SARIMANOKS EMERGENTE DETECTIVE BUREAU

  

Ik weet wat je vragen wil. Hoe is het mogelijk dat Pacha en ik dezelfde ongebruikelijke naam dragen, terwijl mijn ouders uit de Filipijnen komen en de zijne uit India? Zo gangbaar is die naam niet. Alleen onze Aziatische trekken hebben we gemeen. Dat mijn naam genoemd wordt op het geboortekaartje van Hasan Pacha zegt wellicht iets over de Islamitische achtergrond van zijn vader (sarimanok staat voor ‘geluk’ bij de oorspronkelijk islamitische bevolking van het Filipijnse Mindanao), of over de hindoestaanse voorouders van zijn moeder (Sarimanok zou een avatar zijn van de hindoestaanse harpij Garuda, het vliegtuig van Vishnu en de verslinder van het kwaad).

   Onze bedenker vond mijn naam vast mooier dan de zijne. 

Waarschijnlijk is het gewoon toeval, hoeveel mensen hebben niet dezelfde naam zonder aanwijsbaar oorzakelijk verband? Al gelooft niet iedereen dat toeval werkelijk bestaat. Sommigen denken dat alles al van te voren door God is vastgelegd (predestinatie) en anderen vermoeden dat we gewoon onvoldoende details kennen om het oorzakelijke verband te zien (reductionisme). Met de onvolledigheidstellingen van Gödel en de onzekerheidsrelatie van Heisenberg in gedachte lijkt het reductionisme inmiddels aan populariteit te hebben ingeboet.=Ten bate van de emergentie. Om te begrijpen hoe alles is ontstaan. En nog steeds ontstaat. Ons gedrag, om maar wat te noemen, is nauwelijks te volgen zonder de hele context erbij te halen. Net zoals dat rare gewiebel van bijen in hun korf, dat Karl von Frisch de kwispeldans noemde=, alleen begrepen kan worden vanuit de hele kolonie. De meeste onderzoekers en detectives houden er nog ouderwetse ideeën op na. Ze leiden iemands beweegredenen overwegend af uit zijn of haar innerlijke drang. Ze zien een aberratie in de samenleving die moet worden weggewerkt terwijl die samenleving dat gedrag juist oproept. Moraliteit lijkt niets anders dan een middel om de massa in toom te houden. Als ikzelf iemand moet opsporen ga ik uit van de verandering. Iemand is verdwenen, dus er is iets veranderd. De oorspronkelijke motivatie is er niet meer. Alles is vergankelijk. Soms vraag ik me af …

   Sorry, ik laat me weer eens gaan. Ik heb soms van die ingewikkelde gedachten, die moeten er dan uit. En als dat gebeurt, wordt het ook voor mijzelf een stuk duidelijker. Het is allemaal geklets maar toch zit er wat in.

   Ik lees graag, dat had je zeker al begrepen. Maar wat een onzin wordt er geschreven. Je moet vaak je best doen om te snappen wat er wordt bedoeld. Zoals de opwarming van de aarde, dat is zo’n vaag verhaal dat niemand kan bewijzen. De hele aarde? Of alleen een stukje? Misschien wordt het ergens wel stervenskoud. Is dat waar het om gaat?

   Maar goed, laat me je eerst vertellen wat dat gesprek zojuist heeft opgeleverd. Je wil het niet geloven, maar ik ben in staat van beschuldiging gesteld! Ze beweren dat ze overtuigend bewijs hebben dat ik informatie zou hebben gestolen. Ha! Het enige bewijs bevindt zich in de kamer hiernaast en daar kunnen ze geen weet van hebben. Toch? Voor zover ik weet in zo’n kooi van Faraday nog altijd ondoordringbaar, een digitale superkluis. Ze zijn er echt op uit om mij monddood te maken, maar dan hebben ze buiten de waard gerekend. Ze zullen nog raar opkijken.

   Ik heb een link gevonden naar de ware rol van de democratie. Daaruit blijkt ontegenzeggelijk dat het hele systeem in stand wordt gehouden door de agenten van dat systeem zelf: de mensen waaruit het systeem is opgebouwd. En als iemand daar tegenaan schopt, schopt-ie tegen de mensen. Daarom zal de democratie niet makkelijk omver geschopt worden. Maar je kunt natuurlijk proberen om iets te veranderen. Door een boek te schrijven bijvoorbeeld.=

   Ik heb ook iets gevonden over moraliteit. Daarvoor geldt hetzelfde. Iedereen denkt het verschil te kennen tussen goed en kwaad, maar dat ethiek bestaat om de status quo te handhaven …?=

Nee, ik ben niet voor één gat te vangen.

   Wacht, wat hoor ik toch? Oh ja, dat mobieltje dat ik van je gekregen heb! Ik moet nog wennen aan dit muziekje. Vind je het wat? Eigenlijk werkt het op mijn zenuwen, dat uitgemolken gejengelbel=.

“Hallo, Sarimanoks emergente recherche eenheid?

Wat zegt u?

Ja, dat klopt.

… ... ...

Ogenblik, dan maak ik een paar aantekeningen.

… ... ...

Kan ik u daar over terugbellen?

… ... ...

Oh? Ja, dat wil ik wel doen..

...

Eh … nee …. maar dat maakt niet uit. Ik ga daar wel achteraan.

Ja, dat is goed. Bedankt voor uw telefoontje.”

 

   Dat was die politiepsychologe naar wie ik bij BZ op zoek was. Hoe ze aan mijn telefoonnummer is gekomen is mij een raadsel. Maar ja, ze werkt tenslotte bij de politie, daar zijn het niet allemaal minkukels.

   Ze vertelde me dat haar vriendin zoek is. Een zeker Amanda. Het is geen politiezaak, er is geen aangifte gedaan. Alleen zij weet ervan. En wij nu.

   Ik heb met haar afgesproken. Over een paar uurtjes al. En voor die tijd moet ik nog het een en ander opzoeken. Dus als je me nu wilt excuseren. Er ligt hier voorlopig nog genoeg voor je. Ik neem tenminste aan dat je nog niet mijn hele magistratie hebt doorgewerkt. 

Naarmate detaillistische kennis verfijnder wordt, heeft de kwantummechanische onzekerheidsrelatie meer invloed. In tegenstelling tot Heisenbergs bijdrage aan Hitlers atoomprogramma ondervond zijn bijdrage aan de interpretatie van de kwantummechanica (1927) we-reldwijde waardering. Het leverde hem in 1932 de Nobelprijs op. Kurt Gödel toonde in 1931 overtuigend aan dat elk wiskundig systeem is gebaseerd op ten minste één onbewezen stelling (axioma). Volgens hem was dat het ultieme godsbewijs, volgens anderen het einde van de micro-reductionistische ‘Theory of Everything’ (ToE). Zoals veel genieën leed Gödel aan vervolgingswaanzin en geloofde hij in complottheorieën. Uit angst voor vergiftiging overleed hij in 1978 door zichzelf uitte hongeren. Uit de stelling van Gödel kan worden afgeleid dat het onmogelijk is alle stellingen tot een beperkt aantal axioma’s te herleiden. En op het universele kwantumniveau van de werkelijkheid hebben de elementaire wetten door onzekerheidsrelaties hun deterministische (= reduc-tionistische) betekenis verloren. De ontwikkelingen in de vorige eeuw hebben bijgedragen aan een nieuwe visie op de werkelijkheid en op het ontstaan van onze wereld (het heelal, het leven, ons bewustzijn). Het hedendaagse beeld is gelaagd en wordt emergent genoemd. De emergentie komt tot uitdrukking in de meerwaarde van de hogere lagen ten opzichte van de onderliggende lagen van de werkelijkheid. Op een hoger niveau van werkelijkheid zijn eigenschappen te vinden die op de lagere niveaus niet voorkomen. Het geheel is niet alleen som van de delen maar ook van de interacties tussen die delen (synergie). Emergente eigenschappen zijn niet reductionistisch verklaarbaar. Emergentie is waarschijnlijk het gevolg van de complexiteit van de problematiek die een herleiding tot elementaire wetten praktisch onmogelijk maakt. Zie ook: http://www.vub.ac.be/CLEA/dissemination/groups-archive/vzw_worldviews/publications/vanbelle-emerg.html

Jarenlang heb ik bijen gehouden maar van de studie waarvoor Von Frisch in 1973 de Nobelprijs kreeg, had ik nog nooit gehoord. In een laboratorium van de Universiteit van Sussex zag ik voor het eerst de kwispeldans, één van de meest verbazingwekkende fenomenen uit het dierenrijk. Francis Ratnieks, hoogleraar in de apicultuur, had mij voor een waarnemingskorf laten plaatsnemen waar ik door een glazen venster de bezigheden van de bijenkolonie kon bekijken. Daar was ik getuige van wat wel wordt omschreven als de meest geavanceerde manier van communiceren buiten die van onszelf: de kwispeldans. Een bij die net terug was nadat ze een maaltje nectar had gevonden, bewoog zich herhaaldelijk langs een denkbeeldige 8 terwijl ze met haar achterlijf trilde. Zo liet ze haar zusters weten waar ze de nectar had gevonden, niet alleen de richting maar ook de afstand. Deze dans was al bekend in de tijd van Aristoteles, maar pas na de nauwgezette waarnemingen van Von Frisch werd het kwispelen begrepen. Al tijdens zijn jeugd in Oostenrijk ontwikkelde Von Frisch een passie voor dieren. Karl beschikte over een beestenspul van 123 dieren waaronder slechts negen zoogdieren. De parkiet Tschocki hield hem voortdurend gezelschap, gezeten op zijn schouder en knabbelend aan de bladzijden van zijn boeken. De jongen had vooral belangstelling voor de kweekvijvers en als zoöloog specialiseerde hij zich in onderwaterproeven wat leidde tot een verrassend fel debat over de vraag of vissen kleuren konden zien. Dat bijen in het onderzoek werden betrokken leek wel toeval, maar ze hadden een praktisch voordeel: in tegenstelling tot vissen waren ze beter bestand tegen het reizen naar wetenschappelijke conferenties. Von Frisch richtte zijn onderzoek op de vraag waarom bijen door bepaalde bloemen worden aangetrokken. Voorheen was men ervan uitgegaan dat het eenvoudig een kwestie van geur was. Met behulp van een verzameling gele en grijze kaarten die hij in suikerwater had gedoopt, liet Von Frisch zien dat bijen de kleur geel konden onderscheiden. Uit ervaring weet ik dat bijen worden aangetrokken door gele bloemen, hetgeen de reden is waarom we ze zo vaak aantreffen in koolzaadvelden (natuurlijk zijn ook andere kleuren aanlokkelijk). In 1917 deed Von Frisch de volgens hemzelf belangrijkste ontdekking van zijn leven: het geheim van de mysterieuze bijendans. Hij had een waarnemingskorf geleend en bijen van een rode stip voorzien als ze een schoteltje honing bezochten dat hij in de buurt had neergezet. Nadat de honing op was vulde hij het schoteltje met suikerwater en volgde de bij die erop af kwam. Von Frisch herinnert zich wat hij zag toen ze terugkeerde naar de korf: “Ik kon mijn ogen niet geloven.” De bij voerde een dans op terwijl de anderen met hun antennes haar achterlijf betastten. Sommige van de bijen die het schoteltje al eerder hadden bezocht keerden er weer naar terug. Maar nog opvallender was dat, nadat ze de dans hadden bijgewoond, ook nieuwe exemplaren zonder begeleiding bij het schoteltje aankwamen. Daaruit trok Von Frisch de conclusie dat het dansen een vorm van bijentaal was. In 1925 kreeg Von Frisch een prestigieuze aanstelling aan de Universiteit van München met uitgebreide mogelijkheden om zijn onderzoek voort te zetten, maar vanaf dat moment pakken donkere wolken zich samen. Een aantal van zijn studenten en collega’s werden aangetrokken door de fascistische ideologie; tegen de tijd dat Hitler in 1933 de macht veroverde, werden zuiveringen toegestaan en menig Joods staflid werd ontslagen. Von Frisch werd geconfronteerd met de beschuldiging dat hij te veel Joden in dienst nam en in een propagandistisch pamflet werd een niet bij name genoemde professor ervan beschuldigd meer aandacht te schenken aan insecten dan aan zijn eigen Volk. Veel gevaarlijker was de beschuldiging dat Von Frisch zelf joods was. Het is nauwelijks te geloven maar terwijl de Nazi’s zich voorbereidden op oorlog was men vol toewijding bezig om iedereen met een joodse achtergrond uit overheidsdienst te verwijderen. Deze fanatieke amb-tenaren hadden ontdekt dat Von Frisch’s overgrootouders van moeders kant tot het katholicisme bekeerde Joden waren. In een beklemmend bureaucratische brief werd zijn ontslag geëist omdat hij een ‘tweedegraads bastaard’ was. Om Von Frisch te behouden hebben verscheiden academici tevergeefs geprobeerd tussenbeide te komen. Hulp kwam echter uit onverwachte hoek: een plaag genaamd Nosema roeide de Duitse bijen uit op eenzelfde wijze als de moderne populaties door de varroamijt worden vernietigd. De voorzitter van de Zuid-Beierse Bijenhouders stuurde een smeekbede naar het hoofdkwartier van de Nazi’s om ‘de meest succesvolle bijenonderzoeker ter wereld’ te ontzien om hulp te kunnen bieden in ‘de rampzalige noodsituatie’. Hij deed zelfs een beroep op de Führers kennis van apicultuur, die Hitler had meegekregen van zijn vader, van wie bekend was dat hij bijen had gehouden. De strekking van deze interventie stemde overeen met de Nazi ideologie Blut und Boden, hetgeen betekende dat landbouwwetenschappen voorrang werd verleend. In 1942 opende Himmler een instituut voor de uitroeiing van insectenplagen. Na verder druk op het Ministerie van Voedsel en Landbouw door te wijzen op de 800 000 gestorven bijenvolken, werd uiteindelijk besloten dat, in de strijd tegen de nosema plaag, Von Frisch zijn werk mocht voortzetten. Hoewel Von Frisch’s leven nu niet langer in gevaar was, toont deze geschiedenis aan hoe zelfs schijnbaar onafhankelijke centra van wetenschappelijk onderzoek ten prooi kunnen vallen aan een duivelse ideologie. In zijn naoorlogse autobiografie heeft Von Frisch zich afgevraagd of het mogelijk zou zijn geweest om de opkomst van het Nazidom te voorkomen en hij beoordeelde dat er zoveel professoren waren die de veranderingen welkom heetten dat ‘het spoedig duidelijk werd dat elke vorm van protest zou leiden tot iemands persoonlijke ondergang’. Maar dat wil niet zeggen dat Von Frisch zich nergens mee bemoeide. Via een voormalige student spande hij zich in voor de vrijlating van een Poolse wetenschapper uit Dachau in 1940. Zowel tijdens deze traumatische periode als na de oorlog deed Von Frisch onderzoek aan de communicatie tussen bijen. Volgens het Scheermes van Ocham – de eenvoudigste verklaring verdient de voorkeur - zouden bijen met hun scherp reukvermogen verafgelegen planten eenvoudig kunnen vinden door hun geur. Maar was dat ook zo? Zelfs al plakte Von Frisch hun reukklieren af met schellak, ze bleven onverminderd dansen. Nader onderzoek wees uit dat de snelheid van de dans toenam als het voedsel dichter bij de korf werd geplaatst. De bijen konden afstand schatten. Nauwkeurige bestudering van het dansen onthulde iets dat nog opmerkelijker was. De bijen voerden hun dans uit in een bepaalde richting, met de zonnestand als uitgangspunt. Als de dans omhooggericht is naar de bovenkant van de korf wil dat zeggen dat de beste bloemen in de richting van de zon staan. Een neerwaartse dans betekent de tegenovergestelde richting. Tijdgenoten van Von Frisch waren verbijsterd. William Force uit Cambridge schreef: ‘Hoe is het mogelijk dat er buiten de mens ergens in het dierenrijk zoiets kan bestaan?’ Meer (Engelstalige) informatie: Tania Munz. The dancing bees. The University of Chicago Press, 2016.

 

  

Een paar Nederlandstalige suggesties:

David van Reybrouck. Tegen verkiezingen. De Bezige Bij, 2016

Sjaak Koenis. De januskop van de democratie. Van Gennip, 2016

Moraliteit is een middel om de massa te manipuleren. Door mensen voor te houden wat goed en wat slecht is, krijgen mensen automatisch een voorkeur om volgens deze richtlijn te handelen. De idee dat mensen over een aangeboren moraliteit beschikken, is verzonnen door degenen die de touwtjes in handen hebben, het establishment. Deze complottheorie is een aantrekkelijke gedachte maar evengoed niet te bewijzen. Net als de opwarming van de aarde, het verbeteren van de gezondheid door inenting en de landingen op de maan. Wat voor de één staat als een paal boven water is voor de ander een pertinente leugen. Je kunt beweringen toetsen op hun waarheidsgehalte maar zonder universele moraliteit heeft de brulboei het laatste woord. Ik zeg maar wat. Zie maar wat je ermee doet.

   Doei!

 

 

 

EERST VALLEN ER WAT LOSSE NOTEN, ALS DWARRELENDE HERFSTBLA’REN

DAN KOMT HET ONDERSCHEID; BRUIN EN BOL EN SCHRIL EN PUNTIG

LANGS SPINRAG RIJGEN DRUPPELTJES AANEEN TOT KLATERENDE STRALEN

VAN ALLE EMERGENTIES VERVULT MUZIEK DE MEESTE WENSEN