HET EMERGENTE UNIVERSUM: EEN RECONSTRUCTIE
Gad nee, poëzie…! Zei ze op een dag1

                                                                                     

Wat je hoort is De Tijd uit 1981 van Louis Andriessen uitgevoerd door de ASKO & Schönberg ensembles onder leiding van Reinbert de Leeuw

Op 14 april van het revolutiejaar 1968 besluit de artistieke kern van progressieve intellectuelen in Amsterdam om gezamenlijk een kunstgedrocht te construeren dat laat zien hoe de vrije geest wordt verkracht door de gevestigde orde. Drie maanden later neemt het Holland Festival dit thema in de vorm van een moderne opera op in het programma van 1969, wat resulteert in de unieke uitvoering van Reconstructie, een moraliteit. Dat de opera daarna nooit meer is opgevoerd, wijst erop dat dezelfde revolutie maar één keer plaatsvindt.

   Een halve eeuw later wordt de dreigende inperking van individuele vrijheid door het maatschappelijk bestel erkend (privacywet-geving) en tegelijkertijd laten individuen zich vrijelijk opslokken door het wereldwijde netwerk van de sociale media. Het verzet tegen de gevreesde betutteling is omgeslagen in een soort achteloze verontwaardiging. De heersende moraal belemmert zowel de afzijdigheid van een eenling als het tribalisme van een club. Voedsel voor doemdenkers.

   Halverwege het derde millennium bestaat, in weerwil van pessimistische Gaya-adepten, de mensheid nog steeds dank zij de volledig geïntegreerde elektronische intelligentie en robotica. Geheel in lijn met de grote evolutionaire transities van weleer vormt Homo sapiens de opstap naar een nieuwe orde, Cyberium. Zoals eencelligen bestaan dankzij bacteriën en mensen bestaan dankzij cellen, zo bestaat Cyberium dankzij mensen. Cyberium staat voor de wereldwijde symbiose tussen mens en machine en heeft een eigen, planetaire identiteit. Het onderhoudt zich met andere cyberia in een onderbewust streven naar galactische eenheid, de volgende sport van de emergente ladder (geheel in lijn met optimistische Gaya-adepten). 

 

Zijn eerste droom van de zoete fee heeft hem nooit verlaten. De extase was zo overweldigend dat de kleine Huby Moontrap overeind schoot uit een zinnenprikkelend schimmenspel en zeker wist:

   Ik ben het centrum van de wereld!

   Het is een andere manier van zeggen dat God overbodig is. Hij besloot dat de waarheid slechts een kwestie is van woorden.

 

  

Als het emergente universum poëzie was, heette dit misschien de ondersteboven berg. De punt omlaag, het primordiale begin. De voet onzichtbaar, gehuld in oogverblindende nevels. Wij halverwege, op weg naar de toekomst.

   Maar dit is geen poëzie, dit is de prozaïsche neerslag van een culturele beleving. Daarin is natuurlijk wel plaats voor gedichtjes, zoals ook kinderspel beslissend is voor een plezierige terugblik op je leven.

 

Het kriebelt soms, de rommel

om mij heen roept: ruim mij op!

dat stof afnemen is niet stom. Losse

eindjes, heen en terug staan

de stapels, afgebroken

sterrenstof twee drie vier

voetjes in de lucht*

Waarom deze rijmelarij? Ach, je wilt het toch aan iemand kwijt?! Volgens sommige grappenmakers omdat het leven anders helemaal zinloos is. Voor de ware liefhebber is er altijd nog Leegte Lacht van Tonnus Oosterhoff, Bezige Bij, 2011.
 
Niet alles is in evenwicht. Wat een gewichtige beweegreden is voor beta’s klinkt in de oren van een alfa als iets ondoordachts, iets impulsiefs. Nee, zeggen beta’s, impuls is een gewicht maal zijn beweging (P = m . v) en kan net als energie nooit opraken, want – en dat weten zelfs alfa’s – actie is reactie! Dank zij die impuls blijft een draaitol overeind, dat is niet onbezonnen, dat is bemoedigend. De ondersteboven berg wentelt om zijn eigen as en blijft op zijn spits in evenwicht als een priktol op zijn punt. Een gyroscoop. Zolang die ronddraait is er evenwicht.

    De wereld zit vol onverwachte wetmatigheden, waar je gewoonlijk niet bij stilstaat. Bijvoorbeeld, als iets groter (en zwaarder) wordt neemt de inhoud sterker toe dan het oppervlak. Daarom worden zeepbellen nooit zo groot als je zou willen (tenzij je heel speciale zeep gebruikt).

    Een mens ontstaat door het samensmelten van 2 cellen en heeft er bij geboorte meer dan 2 biljoen (en dat worden er daarna nog wel 18x zoveel). Onze huid meet ongeveer 1½ m2 en is daarmee ons grootste orgaan. Het omhulsel (membraan) van een cel is ongeveer 5mm2 groot. Samen hebben die cellen een oppervlakte van meer dan tienduizend m2! Maar ze hebben samen echt niet meer dan ons lichaamsgewicht. Is dat niet gek? Je zou kunnen zeggen dat eencelligen een huidje hebben dat (relatief) meer dan 6000x groter is dan onze huid (ons grootste orgaan). Wat zegt dat over de kleintjes? * 

   Aanvankelijk neemt het aantal cellen enorm toe maar na de geboorte gelukkig niet meer. Bij de meeste groeiprocessen is er sprake van logistische groei, dat wil zeggen dat er grenzen aan zijn. Ook een wetmatigheid waarmee men niet altijd rekening houdt.*

Een gyroscoop is eigenlijk niets anders dan een tol, een vliegwiel rond een as. Elke roterende massa heeft het kenmerk van de gyroscoop: door de wet van behoud van impulsmoment verzet de draaiende massa zich tegen een verandering van de stand van de draaias. Er zijn altijd krachten (bv. zwaartekracht) die proberen de rotatie uit evenwicht te brengen. Daardoor staat een tol nooit rechtovereind (maar probeert dat wel uit alle macht). Deze bijzondere eigenschap maakt de draaitol tot een geliefd en vaak inzetbaar fenomeen, met name bij het sturen (navigeren).Zie ook: https://www.youtube.com/watch?v=cquvA_IpEsA                       
Het verschijnsel is gemakkelijk te begrijpen: oppervlakte neemt toe (of af) met het kwadraat, inhoud (en gewicht) met de derde macht. De gevolgen zijn onverwacht: een klein dier koelt sneller af dan een groot dier; daarop een muizenhartje het bloed veel sneller rond dan een olifantenhart dat doet. En vissen zouden heel goed op het droge kunnen ademen, maar hun kieuwen verkleven zodat het oppervlak van de lamellen te klein wordt om genoeg zuurstof op te nemen.
Kenmerkend voor groeiprocessen is dat ze niet-lineair zijn, waardoor ze na verloop van tijd onbeheersbaar en onvoorspelbaar worden. Wiskundig is groei te beschrijven volgens pn+1 - pn = r . pn(1 - pn/E) waarbij E een soort eindtoestand is en r de groeifactor. Kies bijvoorbeeld E = 1000 en r = 0.1 dan wordt de formule pn+1 = pn - 0.0001pn2. Zolang het aantal klein is valt de kwadratische term te verwaarlozen maar bij grote pn gaat die waarde juist overheersen. Immers, kwadratische termen groeien sterker dan lineaire. De kwadratische term is ook verantwoordelijk voor het ontstaan van chaos bij sommige andere keuzes van r. Wie E Eindeloos groot kiest oogst uiteindelijk Ellende.

 

In weerwil van zijn poëtische ambities gaat Huby geofysica studeren (een appartement in Oman of een hostel in Jaipur?). De wereld van beweging fascineert hem evenzeer als de Parnassus.

   Zijn eerste opdracht bij El Instituto draaide om de vraag waarom men liever fantaseert dan redeneert. Of was dat soms niet waar?

 

Zolang mensen of hun dierbaren worden geveld door onbegrijpelijke ziektes, zolang machtswellustige medemensen hen onderdrukken en uitbuiten, zolang zij door willekeurig natuurgeweld worden bedreigd en zolang ellende een kalm en tevreden bestaan belemmert, zolang zal men troost zoeken in een willekeurige uitleg en zich tevreden stellen met getuigenissen, ook al zijn deze irrationeel van aard. De diepste behoefte van de volgroeide mens blijkt zingeving te zijn: een duiding dat het lijden niet voor niets was.

   Steeds meer fenomenen zijn in de loop van de tijd verklaard. Dat wil zeggen dat er een wetenschappelijke uitleg aan is gegeven. Dat heeft ons begrip van de wereld (kennis) en onze greep op de wereld (technologie) sterk verbeterd. Niettemin houdt men angstvallig vast aan het verlangen naar zingeving. Het WAARDOOR en WAARVOOR mag dan duidelijk zijn, we blijven zitten met de vraag WAAROM?

Waarom de wereld onbegrijpelijk is (kwantummechanica), waarom de wereld triest is (leed) of waarom de wereld schoon is en ordelijk (symmetrie), het zijn zinloze vragen. Iedereen mag zelf een antwoord verzinnen en er verder het zwijgen toe doen.* 

 

Volgens de mathematische modellen van astrofysici was het uitdijende heelal ooit veel kleiner dan nu en bestond de materie vrijwel uitsluitend uit vrij bewegende waterstofatomen. Door hun onderlinge liefde klitten ze samen en vormden ze de eerste sterren. Soms was die affiniteit zo groot dat de sterren explodeerden en tot stof werden teruggebracht. Uit dit sterrenstof werden de planeten geboren, waaronder ook de aarde. 

   Het is niet bekend of het leven is ontstaan op aarde of elders maar het moet ooit zijn begonnen in de vorm van complexe moleculen die ook uit sterrenstof zijn voortgekomen. Sinds er leven is op aarde, bestond dit voor lange duur uitsluitend uit bacteriën. Ook onder deze onbeduidende wezentjes bestond voldoende wederzijdse sympathie om na verloop van (lange) tijd een innig samenwerkingsverband aan te gaan. Die maatschap ging tenslotte een eigen leven leiden als eencellig organisme. Als dat niet gebeurd was zouden er nooit meercellige wezens zijn gekomen, laat staan gewervelde dieren en, uiteindelijk, mensen.*

Tijdens de geschiedenis van de mensheid is het gelukt om niet-organische objecten (machines) voort te brengen die uiteindelijk geleid hebben tot buitenaardse uitstapjes. De symbiose tussen mens en machine heeft een wereldwijd netwerk van intense samenwerking voortgebracht. Een associatie waaraan menselijke individuen vrijelijk een bijdrage konden leveren of zich van konden distantiëren. Maar wel een associatie met een eigen identiteit en een wil tot overleven. Opzettelijke sabotage werd als vanzelf bestreden maar niemand werd gedwongen mee te werken om de planetaire identiteit in stand te houden. Daarvoor waren de niet-organische voortbrengselen van de mens te krachtig geprogrammeerd en bood het te weinig draagvlak voor principieel scepticisme. De pessimistische toekomst-verwachtingen van weleer bleken ongegrond, kunstmatige intelligentie en robotica hadden het evolutionaire stokje van de mensheid overgenomen en dat was helemaal niet eng.*

 

Al snel werd duidelijk dat Huby’s preoccupatie met Heraclites’  Panta rhei ook de amfora van Dionysos omvatte. Daar brachten de dagboekaantekeningen van Hasan Pacha maar weinig verandering in. Huby's vondsten in het Kaleidoscopisch Kompas  hadden weliswaar zijn vermoedens omtrent de toekomst bevestigd, ze hadden hem ook dorstiger gemaakt. En zijn mathematische argwaan aangewakkerd. 

 

  

De waarde van wiskunde om waarnemingen te specificeren en om logisch te kunnen redeneren, werd door de Franciscaan Roger Bacon in de 13e eeuw al onderwezen. De meeste mensen haten wiskundige formules, maar één kennen ze allemaal: E = mc2. Dat is immers God.

   Sommigen weten dat de formule betekent dat energie en massa in elkaar kunnen overgaan. De uitgebreide wiskundige deductie die Einstein hanteerde in zijn relativiteitstheorie wordt zelden gepresenteerd maar de voorlaatste stap wil ik je niet onthouden:

 

E2 = c2p2 + c4m2

 

Daarbij kan de impuls p onder omstandigheden gelijk worden gesteld aan 0 zodat

 

E2 = m2c4

 

Iedere middelbare scholier weet dat deze vergelijking twee oplossingen heeft:

 

E = mc2 en E = -mc2

 

Door de negatieve energie wordt de richting van de tijd omgekeerd en dat is absurd. Om zo'n ongerijmdheid uit de wereld te helpen, hebben geleerde koppen met behulp van complexe getallen antimaterie geïntroduceerd. En de Pijl van de Tijd. Antimaterie bestaat uit zogenaamde tegen-deeltjes met negatieve energie die zich met een grotere snelheid dan het licht in tegenovergestelde richting bewegen van de 'gewone' deeltjes (vanuit de toekomst naar het verleden; supercausaliteit). 

   De overeenkomst tussen energie en massa riep het beeld op van een symmetrisch universum, ook met betrekking tot de tijd. Dit opende de deur naar de wonderlijk wereld van de kwantummechanica.

   Er wordt wel beweerd dat kwantummechanica en oosterse filosofie veel op elkaar lijken, maar dan gaat men eraan voorbij dat kwantummechanica is gebaseerd op wiskundige modellen en oosterse filosofie op meditatie en mooie verhalen*

 

 

Toen telefoons nog een draaischijf hadden, de schaamluis nog welig tierde en God werd gevreesd, herontdekte AIO Huby Moontrap de waarde van het woord. De verhalen die hij hoorde, kranten die hij las, studieboeken die hij bestudeerde en discussies die hij voerde, films die hij zag en tijdschriften die hij doorbladerde, hun gemeenschappelijke boodschap was telkens weer dat alles, maar dan ook alles, in tegenovergestelde richting bewoog. Meningen stonden lijnrecht tegenover elkaar. De droom van de één was de werkelijkheid van de ander. De leugen zus, de waarheid zó. De opvatting die het uiteindelijk won was steeds de opvatting die het best geformuleerd was.

   De meest welgebekte mening moest wel waar zijn.

 

 

 

Dat wiskunde ook maar een taal is, met soms ogenschijnlijk nietszeggende woorden, blijkt uit de identiteit van Euler, door sommigen wel de mooiste wiskundige formule genoemd: 

 

eip + 1 = 0

 

Maar wat hier staat* heeft zo te zien geen enkele betekenis. Het is het resultaat van vernuftig gesleutel. Het lijkt net zo nietszeggend als het Opperlandse woordpalindroom:

 

Wel, het is slechts iets, maar iets slechts is het wel1

 

Autistische humor. Verbazingwekkend, maar nietszeggend. De savant die je wil laten weten dat er achter de werkelijkheid een hogere of diepere waarheid schuilgaat, kletst uit zijn nek. Of toch niet? De dingen zijn misschien niet altijd wat ze lijken, maar de bedrieger ben je zelf. Laat je vooral niets wijsmaken. Ook dit niet.*

 

Maar soms is wiskunde wel een soort tovertaal. Kun je er dingen mee tevoorschijn halen die anders nooit werkelijkheid waren geworden. Zonder rekenen waren we nooit verder gekomen dan rotstekeningen en rijmelarij. Ontroerend mooi, soms, maar nooit meer dan rite. Aan de andere kant, wat zijn de Fractals van Julia anders dan een massa cijfers en rekenregels?

   Ga je nog een stapje verder, dan kun je met wiskunde zelfs het ‘onbestaanbare’ tot leven wekken maken: de wereld van Escher, kwantumverstrengeling, snaartheorie… Maar ook gewoon tijdreizen.*

 

 

Op zijn speurtocht naar een antwoord op de vraag der vragen (unificatie of grote synthese) vindt Moontrap opmerkelijke analogieën tussen kwantumelektrodynamica en menselijk gedrag. Feynmandiagrammen voor de analyse van sociale structuren? Schrödingervergelijkingen om individueel gedrag te beschrijven? Gravitatie als genegenheid. Supersymmetrie als troost.

 

 

De geschiedschrijving laat zien dat geen enkele gebeurtenis op zichzelf staat maar altijd onderdeel is van een historische ontwikkeling. Er zijn vele aanleidingen voor elke gebeurtenis zonder welke deze niet zou hebben plaatsgevonden. En evenzo vormt elke gebeurtenis samen met vele andere de aanleiding voor nieuwe gebeur-tenissen. Niets staat op zichzelf. Bovendien zijn de meeste gebeurtenissen het gevolg van onbeduidendheden net zoals ze zelf te onbeduidend lijken om in de geschiedschrijving vermeld te worden. Toch is elke wel vermeldenswaardige gebeurtenis mede het gevolg van dergelijke futiliteiten en zelf weer de oorzaak van menig bagatel. 

   De geschiedschrijving wordt van oudsher opgedragen door de gevestigde machthebbers, die spelen dan ook altijd de hoofdrol. Daarbij wordt meestal voorbijgegaan aan de talrijke miezerige, onverschillige en nietszeggende onderdanen zonder wie er helemaal geen machthebbers zouden zijn. Over wie zouden zij anders moeten heersen? Over aanzienlijke, voorname en betrokken medeburgers? Dat zijn toch ook gevestigde machthebbers, op een kleinere schaal? Nee, het falderappes en schorremorrie mag als groep interessant zijn en individueel in schelmenromans figureren, de loop van de geschiedenis wordt er niet aan toegeschreven. Onterecht, want, zoals gezegd, over wie valt er anders te regeren?

Ook in de geschiedenis van de mens zijn er gebeurtenissen zonder welke andere gebeurtenissen nooit zouden hebben plaatsgevonden. Vooruitgang noemt men dat. Maar het zijn geen emergenties. Daarvoor is de tijdschaal veel te kort. Voorbeelden zijn het ontstaan van landbouw of de ontdekking van elektriciteit. Die hebben revolutionaire gevolgen gehad maar dat heeft de mensheid nog niet wezenlijk veranderd. Daarvoor is het nog te vroeg.

En dan is er nog de middelmaat, de massa. Een beetje zus, een beetje zo. Wie wil daar nog meer over vernemen? Het mag de hoofdmoot vormen van ons dagelijks bestaan, we willen er niet te veel aan worden herinnerd. Verreweg de meesten van ons gedragen zich volgens het kleurloze gemiddelde en dragen zo, hoe gering ook, bij aan de loop van de geschiedenis. Want iedereen heeft een verhaal. We spelen allemaal een rol. Het duurt wellicht wat langer maar uiteindelijk is ieders invloed van onmiskenbare waarde.*

 

Duidelijk is dat wij een sterke hang hebben naar symmetrie, in de meest ruime zin. Dat appelleert aan onze esthetische voorkeur maar kan evengoed misleidend zijn. We horen een muziekstuk graag eindigen in dezelfde toonsoort als waarmee het begon, maar we laten ons ook graag verrassen. Een open einde vinden we onbevredigend. Wat eindeloos is, mag eigenlijk geen begin hebben.

   Onze voorkeur voor symmetrie is ook terug te vinden in de analogieën. In de filmindustrie wordt – onder andere uit kostenover-weging – dankbaar gebruik gemaakt van hulpmiddelen om voorstellingen op een afwijkende schaal te vertonen: gigantische bouw-werken die onder normale omstandigheden zouden instorten (volgens de hierboven genoemde wetmatigheid dat volume (= massa) sterker toeneemt dan oppervlak) of minuscule duikbootjes die varen door bloedvaten en zich voortbewegen als een potvis in de Pacific (zelfde materialen ondervinden op verschillende schaal andere krachten/viscositeit; kan worden gecorrigeerd met het getal van Reynolds). Toch laten we ons graag bedriegen.

   De dingen zijn niet altijd wat ze lijken.

 

 

Toen het Echte Universum werd geschreven, was daar niemand bij. Behalve, volgens sommigen, onze-lieveheer, die zich niets aantrok van de opborrelende pop-ups in Zijn schepping: brokstukken stof&as vormden een baarmoeder van brokstukken stof&as vormden een verlangen naar brokstukken stof&as vormden inzicht in … De Grote Goocheltruck.

   Huby Moontrap weet zeker dat de spontane oprispingen niets te maken hebben met een goddelijk wezen. Ze zijn daarentegen een typische eigenschap van de werkelijkheid, vanzelfsprekend en tegelijk onbegrijpelijk. Deze misleidende illusie heeft mensen aangezet tot het bedenken van poëtische verdichtsels en vangnetten.

   Volgens onafhankelijk onderzoeker Moontrap is aarzeling over universele causaliteit of waardering voor allegorieën en alliteratie niet verwerpelijker dan het geloof in Creatie. Tegenover de gedachte dat een gebeurtenis (iets) kan ontstaan uit de afwezigheid van die gebeurtenis (niets) verkondigde hij in Recursieve Reconstructies, de eindeloos herhaalde ontstaansgeschiedenis van het heelal. Wat zijn geloofwaardigheid in geofysische kring ondermijnde, werd bij El Instituto juist geprezen. Daar kreeg de ‘dwarse wetenschapper’ alle vrijheid om zijn tegendraadse gedachtegang tot in de lengte der dagen voort te zetten.   

 

In het Emergente Universum wordt onze geschiedenis voorgesteld als een caleidoscopische kralenketting waarvan elke kraal kan worden opgevat als een individu of gebeurtenis.  Al zijn de afzonderlijke kralen nog zo complex, in hun eentje kunnen ze nooit een ketting vormen. Wel kan elk los bolletje weer worden beschouwd als een kluwen van ingewikkelde onderdelen terwijl de ketting op haar beurt weer deel uitmaakt van een groter geheel. Deze trapsgewijze weergave van de werkelijkheid is geënt op de fractale patronen in Recursieve Reconstructies en vormt het hoofdmotief van het Emergente Universum.

   Er wordt wel beweerd dat de menselijke maat zich precies halverwege het schalenspectrum bevindt.* Aan de ene zijde de steeds verder krimpende microkosmos en aan de andere kant de oneindige uitgestrektheid van het heelal. Astrofysici zijn het eens over de toenemende snelheid waarmee de ruimte uitdijt (zonder tijdslimiet) en snaartheoretici beweren dat supersnaren  vele malen kleiner zijn dan de kleinste bekende deeltjes; zodat terecht de vraag gesteld kan worden: waar ligt het midden van oneindig? Het beeld dat zich aandient, is dat van een digitale Mandelbrotverzameling waarop eindeloos kan worden ingezoomd: het Emergente Universum.

   Het Emergente Universum  is een raamwerk, een platform, een stellage van de werkelijkheid.

  Een huis heeft vele kamers. In elk huis wonen andere mensen. Er zijn geen twee huizen gelijk. Maar al die huizen zijn ooit in de steigers gezet. De steigers zijn universeel, functioneel. Wie wil genieten van een goed boek, een verdiepende gedichtenbundel, een spannende thriller of een eclectische karakterschets, doet er goed aan zich eerst te verdiepen in het geraamte van de realiteit, het Emergente Universum.

   Het gegoochel met getallen is ontsproten aan het menselijk brein. Dat garandeert geenszins de universele geldigheid van wiskunde. Dat een symfonie ons kan ontroeren, wil niet zeggen dat andere wezens door datzelfde muziekstuk worden bewogen. De God die alle volkeren op aarde aanbidden als de schepper van het universum hoeft niet dezelfde God te zijn van buitenaardse wezens. En ook de meewarige glimlach van de zelfingenomen atheïst zal verstarren op zijn/haar pad door het Emergente Universum.

 

 

 

Pssst....! Hier zit ik, Sarimanok, je weet wel. Ik ben onzichtbaar. Misschien heb ik me hier verstopt. Zodat ze me hier lekker niet kunnen vinden. Ha ha.

 

 

 

Glitter en glans hebben nooit grip op hem gehad. De zoete fee verschijnt nog altijd in zijn dromen.

   Vanuit het midden omarmt Huby Moontrap de wereld. De hele inhoud gaat hem wat te ver, die is veel te groot, maar een aantal hotspots in het mozaïek zijn wellicht voldoende om de kern te vinden.

   Waar het om draait, aldus hoogleraar Moontrap, is de omhelzing met het al. De zin van het bestaan is de omhelzing van het zelf met het bestaan zelf. Het is maar net wat de woorden je zeggen.

 

 Op 14 april van het revolutiejaar 2020 besluit de wetenschappelijke kern van bezorgde intellectuelen in Berlijn om een kunstge-drocht te construeren dat laat zien hoe de gevestigde orde wordt ondermijnd door complotdenkers, rechtspopulisten en boze boeren. Gedacht wordt aan een morele reconstructie van de allesverslindende sociale media die als een pandemie over de wereld waart. Een kwaad dat alleen bestreden kan worden door het opheffen van alle private verworvenheden. Het algemeen belang vóór privacy!

 

Das Emergent-Universum ist die Welt, in der wir leben

Mit höchstens 100 Personen die dies lesen können und wollen

Weniger als 10-5% aller Menschen auf der Erde

Ein Mensch besteht aus 6 x 1013 Zellen und 3 Pfund Mikroben

Ein Vielfaches von Atomen (6,7 x 1027)

Ziemlich Viel, ein ganzer Haufen, ein Berg, eine Welt

Eine Trillion (1018) mal mehr als alle Menschen auf der Erde

Alle sterben eines Tages, alle wurden eines Tages geboren

Wissen von Liebe und Traurichkeit, Hoffnung und Hass

Die eine Mutter und einen Vater und oft Kinder haben

"Tag Junge" sagt der Elternteil "wilst du anrufen?"

"Wass zählst du da?"

Oh lächelst du

Gar nichts

那达 

 

   

Wie of waar je ook bent, de dood is nooit ver weg. Als je hem in de ogen ziet is dat meestal voor het laatst. Vaak bedriegen we onszelf dat we onschendbaar zijn als we er maar voor zorgen de Tijd voor te blijven. Maar de dood is een tijdreiziger bij uitstek. Geen geschiedenis als het oude niet steeds door iets nieuws wordt vervangen. Maar ook: zonder toekomst geen verleden. De Tijd zal leren waar alles vandaan komt, de dood incluis.* 

 

 


Overige Nederlandstalige Bronnen

Hubert van Belle & Jan van der Veken (eds.). Nieuwheid Denken. Acco, Leuven, 2008

Henk Broer, Jan van de Craats & Ferdinand Verhulst. Het Einde van de Voorspelbaarheid? Aramith, 1995

Jan Bor. De Verbeelding van het Denken. Atlas-Contact, 2004

Paul Davies. Perfect Universum. Spectrum, 2007

Brian Greene. De Ontrafeling van de Kosmos. Spectrum, 2005

George van Hal. Elastisch Universum. Fontaine Uitgevers, 2016

Yuval Noah Harari. Homo Deus. Thomas Rap, 2017

Bas Heijne. Onbehagen. Nieuw Licht op de Beschaafde Mens. Ambo|Anthos, 2016

Jos Koekkoek. Begrepen! Brave New Books, 2016

Salomon Kroonenberg. De Menselijke Maat. Atlas, 2006

James Lovelock. Welkom in het Novaceen, Atlas Contact, 2020

Antoine Mooij. In de Greep van de Taal. Sjibbolet, 2015

Jos de Mul. Cyberspace Odyssee. Klement, 2010

Ilya Prigogine. Het Einde van de Zekerheden: Tijd, Chaos en de Natuurwetten. Lannoo, 1996

Carlo Rovelli. Het Mysterie van de Tijd. Prometheus, 2018

Rob de Wijk. De Nieuwe Wereldorde. Balans, 2019

Tom Zwitser. Heerlijke Platte Wereld. De Blauwe Tijger, 2017 

Een palindroom of keerwoord is een woord dat er van voor naar achteren gelezen hetzelfde uitziet als andersom. Een panlindroomzin is opgebouwd uit meerder palindromen en levert zowel vooruit als achteruit gelezen hetzelfde resultaat op. De palindroomzin in de titel is afkomstig uit de Opperlandse Taal- & Letterkunde van Hugo Brandt Cortsius, Querido, 1981.
 
In de eerste helft van de 20e eeuw werd door aanhangers van de relativistische kwantummechanica de antimaterie geïntroduceerd (bv positron door Paul Dirac). Later werd door andere fysici getracht de tijdsymmetrie te herstellen door het afleiden van retrocausaliteit (John Wheeler & Richard Feynman: https://authors.library.caltech.edu/11095/1/WHErmp45.pdf). Het concept werd afgewezen omdat het in strijd is met onze beleving van de voortgang van de tijd (syntropie versus entropie). Vervolgens werd de tijd gekoppeld aan de tweede hoofdwet van de thermodynamica en aan de dissipatieve structuren. In de exacte wetenschappen wordt de irreversibele Pijl van de Tijd algemeen erkend. Zie ook:http://www.ethesis.net/prigogine/prigogine.pdf

Erwin Schrödinger introduceerde in 1943 de term negatieve entropie om het leven op aarde te verklaren. Deze negentropy heeft in de biologie de plaats ingenomen van de vroegere vitalistische levenskracht, onder andere in het werk van Mae-Wan Ho. Zie bijvoorneeld: https://www.i-sis.org.uk/negentr.php In de westerse wetenschap staat men zeer kritisch tegenover de filosofie van Mae-Wan Ho en wordt ze van pseudowetenschap beticht in weerwil van haar reputatie als gerenommeerd genetica. Haar boeken vinden niettemin gretig aftrek, bijvoorbeeld: Mae-Wan Ho. Living Rainbow H2O, Singapore; River Edge, NJ: World Scientific, 2012.

In de psychologie en esoterie wordt nog wel vastgehouden aan de symmetrie van de tijd. Daarover is alleen Engelstalige literatuur, bv The Law of Syntropy van U. di Corpo & A. Vannini, Kindel/Amazon, 2011. Zie bijvoorbeeld: http://www.sintropia.it/ 

  
De antimateriedeeltjes of tachyonen hebben altijd een snelheid groter dan die van het licht en spelen een rol in de snaartheorie. Sinds de 2e helft van de 20e eeuw spelen ze een belangrijke rol in tal van esoterische therapieën. Hierover is ruimschoots informatie te vinden op onderstaande Nederlandstalige sites http://www.tachyon-aanbieding.eu/Documentation/Tachyon%20Praktijk.pdf of http://www.tachyonenergie.be.
 
Voor alle duidelijkheid: e staat voor het grondtal van de natuurlijke logaritme ( = (1 + 1/n)n waarbij n nadert tot oneindig; e = 2,7182818…), i staat voor het imaginaire getal (-1)1/2 dat gebruikt kan worden om betekenis te geven aan negatieve getallen (in de fysica wel gebruikt om een tegengestelde lading of richting aan te duiden) en p staat voor de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel (p = 3,1415926…).
 
Het Reynoldsgetal wordt onder meer gebruikt om de doorstroming van vloeistoffen door buizen te berekenen: Re = r.v.D /waarbij r staat voor de dichtheid, v staat voor de stroomsnelheid, staat voor de diameter van de buis en m staat voor de viscositeit (stroperigheid) van de vloeistof. Schaalvergroting wordt bij filmtrucages succesvol gecompenseerd door vertraging van de snelheid; bij schaalverkleining is er geen compensatie nodig omdat de meeste mensen toch niet weten dat water in een heel nauw buisje zich als een stroperige vloeistof gedraagt. Een hilarische film waarin sprake is van schaalverkleining is Innerspace van Joe Dante (1987) (https://www.youtube.com/watch?v=HLAbTbGQcr8)
De menselijke maat halverwege het schalenspectrum (precies midden tussen het allerkleinste en het allergrootste) is verwant aan het antropisch principe: het universum dat wij waarnemen is het universum dat ons heeft voortgebracht; in elk ander universum zouden wij niet kunnen bestaan. De verschillende natuurconstanten hebben hun specifieke waarde omdat alleen bij die waarden ons universum, wij dus, kunnen bestaan. Het volgende artikel geeft uitgebreid informatie over de gerelateerde kosmologische opvattingen. 

Ons universum neemt slechts één vallei in temidden van een schier oneindig landschap van mogelijke universa, lijkt de snaartheorie te voorspellen. Dat heeft een deel van de fysici en kosmologen ertoe aangezet het lang verfoeide antropisch principe als verklaring van ons heelal in te zetten.

Het heelal heeft naar schatting 1011 melkwegstelsels, elk met zo’n 1011 planeten. Dat levert 1022 mogelijkheden dat ergens op een planeet zulke gunstige condities heersen dat er leven kan ontstaan. Geen wonder dat er in ieder geval één zo’n planeet is: de aarde. Maar waren de natuurconstanten in ons heelal ook maar een zuchtje anders geweest, dan zouden er geen sterren en planeten zijn ontstaan, om nog maar te zwijgen van rondkruipend leven. Dan was de mens er niet geweest om zich af te vragen waarom het heelal in elkaar zit zoals het in elkaar zit. Blijft de vraag waarom die natuurconstanten dan zo precies zijn afgestemd dat er wel sterren en planeten zijn, en wel leven? Schitterend ongeluk? Intelligent design? Antropisch principe?

   Volgens het antropisch principe heeft ons universum de eigenschappen die het heeft, omdat wij er zijn. Wij bestaan, en dan kan het niet anders dat het heelal er uit ziet zoals wij het zien, want in een heelal met iets andere eigenschappen dan het onze, hadden we nooit kunnen bestaan. Dat klinkt bizar, onwetenschappelijk, tautologisch. Niet voor niets vervloeken veel natuurkundigen dit principe. De laatste vijf jaar zijn er echter meer en meer serieuze fysici en kosmologen die het al lang bestaande principe weer afstoffen en openlijk als argument inzetten. Volgens hen is het antropisch principe een slogan voor een veel rijkere verzameling van ideeën over ons heelal.

   “Bij de laatste grote conferentie over snaartheorie in Toronto in 2005 werd er een stemming gehouden onder alle aanwezige wetenschappers”, vertelt snaartheoreet Jan de Boer van de Universiteit van Amsterdam. “Ongeveer een kwart was voor het antropisch principe. Ongeveer driekwart was tegen.” Nog steeds meer tegenstanders dan voorstanders, maar de laatste jaren is de verhouding overduidelijk verschoven richting voorstanders. De reden ligt grotendeels in een ontwikkeling van de snaartheorie, de bekendste en verst gevorderde poging om Einsteins theorie van de zwaartekracht (de algemene relativiteitstheorie) met de theorie van de kwantummechanica te verenigen. Ofwel: een unificatie van de wereld van het hele grote met de wereld van het hele kleine.

 

Googolversum

Het is nog geen zekerheid, maar alles lijkt er op dat snaartheorie laat zien dat het aantal mogelijke universa waanzinnig groot is. Dat is het indirecte gevolg van de duizelingwekkende hoeveelheid manieren waarop de extra zes of zeven dimensies die de snaartheorie aanneemt (bovenop de vier die we waarnemen) zich kunnen oprollen. Men heeft het over naar ruwe schatting 10100 tot 10500 mogelijke universa die samen een landschap van mogelijke universa vormen. Ons eigen universum neemt slechts één vallei in te midden van dit schier oneindige berglandschap van mogelijke universa. Alle universa die gerealiseerd zijn, vormen samen een multiversum. Sommigen spreken over een megaversum of een googolversum ( googol=10100).

   “Veel snaartheoreten zijn ongelukkig met het multiversum”, zegt de Amerikaanse theoretisch natuurkundige en een van de bedenkers (1969) van snaartheorie, Leonard Susskind (Stanford University, Californië, VS). “Want uiteraard hoopten ze dat ze precies één universum zouden vinden, en wel het onze. Maar als het zo moet zijn, dan moet het maar.”

   Elk van die universa heeft zijn eigen stabiele verzameling van natuurwetten: een dal in het berglandschap. Het multiversum is de fysische verwerkelijking binnen het uitgestrekte landschap van wiskundig mogelijke universa. Elk universum evolueert langs zijn eigen pad in dit landschap. Volgens de wetten van de kwantummechanica kan een universum in principe – maar meestal duurt dat onvoorstelbaar lang – naar een andere realisatie van een universum tunnelen: van het ene dal, midden door een berg, naar een ander dal in het landschap.

   “Als er inderdaad zo enorm veel realiseerbare heelallen zijn”, zegt Susskind, “dan is dat een reden om het antropisch principe van stal te halen. Het betekent eigenlijk dat als het aantal universa zó talrijk is, er altijd wel ergens een universum is dat de eigenschappen van ons heelal heeft. In dat heelal is leven mogelijk zoals wij dat kennen. Het antropisch principe is geen mysterieus idee. Het betekent gewoon dat de wereld zo enorm en zo divers is. Het brengt een statistisch verschijnsel onder woorden. De wet van de grote getallen. Totaal geen plaats voor intelligent design.”

 

De ideale kosmologische constante

“De nieuwe discussie over het antropisch principe begon met het meten van de kosmologische constante”, vertelt Susskind. De kosmologische constante staat voor een soort van afstotende kracht in het universum ( donkere energie), waarvan nog niemand het fijne afweet. Iedereen dacht de afgelopen decennia dat die nul zou zijn. Sinds 1998 weten we echter dat hij weliswaar heel erg klein is, maar niet nul. Susskind: “Het was Steven Weinberg die het antropisch principe weer van stal haalde. Maar ik weet zeker dat hij juist wilde aantonen dat we het antropisch principe niet zouden kunnen gebruiken. Hij vroeg zich af of er met een iets andere waarde van de kosmologische constante nog steeds leven in het universum zou bestaan.”

   Weinberg (Nobelprijs natuurkunde 1979) sloeg aan het rekenen en hij vond dat als de constante een factor honderd groter of kleiner zou zijn dan de toen bekende hele kleine waarde (10-120 in Planckeenheden), de vorming van sterrenstelsels en planeten onmogelijk zou zijn. “Daar was hij niet blij mee”, zegt Susskind. “En hij zei: ‘Ik kan het antropisch principe niet langer terzijde schuiven als een verklaring van de kleine kosmologische constante.’”

   In eerste instantie klinkt het antropisch principe inderdaad belachelijk, beaamt Susskind. " Het universum is zoals het is, omdat wij er zijn". Dat is toch geen wetenschap! Maar stel je nu wetenschappers voor die op een geheel bewolkte aarde wonen en die niets over de rest van het heelal weten. Zij zullen zich afvragen waarom de gemiddelde temperatuur op aarde ergens tussen het vriespunt en het kookpunt van water ligt. Dat is maar een klein deel van het hele temperatuurspectrum. Welnu, vragen ze zich af, misschien is het zo dat als de temperatuur niet binnen die grenzen zou liggen, zij er niet zouden zijn. Ze zouden ofwel bevriezen, ofwel verbranden. Ze redeneren antropisch. Wij weten echter dat het grootste deel van ons universum een temperatuur heeft die niet tussen het vriespunt en het kookpunt van water ligt. Temperatuur is voor ons geen natuurconstante, maar iets dat afhangt van waar we ons in het universum bevinden. Temperatuur is een omgevingsgrootheid. In het multiversumidee geldt hetzelfde voor de kosmologische constante.

   “Er zijn eigenlijk twee dingen nodig om het antropisch principe zinvol toe te passen. Welke theorie ook het universum verklaart, zij moet voldoende oplossingen geven, met voldoende variërende waarden van natuurconstanten, zodat er temidden van al die mogelijke oplossingen een hele kleine deelverzameling is die de ontwikkeling van leven toelaat. Daar zijn dus gigantisch veel verschillende oplossingen voor nodig. En wel zoveel dat de grote onwaarschijnlijkheid van het ontstaan van leven, overweldigd wordt door het aantal mogelijkheden. Je hebt dus veel oplossingen nodig en veel plaatsen om die diversiteit aan oplossingen te realiseren. En dat is precies wat snaartheorie lijkt op te leveren.”

 

Hollandse nuchterheid

“Snaartheorie lijkt een heleboel oplossingen te geven. Maar we weten niet hoeveel, en we weten niet hoe we ze op een rij kunnen zetten”, is de tegenwerping van Gerard ’t Hooft (Universiteit Utrecht), Nobelprijswinnaar natuurkunde in 1999. “Een getal als 10500 is volstrekt uit de lucht gegrepen. Er is geen goed argument voor. Ze bedoelen gewoon een heel groot getal. En een van die oplossingen zou dan onze wereld moeten zijn, maar we weten niet welke. Eigenlijk is het een metafysische vraag of er een multiversum is of niet. Het doet er niet toe. Het is niet ons heelal. Je kunt je een multiversum voorstellen, maar meer kun je er niet van zeggen. Maar ik geloof eigenlijk helemaal niet dat die oplossingen van de snaartheorie eenduidig zijn. Men heeft eigenlijk alleen maar limieten van een oplossingen en niet de oplossing zelf. Ik denk dat we veel verder afzitten van de goede antwoorden dan wordt beweerd, maar dat is helemaal niet erg. Het is ook niet erg om te speculeren, maar er wordt af en toe te agressief beweerd dat dit de oplossing is. In ieder geval zou ik het heel erg vinden als ze gelijk hebben met hun antropisch principe.”

   De Universiteit van Amsterdam (UvA) heeft een internationale topgroep van snaartheoreten. Ook daar wint Hollandse nuchterheid het van Californische bravoure van Susskind en de zijnen. Jan de Boer: "Inderdaad is het zo dat alles erop wijst dat snaartheorie veel oplossingen toelaat. Dat aantal kan groot zijn, maar hoe groot, weet niemand. Susskind baseert zich op wetenschappers als Joseph Polchinski en Raphael Bousso, die naar één voorbeeld hebben gekeken en daar een afschatting voor hebben gemaakt. Mijn grootste bezwaar is dat ik de benaderingen niet vertrouw die nodig zijn om oplossingen met een kleine kosmologische constante te produceren. Volgens mij maken ze incorrecte benaderingen. In ieder geval vind ik het veel te voorbarig om het bestaan van een multiversum te veronderstellen en het antropisch principe vervolgens te gebruiken om uit te leggen waarom wij in een heelal leven met een kleine kosmologische constante.

   “Als er al een landschap van oplossingen van snaartheorie bestaat, dan zijn er nog heel veel fundamentele zaken die we niet begrijpen. Hoe moeten we de evolutie van een heelal in zo’n landschap beschrijven? Daar weten we nog lang niet genoeg van. En wat betekent kwantumzwaartekracht in deze context? Ook dat weten we nog helemaal niet. Susskind en anderen hebben het over mogelijke oplossingen in een klein hoekje van snaartheorie. We weten nog helemaal niet hoe het landschap van snaartheorieoplossingen eruit gaat zien. Eerst zouden we moeten laten zien dat die oplossingen bestaan, daarna moeten we nadenken over kwantumzwaartekracht. Het is veel belangrijker om dat te begrijpen dan om een enorme sprong over alle technische problemen heen te maken en het moeilijke werk maar aan anderen over te laten.”

 

Wetenschap moet voor filosofie uitlopen

Wat heeft het voor zin om het bestaan van een multiversum te suggereren als we onze collega-universa toch nooit kunnen leren kennen? Susskind: “Natuurlijk is het verontrustend dat het idee zo moeilijk experimenteel te toetsen is.” Maar aan de andere kant irriteren die opmerkingen hem. "Niet falsifieerbaar…niet falsifieerbaar…Dat maakt me soms boos. Al sinds ik als fysicus begon, hoor ik dat bepaalde dingen niet falsifieerbaar zijn. Quarks zouden niet falsifieerbaar zijn. We zouden ze nooit kunnen detecteren, werd er ooit gezegd. Maar we bleken ze wel te kunnen detecteren.

   “Wetenschap moet voor de filosofie uitlopen. Filosofie moet zich maar naar de wetenschap buigen. We hebben in de loop van de wetenschapsgeschiedenis wel vaker de regels moeten aanpassen voor wat we bedoelen met falsifieerbaarheid. We bedoelen niet langer dat we elementaire deeltjes met het blote oog kunnen zien. We moeten meer theorie gebruiken dan we misschien wel zouden willen. Hetzelfde zie ik ook gebeuren als het gaat om het falsifiëren van het multiversum. Als er geen grote verzameling universa bestaat, dan is de theorie gefalsifieerd. En als het wel bestaat, maar er is geen enkel universum dat lijkt op het onze, dan is de theorie ook van de baan. Het is dus wel falsifieerbaar. We hadden ook tegen Darwin kunnen zeggen: ‘wel mooi die theorie van jou, maar je kunt toch helemaal niet terug gaan in de tijd?’ Maar dat hoeft ook niet, omdat we de theorie op andere manieren kunnen toetsen, en zelfs op veel meer manieren dan Darwin ooit heeft gedacht. Darwin had enkele ruwe observaties over de wereld. Die hebben wij ook over het universum. En niemand weet welke slimme methoden toekomstige wetenschappers bedenken om een theorie van een multiversum te toetsen. Het heeft ook een eeuw geduurd eer Darwins theorie ook toetsbaar bleek in het laboratorium.”

 

Drijvend op onwetendheid

David Gross, die in 2004 de Nobelprijs voor natuurkunde ontving voor het verklaren van quarkopsluiting, moet niks hebben van antropisch denken: “Het is een te gemakkelijke uitweg uit moeilijke problemen. In de afgelopen honderd jaar is het antropisch principe telkens weer van stal gehaald wanneer de problemen in de natuurkunde onoplosbaar leken.”

   De problemen met elke vorm van antropisch redeneren zijn legio, legt Gross uit. “Antropisch redeneren is nooit kwantitatief, nooit verbeterbaar en nooit falsifieerbaar. Het is altijd redeneren achteraf: ‘Is het geen wonder dat wij bestaan?’ Het stelt de mens ook te veel centraal. Het is gewoon geen wetenschap in de normale zin. Er komen geen voorspellingen uit, terwijl we in de natuurkunde nu juist gewend zijn om met grote precisie voorspellingen te doen. Het antropisch principe is het enige geval van een principe dat ik in de natuurkunde ken dat zwakker wordt hoe meer we weten, en sterker wordt hoe minder we weten. Een waardevol principe, zoals het principe van symmetrie, wordt juist sterker hoe meer we over de natuur te weten zijn gekomen. Het antropisch principe drijft op onwetendheid. Die eigenschap deelt het met religie.”

   Gross refereert aan de ontwikkelingen in de atoomfysica in de vorige eeuw. “Hoe meer we over atomen te weten kwamen, hoe meer eigenschappen van atomen we uit de theorie konden voorspellen. Al die eigenschappen verklaren we dan niet langer met het antropisch principe, maar met kwantummechanica. In wetenschapsgebieden waar we het minst weten, duiken echter voortdurend antropische redeneringen op. Het stoort me dat antropisch redeneren het wetenschappelijke denken binnensluipt. Maar ik denk dat het uiteindelijk net zo zal gaan als in de atoomfysica. Hoe meer we te weten komen over het universum, hoe minder reden er is om het antropisch principe als verklaring aan te voeren. En uiteindelijk zal het geheel uit onze discussies verdwijnen.”

   “Toepassing van het antropisch principe kan een discussie doodslaan”, vindt Erik Verlinde, net als De Boer een snaartheoreet van de UvA. “Het is niet vruchtbaar. Het levert geen inspiratie op om vooruit te komen in de wetenschap. Het weerhoudt ons van het berekenen van dingen. Als ze in het Stenen Tijdperk aan dat principe hadden vastgehouden, dan zouden we nu nog in het Stenen Tijdperk leven. Ik vind het antropisch principe de naam principe ook niet een waard. Het is een idee, maar geen principe. Ik zou het buiten de wetenschap willen houden.”

 

Fred Hoyle’s antropische redenering

In de jaren vijftig bestond er nog steeds grote onduidelijkheid over de vorming van elementen in sterren zoals de zon. Met de toen bestaande kennis leek er geen mogelijkheid dat zich elementen zwaarder dan helium (met massagetal vier) vormden. De ‘normale’ route voor de vorming van zwaardere elementen leek dat het aantal protonen met één toenam. Helaas. Een atoomkern met massagetal vijf is niet stabiel, en zo was het een raadsel hoe er ooit zwaardere elementen dan helium konden ontstaan. Maar stel, zo redeneerde men, dat twee heliumkernen zouden botsen en bij elkaar een kern met massagetal acht zouden vormen, beryllium. Beryllium zou dan samen met een nieuwe heliumkern een kern met massagetal twaalf kunnen maken. Dat is het meest voorkomende koolstofisotoop, de basis van de organische chemie, de basis van al het leven op aarde. Beryllium is echter erg instabiel. Zo instabiel dat het onmogelijk met een nieuwe heliumkern zou kunnen versmelten.

   We weten dat koolstof is ontstaan, anders zou er geen leven zijn, redeneerde astronoom Fred Hoyle, dus er moet een uitweg zijn. Hij ontdekte dat de waarschijnlijkheid voor een berylliumkern om een heliumkern in te vangen veel groter was als het om een koolstofkern in een aangeslagen toestand zou gaan, die precies de juiste energie zou hebben. Alleen was een kern met precies deze eigenschappen nog nooit aangetoond. Niet lang na Hoyle’s voorspelling werd er echter wel degelijk zo’n aangeslagen toestand gevonden. Die koolstoftoestand is zeer gevoelig voor een denkbeeldige verandering van een aantal natuurconstanten. Varieer de constanten een beetje in gedachten, en er zou geen koolstof en dus ook geen leven zoals wij dat kennen, kunnen ontstaan.

   Is het in de 21e eeuw afstoffen van het antropisch principe misschien een publicitair handige afleidingsmanoeuvre van Susskind en de zijnen? “Nee, dat is het niet”, vindt Gross ondanks al zijn kritiek. “Het is meer een reactie uit frustratie dat we op dit moment niet in staat zijn om de problemen waar snaartheorie ons voor stelt op te lossen.”

   Ook Verlinde vindt het meer een teken van wanhoop van degenen die het tevoorschijn halen dan dat het werkelijk nodig is voor een wetenschappelijke verklaring. “Susskind brengt zijn ideeën wel vaker krachtig naar buiten, en soms iets te krachtig”, zegt Verlinde. “Eigenlijk is zijn toepassing van het antropisch principe in strijd met een van zijn eerdere ideeën: het holografisch principe. Volgens dat idee hoeven we zelfs in principe niet te praten over dingen die we niet kunnen meten. Dan kunnen we niet eens praten over een multiversum, want die andere universa kunnen we toch niet meten. Dat is ook mijn eigen standpunt: het heeft niet eens zin om te praten over andere universa in een multiversum, als we er toch nooit informatie over kunnen krijgen.”

 

Champagne-universum

“Zelf heb ik ook jarenlang de natuurkundigen vervloekt die het antropisch principe als een verklaring voor alles aanhaalden”, beaamt Susskind. “Kosmologen, daarentegen, stonden er altijd meer voor open. Maar de huidige ontwikkelingen in snaartheorie en kosmologie hebben me op andere gedachten gebracht.”

   Susskind wijst erop dat het idee van een multiversum niet alleen uit snaartheorie komt. Eigenlijk bestond een vergelijkbaar idee al veel eerder bij kosmologen. Volgens kosmologen als Alan Guth (de geestelijke vader van de huidige inflatietheorie van het heelal), Andrei Linde en Alexander Vilenkin bestaat er een gigantisch aantal pocket universa van een enorme verscheidenheid. Een soort van champagne-universum waarin elke bubbel uitdijt zoals bij het ontkurken van een champagnefles.

   “Kosmologen zijn altijd gewend geweest aan het stellen van grote, filosofische vragen”, zo verklaart Gross de aantrekkingskracht van het antropisch principe op kosmologen. “Fysici kunnen experimenten doen in een lab. Kosmologen kunnen het heelal niet manipuleren zoals een fysicus een experiment manipuleert. Dat betekent dat ze veel meer tot speculeren zijn gedwongen. De standaard voor wat doorgaat als een wetenschappelijke uitspraak en wat niet, heeft in de kosmologie altijd lager gelegen. Pas de laatste vijftien jaar begint de kosmologie een meer kwantitatieve wetenschap te worden.”

   Zowel Linde en Vilenkin, twee bekende, in de VS levende Russische kosmologen, als Martin Rees, de Britse Royal Astronomer, staan welwillend tegenover het antropisch principe. In zijn in december 2005 gepubliceerde boek The cosmic landscape citeert Susskind Linde: “Zij die een hekel hebben aan het antropisch principe, proberen het te ontkennen. Dit principe is geen universeel wapen, maar een handig instrument dat ons in staat stelt ons te concentreren op de fundamentele fysische problemen door ze te onderscheiden van zuivere omgevingsproblemen, die het gevolg zijn van een antropische oplossing. Je kunt het antropisch principe haten of het omarmen, maar ik wed dat uiteindelijk iedereen het gaat gebruiken.”

   “Susskind is sterk beïnvloed door kosmologen als Linde en Guth, die al veel langer speculeren over het bestaan van een multiversum”, zegt Verlinde. “Snaartheorie maakt meer en meer contact met de kosmologie, en daarom ontstaat deze discussie op dit moment.”

   Van een crisissituatie in de fundamentele theoretische fysica, waarin de experimentele leidraad steeds dunner wordt, en het speculeren sterker, wil Susskind niet horen. Integendeel. "Als jong fysicus in de jaren zestig was ik vaak teleurgesteld dat ik geen grote conceptuele revolutie in de natuurkunde meemaakte. Het standaardmodel van de jaren zeventig is prachtig, maar het blijft een uitvloeisel van de theorie van de kwantumelektrodynamica van de jaren zestig. Een uitbreiding van dingen die we al hadden. Nu heb ik dat gevoel van teleurstelling niet meer. De combinatie van snaartheorie, de fysica van zwarte gaten en vragen over het antropisch principe en het multiversum, verandert onze manier van denken. Ik vind die vragen veel opwindender dan de vragen over de elementaire deeltjes.

    “Deeltjes zijn saai. Ze hebben een paar eigenschappen, en dat is het dan. Veel deeltjesfysici beschouwen kosmologie als een manier om meer over elementaire deeltjes te weten te komen. Voor mij is het andersom. Ik denk dat de echt interessante vragen meer en meer uit de kosmologie komen. Elementaire deeltjes worden dan een soort instrumenten voor de kosmologie.”

 

Bennie Mols, 2006

 

Toen Benoit Mandelbrot gevraagd werd om zo precies mogelijk aan te geven hoe lang de Engelse kustlijn is, was er maar één antwoord mogelijk: oneindig lang. Immers, naarmate er gedetailleerder gemeten wordt, neemt de totale lengte toe (kustlijnparadox). Dat is het gevolg van de fractaalachtige eigenschap van kustlijnen. Het meten van lengtes is gebaseerd op rechte lijnstukken, maar natuurlijke grensvlakken zijn altijd gebogen (fractaal). Hoe kleiner de gebruikte lijnstukken, hoe preciezer de benadering. Door met oneindig kleine lijnstukken te werken kan de exacte waarde gevonden worden. Zie ook http://www.youtube.com/watch?v=G_GBwuYuOOs.

 

Recursief betekent zichzelf herhalend. Een proces is recursief als één van de stappen waaruit het proces bestaat vraagt om herhaling van het volledige proces. En steeds opnieuw want binnen een recursief proces herhaalt dat proces zich telkens weer. In principe komt er nooit een einde aan een recursief proces. Recursieve constructies kunnen worden gevisualiseerd. Denk bijvoorbeeld aan Eschers voorstellingen van de zichzelf voedende waterval en de alsmaar via afdalende trappen in een kringetje rondlopende en op dezelfde plaats terugkerende monniken. Een ander voorbeeld is het Droste-effect, een visueel effect waarbij een afbeelding een verkleinde versie van zichzelf bevat. Zo'n momentopname levert de concrete constructie van het voortgaande recursieve proces.Baboesjka's, de elkaar omsluitende Russische poppetjes zijn een ander voorbeeld van zo'n constructie. Als deze recursieve reeks poppetjes zich eindeloos zou voortzetten zouden er snel poppetjes zijn die door hun geringe afmeting niet meer zichtbaar zijn. Douglas Hofstadter geeft in Gödel, Escher, Bach (Olympus, 2018) ook voorbeelden van recursie in de muziek en informatica. In de wiskunde wordt gebruik gemaakt van recursieve functies in de vorm van differentievergelijkingen.
 
Elke afzonderlijke beweging is eenvoudig een herhaling van de voorgaande.

 
Kleine oorzaken hebben soms grote gevolgen (chaostheorie) en grote zaken kunnen zonder het kleine helemaal niet ontstaan (emergentietheorie). Volgens die laatste opvatting is onze wereld ooit begonnen in een primordiaal beginpunt en heeft zich laag voor laag verder ontwikkeld. De eerste lagen zijn bekend als de hypothetische ontwikkelingsfasen van het uitdijende heelal (inflatie, afkoeling en samenklontering in een fractie van een seconde), het ontstaan van de lichte atomen na een paar honderdduizend jaar, stervorming en hun vernietiging waardoor het ontstaan grote moleculen, planeetvorming, ontstaan van leven, eerst fragmentarisch en microbieel, later meercellig inclusief afweer, daarna staten- en netwerkvorming. Al die lagen zijn emergente verschijningen, bestaan bij gratie van de onderliggende éenvoudiger’ lage waaruit ze zijn opgebouwd. Het geheel vormt een kleine 14 miljard jaar oud bouwwerk dat langs een verticale tijd-as als een ondersteboven berg kan worden voorgesteld.
                                                                                                                         
 

  

Het Kompas voor Onderweg is de benaming van het archief van El Instituto para la promoción de la dignidad humana a través de la intelectuel y moral, kortweg Het Instituut. Voor de hartstochtelijke en volhardende onderzoeker is daar uitgebreide informatie te vinden over de loop der gebeurtenissen tot nu toe en minder uitgebreide, maar niet minder verrassende informatie over zaken die met enige waarschijnlijkheid gaan plaatsvinden. Tenslotte zijn de meeste kwesties oorzakelijk gedetermineerd (al wordt dit door zweverige holisten ontkend). De gigantische complexiteit van de loop der gebeurtenissen vormt een Gordiaanse knoop die met de immense rekenkracht van Het Instituut stapje voor stapje wordt ontward. Soms stuit men daarbij op emergenties, plotseling opdoemende eigenschappen, die niet zijn te voorzien maar wel voortvloeien uit wat eraan voorafgaat. Net als de uiterst onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden die niets met elkaar van doen hebben of het uit talloos veel miljarden mogelijkheden exact samenvallen van twee parallelle universa. Een voorbeeld: Een webwinkel stuurt een bestelling die jou bij nader inzien toch niet bevalt. Om het te retourneren moet je het pakket naar een postagentschap brengen. Dat is vlakbij maar het gaat net regenen. Je kunt je paraplu niet vinden. Tegen de tijd dat je besluit om dan maar een online serie te gaan bekijken, breekt net de zon door. Op het moment dat je de deur achter je dichttrekt word je gebeld. Het is een colporteur van de webwinkel waar je bestelling vandaan komt. Je bent niet geïnteresseerd en laat dat ronduit merken. Je scheldkanonnade ontlokt het stoepkrijtertje waar je net langsloopt de opmerking: "Je mag geen klootzak zeggen!" zodat je verstoord de pas inhoudt maar wordt vertederd door de krijttekening. "Wat mooi ..." Op dat moment verdwijnt een paar meter verderop de stoep, de weg, de bomen, een voorgevel. Er valt een immens gat in de grond. Gebroken waterleiding? Je grijpt de stoepkrijter en holt terug naar huis. Halverwege zie je al dat ook daar het noodlot heeft toegeslagen. Is dit een film? Nee, het is echt! Je bent op een soort schiereiland ontkomen aan een verschrikkelijk lot. Waaraan heb jij (en het stoepkrijtertje) dat precies te danken? Toeval? Het was nog niet je tijd? Hoe laat is het eigenlijk....?   

Zoals elk orgaan zijn onze hersenen opgebouwd uit afzonderlijke cellen, de hersencellen ofwel neuronen. De werking van de hersenen berust op de communicatie tussen de neuronen. Die communicatie vindt plaats waar de membranen van neuronen heel dicht bij elkaar liggen, de zogenaamde synapsen. Neuronen en de verbindingen daartussen zijn geen onveranderlijke structuren. De synapsen vertonen plasticiteit. Hiermee wordt bedoeld dat de elektrische prikkelbaarheid van neuronen verandert als gevolg van hun eigen activiteit. Veranderingen in de synapsen tussen neuronen worden vaak beschouwd als processen die essentieel zijn voor leren, geheugen en aanpassing.

Aan synaptische plasticiteit liggen zowel korte termijn als ook lange termijn veranderingen in neuronale transmissie ten grondslag. Korte termijn veranderingen bestaan voornamelijk uit post-translationele wijzigingen zoals fosforylatie van bestaande eiwitten door proteïne-kinases of defosforylatie door proteïne-fosfatases, terwijl lange termijn veranderingen ontstaan door een gecoördineerd programma van wijzigingen in gen transcriptie en synthese van nieuwe eiwitten.

Modulatie van synaptische plasticiteit komt tot stand door veranderingen in inhiberende en/of exciterende neurotransmissie. Eén van de belangrijkste exciterende neurotransmitters in de hersenen is glutamaat. Glutamaat kan binden aan een veelvoud van receptoren die benoemd zijn op basis van hun elektrofysiologische en farmacologische eigenschappen. Meerdere studies hebben aangetoond dat met name de fosforylatie-status van de zogenaamde N-methyl-Daspartaat (NMDA) receptor belangrijk is bij veranderingen in synaptische plasticiteit.

Het blijkt dat activatie van proteïne-kinase C (PKC) leidt tot vergroting van NMDA geïnduceerde stromen in alle onderzochte hersengebieden (cortex, hippocampus, striatum en hypothalamus), terwijl de activatie van proteïne-kinase A (PKA) maar in enkele specifieke hersengebieden (striatum en hypothalamus) leidt tot vergroting van NMDA geïnduceerde stromen.

De experimenten wijzen erop dat het functioneren van de NMDA receptor niet gemoduleerd wordt door directe fosforylatie van de receptor door PKA. Eerder zorgt activatie van PKA ervoor dat proteïne- fosfatases geremd worden, waardoor de defosforylatie van de receptor verminderd wordt. In het striatum wordt het fosfoproteïne dopamine-en cAMP-gereguleerd fosfoproteïne (DARPP-32) door PKA gefosforyleerd waarna het werkt als een remmer van proteïne-fosfatases. DARPP-32 laat een sterke hersengebied-specifieke verdeling in de hersenen zien. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat activatie van PKA niet in alle hersengebieden een vergroting van NMDA geïnduceerde stromen tot gevolg heeft. Gezien de belangrijke rol van NMDA receptoren in synaptische plasticiteit, zouden deze regionale verschillen in NMDA receptor modulatie door proteïne kinases en fosfatases een sterke invloed kunnen uitoefenen op regionale verschillen in NMDA receptorgekoppelde signalen die leiden tot veranderingen in synaptische plasticiteit.

De regionale verschillen in de modulatie van de NMDA receptor door PKA wijzen erop dat receptoren die gekoppeld zijn aan PKA ook het functioneren van de NMDA receptor zouden kunnen beïnvloeden op een hersengebied-specifieke manier. De dopamine receptor is één van de belangrijkste neurotransmitter receptoren in het striatum, die, afhankelijk van het receptor subtype, zowel positief als negatief gekoppeld kan zijn aan PKA.

In veel modellen van synaptische plasticiteit worden veranderingen in de activatie van de transcriptie factor cAMP-respons element bindend proteïne (CREB) en c-fos gen expressie beschouwd als cruciale factoren voor de inductie en handhaving van langdurige veranderingen in synaptische plasticiteit. Dus veranderingen in de aanwezigheid van deze ‘immediate early genes‘ zouden inzicht kunnen geven in de intracellulaire mechanismen die ten grondslag liggen aan veranderingen in synaptische plasticiteit. Een veelvoud aan signaaltransductiewegen worden door NMDA en dopamine geactiveerd die ‘immediate early gene‘ expressie kunnen reguleren.

Inderdaad vinden we sterke regionale verschillen in de expressie van het FOS proteïne na injectie van de agonisten. NMDA injectie verhoogt FOS proteïne expressie in de hippocampus en de centrale amygdala, terwijl de dopamine receptor subtype 1 (D1) receptor agonist FOS de proteïne expressie verhoogt in het striatum en de basomediale, corticale en mediale amygdala. In alle onderzochte gebieden kan de NMDA receptor antagonist zowel de NMDA als ook de D1 receptor-geïnduceerde verhoging van het FOS proteïne blokkeren. Evenzo kan de D1 receptor antagonist de D1 receptor en NMDA receptor-geïnduceerde verhoging blokkeren. Dus NMDA en dopamine receptoren reguleren FOS productie via regionaal gedifferentieerde mechanismen maar het functioneren van de ene receptor is wel onontbeerlijk voor het functioneren van de ander.

De promotor van het c-fos gen heeft een bindingsplaats voor de geactiveerde vorm van CREB (gefosforyleerd CREB, pCREB). CREB kan geactiveerd worden door PKA en door verhoogde intracellulaire calcium concentraties. Daarom is het interessant om te kijken of de regionale verschillen in FOS productie na injectie van dopamine en NMDA receptor agonisten correleren met veranderingen in de expressie van gefosforyleerd CREB. Hoewel ook de distributie van pCREB na een agonist injectie sterke regionale verschillen vertoont , correleert de pCREB distributie niet in alle hersengebieden met FOS expressie. Er is dus een duidelijk gedifferentieerde interactie tussen dopamine en NMDA receptor systemen in de regulatie van pCREB en FOS in de verschillende hersengebieden.

Hier en nu, dat lijkt de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid zoals wij die kennen is een RECONSTRUCTIE, gemaakt door ons brein. Het brein bestaat namelijk uit een zeer groot maar begrensd aantal hersencellen met onderlinge schakelpunten (synapsen). De cellen werken als schakelaars (aan of uit) waarvan het gemak waarmee ze kunnen schakelen (synaptische plasticiteit) van invloed is op het beklijven van de verwerkte informatie. Ruimte en tijd zijn concepten die tot stand zijn gekomen door ons corpusculaire brein. Is dat de reden waarom we de wereld zien als reduceerbaar tot de kleinst mogelijke deeltjes? Omdat we dat tot in het oneindige blijven doen ontstaat misschien juist daardoor die vreemde kwantumwereld waarin niets meer klopt met onze intuïtie. En onbegrensdheid is evenmin voorstelbaar, net zoals de afwezigheid van tijd. Tegelijkertijd besef ik dat deze overpeinzing over RECONSTRUCTIE tot stand komt met behulp van datzelfde corpusculaire brein. Mentale recursie: een brein in een brein in een brein... waar ben ik dan?

De ware werkelijkheid ligt buiten onszelf; daar zullen ze mij tevergeefs zoeken...

Niet iedereen heeft hetzelfde brein. Hersenen kunnen anatomisch verschillend zijn waardoor mensen een verschillende manier van denken vertonen. Dat is vooral goed te merken als iets of iemand zoekraakt. Voor symbooldenkers is de werkelijkheid fundamenteel anders dan voor abstractdenkers (zie het artikel Symbolisch en abstract op deze site). Symbolisten smukken de wereld graag op; voor hen is een verdwijning eenvoudig onbestaanbaar. Abstractdenkers gaan altijd op zoek naar de oorsprong/oorzaak want zij geloven dat geen twee dingen tegelijkertijd gebeuren, er zit altijd een minimale kwantumtijd (5,391 x 10-44 sec) tussen elke aanvang. Voor hen is ware synchroniciteit onbestaanbaar. Voor een emergente opsporingsdeskundige als ikzelf is de plotselinge verdwijning van iets ongeveer hetzelfde als het plotselinge verschijnen van iets (emergentie). Ik hanteer een soort complementaire methode door juist te kijken naar de dingen die niet verdwenen zijn. Voor mij is een verdwijning zonder context onbestaanbaar. Als je de context verwijdert, is er niets meer. Handig, toch? 

In de wiskunde zijn de reële getallen uitgebreid met complexe getallen en worden ze geschreven als de som tussen een reëel getal en het product van een reëel getal met i  waarbij geldt dat = -1. i  is dus de wortel uit -1. Elke middelbare scholier leert dat zoiets onbestaanbaar is maar de wereld van de complexe getallen heeft een prachtige nieuwe werkelijkheid zichtbaar gemaakt. Met behulp van de formule van Euler kun je de e-macht van een complex getal vinden en kun je de complexe sinus en complexe cosinus introduceren: sin z = (eiz – e–iz)/2 en cos z = (eiz + e–iz)/2 die een explosie van fractals hebben opgeleverd. Zie ook http://www.fractal.org/Bewustzijns-Besturings-Model/Wisk-fractal.htm