IN DE BAN VAN KLEINE LICHAAMPJES (QUANTA OF ETERNAL BEING) I-III
De wonderlijke bokkensprongen van een tijdschavuit
Elk verhaal is een atoom. Laat er wat van weg en het krijgt een vreemd soort lading. Voeg er wat aan toe en soms zal het verhaal gaan stralen, maar vaker vervalt het tot herhaling van wat al eerder was. Het universum zit boordevol atomen. Samenklonterend in sterrenclusters. Daartussen de schijnbaar lege ruimte gevuld met gruzelementen die de Grote Glasblazer kan samensmelten tot kristallen bollen. In de toekomst. De tijd is eeuwig zwanger. Het Griekse woord atoom stamt uit een tijd dat de wereld schuil ging achter demonische nevels en schaduwen die, volgens sommigen, de goden aan het gezicht onttrokken maar die, volgens anderen, de tentakels waren van één God. Niet iedereen was het eens over de aard van die god, het eigen gelijk werd vaak hardhandig afgedwongen. Maar dat terzijde. Het universum zit vol met verhalen om de angst voor de leegte te bedwingen. Zelfs een vacuüm vol kwantumfluctuaties kan die angst niet wegnemen, de ruimtetijd zit vol met kleine lichaampjes, genoeg stof voor oneindig veel verdichtsels. Over tijdreizen, de steen der wijzen of onsterfelijkheid.
Het fijnste van reisavonturen is het thuiskomen.
Je onderdompelen in opwindende, angstaanjagende, soms zelfs afschuwelijke omstandigheden om daarna terug te keren op het oude nest, terug naar de geborgenheid van het vertrouwde thuis.
Stel je voor: een zwart firmament vol onbeweeglijke lichtpuntjes. Plotseling schieten er duizenden asvlokjes voorbij. Even abrupt is alles weer roerloos, zwart. Een grillig gevormde gaswolk komt uiterst langzaam dichterbij.
De avonturen zijn in de eerste plaats spannend, de afloop is altijd ongewis. Dat maakt juist een behouden thuiskomst tot het grootste genoegen van allemaal. Vooral als het avontuur zich in vier dimensies afspeelt. En ‘thuis’ betekent ‘in je eigen tijd’.
Wat je ziet roept de herinnering op aan de walsmuziek van Johann Strauss maar wat je hoort is de triomferende riff van Steve Millers Fly Like an Eagle.
Als je aan het stuur van je voertuig zit en je beweegt je met grote snelheid voort, dan ben je je niet bewust van je eigen lijf, dan ben je alleen bewust van het voertuig en het besturen ervan. Je hele ziel en zaligheid is daarop gericht. Je versmelt als het ware met je voertuig. Je lichaam doet er nauwelijks meer toe, alleen je brein en je zintuigen zijn relevant. Het zou voldoende moeten zijn als die geïncorporeerd waren in het stuk techniek dat jou voortbeweegt. Wat je ziet, wat je ervaart, als je voortraast door de ruimte, dat ding dat ben je zelf. Het schouwspel dat met grote snelheid aan je voorbijtrekt, wat jij, schijnbaar gezeten op de sofa, in werkelijkheid beleeft, dat is wat je op dat moment ook bent: de complete machine.
Zie, de roterende spaken van voortsnellende wielen. Ze draaien zo snel dat ze stil lijken te staan. Nu neemt de omwentelingssnelheid langzaam maar zeker af. Geleidelijk komen ze tot stilstand op
In de verte doemt je bestemming op. Eerst een stipje in de uitgestrektheid van het al dat jou niet uitmaakt. Alleen dat reisdoel heeft je aandacht, de rest, de voorbij vliedende omgeving, is niet belangrijk. Het stipje wordt steeds groter. Het vult je hele wezen. Je komt steeds dichterbij.
Tenslotte heb je je doel bereikt. Je komt thuis.
Telkens als ik de levenswandel volg van een historisch personage bekruipt mij het verlangen om zijn schelmenstreken te delen met zijn kompanen. Verlangen om over zijn schouder mee te kijken naar zijn opgetekende gedachtespinsels die in de prullenbak verdwijnen. Om mijn oor te luisteren te leggen bij de gesprekken die hij voert met zijn tijdgenoten, in eigen kring zowel als met de heffe des volks.
Uit het dagboek van Jacob Wren, historicus
I
Aan de hand van de levensperikelen van een geleerde globetrotter die leefde van 1664 tot 1753 en (soms innige) contacten onderhield met Newton, Huygens en Leibniz onderzoekt Huby Moontrap de revolutionaire verandering van het intellectuele perspectief rond 1700: van alchemistisch naar wetenschappelijk. Wat zette die verschuiving in werking?
Zolang er nog een andere optie was zou Huby Moontrap zichzelf niet zonder meer van het leven beroven – dat had hij al geruime tijd geleden besloten.
Sinds de jongens de deur uit waren en zijn vrouw hun voorbeeld had gevolgd, was René Baars bij hem ingetrokken. Ze deelden dezelfde belangstelling en konden uren converseren over wanen en werkelijkheid en wanneer het ene viel te prefereren boven het andere. Ze deelden het genot van hallucinerende belevenissen met kunst, muziek en pilletjes. Maar René’s voortschrijdende experimenten met kruiden en paddenstoelen baarden hem zorgen. Als hij terugkeerde van een van zijn reizen was het telkens weer een verrassing voor hem wat hem thuis te wachten stond. Recentelijk had René een kamer omgebouwd tot kweekruimte om steeds exotischer – lees bedwelmender – soorten te telen. Dat had hem tenslotte de das omgedaan. Bij zijn laatste thuiskomst vond Huby hem in de keuken – zijn lichaam half opgerold in een vloerkleed, als de getuigenis van een radeloos verzet tegen het achterwaartse kromtrekken van zijn wervelkolom door een overdosis strychnine. Of zoiets.
Ergens tussen waanzin en berusting worden deuren geopend die wellicht beter gesloten kunnen blijven. Huby vermoedde – nee, hij wist het zeker – dat René iets op het spoor was. Een weg naar een parallel universum? De poort naar een andere dimensie? God? Hij kon onmogelijk alleen geweest zijn. Iemand moest hem in dat kleed hebben gerold, dat kon hij in die toestand onmogelijk zelf hebben gedaan. Toch? Er moest sprake zijn van een duister complot, de conservatieve tegenwerking van keuzevrijheid die niet strookt met de vrije wil. Bestond er een hiernamaals? Als René daadwerkelijk naar gene zijde was vertrokken dan moest hij daar een hele goede reden voor gehad hebben.
Nu zijn beste vriend was overleden besefte Huby dat het aardse bestaan hem geen voldoening meer kon schenken. Als Baars het had aangedurfd, wat zou hém er dan nog van weerhouden? Er waren meer manieren om de Styx over te steken. Hij zou zich bijvoorbeeld als proefkonijn toegang kunnen verschaffen tot de wereld van het ontstoffelijken: het digitaliseren en scheiden van zijn verstand van het stoffelijke lichaam om daarna als geest te kunnen rondwaren. Tot het eind der tijden. Dat werd althans in het vooruitzicht gesteld.
Via zijn digitale contacten had een cybernetische kennis, de voormalige detective Sarimarok, hem wegwijs gemaakt in de wereld van de volledige hersenemulatie (WBE*) en plaatsen genoemd waar de techniek heimelijk werd beproefd. Er was zowaar een transhumanistisch genootschap bij hem in de universiteitsstad dat bovendien beschikte over een experimenteel onderzoekscentrum. Daar werd geen ruchtbaarheid aan gegeven, maar zijn openhartigheid tijdens de kennismakingsbijeenkomst verbrak het stilzwijgen over het vergevorderde stadium van de proefnemingen. Wilde hij misschien een bijdrage leveren? Was zijn weerstand gebroken?
Zijn besluit stond vast toen hij meldde dat hij inderdaad zijn brein wilde laten uploaden.
Eenmaal bekomen van het schokkende besef dat hij een geest was zonder lichaam, dat hij nog steeds gemis voelde maar geen pijn, niet meer menselijk was maar ook niet dood, toen daagde het bij hem dat dit niet het hiernamaals was. Dit was een hele andere bestaanssfeer, René Baars zou hij hier niet vinden. Hij merkte ook dat hij nog altijd een onstuitbare nieuwsgierigheid bezat en dat zijn nieuwe hoedanigheid hem ongekende mogelijkheden bood. Hij was onsterfelijk en onzichtbaar, maar vooral: hij zou zich vrij door de tijd kunnen verplaatsen (excusez le mot). Eindelijk had hij de kans om historische gebeurtenissen bij te wonen waar niemand weet van had. Om in willekeurig welke tijd over de schouders mee te kijken van bedelaars en buitenbeentjes, anonieme sukkelaars waarover de geschiedenisboekjes zwegen.
De ruimtetijd was zijn nieuwe wereld. Tot in de verste uithoeken van het huidige en toekomstige heelal kon hij komen, zonder één van de miljarden dode (?) zielen te ontmoeten. Zó uitgestrekt. Cyberië noemde Sarimanok het. Alleen het aardse verleden was slechts beperkt toegankelijk, door toedoen van de stratosferische afscherming van het oppervlak tegen het kosmische kwantumveld. Híer moest hij gebruikmaken van bestaande, door mensen aangelegde netwerken, die pas in de vorige eeuw wereldwijd werden uitgebreid (de 1e elektriciteits- en communicatienetwerken van enige betekenis kwamen pas aan het eind van de 19e eeuw tot stand). Om verder terug in de geschiedenis in te duiken was praktisch onmogelijk. Tenzij ...
Ooit – maar wat leek dat wel niet lang geleden – had hij op het Instituut een protegé gehad: Erik Hazepad was een zonderling genie met een dissociatieve identiteits-stoornis (DIS) waardoor hij af en toe van de radar verdween. In zijn hoedanigheid als professor had hij de merkwaardige hobby gehad om bizarre dissertaties en baanbrekende scripties te verzamelen. Zo had hij de hand weten te leggen op een obscure publicatie van een onderzoeker aan het IIT in Delhi die experimenteerde met nano-farmacologie. Door persoonlijk contact met deze persoon was hij in het bezit gekomen van diens uitvinding, de nanogel. En daarover had hij verslag gedaan aan Moontrap. Jammer genoeg had Huby geen idee waar Erik was gebleven – zowel de geleerde als zijn alter ego leken met de noorderzon te zijn vertrokken. Maar de herinnerde connectie bood wel perspectief om het ontstaan van de moderne wetenschap te onderzoeken.
Eén van de dingen die hem altijd had bezig gehouden was waarom men in de 17e eeuw nog geloofde in de ‘steen der wijzen’ en men slechts korte tijd later, in de 18e eeuw, neigde te geloven dat alles was opgebouwd uit atomen, superkleine lichaampjes die zelfs de ‘lege’ ruimte vulden. Toevallig wist hij iemand die destijds zowel alchemist als atomist was geweest. Tegelijkertijd. Hij had decennia vóór en na de toenmalige eeuwwisseling een actief bestaan geleid.* Wellicht bevatte het leven van zo’n individu een aanwijzing voor de mentale transformatie die in het 18e eeuwse Europa had plaatsgevonden.
Hij besloot om de enige fysieke tijdreiziger die hij, via Hazepad, had leren kennen, de Indiase geleerde dr. Hasan Pacha, te gebruiken als ‘vervoermiddel’ om zijn digitale beperkingen in de analoge wereld van de 17e en 18e eeuw te omzeilen. Elektrische stroom was nog niet ontdekt en de enige netwerkcircuits bestonden uit briefwisselingen en codes tussen vrijmetselaars en andere geheimzinnige genootschappen.
Sinds de eerste schamele berichten over Pacha’s uitvinding, vaak in obscure blaadjes en nooit in een regulier wetenschappelijk tijdschrift, had hij de verslagen bijgehouden. Samen met Hazepad, die dergelijke obscure artikeltjes oppikte en hem liet delen in de bizarre ideeën waarmee de gerenommeerde wetenschappelijke pers zich niet wilde inlaten. Hij was Hazepad uit het oog verloren maar Pacha’s activiteiten blijven volgen. Zo goed en zo kwaad als dat ging.
Hasan Pacha was geen wonderkind, zijn genialiteit kwam pas tot uiting tijdens zijn studie aan het Technologisch Instituut in Madras (Chennai). Hij zou daar nooit terecht gekomen zijn zonder de narcotiseuse in het ziekenhuis waar zijn gezicht werd opgelapt nadat het door de leider van een jeugdbende tot moes geslagen was. De bakermat van zijn intellectuele ontplooiing had hij ironisch genoeg te danken aan de macho die hem maar een mietje vond. Zo kreeg zinloos geweld alsnog betekenis, mede dankzij de narcose-arts die ook nog eens was getrouwd met de onderdirecteur van het IIT in Delhi. Daar werkte Pacha na zijn promotie met een team van toegewijde excentriekelingen in het geheim aan tijdreizen en voor de buitenwereld aan senolytica, middelen die het verouderingsproces afremmen.
Indertijd had Dr. Pacha de nanogel* ontworpen, een soort pil die de eigen tijddimensie kon beteugelen, zowel door je levensduur te verlengen als door je naar een ander tijdperk te verplaatsen. Dat laatste werd in wetenschappelijke kring als onzin beschouwd want zoiets was in strijd met alle fysische wetmatigheden. Bijgevolg werd door vrijwel alle peer-reviewed periodieken elke publicatie met betrekking tot Pacha’s uitvinding geweigerd. Alleen in de obscure blaadjes die Hazepad geregeld raadpleegde, werd nog wel eens aandacht besteed aan zijn werk, maar het nano- farmacologische kader dat eraan ten grondslag lag was ondoorgrondelijk en stond vol fouten.
Het IIT waar Pacha werkte droeg bij aan de ongeloofwaardigheid van de beloften die aan de nanogel werden toegekend. Uit commerciële overweging werden de onderzoeksresultaten van zijn team onder embargo geplaatst. De directie was namelijk van mening dat het vooral ging om het verhogen van de levensverwachting en wilde elke kans op intellectuele spionage vermijden. De directie wijzen op het levensverlengende element van zijn nanogel was een truck geweest van Pacha om zijn project te kunnen voortzetten. Het tijdreizen hield hij lekker voor zichzelf, daar begreep toch niemand wat van.
Maar Moontrap wist inmiddels beter.
Er waren wel meer zaken die de fysica voor onmogelijk hield, zoals bijvoorbeeld de immateriële voortzetting van zijn ego. In die hoedanigheid, zo had hij besloten, zou hij ‘meeliften’ met dr. Pacha. Wellicht zou hij zijn gastheer zodanig kunnen influenceren dat die naar de juiste tijd en plek zou reizen om aldaar de door Moontrap gewenste informatie in te winnen. Volgens Huby was het een zuivere vorm van commensalisme en ondervond de geleerde er geen enkel nadeel van.
Nu was het alleen nog zaak om Pacha’s brein binnen te dringen en zich er stilletjes te nestelen. ‘Secundaire emulatie’ noemden ze dat in het transhumanistisch centrum: hij zou de lichaamsfuncties niet besturen, maar als ‘passagier’ kon hij wel enige invloed uitoefenen. Hij zou dan trouwens ook weer over zintuiglijke waarneming kunnen beschikken. Dat was iets waar hij naar uitkeek want aan de huidige sensatie van ‘onderdompeling in een lauw inktbad’ zoals hij zijn bestaan als geest beleefde, kon hij maar moeilijk wennen.
Om door te dringen tot zijn gastheer kon hij volgens de technici van het transhumanistisch centrum het beste een moment kiezen waarop deze (de gastheer) in een staat van overgave verkeerde, bijvoorbeeld als hij zat te genieten van zijn favoriete muziek. Huby Moontrap, zelf begeesterd muzikant, wist dat Hasan zich geregeld door muziek liet inspireren. Het leek hem daarom een goed idee om via de kanalen van Pacha’s geluidsinstallatie het beoogde doel zien te bereiken.
India is een land van tegenstellingen. In Hasan Pacha’s geboortedorp wonen tegenwoordig steeds meer van oudsher gemeden kasteloze onaanraakbaren terwijl niet zo ver daarvandaan de meest geavanceerde technologieën worden ontwikkeld. Bij het IIT waar dr Pacha en zijn team de basis hadden gelegd voor een compleet nieuwe kijk op de werkelijkheid kostte het mij weinig moeite om op de tijdreiziger ‘over te springen’. Die man was voortdurend bezig met elektronische en andere apparaten en had bovendien vaak een koptelefoon op omdat zijn favoriete muziek hem inspireerde. Eenmaal bij hem binnen ben ik die trouwens ook steeds meer gaan waarderen. Nooit geweten dat gregoriaans gezang zo vers kon klinken* maar het ging hem natuurlijk om de tijdverwijzing.
Ik voel me best opgelucht dat mijn operatie tot nu toe zo goed geslaagd is. Het is nogal niks, eerst mijn eigen lijf kwijt en nu in het lichaam van een vreemde. Nou ja, ik weet natuurlijk wel wie hij is maar om er binnenin te zitten is toch andere koek. Ik kan ook niet zomaar doen en laten wat ik wil, ik ben allereerst afhankelijk van zijn eigen plannen. Alleen met behoorlijk wat inspanning kan ik hem ertoe brengen de dingen te doen die ik wil, kan ik hem mijn wil opleggen. Best heftig.
Ik denk dat ie van de beslissingen die ik hem laat nemen niet snapt waarom hij ze neemt. Ik kan hem, met de nodige moeite, sturen maar ik kan het einddoel niet overbrengen. Ik voel me meer manipulator dan symbiont om hem zijn tas te laten inpakken en een vliegticket te kopen om naar Londen te reizen. Weet hij veel wat hij daar te zoeken heeft. Maar hij gaat wel!
Hasan Pacha was vanuit Delhi naar Engeland gevlogen en, na gebruik van een paar van de nanogels die hij had meegenomen, belandde hij in de 18e eeuw. Dat ging natuurlijk niet zomaar. Om zich in de tijd te kunnen verplaatsen had hij een referentie nodig. Vlakbij het vliegveld waar hij zou landen lag een middeleeuws dorp – in onze tijd is Harmondsworth opgeslokt door Groot-Londen – waar permanent geschilderde bouwwerken en arcadische tableaus van de omgeving werden geëxposeerd. Ook uit de 18e eeuw. Dat was een geschikt vertrekpunt. Van daar kon Pacha een rijtuig nemen naar het centrum van de oude stad.
Al wist hij niet waarom hij dit uitstapje maakte, opwindend was het wel. Engeland zat vol tegenstellingen. Langs de start- en landingsbanen van het grootste vliegveld ter wereld stonden de oudste pubs van Londen. De Engelsen waren erg gehecht aan tradities maar evengoed gaven ze het startsein voor wereldwijde verandering. Ze waren de eersten die de parlementaire democratie invoerden, de slavernij afschaften, de industriële revolutie begonnen en popmuziek konden waarderen (toen Amerika rock-‘n-roll nog censureerde). Geen wonder dat het zoveel nieuwdenkers van het katholieke vasteland aantrok. In de 18e eeuw, welteverstaan.
Hij begreep nu waarom zijn verschijning niet de aandacht trok. Men liet althans niet merken dat hij er anders uitzag, al stak zijn eenvoudige Indiase kloffie opvallend af tegen de bonte justacorpsen en kniebroeken. Het gaf hem toch het gevoel dat hij opviel. Bovendien had hij het koud. Zat er geen vest in zijn bagage?
Naast de tijdreispillen die hij bij zich had, zaten er een paar essentiële geneesmiddelen en wat juwelen (als eventuele valuta) verborgen in de geheime vakjes van zijn tijdloze draagtas, die genoeg ruimte bood voor wat eenvoudige kledij en versnaperingen. Bovendien was de tas goed afsluitbaar. Op de valreep had hij de verleiding niet kunnen weerstaan om ook nog een kleine instantcamera met bijbehorend fotopapier aan zijn uitrusting toe te voegen. Over een mogelijke informatieparadox maakte hij zich geen zorgen. Na een paar maanden waren de plaatjes geheel verbleekt en het toestelletje was door de tand des tijds geen lang leven beschoren. Maar een warme kurta, daaraan had hij niet gedacht.
In het rijtuig dat hem naar de stad bracht overdacht hij opnieuw zijn onbezonnen actie. Waarom was hij hals over kop naar Engeland gereisd? Sommige van zijn teamgenoten zouden binnenkort naar de Lage Landen gaan. Als hij zo graag Europa wilde zien, kon hij toch ook met hun mee? En konden die moderne spulletjes die hij bij zich droeg hem niet in een lastig parket brengen? Hij kon er maar beter zo min mogelijk gebruik van maken.
Inmiddels werd hij zich er steeds meer van bewust dat hij niet gekleed was voor het Engelse klimaat. In Delhi was hij temperaturen boven de 20oC gewend. Hier was het klam en kil. Hij wendde zich tot zijn medepassagiers met de vraag of iemand hem kon helpen. Waarop één van hen, een cisterciënzer monnik hem zijn witte habijt aanbood. “Die draag ik hier toch niet. De Engelsen vallen mee maar die Franse immigranten haten de katholieken.” Dat leek dr Pacha nogal overdreven, de wollen mantel vertoonde in zijn ogen geen tekenen van een katholieke orde. Hij was wel een beetje vuil en versleten, maar hij deed hem graag om. Hij zou het wel merken als dat kledingstuk hinderlijke vijandigheid opriep. Hij moest toegeven dat het soms voelde of hij niet voor vol werd aangezien, maar of die pij daar verandering in zou brengen, ten goede dan wel ten kwade, dat betwijfelde hij.
Moontrap zag ondertussen door Pacha’s ogen dat de stad in zicht kwam. De contouren van het oude centrum weken niet eens zo heel erg af van de moderne metropool, al ontbrak natuurlijk de hoge nieuwbouw. Maar het stratenplan, zo zag hij korte tijd later, was door loop van de Tames in grote lijnen hetzelfde gebleven. Hij herkende St Paul’s maar London Bridge stond nog vol huizen. Via Fleet Street en The Strand kwamen ze bij Hungerford Market waar ze (Pacha en zijn commensaal) het rijtuig verlieten.
Als een soort van ingezetene van Pacha’s verschijning als de Witte Monnik heb ik hem bij wijze van spreken overgehaald om een aantal mensen te benaderen die iets konden zeggen over het ‘liefje van Newton’. Daarnaar was het Instituut speciaal op zoek, als ik me goed herinner. Ik hielp hem probleemloos over zijn terughoudendheid heen om in het openbaar te treden. Hij hoefde alleen maar anderen hun verhaal te laten doen, daarmee werd de loop van de geschiedenis geen kwaad gedaan. Het ‘liefje van Newton’, door sommigen smalend ‘Newtons Trekpop’ genoemd, was een creatief genie, zoveel is duidelijk. Maar over zijn omgang met andere mannen bestaan nogal wat speculaties. Interessant genoeg om me in hun kringen te begeven en een paar van zijn tijdgenoten aan het woord te laten.
Het bleek echter minder eenvoudig dan ik had verwacht om met behulp van de uitspraken van de heren die ik via Pacha aan het woord heb gelaten een ondubbelzinnig portret te schetsen van de persoon in kwestie. Dat heeft alles te maken met de volslagen andere sociale, politieke en culturele wereld waarin ik me had begeven. Ik heb onderschat hoe anders men dacht in de 18e eeuw in Europa (om over de rest van de wereld maar te zwijgen). Nog maar 3 eeuwen geleden, maar wat een verschil! Gelukkig ben ik uit de buurt kunnen blijven van het plebs – wat een gore troep, dat hou je niet voor mogelijk. Toegegeven, in de betere kringen mag men zich dan waardiger gedragen, het stinkt er net zo erg.
Opvallend is de oprechte belangstelling van de geschoolde middenklasse voor alles wat met de natuur te maken heeft. Van de steentjes in het veld tot de sterren aan de hemel, overal probeert men de hand van God te herkennen. Die devote onderdanigheid van het gewone volk is bijna griezelig, alsof ze willen benadrukken dat ze er zelf in deze wereld niet toe doen. Geleerde en adellijke mannen maken de dienst uit en ieders bestaan, van analfabeet tot rekenmeester, is doordrenkt met christelijke geloofsbelijdenis. Het wonderlijkste vond ik de betekenis die wordt toegeschreven aan getallen en geschriften, alsof ze toverkracht bezitten (eigenlijk is dat ook zo maar op een andere manier dan men hier wil geloven). Elke zichzelf respecterende geleerde houdt zich bezig met numerologie, bijbelkennis en alchemie, al is dat laatste meestal verboden vanwege de ongewenste kans op machtsverschuivingen, mocht de Steen der Wijzen plotseling worden gevonden.
Uiteindelijk heb ik gesprekken gevoerd met diverse lieden die in de historische annalen tussen de coulissen van de anonimiteit verblijven. Ik weet niet hoe betrouwbaar hun betoog is, soms doen mensen uitspraken die meer zeggen over henzelf, over hun maatschappelijke onvrede, hun wantrouwen jegens hun naasten, hun venijn. Maar dat is in de moderne tijd van sociale media ook geen onbekend verschijnsel.
Hungerford Market, Londen
‘Wat wou je weten, witjurk? Je ziet eruit als een paap maar het maakt mij niet uit wie er rondrijdt in me karretje. Ik ben niet zo narrow-minded als die andere druiloren hier, sommige tenminste’
‘Nick Fatso? Reken maar ik ken de fuckin’ bastard. He owes me, maar dat is alweer een tijd geleden, zal-ie wel vergeten zijn. Vergeten, daar was-tie goed in als het op betalen aankwam. Like when I drove him to Slaughter’s koffiehuis. Had-tie zogenaamd an appointment. Met zo’n Franse fluweelnicht, zo’n froggy fagot. Meneer was overbred, een echte posh boy. Of ik even wilde wachten, maar het duurde hours en hours. En betalen, ho maar, he just paid for the ride.’
‘We hebben heel wat keren picked up Franse heren, er komen er hier veel meer dan in de good old days. Van die bloody profeten, you know, voorspelden nooit veel goeds. Meneer Fatso was er soms ook bij. Ik heb gereden hem from time to time naar de Grecian, al die geleerden kwamen daar together. Sir Newton en Sir Sloane, en Halley de astronoom.‘
‘En hij had op zak never a penny. Once ik heb hem opgehaald bij Slaughter’s, together met die Franse Moivre, ook zo’n geleerd heerschap, viel steeds in slaap. Sir Snoozola noemde we ‘m, ik moest hem wekken om Fatso’s ride te betalen.’
‘Of hij betaalde met van die kralen, yeah, yeah, awful nice die zwavelstenen en bloody draketranen en veel steentjes met robijn erin, had-tie gepolijst himself. Hij hield zelf meer van die glazen schijven, daarmee zag-ie wat wij niet zagen, he showed off. Video quid non vides, de geleerde uitslover, I happen to know my classics.’
‘Dat zijn lenzen, stupid, ken je een looking-glass mee maken. Heeft-ie mij gegeven toen ik ‘m naar Oxford heb gereden. Kon ik me buurvrouw mee bespieden toen ze …’
‘Shut up, vuilspuit.’
‘Sir Fatso ging vaak naar de markt, kocht-ie manden vol fruit, buckets full of lemmon, must be his favourite fruit. Healthy freak! Heb hem al een tijd niet meer gezien …..?’
‘Zal wel weer naar de overkant zijn, long time no seen, bracht hem vaker naar de haven, ging-ie naar die fuckin’ frogs. Of naar Holland.’
‘Oh yeah, bloody Holland, waar de king came from. Mister Fatso told me hij haat de king van de frogs. Mind you, hij is een fuckin’ spy! Hij heult met al die Fransozen, papt aan met Newton van de Munt, ik heb hem often in me koets gehad met Whigs, mister Hampden, mister Conduitt….’
‘Een spion, yeah dat explains zijn ommegang met al die foreigners en diplomaten. Die citroen was voor zijn invisable inkt. En hij schreef pamfletten, net als Defoe dat deed …….’
‘Defoe schreef stukken beter. Ken je de true-born Englishmen? Da’s lachen man…..’
‘Ik kan niet lezen. Wat zegt-tie van de frogs? Toch niet dat die net zo goed zijn als wij?’
‘Dat zal er wel niet gestaan hebben, weet ‘t niet meer, de fransoos is natuurlijk een ander verhaal...’
Die koetsiers in Londen heb ik nu wel genoeg gehoord. Het zijn volkse roddelaars vol vooroordelen, maar ze hebben me wel op een idee gebracht. De overgang van alchemie naar wetenschap heeft te maken met lenzen.
Er is wel iets raars aan de hand. Af en toe wordt alles wazig alsof er een soort mist neerdaalt. En dan ineens lijkt alles weer normaal, alleen moet ik me dan opnieuw oriënteren, heb ik geen idee waar en wanneer ik ben, alsof ik in slaap ben gesukkeld. Maar dat kan helemaal niet, ik hoef niet meer te slapen. Ik maak me zorgen, stel dat er iets mis is met de hardware.
Lenzen. Die bestaan al een tijdje, maar in de 17e eeuw werden ze steeds meer gebruikt, om in de verte te kijken en vooral om details te tekenen. Iedereen raakte in de ban van kleine lichaampjes en alchemisten gingen zich toeleggen op het slijpen van glas (gesmolten zand) wat het wereldbeeld deed kantelen vanwege de nieuwe inzichten die micro- en macrokosmos opleverden.
Oeps. Daar was het weer. Kort, dit keer. Maar stel je voor, straks wordt ik uitgeschakeld…
Terwijl het Huby somber te moede werd, besloot zijn gastheer om een kort bezoek te brengen aan de markt van Spitalfields omdat zich daar veel Hugenoten hadden gevestigd. Zonder het zelf te beseffen was deze motivatie ingegeven door Moontrap, al was die op dat moment meer met zichzelf bezig. Het zou Pacha’s bewegingsvrijheid wat vrijer maken en de loop der gebeurtenissen zoals hij, Moontrap, die gepland had, langs andere banen leiden. Voorlopig was zijn gastheer voldoende beteugeld.
Opgetogen nam Pacha de omgeving in zich op. Ondanks de zware bewolking was hij blijmoedig gestemd. Overal zag hij rijtuigen voortgetrokken door paarden, flanerende heren met hoge hoeden op, sjouwers met hondenkarren en onbestemd rondlummelend volk. Nergens een koe te zien, veel minder hectisch dan Chandni Chowk, wel een gemoedelijke reuring. Bij een soort pandjeshuis had hij wat juwelen te gelde gemaakt en bij een straatverkoper wat levenswaar gekocht.
Hij liet het zich goed smaken al rook het op straat naar stront, pis en rotte groente. Er was geen lawaai van motoren en claxons, alleen gekletter van paardenhoeven en karrenwielen. Geen wirwar van elektrische draden, geen flitsende reclames, geen internetcafés en smartshops. Het was hem vreemd te moede, hier rond te banjeren zonder precies te weten waarom maar hij genoot als was hij met vakantie.
Het viel hem op dat iedereen die hij passeerde met een strak gezicht voor zich uit keek om, naar hij vermoedde, hem vooral niet hoeven aan te gapen. Vanwege zijn exotische verschijning – hij was de enige Indiër in de wijde omtrek; dat zou over een paar honderd jaar wel anders zijn – met zijn voor die tijd revolutionaire bril op en de sneakers onder zijn smoezelige pij, verwachtte hij meer aandacht te trekken. Maar de gereserveerde Londenaren liepen met straffe pas voorbij zonder hem een blik waardig te gunnen. Of ze waren ruim van geest, of ze waren met hun gedachten elders, ze gaven Pacha het gevoel dat hij onzichtbaar was.
Onderweg naar Spitalfields kreeg hij een stoutmoedige ingeving: omdat de Engelsen hem geen haarbreed in de weg bleken te leggen wilde hij op de markt ook wel eens op zo’n kistje klimmen en de menigte toespreken. Het was kennelijk de gewoonte, dus waarom niet? Hij had wel een aardig ideetje om die duffe Engelsen aan het lachen te krijgen. En het zou de loop van de geschiedenis niet schaden.
Nadat hij een provisorisch podiumpje had beklommen, stak hij van wal.
“Ooit waren er drie soorten geslachten, mannelijk, vrouwelijk en een mengvorm. De menselijke vorm was toen bovendien rond (sferisch) want rug en zijde waren cirkelvormig. Elk mens had vier armen, vier benen en twee identieke gezichten die op een ronde nek stonden. Dus beide gezichten zaten aan weerszijde van één hoofd. Wel waren er vier oren, twee geslachtsdelen en alle andere organen in overeenkomstige verhouding. Het schepsel liep rechtop en kon gaan waar het wilde. Als die mens ging hollen leek hij op een acrobaat, met gestrekte benen en armen die rond zwaaiden zodat hij op acht cirkelende ledematen voortraasde. De viervoeters waren machtig geworden omdat niets hun kon deren: ze waren compleet tevreden.
Toen besloot God om de mensen te splitsen. Voor straf werden ze in twee stukken gesneden, als gekookte eieren. Een fatale paniek maakte zich van hen meester. Ze gingen op zoek naar hun wederhelft, maar de beide wederhelften waren anatomisch niet meer bij machte om zich met elkaar te verenigen. Het resultaat was depressiviteit en massasterfte.
Toen kreeg God medelijden en onderwierp Hij de overlevenden aan een anatomische ingreep. Hij bevestigde hun geslachtsorganen aan de voorzijde van hun lichaam. Op die manier waren ze in staat om kortstondig en zo nu en dan het perfecte genot van de sferische zijnswijze opnieuw te ervaren. Want als ze zich met behulp van hun geslachtsorganen in elkaar schuiven, beantwoorden ze weer aan de sferische vorm van weleer.
Sinds Gods’ wrede ingreep zijn wij ziek van verlangen, altijd op zoek naar onze wederhelft. We kunnen niet anders, wij hebben immens verlangen om onze wederhelft terug te vinden. We willen weer één worden. Het verklaart ook waarom sommigen verlangen naar iemand van hetzelfde geslacht en anderen naar iemand van het andere geslacht. Mannen die uit het oorspronkelijk gezamenlijke geslacht man-vrouw werden gesneden, zijn liefhebbers van vrouwen. Zo is het ook gekomen dat vrouwen die het halve deel zijn van wat oorspronkelijk een hele vrouw was, zich tot andere vrouwen voelen aangetrokken en de man die het afgesneden deel is van wat oorspronkelijk een hele man was, het gezelschap zoekt van andere mannen.”*
De meeste van zijn toehoorders bleven tamelijk onverstoord wachten op een clou. Aan zijn Indiase tongval kon het niet liggen: een paar geleerde heren, te oordelen naar hun pruiken, konden er wel om grinniken. Maar dat was wellicht meer vanwege zijn spraakgebrek* dan om Plato’s humor. Of zou het toch aan de pij liggen? Hoe dan ook, hij kon het hier maar beter bij laten. Wat zou hij nu gaan doen?
Ondanks Huby’s bewustzijnsflikkeringen leek het Pacha een goed idee om zich naar het havengebied te begeven en een etablissement te zoeken. Nu hij hier toch was kon hij net zo goed de rest van Europa gaan bekijken. Om de een of andere reden wilde hij de oversteek maken naar La Rochelle aan de Franse kust om daarna via Parijs verder naar het oosten te reizen.
Eerst ging hij op zoek naar een kamer om te overnachten. Onderweg had had hij al meerdere pubs met logies gepasseerd. Hij verwachtte dat er verderop nog genoeg mogelijkheden waren. In de buurt van de Tames vond hij een soort zeemanshuis met bedden en maaltijden. De hospita die hem te woord stond ging gebukt onder stemmingsstoornissen. Terwijl ze hem wees waar hij kon eten en slapen barstte ze regelmatig uit in een schaterlach zodat het Hasan vreemd te moede was. Werd hij dan toch niet serieus genomen? Totdat hij merkte dat ze ook tegenover anderen zulke uitbarstingen had, soms zelfs gepaard gaand met heftig snikken. Opgelucht dronk hij z’n ale en ging op weg naar de havens.
Bij navraag in het havengebied bleek echter dat er voor de oversteek toestemming van de admiraliteit nodig was. Daarvoor moest hij weer een stuk teruglopen, naar Westminster, bij The Strand. Daar aangekomen en na een tijdje wachten werd hij eindelijk te woord gestaan door een barse officier die hem vanachter zijn bureau op hooghartige wijze wel toestemming wilde verlenen als hij, paapse aap, een pakje wilde afleveren in Poitou, aan de Golf van Biskaje. Zo’n dienst vervullen voor het Britse koninkrijk deed elke buitenlander die Engeland een warm hart toedroeg. De stuurse kapitein-ter-zee zat zo strak ingesnoerd in zijn uniform dat Hasan zich bezorgd afvroeg of de knopen niet zouden losspringen bij al die staccato salvo’s die de marineofficier op hem afvuurde. De bloeddoorlopen varkensoogjes leken gericht op de vlag die achter Hasan stond terwijl de paarse kop naar hem was opgeheven. Pacha stemde toe – hij had het gevoel in een Homeriaans epos verzeild te zijn geraakt – een dag later zou hij als passagier mogen meevaren. Een licht optrekken van de dunne lippen maakte duidelijk dat hij kon vertrekken.
De volgende dag begaf hij zich onmiddellijk na het ontbijt, dat schaterend door zijn hospita werd opgediend, naar het schip dat hem was toegewezen en ging aan boord. Onder het toeziend oog van de scheepstimmerman was een deel van de officierskwartieren voor hem gereedgemaakt, waar hij tijdens de oversteek wat schamele privacy zou hebben. Dat was drie eeuwen geleden verrassend luxueus, daar was hij zich terdege van bewust en hij nam aan dat het te maken had met zijn status als pakjesbezorger voor de admiraliteit. Werd hij soms als excentrieke monnik voor een politiek karretje gespannen in een internationaal spionagenetwerk?
Tijdens de overtocht was er ruimschoots gelegenheid om orde op zaken te stellen en het een en ander eens op een rijtje te zetten. Hij zou bij aankomst in La Rochelle door een rijtuig worden afgehaald dat hem naar de bestemming van het pakketje – dat trouwens een koker was, wat zou daar in zitten, kaarten? – zou brengen. Waar dat was, hij wist het niet, dat zou hij dan wel merken. Deze hele reis was één en al avontuur, daar had hij zich nu wel bij neergelegd. Uitgeput viel hij in slaap – in het gehorige zeemanshuis had hij door het geschater en gesnik geen oog dicht gedaan – en pas toen het schip aanmeerde klom hij uit zijn kooi.
Holy shit, wat een vet idee, Fatso een geheim agent! Hij was slim genoeg, en heel aimabel, had volop vrienden in de juiste kringen, politici en diplomaten in heel Europa en als strijder voor het ware geloof vertegenwoordigde de katholieke Lodewijk XIV de antichrist. Er bestaat al eeuwen een spionagenetwerk in Europa en de huidige geloofsoorlog tussen de roomsen en de reformisten heeft daarvan ongetwijfeld gebruik gemaakt.* Bij de admiraliteit zullen ze er meer van weten, maar ik denk niet dat er veel notulen naar verwijzen. Historici zullen vergeefs wroe…… verdorie, ik krijg weer zo’n black out!
Dat is toch wel… Verdraaid, ik had daar zonder lijf geen last van moeten hebben, toch? Dit is echt balen. Ik snap het niet, Pacho heeft nergens last van, waarom ik wel…? Er moet iets met die machine zijn...godverdegodver...denk je dat je niks meer kan gebeuren, gebeurt er dit...je voelt niks maar weg ben je evengoe….kanker…dat ik Pacho’s zintuigen niet kan gebruiken is tot daaraantoe, maar dat mijn zelf wegvalt...
Ik ben er weer. Maar dit is wel kut, iemand kan gewoon de stekker eruit halen. Of erger, die chips blijven ook niet eeuwig goed, dat was nog niet bij me opgekomen, zou er back-up zijn…? Pacho’s motivatie is tenminste geïnfecteerd, bij wijze van, hij blijft speuren naar Fatso’s gangen al weet hij niet waarom. Zelf denkt hij dat Nick iets te maken heeft met het verzet van de Zonnekoning tegen het oprukkende protestantisme in Europa. Grappig, dat heeft hij helemaal zelf bedacht. Zeker een overblijfsel uit de koloniale geschiedenislessen op zijn oude schooltje.
Poitou-Charentes, Frankrijk
Je m’appelle Jean-Jaques Dreyfuss. Ik werk voor Captain de Tegny* sinds het einde van de jaren tachtig, in de keuken. Nou ja, in het begin moest ik couverts en borden wassen, later kwamen daar die gore casseroles bij. Daarin werd niet alleen maar groente gekookt, maar allerlei troep dat niets met eten had te maken, sale désordre! Soms zelfs metaal of zoiets werd erin gesmolten, die pannen kreeg je presque plus meer schoon. Dan werden ze gevuld met stibium dat ze vanuit de mijn hier op het domaine naar de bijkeuken brachten.
Van zo’n mijn moet je je niet te veel voorstellen. Plûtot un gros trou, een gat in de grond. Alles ging dood wat er groeide, we hebben de boel weer dichtgegooid want de kruidentuin moest worden uitgebreid, plus de basilic et d’aneth. Wat ik niet allemaal vond tussen de kluiten, een oude houweel, des piques, een rare hoed met een soort kruis erop, des gants, een laars, …
De Captain heeft mij gevraagd om mee te helpen, faire cela pour lui, maar altijd alleen op de 17e van de maand. In 1691. De cijfers van dat jaar zijn samen 17, dat is volgens de Captain een nombre sacré, een heilig getal. De 17e eeuw, weet je wel. Alors, we hebben niet zoveel tijd meer.
Ik kom zelf uit Poitou, ben hier opgegroeid. Als kind ravotte ik vaak dans la zone. Ik vond het leuk om stenen te verzamelen, daarom weet ik dat er veel van die glanzende zwarte stenen liggen waar de Captain zo verzot op is. Wij gebruikten ze om mee te tekenen maar je krijgt er wel mains noires van, zwarte handen. De Captain kookt er liever ragoût van maar die is vast niet om te eten, ik weet nog dat je vraiment misselijk werd als je het in je mond kreeg. Je pense hij gebruikt het om medicijnen mee te maken. Voor het militaire hôpital. Zolang hij zelf niet wordt opgeroepen om te vechten tegen de roomse papen, ces papiste romains!
Ja, monsieur Fatso is hier een paar keer geweest. Een voornaam heerschap, hij was très aimable tegen mij en vrij intiem met de Captain. Diens beau-frère, monsieur De Grancey hielp ook wel eens mee, maar tussen hen boterde het niet zo, ils étaient en désaccord; ik heb monsieur Fatso hem wel eens een gros bêta horen noemen. Ik was verbaasd geweest dat hij zo goed Frans sprak, tegen de Captain was hij voor mij onverstaanbaar, dan spraken ze Latijn. Later hoorde ik dat hij niet uit Engeland kwam maar was opgegroeid en Geneva. Een echte bolleboos die overal verstand van had.
We werken nu in een espace die we vroeger de bijkeuken noemden, de buanderie. Toen maakten we hier cider van het fruit uit de jardin maar ze gebruiken de destillatiespullen voor iets anders maintenant. Ik weet niet wat ze precies deden, het was allemaal très mystérieux, geheimzinnig, want ik kon ze niet verstaan en monsieur Fatso zat altijd door een loupe te turen. Met zijn gezicht vlak boven die pruttelende soupe. Nou, hij liever dan ik, het kon behoorlijk stinken. Mon Dieu, ik heb hem wel eens naar buiten moeten dragen omdat hij onwel geworden was van alle dampen, maar je n’ai pas remarqué of hij daar dankbaar voor was. Alors, toen hij weer op adem was wilde hij gelijk naar binnen om van alles op te schrijven en te tekenen. Een echt geleerde, vrai érudit!
Tegen mij zei hij niet veel maar tegen de beau-frère heb ik hem horen spreken over de Kabbala. En hij was niet eens een Jood maar hij wist wel wie Moshe Cordovero was en hij vroeg zich af of De Grancey dat ook wist want hij zou hem dat wel eens expliquer. Pure pesterij, à mon avis.
Monsieur Fatso was trouwens niet de enige persoon die regelmatig over de vloer kwam. D’autre fois, alleen als de Captain van huis was, waren er ook anderen occupé dans la cuisine maar ook elders in huis. De laatste keer dat de Captain werd, eh, cantonné bij het leger van Oranje was monsieur Fatso hier met twee vrienden, uit Iberië, je pense, aan hun kledij te zien. Een ouder heerschap en een jongeman. Die jongen was trouwens een Moor. Madame stuurde me naar huis, je m’en souvient bien, dat deed ze anders nooit. De volgende dag was iedereen weg en kon ik de rotzooi opruimen.
Toen vond ik dit, Het Geheime boek van Artephius, ik ben zo vrij geweest om het in te kijken, je m’excuse. Naast de Latijnse tekst stond de vertaling, van Pierre Arnault, 1612 je pense. Het ging over de transmutatie van metalen om goud te maken. Ik wist het, verdomme, die gasten waren hartstikke illegaal bezig, levensgevaarlijk. Mijn meester, de Captain, hield zich ook wel bezig met transmutatie, maar alleen om medicijn te maken. J’admet, hij zocht naar een levenselixer om soldaten op te lappen, niet om goud te maken. Als dat ontdekt zou worden ..., finie ta vie.
Bij een bladlegger las ik de volgende tekst, ik herinner me het nog goed: “… meng de rode zwavelklei met een evengrote hoeveelheid kwikzilver, voeg daar de druppels dauw van 17 mei aan toe, eerst transmuteert het mengsel in zilver en daarna ontstaat er zuiverder goud dan bij de Munt”. De Latijnse tekst kon ik niet lezen maar die stond vol met symbolen, die kan ik wel volgen. Paracelsus’ geheime tekens voor zwavel en voor kwik zoals in de geschriften die de Captain placht te raadplegen. Allemaal maantjes en zonnetjes en het Frans loog er niet om. Merde!
De volgende dag kwam mijn meester weer thuis, samen met monsieur Fatso. Die kwam nog wat spullen halen. Ik était a noter hij droeg net zo’n costume militaire als de Captain onder z’n mantel. Frappant. Sindsdien heb ik hem niet meer gezien. En het boek evenmin.
Oh ja, wat ik me nog herinner, het schiet me ineens te binnen, monsieur Fatso droeg altijd een rare hoed, met een soort Maltezerkruis erop geborduurd, maar die ochtend droeg hij zelfs geen pruik. Gek, dat ik daar niet eerder aan heb gedacht, hij was erg gehecht aan dat hoofddeksel, als hij hem niet kon vinden dan was het huis te klein.
Het rijtuig dat in La Rochelle klaarstond bracht Hasan Pacha naar, wat later bleek, het landgoed De Tegny. Daar werd hij gastvrij ontvangen en, nadat hij de koker had afgedragen, werden hem door een babbelzieke bediende bed en maaltijd aangeboden. Tijdens de rit had hij de opwelling gevoeld om meer te weten te komen over Nick Fatso. Hij zou bijvoorbeeld het spoor terug kunnen volgen, eerst naar Parijs en dan verder naar het oosten, naar diens geboortegrond. Hij kon ook naar het noorden gaan, naar de Spaanse Nederlanden, of nog verder. Nou ja, dat kon later ook nog. Je kon het opvatten als zijn legalisering voor een kriskras trip door Europa.
Tot zijn opluchting had hij al verscheidene dagen geen last meer gehad van de vreemde druk onder zijn schedeldak. Een beetje zorgen had hij zich wel gemaakt over die lichte hoofdpijn die maar bleef duren, maar nu voelde hij zich weer helemaal de oude. Hij had voor alle zekerheid wat paracetamol ingenomen maar, als de nood echt aan de man kwam, kon hij toch beter teruggaan naar zijn eigen tijd. De gezondheidszorg steunde in de 18e eeuw nog niet op wetenschappelijk gefundeerde geneeskundige kennis, maar op het bestaan van astrale en spirituele ziekteoorzaken die werden behandeld met alchemistische methoden, trepanatie en aderlaten. Daar stond dr. Pacha nog wat sceptisch tegenover.
Huize De Tegny bleek onderdak te verlenen aan veel meer gasten dan hij aanvankelijk had gedacht. Behalve enkele militaire attachés die waarschijnlijk werkzaam waren bij de ‘geheime dienst’, logeerden er diverse geleerde heren. Alleen de gastvrouw was een dame. Ze deed hem denken aan de moeder van zijn jeugdvriendje Ilya, mevrouw Pozner, bij wie hij thuis in Visakhapatnan kasten vol fantastische stripboeken had verslonden. Mevrouw Pozner was de dochter van een VOC-kapitein uit Zwitserland en had Ilya’s vader ooit in Batavia ontmoet.
Op uitnodiging van haar echtgenoot – van madam De Tegny, niet van mevrouw Pozner – kwamen de heren geregeld bijeen om van gedachten te wisselen over de stand van zaken in de wijsgerige wereld. Sommigen waren uitgesproken cartesiaans in hun opvattingen, ze meenden dat alles bestond uit minuscuul kleine lichaampjes, zelfs de ether was volgens hen een stoffelijk medium. Anderen bleven vasthouden aan de vier elementen water, vuur, lucht en aarde, de basis van de alchemie en de humorenleer die door elke respectabele heelmeester werd gehanteerd. En allemaal uitten ze voortdurend hun ongenoegen over het katholieke complot.
Natuurlijk, het waren Hugenoten! Die gereformeerde christenen geloofden in dezelfde god als de katholieken, maar dan zonder de dwingelandij van het episcopaat. Ze wensten zelfstandig, dat wil zeggen zonder tussenkomst van een priester, aan hun zielenheil te werken, elk van hen had zijn eigen ‘steen der wijzen’.
Alchemisten hebben baat bij een kort lijntje met de gereformeerde God.
Vanuit Hasans Hindoestaanse perspectief waren reformatie en alchemie nauw verbonden. Zijn culturele reflecties hadden overigens geen invloed op de verdere loop van de geschiedenis.
Hij kon niet iedereen goed verstaan, maar samen met de epistels die werden uitgedeeld kreeg hij een redelijk beeld van de heersende levensbeschouwing der aanwezigen.* Alles was gehuld in een zweem van geheimzinnigheid. De beleden godsdienst en alchemistische praktijken werden niet aan de grote klok gehangen, beoefenaars werden van overheidswege vervolgd in dit paapse land, zo kon hij uit de non-verbale signalen als het ware tussen de regels door lezen.
Veel van de gebruikte symbolen herkende hij uit de rasashastra, de Ayurvedische geneeskunst die in zijn land, ook in zijn eigen tijd vierhonderd jaar later, nog gretig geraadpleegd werd. Bij de ontwikkeling van zijn nanogels was hij niet zelden op verhandelingen over levenselixers gestuit. Amrita, de nectar der onsterfelijkheid, had hem zelfs op het spoor gezet van de hermetische verbondenheid tussen micro- en macrokosmos. Van dat gedachtegoed had hij gebruik gemaakt bij zijn nanofarmacologische ontwerpen om tijdreizen mogelijk te maken.
Op dat moment werden zijn overpeinzingen onderbroken doordat er weer nieuwe lui de kamer binnentraden. Een oudere man kwam, ondersteund door een donkergetinte dienaar, recht op hem af.
Auw. Hasan werd gehinderd door een plotselinge pijnscheut. Er steekt iets in mijn kop…
Daar was ik toch weer weggevallen. Nooit bij stilgestaan, die afhankelijkheid van de hardware. Als er op het thuisfront iets misgaat, ben ik weg, al zweef ik ergens aan het einde van de ruimtetijd. Maar ik ben er nog.
Tering! Wat een stelletje pepermuntvreters loopt hier rond. Die slavendrijver die daar op ons afkomt denkt vast dat Hasan gezien zijn Aziatische trekken een horige huismonnik is, een lijfeigene van De Tegny. Vast een Hollander, aan die sombere kleding te zien.
Volgens mij heeft Pacha geen idee hoe sommige gereformeerden neerkijken op iemand met een donkere huidskleur. Zijn pij maakt vrij, maar niet heus. We kunnen ons maar beter uit de voeten maken. Of wacht, daar staat madame De Tegny, wellicht gedraagt dat secreet zich in haar nabijheid fatsoenlijk.
Eens zien of ik Hasan in haar richting kan sturen…
Hasan voelde een stille drang om zich van het naderende duo af te wenden en zich in de richting van madame De Tegny te begeven. Ze stond naast de tafel waarop een aantal platen lagen die ze aan enkele gasten liet zien. Terwijl hij dichterbij kwam, trok één van de tekeningen Hasans aandacht. Het was het gezicht op een stad aan een meer in een bergachtig landschap.
“C’est d’où viennent tous ceux qui sont présents: Genève”, gaf madame te kennen bij het zien van Pacha’s belangstelling. “Eh bien, presque tous”, met een schuine blik op de ouderling met zijn oosterse lijfknecht die zich bij hen hadden gevoegd. Minachting voor de verschijning van de ‘witte monnik’ spatte van het dikke blotebillengezicht dat hem geringschattend bezag.
“Ja, daar wil je zeker wel naar toe, wat! Daar valt heel wat te bekeren voor jouw soort. In dat gebouw rechts geven ze les, de geleerde heren, wat! Daar komt nou de echte God vandaan. Vind je zeker wel een mooie plaat, wat?”, meesmuilde de ouwe bloedhond.
“Jonathan, breng die plaat naar de cel van de monnik”, commandeerde hij zijn knecht.
Onthutst zag Pacha dat de ondergeschikte de plaat van de tafel pakte en zich tot hem wendde. Hij begreep dat de man geen idee had waar hij met de plaat naartoe moest en dat gaf hem een goede reden om zich om te draaien om zich naar zijn kamer te begeven, de gereformeerde scherprechter ontvluchtend en diens lakie met plaat in zijn kielzog.

Zicht op Genève in de 18e eeuw
Eenmaal op zijn kamer, alleen met de plaat, kreeg Hasan de vreemde aandrang om de afbeelding nauwkeurig in zich op te nemen. Hij voelde een verlangen opwellen om die plek een bezoek te brengen. Hij weet zijn wispelturigheid – aanvankelijk had hij richting Holland willen reizen – aan zijn confrontatie met die enge calvinist. Hij besefte dat hij over de middelen beschikte om zich naar een plekje op die plaat te verplaatsen. Daarna kon hij altijd nog op conventionele wijze naar het noorden reizen.
Dat ik naar het noorden moet staat buiten kijf, naar de Nederlanden, Vlissingen, Delft. Daar ligt immers de bakermat van verrekijker en microscoop. Zonder die instrumenten geen naturalistische revolutie. Zouden alchemie en elementenleer ook hebben geleid tot de uitvinding van nanogels?
Wat een avonturen beleef ik, dank zij het tijdreizen. Ik zou er een boek over kunnen schrijven. ‘Een uit de Kluiten Gewassen Genootschap van Ingewijden of Buitenstaanders, Vrij van Alchemistische Smetten’. Of zoiets. Alhoewel, dat kon ook aan de leestafel. Gewoon wat kronieken raadplegen, daar heb je geen nanogels voor nodig. Eigenlijk zijn die knikkers meer voor het spel, zogezegd.
Het was, bedacht hij, wel eigenaardig dat hij nu hier was, in dit Franse landhuis vol met esoterische idealisten die door de landelijke overheid als ketters oftewel misdadigers werden beschouwd. Hoe was hij in dit rovershol terechtgekomen en hoe kwam hij er weer uit? Nog niet zo lang geleden zat hij veilig in Delhi toen hij opeens werd bevangen door het idee om naar Europa te gaan om de gangen van Nick Fatso na te gaan. Enkele eeuwen geleden had die uitvinder de differentiaalrekening bedacht om daarmee het oneindig kleine hanteerbaar te maken. Maar het verband met Fatso’s alchemistische activiteiten en calvinistische overtuiging waren hem vooralsnog ontgaan. Als zo’n verband al bestond dan zou vast duidelijk worden waarom hij hier überhaupt was. Het werd hem vreemd te moede als hij erover nadacht waarom die Zwitserse wiskundige hem zo bezighield dat hij zich in een avontuur had gestort waarvan hij zeker wist dat hij het nooit van plan was geweest. Totdat hij naar een moderne versie van het lithurgische gebed ‘Agnes Dei’ lag te luisteren en er plotseling vragen opwelden die alleen in het verleden beantwoord konden worden.
Wellicht waren er aanwijzingen in Fatso’s jeugd te vinden, in Genève waar hij was opgegroeid. Met behulp van die plaat en een nanogel was hij daar in een wip. Het was bovendien een slimme manier om dit boevennest ongezien te ontvluchten. En van daaruit kon hij altijd nog naar het noorden reizen.
Genève, bakermat van de Reformatie (Calvijn), de Verlichting (Rousseau) en de 18e eeuwse volksopstanden
Nickolas heeft diepe indruk op me gemaakt, ik herinner me hem na al die jaren nog steeds. Het was een jongen die je aan je hart wilde drukken, knuffelen als een puppy, een jonge hond. Soms kon hij met zijn lip trekken, dan was hij een beetje eng. Maar in rekenen was hij de beste en zijn belangstelling was grenzeloos.
Ik ben collega geweest van zijn mentor, professor Chouet, toen Nick hier in Genève onderwijs volgde. Dat was eind jaren zeventig. Nadat hij in 1680 zijn opleiding bij ons had afgerond, ging hij naar Parijs, dat weet ik nog goed. Jean-Robert, de rector, had op mijn verzoek een aanbevelingsbrief geschreven, die onder anderen terechtkwam bij de sterrenwacht van de Franse Académie. Ik wist dat die jongen gek was op verrekijkers – hij had er zelf eentje gemaakt – en hij liep met allerlei ideeën rond over hoe de hemel in elkaar stak. Ik ben het volledig eens met Rector Chouet, Nickolas was een bijzonder kind.
Maar ach, makkelijk zou de jongen het in dat paapse bolwerk niet hebben, dat wist ik eigenlijk wel. Ik had begrepen dat de protestanten in de Franse hoofdstad zijn uitgesloten van alle baantjes en beroepen. Al was hij nog zo begaafd, zijn calvinistische geloof zou hem nog duur komen te staan. Eerlijk gezegd, ik voel me best schuldig voor al zijn fanatieke capriolen, om aan geld te komen, om zijn geloof te belijden, om erkenning....
Gelukkig leek hij er zelf weinig last van te hebben als anderen, in mijn ogen, onaardig tegen hem waren. Hij kon met iedereen goed opschieten, maakte gemakkelijk contact en als men hem niet moest dan deerde hem dat niet, althans zo leek het, want dan wendde hij zich wel tot iemand anders. Op duurzame vriendschappen heb ik hem niet kunnen betrappen, daarvoor was hij teveel met zijn eigen plannen bezig, of zoiets. Ik zag hem alleen veel samen met zijn broer.
Nick moest het echt hebben van onze aanbeveling, dat beseften we allemaal heel goed. Hij kwam niet uit een aristocratisch of academisch georiënteerd nest, voor zijn wetenschappelijke naambekendheid moest hij zelf opdraaien. Hij heeft vast heel erg zijn best gedaan om zijn intellectuele ideeën en bevindingen te verspreiden.
Hij kon heel aardig schrijven, hij hield een schriftje bij waaraan hij zijn gedachten toevertrouwde, een soort journaal. Kijk, ik heb het bewaard, een paar van zijn aantekeningen:
De gebeurtenissen, alle gebeurtenissen hier op aarde en elders, voorbij de sterren, worden niet gedirigeerd door goden, zelfs niet door één alles omvattende godheid; nee, ze zijn zonder uitzondering het resultaat van toeval. Vrees niet voor de willekeur van het bovennatuurlijke want alles heeft een oorzaak en niets, buiten onszelf om, gebeurt met opzet, met een bedoeling. Angst is ongegrond. Want nogmaals, niets kan voortspruiten uit wat niet is. Leegte blijft voor eeuwig leeg. Maar wij zijn. Deze wereld om ons heen bestaat. De leegte waar dit alles uit is voortgekomen moet vol kiemen zijn geweest. Kiemen, als de letters van de woorden die de zinnen maken.
Mijn devies: “HET ONZICHTBARE ZICHTBAAR MAKEN” door het slijpen van lenzen, polijsten van glas, wrijven en weer wrijven, kijkers maken die dichterbij halen, vergroten, laten zien wat nooit eerder gezien werd.
De alchemie is een geheimzinnige tak van sport. Beoefenaren staan twee doelstellingen voor ogen: eeuwige rijkdom en onsterfelijkheid. Om dat te bereiken moeten ze “denken met hun handen” door onafgebroken experimenten met elementaire grondstoffen om op empirische wijze uit te vinden hoe je zowel goud als levenselixer kunt bereiden. De numerologie is een soort wiskunde voor alfa’s. Numerologen vermoeden dat cijfersymbolen op méér duiden dan een hoeveelheid of aantal. De ware boodschap van gecombineerde symbolen (bij grotere getallen) komt boven water door een simpele bewerking. De ontdekking dat het optellen van verschillende symbolen hetzelfde getal als uitkomst kon hebben leidde tot de geboorte van het abstracte gelijkheidsbeginsel: de mathematische vergelijking (a + b = c + d).
Vanaf het begin der tijden is de mensheid geboeid geweest door de mogelijkheden van volmaaktheid (gedrag), onsterfelijkheid (gezondheid) en beheersbaarheid (macht, rijkdom). In Europa wortelt dit denken in de klassieke metallurgie (ontdekken van eigenschappen van ertsen), numerologie (ontdekken van wiskundige wetmatigheden) en kabbala (kennis van geschriften) en vormde het de basis van de alchemie. Uit waargenomen verandering van aggregatietoestanden (verdampen, vast of vloeibaar worden) concludeerde men dat verschillende metalen (in de middeleeuwen kende men er zeven, nl. goud, zilver, koper, lood, ijzer, tin en kwik) in elkaar konden overgaan door middel van transmutatie. Hoe dat gerealiseerd kon worden wist niemand maar er bestond niettemin een scala aan gebruiksaanwijzingen om zo uit de goedkopere metalen goud te maken. Dergelijk goud was bovendien volmaakter dan gewoon goud: het had een grote geneeskrachtige werking. Bij het proces van transmutatie zou met behulp van andere stoffen (zwavel, antimoon) een metaal kunnen worden gereduceerd tot een eigenschaploze potentie (prima materia) waarna andere (betere) kwaliteiten konden worden toegevoegd.
Pacha’s bezoek aan Genève had hem drie dingen opgeleverd: i) een inkijkje in het jeugdige genie van een groot geleerde; ii) het verband tussen alchemie en wetenschap dat besloten lag in Fatso’s devies; iii) een latente infectie met een virale ziekteverwekker, waarschijnlijk opgelopen bij de daklozenopvang waar hij had gelogeerd om geld te besparen. De berglucht was befaamd om haar heilzaamheid dus besmettingsgevaar had hij van daklozen niet te duchten, zo had hij geredeneerd.
De infectie zou hen (Pacha en zijn spirituele passagier) nog lelijk opbreken.
In de stad Genève kostte het hem heel wat tijd om iemand te vinden die hem verder kon helpen. De vroegere rector van de Academie zat in Lausanne en Fatso’s familie betreurde net een sterfgeval, daar zaten ze niet te wachten op een buitenlandse interviewer. Bij de Porte de la Treille waar het stadsbestuur was gevestigd werd hij doorverwezen naar een soort pensionaat. Dáár moest iemand zijn die Nick Fatso ooit les had gegeven, maar ze betwijfelden of die zich met een ‘witte monnik’ wilde inlaten, zo kon hij uit hun laatdunkende woorden opmaken. Gelukkig had de oud-leraar en vroegere collega van Nick’s mentor hem wel degelijk te woord willen staan, zodat hij inmiddels voldoende informatie had verzameld om eindelijk op weg te gaan naar De Nederlanden, een tocht die meerdere dagreizen duurde.
Ze vertrokken op een maandag.
‘Ze’ was een gezelschap Genèvezen dat op weg ging naar Frankrijk en de Nederlanden. Pacha kon zich bij hen aansluiten. De kleine stoet bestond uit een rijtuig met span en vier ruiters te paard, inclusief Hasan. Hij had nog nooit eerder op een paard gezeten maar zijn reisgenoten hadden hem verzekerd dat hij zich geen zorgen hoefde maken: ze zouden stapvoets rijden en als ze sneller gingen dan moest hij gewoon in de stijgbeugels gaan staan, fluitje van een cent. Twee van hen zouden naar Parijs gaan om hun geluk te beproeven als Lutherse handwerksmannen. Die werden daar aangetrokken om de uittocht van de Calvinistische ambachtslieden uit de Franse hoofdstad het hoofd te bieden. De derde ruiter was een Engelse diplomaat, George Cadogan, huisvriend van de Geneefse familie Fatso en op weg naar Holland voor staatszaken, met speciale aandacht voor de vloedgolf van gevluchte Hugenoten. En de koets tenslotte bood onderdak aan de enige dame in het gezelschap, Marie Dassier, die op bezoek ging bij familie in de buurt van Antwerpen, Huize Hoboken.
De Engelsman was ondertussen op de hoogte van Pacha’s missie en had hem gevraagd waarom hij eigenlijk niet terugging naar Engeland. Fatso was nog lang niet dood. De uitvinder leidde weliswaar een teruggetrokken bestaan in de provincie, maar hij stuurde nog steeds brieven naar de Franse Académie en het Engelse hof. George wist zelfs Nicks exacte woonadres. Maar Pacha had geen belangstelling. Hij wilde naar Delft. Naar die andere uitvinder. Van Leeuwenhoek. Die was aardig op leeftijd of misschien wel overleden maar daar had Pacha geen probleem mee, al hield hij dat oplettend voor zichzelf, de geheime vakjes van zijn reistas in gedachten.
Onderweg raakte hij geregeld met Cadogan in gesprek. Over diens activiteiten bij de diplomatieke dienst, bijvoorbeeld. De Brit vertelde hoe hij de familie Fatso had leren kennen.
“Ik had Nick’s zus ontmoet en we mochten elkaar gelijk. Via haar leerde ik de rest van de familie kennen. Het voelde wel ongemakkelijk omdat het eigenlijk kwam door een verzoek uit Londen.”
“Een verzoek?” vroeg Hasan schaapachtig.
“Buitenlanders worden in Engeland voortdurend in de gaten gehouden. En dat gold zeker voor Nick Fatso omdat hij heulde met die Franse oproerkraaiers. Dat hadden ze gelijk door, het ging niet alleen om Hugenoten, het waren die Camisards, die verkondigden staatsgevaarlijke praatjes. Diplomaten op het vaste land werden verzocht om Nick Fatso’s gangen na te gaan.”
“Kijk, dat vind ik nou interessant,” deed Pacha belangstellend. “Heeft U hem ergens op weten te vangen?“
“Ik heb zijn correspondentie met leden van de Académie onderschept, maar daar zat niets controversieels tussen. Politiek gezien dan. Alleen maar wetenschap. Ik heb nog wel wat papieren.”
“Zou ik die mogen inkijken?”
“Ze zitten in mijn bagage. Ik zal ze vandaag of morgen laten zien.”
“Zie je wel. Ik hoef helemaal niet naar Engeland. Laten we doen wie het eerst bij gindse heuvel is,” daagde Pacha zijn medereizigers overmoedig uit. “Ik denk dat ik het mennen inmiddels wel voldoende onder de knie heb.”
Op dinsdag viel Hasan van zijn paard.
Hij had goed in zijn oren geknoopt dat hij bij galop in de stijgbeugels moest gaan staan. De vorige dag hadden ze de weg vaak stapvoets afgelegd zodat het galopperen bij tijd en wijle een welkome gelegenheid was om even de benen te strekken. Nu begonnen de telgangers echter te draven. Te laat kreeg hij in de gaten dat er sprake was van een soort versnellen waarop hij niet gerekend had. Het ‘meebewegen’ zoals zijn reisgenoten het noemden, ging hem niet goed af, hij werd alle kanten op geslingerd.
Tot overmaat van ramp maakte zijn paard een paar rare bokkensprongen om een plotseling opduikende struikrover te ontwijken zodat Hasan uit het zadel schoot en op de grond smakte. Daar werd ook de rover door verrast en die lette daarom niet goed op. De palfrenier op de bok van het rijtuig maakte gebruik van de verwarring en stelde met een gericht schot de schurk voorlopig buiten gevecht. De kogel had zijn schouder getroffen maar het slachtoffer was verre van ontmoedigd.
Door de val was Pacha echter zo kwaad geworden dat hij de eerste de beste steen had opgepakt en die met een welgemikte worp naar de rover had gegooid. De steen kwam keihard tegen diens schedel en velde hem onmiddellijk. Even later bleek dat de man dodelijk was getroffen. Niemand had echt medelijden met hem, niemand vond dat hij een christelijke begrafenis verdiende, hij had het tenslotte aan zijn plompverloren opdoemen te wijten. Ze lieten hem liggen, al had Marie nog wel een paar woorden willen zeggen.
Pacha had zich lelijk bezeerd maar zijn kwetsuren waren beperkt gebleven tot wat kneuzingen en een flinke bloeduitstorting. Hij kon zonder hulp weer zelfstandig in het zadel klimmen en de reis hervatten.
Woensdag werd hij ziek.
De eerste tekenen begonnen in de herberg waar ze overnachtten. Hij begon te rillen en kreeg krampen in zijn buik. Zijn toestand verslechterde zienderogen, het liet zich aanzien dat hij de reis niet zou kunnen voortzetten. Althans niet te paard. Wellicht was er nog een plekje in het rijtuig?
Marie Dassier was inschikkelijk. Ze wilde Hasan zelfs wel verzorgen. Al waren de schijnheiligen het er over eens, Hasans ziekte was zijn verdiende loon: de straf van God voor het nemen van een leven, iets wat alleen de Heer was toegestaan, alleen Hij beschikte over leven en dood.
Wat zij niet wisten, nog niet konden weten, was dat Pacha in Genève een infectie had opgelopen met latente CMV (cytomegalovirus) dat door zijn opgelopen kwetsuren in zijn bloedbaan was terechtgekomen en zijn immuunsysteem had aangetast. Waarschijnlijk had het gebruik van nanogels zijn kwetsbaarheid vergroot. De omgeving bevatte genoeg pathogene microben om de tijdreiziger behoorlijk ziek te maken. Antibiotica waren er nog niet en paracetamol was alles om zijn lijden iets dragelijker te maken (maar dat hield hij oplettend voor zichzelf).
Donderdag kon hij echt niet meer verder reizen.
Aan Marie had het niet gelegen. Ze had haar best gedaan om het hem zo aangenaam mogelijk te maken, verzorgen zat haar zogezegd in het bloed (enkele generaties later zou haar bloedverwant Henri Dunant het Rode Kruis oprichten). Het bonkende en schuddende rijtuig bood echter niet de comfortabele ligplaats waaraan Hasans koortsige lichaam behoefte had. Hij voelde zich steeds ellendiger, verlangde naar rust en smeekte Marie om te stoppen bij het eerste het beste logement. Dat was makkelijker gevraagd dan geregeld. De eerste herberg bleek volledig bezet en de volgende pleisterplaats was compleet verlaten zodat de reis nog enige tijd werd voortgezet. Totdat de koetsier een Norbertijner klooster in het oog kreeg waarvan hij hoopte dat Hasan er zou kunnen verblijven tot hij voldoende hersteld was om de reis te paard voort te zetten.
Tot ieders opluchting waren de Premonstratenzers, vanwege hun witte habijt ook wel witheren genoemd, tot elk goed werk bereid (omne opus bonum paratus) en kon de zieke zo lang bij hen blijven als nodig was. George en Marie konden met een gerust hart verder reizen (de twee Lutheranen hadden zich al eerder in de richting van Parijs begeven). Hasan en zijn paard waren bij hen in goede handen en zouden alle zorg krijgen die nodig was, zo had de abt verzekerd onder instemmend geknik van menige witjurk.
Vooral van broeder Salomon.
Eigenlijk was Salomon, die geestelijk en lichamelijk als kind al gestopt was met groeien, nog steeds novice maar geen van de monniken noch hijzelf achtten dat als iets minderwaardigs. Integendeel, de immer goedlachse Salomon voelde zich ondanks zijn kleine gestalte de koning te rijk te midden van al die vriendelijke kloosterlingen. Alleen de bejaarde abt kon zich de vondeling nog herinneren die ze bij de poort gevonden hadden en hij had direct ingezien dat de downie het buiten het klooster nooit verder zou brengen dan dorpsgek. Dus Salomon, door de abt enigszins ironisch vernoemd naar de wijze koning, bleef.
De oude novice kon niet voor zichzelf zorgen maar binnen de geborgenheid van de kloostermuren had hij wel geleerd om zieken en behoeftigen bij te staan. Die steun verleende hij meestal in de omliggende dorpen en boerenhoeven. Een patiënt binnen de muren, dat kwam minder vaak voor. Vol overgave zou hij zich ontfermen over de delierende Pacha.
Het begint me op te breken. Eerst dat voortdurende uitvallen aan de basis en nu het dreigende einde van mijn ‘voertuig’. Nooit rekening mee gehouden dat Pacha’s gezonde lijf het zomaar zou laten afweten. Stel je voor als-tie niet beter wordt...
Mijn voortbestaan hangt af van hem of van iemand anders die voldoende dichtbij komt om ‘over te springen’. Ben ik toch weer afhankelijk van anderen, om eeuwig voort te kunnen leven. Als een ordinaire legende in plaats van een unieke geest. Nou ja, het is niet anders.
Ik begin wel een beetje te twijfelen of ik er wel goed aan gedaan heb om op deze manier de gangen van Nick Fatso na te gaan. Ik zie nu in dat de overgang van alchemie naar wetenschap is veroorzaakt door het omsmelten van silicaten en via het polijsten van lenzen naar het ontdekken van onzichtbare werelden. Maar had ik dat ook niet zonder deze hele onderneming kunnen bedenken?
Nu zit ik met de gebakken peren. Ik moet alles op alles zetten om hier uit komen. De eerste de beste die zich ver genoeg over de patiënt buigt wordt mijn volgende ‘voertuig’.
“Koorts,” constateerde de abt, die ooit medicijnen in Freiburg had gestudeerd. “Dat is eigenlijk een goed teken. Het lichaam is bezig de ziektekiemen te bestrijden. Zorg voor natte kompressen, Salomon. Die geven verkoeling.”
De oude novice begreep wat er van hem verlangt werd en toog aan het werk. Lappen werden gedrenkt in welwater uit de put waarin hij enkele citroenen had uitgeperst. Zorgzaam omwikkelde hij Pacha’s benen met de kompressen en schakeerde er één over het voorhoofd van de geleerde. Daarbij boog hij zo dicht over hem heen dat Moontrap kans zag om ‘over te springen’. Uit niets bleek dat Salomon daar iets van gemerkt had. Huby schrok zich evenwel het apezuur.
Christeneziele, waar ben ik nu beland? Dit lijkt wel een onbewoonbaar verklaard kraakpand. Dit is een aftands voertuig maar de motor loopt.
Eens kijken.
De bestuurbaarheid is nihil, die kloosterling doet gewoon zijn eigen ding, daar krijg ik geen vat op. Kan ik hem tegen die monniken laten zeggen dat ze meer water moeten halen?
Met een ruk wendde Salomon zich tot het monnikenpaar dat zich nog in het vertrek ophield. Verbaasd zagen ze een gepijnigde grimas over zijn gezicht glijden terwijl hij zijn verzoek indiende.
“Snel! Jullie gaan voor de buitelingen. Anders kan ik de kluit toch niet lappen? De kluit, jeweetwel.”
Natuurlijk hadden ze geen idee van wat hij bedoelde en gelukkig zag hij dat zelf ook spoedig in. Hij hervatte tenminste zijn zorgzame werkzaamheden in dezelfde vredigheid van zo-even. Alsof zijn uitbarsting van daarnet niet had plaatsgevonden.
Huby besefte ondertussen dat zijn controle over het spraakcentrum van de novice zachtjes gezegd te wensen overliet. Daar zou waarschijnlijk weinig verandering in komen. Maar hij kon hem in elk geval aansporen om enige actie te ondernemen. Dat was tenminste iets.
Pacho’s gezondheidstoestand verbeterde ondertussen gestaag. Na enige tijd was het ijlen gestopt en de koorts gedaald tot een fikse verhoging. Het afweersysteem had de ziekteverwekker in bedwang gekregen, zouden wij nu zeggen. Maar voor de monniken was het vooral een teken van God dat ze terecht de van doodslag beschuldigde vreemdeling hadden toevertrouwd aan de heilzame toewijding van de novice.
Terwijl de laatste in de weer was met de verzorging van Hasan hoorde deze hem voortdurend mompelen over ‘buitelingen in de buurt van het klooster’ en ‘de kluit’ erbinnen. Het ontging hem wat de verpleger precies bedoelde maar de woorden bleven hangen in zijn koortsige brein. Als een ellendig liedje dat je maar niet kwijtraakt en dat te pas en te onpas in je gedachten opduikt.
Langzaam maar zeker begon hij weer grip te krijgen op de werkelijkheid. Terug kwam het besef dat hij op weg was naar landen waar hij nooit eerder geweest was. Dat hij onderweg van een paard was gevallen. Dat hij … maar nee, was dat echt gebeurd? En dat rare gevoel in zijn hoofd, dat doffe gebonk, koorts, natuurlijk, zou wel overgaan… De slaap kreeg weer vat op hem.
Ik word gek! Zit ik hier opgesloten, gaat het met Pacha toch weer beter.
Ik moet proberen deze dwaas op een of andere manier naar buiten te krijgen. Hier binnen dit klooster wil ik niet blijven, bij de monniken maak ik weinig kans om veel meer van de wereld te zien dan een altaar en een kruisbeeld. Ik moet zien dat Salomon buiten de muren komt en iemand aanspreekt. Misschien is er een kans...
Salomon had in de gaten dat zijn patiënt in slaap was gevallen. Rust was de beste remedie, zijn kompressen hadden hun werk gedaan, het was aan de Heer om zijn werk voort te zetten, zo meende hij onbescheiden. Hij moest hoognodig naar buiten, een luchtje scheppen, daar had hij zin in.
De hemel boven de kloostertuin was gevuld met voortsnellende stapelwolken die afstaken tegen een grijze achtergrond. Er woei een stevige wind die de Schelde in de verte met schuimkoppige golfjes tooide. De klagelijke kreet van een pauw gaf de atmosfeer iets onheilspellends.
Verderop stond een jongen zoekend om zich heen te kijken. Salomon trad tussen het struikgewas vandaan en liep glimlachend op hem toe. Hij voelde een innerlijke drang om iets tegen de jongen te zeggen maar hij wist niet goed wat. Toen sprak hij de verontrustende woorden:
“De visser prikt een knoopsgat en zijn kussen wordt bedekt met scherpe tanden.”
Kennelijk schrok hij daar zelf van want een schaduw gleed over zijn gezicht en onverstaanbaar grommend verdween hij op handen en voeten weer tussen de bosjes, de jongen verbijsterd achterlatend.
Wat de fuk…?!
Huby Moontrap had het niet naar zijn zin. Hij zat opgesloten in de tijd. Zijn enige hoop was gevestigd op de tijdreiziger. Hij deed zijn stinkende best om zijn nieuwe ‘transportmiddel’ in de richting van het klooster te sturen maar tot zijn ongenoegen zat hij in het verkeerde vehikel. Salomon mocht dan zwak van geest zijn, hij werd uiterst koppig als hij zich niet op zijn gemak voelde. Dan was zijn handelen geheel gericht op iets herkenbaars, een gewoontepatroon. Als hij het klooster uitging was dat om naar de stad te gaan. En dat was wat hij nu ging doen. Basta.
De kans om aansluiting te vinden met de rest van de wereld was niet groot. Maar Huby verloor de moed niet. Had hij trouwens een keus? Hij kon alleen maar afwachten en hopen op een gelegenheid om van voertuig te veranderen. Ondertussen moest hij maar eens goed nadenken of er nog andere mogelijkheden waren.
Met Hasan ging het ondertussen steeds beter. Na een paar dagen had hij uit bed gemogen en wat in de tuin kunnen scharrelen. Zijn kleren waren gewassen, zijn pij was weer schoon en zag er zowaar wit uit. En niemand had in zijn tas gesnuffeld, alle verborgen geheimen waren nog intact.
Zolang het weer het toeliet genoot hij van lange wandelingen langs de Schelde. Hij had het plan opgevat om Marie Dassier te bezoeken om haar te danken voor haar zorgen. Ze moest ergens in de buurt verblijven, hij zou wel uitzoeken waar precies. Wellicht was er in het klooster een plattegrond waarop domicilies stonden vermeld. Vaag herinnerde hij zich een adres.
Het verbaasde hem wel dat hij Salomon nergens zag. Schouderophalend had een kloosterling hem gerustgesteld. De novice dook wel vaker een tijdje onder in de Antwerpse binnenstad. Meestal in het nonnenklooster van de Falcontinnen, waar hij hielp met de verzorging van gewonde soldaten. Die kwam wel weer terug, daar kon je op wachten.
Pacha had Salomon graag willen bedanken voor al diens goede zorgen, maar anderzijds stond hij te popelen om te vertrekken. Om naar het noorden te reizen zoals hij zich had voorgenomen. Tot het moment van de overval door die struikrover was de reis buitengewoon voorspoedig geweest. Hoever zou het nog zijn naar Delft, twee dagreizen? Hij kon ook terug keren naar India, naar zijn eigen tijd, als hij dat wilde. Hij had genoeg nanogels. Ondanks het effect van de kleine dierkens, de bacteriën in zijn lijf, was hij weer gezond. Hij voelde zich een bevoorrecht tijdreiziger.
Terwijl hij voorbereidingen trof om weer op weg te gaan – was zijn paard al beschikbaar? kon hij wat leefstof meekrijgen voor onderweg? – kwam de abt hem een stapeltje papieren overhandigen. George was het niet vergeten! Voor zijn vertrek had hij de aantekeningen van Fatso achtergelaten met het verzoek om ze aan Pacha te overhandigen als die weer was opgeknapt. Verrast richtte de geleerde zijn aandacht op het schrijfwerk, al wist hij niet goed meer waarom hij er naar had uitgekeken.

Ongeduldig bladerde dr Pacha door Fatso’s aantekeningen. De meeste vellen stonden vol met meetkundige tekeningen en algebraïsche formules. Hij herkende de recent ontwikkelde infinitesimaalrekening, maar hij ergerde zich aan het bloemige taalgebruik. Wat in deze tijd werd beschouwd als wereldschokkend en grensverleggend was voor hem gesneden koek, leerstof waarmee elke oplettende scholier bekend was. De kinetische verklaring van de zwaartekracht, zo herinnerde hij zich, zou geleerde koppen eeuwenlang blijven bezighouden. Zelfs nadat was aangetoond dat de corpuscles (gravitonen?) vele malen sneller zouden moeten bewegen dan het licht en dat er bij hun botsinkjes een gigantische hoeveelheid energie vrijkwam.* Was dat wellicht de zogenaamde donkere energie, die als antizwaartekracht het heelal versneld deed uitdijen?
Hijzelf had bij zijn onderzoek vastgesteld dat op nanoniveau de bekende fysische wetmatigheden niet meer golden. De antizwaartekracht van het Casimireffect was hem goed van pas gekomen bij het ontwerpen van zijn nanogels en ongetwijfeld was er op macroniveau net zoiets aan de hand. Hij was ervan overtuigd dat schaalgrootte, zoals de machten van 10, in de fysische wereld geen doorlopend continuüm volgde zoals in de wiskunde, maar, net als bij veranderende aggregatietoestanden (o.i.v. warmte), fase-overgangen kende. Op kwantumniveau was dit niets nieuws maar op kosmische schaal werd er, in zijn eigen tijd, nog geen rekening mee gehouden.
Zijn aanvankelijke enthousiasme, getriggerd door wetenschappelijke belangstelling, was inmiddels getaand. Hij propte de papieren in zijn buidel en begaf zich naar de stallen. Paardrijden, daar had hij niet echt zin in, maar hij vond dat het hoog tijd werd om Huize Hoboken te bezoeken.
Het liep echter anders.
II
Met de onvrijwillige hulp van een dwerg en een non probeert Moontrap te ontsnappen uit het 18e eeuwse Antwerpen. Hij wordt geconfronteerd met de religieuze obsessies, patriarchale misogynie en de gynaecologische vooroordelen van die tijd.
Huby Moontrap was ten einde raad. Hij was overgeleverd aan de nukken van een zwakzinnige die, zoals hij het zag, liever domme fanatiekelingen verzorgde die elkaar vanwege geloofskwesties de hersens insloegen, dan zich te wijden aan de revalidatie van de vrijzinnige Pacha. Natuurlijk was zijn veroordeling ingegeven door ergernis: hij wilde zelf zo snel mogelijk terug naar de tijdreiziger maar Salomon ging zijn eigen gang.
Na die verwarrende ontmoeting in de kloostertuin had de novice geen zin gehad om weer terug naar binnen te gaan. Gewoontegetrouw was hij naar de stad gegaan om bij de nonnen te vragen of ze zijn gezelschap op prijs stelden. Hij werd blij ontvangen. In het Antwerpse Falcontinnenklooster was Salomons bijstand precies wat ze nodig hadden. De regelmatig oplaaiende strijd tussen de katholieke volgelingen van kerkvader Augustinus, de Jansenisten, en de regerende pauzen die hen als ketters beschouwden, eiste in de Oostenrijkse Nederlanden van de 18e eeuw soms bloedige slachtoffers die zowel lichamelijke als geestelijke zorg hard nodig hadden. Dat was ook nu weer het geval geweest. De ziekenzaal lag vol gewonde mannen, meer dan er bedden waren. De meesten lagen op een matras op de grond.
Eén van hen, waarover Salomon zich meende te moeten ontfermen, had geen benen meer. Althans, dat was zijn eerste indruk geweest toen hij het behaarde lijf onder een bloederig laken zag liggen. Het bleek echter een dwerg met een fikse buikwond, waarschijnlijk geveld door een houwwapen. Hij was hooguit 1.30 meter lang maar dat maakte zijn verwonding er niet minder op. De snee leek er eerder langer door.
Salomon zeeg onmiddellijk op zijn knieën om de bloedkorsten te verwijderen en de wond te verschonen en te verbinden. Ook het beddengoed verschoonde hij en daarna zijn handen.
“Niet direct de juiste volgorde,” bedacht Moontrap, die plotseling een nieuwe kans zag gloren.
Ik heb niets te verliezen. Als die gast er bovenop komt en zich beter laat besturen dan de idioot waarin ik nu vastzit, kan ik Pacha’s aandacht misschien trekken. In zijn lievelingsboek ‘de Mahabharata’ verschijnt Vishnu regelmatig als de dwerg Vamana. Die had tenminste net zo'n volle baard als deze dreutel. Daar moet toch garen bij te spinnen zijn. Niet geschoten is altijd mis. Alles beter dan dit wandelende cachot.
De zusters zagen dat de gewonde in goede handen was zodat zij zich volledig konden wijden aan de andere slachtoffers van de onlusten. De rellen waren uitgebroken toen een clubje augustinistische oproerkraaiers bezig was pamfletten te verspreiden bij de barokke jezuïetenkerk. Door zijn kleine gestalte werd Baptiste van Wesel gewoonlijk over het hoofd gezien. Juist daardoor was hij bij de schermutselingen gewond geraakt. Hij was slechts een toevallige passant geweest die onder de voet was gelopen. Wat hem betrof waren deze katholieken gemakzuchtige praalhanzen die zich verschansten in de biechtstoel in plaats van werkelijk strijd te voeren voor het Koninkrijk Gods. Ze beleden het geloof in ijdele woorden maar niet in daden. Met al die flauwe kul, want dat was wat hij vond van de geloofstwisten, wilde hij niets te maken hebben. Het ging er om je te onderwerpen aan het hoogste gezag en dat konden anderen ook maar beter doen. Zolang ze hem zijn gang maar lieten gaan mochten ze elkaar uitroeien. Zodat orde, rust en veiligheid konden terugkeren, onder het toeziend oog van de stadsmagistraat.
Baptiste van Wesel was horlogemaker. Hij had een goedlopende zaak in het centrum van de stad. Al op jonge leeftijd had hij grote aanleg getoond voor de mechanische wetenschappen en een oom die meester slotenmaker was, had geadviseerd om hem in de leer te doen bij de familie Le Roy in Parijs. In het Frankrijk van de katholieke zonnekoning bekwaamde de jongen zich in de fijnmechanica die hem in Antwerpen van pas kwam bij de ontwikkeling van de zogenaamde veerton, een soort trommel waarmee het uurwerk automatisch (door het bewegen van de drager) wordt opgewonden. Zijn oom kwam hem af en toe bezoeken maar had niet in de gaten hoe ongelukkig de jongen was.
Baptiste was een godvrezende loot aan de stam van vrijzinnige denkers. Zijn vader was scheepsarts en bevriend met Julien Offray de La Mettrie die hij als student bij Herman Boerhave in Leiden had leren kennen. Zijn verlichte ideeën over mens en samenleving waren echter niet besteed aan de jonge Baptiste. Deze had hooguit belangstelling voor Voltaire’s rol in de Geneefse horloge industrie. Hij negeerde zijn vaders bewieroken van Spinoza en Huygens en onthield alleen de uitlating dat er behoefte bestond aan goed werkende chronometers waarmee schepen op zee hun precieze positie konden bepalen.
Bij Le Roy in Parijs had Baptiste kennis gemaakt met het chronometer-echappement dat bestand was tegen de deining op zee. In zijn werkplaats experimenteerde hij met een bimetalen balans om voor temperatuurschommelingen te compenseren. Zijn vader mocht dan atheïstische neigingen hebben, over het belang van navigatie waren ze het eens. Die scheepsklok zou er komen, daar stond hij voor in. Onherroepelijk!
Maar nu lag hij in de kreukels en was zijn vader waarschijnlijk op zee en niet op de hoogte van zijn kwetsuren. De rest van zijn familie natuurlijk wel. De patiënten in het klooster waren meestal anoniem maar het lichaam van Baptiste werd door zijn kleine postuur gelijk herkend. En anders hadden ze wel geweten wie hij was door de ketting om zijn hals waaraan een rooms kruis met ankerrad hing. Als symbool voor zijn zelfopwindende horloges. Iedereen die wel eens langs zijn winkel was gelopen, kon dat embleem met de naam Van Wesel in verband brengen.
Hij vroeg zich af of er in zijn binnenste ook een soort veerton zat, net als in de zelfopwindende horloges. In dat geval moest hij natuurlijk niet zo stil blijven liggen want dan zou zijn tikkertje wel eens definitief kunnen stoppen. Terwijl Salomon zich over de buikwond boog probeerde Baptiste overeind te komen. Daardoor begon de wond weer te bloeden. De novice duwde hem zachtjes bij de schouders terug in de kussens waarbij zijn gezicht zo dicht bij dat van de horlogemaker kwam dat Moontrap opnieuw zijn kans schoon zag. Hij ‘sprong over’ op Baptiste en ontdekte dat elk vehikel zijn eigen interieur had.
Wow! Dit is wel even andere koek! Het is of ik vanuit een regenton in een zwembad ben terecht gekomen. Ik heb het gevoel dat ik doorsijpel helemaal tot in de vingertoppen en tenen van die gozer. Ik zit verdorie niet alleen in zijn hoofd.
Bij Pacha zat ik niet echt aan de knoppen, ik was een echte lifter die alleen maar stevig op hem in kon praten, bij wijze van spreken, om iets gedaan te krijgen. En over die kloosterzot wil ik het niet hebben, die deed sowieso zijn eigen zin. Maar bij deze dreumel lijkt het wel of we zijn samengevloeid. Ik voel zelfs zijn verwondingen en dat is geen pretje.
Hij is duidelijk niet bij zinnen, ik bedoel, hij ligt in katzwijm, maar ik ben wel deelgenoot van zijn gevoelens. Niet alleen zijn buikpijn, ik voel ook zijn frustraties. Die kwellen hem al zijn leven lang. Ik kan hem beter geen dreumel noemen als ik hem voor mijn karretje wil spannen, zogezegd. Broekenman? Nou ja, zeg. Dat gaat wat worden als ie wakker wordt en mijn neerbuigende stem in z’n kop hoort. Lekker voor z’n eigenwaarde, die is er al zo slecht aan toe, kan ik beter wat aan doen. Ouwe reus?
Toch wel gek dat kleine mensjes zo fascinerend zijn. Ik denk dat we ze een beetje eng vinden. Ze zijn koddig en tegelijk gedrochtelijk. Zelfs in mijn tijd werd de draak gestoken met hun korte postuur*, dat zal in de 18e eeuw niet anders zijn. Het moet voor Baptiste als een vloek zijn dat iedereen hem aanstaart of over het hoofd ziet. Hij zal ook wel veel gepest worden, maar dat is van alle tijden. Mogelijk heeft hij ook kunnen profiteren van zijn handicap, tenslotte worden dwergen bij adellijke families nogal eens als troeteldieren gehouden. Maar nee, dat lijkt me niets voor het vrijzinnige milieu waarin zijn vader verkeert.
Baptiste háát zijn vader. Die man was nooit thuis als hij hem nodig had. Maanden achtereen op zee en anders wel bij z’n verlichte geestverwanten. Aan zijn moeder en oom had-ie ook niet veel, die hadden elkaar. Gelukkig kreek hij die oude sloten van z’n oom – om z’n mond te houden? – dat was het beste speelgoed dat hij zich kon wensen.
Hoe ik dat allemaal weet? Ik zit in z’n kop, weet je wel, in al zijn weefsels, ook van z’n hersenen. Ik deel al z’n gedachten, ook al is hij bewusteloos. Ik heb geen idee wat er gebeurt als die stakker straks wakker wordt.
Ik heb trouwens al een tijdje geen black-out meer gehad. Op het thuisfront hebben ze de boel weer op orde, lijkt me. Overigens, met die volledige integratie in de weefsels van Baptiste maak ik ook gebruik van zijn levenskracht. Als de stroomtoevoer wordt onderbroken blijft een apparaat op batterijen ook gewoon werken. Maar voor geestkracht is wel wat meer nodig, zoals mijn identiteitscache en werkgeheugen… ik neem aan dat de AI-machinerie weer naar behoren werkt.
Na de alchimist, een armoedzaaier die met list en bedrog zelfs aan het hof zijn kunsten weet te slijten, portretteert Constantijn Huygens in 1623 een andere figuur die men ook, om redenen van curiositeit aan de hoven kon aantreffen: de dwerg. Een portret kan men dit gedichtje eigenlijk niet noemen. Huygens karakteriseert zijn onderwerp negatief. De dwerg lijkt net zoveel op een man als een pint op een kan, een zweep op een dorsvlegel, een koot op een kegel en dit versje op een kaars. Met deze laatste woorden wijst Huygens op de vorm van zijn gedicht. Met zijn lange versregels aan het begin en korte aan het einde lijkt dat absoluut niet op een rechte kaars. Men zou in deze vorm wel een gebochelde dwerg op korte beentjes kunnen zien.
Een Dwergh
Hij is een Reus van verr; een Reusen duym van bijds;
Een poppen Oliphant; een schier-heel-hooft voll spijts;
Een vierendeel persoons; in’t venster yet van aensien;
Een duyvels-brood in ’tveld, dat ijeder een moet aensien,
En niemant mijnen derft; een’ ronde middagh-schauw;
Een’ Ziel-doos, volle kort, doch daerom niet te nauw.
Sulck een man bij een man
Als een’ pint bij een kan,
Als een’ sweep bij een’ vlegel,
Als een’ koôt bij een kegel,
Als dit vaers
Bij een’ kaers.©
Huygens’ Een dwergh is een miniatuurtje over een beklagenswaardig en wat boosaardig wezen. Voor veel dwergen was niet meer weggelegd dan een bestaan als kermisartiest of muzikant. Maar sommigen schopten het veel verder, zelfs tot een positie aan het hof. Vele koningen, prinsen en hertogen in Europa hadden een hofdwerg. Zo had de Engelse koningin Mary I (1516-1558, bijgenaamd: Bloody Mary) een 60 centimeter korte page in dienst, John Jarvis. Men zag zo’n miniatuurmensje als een interessante speling van de natuur en ook wel als mascotte. Bovendien symboliseerde de dwerg de ondergeschiktheid van de gewone man aan de groten der aarde. Hofdwergen werden meestal al op jonge leeftijd gekocht van hun ouders. Vaak verwisselden ze daarna ook nog wel eens van eigenaar: een dwerg was altijd een aardig presentje voor een buurvorst. Soms had een dwerg aan het hof de gerespecteerde positie van hofnar. Minder fortuinlijke dwergen waren het voorwerp van pesterijen of werden gezien als een soort huisdier.
De bekendste hofdwerg uit de Britse geschiedenis, Jeffrey Hudson (1619-1682) werd op negenjarige leeftijd geadopteerd door Henriëtta Maria (1609-1666), de echtgenote van de Britse koning Charles I. Hij was toen 47 centimeter lang en zou niet veel langer worden. Al was hij klein en vertederend, Hudson stond zijn mannetje. Hij diende jarenlang in het leger en daagde in 1644 een rivaal aan het hof uit tot een duel met het pistool. Hij schoot zijn opponent dood, maar luidde met die overwinning zijn eigen ondergang in. Daar duelleren verboden was, werd hij verbannen van het hof. Hudson zou sterven in armoede.
De inspanningen waren de gewonde horlogemaker werkelijk te veel geweest. Solomon zag dat zijn patiënt het bewustzijn weer verloren had en vroeg zich af of dat een goed of een slecht teken was. Hij besloot dat rust de zieke alleen maar goed kon doen en dekte hem toe met een schoon laken. Hij voelde zich een beetje schuldig dat hij de kloostertuin zo hals over kop had verlaten. De jongen die daar stond zal wel gedacht hebben… waarom had hij hem zo nodig iets moeten toeroepen? En was er niet een gewonde reiziger aan zijn zorgen toevertrouwd? Hij kon maar beter niet te lang wachten met teruggaan om te zien of zijn kompressen nog goed zaten. Maar eerst was hij hier nodig, de zusters hadden hun handen vol met stakkers van een geloofstwist. Alsof het er wat toe deed of je werd neergestoken door een Jansenist of door een Jezuïet. Was degene met bloed aan zijn handen daartoe voorbeschikt (Jansenist) of had hij uit vrije wil gehandeld (Jezuïet)? Hierop bleef de oude novice het antwoord schuldig. Gods katholieke wegen waren ondoorgrondelijk.
De katholieke Jansenisten leken in veel opzichten op de gereformeerde Hugenoten. Beiden geloofden dat het lot van elk mens in Gods handen lag en dat iedereen alleen aan Hem verantwoording schuldig was. En beiden werden door Paus en Kroon respectievelijk verketterd en vervolgd want dergelijke opvattingen negeerden het gezag van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten (maar niet van God). Beide geloofsstromen verachtten de protserige roomse carrièreladder en beider volgelingen lazen hardop uit de Heilige Schrift. Dat deed je niet zelf, daar waren kerkdienaren voor. Het waren echte rebellen in de 17e en 18e eeuw.
Een heel ander soort rebellen in dezelfde periode uit onze geschiedenis waren degenen die de woorden van God niet meer vertrouwden. Die meer vertrouwden op hun eigen gedachten. Op de rede. Zij waren de wegbereiders van de vrije wil om zelf verantwoording te dragen voor de keuzes die je maakt. Daar had je God niet meer voor nodig. Alleen gezond verstand. En een goed stel ogen, oren en andere zintuigen.
Tegelijkertijd waren de rebellen elkaars tegenhanger. De relibellen waren orthodoxe aanhangers van predestinatie, erfzonde en een Almachtige aan wiens luimen men was overgeleverd. De ratiobellen daarentegen stonden open voor vernieuwing, gingen ervan uit dat elk mens onschuldig ter wereld komt en met behulp van andere mensen zichzelf kon vormen en dat er wellicht een God was, maar die keek slechts toe hoe de mens zichzelf redde. Sommigen vonden zelfs dat er geen enkele aanwijzing was voor het bestaan van een god. Zij verklaarden zichzelf tot atheïst, in de 18e eeuw geen geringe stap.
Babtiste van Wesel was geen rebel. Hij behoorde tot de talloos veel miljoenen katholieken die gedwee de kerk bezochten in de vaste overtuiging van wat daar gepredikt werd de waarheid was en niets dan de waarheid. Verreweg de meesten kregen geen gelegenheid om tot andere gedachten te komen. Ze hadden God als troost in hun schamele bestaan, ze waren analfabeet en wie niet wilde deugen – op welke manier dan ook – kon beter oprotten. Je moest wel van hele goede huize komen of sterk in je schoenen staan om af te wijken van die sociale norm.
Babtiste kwam van goede huize. Hij kon lezen en schrijven, had een redelijk comfortabel leven en gedroeg zich betamelijk. Niet omdat zijn omgeving dat voorschreef maar omdat hij dat zelf zo wilde. Hij had groot respect voor hiërarchische autoriteit in het algemeen en voor Kerk en Paus in het bijzonder. Die laatste vertegenwoordigde God op aarde en wie durfde te twijfelen aan zijn woorden?
Aan nieuwlichterij had hij een broertje dood en die goddeloze vrienden van zijn vader konden hem gestolen worden, Voltaire voorop. Die noemde God een horlogemaker. Dat had Baptiste nog het meest geshockeerd, dat hij z’n vaders aandacht pas trok toen hij naar Parijs ging maar dat z’n vader hem nooit kwam opzoeken. Alleen zijn roomse oom.
Hij komt weer bij!
Hij vraagt zich af wat er gebeurd is, wáár hij is en waarom. Het lijkt erop dat het weer tot hem doordringt – hij was tenslotte al eerder bij zinnen – maar hij merkt dat er iets is, iets dat hij niet goed kan duiden. Ik zal hem niet langer in spanning houden.
“Hallo Baptiste, ik zit in je hoofd, maar schrik niet, ik ben slechts een tijdelijke logé. Je bent niet behekst of zo, hoor, er zit echt geen duiveltje tussen je oren en het heeft ook niets te maken met die oproerkraaiers. Die hebben alleen maar in je buik gestoken. Ik ben bijna per ongeluk in je hoofd beland toen je al gewond was.”
…
“Wat ben jij?”
“Ik heet Huby. Ik kom uit de toekomst, een ingewikkeld verhaal, zal ik je besparen. Ik volg de loop van de geschiedenis, waarom dingen gebeuren, of waarom juist niet. Ik ben een beetje saai, ik verzamel oude uurwerken. Bovenal ben ik geïnteresseerd in de geschiedenis van het horloge.”
“Oh ja? Ik ben horlogemaker.”
“Goh, dat is toevallig! Misschien kun je me helpen. Ik vraag me af… of nee, dat weet je misschien wel, maar wil je me toch niet vertellen.”
“Wat?”
“In mijn tijd, de tijd waar ik vandaan kom, worden heel wat namen genoemd van horlogemakers die een zelfopwindend mechaniek zouden hebben uitgevonden, waarmee een horloge kan worden uitgerust zodat het niet meer hoeft te worden opgewonden.* Maar niemand weet zeker wie de ware uitvinder geweest is. Ikzelf denk dat het er meer tegelijkertijd in Europa geweest kunnen zijn. Of meerdere mechaniekers zoals jijzelf die bij hetzelfde atelier werken. Ik denk niet dat het mogelijk is om één bepaalde persoon …”
“Ik!”
“Als jij de uitvinder bent, heb je misschien het idee al opgedaan in Parijs, in het atelier van Le Roy. En anderen daar ook.. Le Roy kan zelf het octrooi hebben aangevraagd. Maar ik geloof je graag. Als horlogemaker draag je sowieso bij aan de ontwikkeling van de opvatting over wat tijd eigenlijk is. Voor de meeste mensen was tijd altijd een cyclisch proces: dag en nacht door het draaien van de aarde om haar as en de seizoenen door het wentelen van de aarde rond de zon. De tijd werd gemeten aan de hand van een slagschaduw. De eerste horloges waren gewilde pronkstukken voor als de zon niet scheen. Ze gaven ruwweg aan in welke richting de schaduw zou vallen. Handig in het sociale verkeer maar niet erg nauwkeurig. Horlogemakers zoals jijzelf zorgden ervoor dat de uurwerken steeds preciezer en regelmatiger werden. En die ontwikkeling zal zich de komende eeuwen voortzetten. De klokken kunnen de tijd in steeds kleinere stukjes hakken en in de toekomst worden de tijdlichaampjes zo klein dat de mensen de tijd als een eeuwige rechte lijn gaan zien. Waar ik vandaan kom gelooft iedereen dat de tijd iets op zichzelf is. En dat is te danken aan mensen als jij, Baptiste.
Baptiste?”
Hij is weer weggezakt. Ik neem aan dat het door zijn lichamelijke verwondingen komt en niet door het idee dat tijd een illusie is. Ik weet niet eens of dat echt waar is of dat tijdloosheid alleen maar een zinloos concept is.*
Moontrap had zijn aandacht zo naar binnen gericht dat hij het uitvallen van de zintuiglijke waarneming niet had opgemerkt waardoor het hem was ontgaan dat Baptiste opnieuw het bewustzijn had verloren. Huby wist niet in hoeverre zijn suggestie, dat tijd alleen bestaat in onze gedachten, was doorgedrongen tot de horlogemaker. Dat de uitvinding van het uurwerk daar verantwoordelijk voor was, samen met de innovatieve bijdragen van generaties horlogemakers, zou zijn intrusieve gedachten moeten wegnemen en zijn gevoel van eigenwaarde opvijzelen. Door zijn integratie in alle weefsels van de dwerg had Moontrap allang diens frustraties in de gaten en vond, nu hij toch in dat lichaampje zat, dat hij er wat aan kon – nee, moest – doen.
Dwerggroei is het gevolg van een genetische aandoening met twee mogelijke verschijningsvormen: i) proportioneel, waarbij het gehele postuur klein is en ii) disproportioneel, waarbij alleen de armen en benen verkort zijn.
Dwergen hebben altijd sterk tot de verbeelding gesproken. In verhalen wordt hun kleine gestalte soms gecompenseerd door sterke mentale capaciteiten: toverkracht of kwaadaardigheid (Marten Toonder, Pär Lagerkvist), maar meestal zijn het noeste mijnwerkers (Tolkien, Noordse sagen) of gewoon piepkleine mensjes (de lilliputters van Jonathan Swift). Deze dwergen worden ten onrechte vaak verward met kleine mensen die behept zijn met skeletdysplasie (dwerggroei).
Wereldwijd hebben de meesten van de ongeveer drie miljoen dwergen een ellendig bestaan vol vooroordeel en pesterijen. In de beste gevallen verwerven ze een redelijke positie in de amusementsindustrie (circus, film e.d.), meestal zijn ze afhankelijk van naastenliefde en mededogen. Onze samenleving is over het algemeen niet afgestemd op volwassen mensen die kleiner zijn dan 130 cm. Vanaf het begin van de vorige eeuw lieten slimme ondernemers zogenaamd om die reden lilliputterstadjes bouwen die een aangepaste leefomgeving boden maar wel tegelijkertijd als pretpark werden geëxploiteerd. In 2009 bouwde vastgoedondernemer Mingjing in Kunming, Yunnan zo'n attractiepark onder de naam Kingdom of the Little People *
Een merkwaardig fenomeen ter vermaak van het grote publiek is het dwergwerpen*. In 1987 veroverde de Engelsman Danny Cuddles het onofficiële wereldkampioenschap dwergwerpen in Australië met een worp van vier meter. De dwerg in kwestie was Lenny the Giant, ook wel bekend als Tattoo the Dwarf. Clandestien, want de VN zagen niets in deze cafésport en vaardigden in 2002 een dwergwerpverbod uit. Terecht, want dwergwerpen is niet alleen levensgevaarlijk – de 121 centimeter lange Martin Henderson uit het Engelse Milborne Port overleed nadat hij door een dronken rugbyfan was omver gekegeld – het is ook in strijd met de menselijke waardigheid. Toch raakten sommigen gedupeerd door het verbod. De dwerg Manuel Wackenheim*, 114 centimeter klein, verloor zijn voornaamste bron van inkomsten omdat hij officieel niet meer mocht worden weggeworpen – Manuel procedeerde zonder succes tot aan de Raad van Europa en profiteert inmiddels van een uitkering door de Franse staat. Heel anders verging het de Fin Michael Makinen, die in februari 2008 clandestien wereldkampioen werd dankzij een boogworp met een zware dwerg, een midget van meer dan veertig kilo. Door de onwettigverklaring kon hij naar de titel fluiten.
Naast het dwergwerpen is overigens ook het dwergbowlen in het verdomhoekje terechtgekomen. Bij die tak van sport wordt de dwerg, keurig schokvrij verpakt met een handgreep op zijn rug gebruikt als bowlingbal. Voor mensjes met een verticale beperking blijft er nu niets anders over dan afwachten tot Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen door Albert Verlinde wordt omgetoverd tot een musical, om nog maar te zwijgen van Klein Duimpje.
Ik geloof niet dat Baptiste de eeuwig doorlopende, rechtlijnige Pijl van de Tijd als een zinsbegoocheling zou opvatten. Voor hem is de tijd net zo echt als de lucht die hij ademt en de pijn in zijn buik.. Ik wil hem alleen doen beseffen dat hij als horlogemaker bijdraagt aan het feit dat men in de toekomst het heel normaal vindt om tijd te verdelen in seconden, miljoenste deeltjes van seconden en zelfs de Plancktijd (5,39 x 10-44 sec. oftewel 0,000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 0539 sec.), het kleinst mogelijke tijdlichaampje dat twee situaties kan scheiden. Maar dit is zo abstract dat ik waarschijnlijk mijn aandacht beter direct kan richten op zijn jeugdtrauma.
Hij heeft er heel erg onder geleden dat hij zo klein is. Zijn moeder heeft hem nooit als een volwaardig mens geaccepteerd, zijn vader was er nooit als hij hem nodig had, zijn leeftijdgenoten beschouwden hem als een sukkel die ze altijd de baas waren en de misdeelden in de buurt reageerden hun eigen frustraties af op ‘het kaboutermanneke’ en ‘de drol’. Dat hij zich in die liefdeloze omgeving heeft kunnen handhaven moet hij te danken hebben aan een onderpastoor van de plaatselijke wijkkapel die zich de pesterijen aantrok en de jongen onder zijn hoede nam. Hij vervreemde hem van zijn lichtzinnige vader (die heulde met goddelozen) en stak hem in een katholiek keurslijf dat hem onderwierp aan de kerkelijke hiërarchie en zijn eenzaamheid compenseerde. Ik ben het compleet oneens met dat stichtelijke inpalmen van kwetsbare zieltjes maar het katholieke geloof heeft de jongen wel gered van een zekere ondergang.
“Waarom geloof jij niet in God? Ben je toch de duivel?“
Oh jee, hij is weer wakker. Best lastig dat hij mijn gedachten kan lezen.
“Ik geloof niet in God en ik geloof niet in de duivel. Ik ben net als je vader een Verlichte geest en dat betekent niet dat ik slecht ben maar…”
“Ik wil niets met je te maken hebben!”
“Dat is lastig, ik zit nou eenmaal in je kop. Laat het me uitleggen ...”
“Ga weg!”
“Ik kan mijn gedachten niet stilzetten.”
Mensen zijn niet lief en aardig. Mensen zitten boordevol agressie. Dat komt vooral door een behoefte om je op anderen uit te leven, door ze te vernederen en pijn te doen. Vreemd genoeg komt dat voort uit onze seksuele driften, ons lichamelijke verlangen naar de ander. Aangezien ik geen lichaam heb, heb ik ook geen driftleven. Voor mij hoef je niet bang te zijn.
Voor wie je wel moet uitkijken zijn die zwartjurken die je met hun christelijke barmhartigheid inpalmen tot een vrijwillig slaafje van de schijnheilige roomse kerk. Als zielig kind ben je een gemakkelijke prooi om je de rest van je leven te onderwerpen aan een leugen. Een leugen genaamd God.
“Ahhhh…!”
Ik praat niet tegen je. Ik spui alleen mijn blasfemische gedachten. Ik durf te denken! Dat zouden meer mensen moeten doen. Je kunt je ook barmhartig ontfermen over slachtoffers van wreed geweld zónder ze bepaalde opvattingen als de enige juiste opvattingen te doen aanvaarden. Maar ik moet toegeven, als je daarin alleen staat, als iedereen in je omgeving daar anders over denkt, dan vereist het heel wat moed om daar tegenin te gaan. Vooral als je ook nog eens gepest wordt omdat je er anders uitziet.
Vrijdenkers hebben altijd elkaar nog om op terug te vallen. Ik ken mensen die heilig overtuigd zijn van het bestaan van God. Ook in mijn tijd, in de 21e eeuw. Het gaat om miljarden mensen, die elkaar naar het leven staan omdat ze verschillende goden aanbidden. Zo helpen ze elkaar naar het paradijs. Maar als je er niet bij hoort, als je in geen enkele god gelooft, zoals ik, ben je voor eeuwig verdoemd.
Ik ben een geest, in het hoofd van een ander. Vraagje: ben ik dan hetzelfde als een ziel, zoals in de Heilige Schrift beweerd wordt over het woord ‘geest’? Ik denk het niet. De ziel is, net als God, een verzinsel van mensen. De Heilige Schrift is geschreven door mensen. Dat alles kan (en wil) ik niet bewijzen, net zo min als het tegendeel. Want dat alles is alleen bedoelt om antwoord te geven op de vraag wat de zin is van het leven. Mijn antwoord: de zin van het leven, dat is het leven zelf! Daar heb ik geen ziel of god voor nodig. Zelfs als onstoffelijke geest vier ik het leven, het leven, het leven!
Maar ik draai door, er zijn genoeg mensen, ook in mijn tijd, die dit veel te ver gaat. Dat zal nu, in de 18e eeuw nog erger zijn. De meeste mensen moeten niets van hebben van de Rede maar zelfs de meest verlichte geesten geloven in een ziel. God bemoeit zich na zijn schepping volgens hen misschien niet meer zoveel met mensen, maar dat we geen ziel hebben … Stelt de ziel ons niet in staat om, in tegenstelling tot de dieren, onderscheid te maken tussen goed en kwaad? Volgens mij we kunnen helemaal niet weten wat er in dieren omgaat, en zelfs niet wat er in andere mensen omgaat. We weten alleen dat we zelf kunnen denken en een geweten hebben. We kunnen anderen alleen maar op hun woord geloven of aan hun gezichtsuitdrukking zien hoe ze zich voelen omdat we die uitdrukking kennen van ons spiegelbeeld.
Ik ben louter rede, mijn emoties heb ik achter mij gelaten. Ze zijn verbonden met mijn lichaam, mijn gevoelens, mijn beginsel vol heimelijk tierende hormonen. Niet langer word ik verteerd door driften en behoeften. Mijn wil is volledig onderworpen aan mijn verstand. Ik ben een superego maar dat maakt niet wezenlijk gelukkig. Ik mis de voldoening van die het stillen van genot kan geven. Ik mis het genoegen om verborgen schatten van parallelle universa tot leven te wekken, of zoals mijn gastheer de horlogemaker het zou noemen, om Gods grootsheid in minuscule radertjes te vatten.
“Zwijg, boodschapper van Beëlzebub. Zak in de grond!"
“Bemoei je niet met mijn gedachten.”
Als geest heb ik geen privacy meer, er is een dwerg die meeluistert. Het zij zo.
Een man knielt voor het zuivere geloof en kiest voor zijn ego, zoals de Jansenisten. Of iemand onderwerpt zich aan de Almachtige Schepper en kiest voor de maatschappij van God, zoals de Jezuïeten.
“Maar jij, horlogemaker, jij doet geen van beide. Jij hangt, zoals de meeste mensen, een beetje te bungelen tussen schijnheiligheid en eigenbelang. Als je maar het beste klokje van de wereld kunt maken.”
"Hè hè, ben je d’r achter. Natuurlijk gaat het alleen om mij! Als ik niet zorg dat ik vooraan sta word ik onder de voet gelopen. Zelfs door slome donders en vrouwvolk. Ik heb schijt aan al die slappelingen die niet voor zichzelf opkomen.”
Moontrap begreep dat noch hij noch Van Wesel zich konden afsluiten voor elkaars gedachten. Hij probeerde zoveel mogelijk de verwensingen van de horlogemaker te negeren en vroeg zich af of een kunstwerkje van technisch vernuft, zoals een zelfopwindbaar horloge, uit handen van een slecht mens nog wel een kunstwerk genoemd mocht worden. Niet dat de dwerg per se een slechterik was, hij was tenslotte alleen maar uit op erkenning, aanzien, op genoegdoening voor gemiste ouderliefde. Of was het toch wraak? Hoe dan ook, het innovatieve kunstwerk werd er niet minder door. Toch? Het ging wellicht niet om de morele intenties van de individuele artiest, maar om de context, de gemeenschap waarin hij of zij opgroeide en zich ontwikkelde. Je kon de onzekerheidsrelatie in de kwantummechanica toch ook niet in twijfel trekken vanwege Heisenbergs nazisympathieën en arrivisme? (hier stopte het gesputter van de dwerg. Waar ging dit over?) Net zomin als Guernica is te wijten aan Picasso’s veelwijverij. De schepping van een kunstwerk is niet te wijten aan de fouten van de maker al kun je ze de maker wel verwijten.
Voor Baptiste van Wesel waren de overpeinzingen van Moontrap vanaf het begin verwerpelijk, maar nu werden ze bovendien onbegrijpelijk. Hij vermoedde dat de rebellen hem hadden behekst met een kwelduivel die hem krankzinnig moest maken. Zijn moeder had hem altijd al wanstaltig gevonden en nu werd hij ook nog eens verzwolgen door de hellevorst. Wat was er eigenlijk mis met veelwijverij?
Tijdens die vlagen van verbijstering en zelfmedelijden verscheen Salomon aan het bed van Baptiste, in gezelschap van zuster Agnes de Barmhartige. Zuster Agnes stond bekend als de meest toegewijde non in het Falcontinnenklooster. Vooral misdeelden en zwakzinnigen hadden haar speciale aandacht en zij was ook degene die Salomon opving als die weer eens zijn toevlucht zocht in het nonnenklooster. Ze weet de verkrampte gelaatstrekken van Baptiste aan diens verwondingen opgedaan tijdens het oproer en aan diens geestelijk leed van veel langer geleden en ze gaf Salomon te kennen dat zij zich over de dwerg zou ontfermen.
Nadat ze de buikwond en lakens verschoond had, laafde ze Baptistes lippen, voerde hem hete bouillon en zag ze zijn trekken ontspannen. Zo was het goed.
De dwerg van zijn kant ervoer dat hij liefdevol werd bejegend en voelde zijn bezetenheid plaatsmaken voor wellust. In weerwil van zijn zwakke gestel ging er een fikse stoot testosteron door zijn aderen. Hij kon er niets aan doen. Geen enkele vrouwenhand had hij ooit kunnen weerstaan, zelfs de oorvijgen van zijn moeder hadden zijn lid verstijfd. Beschaamd kon hij onder het laken zijn erectie bedwingen maar zijn genotzucht was Agnes niet ontgaan. Het manneke deed haar denken aan een langharig cherubijntje dat ze het liefst mee zou nemen naar haar cel. Maar dat kon natuurlijk niet.
Ondertussen had Salomon zich nuttig gemaakt door de nonnen bij te staan in hun zorgzame toewijding jegens de patiënten die op zaal lagen. De meesten waren slechts licht gewond geraakt tijdens de knokpartij en konden vrij snel worden opgelapt. Anderen hadden meer zorg nodig maar ironisch genoeg was geen van de relschoppers er slechter aan toe dan de toevallige passant met de korte beentjes.
De oude novice had vooral zijn handenvol aan het verschonen en opruimen van de verlaten ligplaatsen en begon terug te verlangen naar zijn bakermat bij de Premonstratenzers. Vanuit zijn ooghoeken zag hij zuster Agnes zitten aan het bed van de dwerg en hij overwoog of hij haar zou vragen mee te gaan. Of dat hij haar tenminste om een kop soep durfde te vragen. Hij was zo druk in de weer geweest dat hij niets had gemerkt van het inwendige knorren, totdat hij het aroma opsnoof van de soep voor de patiënten. Daar was hij nu ook wel aan toe.
Beschroomd richtte Agnes haar aandacht op Solomon. Hoe had ze die stakker kunnen vergeten? Ze nam hem onmiddellijk mee naar de refter en ordonneerde dat het hem aan niets zou ontbreken terwijl ze zelf, een beetje afwezig, ook iets nam. In gedachten zat ze nog steeds aan het bed van de dwerg. Ze vroeg zich af of de hitsige cherub een engel was of dat er een ongerechtigheid in hem gevaren was en er achter de schijn een duivel school. In haar herinnering zag ze het beeld van een overleden patiënt die ze ooit verzorgd had: overdekt met wonden waarin het gekrioel zichtbaar was van een monster dat bezig was naar buiten te breken. Een uitvreter zou zijn gastheer niet doden, dan ging hij zelf ten gronde. Het kon alleen Satan zijn. Maar die was nooit verschenen.
Sinds Agnes, nadat haar ouders waren overleden aan de rode loop, als weesmeisje in het nonnenklooster werd opgenomen, had ze zich gewijd aan de zorg voor de zieken die veelvuldig het klooster werden binnengedragen. Met haar devote overgave aan het kloosterleven, waar de intieme relaties tussen de nonnen en Jezus de sfeer bepaalde, dwong ze respect af wat met algemene instemming tot haar inauguratie leidde. Ondertussen ontdekte ze behalve het lichaam van Jezus ook haar eigen lichaam en met enkele medezusters proefde ze de kracht van de seksuele heelkunde. Ondanks het besef dat de kerk hier zeer afwijzend tegenover stond, was zij de enige die de erotische therapie beproefde op haar patiënten, zelf op patiënten van het, oh gruwel, mannelijk geslacht.
Een pittig manneke, die Baptiste, dat had ik niet achter hem gezocht. Die wellust herken ik uit mijn puberteit: de blauwe fee. Zuster Agnes doet dat met de dwerg. Was het bij mij alleen maar fantasie, nog steeds trouwens, is bij die geile beer van vlees en bloed. Ben benieuwd hoe die non gaat reageren. Ze lijkt me een gevoelig type. Ze zou zomaar voor hem kunnen vallen. Ze heeft geen idee hoe wreed hij is. Het eerste het beste mokkel dat hem in haar bubbel toelaat zal hij gelijk bespringen. In deze vrouwonvriendelijke tijd houdt dat in dat geen enkel vrouwspersoon veilig voor hem is. Daar moet ik wel even aan wennen. Maar voorlopig slaapt hij weer.
Hoe nu verder? Ik moet een plan uitstippelen. Die kleine stijfkop laat zich door mij de les niet lezen. Die kan ik niet aansturen om Pacha op te zoeken. Dan kan ik een tiental generaties meegroeien om daarna in de 20e eeuw op een netwerk over te stappen, maar ik mag dan onsterfelijk zijn, mijn geduld houdt ergens op. Of ik probeer nú zo snel mogelijk iemand te vinden om me naar Pacha te brengen. Maar ik ga niet terug naar Salomon, al gaat ie vrijwel zeker weer naar de Premonstratenzers, die onbestuurbare klootviool ben ik meer dan zat. Zuster Agnes dan? Dat is een interessante gedachte. Ik ben eigenlijk best benieuwd om een gastvrouw te hebben in plaats van een gastheer. Vraag me af of het wezenlijk anders is. De kans om over te springen lijkt me alleszins aanwezig en om haar in de gewenste richting te sturen lijkt me niet onmogelijk. Proberen maar.
Van Wesel begint me behoorlijk de keel uit te hangen, zogezegd. Hij is weer wakker en denkt aan niets anders dan hoe hij straks, als hij weer op de been is, indruk kan maken op de nonnen, zuster Agnes voorop, op de goegemeente bij hem in de buurt, vooral de dames die zijn zaak bezoeken en aan de degendragers en kousenbanden die hij een veer in de kont moet steken. Die koppige kabouter is een misogyne middenstander.
“Je bent zelf een koploze werkgeest. Rot toch op!”
“Oh, nou, hoe sneller hoe liever.”
De betrekking tussen de gastheer en zijn ongenode logé was er één van antipathische berusting. Ze konden elkaar niet luchten maar er was geen uitweg. Aan Moontrap zou het niet liggen. Een mogelijkheid om te ontsnappen zou hij onmiddellijk aangrijpen, zo had hij inmiddels besloten. Het lag helemaal aan Van Wesel en door de verwevenheid van hun denkwerk wist die dat natuurlijk ook. Maar de dwerg had een hardvochtig gemoed. Hoewel hij zijn kwelgeest ook liever kwijt was, zou hij hem dwarsbomen om op zuster Agnes ‘over te springen’. Uit pure nijd. In weerwil van zijn verlangen naar de zuster wendde hij zich af als ze hem kwam verzorgen: louter en alleen om te voorkomen dat hij Moontrap zou overdragen. Hij genoot van diens toenemende ergernis.
Bij zuster Agnes had dit gedrag een heel andere uitwerking dan de dwerg besefte (voor zover hij zich in de regel überhaupt iets aantrok van de gevoelens die zijn gedrag bij anderen opwekte). Het overtuigde haar ervan dat ‘de lieve schat’ wist dat de duivel in hem was gevaren en dat hij uit alle macht wilde voorkomen dat zij ook besmet zou worden.
Voor het eerst sinds dagen durfde ze haar terneergeslagen blik te verheffen van haar patiënt naar de overzijde van de schemerige ziekenzaal. Tegen het gedempte licht van de glas-in-loodramen zag ze de silhouetten van het handjevol nonnen – ze waren met veel te weinig; Salomon was op het juiste moment verschenen – in de weer met gewonden die het bed nog moesten houden. Dichterbij zag ze dat de meeste bedden inmiddels waren verlaten. Hadden de patiënten het niet overleefd of waren ze inmiddels genezen? Agnes schaamde zich een beetje dat ze het niet wist. Ze had zich zo geconcentreerd op degene die aan haar zorgen was toevertrouwd dat ze de rest van de zaal had buitengesloten. Nu besefte ze dat de dwerg en zijzelf vanaf de andere kant van de zaal nauwelijks werden opgemerkt, als haar nu iets overkwam zou misschien niemand weten dat hier nog een patiënt lag. Behalve Salomon.
Bij de gedachte aan de oude novice bekroop haar een gevoel van bekommernis met de behoeftige downie. Door haar betrokkenheid met Baptiste had ze Salomon verwaarloosd. Ze zou hem niet kunnen uitleggen waarom ze haar aandacht aan de gewonde dwerg voorrang had verleend, hij zou het toch niet begrijpen. Ze had Salomon nooit betrapt op jaloezie, wel op teleurstelling en ze vermoedde dat hij inmiddels terug was gegaan naar de Premonstratenzers. Hoewel het haar speet, gaf ze hem groot gelijk. Al haar aandacht zou voorlopig op Baptiste gericht zijn, dat had Solomon ongetwijfeld wél begrepen.
De dagen daarna zette Agnes zich volledig in voor de recuperatie van de gewonde horlogemaker. Hij was haar enige patiënt en naast haar dagelijkse verplichtingen in het klooster was haar aandacht via gebed en verzorging geheel gericht op zijn herstel. Zijn buikwond genas gestadig en zijn houding tegenover haar verraadde zijn beterschap: hij commandeerde haar voortdurend en gedroeg zich steeds botter tegenover haar toewijding en haar overduidelijke behaagzucht.
Agnes was van kindsbeen af geboeid geweest door het lichamelijke. Haar lijf beschouwde ze als Gods wonderlijkste schepping. Het maakte haar bewust van de meest uiteenlopende sensaties. En ergens daarbinnen, had ze zich laten vertellen, zat een piepklein lichaampje, bijkans onzichtbaar, dat slechts een klein duwtje nodig had om uit te groeien tot een manneke. Maakte dat haar niet tot Gods evenknie?
Haar eigen lijf was dan misschien niet imposant, het kon iets wat geen koning of kardinaal vermocht, namelijk een kindje baren. Alleen was daarvoor wel dat duwtje nodig. Ze had van alles geprobeerd, komkommers, ossenworst, zelfs blote vingers. Het voelde niet onaangenaam maar het gewenste resultaat bleef uit. Tot iemand haar vertelde - was het de kapelaan geweest? - dat alleen een man dat zetje kon geven. Dat had haar erg teleurgesteld, ze had het niet willen geloven. Het kindeke Jezus was toch ook geboren zonder tussenkomst van Jozef? Dat stond in de Bijbel! En ook al was God een man, ze had het gevoel dat vrouwen meer in zich hadden, wat de wereld ook beweerde.
Het dreef haar uiteindelijk in de richting van het vrouwenklooster, waar ze naar verloop van tijd respect afdwong door haar toewijding en overgave aangaande zieke en gehavende lichamen. Die waren overwegend van het mannelijk geslacht, wat haar vrouwelijke meerwaardigheidsgevoel bevestigde. Te midden van de andere zusters was ze onder gelijken en al was de wereld meer op de hand van mannenvlees, haar kloostergenoten benijdden haar niet, zij gaven de voorkeur aan het ongeschonden lijf, onder henzelf ruimschoots voorhanden, desnoods voorzien van stigmata maar zonder opdringerig testosteron.
Als vanzelf raakte Agnes daardoor steeds mee betrokken bij de stumpers die meer nodig leken te hebben dan bandages en wasbeurten. Met tedere handen gleed ze over de lichamen en masseerde ze waar dit het meest verlangd werd. Haar motivatie had overigens minder te maken met de behoefte van de patiënt dan wel met haar kinderlijke nieuwsgierigheid: wat zorgde er toch voor dat duwtje?
Mondjesmaat kwam de informatie tot haar, ze was een volwassen vrouw toen vleselijke kennis tenslotte de bijtjes en bloempjes uit haar gedachten had verbannen. Haar slachtoffers waren echter niet altijd welwillend. Sommigen vonden het niet zo kies, anderen crepeerden van de pijn, het zaad doordrenkt met bloed. Als de andere zusters al iets van haar lustige capriolen merkten, lieten ze daar niets van merken. Zelfs tijdens de gemeenschappelijke vruchtbaarheidsperioden – in het klooster liep je als vanzelf in de maat – deed elke zuster of haar neus bloedde. Salomon was wellicht de enige die Agnes’ sensuele toewijding had opgemerkt maar hij had dit uitgelegd als een facet van haar geneeskrachtige gave. Hém zou ze nooit als een patiënt beschouwen en dus als zodanig ook nooit benaderen. Helaas.
De inspanningen van Baptiste om zijn erotische verlangens de baas te blijven hadden op Agnes een averechts effect gehad. Ze was ervan overtuigd geraakt dat hij oprecht probeerde haar tegen zichzelf te beschermen. Zijn stijfkoppige lompheid tegenover haar tedere toenaderingen zag ze niet als een afwijzing, maar als een wat onbeholpen manier om haar te behoeden voor het monster in hem. Ze had immers zijn erectie gezien. Maar het had lang genoeg geduurd, had ze besloten. Ze zou hem uit zijn lijden verlossen en zichzelf niet langer weerhouden om ervoor te gaan. Voor het onontbeerlijke duwtje.
Terwijl ze hem innig in haar armen sloot kon Baptiste zich niet langer beheersen. Ondanks zijn weerzin tegen dat satanische monster in zijn kop gaf hij zich over aan oerdrift en ook hij liet zijn lusten de teugel vieren.
Sodeju! Dat had ik niet zien aankomen. Zat ik net in mijn bubbel terwijl dat gedrocht leek te slapen, ligt-ie ineens met die meid in z’n armen. Dit is mijn kans om mezelf van die griezel te ontdoen. Hij is mij ook liever kwijt en die zuster lijkt mij een stuk beminnelijker. Die krijg ik vast wel zover dat ze me bij Pacha brengt.
Tijdens de gemeenschap van de klokkenmaker en de non lukte het Moontrap om van substraat te wisselen. Toen de dwerg zich volledig had overgegeven aan het verlangen dat Agnes in hem had opgewekt, maakte Huby de overstap en nestelde hij zich in het brein van de zuster. Hij constateerde dat de ambiance zo was veranderd dat het leek of hij vanuit een ijzige sneeuwstorm in een warm bad stapte. Na de afstandelijkheid van Pacho (waarvan hij had gedacht dat het de normale toestand was voor een meeliftende geest), de onverschilligheid van de simpele Salomon en de vijandigheid van de kleine klokkenmaker, zou hij spoedig kennismaken met de ingetogenheid van een devote non met een Mariacomplex*.
Met zijn ejaculatie was Baptiste ook zijn aandacht voor het liefdesspel kwijtgeraakt. Overmand door het besef dat hij Moontrap had laten ontglippen wendde hij zich van Agnes af. Niet dat het hem erg lang dwarszat, daar was hij de man (het mannetje) niet naar, liever richtte hij zijn pijlen op toekomstige belemmeringen van zijn loopbaan als horlogemaker. De grootste klokkenmaker van de eeuw moest hij worden.
Zuster Agnes maakte het niet uit. Zij wist dat ze het duwtje had gehad, nu moest het lichaampje in haar binnenste gaan groeien, zoals de kapelaan haar had onderwezen. Vanaf nu had ze geen patiënt meer nodig. Maar, bedacht ze, het zou wel raar zijn als ze er zomaar tussenuit zou knijpen. Ze kon toch niet zomaar ophouden met haar verzorgende taken. Voorlopig zou ze er beter aan doen of er niets gebeurd was.
Ze liet zich van het bed glijden, voorzichtig, zodat de nonnen verderop niets merkten en fatsoeneerde zichzelf. Na een blik op de dwerg die zich al had afgewend, verliet ze de ziekenzaal en ging ze naar haar cel waar ze knielde voor haar eigen bed, maar vrijwel direct in slaap viel.
Dit is het beste wat me sinds lange tijd is overkomen. Hier ga ik me even helemaal inbedden. Eigenlijk best zielig wat die kabouter allemaal moet doorstaan, maar daar ga ik me niet druk over maken. Ik kan daar geen fluit aan doen, zo zitten hij en z’n tijd in mekaar, hij is trouwens een klootzak, ik ben blij dat ik van hem af ben.
Of ben ik te hardvochtig? Als iedereen laat merken dat je een misbaksel bent, als zelfs je ouders je niet moeten, als je nergens kan gaan zonder onder de voet te worden gelopen, dan doet dat wel wat met je. Aan de andere kant, er zijn ook hufters met een atletische gestalte, kindermoordenaars en vrouwenverkrachters, wat hebben die voor excuus? Kom op zeg, een schoft is een schoft, adonis of boeman, er zijn toch ook lieve dwergen?
Waar ik nu ben beland wil ik nog niet precies weten, het kan me alleen maar meevallen. De vraag is vooral hoe ze mijn aanwezigheid zal ervaren. Of blijf ik voor haar verborgen in een soort onderbewustzijn, zoals bij Pacha? Zolang ze slaapt heb ik geen idee of ze zich al dan niet de tering schrikt als ze straks wakker wordt. Ondertussen constateer ik wel enige beroering in dit lichaam. Volgens mij ben ik niet de enige indringer hier.
Zuster Agnes is zwanger. Morulastadium. Het is nog heel pril, zelf zal ze er pas over een paar maanden iets van merken. Als de foetus dan nog niet is afgestoten, zo’n natuurlijke abortus vindt vaker wel dan niet plaats. Maar daar hebben ze in deze tijd geen weet van. Ze geloven nog in preformatie, dat het piepkleine lichaampje al een compleet mensje is dat met moederbloed gevoed wordt om te groeien.
Het was trouwens háár idee, die hele verkrachtingsscène. Alsof ik dat niet door had. Van Wesel was dan wel een geil mannetje maar zonder haar instemming zou hij niets hebben klaargemaakt. Ik snap alleen niet waarom ze een kindje wil. Wil ze hier soms weg? Zodra moederoverste iets merkt gebeurt dat misschien toch wel. Of anders wachten ze tot de bevalling en leggen ze de baby te vondeling. Omgekeerde wereld. Ik weet het niet. Als ze straks wakker wordt kom ik er wel achter.
Ik moet trouwens wel zien dat ik haar op een of andere manier bij Pacha zie te krijgen. Anders zie ik mezelf hier net zo vast zitten als in die gnoom. Moet ik de rest van mijn bestaan in een klooster slijten. Dan kunnen ze net zo goed de stekker… die black-outs zijn trouwens alweer een tijdje geleden! Daar heb ik sinds ... waar was het? ... Genève, geloof ik, geen last meer van gehad. Kennelijk is dat opgelost. Nu nog terug. Als die non zo meteen wakker wordt zal ik wel merken hoe ik haar kan besturen. Wellicht kan ik haar zover krijgen dat ze Salomon gaat zoeken. Die kwam tenslotte ook geregeld hier naartoe en ik had de indruk dat ze zich om hem bekommerde. Maar dat weet ik niet zeker. Hij kwam geregeld naar haar klooster maar volgens mij gebeurde het omgekeerde nooit. Misschien kan ik haar zover krijgen dat ze alsnog bij hèm op bezoek gaat. Om hem te bedanken of zoiets. Vooropgesteld natuurlijk dat-ie terug is in zijn eigen klooster, waar Pacha hopelijk aan de betere hand is. En dan moet ik ook nog iets bedenken hoe ik van haar weer op de tijdreiziger kan ‘overspringen’. Het zal niet zo moeilijk zijn om haar Salomon te laten helpen met de verzorging van Pacha. Naar ik begrepen heb bij Baptiste is ze zeer toegewijd. De vraag is alleen of ik haar moet sturen door op haar gemoed in te werken, ongeveer als bij Pacha? Of dat ik direct met haar kan communiceren, zoals bij Baptiste? Maar bij de dwerg had ik het idee dat ik in zijn hele lichaam, nou ja, lichaampje, zat. Dat heb ik hier niet, tenminste nog niet, al merkte ik wel dat ze zwanger is.
“Hhmmm”
Ah, ik geloof dat ze ontwaakt...
“Wat…?”
“Eh … ik kom uit Baptiste … dat wil zeggen...”
“Wat? Ben jij het, mijn kindje?”
“Eh … Wat ik bedoel…? Nee, eh ...zover is het nog niet. Maar ‘t wordt vast een engeltje.”
“Oh Heer, een engel! Dank U!”
“…”
“Nu komt alles goed!”
“Oké dan. Luister. Ik ben in je neergedaald. Ik zal je zeggen wat je moet doen.” Ik speel het spel mee en zal haar aanwijzingen geven wat ze moet doen.
“Wat moet ik doen?”
“Voorlopig gewoon de dingen doen zoals je ze gewent bent om te doen. Niemand hoeft te merken wat er in je is gevaren. Niemand hoeft er iets van te weten. Het is ons geheim.”
“Bent U de Heilige Geest?”
“Doe nou maar gewoon wat ik zeg.”
Huby had al snel door dat de vrome zuster heel anders reageerde op zijn spirituele aanwezigheid dan Baptiste dat had gedaan. Onderdanig en volgzaam was ze en ze vertoonde geen enkele angst of argwaan. Het stelde hem, Huby, tevreden met de gedachte dat zijn gastvrouw waarschijnlijk precies zou doen wat hij haar brein opdroeg. Ze had hem al in haar hart gesloten als de stem Gods, in haar hoofd heette ze hem welkom als de Heilige Geest die in haar was gevaren.
Hij vermoedde dat haar gedweeheid verband hield met haar vrouwzijn in de 18e eeuw, maar tegelijkertijd merkte hij dat ze uit dat vrouwzijn juist enorme kracht uit putte: haar zwangerschap. Ze leek geobsedeerd door het kleine lichaampje dat binnenin haar groeide en ze beschouwde zijn transcendente aanwezigheid als de goddelijke instemming met haar bandeloze gedrag om zich te laten verkrachten. Vrijwillig. Door de eerste de beste die haar geen weerstand aan kon bieden. Het was trouwens niet zo dat hij een vrouwelijke matrix kon vaststellen in haar brein maar eigenlijk waren de paar breinen die hij tot nu toe had ‘bezeten’ zo verschillend dat hij onmogelijk seksueel onderscheid kon maken. Bovendien, vrouwzijn werd naar zijn weliswaar vooringenomen idee eerder bepaald door een hormoonbalans dan door mentale capaciteiten. Niettemin bleek ze erg gevoelig voor zijn spirituele, in haar tijdsbeeld Bijbelse influisteringen.
Het leek Huby verstandig om zich voorlopig gedeisd te houden. Hij zou zijn overpeinzingen – waarvan hij vreesde dat ze Agnes zouden ontstellen – beperken tot de perioden dat de zuster sliep of al haar aandacht had gevestigd op het verzorgen van haar patiënt. Dat duurde niet heel lang want Baptiste herstelde zienderogen. Hij wilde zo spoedig mogelijke zijn werkzaamheden hervatten om zijn doel, roem en rijkdom, te bereiken. Maar ook na zijn ontslag uit het klooster waren er nog volop zorgklussen die een helpende hand vereisten. Daarnaast, tijdens de schaarse momenten die ze voor zichzelf had, bijvoorbeeld om wat te eten, was Agnes in gedachten meer bij het kleine lichaampje in haar buik dan bij het geneuzel in haar hoofd.

Elke spermacel bevat het piepkleine lichaampje van een compleet mensje.
Uit: Nicolas Hartsoeker. Essay de Dioptrique. Jean Annison, Paris, 1694
Indenken en Uitbeelden Dat is het motto in de 18e eeuw, Indenken en Uitbeelden. Gods plan. Indenken hoe het moet zijn, Uitbeelden hoe het kan worden. Ik heb het gezien met de ogen van Pacha. Ik heb het beleefd in de geest van Baptiste. En nu merk ik het in het gemoed van Agnes. Het gaat om een glimp van het bovennatuurlijke. Desnoods satanisch, zoals bij de klokkenmaker, in de hoop dat gezien zijn verdiensten dat door de vingers wordt gezien. Of de heilige boodschap, in den mensen welbehagen. Dat is in de 21e eeuw wel anders. Daar is het meer Invoelen en Uitdragen. Niet het goddelijke plan openbaren maar anderen er aan onderwerpen. Dogmatische joden, rechtse christenen, islamitische zelfmoordeskaders. We zijn met honderd maal meer mensen maar slechts een fractie heeft zichzelf bevrijd uit de wurggreep van het geloof, uit de beklemming van een religieuze dwangbuis. Indenken en Uitbeelden. Ik was er niet naar op zoek maar zo’n openbaring wekt mijn speurzin. Het gemoed van Agnes is niet alleen devoot, het is ook vrouwelijk. In die zin dat het anders is dan de mannelijke gemoederen die mij vertrouwd zijn.
Het is zo moeilijk voor te stellen, die verlangens, die angsten, die obsessies van anderen. Alsof ze een kleur zien die jij nog nooit gezien hebt. Zelfs nu ik in het hoofd van een vrouw zit kan ik die emotionele obsessie met haar vrouwzijn niet delen. Laat staan met alle lhbtqia+’ers. Dat jij die gevoelens niet hebt betekent niet dat die gevoelens onzin zijn. Ze behoren alleen een ander toe. Laat die in waarde.
Mij kan worden verweten dat ik helemaal geen gevoelens heb. Ik ben alleen maar rationeel. Louter brein. Vroeger kon ik me wel ergeren, vooral aan domkoppen. En droevig zijn, na het overlijden van René. Daardoor zit ik nu in het hoofd van een ander. In de 18e eeuw nog wel.
Er zijn verschillende manieren om terug te keren naar de toekomst – back to the future, haha – een snelle of een langzame. Als ik steeds ‘overspring’ op iemand anders en een tijdje meelift met die persoon doe ik er een paar honderd jaar over. Een oogwenk voor een onsterfelijke geest. Maar ontzettend saai om getuige te zijn van alles wat al geweest is (ik ben wel genezen; alles is in de geschiedenisboekjes te vinden). Voor de snelle manier moet ik naar Pacha.
Als de non verzonken is in een of ander gebed zal ik tot haar komen en haar zeggen wat ze doen moet.
Maar eerst nog even dit: Het is ongelofelijk dat Agnes zo graag zwanger wil worden. In de 18e eeuw wist een vrouw – dien inferieure schepsel – vaak pas na maanden van zwangerschap zeker of ze aan haar bestaansplicht had voldaan. Om daarna vreselijke pijnen te doorstaan bij de bevalling die door een kwart van de vrouwen niet werd overleefd. En als je niet getrouwd was kreeg je nog een boete bovendien. Vroedvrouwen werden ondanks hun eeuwenlange staat van dienst door mannelijke ‘gynaecologen’ onkundig verklaard en de kraamvrouwenkoorts sloeg genadeloos toe. Miskramen waren omgeven met bijgeloof: frambozenijs was een boosdoener die je kon neutraliseren met een mengsel van eierdooiers en snippers rode zijde. De maandstonden dienden voor het opwekken van wellust om de pijn van de zwangerschap te willen doorstaan en het menstruatiebloed fungeerde als voedsel voor de foetus. Vanuit gynaecologische hoek werd het bestaan van verkrachting ontkend en een overvloedige menstruatie geweten aan vreemdgaan of aan zelfbevrediging.*
De zielloze lichaampjes van doodgeboren baby’s mogen voor straf niet op het eigen kerkhof worden begraven. De ziel is een verzinsel om iedereen in duisternis te binden. De duisternis van het geloof, welteverstaan, godverdomme.
Ik schrijf mijn eigen Bijbel.
De emotionele band tussen elke vrouw en de vrucht die binnenin haar groeit is veel sterker dan over het algemeen wordt aangenomen. Geen enkele vrouw die abortus overweegt doet dat lichtzinnig. Voor wie gelooft in de Schepping Gods is elke aanslag op die schepping een godlasterlijke daad. Gij Zult Niet Doden. En hoe zit het met de Ziel?
Je leven als mens wordt ingezet op het moment dat een zaadcel met succes het membraan van een eicel doorbreekt en de kernen van beide cellen samensmelten waarna de enkelvoudige chromosomen paren vormen en het delingsproces begint, het zgn. morulastadium.
Maar begint je leven dan ook? Sommigen menen dat met de Schepping van Adam en Eva elke Ziel al in de homunculus is ingeblazen.
Het minuscule klontje cellen heeft geen onafhankelijke overlevingskans, maar dat heeft de foetus na negen maanden ook nauwelijks. Zonder moederlijke zorg blijft de overlevingskans gering. Het morele argument luidt dat de moeder van het kleine lichaampje bepaalt wanneer het nieuwe mensje wordt geboren of wanneer het in de kiem gesmoord wordt. Amputatio naturalis (doorsnijden van de navelstreng) of abortus provocatus. Ziel of geen Ziel.
Het kleine lichaampje is de kern waar alles om draait voor de vrouw. Het is het centrum van haar universum. De band van een vrouw met het kleine lichaampje in haar eigen lichaam is als de band van een mens met een willekeurig deel van zijn lichaam. Je kunt best voortleven met één oor of met vier vingers al voelt het als een mankement. Sommige organen worden vervangen waardoor je voelt dat je lijf niet meer helemaal het jouwe is. Maar het verlies van een groeiend embryo, al dan niet gewenst, is veel ingrijpender. Zelfs ná de geboorte blijft het als een verlies voelen. Postnatale trauma's kunnen elke vrouw treffen. In een patriarchale samenleving worden ze niet op prijs gesteld en daarom doodgezwegen. God is het tegenovergestelde van mededogen. God is Gruwel.
Hoogste tijd om mijn koers uit te zetten. Als ik wil opschieten moet ik naar Pacha. Op naar de Sint-Michielsabdij dus. Ik zal mijn gastvrouw zo langzamerhand een missie influisteren die ze niet kan weigeren.
"Zuster Agnes! Dit is de stem van uw Heilige Geest. Luister naar wat ik te zeggen heb."
"..."
"Zuster Agnes?"
"Uwe Heiligheid, ik werd overvallen door uw Heilige Geest. Spreekt U toch tot mij."
"Zuster Agnes, ge moet Moeder Overste verlof vragen om een bezoek te mogen brengen aan De Sint-Michielsabdij. Vanwege Broeder Salomon, uit erkentelijkheid voor diens hulpvaardigheden."
"Met alle respect, maar dat verzoek aan de abdes ga ik niet doen."
"...Wat?"
"Voor een bezoek aan het Sint-Michiels heb ik geen toestemming nodig."
"Aha. En uw werkzaamheden kunnen even worden opgeschort?"
"Ik kan gaan en staan waar het mij goeddunkt. Men koestert het volste vertrouwen in mij. Ik draag tenslotte de verlosser in mij. Wanneer verlangt u dat ik ga?"
"Hm. Ok. Ga dan met het krieken van de dag. Zodra het eerste licht gloort gaat ge op pad."
"Uw wens is mijn bevel."
"Amen."
III
Op zijn queeste naar een mogelijke terugkeer raakt Moontrap verward in een netwerk van kindermisbruik en reliwaan en beland uiteindelijk in het autistisch brein van een wonderkind.
Met het plan in zijn hoofd om de betovergrootmoeder van de oprichter van het Rode Kruis , Marie Dassier, met een bezoek te verrassen, had Hasan zich naar de paardenstallen van het Sint-Michiels begeven. Het pad was een beetje modderig geworden door de natte sneeuw die neer dwarrelde. Het was buiten niet meer zo behaaglijk als tijdens de reis dat hij had leren paardrijden. Voordat hij ziek was en als patiënt in het klooster werd opgenomen.
In de stal was iemand – een 'paardenbroeder'? – in de weer met het vullen van de hooiruiven. Maar voor de poortdeur stond een groepje gendarmes dat sterker zijn aandacht trok, helemaal toen er een soort sergeant in gezelschap van de abt op hem toe kwam lopen. De kloostervoogd nam Hasan terzijde om naar zijn gezondheid te informeren, maar werd onderbroken door de barse rechtsdienaar.
"Monsieur Pacha?"
“Dat ben ik.”
“Bent u enige tijd geleden vanuit Genève naar hier gereisd? In gezelschap van onder meer ene George Cadogan”
“Inderdaad. Wat kan ik voor u doen?” Bij de herinnering aan de Britse diplomaat met wie hij tijdens de reis menig gesprek had gevoerd, bekroop hem een bezorgd gevoel dat de man iets naars was overkomen.
“Wij hebben opdracht om u onmiddellijk naar Delft te brengen.”
“Wat? Ik wilde juist een vriendin opzoeken. Hier in Antwerpen...” Geschokt probeerde Hasan een verklaring te bedenken voor die onverwachte tijding. Wat was er in hemelsnaam aan de hand?
“Dat zal niet gaan. U moet met ons meegaan. Heeft u nog spullen die u mee wilt nemen?”
“Ik wil helemaal niet mee. Laat me met rust.” Nu werd het hem echt te gortig. Verwilderd keek hij om zich heen of er iemand was die hem te hulp kon schieten. Hij had toch niets misdaan? Waar was de abt?
“U kunt beter niet tegenstribbelen. We willen liever geen geweld….” Een hand op zijn schouder dreef hem in de richting van het militaire rijtuig dat hem, naar het zich nu liet aanzien, onverbiddelijk naar het noorden ging vervoeren. Feitelijk daarheen, besefte hij, waar hij al die tijd al naartoe wilde. Hij vermoedde, al wist hij het niet zeker, dat zijn bagage al in de koets was gegooid. Verder verzet leek zinloos, hij kon maar beter instappen, dit niet voorziene avontuur vervolgen zolang het niet echt uit de klauw liep.
Terzijde keken de abt en de paardenman toe hoe de stoet, de gendarmes te paard en de koets die ze escorteerden, zich klaarmaakte voor vertrek. Het grijze landschap en de miezerige neerslag vormden een toepasselijk decor van de ontstemmende voorstelling. Het liet het kloosterhoofd niet onverschillig dat eerst Salomon en nu diens patiënt de abdij verlieten zonder hem daar van te verwittigen. Maar tegelijk zag hij daar een beproeving Gods in die hem sterkte in de overtuiging dat alles een reden had. Pacha’s arrestatie – wegens spionage, had de adjudant hem toegefluisterd – was ongetwijfeld terecht.
De paardenman, een monnik uit het noordelijke Brabant met de naam Hiëronymus, was in gedachten heel ergens anders. Hij was verantwoordelijk voor de jonge kinderen waarmee het klooster in de loop van de tijd overspoeld was geraakt. Waren het aanvankelijk vooral vondelingetjes geweest die doodgingen of vaak snel werden overgedragen aan de diaconie, tegenwoordig had hij zijn handen vol aan het toezicht. Niet alleen van de stallen maar ook van de tientallen kindertjes die in de abdij verbleven nadat de abt had besloten dat ze best zelf voor dat grut konden zorgen. Meisjes die bij de voordeur waren achtergelaten omdat ze ongeschikt waren voor de zware landarbeid konden goed helpen bij de zorg voor nieuwe baby’s – gevonden in een doos op straat of achtergelaten langs de weg nadat de moeder was overleden of gewoon afgestaan omdat er geen geld was om nog een mond te vullen.
Vanaf een jaar of vier werden de kinderen geschikt bevonden voor het verrichten van tal van werkzaamheden in en om het klooster. Ze hielpen met poetsen en reinigen van relikwieën en kakstoelen, met het wieden van onkruid en sprokkelen van hout, met het vegen van de schoorstenen en verzamelen van afval. Kortom, ze droegen eraan bij om het monnikenbestaan zo aangenaam mogelijk te maken.
De meesten verlieten het klooster weer voor hun tiende. Ze vonden in de stad of in de haven wel iets van hun gading. Reders en wasvrouwen ware altijd op zoek naar extra handen. Die jeugd baarde broeder Hiëronymus, zelf opgegroeid onder het juk van negen oudere broertjes – de kinderen noemden hem soms ook Broer – geen zorgen. Het waren de kleintjes waarmee zijn gedachten speelden.
En niet alleen de huidige kleintjes. Af en toe stak het de kop op: de herinnering aan zijn eigen jonge jaren. Toen hij nog een meisje was. Hoe hij/zij geterroriseerd werd door al die gasten, vooral toen papa en mama er niet meer waren. Ze was weggelopen toen ze vier was. Had zich als jongen uitgedost om te overleven. Ooit zou ze ze krijgen, de mannekes. Zoete wraak.*
Sodomie werd ook in de 18e eeuw niet op prijs gesteld. Herenliefde, hoererij, bestialiteit en andere, niet op de voortplanting gerichte zondes, werden in de eeuw van de Verlichting naar de subcultuur verbannen. Maar daarbij ging het wel om volwassen mensen die in staat waren om kinderen te verwekken. Kindermisbruik daarentegen bestond eigenlijk niet want kinderen waren nog niet volgroeid, ze waren nog niet af en als zodanig vogelvrij. Natuurlijk was het doden van een medemens verboden: al was het nog zo klein, elk mens was naar het evenbeeld van God geschapen en Gods schepping was heilig. Maar de kleintjes waren heel vertederend, leuk om mee te dollen en grappig om te zien als ze grote-mensen-spelletjes speelden. Levensechte knuffels voor bij het slapengaan, zolang ze nog niet huwbaar waren (ca. 13 jaar) hulpjes bij het onaneren en de witte was. Kleine poppedijnen, met piemeltjes en spleetjes, werden ingelijfd in de liefdevolle geborgenheid van de gemeenschappelijk bedstee. Pas op een leeftijd die later de puberteit genoemd werd kwamen jongetjes in aanmerking voor sodomie en werden meisjes buitenshuis verkracht. Van de talloze eerstgeborenen bleven er maar weinig leven, ongeacht hun geslacht.
Het verkrachten van meisjes was niet zozeer uit seksuele behoefte als wel vanwege de heersende volksopvatting dat hun maagdelijkheid een remedie was tegen allerlei welig tierende ziektes. Met name van venerische aandoeningen, waartegen in de 18e eeuw met kwikdampen en zwavelbaden geen vrolijk stemmende resultaten werden geboekt. Net zomin als het verkrachten van jonge maagden, trouwens. Wat bij sommige heelmeesters het idee opriep dat het christelijk ritueel van de doop de maagden ongeschikt maakte voor het wegnemen van zondes. Want wat anders waren geslachtsziektes dan het gevolg van Gods straf en hoe zou een bekeerlinge dat ongedaan kunnen maken? Nee, de maagd diende ongedoopt te zijn en ongedoopte kinderen, nou, dat waren de vele vondelingen. Kleine meisjes die op allerlei plekken werden achtergelaten omdat het analfabete volk wel de lusten maar niet de lasten van seks verlangden. En de baby’s werden vooral bij kloosters te vondeling gelegd, dus dat was de plek waar de chirurgijn zijn medicijn kon verkrijgen. Deze gedachte werd uitgedragen om de kleintjes te waarschuwen voor de zogenaamde kindervreters, kindervrienden die je beter uit de weg kon gaan.*
Broer Hiëronymus had zijn handen vol met het toezicht op en de gewenste uitvoering van de monastieke kinderopvang.* De oudere kinderen waren overdag verdeeld over diverse plekken in het klooster waar zij eenvoudige bezigheden verrichtten. Sommigen huishoudelijk, anderen in de tuinen. Sommige monniken hadden liever jongetjes, andere liever meisjes om zich heen, die hen assisteerden of anderszins van dienst waren. Een aantal oudere meisjes was belast met de zorg voor de kleintjes. Daarvoor was een aparte ruimte ingericht, de zogenaamde crèche. ’s Nachts sliepen alle kinderen in een gemeenschappelijk slaapzaal die ze zelf moesten onderhouden. Er ontstond bovendien in toenemende mate ruimtegebrek doordat er steeds meer kindertjes bijkwamen. Er leken voortdurend meer ongewenste baby’tjes te worden geboren die bij de poort te vondeling werden gelegd.
Gelukkig gloorde er hoop aan de horizon. De kloosterbroeder had in het oude centrum van de stad aangeklopt bij een van de diaconessenhuizen waar hij kennis had gemaakt met de chirurgijn Biedermann, die verlichting kon bieden.
Alfons Karl Theophrastus Biedermann had zich als geneesheer in Antwerpen gevestigd nadat hij aan de universiteit van Leuven bij professor Henri-Joseph Rega was gepromoveerd in de kindergeneeskunde. Zijn controversiële pamfletten dwongen hem evenwel de stad te verlaten en de Oostenrijker van geboorte was verder naar het westen getrokken. Tijdens de langdurige blokkade van de Schelde* hadden veel bewoners de wereldhavenstad verlaten. Het kinderrijke proletariaat dat was achtergebleven omdat het geen kant uit kon, bood een gepaste bestaanszekerheid en de gewenste anonimiteit voor een wonderdokter van zijn allooi.
Bij het horen van de dreigende overbevolking op de kinderafdeling van het klooster schoot hij te hulp met het aanbod om een deel van de vondelingetjes over te nemen. Tegen betaling desnoods, terwijl hun gezondheidstoestand hem onverschillig liet. Dat laatste was een hele geruststelling want sommige van de kleintjes waren op sterven na dood. Op het kerkhof van de abdij waren al heel wat kinderlijkjes begraven.
Biedermanns aanbod was natuurlijk spekkie naar het bekkie van de paardenman annex kinderbroeder. Niet alleen dat hij hiermee de toestroom van nieuwe baby’tjes in het klooster kon beperken, het compenseerde bovendien de financiële lastenpost die de crèche geworden was. Toen de dokter hem toevertrouwde dat zelfs gestorven vondelingen welkom waren, had de kloosterling wel even achter zijn oor gekrabd. Hij had wel eens gehoord van dubieuze medische praktijken met maagdenvlees tegen venerische aandoeningen, maar aan de andere kant, het was toch geen misdaad zielloze baby’tjes te gebruiken om gemene ziektes te bestrijden? Hij gaf Alfons Biedermann te kennen dat deze op hem kon rekenen. Hij zou persoonlijk zorgen voor de regelmatige levering van de kleine lichaampjes die bij het klooster werden afgeleverd, ongeacht hun conditie. Het leek hem minder bezwaarlijk dan zijn belofte aan enkele kloostergenoten om zich niet te bemoeien met hun didactische opvattingen over de omgang met jongetjes en meiskes die aan hen werden toevertrouwd. Dokter Biedermann bedankte hem met een vette knipoog:
“Het kleinde grut isch van grooter waerde. Hoe kleinder, hoe lickerder,” vertrouwde Alfons de monnik samenzweerderig toe terwijl hij onplezierig met zijn oog trok. Dat gaf broeder Hiëronymus een onwezenlijk gevoel van onbehagen maar zijn verlangen om de zaken te regelen en de geldelijke vergoeding die in het vooruitzicht werd gesteld wogen zwaarder dan het vage vermoeden van iets onoorbaars.*
Ongeveer te zelfder tijd in het nabijgelegen Falcontinnenklooster, aanschouwde zuster Godelieve, abdis van het klooster, haar spiegelbeeld. Nog altijd zag ze er prachtig uit. De jaren hadden haar er eerder rijper en voller doen uitzien dan dor en opgedroogd. Het kon haar niet behagen. Uiterlijke schoonheid is een zonde. Het beeld bevestigde telkens weer haar overtuiging dat de buitenkant de zwaarste last was die een vrouw moest dragen.
De spiegelkast stamde nog uit de tijd dat ze haar eerste aanzoeken had afgewezen: ze was ervan overtuigd dat de enige reden waarom ze ten huwelijk gevraagd werd haar uiterlijk betrof. Niet vanwege haar aard want die werd alom als onvrouwelijk veroordeeld. Niet haar gulzigheid waarmee ze kennis najoeg, bijbels of ketters, dat was haar om het even. Ze wilde weten wat de mensen dachten, hoe de wereld in elkaar stak en vooral waar Gods huis stond. Uiteindelijk besloot ze dat God binnenin haar woonde en dat het klooster de beste plek was voor haar zucht naar geleerdheid. Het bezat namelijk een uiteenlopende verzameling scripturen over zowel geestelijke als wereldlijke zaken.
Na verloop van tijd kon de bibliotheek echter niet langer voldoen aan haar leeshonger. Gelukkig was er de mogelijkheid om via koeriers manuscripten uit te wisselen zodat ze kon blijven beschikken over nieuwe informatie. En die bleek niet alleen geïnspireerd door kerkvaders als Thomas van Aquino en Bonaventura maar ook door een ketter als Spinoza. Daardoor werd ze op het spoor gezet van vrijdenkende tijdgenoten met soms zelfs atheïstische denkbeelden. Daardoor liet ze zich niet uit het veld slaan, haar geloof in God zat diep en het idee dat de mens niets anders was dan een machine zonder vrije wil, een product van de natuur dat was opgebouwd uit kleine lichaampjes, zonder een door goddelijke inblazingen onsterfelijke ziel.
Volgens zuster Godelieve betekende de gedachtegang van iemand als Offrey de La Mettrie dat het materialisme geen verklaring gaf voor het bestaan van de menselijkheid van anderen – zijzelf bijvoorbeeld. De goddeloze denkers hadden een mond vol over vrijheid van gedachte en meningsuiting, maar tolerantie met andersdenkenden was ver te zoeken. Ze leden aan arrogante gelijkhebberigheid. Wat zij benoemden als het hier en nu was voor de non haar hier en nu, zowel tijdens het leven als na de dood.
Mijn tijdloos zijn is net zo echt als het hunne alleen geef ik er een andere kleur aan. Daar zouden ze toch geen moeite mee moeten hebben. Of zijn ze soms kleurenblind?*
Haar eruditie en tolerantie werden in de gemeente gewaardeerd en Zuster Godelieve werd beloond met de leiding over het Falcontinnenklooster. Haar bestuurlijke werkzaamheden als abdis legde zoveel beslag op haar cognitieve vaardigheden dat het ten koste ging van haar metafysische overpeinzingen. Toch kreeg ze af en toe een ingeving die haar interessant genoeg leek om te noteren. Zo had ze bedacht dat God wellicht bij voorkeur in een heel klein lichaampje zat. Misschien wel zo klein dat het niet meer te zien was. Ze had in de Rerum Natura van Lucretius* gelezen over het splijten van een zandkorrel, het verder splijten van het gruis en daarna van het nog fijnere stof, steeds verder en verder, totdat je een deeltje kreeg dat niet verder gesplitst kon worden: een atoom. Als dat kleinst mogelijke deeltje toch nog verder verkleind kon worden, net zo lang tot er ogenschijnlijk ‘niets’ meer was, dan kwam als het ware het totale heelal tevoorschijn. Het verdwijnen in het niets was hetzelfde als het omvatten van het al. En dat was God. Volgens Godelieve.
Het idee was haar zo goed bevallen dat ze er bij het zien van Salomon elke keer glimlachend aan terugdacht. Want was de oude novice niet net als de hemel in een speldenknop, een wandelende discrepantie die zonder diepgaande gedachten de ware heilsboodschap verkondigde. Ze had hem toevallig zojuist het klooster zien verlaten nadat hij zuster Agnes weer had bijgestaan in de ziekenboeg. Dit keer waren het slachtoffers van godsdiensttwisten geweest, meende de kloosteroverste, maar het konden evengoed leprapatiënten of teringlijders zijn: zodra Salomon onverwacht verscheen voelden de zieken zich sneller beter dan zonder zijn zorgzame aanwezigheid.
Het had haar wel bevreemd om Salomon zo haastig te zien vertrekken. Gewoonlijk werd hij uitgeleide gedaan door een van de nonnen. Het leek haast of hij ergens voor op de vlucht was. Ze zou zo dadelijk even bij zuster Agnes informeren wat er kon schelen. Misschien moest ze die lieve man eens zelf opzoeken in de St-Michielsabdij.
Het magere zonlicht sijpelde langs de nog kale takken waaraan de eerste knoppen begonnen uit te lopen. De zusters Godelieve en Agnes waren samen op weg naar de abdij waar ze Salomon hoopten te verrassen met een bezoek. Zuster Agnes had zich opgelaten gevoeld toen de abdis haar had gevraagd wat er met Salomon aan de hand kon zijn. Haar schroom werd echter weggenomen toen de abdis aanbood om samen met haar naar het St-Michiels te gaan. Dat was precies wat ze zelf al van plan was, al druiste het in tegen haar plichtsgevoel. Het gezelschap van de abdis gaf haar echter genoeg zekerheid om die innerlijke stem te gehoorzamen.
Moeder-overste had trouwens al bespeurd dat ook in Agnes een knop begon uit te lopen. Ze vroeg zich af wat Salomon daarmee te maken had. Het leek haar beter om de kwestie nog niet aan te kaarten voor ze bij de abdij waren. Ze vroeg zich wel af of de zuster zich bewust was van alle gevolgen die haar zwangerschap, en vooral de bevalling, met zich meebracht. Eigenlijk was ze nog zo onnozel, enige moederlijke bijstand leek haar geboden, hier lag een verantwoordelijke taak.
Tijdens hun wandeling spraken de dames weinig, ze hadden al hun aandacht nodig om hun schoeisel en habijt te vrijwaren van het stadsvuil, dit soort uitstapjes buiten het klooster waren ze niet gewend. Gelukkig was het niet ver naar de abdij aan de rivier. Met de vlamvormige bekroning van de abdijtoren in zicht kwamen ze vrij snel aan bij hun bestemming.
De eerste die hen tegemoet trad was broeder Hiëronymus die zojuist de stallen uitkwam en de twee nonnen tot zijn verbazing zag aankomen. Hij haastte zich om hen te begroeten en ging hen voor naar binnen. Omdat er geen echte ontvangsthal was nam hij ze mee naar de afdeling waar hij het meest gewend was, namelijk de kinderopvang. Daar konden de verblufte nonnen plaatsnemen tussen de vondelingen en hun verzorgsters terwijl één van de meiden op weg ging om de abt en broeder Salomon te halen.
Blikkerend zonlicht brak door de hoge glas in lood ruiten en viel in plasjes op de grond. Agnes had zich er doorheen gewaad toen haar aandacht werd getrokken door een dreumes die geconcentreerd over een schetsboek gebogen zat. Ze vroeg hem wat hij aan het tekenen was.
“Ik probeer het onzichtbare zichtbaar te maken,” antwoordde hij opkijkend. Zijn gezicht verraadde dat hij drie keer zo oud was dan zijn grootte deed vermoeden.
“Hoe heet je?”
“Petrus.”
Met een licht gevoel in haar hoofd nam de zuster plaats op de chaise longue naast de abdis die het er zich al gemakkelijk had gemaakt. Beiden keken toe hoe de meiden zich bezighielden met het verzorgen en vermaken van de kleintjes. Zuster Godelieve speelde al met de gedachte dat, als het eenmaal zover was, Agnes haar baby hier wellicht zou kunnen droppen – de abdis was nog niet gekend in de messiaanse profetie die de Heilige Geest zuster Agnes volgens haarzelf had ingefluisterd – toen de abt gevolgd door broeder Salomon het vertrek binnen kwamen. De laatste liep verheugd op Agnes toe en sloot haar handen in de zijne. Hij was oprecht blij om haar te zien, zag Godelieve, terwijl ze opstonden om de abt te begroeten. Pas toen besefte ze dat ze nog niets gezegd hadden over het doel van hun komst. Met een hoofdknik richting Salomon maakte ze duidelijk dat ze speciaal gekomen waren om de oude novice te bedanken voor zijn fantastische dienstvaardigheden in het Facontinnenklooster.
Minzaam nam de verraste kloostervoogd de dankbetuigingen in ontvangst toen een onderdrukt gilletje uit Agnes’ mond de aandacht trok. Ze had zojuist van broeder Salomon te horen gekregen dat diens patiënt, de reiziger uit Genève, niet meer in het klooster was. Agnes had zichzelf betrapt op een innerlijke schok hoewel ze Pacha – hoe kende ze die naam? – nooit ontmoet had. Het vermoeden was dan ook dat ze begaan was met Salomon die het heel erg speet dat zijn patiënt voortijdig was vertrokken. De uitleg van de abt dat er sprake was geweest van overmacht, dat Pacha wegens spionage was gearresteerd en meegenomen naar Delft, had broeder Salomon niet kunnen troosten.
Hij is ontroostbaar, maar wat dacht je van mij? Potverdorie, Ik had gewoon in Pacha moeten blijven zitten. Maar ja, dat is achteraf gelul. Wat trouwens als hij echt was overleden? Waar zou ik dan gebleven zijn? Ik heb geen idee wat er met mij gebeurt als ik zou blijven steken in een lijk. Zou ik dan gewoon verdwijnen? Net als de geest van iedereen die doodgaat? Dat weet ook niemand, al zijn er ook in mijn tijd lieden die zeker weten dat ze eeuwig voortbestaan. De sukkels! Nee, ik heb geen enkel mededogen met baarden die geloven in een lustoord na een bloedbad of met zottenkoppen in de hemel of eikels in een geit...
Hoe nu verder? Als ik niet uit Pacha op die kwibus was overgesprongen zat ik nu in Delft. Hoe kom ik daar nu? Of sterker nog, hoe kom ik weer in de 21e eeuw. Want daar gaat het me om.
Om te beginnen kan blijven zitten waar ik zit. In zuster Agnes. Die onnozele hals heeft mijn aanwezigheid niet eens in de gaten zolang ik niet direct tegen haar spreek. Als de Heilige Geest, ha, ze moest eens weten. Maar dan moet ik wel bijtijds overspringen want een bevalling zie ik niet zitten, veel te veel risico, in de 18e eeuw stierven niet alleen de zuigelingen maar ook de jonge moeders bij bosjes. Als ik steeds bijtijds op een andere willekeurige persoon overspring kom ik over een paar honderd jaar vanzelf in een tijdperk waarin ik op een elektronisch netwerk kan overstappen. Dan heb ik geen menselijk lichaam meer nodig als intermediair medium. Een paar eeuwen is natuurlijk niks voor een onsterfelijke geest, maar wat als je ook nog ongeduldig bent? Ik heb helemaal geen zin om zolang te moeten wachten en bovendien kan er van alles misgaan…
Ik kan beter proberen zo snel mogelijk de tijdreiziger te vinden, maar dan moet ik wel weten hoe en waar ik die moet zoeken. In Delft, heb ik begrepen, gevangen gezet en misschien wel gefolterd. Dan zal hij wel een nanogel gebruikt hebben om terug te keren naar Delhi. In dat geval heeft het weinig zin om naar Delft te gaan.
Het is wel bijzonder leerzaam om de geschiedenis te doorkruisen via vele individuele getuigen. Maar dan zou ik allereerst een duidelijke vraagstelling moeten hebben. Zoals in het geval van Pacha, toen ik wilde weten wat de overgang van alchemie naar de natuurwetenschap had veroorzaakt. Via al die individuen zou ik bijvoorbeeld het dilemma tussen eigenbelang en solidariteit kunnen onderzoeken. Of hun morele kompas. De invloed van bijvoorbeeld de kerk. Tussen bevolkingsgroepen en in de tijd. Maar dan moet ik heel wat keertjes ‘overspringen’. En aantekeningen maken want zoveel informatie kan ik niet onthouden. Ik zou niet weten hoe ik dat moet doen. Afgezien daarvan, ik heb er helemaal geen zin in. Het antwoord interesseert me niet echt. Wat er in de mensen zelf omgaat is ondergeschikt aan hoe de samenleving zich beweegt. Het zegt hoogstens iets over hun welbevinden. En ook dat is betrekkelijk. Nee, ik ga liever op weg naar Pacha met zijn nanogels.
Ik herinner me uit stukken van het Archeologisch Instituut dat Theodoor Haase, de bedenker van El Instituto, de tijdreiziger ooit heeft ontmoet in Lima. Hij dacht overigens dat Hasan Pacha eigenlijk frater Iman was, maar dat doet er niet toe, ze hadden contact. En die Haase is hier in Antwerpen opgegroeid. Rond deze tijd, al ben ik daar niet zeker van. Het kan ook eerder zijn geweest. Zijn vader had een rederij en een groot handelskantoor. Dat moet toch te vinden zijn! En anders was er nog een zekere broeder Hiëronymus – zou het dezelfde zijn? – die in Breda was opgegroeid en Haase’s particuliere secretaris is geweest.* Van het toeval moet je het hebben. Ik ga voor Hiëronymus.
Het enige is wel dat ik niet weet in welke fase van Pacha’s leven hij zich voordeed als frater Iman. Misschien had hij toen allang genoeg van de toekomst en verbleef hij alleen nog in het verleden, in het precolumbiaanse Valdivia, om alleen nog af en toe een tijdstapje te maken. De strapatsen van een tijdreiziger zijn niet gesynchroniseerd. Het blijft gokken.
Maar is het hele bestaan niet een race tegen de onzekerheid? En is die onzekerheid niet gewoon een kwestie van tijd? Hoe dichterbij het beslissende moment komt, hoe groter de kans dat de beslissing valt. En als het zover is – als de wachttijd 0 seconde is – dan is de kans op de beslissing 100%. Of de beslissing goed of slecht is? Morele kwesties worden alleen door mensen aangekaart en dat is uiteindelijk altijd terug te voeren op een keus tussen (over)leven en (uit)sterven. Als onsterfelijke geest ben ik die keus voorbij. Als dat geen aanbeveling is voor WBE...
Genoeg gefilosofeer.
Ik ga me nu tot Agnes richten.
“Waarde Zuster, ge moet Broeder Hiëronymus’ hand kussen.”
“Ach Heilige Geest, daar bent U weer. Moet ik niet eerst de ring van de abt kussen?
“Broeder Hiëronymus is genoeg.”
“Zoals Uwe Heiligheid verlangt.”
“Ge zult Gods troon aanschouwen.”
Moontrap vroeg zich af of hij niet te ver was gegaan. Het manipuleren van zijn ‘voertuigen’ kwam voort uit een soort gemakzucht. Het was zo eenvoudig om Agnes zijn wil op te leggen dat hij last kreeg van gewetenswroeging. Was het goed of slecht om zijn wil op te leggen en onzin te beloven? Hasan Pacha had er geen last van gehad, voor de geleerde was het een onverwacht avontuur. Baptiste van Wesel had zich wel verzet, die had niets van hem moeten hebben. Dat was trouwens wederzijds geweest. Maar Agnes was een ander verhaal. Zij geloofde in haar onschuld al zijn influisteringen. En zijn van al zijn overpeinzingen drong niets tot haar bewustzijn door.
Zuster Agnes hield beide handen van Salomon vast. Ook zij was opgetogen om hem weer te zien en het vervulde haar met blijdschap dat hij haar gebrekkige aandacht van de afgelopen tijd niet kwalijk had genomen. De oude novice probeerde uit alle macht zijn vreugde met Agnes’ bezoek onder woorden te brengen. Vooral toen hij merkte dat ze ergens door werd beroerd. Maar hij kwam niet verder dan: “De vogel is gevlogen maar het ei ligt veilig in het nest.”
De vriendelijke woorden waren natuurlijk niet echt begrijpelijk, toch ze voelde nog meer vertedering opkomen. Ze streelde zijn hand en wendde zich vervolgens tot broeder Hiëronymus, haar innerlijke stem indachtig. Om diens hand te kussen. De verbouwereerde monnik liet zich dit welgevallen terwijl hij wat vreemd in zijn hoofd werd.
Abdis Godelieve interpreteerde het gedrag van de onderdanige non als een blijk van waardering voor Hiëronymus’ kinderopvang. Dat sterkte haar in de gedachte dat het kindje van Agnes wellicht onder de auspiciën van de monnik zou kunnen vallen. Misschien kon Agnes zelfs in het Sint Michiels bevallen.
Ze stond op het punt om haar gedachten te delen, onbekend als ze was met de dubieuze praktijken van Broer, toen de abt, die er wat verloren bijstond, meende dat Salomons cryptische woorden wat opheldering verdienden. Door zijn jarenlange omgang met de novice had hij diens raadselachtige uitspraken wel beter leren kennen.
“Wat broeder Salomon probeert te zeggen is dat zijn patiënt helaas vertrokken is maar dat een draagtas met persoonlijke bezittingen nog hier is. Die lag nog onder het bed.”
Die mededeling wierp een nieuw licht op de downie: hij was een dichter! De zusters en de abt glimlachten, Salomon keek verheugd op, alleen aan Hiëronymus ontsnapte een soort gegrom.
Maar niemand die zich daaraan leek te storen.
Het pruttelen van de monnik werd veroorzaakt door de scheut in zijn hoofd toen Moontrap vernam dat Pacha zonder zijn persoonlijke bezittingen was afgevoerd. Hij bedacht dat de tijdreiziger geen nanogels bij zich had om aan zijn gevangenschap met eventuele folteringen te kunnen ontkomen. Het was te hopen dat Hasan een beter lot beschoren was dan Huby zich in zijn sombere gedachten voorstelde. Maar hij zou in elk geval nog in Delft zijn. Daar moest hij dus zo snel mogelijk heen. Welke opties had zijn huidige voertuig?
Jasses! De geestelijke misbruikt kinderen. De spirituele spin voorziet zijn pedofiele netwerk van snotneuzen die zijn kloostergenoten naar behoefte kunnen inzetten. En hij is een handeltje begonnen met een enge sodemieter die beweert de zieken te genezen.
En er is nog iets. Wel heb ik ooit! Hij is een zij, een transgender, een vrouw in mannenkleren, een habijt nog wel! Wie had dat gedacht. Maar ze vervult deze rol kennelijk al zo lang dat ze er volledig in opgaat.
Ik heb me vergist in Hiëronymus. Hij is een viespeuk en een sjacheraar. Hij kan onmogelijk de minoriet zijn die in het San Francisco klooster in Lima alom werd gerespecteerd.
Alhoewel.
Ik bespeur hier wel een enorm schuldgevoel. Ze hunkert naar boetedoening. Ze speelt met de gedachte om in de anonimiteit te verdwijnen. Aankloppen bij de diaconie kan niet want daar kennen ze hem. Ze wil aanmonsteren in de haven, zwaar werk doen, pijn lijden, penitentie. Ik geloof echt dat ze weg wil van die kinderen, anders zou ze wel aan zelfkastijding doen en gewoon doorgaan.
Hoe dan ook, als Pacha vastzit in Delft heb ik dit voertuig helemaal niet nodig. Ik moet als de wiedeweerga de schaamte hier verlaten voordat de lading spijt te zwaar wordt. Anders kan ik straks geen kant meer op. De vraag is: hoe nu verder?
Oh ja, ik weet het al. Petrus! Die lilliputter* vertoonde een bijzondere begaafdheid. Hij tekende iets wat je normaal gesproken niet kunt zien. Was het zijn verbeelding? Of putte hij uit de herinnering aan iets van horen zeggen? Anyway, die jongen is vast en zeker geïnteresseerd in de nalatenschap Van Leeuwenhoek en de creatieve Hollandse microscopisten die “het onzichtbare zichtbaar maken”. Ik stuur Hiëronymus in zijn richting.
Zuster Godelieve was op de abt afgestapt om de mogelijkheden inzake Agnes’ bevalling en de babyopvang met hem te bespreken. Terwijl ze praatte met de abt liep Hiëronymus naar de kleine Petrus toe en streek hem over zijn bolletje. Dat was voldoende contact voor Moontrap om zijn voertuig in te wisselen voor het jongste vehikel.
Maar de ruil viel tegen. Het was of hij in een lege lade was beland, met bleke onbewerkte wanden en een onbereikbaar hoge hemel. Daarlangs kon hij wel de buitenwereld waarnemen, Petrus’ brein zelf was buiten zijn bereik. Dat was een ernstige tegenvaller, hij kon de jongen niet aansturen, een penibele situatie, hij was nu echt overgeleverd aan het lot.
Ondertussen pakte Broer een paar tekeningen van het tafeltje waaraan de kleine kunstenaar onverstoorbaar bezig was ‘het onzichtbare zichtbaar te maken’ en liep ermee naar Godelieve en de abt en toonde hen de prenten.
“We hebben een ware artiest in ons midden, vindt u niet?”
Haastig overhandigde Hiëronymus de tekeningen en stevende op de chaise longue af. Uit wat gespreksflarden had hij zojuist opgemaakt dat zuster Agnes wel eens onder zijn toezicht haar baby zou kunnen krijgen. Hij ging naast Agnes zitten die nog steeds Salomons hand vasthield. Totdat de monnik haar een voorstel deed en zij hem verschrikt voor haar mond sloeg.
“Na de bevalling kan ik er voor zorgen dat de baby goed terecht komt. Er zullen veel zieken mee geholpen worden.”
Aan haar gezichtsuitdrukking zag hij meteen zijn blunder, de baby moest helemaal niet verdwijnen, het kindje moest blijven, hier, in het Sint Michiels. Salomon zou er voor zorgen, en zijzelf, en iedereen in het klooster, hoe had hij ook maar een fractie kunnen denken dat het anders was? Diep beschaamd stond hij op en liep de opvang uit. Alleen Agnes keek hem na. Katatonisch.
Het licht in de opvang was geler geworden, de plasjes zonlicht waren verdwenen, achter het glas in lood dwarrelde natte sneeuw uit de samengetrokken wolken – maart roert zijn staart –, iemand liet een glas water vallen, een baby krijste...
Ze keerde terug tot zichzelf doordat Salomon haar optrok van de zitbank. Hij wilde haar meenemen naar andere ruimtes, het hele klooster laten zien, de kruidentuin, het altaar in de kerk. Kortom, ook zij verlieten de opvang, langs de galerij naar de binnentuin.
De abt was Hiëronymus’ verkrampte gelaatsuitdrukking opgevallen toen de laatste hem en Godelieve voorbijliep op weg naar de uitgang. Hij rondde hun gesprek af en volgde de monnik terwijl de abdis zich naar de kleine Petrus begaf die nog steeds in volle overgave aan zijn tafeltje zat te tekenen. Hij had wat speenkruid in de tuin geplukt en al verschillende schetsen van het plantje gemaakt. Nu tekende hij een vruchtbeginsel waarvoor hij een bloem had doorgeknipt. De kwaliteit en compositie deden haar denken aan een botanische platenboek* dat ze ooit had doorgebladerd. Het ademde toewijding en vakmanschap van een onmiskenbaar natuurtalent.
“Hallo Petrus.”
Zuster Godelieve stond over hem heen gebogen maar hij leek haar aanwezigheid niet op te merken. Al zijn aandacht was gericht op het doorgeknipte speenkruidbloemetje in de ene en zijn potlood in de andere hand. Het was niet duidelijk of hij tekende wat hij in zijn hand hield of wat hem voor de geest kwam. Het leek Godelieve te pieterig om met het blote oog elk detail te onderscheiden.
“Heb je al eens platen van het speenkruid bestudeerd? Het Cruijdeboek van Dodoens?”
Petrus reageerde niet. Afwisselend keek hij van het bloemetje naar het tekenblad en terug. Je zag aan hem dat hij iets wilde natekenen maar zijn potlood bewoog niet. Het onzichtbare bleef onzichtbaar.
Die jongen heeft iets nodig. In een opwelling deed Godelieve hem een spontaan voorstel.
“Wat zou je zeggen van een bezoek aan de Hollandse microscopisten? De erfenis van Hartsoeker en Van Leeuwenhoek?”
Langzaam kwam Petrus’ vogelkopje omhoog, draaide zijn gezicht naar de non en keek haar met grote ogen aan.
“Goed.”
Soms overkomt het je dat iemand een voorstel doet dat precies is wat je gehoopt had dat zou gebeuren. In zijn box – zo kwalificeerde hij de onbewerkte lade waarin hij, voorlopig, zat opgesloten – had Huby Moontrap toch kunnen merken dat Godelieve’s impulsieve voorstel in goede aarde was gevallen. Zijn ‘voertuig’, het kleine wonderkind Petrus, ging wat graag naar Holland. En dat was precies wat hijzelf wilde: naar Holland. Zijn overhaaste overstap was door puur geluk een juiste keus geweest.
Het ontlastte hem van de zorg hoe het verder zou moeten. Hun reis naar het noorden betekende dat zuster Godelieve, die ongetwijfeld een bekwame vervangster voor haar tijdelijke afwezigheid had aangesteld, komende tijd binnen handbereik was en er dus ruimschoots gelegenheid was om ‘over te springen’. Hij had de abdis trouwens al ingeschat als een prettige hospita om bij in te trekken. Maar hij had geen haast. Hij vond het wel lekker om een tijdje ongestoord in dit kindje te zitten. Daar kon hij zich bezatten aan zijn naar binnen gerichte filosofietjes zonder de verstandige tegenwerpingen van buitenstaanders.
Omdat ze geen haast had en het geld zuster Godelieve niet op de rug groeide had ze besloten dat ze vanuit Antwerpen met de trekschuit zouden vertrekken. Dat stelde Petrus instaat om onderweg aan zijn tekeningen te werken – iets wat in een hobbelend rijtuig absoluut onmogelijk was – terwijl Godelieve zich rustig kon verdiepen in de bundel recente pamfletten die ze de abt afhandig had weten te maken (met de belofte ze terug te sturen). Ze verwachtte namelijk niet dat zij de enigen aan boord zouden zijn en ze besefte dat er wel enige conversatie van haar kon worden verwacht. In dat geval had ze iets om inspiratie uit te putten. Ze bezat natuurlijk genoeg gespreksstof van zichzelf om een gezelschap fatsoenlijk te vermaken, maar in het bijzijn van onbekenden werd ze soms met stomheid geslagen. Als dat gebeurde kon ze altijd nog voorlezen uit zo’n pamflet.
Het kon dan maar beter niet over feminisme of godloochening gaan want een pamflet met een dergelijke strekking leidde niet zelden tot handgemeen. Gelukkig zat er in de bundel ook een vertaling uit het Frans over de criminele dwerg Louis Cartouche. Met een verhaal over het leven van de bendeleider, die vanwege zijn postuur in Frankrijk ‘de kleuter’ genoemd werd, zou elk gezelschap aan haar lippen hangen. De misdaden die hij zou hebben gepleegd, de folteringen die hij moest ondergaan nadat hij door zijn makker verraden was en de populariteit die hij had bij het volk, het waren geliefde onderwerpen van gesprek. De ‘kleuter’ geloofde trouwens dat de allesomvattende goddelijkheid in elk lichaampje een oneindig kleine kern bezat, een onzichtbare vonk die zorgde dat alles, dus ook zijn zogenaamde misdaden, een menslievend licht verspreidde. Precies wat zijzelf ook vond.
Eenmaal aan boord gingen Petrus en zijn patrones niet gelijk onderdeks om zich bij de andere passagiers in de lange kajuit te voegen, maar bleven nog wat buiten genieten van een voorjaarszonnetje en de uitbundige katjes aan de wilgen langs het jaagpad. Huby kon vanuit zijn communicatieve isolement meegenieten van de kabbelende golfjes en kwetterende vogels langs de waterkant. Zelfs rook hij de potloden die de kleine tekenaar ook op het dek niet onberoerd liet, al had hij nu meer behoefte aan een omgekeerde microscoop, een verrekijker. De oever was bedekt met een geel tapijt van bloemetjes die hem deden denken aan speenkruid, al had dat allang uitgebloeid moeten zijn. In zijn beleving bloeide speenkruid zeker een maand eerder. Tot hij besefte dat zijn beleving was gebaseerd op driehonderd jaar later.
Deze zintuiglijke genoegens gaven Huby enige afleiding. Hij werd namelijk gekweld door twijfel, of hij wel de juiste keus gemaakt had om op zoek te gaan naar Pacha. Of hij niet de kans had moeten grijpen om in dat pedofielennetwerk rond te waren. Alleen dan was hij er wellicht achter gekomen wat die lui eigenlijk dreef.
Nou, die kans is mooi verkeken.
Ik geloof trouwens dat gesjoemel met kindjes in deze tijd niet echt verboden is. Vierjarigen worden ook ingezet om allerlei kutwerk te doen en een flink pak slaag is de beste opvoeder. Officieel is het niet toegestaan om een medemens schade te berokkenen, maar onder de 10 ben je niet meer dan een half mens. Bovendien, wie tot de betere kringen behoort, zoals geestelijken, krijgt geen straf. Het woord ‘abortus’ is niet eens bekend, ongewenste kindjes worden, als ze niet al vanzelf doodgaan, in de beerput gedumpt.
Goed, ik heb gekozen voor een tochtje met een trekschuit. Naar Delft, bedoel ik. De bakermat van de microscoop waarmee compleet nieuwe werelden geopenbaard werden. Het instrument bij uitstek dat een einde maakte aan de overtuiging van kabbalisten en alchemisten dat alle kennis was terug te vinden in de Bijbel en andere oude geschriften. Het kroonstuk van de lenzenmakers dat definitief het zoeken inluidde naar de oorzaak van alles. De verrekijker is natuurlijk ook een dingetje, vooral voor ontdekkers,de lenzen als zodanig zijn het materiaal van uitvinders. Zij hebben de poort geopend naar nieuwe kennis en daarmee weer nieuw instrumenten uitgevonden. Ik snap wel waarom Pacha naar Delft wilde, nu maar hopen dat ik de tijdreiziger weer terugvind.
Ik ben er steeds meer van overtuigd dat de uitvinding van de microscoop het kantelpunt was van alchemie naar wetenschap. Wat ooit begon met de brillenglazen in de middeleeuwen – kwestie zand smelten en glas slijpen, een typisch voorbeeld van alchemie – leidde naar de industriële revolutie door een wisselwerking tussen de uitvinding van nieuwe instrumenten (techniek) en de uitbreiding van kennis (wetenschap).
Waarom in Europa en niet in China, waar ze al voor onze jaartelling brilletjes droegen? Volgens mij komt dat doordat in dat bureaucratisch bestuurde imperium van een absolute heerser, de keizer eeuwenlang verordonneerde dat alle kennis en techniek gericht was op het maken van een perfect eeuwigdurende kalender ten behoeve van het handhaven van de maatschappelijke orde en de consolidatie zijn eigen machtspositie. Voor die kalender was alle aandacht op de hemel gericht, dus op verrekijkers en niet op mierenneukers. In het aristocratische Europa was tenminste nog wat ruimte voor vrijdenkende welgestelde ondernemers.
Ik zit hier trouwens in mijn eigen bubbel in een doos waar ik in terecht ben gekomen dus ik zal er ook wel weer uit komen. Zie het als vrijwillige opsluiting, een plek voor contemplatie. Dat ‘overspringen’ op andere personen geeft interessante inkijkjes maar ook overgave (en soms zelfs overgeven als ik dat kon). Onstoffelijkheid heeft heel wat pro’s: geen rotte kies, geen zere knie maar ook nooit meer slapen. Alle prikkels komen binnen – ik lijk wel hypersensitief geworden. Daarom wil ik nog een tijdje in de box zitten.
Wie ben ik eigenlijk? Wie is Huby Moontrap? Het wordt tijd dat ik daar eens over nadenk. Ik zal als kind ook wel eens met West Heelal mijn adres afgesloten hebben, tot ik me afvroeg waar die windrichting vandaan kwam. Waaide het in de ruimte? Waarom niet noord of oost of zuid? Totdat ik mezelf betrapte op het vooroordeel dat in het westen alles beter was. En ik had het goed, ik had de zoete fee, sugarfairy – ik ben opgegroeid in de VS – een soort mascotte die altijd bedroefder was dan ikzelf zodat ik wist dat het altijd rotter kon. Relativeren zat er al vroeg in.
Dat iemand zo diep in de stront kan zitten dat-ie mijn rottigheid begeerlijk vindt, dat heeft me altijd geboeid. En ook wel geërgerd. Dat iets tegelijk goed en slecht kan zijn. Paradoxen. Als tijdreiziger denk ik dat het om schijntegenstellingen gaat. En dat heb ik het niet over taalkundige of wiskundige paradoxen, ik bedoel de alledaagse contradicties zoals stemmen op een antidemocratische partij.
De grootvaderparadox, dat een tijdreiziger z’n opa vermoordt waardoor hijzelf niet kan bestaan, komt van lieden* met een deterministisch wereldbeeld. De werkelijkheid is namelijk stochastisch, dat wil zeggen dat elke gebeurtenis misschien, maar misschien ook niet kan plaatsvinden. Het gaat om waarschijnlijkheid. Het is praktisch uitgesloten dat ik mijn opa ontmoet, laat staan dat ik hem vermoord. Dat komt gewoon door de manier waarop de ruimtetijd in elkaar zit: hoe dichter ik bij mijn eigen verleden kom, des te moeilijker kan ik me daar vrij bewegen. Het is net als wanneer dezelfde magneetpolen naar elkaar toe bewegen: dat gaat steeds moeilijker want ze stoten elkaar af. Het is niet voor niets dat Pacha’s team hun experimenten deden aan de andere kant van de wereld, in Zuid Amerika en Europa, maar nooit in India. Ik kan me voorstellen dat deze ‘box’ niet het gevolg is van autisme maar van een mogelijke relatie tussen kleine Petrus en mijn voorouders. Al zaten die wel in de States.
Opgegroeid in een land van tegenstellingen, liberale vrijdenkers tegenover orthodoxe christenen, had Huby het pluriforme Nederland een verademing gevonden. Geen verkrampte discussies over aangeboren of aangeleerd, het was altijd een combinatie, een beetje van dit en een beetje van dat. Net als Hollandse drop zowel zoet als zout, zwart-wit, de antagonisten samengevoegd, dat gaf het beste resultaat. Samenklonteren was het trefwoord. Kosmische synergie* gaf zin aan het bestaan, aan de wereld, het heelal.
De bewering dat de menselijke maat precies in het midden ligt tussen de uitersten van micro en macro was volgens hem een bron van zowel ergernis als fascinatie. Sinds het bestaan van de telescoop en de microscoop hebben we de werelden van het grote en van het kleine leren kennen. Melkwegstelsels waren gigantisch, maar stelden weinig voor in vergelijking met clusters van sterrenstelsels. Daarbovenop kwamen dan nog de superclusters en daarna de filamentachtige megastructuren van meer dan een miljard lichtjaren groot. Optisch niet meer waarneembaar, alleen indirect en met behulp van wiskundige modellen. Evenals aan gene zijde van het maatlint het bestaan van materiedeeltjes kleiner dan quarks niet aantoonbaar is. Met als multidimensionale klap op de vuurpijl de supersnaren, de kleinst denkbare lichaampjes, ontsproten aan het brein van theoretisch natuurkundigen. Wij mensen zitten daar dus tussenin. Halverwege. Hoe groot is eigenlijk de helft van oneindig?
Op mijn Amerikaanse schooltje leerde ik dat de hemel al biljoenen jaren bestond. In Nederland bleek dat duizend maal korter te zijn* en in de Biblebelt vond men 6000 jaar genoeg. Ik had genoeg aan een jaar of 16, wat kon mij het schelen, mijn ouders hadden het druk met elkaar of zichzelf, het enige wat ik wilde… tsja, wat elke ellendige puber wil… eeuwig(e) zonde, oneindig gedeeld door 0, voorbij de grens van het heelal, enz.
Mijn studie op Cornell werd afgebroken door het onverwachte besluit van mijn ouders om naar Nederland te verhuizen. Een tabula rasa zou ons goeddoen, maar niet heus. In één klap al het vertrouwde, vriendschappen en verwachtingen: foetsie!
In mijn late puberteit steeg mijn verwarring ten top toen de zoete fee Josje bleek te heten (na diverse andere namen; ik ben ze vergeten). Zij was mijn kantelpunt, popje, mijn chrysalide instar* tussen adolescent en volwassen. Dat waren vlammende jaren.
Onze laatste vakantie. Griekenland. Daar gebeurde iets. Ineens was ze verdwenen. Naar Israël. Met een bom in het vliegtuig, hoorde ik later. Bommenmeisjes, daar kreeg ik een opgeblazen gevoel bij, moest ik niets van hebben. Weer naar Amerika, alleen, ik schreef me in bij MIT, raakte verslingerd aan deep-science, kreeg een dingetje met een medewerker, ben weer afgehaakt, gaf overal de brui aan, terug naar Nederland.
Hasan Pacha zag ik voor het eerst in Leiden, op de gang van Hazepad z’n kamer aan de universiteit. Dat was toevallig, er was geen echte reden voor, maar ja, het zijn de kleine dingen…
Het heeft niets te maken met het overlijden van René.
Niets te maken met mijn metamorfose. De ansicht uit Cyberië had een andere afzender.
...en nu zit ik hier.
Ik weet niet wat me vanaf hier te wachten staat. De toekomst zit vol werelden die zich miljoenen malen sneller voortbewegen dan licht, zodat ze compleet onzichtbaar zijn. Met andere woorden, het hiernamaals is in nevelen gehuld, of je nou dood bent of levend, je weet ‘t pas als ‘t zover is.
Aan de andere kant, elke gebeurtenis wordt bepaald door wat eraan vooraf ging. Ik weet niet of dat het enige is (het wordt alleen veroorzaakt) of dat er meer is (het wordt mede bepaald) maar er is ongetwijfeld sprake van enige determinatie (bepaaldheid dus). Dat is hoopvol want zo kun je aan de hand van de gebeurtenissen die je al hebt meegemaakt je voorbereiden op wat je mogelijk nog te wachten staat. Je tast dus niet helemaal in het duister, al ben je stekeblind. Morgen komt de zon weer op, maar je weet niet of je hem zult zien. Er zijn boeken volgeschreven zonder dat iemand ze ooit las. Op het verlaten strand weerklinkt een hemelse symfonie waar niemand iets van hoort, als er niemand luistert. Bestaat de waarheid als je er geen weet van hebt? Bestaat bedrog als dat het enige is wat je weet?
Moeder aarde is bedekt met miljarden kleine lichaampjes die haar als maden leeg vreten en bevuilen. Zullen we bijtijds volwassen worden en uitvliegen of voor altijd in de stront zakken zoals de klimaatontkenners denken, want zij beweren dat opwarming vanzelf gaat en dus kunnen we er niets aan doen (de evolutie ten spijt, we gaan allemaal ten gronde). Maar ik ben een optimist, ik zet alles in op Homo cyberiens of zoiets).
Van de Kleyne Gouwe oft Speen-cruydt (Ficaria verna) volgens Dodoens Cruydt-boeck, 1644

Kleyne Gouwe heeft rondachtighe groene bladeren, ghelat ende effen in ’t aentasten, ende blinckende oft glinsterende, kleynder dan de bladeren van Veyl. De Steelkens zijn teer, kort ende meestendeel langhs der aerden ligghende, met gheele Bloemkens, die van Hanenvoet oft Boterbloemen ghelijck: nae de welcke oock een kleyn knoppeken oft balleken volght vol saet, dat van de Boterbloemen oock ghelijck, maer kleynder. De wortel is van kleyne faselinghen ghemaeckt, aen de welcke sommighe kleyne lichaemkes als korenkens aenhanghen, van groote met de Terwe over een komende.
Omtrent het beginsel van de Meert spruydt dit cruydt uyt der aerden; haest daer nae bloeyt het; inden April beghint het te verflenschen; inden Mey vergaet het heel: daer nae soudemen qualijck een wortelken (ick laet staen een bladt) van dit cruydt konnen ghevinden.
In onse tijden, ende wat daer voor, heeft men de wortelkens met de aenhangende kleyne lichaemkes begost te ghebruycken om de Speenen te genesen; ende men heeft dit cruydt daerom den naem van Speencruydt ghegeven: want de Speenen oft Anbeyen met het sap van dit cruydt oft van sijne wortelen, met wijn oft pisse van den krancken ghemengelt zijnde, dickwils ghewassen ende ghenet, worden kleynder ende in een getrocken, ende verdroogen heel; ende de pijne vergaet gantsch. Jae sommige meynen, dat dit cruydt maer over ons ghedraghen, de smerten van de Speenen ghenesen ende versoeten kan.*
Het is nog niet gedaan.
Is de tijdreiziger in staat om terug te keren naar de 21e eeuw. En lukt het Moontrap om Pacha bijtijds te vinden?
Alles zal worden geopenbaard in toekomstige hoofdstukken.