. De kleine keizer. Prometheus, 2008

Hendrik Chappuis & August Blaauw. Napoleon. Kluitman, 1911 (http://www.gutenberg.org/files/27883/27883-h/27883-h.htm)

Joke van Leeuwen. Feest van het begin. Querido, 2012

Allen Kurzweil. Een kastje met curiosa. Spectrum, 1992

Hilary Mantel. Een veiliger oord. Signatuur, 2014

Jeanette Winterson. Passie. Bert Bakker, 1991

Marianne is nog altijd het nationale embleem van de Franse Republiek die tijdens de Revolutie werd uitgeroepen: la Raison, la Liberté et la Republique.

Baron d’Holbach was een vertegenwoordiger van de Verlichting en atheïst. Zijn beruchte Systême de la Nature verscheen in 1770 en werd van hogerhand verboden. Als maître d’hotel van de Franse filosofie verleende de welgestelde wetenschapper steun aan rebelse schrijvers en ontving hij geestverwanten bij hem thuis, waaronder Diderot en Rousseau. Hieronder volgen enkele Nederlandse vertalingen van zijn werk, afkomstig van https://verbodengeschriften.nl/html/baron-dholbach-uit-le-bon-sens.html en https://verbodengeschriften.nl/html/het-christendom-ontsluierd.html

 

Variatie op Romeinen 8:18: Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.

 

 

De zus van Castor en Pollux was de schone Helena. Haar ontvoering was aanleiding voor de vorming van een alliantie van Griekse staten om Troje te vernietigen.
Met fellatio en cunnilingus wordt de causale relatie omgekeerd: doel wordt oorzaak. Bij intensieve orale bevrediging kan de spirituele ‘Pijl van de Tijd’ zelfs worden gekeerd.

Doelgerichte orale seksuele stimulatie komt algemeen voor bij mensen en is exclusief voor Homo sapiens (een rudimentaire handelswijze is alleen bij vleermuizen waargenomen). Verondersteld wordt dat het gedrag samenhangt met een specifieke cerebrale ontwikkeling van de hersenschors. Het intensiveert de seksuele drang en verhoogt daarmee de kans op bevruchting.

 

 

Nadat eeuwen lang gebruik is gemaakt van gravitatie en veerkracht voor het aandrijven van apparaten vindt er in de negentiende eeuw een revolutie plaats door de toepassing van stoom en elektriciteit

El Instituto 13        VERSCHIJNSELEN

 

Margarita ging er prat op dat ze zich niet superieur achtte aan de oorspronkelijke bewoners van het continent. Wat was erger, de fysieke verkrachting door een Indiaanse visser of de spirituele verminking door katholieke zendelingen? Morele lafhartigheid en schijnheilige zelfverrijking kwamen ook elders voor en werden niet bepaald door etnische gebondenheid of afkomst. Het Europese en Amerikaanse kolonialisme behoorde geen legitimatie te zijn van de ‘westerse’ minachting voor de nakomelingen van Inca’s, Quichua’s en Arawakken. 

   Niettemin had het zo zijn voordelen dat ze een telg was uit de Meig(g)s-dynastie*. Haar vader had een couchette geregeld op de spoorwegroute tussen Huánuco en Lima. In Callao zou ze scheep gaan om haar reis naar Californië te vervolgen. Ze hoopte dat de scheepshut hetzelfde comfort zou bieden als haar treincoupé maar ze vreesde dat de deinende oceaan haar minder zou bekoren dan het ruige landschap dat ze nu aan zich voorbij zag trekken. 

   In de verte bespiedde ze het gespiegelde licht van de ondergaande zon in een van de talrijke lagunes. Hoewel de rode bol veel groter leek dan hoog aan de hemel@ was het daglicht in de coupé sterk afgenomen.

   ‘Met dat romantische ver-schijnsel,’ dacht ze geamuseerd, ‘kan ik mijn boek niet meer lezen. Ik zal mijzelf moeten bijlichten.’

   Ze trok aan het koord waarmee het elektrische licht aanklikte. Een ongekende luxe voor iemand die gewend was aan olielampen en kaarslicht. Ze genoot van de dramatische romantiek in Fortunata en Jacinta, het beroemde meesterwerk van Galdós. Ze had net kennis gemaakt met de gebroeders Ruben en gelezen hoe die enge Maximiliano zijn liefde verklaarde aan de berooide Fortunata,

   … als ze hem plotseling in levende lijve tegenover haar ziet zitten.

   Een gesmoord kreetje ontsnapt haar sprakeloze lippen. Door schrik bevangen staart ze naar het afstotelijke uiterlijk, de kromme neus, de littekens … Hoe is hij binnengekomen? Ik heb niets gemerkt .. de deuren waren toch gesloten? Zeker vergeten. En dit boek is ook zo spannend ..

   Ze keek hem aan, bevangen door de hypnotiserende werking van zijn kalme en innemende blik. Dit is niet Maximiliano, domme troel. Wie…?

   Haar onverwachte gezelschap leek haar gedachten te hebben geraden en probeerde haar gerust te stellen.

   “Duizendmaal excuus, mevrouw. Ik had niet zo plompverloren tegenover u moeten plaatsnemen.”

   Ze kon hem niet goed verstaan maar hij sprak haar bemoedigend toe en maakte een beminnelijke indruk. Er is iets met zijn ogen. Die lijken veel ouder dan de rest. Een verdriet …?

   “Mijn schielijke bezoek is onbetamelijk maar ik kon de verleiding niet weerstaan, zo verlangde ik ernaar om u te ontmoeten.”

   Ondanks zijn hakkelende spraak stelde zijn zelfverzekerde terughoudendheid haar op haar gemak. Ze voelde zich nog steeds geschokt over zijn abrupte verschijning en verward vroeg ze zich af hoe ze kon zijn vergeten om de coupédeuren te sluiten. Toch kreeg haar nieuwsgierigheid de overhand en vond ze haar stem terug.

   “Wie bent u…?”

    Ze zag dat haar woorden ook hem opluchtten. Kennelijk was hij oprecht bezorgd geweest over haar welzijn. Zijn medemenselijkheid troostte haar en tegelijkertijd voelde ze zich licht teleurgesteld. Galdós’ boek lag nog in haar schoot maar was inmiddels dichtgevallen.

   “Mijn naam is niet belangrijk. Noem mij maar Sarim, Sarim Haase. De uwe daarentegen is alom bekend, señorita Margarita. En zo is uw missie. Sommigen vinden uw streven naïef maar dat zullen ze nooit tegen u  zeggen. Bovendien hebben ze ongelijk. Ooit zal het lukken. Ooit zal er wereldvrede zijn.

   Ze had niet goed naar hem geluisterd. Ze volgde haar eigen gedachtegang en vond hem ondanks zijn afstotelijke uiterlijk en onverstaanbaar gemompel best een leuke vent. 

   Hij heet Haase! Zou hij soms een nazaat …? Haar redenatie werd verstoord door een klop op de deur. Ze reageerde niet omdat ze verwachtte dat er direct iemand binnen zou komen, maar dat bleek niet het geval. Toen zag ze dat de knip weldegelijk dichtzat. Dat heeft die Dorian natuurlijk gedaan. Ze stond op om de deur te ontgrendelen en onmiddellijk werd deze geopend. Ze stond oog in oog met Alfredo Mussganz, haar volhardende aanbidder. Allicht! Maar hij is wel een stijfkop. Onthutst staarde ze hem aan.

   “Señor Alfredo! Bent u mij achterna gereisd?“ Jij kleffe plakvlieg. Ze probeerde haar ergernis te camoufleren met hoffelijkheid en gebaarde naar haar medepassagier:

   “De heer Haase houdt mij even gezelschap …” Maar Alfredo viel haar in de rede:

   “Het kan me niet schelen hoe hij zich noemt. Het is vast een oplichter. Hoe kun je je zo door de eerste de beste vreemdeling laten inpalmen?” Hij deed een stap naar voren met een woedende blik in de richting van Dorians zitplaats, maar nu had Margarita er genoeg van. Resoluut duwde ze hem het gangpad op en bedolf haar ijdele vereerder onder een ijzige tirade.

   “Als je soms denkt dat ik ook maar iets om je geef, dan heb je het faliekant bij het verkeerde eind. Ik weet niet hoe je het in je hoofd hebt gehaald om te denken dat ik iets voor je zou voelen. Ik snap niet dat je het lef hebt gehad om mij achterna te zitten. Zelfs hier in de trein. Maak dat je wegkomt en laat me je nooit meer zien!”

   Ze was het gangpad opgelopen terwijl hij geschokt achteruit deinsde.

   “M-maar Margarita …” Verbouwereerd zocht Alfredo naar woorden, maar Margarita had hem de rug toegekeerd en liep terug naar de coupé.

   Ze schaamde zich. Ze had zich niet zo moeten laten gaan. Het was eigenlijk zielig voor Alfredo dat hij een onbereikbare droom najoeg. En wat zou de heer Haase nu wel niet van haar vinden. Die was dan wel onaangekondigd tegenover haar komen zitten, maar toch had hij iets aantrekkelijks …

   Hij is weg?!

   Margarita was de coupé binnengestapt, wilde zich juist verontschuldigen voor haar onbetamelijke uitbarsting, toen ze ontdekte dat er naast haarzelf niemand anders in het compartiment aanwezig was. De banken waren leeg. Alleen haar boek lag er. En een doosje. Waar Haase gezeten had zag zij een langwerpig doosje van ongeveer tien bij twintig centimeter. Ze pakte het op en maakte het open. Het bevatte een cilinderspeelwerk.

   Een speeldoos! Maar waar is Sarim gebleven?

   Verward en teleurgesteld ging ze zitten, nam de speeldoos uit de verpakking en startte het mechaniek. De melodie klonk haar bekend in de oren. Het was het laatste deel van de negende symfonie van Beethoven: Ode an die Freude.

   Maar vreugde voelde ze niet. Alleen een soort leegte. Ze sloeg haar boek weer open maar legde het na een paar zinnen weer naast zich neer. Het had zijn charme verloren, de betovering was overrompeld door de werkelijkheid. Al was die vreemder dan verbeelding.

 

 

 


 

 

Kort nadat hij het politiebureau heeft verlaten, ziet Erik/Bolt zichzelf weerspiegeld in de etalageruit van de stationsrestauratie. Wat beduusd staart hij naar de reflecties in het dubbelglas. Zijn thee is koud geworden.

   Wie ben ik? Waar ga ik heen?

   Het spontane plannetje om een aanslag te plegen op zijn spaartegoeden en bij wijze van spreken van de aardbodem te verdwijnen – een huisje kopen op Barbados en als visser een eenvoudig bestaan gaan leiden – heeft hij inmiddels laten varen. Grimmig beseft hij dat hij zichzelf niet kan ontvluchten, dat hij is wie hij is en dat hij het daarmee zal moeten doen.

   Lijden heeft geen zin. En de romantiek van een primitief bestaan is een illusie.

   Een huurkamer is trouwens ook een prima verdwijntruc. Er zijn genoeg hospita’s in de stad die hun neus optrekken voor een identiteitsbewijs. De papierwinkel van de belastingdienst schept zijn eigen heksen. Maar die tangen zijn voor hem natuurlijk veel te duur.

   Plotseling breekt de zon door.

   Waarom zou hij niet gewoon teruggaan naar zijn vroegere woning? De sleutelbos in zijn zak heeft het effect van een wekker: uitgeslapen en opgeruimd kijkt hij door het venster naar buiten en ziet de verkeersdrukte voor het station. Hij herkent het komen en gaan als een zinvolle bezigheid en welgemoed beseft hij dat hij evengoed een reiziger is als hij in de stad blijft.

   En dan is er nog het Instituut. Daar is men wel gewend dat iemand na langdurige afwezigheid ineens weer boven water komt. Ettelijke medewerkers waren soms maanden op reis of werkten een tijdje elders. Terwijl anderen, zoals Baars, het Instituut nooit leken te verlaten. Getroffen beseft hij dat hij René Baars’ laconieke optimisme mist en bedenkt op datzelfde moment dat de paddoslikkende archeoloog connecties moet hebben met het Oudheidkundig Instituut. Daar zal ik binnenkort ook iets mee moeten.

   Op het terras voor de restauratie steekt iemand een sigaret op. Even bekruipt hem een verwarrend verlangen, een opstekende dadendrang. Hij reikt naar het puzzelboek dat iemand op de tafel heeft laten liggen en bladert het door. Als hij stuit op de driehoeken die ogenschijnlijk even groot lijken beseft hij dat optische illusies hem verontrusten. Ze boden hetzelfde soort vermaak als enge films, alleen, dit was echt!

 

 

Na een laatste slok bittere thee springt hij op en stormt naar buiten: op het plein komt lijn 6 aan die hem naar het Instituut zal brengen. In het bijna lege voertuig neemt hij plaats naast een raampje waar hij zich vanuit zijn verheven positie kan verbazen over de verkeerscapriolen van zijn medeburgers. Onverstoorbaar snelt zijn openbare rijtuig over de vrijbaan voorbij de stroperige stroom glanzende exoskeletten. Myriade ogenschijnlijk geblindeerde fietsers laveren langs het gemotoriseerde ‘snel’verkeer. Voorzien van koptelefoons banen jongelui en bejaarden zich een weg tussen het trage blik. De eersten zullen de laatsten zijn.

   Plotseling ziet hij de oorzaak van de opstopping. Een limousine heeft een fietser gekraakt. De jongeman (of is het een meisje?) wordt juist op een draagbaar de ambulance ingeschoven. Daarna kunnen de vierwielers eindelijk weer vaart maken. Wie zijn dat die daar binnen hun bepantsering achter het stuur zitten? Hij moet denken aan de generaals die in een conflict elkaars zonen vermoorden. Zelfs hun eigen kind laten versterven. Ach, zonder dood geen evolutie. Moeders die hun kind met de auto naar school brengen omdat fietsen te gevaarlijk is. Snelle jongens die hun ouders willen bewijzen hoe geslaagd ze zijn, hoe hard ze kunnen, hoe trefzeker. Maar ook bejaarden die te gulzig profiteren van de moderne vooruitgang.

   Bij een volgende halte stapt iemand in, die ondanks de vele lege plaatsen ritselend op dezelfde bank aanschuift. Geprikkeld door de fysieke opdringerigheid en de weeë geur van arganolie werpt Erik/Bolt een geërgerde blik op deze verschijning. Uit de plooien van zijn witte kaftan haalt de verse passagier een boek tevoorschijn waaruit hij onverstoorbaar begint voor te lezen:

   “Mijn jeugd heeft zich afgespeeld aan de voet van de Heilige Berg. Er was een schemering waarvan ik later hoorde dat die vele jaren heeft geduurd. Zo lang had ik nodig om te leren hoe ik moest herinneren.”

   Geschrokken meent Erik de stem te herkennen, al klinkt hij minder onverstaanbaar dan destijds.

   “Ik stel me een vogel voor die als een ‘IK’ begint. Langzaam begrijpt die vogel dat hij verschilt van het ‘HET’ van zijn schaal. De vogel beseft dat hij opgesloten zit en als zijn zintuigen beginnen te werken wordt hij zich bewust van licht en donker, kou en hitte. Als de gewaarwording scherper wordt, probeert hij uit te breken. Dan, op een dag, begint hij te vechten tegen de plakkerige gel en de broze wand en kan hij niet meer stoppen tot hij er uit is en alleen in de duizelingwekkende wereld, die gemaakt is van verbazing en angst en kleuren, gemaakt van onbekende dingen.

   Maar zelfs toen al vroeg ik mij af: Waarom ben ik alleen?” **

   De man zwijgt en kijkt hen indringend aan. Getroffen staart Erik in het gehavende gezicht. Vaag herinnert hij zich een man/jongen van onbestemde leeftijd maar het beeld wordt nauwelijks bevestigd. De doorleefde donkere oogopslag doet hen rillen van ontzag. Bolt overweegt een epileptische aanval te simuleren. Erik zoekt naar een antwoord al wordt hem niets gevraagd. Hij staart naar de peuken op de vloer van het openbare voertuig waar roken streng verboden is. Hoe komen die daar? Als hij weer opkijkt is er van de belezen passagier geen spoor meer te bekennen. Alleen zijn stem klinkt nog door in Eriks hoofd.

   “Geleidelijk aan bespeurde ik buiten mijzelf een wezen dat gevoelens voortbracht die ik pas later kon benoemen als trouw, liefde, woede, kwade wil. Dat andere zag ik oplichten en scherper worden. Ik werd bang. Ik dacht dat dit ‘HET’ de indringer was! Ik dacht dat het bewustzijn van mijn gastheer het koekoeksei was dat uitkwam en mij zou verdrijven.”

   Vanuit zijn raam ziet hij de voortrazende buitenwereld zonder dat deze werkelijk in beweging lijkt te zijn. Niets is wat het lijkt. Stilstand bestaat niet. Er is altijd wel iets dat beweegt, zelfs al is het alleen maar TIJD.

   Een Venus uit vervlogen tijden steekt de weg over zonder dat de rest van het verkeer er iets van lijkt te merken.

 

Als hij op de zevende etage van het Instituut uit de lift stapt – het is inmiddels een uur later. Bij de entree heeft hij ontdekt dat er een nieuwe portier is die hem de toegang weigert want zij (wie bent u eigenlijk?) heeft hem nooit eerder gezien. Totdat Huby Moontrap hem uitbundig begroet (hey Hazepad, long time no seen) en op zijn gezag (joe stoepid bitch) de deur wordt geopend – ziet hij René Baars met een pakje shag in zijn hand over de gang schrijden. In de richting van het  weerzinwekkende rokershol . Ik geloof niet dat ik hem op dit moment moet lastigvallen met oudheidkundigheden.

    Erik opent de deur van zijn kamer en ziet dat alles nog is zoals hij het zich herinnert. De stapel boeken op zijn bureau, de versleten plek in het tapijt, e archiefkast tegen de muur met klok erboven. Die nog altijd stilstaat. Alleen in de zithoek bespeurt hij een beweging.  

   Achter een stapeltje manuscripten dat Erik herkent als de verzamelde ideeënstroom die niemand wil publiceren, zit de opdringerige trampassagier van daarnet met zijn neus in de theorieën die hem te gewaagd en eigenaardig zijn om te negeren. Hij heeft die curieuze geschriften bewaard omdat ze vol staan met omstreden uitgangspunten waarvoor wellicht ooit een minder controversiële context zal worden gevonden. Het is nooit zijn bedoeling geweest om ze aan een collega te laten zien. Laat staan aan een buitenstaander.

   De verschijning in de witte kaftan wekt echter allerminst een ondeskundige indruk als hij eindelijk zijn blik opslaat en Erik een samenzweerderig toelacht.

   “Machtig mooi, die aanvechtbare onzin waar geen autoriteit zijn handen aan wil branden. Maar soms is de waarheid vreemder dan fictie, nietwaar?

   Schalks kijkt hij in Eriks verbijsterde ogen en beseft dat hij hem een verklaring schuldig is.

   “Tijdens je afwezigheid heb ik hier vaak gezeten. Ik heb ze allemaal gelezen,” gebaart hij met een hoofdknik naar de manuscripten.

   “Jouw lezingen zijn trouwens ook bijzonder inspirerend geweest. Dat je me nu hier ziet zitten is daar eigenlijk het gevolg van. Mijn verschijning heb je jezelf aangedaan, als het ware. Ik zit in je hoofd.

   Elk bewustzijn pulseert op een unieke wijze, zoals elke vuurtoren ter wereld zijn geheel eigen signatuur heeft. Het ene bewustzijn pulseert samenhangend, het andere verward. Het ene is lauw, het andere heet. Het ene straalt hevig, het andere bijna niet. Soms blijft het op grote afstand, als een quasar. Een plek met dieren en mensen is voor mij een plek vol zonnen van uiteenlopende helderheid en kleur en zwaartekracht.”**

   Omdat hij geen idee heeft waar die zonderlinge indringer het over heeft of wat hij mogelijk in de zin heeft, loopt Erik/Bolt naar zijn bureau om de veiligheidsdienst te alarmeren. Als hij weer naar de zithoek kijkt is de vreemdeling verdwenen.

   Een onweerstaanbare zin in een sigaret lokt hem naar het rokershol.

 

 

 

 

 

 

Het duurde nog weken voordat Theodoor het zoute water van de Pacific op zijn tong zou proeven. Vanaf hun hoge positie in het bergachtige landschap had de oceaan dichterbij geleken en bovendien waren ze tijdens hun afdaling naar de kust steeds vaker langs nederzettingen gekomen waar ze soms argwanend maar over het algemeen gastvrij werden onthaald.

   Met de ‘platneuzen’ had hij afgesproken dat ze met geen woord zouden reppen over de gevonden schatten. De Indianen waren toch al niet zo op al dat goud belust. Ze geloofden dat Pachakutiq hen gebruikt had om het goud aan de aarde terug te geven en dat ze het aan de god te danken hadden dat ze nog bestonden. Liever wilden zij zo snel mogelijk aanmonsteren in Callao om de wereldzeeën opnieuw te bevaren. De uitgestrektheid van het open water trok hen meer dan de beslotenheid van een weelderig paleis.

   Theodoor dacht daar anders over.

   Na de ontberingen van de afgelopen maanden voelde hij er weinig voor om weer scheep te gaan. Nee, zo’n zeereis met onbekende bestemming zag hij niet meer zitten. De meeste boten gingen trouwens naar de kelder, was het niet door stormgeweld dan was het wel door kapers of buitenlandse oorlogsbodems dat ze naar de pieren gingen. Zijn koelbloedig optimisme had een bitter randje gekregen.

   Als adviseur van kapitein Pieter Jacobz van de Conceptión had zijn wereldreis een zorgeloos avontuur geleken. Totdat de kapitein werd vermoord. Per ongeluk weliswaar, maar dat was des te erger.  Aan boord van het Franse fregat had Theodoor er voor het eerst naar verlangd alleen te zijn. Op hun tocht langs de Amazone had hij gemerkt hoe het hem hinderde dat zijn lot was verbonden met de nukken en stommiteiten van anderen, zelfs al kwamen hun kracht en vaardigheden vaak van pas. In het oerwoud hadden regen en ongedierte hem doen hunkeren naar beschutting en op de harde grond in de berggrotten droomde hij van een knusse scheepskooi. Maar dan wel in een schip voor anker. De woeste oceaan was geen plek voor iemand die alleen wilde zijn. Want dat was wat hij wilde. Alleen zijn.

   Niet dat hij ondankbaar was. God, nee! Hij besefte maar al te goed hoe weinig kans hij gemaakt zou hebben zonder al die mannen die hem geleid hadden (terwijl zij van hun kant juist in hem hun leider hadden gezien). Aan de indianen die hem nog steeds vergezelden had hij het meest te danken. Zonder hen zou hij allang zijn omgekomen.

   Zonder hen zou ik niet eens uit Antwerpen vertrokken zijn!

   Onwillekeurig dacht hij terug aan hun magnetiserende muziek (die hij nu wel kon dromen) en de sprekende papegaai (een vals orakel). De vage afbeelding van zijn favoriete bidprentje danste schokkerig voor zijn ogen toen een stevige indianenarm voorkwam dat hij tegen de grond smakte.

   Nu het terrein minder onregelmatig was geworden en de vegetatie een vriendelijker aanblik bood, was zijn aandacht voor onverwachte hindernissen navenant afgenomen. Dat eiste zijn tol. Mijmerend over vroeger in een schaduwarme omgeving, op een waterarm rantsoen en zonder zich voldoende rust te gunnen, was Theodoor over een sluimerende schildpad gestruikeld.

   De indianen waren ondertussen al verder afgedaald zodat er dit keer geen zorgzame arm was om hem op te vangen. Hij smakte met zijn hoofd tegen een steen en bleef beduusd liggen. Toen hij zijn ogen opsloeg zag hij dat het terrein er aan deze kant van de berg eigenlijk net zo uitzag als de helling die ze hadden beklommen. Overal waar hij keek, laag struikgewas en cactussen, en lucht die trilde in de zon. En de indianen waren nergens te bekennen.

   Die zijn natuurlijk teruggegaan! We zijn aan de verkeerde kant naar beneden gegaan! En daar staat weer zo’n eng beest!

   Zijn paniek werd getemperd toen hij de vertrouwde stem van Pablo naast zich hoorde.

   “Jij doodmoe. Beter even rusten. Tijdzat.”

   Gerustgesteld sloot hij zijn ogen. De indiaan had hem niet in de steek gelaten. Hij zou er voor zorgen dat ze veilig beneden kwamen. Hij zou de demonen verjagen. Hij hoefde geen goud, alleen maar een schip. Wist hij zelf nog waar het goud lag? In Lima zou hij vast wel een plek kunnen vinden om alleen te zijn. Met alleen een indiaan om voor wat eten en drinken te zorgen. Meer was toch niet nodig? Hoe zou hij de schat beneden krijgen? Ach, komt tijd komt raad. Eindelijk viel hij in een onrustige slaap en droomde van de toekomst. 


 

 

                                                                        

Aan alles komt een einde behalve aan de tijd.

   Theodoor had zijn bestemming gevonden. Vertrokken uit Antwerpen was hij op zoek gegaan naar het land van de pratende vogels en had hij in plaats daarvan El Dorado gevonden. Hij had het slechter kunnen treffen. Dat besef had hem vervuld met nederige dankbaarheid. Hij zou God of Pachacutec of wie dan ook niet teleurstellen. Hij ging zich inzetten voor een betere wereld.

   Hij vestigde zich in Callao waar de kennis en ervaring uit zijn jeugd in Antwerpen hem goed van pas kwamen. Vanaf de kade had hij zicht op de vele schepen die op de rede lagen en hier was het ook dat hij verliefd werd op San Lorenzo, het eiland dat zijn laatste rustplaats zou worden.

   Het eenvoudige handelskantoor dat hij exploiteerde verschafte hem een redelijk inkomen en vooral enig aanzien. Tussendoor organiseerde hij geheime expedities naar de bergen waar hij zich in stilte verrijkte met de schatten die hij er met de indianen verstopt had. Zo vergaarde hij zonder veel ruchtbaarheid een enorm kapitaal dat hij belegde in landerijen en projecten waar vooral de lokale bevolking profijt van had (naast hemzelf).   

 

De jaren verstreken. De schermutselingen met andere delen van het Spaanse onderkoninkrijk in Zuid-Amerika, gingen grotendeels aan hem voorbij. Zijn politieke belangstelling concentreerde zich op de sociale misstanden van de inheemse bevolking.  

   Theodoor was een gerespecteerd lid van de Peruaanse samenleving geworden. Señor Théodore, door sommigen El Flamenco# genoemd, bezat verscheidene haciënda’s waarvan hij het beheer overliet aan deskundig en betrouwbaar personeel. Zelf leefde hij een teruggetrokken bestaan. Niemand wist hoe hij zijn fortuin vergaard had maar dat kon men ook niet schelen. Zolang de charismatische grootgrondbezitter met gulle hand de armzaligen verhief en slechts met een streng woord wangedrag terechtwees, was iedereen tevreden.

   In het openbare leven kon men de wat excentrieke Flamenco regelmatig aantreffen in de bibliotheek van het San Francisco klooster in Lima waar hij zich verdiepte in de klassieke filosofie. De minorieten hadden hem geholpen met het vertalen van de Oudgriekse teksten en één van hen was in de loop der tijd zijn particuliere secretaris geworden: de in Breda opgegroeide broeder Hiëronymus, die hem jarenlang terzijde had gestaan, en wiens lof hij had gezongen tijdens het begrafenisceremonieel ter ere van de overleden monnik.

   Sindsdien worstelde hij zich op eigen kracht door het gedachtegoed van presocratische denkers als Herakleitos en Parmenides. Het fascineerde hem dat wijsgerige tijdgenoten zulke tegengestelde opvattingen konden verkondigen: Herakleitos zag alles veranderen en Parmenides noemde dat gezichtsbedrog want alles bleef immers hetzelfde. Het leek wel of dat dualisme ten grondslag lag aan elk menselijk conflict: tussen de zinnen en het verstand, tussen vrijheid en verantwoordelijkheid, tussen natuurfilosofie en godsgeloof. Hij zag het terug in zijn eigentijdse strijd tussen de aanhangers van Gods vertegenwoordiger op aarde, en die zelfgenoegzame reformisten of protestanten of hoe ze zich ook noemden die beweerden dat ze ook zonder ingewijde tussenkomst met God konden spreken.

   Hij vroeg zich ernstig af of er voor dat fundamentele dualisme ook een fundamentele remedie bestond. Een algemeen toepasbare formule die in één klap alle verschil van mening en geloofsbelijdenis uit de wereld kon helpen. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

   De kwestie hield hem zodanig bezig dat hij er met de kloosterlingen regelmatig over sprak. Dat leidde soms tot een discussie waarin tot zijn verbazing lang niet alle monniken dezelfde wereldvrede voor ogen hadden. Voor de één kon dat alléén als iedereen de enige ware God aanbad, terwijl een ander meende dat het er niet toe deed hoe God genoemd werd, dat God vele namen had, dat zelfs veelgoderij op hetzelfde neerkwam, dat er uiteindelijk maar één Heer in de hoge was, halleluja!

   Theodoor bekroop soms het verlangen dat God zelf aan zo’n debat kon deelnemen, om voor eens en voor altijd duidelijk te maken hoe het zat. Maar hij begreep dat zijn verlangen ijdel was. Toch keek hij uit naar de komst van de dolende frater waarover de anderen hem verteld hadden. Het vooruitzicht vervulde hem met een vreemde verwachting waarvoor hij geen verklaring had. Behalve dat hij zo ontzettend graag een antwoord wilde.

   In het slaapvertrek van het parochiehuis waar hij woonde als hij in Lima was, bracht Theodoor meer tijd door met piekeren en aantekeningen maken dan dat hij er van zijn nachtrust genoot. Als hij ’s ochtends wakker werd gingen zijn eerste gedachten uit naar een mogelijke wereldvrede; niet bepaald een teken van geestelijke ontspanning. Hij besefte dan ook dat er iets concreets moest gebeuren en besloot zijn probleem voor te leggen aan de Vlaams-Spaanse koopman en kunstverzamelaar Lucas Pérez. Hij had Pérez leren kennen toen hij op zoek was naar een discrete oplossing om zijn verborgen schatten te gelde te maken en Lucas bleek een betrouwbare bondgenoot met lucratieve ideeën. Weliswaar stond de man bekend om zijn indianenhaat, wat niet leek te stroken met zijn uitgelezen kunstcollectie, maar niemand hoefde te weten van hun kameraadschap. Zo had Theodoor ook een duistere kant.

   Tijdens de heimelijke bezoeken die hij daarna bracht aan Lucas Pérez werd het concept voor El Instituto geboren: een genootschap van mecenaten en wijsgeren die zich collectief zouden gaan buigen over de vraag hoe meningsverschillen tussen mensen het best konden worden beslecht. Volgens Pérez moest het een soort kerk worden maar Theodoor zag meer in een Socratisch trivium. Zonder God was het al lastig genoeg. Dit verschil van mening tussen de grondleggers kon gelijk als testcase dienen voor het orgaan dat zo'n conflict zou moeten kunnen oplossen. Hij kreeg er hoofdpijn van.

   Terug in het klooster vernam hij dat de dolende frater de vorige dag gearriveerd was. Ze noemden hem glimlachend frater Sarim. Tijdens het avonddebat was gebleken dat het om een zeer belezen persoon ging. Hij was alleen wat moeilijk te verstaan. Maar Señor Théodore zou hem zeker willen ontmoeten, ze spraken tenslotte dezelfde moedertaal. En frater Sarim had enthousiast ingestemd met een gedachtewisseling over klassieke filosofie. Theodoor kon nauwelijks wachten tot het zover was.

   Zodra de kloosterlingen en de dolende frater die avond, na de nodige plichtplegingen, een gesprekskring hadden gevormd, kon hij zich niet langer inhouden.

   “Is het mogelijk om de visies van Herakleitos en Parmenides met elkaar te verenigen?”

   Hij had zijn vraag gericht aan frater Sarim. Het was duidelijk dat hij van hém een antwoord verwachtte.

   “Het verschil van mening tussen Herakleitos en Parmenides draait om eigenheid en verandering. Volgens de eerste bestaat er geen eigenheid, geen eigen identiteit, omdat alles voortdurend verandert. De ander stelt juist dat de eigen identiteit een onveranderlijke eenheid is.”

   Hij keek de kring rond om te zien of zijn woorden voldoende duidelijk overkwamen. Iedereen keek hem verwachtingsvol aan zodat hij vervolgde:

   “Beiden hebben gelijk; alleen hebben ze het over twee verschillende aspecten van dezelfde werkelijkheid. Herakleitos beschouwt de wereld zoals hij hem waarneemt. Hij is empirist en beschrijft wat hij ziet. Parmenides richt zich op een andere, onderliggende wereld. Hij is een rationalist en verkláárt de werkelijkheid met wetmatigheden, zoals oorzaak en gevolg. Die wetmatigheden zijn onveranderlijk. Sommigen noemen dat God.”

   De monniken knikten instemmend, maar Theodoor was geschokt. Niet zozeer omdat hij God buiten beschouwing wilde laten, maar omdat het verschil van mening was gebaseerd op een misverstand. Er was helemaal geen tegenstelling, er waren twee werelden. Hoe fundamenteel was dat?

   “Twee werelden, hè? Wie zegt mij dat er niet nog meer zijn?”

   “Het idee van twee werelden werd al door Plato verkondigd. Ik denk dat er achter de wereld der wetmatigheden nog een andere werkelijkheid schuilgaat. Een derde wereld van louter beweging, waarin alles danst en trilt en schudt en rondtolt. Een wereld vreemder dan men zich kan voorstellen. Zonder ruimte, zonder tijd. Een wereld van magie.”

   Verscheidene monniken sloegen een kruis en Theodoor keek de frater verbijsterd aan. Die man klets uit z’n nek. Beweging zonder tijd en ruimte? Onmogelijk. Misschien bedoelt hij iets anders maar ik zit hier mijn tijd te verdoen. Hij rees uit zijn zetel, verontschuldigde zich door een opkomende vermoeidheid voor te wenden en nam met een lichte buiging afscheid.

   Het antwoord op zijn vraag had hem niet dichter bij een allesomvattende oplossing gebracht. Integendeel. De teleurstelling had hem echter wel gesterkt in zijn voornemen om een genootschap van wijze mannen op te richten. In het geheim, want pottenkijkers en klaplopers kon hij missen. Binnenkort zou hij Lucas Pérez weer spreken. Voor die tijd kon hij nog heel wat ideeën nader uitwerken. Een naam voor de organisatie die hij wilde oprichten, had hij al bedacht: het Liefdes Instituut. L Instituto.

 

De Amerikaanse speculant en zakkenvuller Henry Meigs ontvluchtte zijn geboorteland in 1855, veranderde zijn naam in Meiggs en werd langs de Zuid Amerikaanse westkust een gevierd spoorwegondernemer en filantroop. Ook zijn omvangrijke familie deelde in het vergaarde fortuin en populariteit van Don Enrique Meiggs.

In 1977 verscheen het volgende bericht in de New York Times: ‘Honderd jaar na zijn dood in Zuid Amerika is Henry “Honest Harry” Meiggs in San Fransisco vrijgesproken van diefstal van bijna een half miljoen dollar overheidsgeld tijdens de crash van 1854… Henry Meiggs heeft zich al moeten verantwoorden voor “een hogere rechtbank dan hier op aarde,” aldus rechter Harry W. Low bij zijn nietigverklaring van de aanklacht tegen Mr. Meiggs… Ondanks de bezwaren die amateur historicus Hal Cruzon op de valreep nog had ingediend, was rechter Low van oordeel dat volgens de getuigenissen van Gustavo Gutierrex (vice ambassadeur van Peru) en Quentin Kopp (voorzitter van de raad van toezichthouders van San Fransisco) Mr. Meiggs zichzelf had gerehabiliteerd en daarom niet langer diende te worden vervolgd.’

Het verschijnsel dat zon en maan dicht bij de horizon veel groter lijken dan hoog aan de hemel is een illusie, de zgn. maanillusie, die waarschijnlijk het gevolg is van de Ebbinghaus-illusie (zie afbeelding)

                                 

Uit De Geestverwantschap van David Mitchell in vertaling van Aad van der Mijn (2002, Querido).

Een quasar is een astronomisch ver verwijderd en ontzettend heftige stralingsbron en in De Geestverwantschap is het ook de aangenomen naam van een verwarde Japanse terrorist die betrokken was bij de gasaanslag in de metro van Tokio in 1995.

Flamenco betekende destijds in het Spaans ‘Vlaming’. Tegen het eind van de 19e eeuw werd het gebruikt om zigeuners en zigeunermuziek aan te duiden. In Oudnederlands schreef men ‘flaming’ hetgeen de f- in flamenco kan verklaren, maar het kan ook veroorzaakt zijn doordat in het Spaans een woord nooit met vl- begint.

 

 

L & B: KNOP                DE WERELDVREDE NABIJ

 

Sinds kort is er een toetsenbord op de markt met een zogenaamde vredestoets. Aanslaan van de knop zorgt er voor dat automatisch een bericht wordt verstuurd naar alle adressen in de mailbox.

 

Knappe koppen hebben berekend dat iedereen via zes tussenpersonen in contact staat met de totale wereldbevolking. Sociale media kunnen in luttele seconden rondbazuinen wat wereldreligies al eeuwen behartigen: zorg dat je erbij komt!

De meeste gebruikers van het internet zijn terughoudend als het gaat om het bezoeken van evenementen of het verspreiden van kettingbrieven. Maar voor het verspreiden van de vredesboodschap zijn ze gewoonlijk wel te vinden.     

De vredesknop is herkenbaar door een afbeelding van een bloemknop (met opzet heeft men afgezien van de obligate vredesduif). Met één druk op de knop ontvangt iedereen in de mailbox het verzoek om iedereen in de mailbox het volgende bericht te sturen:

“Stuur dit bericht aan iedereen in je mailbox: de vredesbloem ontluikt als jij dat wilt.”

 

De kritieken zijn niet van de lucht: barse koppen verwijzen zo’n bericht direct naar de prullenbak, domme koppen verzuimen het eerste deel van het bericht te versturen, uitgekookte koppen versturen het bericht alleen naar Nederlanders en slappe koppen vergeten het gewoon. Je moet er dus wel wat druk achter zetten, dat deden de missionarissen ook: “Wie niet meedoet, wordt eeuwig vervloekt!” De vredesboodschap in de knop gesmoord. Maxim Februari spreekt al van een digitale knoop in het kerkezakje, want je hoeft zelf geen enkel offer te brengen.

 

                                                                                                                                                                                      

 

Stoïcijns hopen de ontwerpers dat de vredesknop wordt opgenomen in de standaard voor nieuwe toetsenborden. Zonder dat installatie met extra software nodig is. De mededeling kan dan worden ingekort. Er wordt nog nagedacht over een extra stimulans.    

 

DE KATHOLIEKE BROEDPARASIET IS EEN DUIVELSE INDRINGER

 

 

De koekoeksklok is vermoedelijk tot stand gekomen door de synthese van sluimerend sociaal nationalisme, de onopzettelijke interactie tussen een horlogemaker (uurwerk), metaalbewerker (dennenappels), houtsnijder (esdoornbladeren) en orgelbouwer (vogeltje) en hun gemeenschappelijke katholieke conservatisme: de tijd verstrijkt, alles blijft. Slechts het Zijnde Is

 

 

 

 

EIGEN BELANG EERST

De klok verwijt de klepel dat hij haat zaait

 

 

Geïnspireerd door eerdere publicaties over natuurlijke selectie als mechanisme van organische evolutie introduceerde Herbert Spencer in 1864 de term ‘survival of the fittest’. Dit principe wordt door uiteenlopende groeperingen vertaald als ‘recht van de sterkste’ en als zodanig in de praktijk gebracht. Het mechanisme waarmee (bio)diversiteit ontstaat, suggereert kennelijk de maatschappelijke legalisering van uniformiteit binnen de eigen soort. Onderstaande uitingen van deze gedachtegang zijn ontleend aan Rebel!, het blad van de jongerenafdeling van Vlaams Belang. Het ongenoegen keert zich niet zelden tegen gelijkgestemden. Maatschappelijke frustratie is als een strontmolen: het spuit alle kanten op.

 

 

In een goedwerkende democratie zouden gekozen politici de opvattingen het hun kiezers moeten weerspiegelen. Dan zouden ze er voor zorgen dat al die vreemdelingen, waar niemand bij in de buurt wil wonen, hier niet meer naartoe komen en degenen die er al zijn zo snel mogelijk vertrekken. De huidige politieke kaste heeft, samen met haar collaborateurs in de media, echter beslist dat die kwestie boven en buiten de democratie geplaats moet worden. Het is een ideologisch dogma geworden waarover niet meer democratisch gestemd mag worden en waarover men zelfs geen discussie meer mag voeren. Zelfs seculiere politici geloven niet meer in de ouder religieuze verdeling tussen Goed en Kwaad. Ze hebben nu andere maar even absolute indelingen. ‘Racistisch’ tegen ‘antiracistisch’, ‘gelijkheid’ tegen ‘discriminatie’. Mogen we dan misschien nog zelf onze stem uitbrengen over die tweedeling? Nee, dat mag niet. Mogen we nog stemmen over de invulling, de interpretatie of de draagwijdte ervan? Nee, ook niet. Dat mogen alleen de uitverkorenen van de heersende politieke kaste en de rechters die zij hebben benoemd. Hetzelfde geldt voor hun hoogst bizarre interpretatie van de mensenrechten, waarin alle socialistische stokpaardjes plots tot ‘mensenrechten’ zijn verheven en dus boven alle kritiek staan, maar ook boven en buiten de democratie. Ze verwijten ons van demagogie terwijl ze zelf de democratie misbruiken om het volk op te leggen wat Goed en Kwaad is. Het gaat hen niet om de wens van het volk, het gaat hen er om de eigen macht te bestendigen. Democratische legitimiteit komt niet voort uit een kaste wijze, alwetende politici, die qua onkreukbaarheid en moreel bewustzijn hoog boven het plebs verheven zijn – hoor ik daar iemand lachen? – maar van het volk, voor het volk en door het volk. En politici die dat niet kunnen aanvaarden, moeten maar in de oppositie gaan. Het wordt hoog tijd dat die gasten oprotten.

   De politiek correcte visie op vreemdelingen is dat ze allemaal keurige, vredelievende en zachtmoedige mensen zijn die uit zichzelf geen vlieg kwaad zouden doen. Ze worden alleen agressief door de schuld van anderen die hen met hun boze daden tot wanhoop drijven. Zelfs in onze eigen kring geloven sommigen dat die goed doorvoede, modern geklede en met dure smartphones omhangen indringers beklagenswaardige slachtoffers zijn van totalitaire regimes. Maar zo groot is de macht van propaganda en indoctrinatie dat ze ons zelfs het tegendeel laten geloven van wat we zelf zien. De media beweren met Noord Koreaanse eensgezindheid dat het politieke vluchtelingen zijn en miljoenen brave mensen geloven dat blindelings. Maar iedere politicus, iedere journalist die dat beweert, is een leugenaar. Het zijn volksverhuizers die onze landen komen inpalmen. In die horden die nu over ons komen, als een sprinkhanenplaag uit de bijbel, zijn alleen de Arabische christenen echte vluchtelingen. Verreweg de meesten van deze volksverhuizers zijn volgelingen van de massamoordenaar Mohammed. Men beweert dat zij vluchten voor dictaturen en burgeroorlogen maar die komen allemaal rechtstreeks voort uit hun geliefde islam. Die regeringen zijn zelfs slechts een uitvloeisel van wreedheid en fanatisme die heel diep geworteld zijn in de islamitische maatschappij. Als in die landen pogroms worden gepleegd tegen christenen, dan zijn de daders geen politiemensen of militairen van het regime, maar gewone moslims. Als islamitische ouders hun eigen kinderen vermoorden omdat die zich in het geheim tot het christendom hebben bekeerd, of als zij hun dochters afmaken omdat zij een ongeoorloofde liefdesrelatie hebben, of als ze meisjes laten besnijden, dan doen ze dat niet onder dwang van hun regering maar uit eigen overtuiging. De moslimwereld is verziekt door een diepgewortelde cultuur van totalitair denken, brutaliteit, wreedheid, vrouwenhaat en religieus fanatisme. En die psychische ziekten genezen niet door hun islamitische geboortegrond te ontvluchten. Ze zullen ook onze landen besmetten en ons tot hun slaven maken. Ze zijn al hier. Ze zitten overal. Het is hoog tijd dat die gasten oprotten.

   De naïevelingen in ons midden laten zich te makkelijk misleiden door het maatschappelijke sloop- en ondermijningswerk van links. Volgens het cultureel marxisme van de linkse media is de primaire vijand de heteroseksuele blanke man die per definitie onderdrukkend en boosaardig is. De onderdrukten die in opstand moeten komen, zijn volgens dat soort marxisme de leden van etnische en seksuele minderheden en vrouwen. Het culturele marxisme heeft al een succesvolle mars door alle instellingen gemaakt en is bij ons nu de dominante kracht in het onderwijs, de politiek en de media. Daardoor kon het gedurende decennia een slinkse indoctrinatiecampagne voeren waarin de joods-christelijke ethiek, het traditionele gezin en het moederschap systematisch bezwadderd en uitgehold zijn. Dat zijn immers allemaal macho-instrumenten van onderdrukking. Het gezin is niet langer een veilige haven van liefde en geborgenheid, maar een onderdrukkend koloniaal systeem waaruit vrouwen zich zo snel mogelijk moeten zien zich te bevrijden. Voor kinderen is geen plaats meer. Dat culturele marxisme wordt meestal niet als dusdanig herkend omdat het handig gecamoufleerd wordt in termen ontvoogding, mensenrechten, emancipatie en gelijkheid.

   Ooit was mijn geboortegrond een land van voorspoed en geluk. Thans kent het een angstwekkend hoog zelfmoordcijfer. Het verlies aan religieuze zingeving, aan stabiele gezinnen en aan toekomstperspectief voor de komende generaties heeft een gapende spirituele leegte veroorzaakt. Met dank aan de feministen sterven er bij ons meer mensen dan dat er kinderen worden geboren. Het vacuüm dat zo is ontstaan, wordt nu met medeplichtigheid van de media en de politieke kaste opgevuld door moslims. Het wordt hoog tijd dat niet alleen die geitenneukers maar ook die lesbo’s oprotten.

   Het virus van het culturele marxisme tast vooral de door ouderdom verweekte hersens aan. Bejaarde koppen raken uitgeblust en horen – of ze willen of niet – de fakkel aan jongeren door te geven. Nergens zit zoveel dood hout als binnen onze eigen gelederen. De vergrijsde partijbonzen hun parlementszetel als een eeuwigdurende vaste benoeming en blokkeren een gezond doorgroeiproces. Hun hele zittingsduur hebben ze nauwelijks van zich laten horen en als ze al iets te berde brengen is dat opgesteld door een jongere medewerker. Maar waarom zou je daarover zeuren? We hebben toch gewonnen? Het gaat toch goed? Jazeker, totdat we de rekening gepresenteerd krijgen van alle problemen die we zo lang hebben laten rotten. Dan komen we tot de ontdekking dat het onmogelijk is parlementsleden objectief te beoordelen en te evalueren omdat ze allemaal met elkaar verbonden zijn door kleverige draden van oude vriendschappen en verplichtingen. Hoe lang gaat het nog duren voor we dat stelletje luie onbekwame slaapkoppen uit hun zetel slepen en anderen de kans geven het beter te doen? Is het niet de hoogste tijd dat die kramakkelige sukkelaars het veld ruimen en oprotten?